voorjaar 2013 Oekraïne

Grensformaliteiten XXXL

Nu heb ik met dat bussie van me toch inmiddels aardig wat ervaring met grensformaliteiten, ook bij overgangen die te boek staan als ‘moeilijk’, maar zoiets als vanmiddag heb ik nog niet eerder meegemaakt.
Exact om vier uur meren we af aan de kade van Il’Ichevsk. De douanebeambten komen aan boord en ‘houden kantoor’ in de passengers messroom. Samen met de elf vrachtwagenchauffeurs met wie ik de overtocht van Georgië naar Oekraïne heb gemaakt, sta ik te wachten in het gangetje om een voor een binnen gelaten te worden. Het is trouwens nog reuze bijgetrokken onderweg met die stoere chauffeurs. Ik heb bijna een dag behoorlijk moeten investeren, maar toen waren ze gewend aan die gekke (hun woorden), kerstmannige toerist (ook hun woorden) uit Holland, die zomaar in hun wereldje kwam. We kletsen wat, kijken televisie, drinken een wijntje en roken een sigaretje. Zelfs mijn twee zwijgzame Bulgaarse tafelgenoten waren ontdooid.

Na die twee Bulgaren ben ik aan de beurt om bij de drie (3) douanebeambten mijn papieren te laten controleren. Of ik Russisch spreek. Nee dus. Of zij Engels spreken. Njet. Ze bladeren wat in de stapel papieren en wijzen dan naar de deur: eerst de vrachtwagenchauffeurs, dan de toerist. Kan ik vrede mee hebben, die mannen zitten immers voor hun brood op de weg. Maar wat duurt het lang voor die elf man zijn afgehandeld! Stapels documenten zie ik voorbij gaan, niet meer te tellen aantallen stempels worden er gezet. Als ik eindelijk aan de beurt ben, duurt het twintig minuten voor ze mijn Hollandse papieren hebben ontcijferd. En maar tegen me aanpraten en maar vragen stellen in het Russisch. Het grootste probleem is mijn car passport. M’n bussie staat op mijn kentekenbewijs namelijk genoteerd als een Dethleff en dat automerk kennen ze niet (bestaat ook niet, het is het merk van de camperbouwer). En of ik nu zeg, dat het een Citroën is, maakt niet uit, er wordt druk met de wal getelefoneerd om instructies te vragen voor dit probleem. Uiteindelijk krijg ik de benodigde stempels en een formuliertje en mag ik de boot verlaten. Als ik de motor start, kijk ik op mijn horloge: half zeven. Niet slecht: twee-en-een-half uur voor het controleren van twaalf man…

Op het eind van de afrit van de boot staat een uniform. Hij controleert mijn paspoort en het zojuist ontvangen documentje en verwijst me links naar de grote parkeerplaats, waar al diverse vrachtwagens staan. Twee andere uniformen onderwerpen m’n bussie daarna aan een inspectie, zo grondig als ik nooit eerder heb meegemaakt. Alle twintig kratten onder het bed moeten er uit. En dat niet alleen, ze moeten een voor een worden open gemaakt en leeg gehaald. Alle deurtjes en laatjes gaan open en de inhoud wordt er uitgehaald. Mijn krat met medicijnen heeft hun speciale aandacht. Aan de hand van de verklaring van mijn huisarts wordt doosje voor doosje nauwkeurig gecontroleerd en geteld. Nog een geluk dat ik al acht weken onderweg ben en die krat al half leeg is. En leg het maar uit in gebarentaal, dat er in dat ongeëtiketteerde doosje tabletjes zitten tegen de kriebelhoest…
De deuren worden beklopt, mijn laptop moet uit de tas, de motorkap moet open, ja zelfs de koelkast moet leeg. En plotseling zijn ze verdwenen. Zomaar, zonder boe of bah, in het niets opgelost. Ik merk het omdat ik de voortdurend blaffende drugshond niet meer hoor. Hoffelijk! Ik kijk naar de ravage en begin in te ruimen.

Het is inmiddels gaan schemeren en ik heb geen zin de weg nog op te gaan om een plekje voor de nacht te zoeken. Op een groot parkeerterrein zie ik ‘mijn’ vrachtwagenchauffeurs staan en ik parkeer m’n kleine bussie bij de grote jongens. ‘Leuk, dat je erbij komt, Frits. Loop maar met ons mee, want wij weten de weg’, maken ze me duidelijk.
Wij weten de weg? Naar een truckersrestaurantje misschien? Zou me goed uitkomen, want ik begin aardig trek te krijgen. Mooi niet. Die ‘weg’ voert langs drie gebouwtjes van de douane. In ieder gebouwtje moet ik me melden met mijn paspoort en kentekenbewijs. In ieder gebouwtje krijg ik in drie- tot vijfvoud documenten mee, die in een volgend gebouwtje worden voorzien van een stempel. Waarna ik weer een nieuw documentje krijg. Met officiële stempels uiteraard. En dat alles om hier één nacht te mogen parkeren.
Om half negen -vier en een half uur na aankomst hier- ben ik eindelijk voldoende geformulierd en bestempeld. Ik maak m’n bussie nachtklaar, neem mijn medicijnen in en eet een boterhammetje. Eén van de ambtenaren in de afgelopen uren sprak een beetje Engels: ‘This is Oekraine. Rules, rules, rules’, vertrouwde hij me toe, ‘relax, not be angry, get used to it!’

Get used to it. Jawel. Ik zal wel moeten. Want als ik denk over de juiste papieren en stempels te beschikken, word ik de volgende dag, als ik het terrein wil verlaten, bij de slagboom verwezen naar een verveloos hokje waar ik weer een stempel moet halen. En weer zit er een niet-Engels sprekende mevrouw achter een loketje. En weer wordt er gesnuffeld en gezocht in stapels papieren, en weer worden er zuchtend allerlei gegevens ingevoerd in de computer. En als ik me dan met het gestempelde document bij de slagboom meld, moet weer mijn bussie open voor een controle. Vluchtig deze keer, maar toch. Get used to it?

4 mei

Gek hoor (?), maar tussen alle documenten- en stempelbeslommeringen in bij de Oekraïense grens, realiseer ik me dat het vandaag 4 mei is. Vanwege het tijdsverschil zit ik dan ook om negen uur keurig in m’n eentje twee minuten stilte te houden in dat bussie van me. Het zal de opvoeding wel zijn…

Late Pasen

Was het een maand geleden bij ons in Nederland Pasen (31 maart en 1 april om precies te zijn) in Grieks-orthodox Oekraïne vieren ze dat dit jaar op 5 mei. Vandaag dus. Nadat Claire-mijn-Garminnetje (hoera! ze is er weer!) me keurig netjes naar het centrum van Odessa heeft geleid, brengt ze me na de lunch net zo braafjes naar een camping aan de Zwarte Zee. Wat is dat toch zoveel meer ontspannen rijden met zo’n steuntje in de rug. Ik kan haar wel zoenen! Doe ik natuurlijk niet, want de mensen vinden me al gek genoeg.

De geschiedenis herhaalt zich. Op die camping in Zatoka ben ik weer eens de eerste en op dit moment enige gast van het seizoen en uiteraard (…) word ik hartelijk uitgenodigd bij de uitgebreide paasdis, met traditionele gerechten, gekleurde eieren en paascake. En de nodige wodka natuurlijk. En cognac. En mierzoete limonadesiroop. Bijna vergeet ik er de onaangename toestanden bij de douane door (of heeft dat te maken met de bovengemiddelde inname van wodka?).

Odessa

Catharina de Grote wist wel wat ze wilde toen ze droomde over een stad aan de Zwarte Zee, die het Sint Petersburg van het Zuiden zou moeten worden. En -zoals veel van haar plannetjes- kwam die wens natuurlijk uit. Wat Catharina in haar kop heeft… Ze kreeg haar minnaar (uw wens is mijn bevel), generaal Grygory Potemkin zover, dat hij voor haar in 1789 het Turkse fort Hadjibey veroverde en begon met de bouw van een stad voor zijn geliefde. Kom daar nog eens om in deze tijd.

En wat een prachtige stad is het geworden. Vanaf mijn overnachtingsplekje met uitzicht op de Zwarte Zee, pak ik ’s morgens de marshrutky en loop een uurtje later op de Vul Derybasivska, de beroemdste winkel- en flaneerboulevard van de stad. Omdat Odessa in de loop van de geschiedenis redelijk buiten het verwoestende oorlogsgeweld is gebleven, staan er volop historische panden. De gelijkenis en overeenkomst met Sint Petersburg is opvallend. Ook hier heel veel neo-renaissance gevels in lanen en straten waar niet gekeken is op een boompje meer of minder, met als absoluut architectonisch hoogtepunt het gebouw van de Opera.

Ik stap de Panteleymonivska kerk binnen en verwonder me voor de zoveelste keer over de uitbundige pracht en de praal. Als ik de kerk wil verlaten, word ik bij mijn arm gepakt door een dikke, kortademige vrouw die me -in het Russisch uiteraard- duidelijk maakt, dat ik mee naar boven mag, de toren in om daar de klokken te luiden. Via smalle wenteltrapjes klautert een gezelschapje van vijf mensen omhoog om bovenin ieder een vettig touw in de hand gedrukt te krijgen, waarmee we de klokken kunnen bedienen. Nooit kunnen bedenken, dat ik ’s morgens om elf uur ‘mijn’ klok over Odessa zou laten luiden.

En natuurlijk bezoek ik de beroemde Potemkin trappen. Je bent niet in Odessa geweest als je deze must niet hebt gezien. Nou, dat heb ik dan, maar als ik eerlijk ben, maken die trappen niet zo’n overweldigende indruk. Ik heb mooiere gezien. Bovendien (maar dat ligt ongetwijfeld aan mij) kan ik het ‘optische bedrog’ niet ontdekken, dat alle treden dezelfde breedte lijken te hebben omdat de eerste treden breder zijn dan die aan de top.

Vanaf die trappen slenter ik nog wat over de Bul Prymorsky, de driebaans voetgangerslaan, waar ik met moeite de mannen van me af kan schudden die mij met een roofvogel of pauw op de arm op de foto willen zetten. Ik vind het wel mooi geweest, drink op een van de vele terrasjes nog een bronwatertje en laat me dan door een taxi terug naar m’n bussie brengen.
Nu had ik het in de stad al warm en liep ik te puffen bij een temperatuur van zo’n graadje of zesentwintig, maar als ik mijn de hele dag afgesloten bussie binnen stap, breekt het zweet me pas echt uit. Ik kijk op de thermometer: vierenveertig graden. Ik zet alle ramen en deuren tegen elkaar open en maak een kop thee uit de fles bronwater die de hele dag op het aanrecht heeft gestaan. En dat is dan wel weer een voordeel van die hitte binnen: voor ik het weet, kookt dat water.

Vreemde combinatie

Eindelijk na al die weken een Hollander ontmoet?
Welnee. Kijk maar naar het kenteken en de landaanduiding.
Deze foto werd genomen in Oekraïne, maar ik had talloze van dit soort foto’s kunnen maken onderweg, met name in Georgië, waar nogal wat uit Duitsland en Nederland geïmporteerde bestelauto’s rondrijden. Maar het blijft een vreemde gewaarwording.

Vergelijkend warenonderzoek

Dat is waar ook: verkeer van rechts heeft voorrang! Ik ben zo gewend aan de verkeersmentaliteit in Georgië de afgelopen weken, dat ik in Oekraïne moet omschakelen. Was in Georgië de hoofdregel dat de brutaalste automobilist voorrang pakte, dat je door rood reed en links en rechts inhaalde (om maar een paar dingen te noemen), vanmorgen word ik er luid toeterend op gewezen dat die auto van rechts, die voor mij vol in de remmen moet, toch echt in zijn recht stond. Dat is waar ook…

Ook op rotondes moet ik weer even wennen aan de juiste regels.
En aan de Oekraïense politieagenten.
Het is druk en ik schuif op de middelste van de drie rijstroken richting rotonde om daar rechtdoor te gaan. Nog drie auto’s voor me en dan kan ik invoegen. Stapt er een agent tussen alle auto’s door in mijn richting en wijst nonchalant met zijn knuppel naar de kant van de weg. Me van geen kwaad bewust wurm ik me naar rechts en wacht tot de agent bij mijn raampje is. Hij kijkt naar binnen.
‘Wat is er aan de hand, agent?’
‘Bent u op weg naar Kyiv?’
‘Nee, naar Mikolaiv.’
‘Niet naar Kyiv dus?’
‘Nee, dat zeg ik: Mikolaiv.’
Niederlander?’
‘Ja, Nederlander.’
Hij kijkt uitgebreid naar binnen.
‘Maar eh, agent, wat is er eigenlijk aan de hand?’
Zonder antwoord te geven, wacht hij nog even en zwaait dan grootmoedig met zijn knuppel, dat ik weer mag doorrijden. Met moeite voeg ik m’n bussie weer in en haal mijn schouders op over dit uniformgedrag. Ze staan er om bekend, de Oekraïense agenten. Aan de andere kant moet ik terug denken aan die aardige wethandhavers in Zatoka aan wie ik eergisteren de weg had gevraagd naar de camping. We kwamen er door de taal niet uit. Hij liep naar zijn auto en gebaarde me hem te volgen. Met zwaailicht en loeiende sirene reed-ie, op een weg waar zestig de maximum snelheid was, met dik honderd kilometer voor me uit en zette me keurig voor het hek van de camping af.

En ik heb mijn eerste drie woordjes Oekraïens geleerd: pik, wada, slank.
Was ik in Georgië gewend mijn watertank te vullen bij een benzinestation, hier in Oekraïne kennen ze dat niet. Er is geen buitenkraan, er is geen drinkwater (pik wada) en ze hebben geen slank (slang). Ik stop bij een wasstraat. Daar kan ik mijn tank wel vullen. Als die vol is en ik de dop weer vastdraai, beginnen de vier jonge autowassers die me geholpen hebben over geld.
‘Money, money.’
‘Geld voor water, jongens? En hoeveel is dat dan wel niet?’
‘Tien dollar.’ Ik schiet in de lach.
‘Vijf dollar dan?’, proberen ze.
Ik schud mijn hoofd, open mijn portier en stap in. Als ik mijn gordel vast maak, doen ze nog een poging. ‘Tien hryvnia!’ (1 euro) Ik start, groet ze door het openstaande raam en geef een tik op de claxon. Grijnslachend zwaaien ze terug.

Tot slot: de wegen. Wat heb ik gefoeterd op die bar slechte wegen toen ik vorig jaar (eventjes) in Oekraïne was. En wat zit ik nu te genieten van een prima geasfalteerde weg. Het is maar, denk ik dan, vanuit welk land je Oekraïne binnen komt. Na Georgië zijn alle wegen in alle landen beter! Ik word er overmoedig van en zet na een koffiestop Claire-mijn-Garminnetje weer ouderwets op ‘binnendoor’. Drie kwartier later heb ik daar spijt van als haren op mijn hoofd. Was het eerst nog een weg met hier en daar een gat, nu rijd ik (als je het tenminste nog rijden kunt noemen) over iets tussen bomen, dat de naam weg niet waardig is. En niet eens een of ander boerenweggetje, maar de T1506. Een offroad zou een betere benaming zijn, een parcours zonder asfalt voor een 4×4. M’n bussie krijgt er weer eens ongenadig van langs, hoe langzaam en voorzichtig ik ook rijd. Soms moet ik stoppen om het kuilenoverzicht goed te kunnen zien en de minst erge ‘doortocht’ te kiezen. Ik word niet alleen van voor naar achter op mijn stoel geslingerd, maar ook van links naar rechts. Het doet me pijn als de kuilen zo diep en niet te ontwijken zijn, dat de bodem van m’n bussie over de grond schraapt. Vind ik dit nog leuk? Na een uur hossebossen niet meer. Ik stop en zet Claire-mijn-Garminnetje weer op ‘snelste route’. Maar ja, voordat je dan weer op een normale weg komt met normale kuilen, dat duurt wel even…

Ik begin trek in een warme lunch te krijgen, maar in de dorpjes waar ik doorheen rijd, is bij navraag geen enkele eetgelegenheid (naar een restaurant zoek ik allang niet meer). Dan maar geen warme hap. Maak ik wel een boterhammetje.
Ik besluit het nog één keer te vragen en stop als ik een oudere vrouw met een emmer langs de weg zie lopen. Ze spreekt Duits (!), heet Frida, heeft net haar koe gemolken, maar eten, hier, nou nee. Of het door mijn teleurgestelde gezicht komt of niet, Frida heeft wel een oplossing. Want haar dochter, die zes huizen verderop woont, heeft een pan borsjt op het vuur staan, dus als ik erge honger heb… Een kwartier later zit ik bij dochter Rita aan de keukentafel met een kom dampende, Russische soep en brood.
En een half uur later sta ik voor de nacht geparkeerd voor hun huis, met de stroomkabel naar binnen. Of het niet te warm is in dat busje, vraagt Rita, want dan kan ik gerust in het huis slapen. Als ik zeg de warmte geen probleem te vinden, geeft ze me nog een paascake mee. ‘Voor straks bij de koffie’, zegt ze, ‘in je warme bus.’

En tegen zessen staat ze (uiteraard?) bij m’n bussie met een kom rijst, vlees en radijsjes. Haar dochtertje Viktoria van zeven, die al de hele middag rond m’n bussie drentelt, stapt naar binnen als ik een uitnodigend gebaar maak. Ze gaat naast me op de bank zitten en kijkt nieuwsgierig rond in mijn mini-hotelletje. We zitten gezellig ‘samen’ te eten, ze kletst honderd-uit (ik versta haar niet, maar dat maakt niet uit) en ze helpt bij de afwas. Ze bekijkt de foto’s van de kleinkinderen die op de kastdeurtjes geplakt zijn en gaat pas met tegenzin weg als haar moeder haar komt halen omdat ze huiswerk moet maken.

’s Avonds zit ik met een boek aan de koffie-met-paascake.
De zon is bijna achter de huizen verdwenen als er een kudde koeien voorbij komt. Vrouwen in schortjurken en hoofddoekjes lopen er met een takje in hun handen omheen. Een vrouw op een paard-en-wagen rijdt door de berm langs die kudde en groet vrolijk lachend de mensen die uit hun huizen zijn gekomen om hun koeien uit de kudde te halen. Veel moeite hoeven ze daar niet voor te doen. Die stomme bruine koebeesten lopen zelf het erf op waar ze horen. En mocht er al eentje verkeerd lopen, dan is de vrouw met de paard-en-wagen er als de kippen bij zo’n koe in het gareel te krijgen.
Ik heb mijn boek neergelegd en zit door het wijd openstaande raam te genieten van dit vredige tafereel. De schortjurken groeten me vriendelijk als ze een koe bij m’n bussie weghalen die van de kudde is geraakt. De zon is inmiddels achter de huizen verdwenen en het wordt weer rustig in de straat. Ik doe het raam dicht en maak een tweede kop koffie.

Odessa en andere grote steden zijn mooi. Kerken en kathedralen zijn schitterend. Musea de moeite waard. Maar ik geniet net zoveel (zoveel meer?) van zo’n klein dorpje met vriendelijke mensen en koeien die in de avondzon links en rechts van m’n bussie voorbij komen. Even geen stadsgedruis. Even pas op de plaats. Even geen zin meer in kilometers maken. Even geen gehobbel meer over onmogelijke weggetjes. Even ontspannen. Met paascake. En koffie. En koeien.

Als ik de volgende morgen klaar ben om te vertrekken en vraag wat de kosten zijn voor het stroomverbruik, pakt Rita een pen en een papiertje en loopt serieus naar de meter. Ze pakt een rekenmachientje, tikt wat in en laat me de prijs zien: honderd hryvnia. Die Rita, toch minder lovely dan ik dacht*), want ik had verwacht met vijftig hryvnia de stroom wel betaald te hebben. Hoewel: een lunch, een warme maaltijd en stroom voor een tientje? Zij een leuk opstekertje, ik een goedkope overnachting. Ik geef haar het geld, bedank haar voor de gastvrijheid en rijd weg uit de voortuin.

*) Voor de jonge lezertjes: Lovely Rita Meter Maid (The Beatles-1967)

Wat nou weer? #1

Ondanks zwaardere vering, ondanks hoger op de poten staan, is het weer zo ver: bij het over de bodem schrapen op het offroad-4×4-parcours is de vuilwatertank lek geraakt. Als ik water gebruik, loopt er een pesterig straaltje water onder m’n bussie vandaan.

In Kherson stop ik bij een garage. Gelukkig valt het mee en is alleen de aansluiting van de tank losgesloten. Fluitje van een cent. Ik krijg een keurig geprinte nota en betaal bij de kassa dertig hryvnia (…) voor de reparatie.

Rib uit mijn lijf

Ik ben in de Krim aan de Zwarte Zeekust, vakantiebestemming bij uitstek van veel Russische toeristen. Het is er mooi, maar dat heeft ook met het stralende weer te maken, dan lijkt alles fraaier. Het oogt beslist vriendelijker en welvarender dan het gebied waar ik tot nu toe gereden heb. Toeristengebied dus. Hotels. Campings. Zal wel aan de prijs zijn hier.

De man bij de kempinh aan de Steeg in Pishchane maakt het hek al voor me open, maar ik wil eerst weten wat een overnachting me kost. Campings genoeg, nietwaar? Met een stokje schrijft hij de prijs in het zand: dertig hryvnia… Dertig hryvnia? En toiletten? Da, da. En stroom? Da, da. En douches? Die moet ik apart betalen. Nou vooruit, dat kan ik dan nog wel ophoesten, bij de drie euro per nacht.
’s Avonds komt de campingbeheerder naar mijn bussie met een half gevulde colafles in zijn hand. ik pak alvast de glazen. ‘Kognak?’, vraagt hij, de fles uitnodigend omhoog houdend, ‘Ruski kognak?’. Ach, wie ben ik om zo’n man, die om een praatje verlegen zit, te weigeren…

Onderweg #7

Fontein van tranen

Catharina de Grote (daar is ze weer), toch bepaald niet vies van het op grote schaal laten vernietigen van kloosters, moskeeën, kerken en paleizen in Oekraïne, spaarde in Bakhchysaray het Paleis van Khan Krim Guirei omdat ze het zo’n romantisch en liefelijk gebouw vond. Dankzij deze wispelturigheid van Catharina is dit complex nog steeds in oude glorie te bewonderen en trekt jaarlijks tienduizenden bezoekers.

Ik koop mijn entreekaartje en zoek op de plattegrond de plek van de ‘fontein van tranen’. Daar heb ik over gelezen en die wil ik als eerste zien. Misschien zijn mijn verwachtingen te hoog gespannen, want eerlijk gezegd, valt die hele fontein een beetje tegen. Hij staat een beetje verloren in een hoek van een vertrek. Uit het bordje ernaast maak ik op, dat hij vroeger in de tuin van het paleis heeft gestaan en later een plekje binnen heeft gekregen. Maakt de fontein zelf niet zo’n geweldige indruk, het verhaal dat erbij hoort doet dat wel.

De laatste khan op de Krim, Giri, had een beeldschone Poolse concubine in zijn harem en was daar smoorverliefd op. Maar het meisje wilde niets van de khan weten en wees al zijn avances af. Sterker nog: zij voelde zich zo ongelukkig in de harem en had zo’n heimwee, dat zij langzaam wegkwijnde en uiteindelijk stierf. Khan Giri was ontroostbaar, huilde (zo gaat het verhaal) dag en nacht en kwam niet meer toe aan regeren. Zijn hofhouding heeft toen, om zijn gedachten af te leiden en hem weer ‘bij de les’ te halen een fontein laten maken. Of dat de ontroostbaarheid van de khan heeft geholpen, vertelt de historie niet, wel dat Ruslands beroemdste dichter Pushkin ruim een eeuw later bij de fontein was en geraakt werd door de schoonheid ervan en het verhaal er achter. Hij legde een rode en een gele roos bij de fontein, respectievelijk symbolen voor de liefde en het verdriet. En hij maakte een gedicht, waarvan de eerste regels bij iedere Rus (?) bekend zijn:

Het water fluistert in het marmer
En valt neer in koude tranen
Die nooit stilvallen.

Ik lees de dichtregels nog eens over en probeer met andere ogen naar de fontein te kijken. Het lukt niet. Hij wordt er niet mooier van. Het zal het verhaal wel zijn, waarom iedereen om me heen voor een foto poseert.

Vier keer scheepsrecht

Als ik Sebastopol verlaat, geef ik Claire-mijn-Garminnetje opdracht me naar Foros te leiden. Foros is een badplaats aan de Zwarte Zeekust en ik schat in dat daar wel een camping zal zijn.
Zo’n vijftien kilometer voor Foros zie ik een bordje dat naar een camping verwijst. Ik gooi mijn plan en mijn stuur om en sla de zijweg in. Kilometers en kilometers rijd ik over een landweggetje zonder een verdere aanwijzing te zien. Ik begin te twijfelen of ik geen bordje heb gemist en vraag aan voorbijgangers waar de camping is. Ik blijk goed te zitten: priamo, priamo, wordt me steeds verzekerd. Het zal allemaal wel, maar ik bedenk ondertussen dat we dat ook tegen alle Duitsers zeggen: immer gerade aus!
Net als ik besluit het op te geven en te keren, zie ik een bordje dat naar rechts verwijst. Op het kaartje van Claire-mijn-Garminnetje loopt dat weggetje dood. Klopt: tien minuten later sta ik in de hete zon op een plein, waar de buurtbus net kan draaien en waar -zo lijkt het- het einde van de wereld is. Maar geen camping te bekennen! Ik loop een huis in aanbouw binnen, waar een rap Oekraïens sprekende vrouw me uitlegt dat de camping niet hier, maar een stuk verderop ligt. Ze stelt voor even bij me in te stappen en me er naar toe te brengen, want ze woont daar toch. We rijden dezelfde weg terug, nemen een andere afslag en stoppen voor een gebouw met het opschrift ‘camping’. Er komt een man naar buiten die me trots de kamer met badkamer laat zien. Ik leg uit dat zoiets de bedoeling niet is, bedank de vrouw voor haar hulp en laat Claire-mijn-Garminnetje een kampeerterrein zoeken.

Da’s een gelukkie: twaalf kilometer hier vandaan is een camping. En nog eens twee kilometer verder weer een. Maar als ik bij camping-1 aankom (althans volgens Claire-mijn-Garminnetje) wordt de weg versperd door een groot hek, met daarachter een nog grotere militair. Met moeite keer ik m’n bussie op het smalle weggetje en rijd weer terug omhoog naar die prachtige kustweg om een paar kilometer verder weer met haarspelden naar beneden te gaan. Wat blijkt? Camping nummer twee bestaat sinds een half jaar niet meer! Zeggen de twee mannen van de beveiliging bij de slagboom van een splinternieuw, gigantisch hotel. Maar ze kunnen me wel helpen: ‘Zoek je een camping? Dan moet je in Foros zijn. Daar is een camping!’

Was ik nu maar meteen naar Foros gereden, zoals ik oorspronkelijk van plan was! Had ik geen onnodige zoektocht gemaakt naar niet (meer) bestaande campings! En wordt al die moeite van vier uur zoekend rondrijden beloond? Ja, want er is inderdaad een camping in Foros. Maar nee, hier wil je voor je verdriet nog niet staan. Eigenlijk zijn er helemaal geen plekken voor passanten en is het een grote verzameling gare sleurhutten die hun beste jaren al een poosje achter de rug hebben. Ik mag voor het kantoor van de administrator staan. Mijn treeplankje kan net uit, mijn portier kan niet open, ik pieker er niet over de toiletten hier te gebruiken, de douche zit op slot, de waterkraan geeft zo’n miezerig ouwemannenstraaltje, dat het drie kwartier duurt voor mijn tank vol is en er liggen regelmatig twee honden voor m’n deur. Maar ik ben moe en neem eigenlijk alles voor lief. Ik ga bijtijds naar bed. Morgen weer een nieuwe dag. Benieuwd waar ik dan terecht kom.

Zoektocht

Om tien over vijf (…) word ik wakker van gebons op mijn achterdeur. Buiten staat een groepje Oekraïners luid te discussiëren, op hun gemak leunend tegen m’n bussie. Dat is dus (zojuist nagemeten) op zeventien centimeter van mijn hoofdkussen! Ik mompel een buitenkerkelijke verwensing en rol me om naar het kussen aan de andere kant van het bed. Na een kwartiertje verdwijnt het gezelschap en ik lig nog wat onrustig te dommelen. Maar als er rond zeven uur om me heen auto’s worden gestart en mensen een praatje met elkaar maken (waarom doen ze dat zo luidruchtig?), houd ik het in bed niet langer uit. Ik wil hier weg. Weg van deze ‘camping’. Ik wil een dagje een goede plek, goede toiletten, een warme douche en, als het even kan, een restaurant op of bij de camping. En als het helemaal meezit: wifi.

Met alleen maar dat plan start ik om acht uur de motor en manoeuvreer -omdat keren op het smalle straatje niet mogelijk is- behoedzaam achteruit de camping af en het hek door. Claire-mijn-Garminnetje meldt dat er vierentwintig kilometer verderop een camping is. Dat lijkt me voor vandaag ver genoeg.
Ik moet me door mijn navigatiecomputertje maar niet meer naar een camping laten leiden, want net als de dag ervoor, sta ik, als de bestemming bereikt is, voor een hek waar de weg eindigt. Een sanatorium dit keer. Hoe actueel zijn de points of interest van de Oekraïne in mijn Garmin eigenlijk? Of gaat de toeristische ontwikkeling hier zo snel, dat campings verdwijnen en er binnen de kortste keren joekels van hotels op die plek verrijzen?

Ik rijd over de schitterende kustweg langs de Krimkust. Links de bergen, rechts de Zwarte Zee. Een prachtige, goed geasfalteerde weg die door een schitterend landschap slingert met veel cipressen. Het doet me een beetje aan de Italiaanse kust denken. Beslist indrukwekkend mooi allemaal, maar ik wil ervan genieten vanaf een plekje op een camping en niet vanachter mijn stuur! Zijweggetjes naar de kust genoeg. Ook borden bij die afslagen die ‘ergens’ naar verwijzen, maar ik kan het Cyrillisch niet lezen. Wel de Engelstalige, enorme billboards die me op hotels, appartementen en residenties attenderen. Is de Krim -of erger nog- is Oekraïne geen land voor kampeerders? Ik zie opvallend veel Russische kentekens. Voor die auto’s gaan de slagbomen bij residenties open en worden ze vriendelijk begroet door geüniformeerde bewakers. Ik -zwerver met een bussie- word bars weggestuurd.

Ook mijn pogingen bij een restaurant te overnachten worden bot geweigerd. En bij benzinestations geef ik het al snel op. De tankstations in Oekraïne zijn kleine forten. De kassa is een minuscuul klein luikje, de ramen er omheen zijn geblindeerd, zodat je niet ziet met wie je praat aan de andere kant van de ruit. Meer dan onvriendelijk wordt me duidelijk gemaakt, dat ik niet mag parkeren en dat er ‘een paar kilometer verderop’ een camping is. Met weemoed denk ik terug aan de vele overnachtingen bij een benzinepomp in Turkije en Georgië, waar ik altijd terecht kon, waar mijn stroomkabel door een zijraampje naar binnen ging en ik een kopje cai in m’n bussie bezorgd kreeg.

Vier, vijf zijweggetjes ben ik inmiddels naar beneden gereden, maar steeds zonder resultaat. Als ik al met de mensen kan praten (de voertaal is Russisch), krijg ik te horen dat er ‘een paar kilometer verderop’ (waar heb ik dat eerder gehoord?) wel een camping is. Ik stop regelmatig bij de talloze groepjes zwaarbepakte fietsers en wandelaars die hier komen voor bergbeklimmingen en wandeltochten. Ook toeristen, net als ik, maar als ik vraag naar een camping schudden ze hun hoofd. Zelf kamperen ze meestal in van die kleine koepeltentjes aan het strand of slapen simpelweg op een matje. Oerkampeerders.

Toch al niet opgewekt wakker geworden vanmorgen, begin ik het nu al zat te worden. Meestal stop ik na zo’n twee uurtjes rijden voor een kop koffie, maar vandaag niet. Ik zal toch wel zo bij een camping zijn? Maak ik daar lekker koffie!
En inderdaad: rechts van me, pal langs het strand, zie ik diverse tenten staan. Ik rijd tussen twee zuilen door die waarschijnlijk vroeger een poort vormden en parkeer. Ik loop naar een van de tenten die in de schaduw van wat bomen staan. De bh-loze vrouw met een gehaakte doorkijkbloes, geëpileerde wenkbrauwen en vuurrood gestifte lippen, begroet me vriendelijk. Anderhalve meter bij haar vandaan ligt een bobbel onder een vaalbruine slaapzak, waar twee groene kaplaarzen onder uitsteken. De vrouw steekt een sigaret op en bevestigt dat ik inderdaad op een camping ben terecht gekomen. Waar de toiletten dan zijn en de douches, vraag ik. Ze neemt een diepe haal van haar sigaret, kijkt me glimlachend aan en wijst met een breed gebaar naar de zee. De slaapzakbobbel kreunt en draait zich om.
Ik kijk om me heen en zie een paar roestige loodsen, een oude autobus zonder wielen en ramen en afval, heel veel afval. ‘Kom gezellig naast ons staan’, gebaart de doorkijkbloes uitnodigend, maar ik heb daar geen trek in, noch in haar gezelschap, noch in deze ‘camping’.

Het loopt al tegen de middag (…) als ik bij het dorpje Ribache langs de weg een jongeman met een bord zie staan. Aan de overkant van de weg staan wat tenten. Als ik vraag wat er op zijn bord staat, blijkt dat ‘kamers’ te zijn. Zeg maar in het Nederlands: Zimmer frei.
‘Kamers? Maar ik zie toch tenten? Is dit ook een camping?’ ‘Yes sir, camping.’
‘Met toiletten? En douches? En elektriciteit?’ ‘Yes sir!’
Ik rijd het terrein op, parkeer, sluit de stroom aan en trakteer mezelf eerst op een mok koffie. Want ga maar na: vanmorgen vertrokken met als enige plan zo snel mogelijk een camping te vinden. Door Alupka gereden en een bezoek aan kasteel Vorovdsov overgeslagen. Het Livadiapaleis in Jalta links laten liggen en daar ook het woonhuis van Tsjechov niet bezocht. Bijna honderdtwintig kilometer zoekend rondgereden. Dan heb ik die koffie dik verdiend!

Zo’n Oekraïense camping is overigens niet te vergelijken met de kampeerterreinen in West Europa. Ik heb nog niet zo veel ervaring, maar wat ik tot nu toe heb aangetroffen is allemaal, zeg maar, heel erg basic. Het ziet er op het eerste gezicht leuk en aardig uit, maar de voorzieningen hier zijn beduidend minder. Er zijn toiletten, maar dan wel stinkende werpgaten. Hier in Ribache bijvoorbeeld zit je gezellig met z’n drieën in een hok, gescheiden door een houten wandje. Maar ze hebben dan weer wel wc-potten, alleen zijn die tot aan de rand in de vloer gemetseld. En er is een douche. Twee cabines staan er en het ‘warme’ water komt van een groot vat op het dak. Mijn afval moet ik naar de containers aan de overkant van de weg brengen. Niet bepaald wat ik voor ogen had toen ik vanmorgen weg reed, maar ruim voldoende om hier een lekker extra tutteldagje te blijven.

’s Avonds loop ik naar het dorpje en stap binnen bij een restaurantje-aan-zee, dat gerund wordt door Natashja en haar schoonmoeder Irya. Eigenlijk nog niet open, lege koelkasten en vitrines (volgende maand komen de toeristen), maar Irya maakt een lekkere maaltijd voor me. We kletsen gezellig wat af met Google Translate en als ik heb afgerekend, geeft Irya me een paar pannenkoeken mee. Voor de aardigheid.

Die pannenkoeken eet ik de volgende morgen als ontbijt. Ik poedel wat kleding, de kopjesdoek en de theedoek uit en was de kussenslopen (mag wel weer eens na vier weken). Mijn dekbed hang ik te luchten. Vind ik al mooi genoeg, je moet niet overdrijven. ‘Vieze, oude man’, zou Nel zeggen.
Ik was mijn fietsje en maak m’n bussie van binnen goed schoon. Ik doe wat boodschapjes, lees wat, bekijk de route voor de komende dag en knap ’s middags een uiltje in mijn kampeerstoel-standje-onderuit. Het dinettekussen ligt ondertussen buiten te drogen, want bij mijn pannenkoekenontbijt stootte ik de mok thee er overheen. Ach, met die stralende zon en heerlijke temperatuur hier is dat binnen de kortste keren droog. Mijn dag kan niet stuk, zelfs niet door een kleddernat kussen.
En vanavond ga ik weer eten bij Natashja en Irya. Omdat het gisteren lekker was. En gezellig. Maar ook omdat ze wifi hebben…

Historische grond

Er zijn mooiere paleizen in Oekraïne dan het Livadiapaleis in Jalta. Het is bekend als de zomerresidentie van tsaar Nicollas II, maar echte historische betekenis -voor mij althans- heeft het gekregen door de Jaltaconferentie in 1945, waar de doodzieke Amerikaanse president Franklin Roosevelt, de Britse prime minister Winston Churchill en de leider van de Sovjet Unie, Jozef Stalin, bij elkaar kwamen om na de nederlaag van Duitsland de grenzen en vooral de invloedsfeer binnen Europa te bepalen.
Veel meer dan alle hypertoeristische hotels, stranden en resorts bij elkaar trekt deze plek me enorm. Als ik eerlijk ben, is een bezoek aan deze historische grond een van de belangrijkste redenen dat ik de Krim bezoek. Misschien wel de belangrijkste.

Natuurlijk (…) sta ik te vroeg bij de poort van het paleis. Het is half tien en over een half uurtje gaat het museum pas open. Van de bewaking mag ik al naar binnen en m’n bussie parkeren. Voor vijftig hryvnia willen ze het hek wel voor me open maken. Ik vertrouw het niet en vraag een bonnetje voor die vijf euro, maar dat hebben ze niet. ‘No ticket, no parking’, probeer ik nog stoer, maar de bewaker heeft zijn antwoord klaar: ‘No money, no parking, go away…’

Eerlijk gezegd is er binnen bar weinig te zien. Twee geüniformeerde poppen aan het begin van de onderhandelingszaal, de lange conferentietafel, de biljartzaal waar de regeringsleiders hun maaltijden gebruikten, een ruimte met een bureau en een telefoon en de tafel met drie vlaggetjes waar het verdrag werd getekend. En veel foto’s aan de muur. Saai, sober, maar indrukwekkend. Ik heb dat altijd met plaatsen waar geschiedenis werd gemaakt. Ik loop door een gang en bedenk dat hier de voetstappen van Stalin liggen. Ik kijk door een raam naar de binnenplaats, waar misschien Churchill, zijn bekende dikke sigaar in de mond, met zijn handen op zijn rug ook naar buiten heeft gekeken. Hier zijn belangrijke beslissingen genomen die de na-oorlogse politiek hebben bepaald. Hoe lang is het nog maar geleden? En ik sta daar gewoon. Op die plek. Ik ben erg onder de indruk, geëmotioneerd zelfs. Het is niet druk en ik heb alle tijd alles rustig op me te laten inwerken.

Op de eerste verdieping zijn de kamers en zalen gewijd aan tsaar Nicolaas en zijn familie. Mooie vertrekken, fraai meubilair, schitterende voorwerpen, maar ik wandel er zonder echte belangstelling voor de vorm doorheen. Ik ga de trap weer af, negeer het bordje exit, trek me niks aan van sputterende suppoosten (allemaal vrouwen) die me met een njet, njet niet willen doorlaten en bekijk de Jaltaconferentie op m’n gemak nog een keer.

In het restaurant sluit ik het bezoek af met een lunch. En kijk: weg saaiheid, weg soberheid. Op het gobelin tafelkleed wordt een ‘paleizig’ kopje koffie voor me neergezet, even later gevolgd door een kunstig opgemaakt pannenkoekje met een vulling van gebakken levertjes. Als ik terug loop naar mijn bussie staat er een lange rij touringcars. Drommen bezoekers nemen bezit van het paleis. Ik was precies op tijd.

Zeemansgraf

Zomaar, onverwacht, staat er langs de kustweg een schitterend klein kerkje en een museum. Ter nagedachtenis aan alle Oekraïense scheepslieden die het leven op zee hebben gelaten. Met ankers van verloren gegane schepen, met bloemen, met plaquettes. In geen enkele reisgids beschreven, maar indrukwekkend genoeg om even te stoppen.

Man alleen

Halverwege de middag komt de beheerder van de camping naar m’n bussie. Niet -zoals ik gewend ben- met een kopje thee of een fles wodka, maar met een vraag: ‘Mister, mister. Woman? Thai massage?’

Hebt u dat nou ook?

Heb je zin om even te stoppen en een kopje koffie te maken, zie je allemaal leuke, schaduwrijke plekjes langs de weg. Denk je: ‘het volgende plekje is voor mij’, zie je daarna kilometers lang geen leuke plekjes meer. Stop je uiteindelijk maar bij B-keuze-plekje in de felle zon, vol viezigheid en rommel van de vorige parkeerders. Weet je niet hoe snel je daar weer weg wil zijn. Ga je rijden, is er vijfhonderd meter verderop een schitterende plek…

Aardappeltjes met jus

Ik ben helemaal niet zo’n aardappeleter. Als ik thuis één keer in de veertien dagen aardappelen eet, is het veel.

Typerend voor de Krim: in het restaurant spreken ze alleen Russisch en is de menukaart ook in het Russisch. Ik maak duidelijk, dat ik een kop koffie wil, brood, een salade en vlees. Het meisje knikt begrijpend (begrijpt ze me ook?) en geeft de bestelling aan de keuken door. Ik krijg een mandje brood. Klopt. Ik krijg een gemengde salade. Klopt ook. Ik krijg een bord met reepjes varkensvlees (nauwelijks gekruid) en gekookte aardappelen met jus. Aardappelen met jus! Na negen weken frites, rijst, noedels, gierst, pilav en noem het allemaal maar op (en heerlijk hoor, daar niet van), zit ik nu als een kind te genieten van een bordje kruimige, gekookte aardappelen met jus!

Protokol #1

Na het toerisme-terrorisme van de Krim (mijn idee hoor; ieder zijn meug) hoef ik even geen hotels, boulevards en stranden meer te zien. Ik wijzig mijn oorspronkelijke plan om vanuit de Krim noordwaarts te reizen en kies in plaats daarvan een meer noordoostelijke route, richting de grens met Rusland. De Lonely Planet geeft summiere informatie over deze streek. Duidelijk geen deel van Oekraïne dat door veel toeristen wordt bezocht. Precies wat ik even nodig heb!

Ik neem de smalle landtong tussen de Zwarte Zee en de Zee van Azov en rijd op de M18 door ‘de graanschuur van Rusland’. Links en rechts van me eindeloze akkers. Prima weg, die M18: kaarsrecht en weinig verkeer. Weliswaar tweebaans en met de nodige zebrapaden, maar met een goed wegdek, tenminste voor Oekraïense begrippen. In Nederland zouden we er direct een nachtelijke asfalteerploeg op los laten.

Negentig kilometer per uur is daar de maximumsnelheid en omdat ik weet dat er in Oekraïne veelvuldig op snelheid wordt gecontroleerd (het heeft me al een bon gekost), klik ik de cruise control op achtentachtig, steek mijn laatste Hollandse sigaar op (…) en leun tevreden achterover.

Een geelgehesde agent van de traffic police stapt de weg op en gebaart me te stoppen. Ik ben me van geen kwaad bewust. Heb me keurig aan de negentig gehouden en bij de zebrapaden en dorpjes netjes zestig gereden, terwijl het overige verkeer me inhaalde. De agent staat bij mijn open raampje en begint in het Russisch een heel verhaal over te hard rijden. Met zijn balpen schrijft hij 50 op zijn hand en 89. ‘Ik reed dus 89 waar ik maar 50 mocht?’, vraag-gebaar ik. Bestaat eenvoudigweg niet. Er is in Oekraïne helemaal geen snelheidsbeperking van 50, behalve bij wegwerkzaamheden, maar die zijn er niet geweest. In de bebouwde kom, bij afslagen en zebrapaden geldt een maximumsnelheid van zestig. Het helpt niet als ik dat aan de agent vertel. Hij laat me uitpraten (verstaat er toch niks van) en sommeert me mee te komen naar het kantoortje voor een protokol. Voor de deur van dat kantoortje staan wat collega’s van wie er een mij camerabeelden van m’n bussie laat zien. Klopt allemaal: ik zie wel mijn eigen snelheid, maar nergens een melding van een snelheidsbeperking. Daar wijs ik ze op, met als enige resultaat, dat er driftig op de display wordt gewezen waar mijn snelheid van 89 staat.
In het kantoortje gaat de agent aan tafel zitten. Hij pakt een stukje papier en noteert daarop de hoogte van de boete. Tweehonderdvijfentwintig hryvnia? Ook al is dat maar € 22,50, dit pik ik niet. Als ik een overtreding heb begaan, ben ik bereid te betalen. Eigen schuld, dikke bult, maar in dit geval… Dat begin ik uit te leggen. De agent staat op, loopt naar de deur en vraagt een collega hem te assisteren. Die spreekt so and so Engels. ‘Yes’, zegt-ie, ‘Two, twenty five. Pay now.’
Ik maak een wegwerpgebaar en geef me zogenaamd gewonnen.
Bozig zeg ik: ‘Ok, ok, pak ze maar die toeristen! Wat dachten jullie? Kijk jongens: een Hollander. Kassa?’ (slaat nergens op: ik heb sinds ik vertrokken ben geen Hollander gezien). ‘Maar goed, ik betaal wel hoor. Schrijf dat protokol nou maar snel, dan kan ik tenminste verder. Maar ik wil wel graag uw identitycard zien en uw naam noteren en, als u even wacht, haal ik mijn fototoestel en maak ik ook een foto van u.’ (slaat al helemaal nergens op, dom; het idee alleen al…).
Ik doe er nog een schepje bovenop.
‘En natuurlijk ga ik u betalen, maar ik laat het er niet bij zitten. Ik ben namelijk advocaat, ziet u, en als ik straks weer terug in Holland ben, ga ik dit eens allemaal haarfijn uitzoeken. Dus: kom op met die bekeuring!’ (dit is zo’n klinkklare onzin, dat ik me verbaas over mijn eigen leugens).
Ik smijt mijn mapje met autopapieren op tafel. ‘Nou, vooruit! Komt er nog wat van?’
De agenten wisselen een blik met elkaar. Dan frommelt de een het papiertje in elkaar en pakt de ander mijn autopapieren. Hij doet een paar passen in de richting van de deur en gebaart me met een norse hoofdbeweging hem te volgen. Ik schrik nu toch wel een beetje. Ben ik te ver gegaan? Moet ik nu mee naar het bureau? Als ik buiten op de stoep sta, krijg ik mijn mapje autopapieren in mijn handen gedrukt. ‘Drive’, zegt de agent, ‘no protokol…’

Heerlijk simpel

Ik overnacht in een piepklein dorpje voor de ingang van een winkeltje, waar ik ook stroom van krijg. Het loopt tegen lunchtijd en ik stap het magasin binnen om brood te kopen.
En wat is de keuze heerlijk simpel: geen driedubbel dwarsgebakken volkoren, geen twaalf granen boerentarwe, geen ambachtelijk bruin met sesamzaadjes, geen met de hand gekneed biologische vloertarwe, geen linksgedraaid maïsbrood, welnee, gewoon één soort, niks te kiezen. Kijk, zo mag ik het graag zien. Ik koop zo’n lekkere verse witte megabol en laat ook nog een stuk kaas afsnijden. Smullen!

Lekker overdekt #2

Op zoek naar een plekje voor de nacht rijd ik in een verder dunbevolkte streek een terrein met loodsen op. Het lijkt uitgestorven, maar uit een huisje komt een man naar buiten die nieuwsgierig op m’n bussie afstapt. Ik leg hem uit, dat ik een slaapplaats zoek. Hij wijst om zich heen en maakt een gebaar van ‘ga je gang’. Omdat het terrein overal schuin is en ik wel een beetje behoorlijk wil slapen, is er eigenlijk geen geschikte plek. De man pakt me bij de arm en neemt me mee naar de achterkant van zijn huisje en wijst op de weegbrug. Ik schiet in de lach, maar moet toegeven, dat dit inderdaad de meest horizontale slaapplaats is. Ik rijd m’n bussie onder het afdak en slaap dus vannacht voor de tweede keer tijdens deze trip overdekt. En wat is dat plekje -hoe bizar ook- een uurtje later ideaal als er een enorm onweer losbarst…

Wat de man hier precies doet, wordt me niet duidelijk. In zijn huisje naast de weegbrug staat een grote bascule, een bed, een tafel met stoel en een kleine zwart-wit televisie. Achterin is een soort keukentje. Foto’s mag ik niet maken, niet van het huisje en niet van hemzelf. Als ik hem koffie aanbied, slaat hij dat beleefd af en wijst op zijn eigen ‘keukentje’. Als ik hem van mijn pakje weggeef-sigaretten er een aanbied, laat hij zijn eigen sigaretten zien en schudt zijn hoofd.

Ik ben al dagen in een streek waar de mensen alleen Russisch spreken en het ‘gesprek’ met de man verloopt dan ook moeizaam. Het wordt me in ieder geval duidelijk, dat ik terecht ben gekomen op een niet meer in gebruik zijnde kolchoze die, in de tijd dat deze regio nog tot de Sovjet-Unie behoorde en de ‘graanschuur van Rusland’ werd genoemd, een bloeiend bedrijf moet zijn geweest. Na de onafhankelijkheidsverklaring in 1991 bleef van die ‘graanschuur’ weinig over en zijn de kolenmijnen en zware industrie tegenwoordig de belangrijkste bron van inkomsten. Vandaar deze verlopen, vervallen kolchoze. Vandaar die wegroestende voertuigen en die hangsloten op alle deuren. Maar wat die man hier in zijn eentje op dit verlaten terrein doet? De boel bewaken? In ieder geval heb ik een slaapplaats. En sta ik droog.

So sovjet #1

De Lonely Planet beschrijft Oost-Oekraine als het minst Oekraïens en noemt de streek so Sovjet. Ik rijd inderdaad door een gebied dat heel authentiek, voormalig Russisch aandoet. Niet echt verwonderlijk natuurlijk, want hoever zit ik van de Sovjet-grens af? Dat zal een honderdvijftig kilometer zijn. Maar waar in de rest van Oekraïne de westerse invloeden duidelijk en steeds meer waarneembaar zijn, is hier de Sovjettijd stil blijven staan. Ik rijd (soms letterlijk) langs eindeloze akkers, regelmatig onderbroken door industriegebieden met hoogovens en staalfabrieken. Ik zie immens grote boerenbedrijven (toch nog kolchozen?), die er zo nieuw uitzien alsof ze twee maanden geleden zijn opgeleverd. En overal herdenkingsmonumenten, overal standbeelden in die typische heroïsche Sovjetstijl. Niet alleen stoere soldaten, buitgemaakte tanks en vliegtuigen, ook de hardwerkende arbeider staat nog vaak metershoog in steen uitgehouwen voor een fabriekscomplex. En Lenin. Nog niet eerder zoveel standbeelden van die staatsman gezien als hier. Rondom de industrie de bekende grauwe, blokkendozerige woonflats voor de arbeiders. Voor die flats parkeerplaatsen vol auto’s met een hoog Lada- en Wolgagehalte.

In de buurt van Nova Mykolaivka zit een vrouw op een bankje voor haar huis. Ik stop en vraag of ik bij haar voor de deur mag overnachten en of ik mijn stroomkabeltje bij haar binnen mag aansluiten. Het is geen enkel probleem. Ze heet Anfisa, helpt me de kabel aansluiten en als ik m’n bussie heb ingericht, vraagt ze me binnen voor een kopje koffie. Ze gaat me voor naar de badkamer, pakt een handdoek voor me en wijst me waar ik mijn handen kan wassen. Daarna neemt me mee naar de keuken waar ze de tafel heeft gedekt: borscht, brood, vlees met rijst en salade. Nu heb ik een uurtje geleden geluncht, maar weigeren komt niet bij me op. Ook het kopje koffie na de maaltijd met een glaasje mierzoete amandellikeur en bonbon sla ik niet af. Nog een likeurtje, Frits? Bonbonnetje erbij? Nou vooruit, Anfisa, omdat je zo aandringt.

Zo’n gastvrije vrouw, die Anfisa, dat ik het aandurf (…) haar de volgende morgen te vragen of ik bij haar mijn haren mag wassen en douchen. ‘Maar natuurlijk’, reageert zij, ‘hier heb je een handdoek, daar staat de shampoo en hier de doucheschuim.’ Als ik lekker uitgebreid gedoucht heb en fris gewassen weer terug naar m’n bussie wil, wijst mijn gastvrouw op de gedekte ontbijttafel. Is dat Oekraïens, zo’n ontbijt met aardappelpuree, gebraden kip, komkommers en koffie met cake toe? Geen flauw idee, maar ik laat het me prima smaken. Bijna jammer, dat ik weer op pad ga…

Wat nou weer? #2

Ik ben de straat nog niet uit of ik hoor een slepend geluid onder m’n bussie. Ik stop en zie wat er aan de hand is: de kunststof beschermplaat vooraan onder de motor is bij de ophanging afgebroken en nog maar op twee punten met het chassis verbonden. Ik krijg hem er niet afgetrokken en tuttel zachtjes verder op zoek naar een garage. Een krappe twintig kilometer verder zie ik een bedrijf waar vrachtwagens en trekkers op het terrein staan. Niet echt een garage, maar wel een put, waar m’n bussie terecht kan. Met een paar ferme rukken is de beschermplaat los. Wat een gaten zitten er al in van omhoog gesprongen stenen!

Ik word een beetje moedeloos van al die mankementen. M’n bussie heeft behoorlijk te lijden en terug in Nederland moet er het nodige gerepareerd en vernieuwd worden. En dan nu weer die beschermplaat. Vanaf Georgië rijd ik al geen binnendoorweggetjes meer om m’n bussie nog een beetje te sparen. Jammer, maar zelfs de ‘grote’ wegen zijn hier nog landelijk genoeg om te genieten.
En genieten doe ik meteen weer als ik vanaf de put de weg opdraai. Pech van die beschermplaat. Ik schrijf hem straks wel bij op mijn lijstje van dingen die terug in Nederland moeten gebeuren. Ik laat mijn reisplezier niet bederven door materiaalpech!

So sovjet #2

In de twintiger jaren was Kharkov de zetel van de Oekraïense Sovjetregering en daar draagt deze metropool nog steeds de sporen van. Ik gebruik bewust het woord metropool, want als ik de stad binnen rijd, is dat over ruim bemeten, goed onderhouden vierbaans wegen. Het doet me erg sterk aan Warschau denken, inclusief de gigantische ‘sovjettaarten’ van voormalige regeringsgebouwen.
Alles is trouwens groot en ruim in Kharkov. De inwoners beweren dat hun Ploscha Svobody (het Plein van de Vrijheid) het één na grootste van de wereld is, na het Plein van de Hemelse Vrede in Peking. Ik heb het niet nagemeten, die zevenhonderdvijftig meter lengte, maar ik ben bereid het te geloven. Ik loop het plein over naar het kolossale standbeeld van Lenin met op de achtergrond de zo kenmerkende sovjetarchitectuur. Lelijk. Lomp. En toch heb ik er een zwak voor. Ik kan er in ieder geval meer van genieten dan van de Vul Sumska, de grootste winkelstraat waar alle grote westerse merken acte de présence geven.

Maar ga vanuit dat modern aandoende, voor iedere grote wereldstad inwisselbare centrum een zijstraat in en je bent echt in een andere wereld. Nog geen tien meter de straat in en ik moet alweer zigzaggend de kuilen ontwijken. Ik rijd door straten met van die typische sovjetwoonblokken. Wel met het nodige groen er omheen, zodat het zicht op de grauwheid wordt ontnomen. En overal tussen die flats kleine speelplaatsjes. Maar ze zien er verveloos uit en de schommels zijn kapot.

Kharkov.
Zoals veel steden in Oekraïne een stad met twee gezichten, maar wel nog de meest sovjettigste van de steden die ik tot nu toe bezocht heb.

Ploscha Svobody (Plein van de Vrijheid)

En Kharkov heeft een camping. Nou ja, vijftien kilometer bij het Ploscha Svobody vandaan, maar dat noem ik bij een stad met bijna anderhalf miljoen inwoners voor het gemak nog Kharkov. En, nou ja, een camping? Die is er wel, maar nog dicht. Op het terrein staat ook een blokkendozerig, kraak noch smaak hotel en daar mag ik op de parkeerplaats overnachten. Prima plek eigenlijk, zeker voor deze prijs: drie euro voor de overnachting, zestig cent voor de stroom en nog eens zestig cent per keer dat ik wil douchen. Graag even een uurtje van tevoren melden als ik een warme douche van tien minuten wil, vraagt manager Viktoria me, want dan zet ze de boiler aan. Hoezo, het seizoen is nog niet begonnen?

Boeiend nachtje

Ze staan er om bekend, de moderne jongeren van Oost-Oekraïne, dat ze minder ophebben met de oude sovjetwaarden en -idealen en meer geïnteresseerd zijn in moderne popmuziek, met een duidelijke voorkeur voor rock, punk en gothic. Helemaal goed, moeten ze vooral doen, maar op nog geen twintig meter van m’n bussie?
Tegen het eind van de middag stoppen er een paar auto’s bij mijn overnachtingsplek. Kofferbakken gaan open en er komen gettoblasters, drank en vlees voor op de barbecue te voorschijn. Een groep jongelui, waarvan sommigen met een kartonnen feestmutsje op, maakt vuur in de barbecue en zet er een gezellig muziekje bij op. Hun muziekje uiteraard en dat is niet bepaald mijn genre. Hoewel duidelijk te horen, is het niet storend en af en toe brult de groep de (protest?)teksten luidkeels mee. Gezellig, een feestje.
Ik heb er geen last van (heb ook wel ergere en hardere omgevingsgeluiden meegemaakt deze trip) en ga gewoon naar bed. ‘Het zal mij benieuwen’, denk ik voor ik in slaap val, ‘tot hoe laat dat feestje doorgaat en of het ‘leuk’ blijft met al die flessen drank die ik uit de kofferbakken heb zien komen.’

In de loop van de nacht hoor ik wat gestommel en voel ik mijn bussie een beetje bewegen. Half slaperig knip ik mijn lampje aan en wil opstaan om te kijken wat er gebeurt, als het gestommel ophoudt en ik alleen nog zich verwijderende stemmen hoor. Mooi, het feestje is dus afgelopen. Ik draai me om, geef mijn kussen een stomp en slaap verder.

Als ik de volgende morgen de schuifdeur open doe, gaat dat moeizaam. Door een kiertje zie ik hoe dat komt: mijn waslijntje dat ik gisteren tussen twee bomen had gespannen, zit nu drie keer om m’n hele bussie gewikkeld. En stevig. En goed. Door alle handvatten van de portieren heen. ‘Tsjonge, jonge, jonge, wat een humor! Dat is lachen!’, mopper ik als ik met het aardappelschilmesje mezelf ‘vrij’ snijd. Maar direct daarna corrigeer ik die gedachten: ‘Kom op, ouwe brombeer, wat heb je zelf allemaal niet uitgevreten toen je zo oud was als die jongens? Wat is je probleem? Koop je toch volgende week gewoon een nieuw waslijntje.’

Groepsrondleiding

Zo’n krappe honderd kilometer van Kharkov is een bijzonder museum nabij het plaatsje Krasnokutsk: het Parkhomivska Historisch- en Kunstmuseum. Bijzonder, omdat het is opgericht door Afanasy Lunyof, een leraar kunstgeschiedenis, die zijn studenten meetroonde langs vele musea in Rusland om hen te laten kennismaken met beroemde schilderwerken uit de hele wereld.
Lunyof was niet alleen een uitstekende en vooruitstrevende leraar (we praten over de tijd van Chroestjov en Brezjnef), maar nog meer een geweldige netwerker, want hij kreeg het voor elkaar heel veel kunstwerken in zijn eigen school te verzamelen. Die school is nu een museum en daar hangen werken van Gaugain, Van Gogh, Manet, Rembrandt, Picasso en Renoir. Zomaar. Tussen alle andere kunstwerken. In een voormalig schoolgebouw in het piepkleine plaatsje Parkhomivska (wie kent het niet?).

Vanuit Kharkov vertrekken regelmatig marshrutky’s naar dit museum. Reistijd: drie uur. Maar ja, die rijden natuurlijk niet de kortste weg en moeten regelmatig stoppen om passagiers in en uit te laten stappen. Dat gaat met m’n eigen bussie stukken en stukken sneller natuurlijk. Klopt: na tweeënhalf uur sta ik voor de ingang van het museum…

Het is zaterdagmorgen, tegen twaalf uur en ik ben de enige bezoeker. Na voor zeventig cent een entreekaartje te hebben gekocht, wordt me gewezen de trap op te gaan om de zalen te bekijken. De voormalige klaslokalen hangen inderdaad vol schilderijen, maar iets bekends kan ik niet ontdekken. Vragen heeft geen zin, want iedereen hier spreekt alleen Russisch. Lezen wat er onder of bij de schilderijen staat vermeld, maakt me ook al niet wijzer: Russisch.
Als ik het eerste zaaltje binnen stap, staat de vrouw die daar zit op van haar stoel en knipt het licht voor me aan. Als ik heb rondgekeken en naar een volgende ruimte ga, wordt achter me het licht weer uitgedaan en steekt de suppoost in het volgende zaaltje de lampen aan. Waarschijnlijk omdat ik de enige bezoeker ben, drentelt het vrouwtje uit zaal 1 gezellig met me mee. Dat doet ook de vrouw uit zaal 2, uit zaal 3, kortom: halverwege de verdieping hebben we een aardige optocht. Eén bezoeker en toch een groepsrondleiding, want ze vinden het prachtig dat ‘Karl Marx’ hun museum bezoekt en ze verdringen zich bijna om me uit te leggen wat er allemaal te zien is. Ik versta er geen woord van, knik af en toe op goed geluk en trek een luisterend gezicht. Onderweg zie ik veel prachtige schilderijen (namen van Russische en Oekraïense schilders vliegen me om de oren), maar van de westerse kunstenaars kan ik alleen een Picasso ontdekken.

‘En waar hangt Van Gogh?’, vraag ik de groep suppoosten als we in het museumwinkeltje zijn geëindigd.  ‘Van Gogh njet.’
En Gaugain? Njet. Manet? Njet. Renoir? Njet. Rembrandt? Njet. Maar als ik even wil meelopen? De hele groep stommelt de trap weer op, doet het licht aan in zaaltje 5 en neemt me mee naar een werkje van Ferdinand Bol. Trots maken ze me duidelijk dat hier een bijna-Rembrandt hangt.
In hetzelfde zaaltje staat een schouw en hoewel het absoluut verboden is in het museum foto’s te maken, mag ik daar wel even poseren. Giechelend als een groep brugklassers wordt de foto gemaakt. Kakelend als in een kippenhok gaan we de trap weer af. Of ik nog een souvenir in het winkeltje wil kopen? Ik wimpel het af. Die foto en hun groepsrondleiding zijn me souvenir genoeg. Dat zeg ik ze ook. Ze knikken, maar begrijpen er waarschijnlijk net zoveel van als ik van hun uitleg bij de schilderijen.

Hieperdepiep

20 mei. Ik ben jarig. Zesenzestig, jawel.
En ik vier die verjaardag door vandaag aan mijn elfde week van mijn rondje Zwarte Zee te beginnen.

20 mei dus.
‘Hieperdepiep, Frits’, mompel ik tegen mezelf als ik wakker word in het hotel waarop ik mezelf getrakteerd heb. Bij het ontbijt maak ik bekend, dat het voor mij vandaag een bijzondere dag is (kan het toch niet laten) en kijk: even later komt de eigenaresse met een birthdaypresent aanzetten. Ik ben blij verrast. Precies wat ik altijd al heb willen hebben! En zo helemaal mijn stijl! Ik laat de doek om mijn schouders draperen en ga op de foto.
Daarna ga ik over tot ‘de orde van de dag’: ontbijten, bussie rijklaar maken, starten en op weg. Hieperdepiep!

Mega-rol

Als ik in het hotel de badkamer binnen stap, zie ik dat er geen toiletpapier is.
Geen enkel probleem: met een paar minuten wordt er op mijn kamerdeur geklopt en krijg ik zo’n levensgrote automatenrol in mijn handen gedrukt. Wat verwachten ze hier van me?

Dnjepr

De Dnjepr.
Vroeger geleerd bij aardrijkskunde: Dnjepr, de grootste rivier van Rusland. Toen vond ik het al iets mystieks hebben. Leren over Rusland (we praten over de tijd van de koude oorlog) was al iets uit een andere, onbekende wereld en dan ook nog de Dnjepr. Alleen als je het uitsprak al, die naam met maar één klinker en vijf medeklinkers. Wat ik om dezelfde reden ook al zo’n mooi woord vind om uit te spreken en fantasieën bij te hebben: przewalskipaard.
Dnjepr. Dnjepr. Is daar mijn fascinatie voor het oostblok begonnen?

En wie had toen kunnen bevroeden, dat ik ooit nog eens zelf aan de oever van die rivier zou staan? Dat ik er op eigen wielen langs zou rijden? En in werkelijkheid is-ie nog groter en nog breder, dan ik me in mijn lagere-school-fantasie had voorgesteld.

Maar laat ik bij het begin beginnen.
Als ik om half acht voorbij een benzinepomp rijd, zie ik dat het al tweeëntwintig graden is. Dat wordt weer -net als de afgelopen dagen- een warme dag. Korte broek, t-shirt en de raampjes van m’n bussie tegen elkaar open. Niet te lang parkeren, want dan is mijn hotelletje-op-wielen een oventje geworden.
Zoals gezegd: het is al warm zo ’s morgens vroeg. En het wordt nog warmer als ik in de ochtendspits terecht kom van Dnipropetrovsk (stad aan de Dnjepr). Ik schuif aan in de file die de stad ingaat, sta meer stil dan dat ik rijd, maar dat geeft me mooi de gelegenheid op mijn gemak Claire-mijn-Garminnetje de weg te vragen naar het Monastyrsky Eiland, volgens de Lonely Planet de nummer 1 bezienswaardigheid van deze stad. Mijn routehulpje laat het afweten, maar met vragen en de kaart kom ik er toch. Althans: voor mijn gevoel moet ik heel erg in de buurt zijn, maar hoe er precies te komen? Ik sta stil aan de oever van de Dnjepr (dat dan weer wel!) als er een politieauto naast me stopt. Of ik problemen heb? ‘Welnee, agent, ik wil alleen naar het Monastyrsky Eiland, maar weet niet hoe er te komen. Kijk, hier in mijn reisgids staat het beschreven.’ Uiteraard (dat is nu al ruim een week zo) gaat ook dit gesprek gewoon in het Nederlands-Russisch. Ik neem niet eens de moeite meer te vragen of men Engels of Duits spreekt. De agent kijkt bedenkelijk en legt me omstandig uit hoe ik moet rijden. Ik snap het niet en trek mijn wenkbrauwen op. Dan maakt hij een gebaar hem te volgen en samen voegen we ons in de file. Nog geen kilometer verder is er een onmogelijk, niet door borden aangegeven weggetje naar links, dat naar de brug leidt waarover het eiland bereikbaar is. De agent zet zijn zwaailichten aan, laat het tegemoetkomend, in de file staande verkeer, stoppen en gebaart me het weggetje in te rijden. Dankbaar toeterend neem ik de afslag.

Na de brug te zijn overgestoken naar het eiland staat u meteen oog in oog met het Taras Shevchenko standbeeld, waarvan de enorme grootte veel standbeelden van Lenin in de schaduw zet.
Schrijft de Lonely Planet. Kan niet missen dus.
Kan wel missen dus, want als ik op het eiland ben aangekomen, sta ik voor een lege sokkel! ‘Ja’, zegt de vrouw op het bankje, ‘het standbeeld is tijdelijk verwijderd. Restauratie.’
Het kerkje van Sint Nikolas is er wel en daar neem ik nog een kijkje en wat foto’s voor ik over de brug weer terugkeer naar mijn inmiddels al aardig opgewarmde bussie. Raampjes open, ventilator op standje vier en de stad weer uit.

Ik ben op weg naar Zaporizhzhya en probeer rijdend die naam een beetje vlotjes uit te spreken. Het lukt me niet. Het Khortytsya eiland weet Claire-mijn-Garminnetje wel te vinden en ik parkeer in de schaduw op de grote parkeerplaats. Op dit eiland (ik haal het ook allemaal maar uit de Lonely Planet) verzamelde hetman (leider) Dmytro Baida rond 1500 groepen Kozakken. Het eiland lag strategisch perfect tussen de zijarmen van de Dnjepr en was moeilijk te controleren door de Poolse en Russische autoriteiten. Op het hoogtepunt van hun macht telde het Kozakkenleger twintigduizend strijders. Alleen mannen. Vrouwen werden niet tot de gemeenschap toegelaten, Zelfs (daar is ze weer!) Catharina de Grote mocht het eiland alleen vanuit de verte vanaf een rots bekijken. Was dat de reden dat zij het fort in 1775 liet vernietigen?

Dat fort staat er weer. Een moderne replica althans, met bijbehorende gebouwen er omheen, waarin historische (?) materialen te zien zijn, afgewisseld met huisjes met souvenirs en snacks. Voor mij heeft het een iets te hoog Archeongehalte en ik houd het dan ook al snel voor gezien.

Veel meer indruk maakt het Kozakkenmuseum op het eiland. Vorig jaar om deze tijd heb ik in Kyiv oog in oog gestaan met enkele Kozakken en dat heeft me nieuwsgierig gemaakt. Het is een ronduit schitterend museum, maar waarschijnlijk wordt dat voor een groot deel veroorzaakt door de Engels sprekende vrouw bij de tourist information en de verklarende tweetalige bordjes bij de tentoongestelde materialen en diarama’s.

Ik sjok over het eiland terug naar de parkeerplaats en stap mijn heteluchtoventje in. Tweeënveertig graden is het binnen. Rijden!

Troosteloos

Ik zit duidelijk in een andere streek. Dat merk ik als ik rond half twee op zoek ga naar een plekje om te overnachten. Tot nu toe week ik dan van de ‘grote’ weg af, reed een dorpje binnen, sprak iemand aan die op een bankje voor het huis van het zonnetje zat te genieten en had direct of binnen een paar keer succes.
Niet hier. De mensen kijken me achterdochtig aan. Vaak laten ze me niet eens mijn (gebaren)verhaal afmaken, maar maken met gekruiste armen en een nors njet duidelijk, dat ik niet welkom ben. Ook bij vrachtwagenparkeerplaatsen en restaurants word ik op dezelfde afwerende manier weggestuurd. Het is een agrarische streek en er zijn ook geen hotels. Vier, vijf keer rijd ik een dorpje binnen. Vier, vijf keer draai ik onverrichter zake weer naar de weg terug. Ik ben plakkerig warm, ik ben het zat (het is inmiddels dik na vijven) en ik besluit het op te geven. Dan maar ‘wild’ overnachten. En als dat dan toch moet, waar anders dan aan de oever van de Dnjepr?

Ik neem een weggetje naar beneden en rijd zoekend langs de rivier. Na een bochtje sta ik onverwacht voor een gesloten hek. Hier eindigt de weg. Ik steek een paar keer om te keren als er een man bij het hek verschijnt. En kijk: niks norsigheid van de afgelopen uren. ‘Blijf maar lekker staan hier’, maakt hij me duidelijk, ‘en stroom kun je uit mijn kantoortje krijgen. Kom even binnen voor een kopje thee.’

Wen ik eraan? Ik kijk in ieder geval niet meer op van de sjofele, armoedige inrichting van zijn hokje. Ben niet meer verbaasd als hij uitlegt dat die kist in de hoek met die lappen zijn bed is. Ga zitten in een stoel, die bij ons bij het grof vuil zou worden gezet (klop ik straks mijn broek wel extra uit).
Hij pakt een mok uit de kast en kijkt er even in. Dan pakt hij de theepot, schenkt er wat thee in, draait even met de mok en gooit de inhoud dan door de open deur naar buiten, waar zijn drie waakhonden (pas op, ze bijten) jankend achteruit springen.
Klaarblijkelijk nog niet tevreden over de ‘schoonheid’ van mijn mok, herhaalt hij zijn handeling om daarna de mok vol te schenken en hem voor me op een tafeltje te zetten. Als we de thee ophebben (nee, dank je, ik hoef geen tweede), pakt hij een stok om de honden op afstand te houden en leidt hij me rond over het terrein. Troosteloos. Een enorm gebouwencomplex, dat al zo lang leeg staat, dat er grote struiken in de voormalige fabriekshallen groeien. We lopen tot aan de rivier, waar restanten van hijsinstallaties staan. Vroeger werden hier vissersboten gerepareerd, maar sinds de onafhankelijkheidswording van Oekraïne staat het complex, dat Russische eigenaren had, leeg. Slopen komt waarschijnlijk in de hoofden van de bestuurders niet op. Ze laten het langzaam wegrotten, gooien overal hangsloten op en zetten er een mannetje neer, die het terrein dag en nacht bewaakt. En die blij is met een toevallig aanwaaiende Hollandse toerist. Die honderduit klets. Die mij -met een grauw en een zwaaibeweging met zijn stok naar de waakhonden- weer veilig door het hek naar buiten loodst. Die om een sigaretje vraagt. Ik heb nog een onaangebroken pakje ‘weggeefsigaretten’ en geef dat aan hem. Dan stap ik mijn schone, opgeruimde bussie in. Ik maak een kop koffie met schoon, veilig water uit een fles, eet wat en duik een paar uur later mijn bed in. Lekker hoor. Ook niet helemaal helder en fris meer, maar wel in mijn eigen vuil…

Ik maak een kort nachtje. De honden aan de andere kant van het hek zijn zo waaks, dat ze bij ieder kuchje of niesje van mij naar het hek rennen en daar als idioten minuten lang staan te blaffen. Niet echt bevorderlijk voor een rustig nachtje.

Als ik ’s morgens klaar ben om te vertrekken, vraag ik de bewaker mijn stroomkabel los te maken. Hij loopt naar zijn hokje en zet zijn bezem even tegen de muur. Hij was namelijk bezig de binnenplaats aan te vegen. Triest. Zinloos. Troosteloos.

Slaapplaats #3

Ik weet ook niet hoe ik aan al die overnachtingsplekjes kom, schreef ik al eerder. Vanmiddag rijd ik op goed geluk het dorpje Chkalovka binnen. Bij een huis met een grote smeedijzeren poort zie ik een man door zijn tuin lopen. Ik stop en stap uit. De man loopt in mijn richting en maakt ondertussen de poort elektrisch open. ‘Sesam, open u’, begin ik mijn verhaal, ondertussen bewonderend op het hek wijzend dat ‘zomaar vanzelf open gaat’ (wat ben ik toch een slijmbal!). Daarna steek ik mijn bijna-standaard verhaal af, dat altijd op hetzelfde neer komt. Ik zeg op zoek te zijn naar een camping. Die is er niet, is dan het antwoord, maar dat wist ik al, want in heel Oekraïne ben ik nog geen camping tegen gekomen. Teleurgesteld vertel ik dan op zoek te zijn naar een plekje om te overnachten, als het even kan met stroom. Tijdens dat verhaal toon ik het interieur van m’n bussie en laat de stroomkabel zien. Deze middag hoef ik niet veel uit te leggen. De man, die zich voorstelt als Vitalis, wijst naar zijn terrein en nodigt me in uitstekend Engels uit m’n bussie naar binnen te rijden.

Ik weet niet wat ik zie. Ben ik nog steeds in Oekraïne?
Twee huizen staan er op het terrein. Het eerste -door Vitalis het oude huis genoemd- is vijf jaar oud, maar te klein voor hem, zijn vrouw en twee nog thuis wonende kinderen. Het tweede huis is van buiten al klaar, maar moet binnen nog worden afgewerkt. Tegenover dat nieuwe huis staat een enorm gebouw met een zwembad en daar, zegt Vitalis, zou ik mooi mijn auto kunnen parkeren. Dan kan ik -loop maar even mee naar binnen, dan laat ik het je allemaal zien- als ik wil een baantje trekken of van de sauna gebruik maken. Alles uitleggend, gaat hij me voor naar het toilet en de (regen)douche achterin het zwembad, ondertussen wijzend op een goed gevulde koelkast met glazen deur, waaruit ik mag pakken wat ik wil.
Het sportgebouw telt twee verdiepingen. Als we de trap naar boven hebben genomen, sta ik in een sportzaal vol apparaten, waar menig westers fitnesscentrum zijn vingers bij zou aflikken. Teruglopend naar de uitgang van het zwembad valt mijn oog op een mega flatscreen van zo’n drie meter breed aan de wand bij de duikplank…
Vitalis is oprecht verbaasd als ik hem uitleg in m’n bussie te slapen. ‘Waarom zou je?’, doet hij verwonderd, ‘kijk, hier bij het zwembad staan twee lekkere bedden. Daar mag je gerust vannacht op slapen!’ Nu is de temperatuur in het sportgebouw dertig graden en ik voel er niet veel voor in die warmte te slapen. Dat leg ik hem voorzichtig uit. ‘Geen probleem, suit yourself. Kom, dan laat ik je de rest zien.’

We lopen in de richting van de tennisbaan. In het voorbijgaan zegt Vitalis tegen een jongeman, dat hij de auto over een uurtje nodig heeft. De man knikt en gaat verder met het poetsen van de zwarte old-timer Jaguar. We lopen verder naar het strandje aan de rivier. Ik blijf me verbazen. Speeltoestellen, een voetbalveldje en een eigen steiger. ‘Oh, en als je water nodig hebt, kun je dat hier tappen’, gaat Vitalis door, ‘en –mind you– het is drinkwater, beter dan Evian, want kijk maar even hier.’ Hij opent de deur van weer een gebouwtje en daar zie ik een complete waterzuiveringsinstallatie staan. Zes metershoge, blauwe tanks tel ik in de gauwigheid. Ik steek mijn oprechte bewondering voor alles wat ik zie niet onder stoelen of banken en ben ook zo vrij te vragen naar het beroep van mijn gastheer. Hij neemt me mee naar een stellage van aluminium buizen. ‘That’s it’, zegt-ie, ‘buy a bit, sell a bit…’

Natuurlijk praten we ondertussen ook over mijn reis en ik spreek er mijn verwondering over uit, dat de Oekraïners in het oosten zo anders zijn: stugger, afstandelijker, onvriendelijker. Vitalis haalt zijn schouders op. ‘Die daar zijn geen Oekraïners, dat zijn Russen. Communisten.’ Daarmee is voor hem de kous af en wijst hij me op een groot zeildoek midden op het plein. Daar zit (ik vermoedde het al) een fontein onder. Met lampen in vier kleuren er omheen. Uiteraard.

Aan het einde van de middag moet Vitalis weg. Hij komt naar m’n bussie, vraagt of alles in orde is en zegt dat-ie rond half acht terug is. ‘De werklui gaan straks naar huis, dus dan ben je hier alleen, Frits. Geen probleem, neem ik aan? Geef even een stukje papier dan schrijf ik het wachtwoord van mijn netwerk voor je op en verder heb je niks nodig? Niets te eten? Nee? Dan zie ik je vanavond wel weer. Mijn dochter komt mee, want we vertrekken morgen naar Engeland. Misschien kunnen we met z’n allen wel een duik in het zwembad nemen? Well, I’m off. See you later!’ Zoals ik al schreef: ik weet ook niet hoe ik aan al die overnachtingsplekjes kom…

Als ik de volgende morgen wil douchen, zit de deur van het zwembad op slot. Om half acht arriveert het eerste personeelslid en aan hem vraag ik de deur open te maken. Een uurtje later verschijnt Vitalis. ‘Sorry, Frits, dat ik je gisterenavond niet meer gesproken heb, maar het liep een beetje uit. Ik moest die ijshockeywedstrijd spelen, weet je wel, en daarna zijn we met wat vrienden nog een biertje gaan drinken, dus je snapt. Maar ik heb begrepen, dat ze het zwembad hadden afgesloten. Stom, want ik had nog zo gezegd…, nou ja, het is niet anders. Sorry hoor, sorry voor het ongemak. Maar je hebt inmiddels lekker kunnen douchen? Mooi. Heb je zin om samen nu nog even een paar baantjes te trekken en naar een dvd te kijken? Nee? Ook goed. En je hebt ook al ontbeten. Geen kopje thee ook meer? Ja, je wilt vertrekken, ik snap het. Wat zeg je nu? Of je me geld verschuldigd bent? Waarvoor? De stroom? Kom op zeg! Ga jij nu maar lekker op weg en geniet van je verdere reis!’
Ik bedank Vitalis hartelijk en rijd zijn oprijlaan af. Als ik door het hek de weg opdraai, denk ik: ‘Prima overnachting. Jammer van dat gesloten zwembad vanmorgen. Toch een klein minpuntje…

Welkom!

Dat zijn tenminste nog eens aanduidingen dat je een andere provincie binnen rijdt. Helemaal in Sovjetstijl: groot en pompeus. Kunnen ze in Nederland nog een puntje aan zuigen…

Halt! Politie! #1

Ja hoor, daar staat weer zo’n geelgehesde agent met zijn knuppeltje me naar de kant van de weg te verwijzen. Een tikkeltje geïrriteerd over de zoveelste controle wacht ik tot de agent bij mijn raampje verschijnt. Het is een jonkie deze keer en hij trekt een gezicht, waaruit ik moet opmaken, dat er met hem niet te spotten valt.
‘Driver licence and insurance paper!’ zegt hij afgebeten.
Zuchtend pak ik mijn papieren. Ik trommel ongeduldig met mijn vingers op het stuur; hebben die agenten niks beters te doen dan mij steeds aanhouden? Ik probeer te glimlachen als de agent het woord weer tot me richt. Die glimlach verandert in een verbaasde blik als ik hem hoor snauwen: ‘Insurance paper no good! Kijk naar datum!’
Ik kijk en zie dat mijn groene kaart geldig is tot 30 april 2013. En het is vandaag 23 mei. Ik zoek tussen alle papieren in mijn mapje, maar kan de nieuwe groene kaart niet vinden. Shit! Dacht ik me zo goed te hebben voorbereid met al mijn verzekeringspapieren, maar hier heb ik overheen gekeken. Mijn zelfverzekerdheid is op slag verdwenen en ik kan alleen nog maar een gemompeld ‘sorry’ uitbrengen.
‘Out of car!’ zegt de agent. Vergis ik me of zie ik hem genieten van dit moment?
‘Out of car! Car no drive. Verzekering niet goed, auto in beslag! Naar politiebureau in de stad voor protokol!’
Nu zit ik nog zo’n vier kilometer van die stad vandaan, het is alweer behoorlijk warm en ik heb absoluut geen zin m’n bussie achter te laten en te gaan lopen naar dat bureau.
‘Maar ik weet helemaal niet waar ik in de stad moet zijn’, probeer ik, ‘als ik met de auto ga, kan ik mijn navigatiesysteem gebruiken.’ Het lukt. De agent gebaart me in te stappen. ‘En mijn rijbewijs? Dat wil ik wel graag terug.’ Maar de agent is niet van zins me dat kaartje terug te geven. Ik ga demonstratief tegen de motorkap hangen en bluf: ‘No licence, no drive. No protocol.’ (Typisch trouwens, dat je net zo kinderlijk terug gaat praten). De agent steekt mijn rijbewijs naar me toe, maar als ik het wil aanpakken, trekt-ie pesterig zijn hand terug. Dat spelletje herhaalt hij grijnslachend drie keer. Dan mag ik instappen en wegrijden.

Niet naar dat politiebureau overigens, ik kijk wel uit. Pieker er niet over in die bureaucratische molen terecht te komen. Wel zit ik behoorlijk op mezelf te foeteren, dat ik zo stom heb kunnen zijn geen erg te hebben gehad in de verloopdatum van mijn groene kaart. Natuurlijk is dat op te lossen: telefoontje naar de verzekeringsmaatschappij, de nieuwe groene kaart per email laten opsturen, afdrukken en klaar is Kees. Half uurtje werk. Maar het blijft stom!
Eigenlijk is het wel goed geweest, deze aanhouding (laat die agent het maar niet horen!), want anders had ik met die verlopen groene kaart bij de eerstkomende grensovergang beslist grotere problemen gehad. Dus (ik krijg het bijna niet uit mijn strot): agentje, bedankt!

Wat nou weer? #3

Is het suggestie? Zijn de wegen (nog) slechter?
Het lijkt wel of dat gekreun uit mijn rechter wielkast steeds erger wordt. Zelfs op de zeldzame, nooit langer dan een paar honderd meter relatief ‘gladde’ stukjes weg knarst en piept het.
In Nikopol’ stop ik bij een Renault servicepunt (familie van de Citroën toch?) en binnen de kortste keren sta ik weer boven de put. Twee mannetjes duwen m’n bussie heen en weer, een derde kijkt met een looplamp van onderen uit wat er aan de hand is. Er is inderdaad ‘iets’ kapot, maar omdat zij Renault zijn, kunnen ze me niet helpen. Ik krijg het adres van de Citroëngarage in Kryvyi Rih, krap honderd kilometer van Nikopol’ vandaan.

Als ik bij het adres arriveer, is het daar uitgestorven. Niet gewoon gesloten, maar totaal verlaten. Ik kijk door de ruiten en zie lege ruimtes, waar het onkruid al tussen het beton omhoog komt.
Ik raadpleeg Claire-mijn-Garminnetje. Honderdachtentwintig kilometer verderop, in Kirovograd, zit een volgend Citroën servicepunt. Kirovograd is een beduidend kleinere stad dan Kryvyi Rih en met weinig vertrouwen daar wel geholpen te kunnen worden, volg ik de aanwijzingen van Claire-mijn-Garminnetje. Tegen de lunch parkeer ik m’n bussie voor de piepkleine Citroëngarage.

En daar -ik kan het niet anders zeggen- daar begint het feest!
Feest #1
In de eerste plaats spreekt de bedrijfsleider goed Engels. Dat scheelt al een stuk. Of ze mijn car passport en mijn autosleutels mogen hebben, dan gaan ze bekijken wat er aan de hand is. ‘Ga intussen lekker hier op de bank in de showroom zitten, dan brengt Karina je een kopje thee. Of heb ik liever koffie? Melk? Suiker?’

Feest #2
Als ik in de garage ga kijken, is de diagnose al gesteld. Het in Tblisi gelaste onderdeel heeft het begeven (verbaast me niks) en mijn schokbreker is naar de knoppen. Er moeten onderdelen worden besteld (waar heb ik dat eerder gehoord?) en ja, dat kan even duren. Als ik vraag hoe lang het duurt voor die onderdelen in Kirovograd zijn (ik houd mijn hart vast), beginnen ze te lachen. ‘In Kirovograd? Die zijn hier al hoor! Die moeten we alleen even ophalen. Met een uurtje kunnen we aan de reparatie beginnen. Eind van de middag is je bus weer helemaal in orde. Nog een kopje thee?’

Feest #3
Wat zijn die mensen hier stuk voor stuk aardig, vriendelijk en behulpzaam! Turkse toestanden, zou ik bijna schrijven. Allemaal wippen ze in de loop van de middag even aan voor een praatje en om (nieuwsgierig, nieuwsgierig) een blik in mijn mini-hotelletje te werpen. Ik ga heel wat keren op de foto. En Karina blijft koffie en thee voor me maken.

Feest #4
Om half zes (!) is m’n bussie klaar en wordt er een test drive gemaakt. Alles weer prima in orde! ‘Nu eten?’, vraagt een van de medewerkers, die een schoonzus in Hellevoetsluis heeft wonen en vijf woorden Nederlands spreekt. Met een half uurtje wordt er een pizza bij m’n bussie bezorgd. Ik pak mijn portemonnee, maar dat wordt -bijna verontwaardigd- afgewimpeld.

Feest #5
Na de testrit verbaas ik me er over, dat het voltallige personeel zich bij mijn bussie verzamelt. Het wordt me al snel duidelijk: de manager neemt het woord en bedankt me dat ik naar zijn garage ben gekomen (!). Ze vinden het zo leuk, dat ik hier ben, hebben zo genoten van mijn verhalen en zo gelachen om mijn fratsen, dat ze me als herinnering aan mijn bezoek een souvenir willen geven. Een medewerkster stapt naar voren en geeft me een Oekraïns kozakkenhemd. Natuurlijk trek ik dat meteen dankbaar aan en natuurlijk ga ik daarmee met de hele groep op de foto.

Feest #6
Als ga afrekenen, rollen er twee rekeningen uit de printer. De eerste is voor de diagnose en bedraagt 86,40 hryvnia. De tweede is voor de nieuwe onderdelen en het arbeidsloon en is 2150 hryvnia. En wat is het met de huidige koers makkelijk omrekenen: delen door tien levert het bedrag in euro’s op…

Feest #7
Natuurlijk kan ik op het terrein bij de garageboxen en de daar geparkeerde auto’s overnachten. Geen enkel probleem. Sluit hier je stroom maar aan, over een half uurtje gaan we allemaal naar onze doma en dan wordt de poort afgesloten. Maar het toilet laten we open en er komt straks een bewaker die vannacht een oogje in het zeil houdt.

Feest #8
Of ik morgen haast heb om te vertrekken, want de manager heeft een vriendje bij de lokale televisie. Die heeft hij gebeld en van mijn aanwezigheid hier verteld. En of ik mijn reisverhaal voor de televisie wil vertellen. ‘En natuurlijk’, voegt hij er glimlachend aan toe, ‘ook de naam van mijn bedrijf even noemen…’. Toegegeven: voor mezelf vind ik dat een heerlijke kick, maar je wilt die aardige mensen hier ook niet ontrieven. Toch? *)

Feest #9
Nadat ik van iedereen hartelijk afscheid heb genomen, draai ik de weg op. En wat is dat genieten! Wat rijdt dat weer heerlijk! Nu zit ik weliswaar op het gladste stukje asfaltweg sinds ik bij Odessa in Oekraïne aankwam, maar ook later op de ‘normale’ wegen gaat het weer ouderwets veer-deinend. Met de radio meezingend, bedenk ik, dat ik nu met een gerust hart de Karpaten in kan. Een vermahnend stemmetje in me probeert mijn enthousiasme te temperen: ‘Zou je dat nou wel doen, Frits? Alles is nu weer prima in orde. Ga je de goden verzoeken?’ Ik leg dat stemmetje (eigenwijs?) het zwijgen op…

Feest #10
Hoe vaak schreef ik het al niet: ik weet ook niet hoe ik aan al die overnachtingsplekjes kom…

*) Ach, wat jammer nou. De volgende ochtend komt de manager (derde van links op de groepsfoto, naast wulpse Karina van de koffie en de thee) me vertellen, dat de televisie-opname niet kan doorgaan, omdat ze op korte termijn geen tolk hebben kunnen vinden.

Gespot

Gezien onderweg: een camper! De tweede sinds ik bijna twaalf weken geleden uit Nederland vertrok. En een bestelbusje van de Kring Apotheker (met een Oekraïens kenteken uiteraard).

Sprookje uit Uman

Er was eens een Poolse graaf -laten we hem Felix Pototski noemen- die oog in oog kwam te staan met een verblindend beeldschone slavin, laten we haar voor het gemak Sofia noemen. Hij was zo onder de indruk van haar schoonheid, dat hij zijn welgevulde beurs trok en voor Sofia twee miljoen zloty neertelde.
Hij nam haar mee naar zijn buitenverblijf bij een Russische stad -laten we die stad Uman noemen- en liet als bewijs voor zijn liefde voor haar een park aanleggen. De allerbeste tuinarchitecten werden aangetrokken om dit honderdvijftig hectare grote landgoed om te toveren in een park, dat het antwoord moest worden op het beroemde Versailles. Niets was de graaf te dol om zijn liefde voor Sofia te bewijzen: er werden vijfhonderd verschillende soorten bomen geplant, er kwamen vijvers, er werden watervallen aangelegd, fonteinen en grotten. In 1802 was het park klaar en kreeg Sofia het voor haar verjaardag.
Maar in plaats van haar aandacht aan graaf Felix te schenken en met hem door dit schitterende park te wandelen, legde de mooie Sofia het aan met de zoon van de graaf. Toen dat uitkwam, werd de graaf zo woedend, dat hij een kussen pakte, dat op Sofia’s hoofd drukte, net zo lang tot de liefde van zijn leven bewegingloos op het bed bleef liggen. En de graaf, hij leefde nog lang en ongelukkig. En de zoon? Daar rept het sprookje niet over…

Gezellig

‘Waar is hier op de camping het restaurant?’, vraag ik bij de receptie.
‘Achter de muur de trap op naar de eerste verdieping’, is het antwoord.
Achter de muur is het donker. Boven aangekomen is het donker. Er staat een lange buffettafel, slechts gedekt met een wit tafelkleed. Er is een glazen deur met een briefje erop in het Oekraïens. Ik stap het restaurant binnen. In het donker zie ik drie rijen tafeltjes die plaats bieden aan honderdtwintig gasten. Aan de zijwand staat een deur op een kier, waarachter ik licht zie branden.
Ik klop op de deur en op mijn ‘hallo’ verschijnt er een vrouw, die mij verschrikt aankijkt en in het Oekraïens tegen me begint te praten. Als ik een gebaar maak haar niet te begrijpen, pakt ze een telefoon. Na een kort gesprek wijst ze naar de lege tafeltjes en gebaart me plaats te nemen. Ze doet in ‘mijn’ hoekje twee verlichtingsarmaturen aan en verdwijnt weer achter de deur.
Vijf minuten later komt een serveerster het restaurant binnen. Ze spreekt geen woord buiten de deur en overhandigt me vriendelijk de menukaart. Ik had het kunnen weten: in het Oekraïens. Met gebaren en de paar woordjes Russisch die ik inmiddels ken, bestel ik een salade, brood, een kipschotel en gebakken aardappelen. ‘En, weet je, doe er maar een biertje bij. Het is hier zo gezellig…’

Goed kijken op de foto. Ik zit er echt: helemaal rechts achterin

Wat nou weer? #4

Wil ik vanmorgen mijn tanden poetsen, sta ik met de losse knop van de kraan in mijn handen. En er valt een piepklein stukje metaal op het aanrechtblad. ‘Wat nou weer?’, denk ik als ik die knop terug op zijn plek duw. Zonder resultaat overigens, want de kraan doet het niet meer. Ja, eventjes, maar het straaltje wordt steeds dunner en stopt uiteindelijk. Als ik de knop er weer afhaal en daarna terug plaats, heb ik weer een halve minuut een straaltje water. ‘Daar kijk ik straks op mijn gemak wel naar’, besluit ik, ‘eerst maar ontbijten.’
Het zal me benieuwen of ik die kraan (provisorisch) gerepareerd krijg, anders wordt het behelpen de rest van deze reis. En dat is het enige niet, dat kapot gaat. Allerlei grote en kleine mankementjes heb ik intussen al meegemaakt. Dat deurtje onder het bed bijvoorbeeld, waardoor ik van binnen uit bij mijn kratjes kan, blijkt in de eerste week al niet zo stevig en klapt onder het rijden regelmatig open. Haakje eraan met een touwtje en het ‘probleem’ is opgelost. Thuis maar een steviger constructie maken…

En dat gehobbel en gebonk over die slechte wegen veroorzaakt ook ongemakken. Lampjes trillen uit de houder (terugduwen maar weer), de droogstang in het toilet ligt regelmatig op de vloer (vastmaken dat ding), de bevestigingsboutjes van de koelkastventilatieroosters hangen er los bij en zijn niet meer vast te draaien (goed dat ik een zakje tiewraps bij me heb). En een aantal plastic kratjes onder het bed is kapot (thuis vervangen).

En dan is er nog het kastje onder de wasbak in het toilet dat uit zijn voegen ligt. En de deksel van de gaskist, waarvan de scharniertjes zijn afgebroken. De bevestigingsstrip van de dinettetafel scheurt steeds verder in, een haakje bij het controlepaneel is afgebroken, er mist een afdekhoekje van de treeplank, het muggenhorretje van het dakluik blijft niet meer zitten, diverse rollo’s hebben kleine scheurtjes bij de bevestigingsstrip en dan nu die kraan weer. Allemaal niet onoverkomelijk. Wat ik tijdelijk kan oplossen, doe ik. En ik voeg ieder mankementje braaf toe aan mijn things-to-do-back-home-list. En daar staat dan ook nog die deuk in de deur, die buitenspiegel, dat lager, dat deukje in mijn motorkap en die beschermplaat bij de motor op. En mijn fietsje. In de Krim heeft dat het begeven, tenminste de elektrische ondersteuning. ‘Kom maar even langs’, zei de leverancier in Nederland die ik belde, ‘dan maken we dat in orde…’ En dan is er ook nog -als ik toch lekker met een opsomming bezig ben- de eventuele vervanging van propaan door lpg en misschien zonnepanelen op het dak en een omvormer.

Dat lijstje-voor-thuis ben ik begonnen in een A6-notitieblokje. Inmiddels ben ik al halverwege de achterkant van het blaadje… Maar dat is thuis. Dat is nu nog een andere wereld. Voorlopig neem ik die ongemakken voor lief. Het hoort er ook wel een beetje bij, was het op de boot niet anders? Het hoort ook wel bij mijn instelling: ik kan me er niet echt druk om maken. Verkeerd? Misschien. Maar ik blijf op deze manier wel genieten van mijn reis en dat is me eerlijk gezegd meer waard dan zo’n knop van de kraan die het begeeft.

Die kraan ‘repareer’ ik trouwens meteen na het ontbijt even. Waar zo’n aluminium dekseltje van een kuipje yoghurt al niet goed voor is…

Chornobyl’ #1

Er zijn een paar punten in mijn planning die ik absoluut niet wil missen. Efese in Turkije was er zo een, Jalta op de Krim hoorde daar bij en Chornobyl’ (Tsjernobyl, zo je wilt) staat ook hoog op mijn lijstje. Het ligt honderdvijftig kilometer noordelijk van Kyiv en daar reis ik vandaag naar toe.
Hoe dichter ik het gebied nader, hoe meer mijn gedachten terug gaan naar 1986 toen daar in reactor 4 de tot dan toe ergste kernramp uit de geschiedenis plaats vond. Ik herinner me nog hoe bang ik destijds was, terwijl er toch al eerder ongelukken met kerncentrales waren geweest. Vanwaar die angst toen? Was Chornobyl’ dichter bij mijn bed? Zeker is, dat die ramp me destijds sterkte in mijn niet aflatende afkeur van kerncentrales. Nel en ik weigerden al jaren onze Kalkarbijdrage te betalen en na Chornobyl’ waren we er nog sterker van overtuigd, dat we met kernenergie op de verkeerde weg waren, niet alleen voor onze eigen generatie, maar vooral en meer nog voor onze kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen.

’s Werelds idiootste dagexcursie, noemt de Lonely Planet het bezoek dat je sinds 2001 -een jaar na de definitieve sluiting van de centrale- aan dit gebied kunt maken. Een dagtrip die je maar eens in je leven maakt. Drie uur mag je in het voormalige rampgebied verblijven en alleen onder leiding van een gids met geigerteller. De rondleiding eindigt in het spookstadje Prypyat.

En daar ben ik dus naar op weg. Dat wil ik allemaal met eigen ogen gezien hebben, hoe ramptoeristisch het misschien ook is. Daar in de buurt wil ik m’n bussie parkeren en zo’n excursie boeken. Een vreemd soort spanning maakt zich van me meester als ik het gebied nader.

Exact tweeëndertig kilometer voor Chornobyl’ is de weg versperd door een slagboom. Ik stop en wacht tot de militair bij m’n bussie is. Wat de bedoeling is, vraagt hij me. Als ik vertel op weg te zijn naar Chornobyl’ vraagt-ie naar mijn pasje. Dat heb ik niet en de soldaat legt uit, dat het gebied na de slagboom restricted is en alleen te bezoeken in excursieverband.
Dat is dan ook precies wat ik wil en ik leg hem uit, dat ik inderdaad van plan ben een excursie te boeken. In mijn gedachten had ik me al zien parkeren bij die andere bussen om in het booking office een kaartje te kopen. De militair schudt zijn hoofd. ‘Hier zijn geen excursies te boeken. Dat kan wel in Kyiv. U mag beslist niet verder.’

Daar sta ik dan met mijn plannen. Er rest me niets anders dan om te keren. Ik pak de kaart erbij en besluit naar de dichtstbijzijnde grote stad te rijden. Daar in Korosten zullen ze toch ook wel excursies organiseren? Maar bij de tourist office van Korosten wordt me duidelijk gemaakt, dat dagtrips naar Chornobyl’ uitsluitend vanuit Kyiv worden georganiseerd. Ik sta heel erg in tweestrijd. Terug naar Kyiv? Chornobyl’ niet bezoeken? Zo dicht bij mijn doel en tegelijkertijd zo ver weg. Ik ben teleurgesteld en besluit mijn gedachten op een rijtje te zetten tijdens een (letterlijk) bakkie troost. Als ik op een mooi plekje in het bos stop en de schuifdeur open doe, heb ik binnen de kortste keren een invasie van dazen in m’n bussie, die massaal aan aanval op mijn blote armen en benen inzetten. ‘Dat kan er vandaag ook nog wel bij’, denk ik bitter.

Bodyguard

Anatoli heet hij, de aardige man aan het landweggetje, die mij toestaat voor zijn huis te overnachten en me ook vanuit zijn tuin stroom levert.
Ik schrik een beetje als hij na het avondeten even komt buurten, want hij is gewapend met een geweer. Ik bied hem een kop koffie aan en hij probeert me duidelijk te maken wat de functie van zijn wapen is. Hij spreekt alleen Oekraïens, maar belt zijn Engels sprekende dochter, die me lacherig uitlegt dat hij het goed bedoelt en zich opwerpt als mijn persoonlijke bewaker. Ik voel me meteen een stuk veiliger (…).
In hetzelfde telefoongesprek wordt me overigens ook gevraagd of ik avondeten wil. Hoewel ik weet, dat het moeilijk is te weigeren, bedank ik toch vriendelijk: ik heb namelijk net gegeten. Dochter Juda begrijpt het en brengt de boodschap aan haar vader over. Of ik dan morgenochtend een ontbijt wil? Kijk, zo’n aanbod sla ik -voor de hoeveelste keer deze reis?- natuurlijk niet af.

Of vader het nu allemaal goed begrepen heeft, betwijfel ik, want twintig minuten later meldt-ie zich weer bij m’n bussie met zijn geweer en een welgevuld dienblad: een grote kom hüttenkäse, drie gekookte eieren, een bordje met plakjes kaas en een glas melk. ‘Spasiba, spasiba’, doe ik enthousiast, maar ondertussen bedenk ik me hoe ik al dat eten in vredesnaam naar binnen krijg en dan: hüttenkäse. Als er iets is wat ik absoluut niet lekker vind, is het dat wel. Anatoli heeft een krukje meegenomen en installeert zich tevreden glimlachend naast mijn schuifdeur. Ik rek wat tijd door een kop koffie voor hem te maken en eet een paar plakjes kaas. Ik word ‘gered’ door dochter Juda die weer belt. Ik vertel haar dat papa weer bij me op bezoek is (over het meegebrachte eten heb ik het maar niet) en dat hij op een krukje voor mijn deur de wacht zit te houden. Dochterlief maakt haar vader duidelijk, dat ik veilig genoeg ben en zegt hem naar zijn eigen doma te gaan om te slapen. Anatoli staat op, wenst me een goede nacht en loopt -geweer over zijn schouder- naar zijn huis aan de overkant. Ik schep de hüttenkäse over in een plastic doos en zet die, samen met de eieren, in de koelkast. De kaas eet ik op. Het glas melk blijkt kefir te zijn. Ik slobber de dikke, bonkerige, zure brei naar binnen en maak daarna snel een kop koffie om de smaak weg te spoelen.

De volgende morgen ben ik alweer vroeg uit de veren. Als ik -gewassen en aangekleed- om half zeven mijn rollo’s open doe en aan mijn ontbijt wil beginnen, komt Anatoli in zijn ochtendjas naar mijn bussie, doet de schuifdeur open en vraagt of ik trek heb in borscht. Borscht, heerlijk hoor, maar op dit tijdstip heb ik even geen trek in zo’n stevige maaltijdsoep. Ik wijs op mijn bruine boterhammetjes en het potje honing. Anatoli begrijpt het en gaat terug naar zijn huis, want de koe (ze hebben er één) moet nog naar de wei worden gebracht.

Ik ben klaar om te vertrekken en loop het erf op om mijn gastheer en gastvrouw te bedanken. Zoals hier gebruikelijk leg ik eerst mijn hand op mijn hart, pak dan de hand van Anatoli en leg daar vervolgens mijn andere hand bovenop. Als ik vraag waar zijn vrouw is, gebaart Anatoli me nog even te wachten. Een paar minuten later komt ze naar buiten. In haar ene hand een grote zak hüttenkäse, in de andere hand een plastic tasje met vijftien eieren. Ik ben sprakeloos. Vanwege die zak hüttenkäse (en ik denk aan die bak die al in de koelkast staat) en de eieren (waar laat ik ze? ik heb net gisteren zelf eieren gekocht: zes stuks, meer passen er niet in mijn koelkast). Maar sprakeloos vooral over de oprechte hartelijkheid van deze mensen. Ik bedank, bedank en bedank nogmaals, stap in m’n bussie en rijd het landweggetje af. Anatoli en zijn vrouw zwaaien me bij het hek uit. Pas als ik om de bocht verdwijn, zie ik ze samen naar binnen gaan.

Chornobyl’ #2

In tweestrijd? Chornobyl’ niet bezoeken? Hoe heb ik kunnen twijfelen! Zo dicht bij mijn doel en zo’n duidelijk ‘hoogtepunt’ in mijn planning, dat mijn besluit al snel is genomen: terug naar Kyiv en daar een excursie boeken.

Bij de receptie van de stadscamping in Kyiv informeer ik waar ik moet zijn om een dagexcursie naar Chornobyl’ te boeken. Het blijkt dat zij het kunnen regelen. ‘We gaan er meteen werk van maken. Komt u over een uurtje terug, dan weten we meer.’
Maar als ik na dat uurtje terugkom, staan de gezichten achter de balie zorgelijk. ‘Bad news’, begint de receptioniste, ‘er zijn wel excursies, maar alleen op zaterdagen. En de eerstkomende excursie is op 8 juni.’ Acht juni? Dat is over anderhalve week! Ik zeg het even in beraad te houden en loop terug naar m’n bussie.
Weer is er die twijfel. Ik heb geen zin anderhalve week in Kyiv te blijven, dus Chornobyl’ dan toch maar laten schieten? Ik kan natuurlijk ook mijn oorspronkelijk geplande route aanpassen, desnoods een extra rondje rijden (deed ik dat al niet eerder?) en tegen die achtste juni weer hier terug in Kyiv zijn. Ik besluit tot het laatste en meld bij de receptie, dat ze de excursie voor me kunnen boeken.

Als ik aan het eind van de middag terugkom van wat boodschapjes en langs de receptie loop, roept de receptioniste me naar binnen.
‘I’ve got bad news and good news’, begint ze. Het slechte nieuws is, dat de excursie van acht juni helemaal is volgeboekt (het is gebruikelijk, mijnheer, dat mensen dat al maanden van tevoren regelen), maar overmorgen is er een excursie van een andere maatschappij, duurder weliswaar, en daar is misschien nog plaats. En wat ze nu moet doen, vraagt de receptioniste. ‘Ga er maar achteraan’, zeg ik. Dat gaat ze doen. ‘Morgenochtend weten we meer…’

Eigenlijk weet ik het al als ik de volgende morgen naar de receptie loop. Maanden van tevoren boeken (niks van terug kunnen vinden op internet of in de Lonely Planet trouwens) en een week nodig om alle officiële papieren in orde te maken? Dat wordt niks met die excursie naar Chornobyl’. Mijn gevoel klopt. ‘We are very sorry, sir, maar we hebben het bij de drie organisaties geprobeerd die deze excursies mogen organiseren, maar het gaat helaas niet lukken. Misschien, heel misschien, als er plaats is, op 29 juni?’ ‘Laat maar’, besluit ik, ‘en veel dank voor jullie moeite.’
Kwaad en teleurgesteld tegen steentjes en dennenappels schoppend loop ik terug naar m’n bussie. Daar maak ik een kop sterke koffie en vreet er uit frustratie een heel tablet chocola bij op.*)

*) De eerlijkheid gebiedt me te zeggen, dat ik ook zonder aanleiding met het grootste gemak zo’n tablet naar binnen werk, maar dit terzijde…

Lenina Vulytsia

Hoeveel keer heeft Claire-mijn-Garminnetje me nu al niet verwezen naar de Lenina Vulytsia? Iedere zichzelf respecterende stad of dorp (hoe klein ook) heeft een straat met die naam. Zeg maar, zoiets als bij ons de Koninginneweg of de Schoolstraat.

Een gewaarschuwd mens… #2

Ik rijd op de E40 van Kyiv naar Rivne. Prima, glad geasfalteerde tweebaansweg (ben ik nog in Oekraïne?). Om de zoveel kilometer staan er grote borden in de berm. Geen idee wat er op staat, maar ik ben in ieder geval gewaarschuwd, dat dan weer wel.

Groepsgevoel

Eergisteren vertrok ik van de camping in Kyiv, nadat ik daar twee dagen helemaal alleen had gestaan. Als ik nu de ingang van het kampeerterrein nader, zie ik een paar campers staan. Als ik voor de poort stop om mijn papieren te laten controleren, zie ik dat de eerst zo verlaten camping nu bomvol is. En… allemaal Nederlandse kentekenplaten! Zijn er gisteren twee kampeergroepsreizen neergestreken die hier vijf dagen blijven. Eén van de ANWB, de ander van de NKC (mijn eigen cluppie). Iedere groep telt tweeëntwintig campers en caravans.

Het is even zoeken voor de campingbeheerder, maar (met moeite) kan hij nog een plekje voor me vinden: bijna tegen het hek van het terrein, schuin aflopend en in de loop naar het sanitairgebouw.

Vijfenveertig Hollandse kampeervoertuigen bij elkaar.
Negenentachtig Hollanders op een Oekraïens kluitje.
Gezellig!

In de loop staan naar het sanitairgebouw, dat zich pal voor m’n bussie bevindt, heeft ook zijn voordelen. Gedurende de dag blijven er aardig wat kampeerrondreisgroepsleden (drie keer woordwaarde) bij m’n deur staan voor een praatje.

‘Ik vind het allemaal wat minnetjes hier’, begint de man, ‘de douches bijvoorbeeld, heb je die gezien? Smerig!’ Hij is bij m’n bussie blijven staan op weg naar het toiletgebouw, zijn handen in de zakken van zijn afritsbare kakikleurige korte broek, daarboven een onberispelijke polo met een krokodilletje. ‘Smerig. Bah!’ herhaalt hij, ‘wat vindt u daar nou van?’. ‘Ach mijnheer’, begin ik, ‘als je luxe wilt hebben, moet je thuis blijven. En die douches? Tsja, als ik in een niet zo propere douche sta, kijk ik niet naar de vloer, maar naar boven. Scheelt een stuk. Ik geef het maar als tip…’ Hij kijkt me even onderzoekend aan, haalt dan zijn schouders op over zoveel onzin en loopt door.

‘En die lui van de ANWB’, de vrouw kijkt om zich heen en tempert haar stem, ‘die lui van de ANWB, die zijn een beetje vreemd hoor. Aardige mensen wel, hoewel we er nauwelijks contact mee hebben, maar heeft u die twee campers naast u gezien? Hebben dus gewoon een eind rood-wit lint tussen de bomen gespannen, zodat je het pad naar de toiletten niet meer kunt gebruiken. En alleen maar omdat ze niet willen dat je vlak langs hun camper loopt. Schandalig!’

‘Ze zullen niet allemaal zo zijn, tenminste dat mag ik hopen van niet, maar sommigen van die NKC’ers zijn gewoon a-sociaal’, zegt de keurig gekapte vrouw in een wijde, witte halflange wapperbroek, die met een stoel in haar handen even bij m’n deur blijft staan. ‘Ik bedoel die twee daar: je zet je camper toch niet op het pad? Zo kan niemand er meer in of uit!’
‘Maar mevrouw’, werp ik (zuigerig) tegen, ‘u bent hier met twee groepen. Die blijven beide vijf dagen staan en gaan zaterdag weer verder. De camping is bomvol, kijkt u maar naar mijn belabberde plekje, en er kan werkelijk niemand meer bij. Dus wie zal er gebruik willen maken van het pad? Niemand toch?’ ‘Daar gaat het niet om, daar gaat het niet om, het is gewoon a-sociaal, dat is het. En nu moet ik opschieten, want we hebben zometeen een bespreking met z’n allen in de kring. Met koffie.’

‘En het gras hadden ze ook wel eens kunnen maaien. Ze wisten toch dat we kwamen? Kijk nou toch hoe hoog het staat!’
‘Heeft u daar nou echt last van mevrouw?’
‘Ach last. Last is een groot woord, maar een beetje camping…’
‘Mevrouw’, onderbreek ik haar, ‘u bent in Oekraïne en u betaalt hier voor een overnachting omgerekend € 10,10. Wat verwacht u eigenlijk?’
‘Tien euro? Dat wist ik niet. Kijk, wij betalen een bedrag voor de hele reis en dat is inclusief de overnachtingen, de excursies en een aantal maaltijden. Tien euro, zegt u?’.
‘En dan is dit nog een dure camping’, doe ik er een schepje bovenop, ‘ik heb voor vijf euro gestaan, ja zelfs voor drie euro per nacht. Met stroom.’
‘Tien euro…’. De vrouw loopt hoofdschuddend weg. Ongetwijfeld naar de groep om daar haar verhaal te doen.

‘Kijk, deze foto is genomen in L’viv. Op die plek werd een van onze deelnemers gerold. Hij had net zesduizend hryvnia opgenomen. Hij bergt zijn portemonnee op in een zakje met een rits onder zijn kleding en hij komt in botsing met een man met een krant… Weg portemonnee! Weg zeshonderd euro!’

‘Heb je je telefoon bij je?’, vraagt de mede-vroege-vogel als ik de douche wil instappen. ‘Mijn telefoon?’ ‘Ja, want we zitten sinds gisterenmiddag zonder stroom, dat weet je, maar er is ook geen warm water, dus dan kun je bellen als je een hartverzakking krijgt onder die kouwe douche…’

Tussen tien en elf uur vertrekken beide groepen voor hun dagje Kyiv. De camping is stil en verlaten op een enkeling na die noodgedwongen achterblijft (mijn heup, mijnheer, dat gaat echt niet meer) of die een wasje draaien. Dat hebben de anderen al voor tienen gedaan. Overal staan droogmolentjes: bloesjes en polo’s aan de buitenste lijnen, de onderbroeken en bh’s daar keurig achter. Lekker rustig dat ze weg zijn, maar ook een beetje jammer. Ik houd wel van een praatje-aan-de-deur…

Protokol #2

Het is heerlijk rustig op de weg, waar je (uitzonderlijk) 110 kilometer per uur mag rijden. Ik heb geen haast, het ochtendzonnetje schijnt al lekker, mijn raampjes staan wagenwijd open en ik zet mijn cruisecontrol op negentig. Hard zat en de rest van het weinige verkeer heeft geen last van me, want de weg is tweebaans. Regelmatig suizen er dan ook auto’s me voorbij, tot vrachtwagens toe. Wel is het opletten, want regelmatig voert de weg door een dorpje en er zijn talloze zebrapaden. Op die plekken geldt een snelheidsbeperking van 60 kilometer. Wetend hoe streng er gecontroleerd wordt, houd ik me daar netjes aan.

Er staat weer eens een agent van de trafik polis met zijn knuppeltje te zwaaien.
Ik ga naar de kant. De agent spreekt vloeiend Engels, stelt zich netjes voor en is uiterst vriendelijk. Nadat hij mijn rijbewijs, mijn kentekenbewijs en mijn groene kaart heeft gecontroleerd, vraagt hij me vriendelijk uit te stappen en mee te lopen naar de camera. De beelden liegen niet: daar gaat m’n bussie met negenentachtig door een dorpje heen, waar je maar zestig mag. Jammer, een bord gemist.
‘Kijk, Frits’, (hij noemt me echt bij mijn naam, die agent), ‘je reed daar te hard en volgens de Oekraïense wet moet ik je daarvoor een protokol geven. Het minimum bedrag is driehonderd hryvnia, het maximum zeshonderd. Dus ga ik je vragen achter ons aan te rijden naar het police office in het volgende stadje, dat is Milivka, en daar krijg je de bekeuring. Of -en luister nu goed wat ik zeg, Frits- of je betaalt mij nu tweehonderd hryvnia zonder protokol. Snap je, Frits?’
Ik snap het niet, doe tenminste of ik het niet begrijp en laat de agent zijn voorstel herhalen. Als hij corrupt wil zijn, dan maar goed en twee keer en bovendien geeft mij dat wat bedenktijd. Ze staan hier dus met z’n tweeën met een politieauto en een camera. Die gaan echt niet opbreken om mij naar een politiebureau te geleiden. Ik waag de gok.
‘Dus als ik het goed begrijp, kan ik u tweehonderd hryvnia geven en dan mag ik doorrijden? En anders moet ik mee naar het bureau en daar betaal ik driehonderd.’
‘Minstens’, zegt de agent, nog steeds vriendelijk, ‘het kan ook oplopen tot zeshonderd.’
‘Op naar het bureau dan maar’, zeg ik monter, ‘ik rijd wel achter u aan.’
‘Dus u wilt een officieel protokol?’, probeert de agent.
‘Ja hoor. Ik ben gast in uw land en ik houd me graag aan de Oekraïense wet. Dus, zullen we dan maar?’
‘U moet het zelf weten’, zegt de agent als hij me mijn papieren terug geeft, ‘gaat u dan maar naar het office in Milivka.’
‘Doe ik. Heren, goedemorgen en een fijne dag nog!’

Even later rijd ik fluitend de afslag Milivka voorbij. Geen haar op mijn hoofd die er over denkt daar naar het bureau te gaan. Hoogstwaarschijnlijk snappen ze niet eens wat ik kom doen. Ik zie wel of er post uit Oekraïne op de mat ligt als ik weer thuis kom…

Celibataire overnachting

Ik mag overnachten op de parkeerplaats van een hotel-restaurant.
Als ik me geïnstalleerd heb, kijk ik eens om me heen, waar ik eigenlijk terecht ben gekomen. Zie ik dat ze hier wel een heel bijzondere voorliefde voor bepaalde sculpturen hebben.
Heb ik dat! Bijna twaalf weken als man-alleen onderweg met dat bussie van me en dan omgeven door dat soort beelden! En dan ook nog zo’n manneke Pis bij de vijver met een indrukwekkende, potente straal. Goed voor m’n ego…

Virgin Mary was here

Ooit verscheen in de omgeving van Podchayiv de maagd Maria aan een herder en een priester. De voetafdruk die de Heilige Maagd achter liet, ligt nu als relikwie in het Podchayiv klooster. Meteen als ik de Oespenski kathedraal binnen stap, sta ik rechts oog in oog met deze voetafdruk. Oog in oog is niet helemaal waar, want het zicht wordt me benomen door een rij gelovigen, die devoot hun beurt afwachten om het relikwie te benaderen. Een vrouw met een hoofddoek en een wollen, geruite jas stapt naar voren en zakt voor het glazen kastje op haar knieën. Ze buigt diep voorover en naar voren om het relikwie te kussen. Daarna staat zij op en kust het altaar boven de voetafdruk. Ik ben er te ver van af om het goed te kunnen zien, maar in mijn ongelovige oneerbiedigheid zie ik alleen een soort pantoffeltje. De vrouw wendt zich nu naar rechts, waar zij van de aanwezige priester een glaasje water krijgt ingeschonken. Wat mij dan weer opvalt is de tegenstelling tussen de gouden pracht en praal bij dit altaar en de eenvoudige lichtblauwe Marskramer-plastic-kan waaruit de priester het water schenkt. ‘Dat had meer cachet kunnen hebben’, denk ik dan. De aanwezige gelovigen zullen er niet mee zitten (ik ook niet trouwens). Pracht en praal is er verder in overvloed, dus die ene kan…

En voor de zoveelste keer in mijn leven kijk ik mijn ogen uit in dergelijke kloostercomplexen. Dit lavra is het op een na grootste van het land, na het Kyevo Pecherska Lavra in Kyiv. En voor de zoveelste keer ontkom ik er niet aan de rijkdommen van de kerk te vergelijken met de armoede van de bezoekers. Nu, maar zeker in vroeger tijden. Ik erger me er ook steeds een beetje aan en begrijpen doe ik het al helemaal niet, hoe een verpauperde bevolking deze onmetelijke rijkdom van de kerk zonder morren heeft kunnen accepteren. Waarschijnlijk zit hem dat in het diepgewortelde geloof van die mensen en wie ben ik om daar moeilijk over te doen? Alsof ik de wijsheid in pacht zou hebben.

‘Heb je in Podchayiv het klooster bezocht?’, zouden Oekraïne-reizigers me kunnen vragen. ‘En, hoe vond je het?’ ‘Prachtig, maar ik werd een beetje afgeleid door zo’n stom Marskramer-kannetje…

Viktor en Olga

Do you speak English? Nein! Sprechen Sie Deutsch? Jawohl!
De man die deze zinnetjes over het dorpsplein schettert heet Viktor. Hij staat tegenover het postkantoor op zijn fiets geleund en is, als ik hem uitleg naar een slaapplaats op zoek te zijn, meteen enthousiast. Met een folgen Sie mir bitte, mein Herr springt hij op zijn fiets en gebaart me achter hem aan te rijden. Even verderop in de straat is zijn doma en daar kan ik voor de deur staan. Een draadje met stroom wordt over het hek aangereikt.
De rest van de middag is Viktor -ik zou bijna zeggen: letterlijk- niet bij m’n bussie vandaan te slaan. In het begin maak ik nog een praatje met hem, waarbij zijn kennis van het Duits minimaal blijkt, maar later ga ik gewoon mijn eigen gang. Geen punt voor Viktor: hij steekt de ene sigaret met de andere aan en kauwt voortdurend zonnebloempitten. Bij alles wat ik doe, laat hij een goedkeurend gut, gut horen en begint dan weer een volgend verhaal in het Oekraïens, waar ik niks van begrijp. ‘Deutsch, Viktor, Deutsch, sprech’ Deutsch bitte’, vraag ik hem dan. ‘Ja, ja, gut, gut, Deutsch. Ein, zwei, drei, vier, fünf, sechs, sieben, Deutsch!’ zegt-ie dan om daarna in zijn eigen taal zijn verhaal af te maken. En hoe minder ik hem begrijp, hoe harder hij gaat schreeuwen. Vermoeiend.
Als hij zijn koffie op heeft, gaat hij met een eine Minute even weg. Voor mij mogen het er dertig zijn, denk ik. Ik zak een beetje in en zit met gesloten ogen wat te dommelen als hij alweer terug is en op de deur klopt. Hij heeft drie eieren in zijn grote, bruine, een beetje groezelige hand. Hij maakt me duidelijk, dat ik die aan de bovenkant moet open prikken en dan leeg slurpen. Ik moet er niet aan denken, maar om mijn dankbaarheid te tonen, besluit ik er een omelet van te bakken als avondmaaltijd. En misschien -hoop ik dan stiekem- gaat Viktor wel even weg. Hij heeft toch drie varkens? En geiten? Een een heleboel kippen? Moeten die niet verzorgd worden? Kennelijk niet, want Viktor blijft belangstellend al mijn handelingen volgen, zelfs als ik aan tafel ga zitten om te eten. ‘Gut, gut, gut, Frits’, mompelt hij, goedkeurend knikkend en steekt nog maar eens een sigaret op.

Zijn vrouw en zoon zijn beiden apotheker in de naburige stad en komen iets na zessen thuis. Even ben ik van Viktor verlost, maar niet voor lang. Het is gaan regenen en ik heb de deur van m’n bussie dicht gedaan, maar dat is voor Viktor geen belemmering. Hij schuift de deur open, doet zijn schoenen uit en komt ‘gezellig’ naast me op de bank zitten. ‘Vanavond’, tettert hij, ‘groot Konzert in de Kulturhalle. Gaan wij heen! En jij ook! Und Frau sagt: jetz essen!’
‘Fijn Viktor’, doe ik opgewekt, maar ik begin een voorgevoel te krijgen. ‘Fijn! Ik zou zeggen: eet smakelijk en tot straks.’
Njet. Nein! Frau sagt: Frits auch essen! In doma!’
Tien minuten later zitten we in de mooie kamer. Omdat ik op blote voeten loop, haalt de zoon voor mij een kussen voor op de koude, kale vloer. Even later komt Olga binnen met twee schalen dampende blini’s. ‘Essen, Frits! Essen!’ Als ik met moeite wat van die met kaas gevulde ‘poffertjes’ naar binnen heb gewerkt, krijg ik ook nog koffie met taart toe.

Viktor en ik gaan vast op weg naar de Kulturhalle. Olga en haar zoon komen later. Onderweg wil Viktor eerst bij een soort clubhuis nog iets trinken, maar bij de deur worden we tegen gehouden. Ik begrijp, dat we niet naar binnen mogen, omdat er een verjaardagsfeestje aan de gang is. Viktor begint een heel verhaal (hij schreeuwt tegen iedereen zo, merk ik nu). Ik vang de woorden Hollander en toerist op en we mogen (snel dan maar) even aan de bar een glaasje nemen. Een glaasje? Een plastic limonadebekertje dus. Wodka uiteraard. Of het aan het maat bekertje ligt, weet ik niet, maar het gaat wel als limonade naar binnen.
Aan de lange tafel met allerlei heerlijke hapjes zitten voornamelijk vrouwen. Natuurlijk moet die Hollander proosten op de jarige. En op Oekraïne. En op alle vrouwen eigenlijk. En natuurlijk moet die Hollander wat proeven van al die heerlijke hapjes (…). Er wordt muziek opgezet. En natuurlijk moet die Hollander meedansen.

De zoon komt het feestzaaltje binnen, overziet de situatie en dringt er bij Viktor op aan nu echt naar het concert te gaan. Daar drinken we dan nog een klein glaasje op (…) en dan stappen we de naastgelegen Kulturhalle binnen. Kulturhalle? Een dorpshuis is het, met een dorpshuis-toneeltje, een dorpshuis-aankleding en dorpshuis-klapstoeltjes. Er treedt een plaatselijk beroemd Kozakkenkoor op en ik geniet van een schitterende uitvoering.

Ons gezelschap is inmiddels uitgebreid met vrienden van Viktor’s zoon. Een jong stel, waarvan de vrouw lerares Duits is en die taal dan ook perfect spreekt. Een verademing.
Na afloop van de voorstelling lopen we met z’n vijven naar huis. (Viktor is vroegtijdig vertrokken en naar bed gegaan…). Naast m’n bussie staan we nog een dik uur gezellig te kletsen en bij het afscheid schudden we elkaar de hand alsof we al jaren dikke vrienden zijn. En zo voelt het ook. Zo eenvoudig is het in zo’n warme, vriendelijke dorpsgemeenschap.

De volgende morgen moeten Olga en haar zoon alweer om zes uur naar hun werk. We nemen hartelijk afscheid van elkaar en zo’n anderhalf uur later ben ik ook klaar om te vertrekken. Viktor heb ik nog niet gezien, maar net als ik besluit zijn erf op te lopen, komt hij zijn huis uit. ‘Gute morgen, mein Herr’, brult hij, nog aan de andere kant van het hek. Of ik nog een kop koffie voor hem heb? Ik maak hem duidelijk, dat ik op het punt sta te vertrekken en alles al heb opgeborgen. Of hij dan misschien een sigaar kan krijgen? Ik wou dat ik het kon, maar mijn laatste sigaar heb ik twee weken geleden opgerookt. En sigarenwinkeltjes zoals in Nederland kennen ze hier niet. Dus, Viktor, tut mir leid, maar daar kan ik je niet aan helpen.
Ik start, geef hem door het open raam nog een hand en rijd de straat uit. In mijn spiegel zie ik hem alweer in druk gesprek met een buurman. Tot halverwege de straat hoor ik hem schreeuwen: ‘Die Hollander daar! Heeft bij mij voor de deur geslapen! Hab’ gesagt: do you speak English? Nein! Sprechen Sie Deutsch? Jawohl!

Ontbijtoverpeinzing

‘Wat verdient een lerares Duits eigenlijk?’, vraag ik aan Kalina, de lerares Duits.
‘Tweeduizend hrynia‘, antwoordt ze, ‘omgerekend naar jouw geld is dat tweehonderd euro. Maar ik geef daarnaast nog wat privat lessen en dan heb ik zesentwintighonderd hryvnia in de maand.’
‘Dat is niet veel’, concludeer ik, ‘maar jullie levensstandaard ligt ook een stuk lager. Ik wil niet zeggen dat je dan een riant salaris hebt, maar toch…’
‘Maar toch wat?’, onderbreekt ze me, ‘wat bedoel je daarmee?’
‘Nou ja, een kop Turkse koffie in een restaurant kost hier omgerekend om en nabij vijftig eurocent. Ik neem meestal espresso, maar daar betaal ik dan wel anderhalve euro voor. Nog geen geld. En een maaltijd? Rond een tientje, met alles erop en eraan. Dus als je het zo bekijkt.’
Ik zie aan haar gezicht, dat mijn redenering kant noch wal raakt.
‘En, Frits, hoe vaak in de maand denk jij dat ik in een restaurant kan gaan eten of een kop koffie kan bestellen met mijn salaris?’
Ik doe er, betrapt en met schaamte, het zwijgen toe.
‘En denk je dat wij zo’n reis kunnen maken zoals jij die maakt?’, doet ze er (terecht) nog een schepje bovenop. ‘Jij twijfelt naar welk land je zult gaan, wij twijfelen of we sowieso op vakantie zullen gaan of het geld beter kunnen sparen.’
‘En vroeger? Zeg maar voor jullie onafhankelijkheid, was het toen beter?’
‘Weet ik niet. Toen wij ons losmaakten van Rusland was ik vier jaar, dus ik kan dat niet vergelijken. Ik hoor alleen de verhalen van mijn oma. Vroeger onder de Russen, zegt zij, waren alle mensen gelijk. Allemaal even arm, maar wel gelijk. Nu zijn er grote verschillen tussen arm en rijk.’
‘Ben je gelukkig, Kalina?’ kan ik niet nalaten te vragen.
‘Natuurlijk ben ik gelukkig. Ik ben gezond, ik heb een baan, mijn man heeft een eigen bedrijfje en ik heb een schat van een zoontje. Is geld de sleutel tot geluk, Frits? Is dat wat jullie in het westen denken?’ Zesentwintig is ze, Kalina. Ik hoop, dat ze haar hele leven zo positief blijft.

Ik zit dat gesprek tijdens mijn ontbijt te herkauwen.
Ik zag gisteren in de winkel een zak luxe broodjes liggen, die ze maar zelden verkopen en ik heb mezelf daarop getrakteerd. Ik weet niet eens wat ze kosten. Ik kijk naar mijn mandje zoet broodbeleg. Een potje Oekraïense honing. Honderdvijfentwintig hryvnia. Een pot Oekraïense chocopasta. Honderdentien hryvnia. Een pot Oekraïense kersenjam. Negenentachtig cent. ‘Wat goedkoop allemaal’, dacht ik toen ik het kocht. Laat Kalina het maar niet horen…

Twee hoeraatjes voor de boeren!

Twee achtereenvolgende dagen hebben boeren mij uit de brand geholpen.
Gisteren zag ik het wijzertje van de brandstofmeter naar het rode vlakje kruipen. Normaal gesproken is er aan benzinepompen geen gebrek. Ze zitten soms met z’n drieën, vieren naast elkaar, maar ik reed nu door een landelijke, afgelegen streek, waar geen pomp te bekennen was. Ik maakte me nog niet echt zorgen toen het symbooltje oplichtte, dat de tank bijna leeg was, maar toen ik almaar nergens een pomp zag, werd ik ongerust. Zal ik me daar toch niet, midden in deze uitgestorven streek, stil komen te staan!
Vanuit een zijweggetje komt een trekker. Ik stop en gebaar-vraag aan de boer waar ik in de buurt diesel kan tanken. Vijftig kilometer verderop! Vijftig kilometer? Dat ga ik niet redden. De boer begrijpt mijn probleem. Hij wijst op zijn trekker en gebaart me te wachten. Op een holletje verdwijnt-ie het weggetje in, even later terugkerend met een grote bronwaterfles en een slang. Hij hevelt vijf liter diesel uit zijn tank over in m’n bussie. Ik bedank hem hartelijk, betaal de brandstof en rijd opgelucht verder. Vijf liter. Daar haal ik die pomp wel mee. Een hoeraatje voor de boeren!

En vandaag?
Tsja, het kan eigenlijk niet uitblijven. De afgelopen nacht en ook nu nog komt de regen met bakken uit de hemel. Claire stuurt me een onmogelijk weggetje in: geen bestrating, alleen twee sporen. Normaal geen probleem, maar nu glibber ik uit zo’n spoor en kom in de kant terecht. Met geen mogelijkheid kan ik nog voor- of achteruit en door mijn gewroet zak ik steeds dieper in de modder.
Ik loop door de stromende regen een stuk terug waar ik een boerderij heb gezien. De boer had me al midden in het land zien staan en biedt aan mij met zijn trekker los te halen. Als ik weer ‘op het droge’ ben, wijst-ie me ook nog een andere, geasfalteerde weg naar mijn bestemming, want die navigatiesystemen -zegt-ie- gaan hier allemaal in de fout. Nog een hoeraatje voor de boeren!

Drijfwaternat tot op mijn ondergoed kruip ik weer achter het stuur. Vind ik dit nog leuk? Nee dus! Maar wat is zo’n bussie dan een heerlijk bezit. Zodra ik een paar kilometer op asfalt rijd en de ergste modderkluiten van mijn banden heb gereden, stop ik langs de (harde!) kant van de weg. Ik strip mijn drijfnatte kleren van mijn lijf en gooi die op een hoop in de natte cel. Deur dicht, zien we later wel. Ik was me en pak schone kleren uit de kast. Beetje deodorant, lekker luchtje op en schoon en fris is Frits. Ik stop een pijp en zit even later met een kop dampende koffie op m’n gemak naar de nog steeds neergutsende regen te kijken. Vind ik dit nog leuk? Reken maar!

Hotelregels

Zo’n tien kilometer voor L’viv stop ik bij een hotel-restaurant voor een kop koffie en ik informeer naar de mogelijkheid met m’n bussie op de parkeerplaats te overnachten. Dat blijkt geen enkel probleem: het komt wel vaker voor dat daar een camper overnacht. Voor vijftig hryvnia mag ik een nachtje blijven staan. Als ik zeg ook stroom nodig te hebben, kijkt de receptioniste bedenkelijk. Elektriciteit? Dat moet ze even overleggen met de manager en die is er over twintig minuten. Die kan me dan ook vertellen hoeveel meer me dat kost. Op haar vraag waarom ik elektriciteit nodig heb, leg ik uit dat ik een koelkast in m’n bussie heb.
‘Maar wat is het probleem dan?’, oppert Galina, ‘u neemt een kamer, haalt uw koelkast leeg en zet alles in de koelkast van uw kamer.’ Hoe simpel. Dat ik zoiets niet zelf heb bedacht. Maar ja, een kamer, wat kost dat wel niet?
‘Een double room met douche, toilet, televisie en wifi kost honderdtachtig hryvnia per nacht’, legt Galina uit, ‘maar dat is zonder ontbijt. Als u dat erbij neemt, wordt het tweehonderd hryvnia.’
Tweehonderd hryvnia. Twintig euro. Voor vijftien euro per nacht meer heb ik dus een kamer. Als ik vraag de kamer te mogen zien, krijg ik een sleutel mee. Kamer 303 is ruim, schoon, er staan twee goede eenpersoonsbedden, er is een bureau met stoel en een grote badkamer die lekker verwarmd is. Ik denk aan de vuilniszak met kleddernatte kleding in m’n bussie en mijn besluit is snel genomen. Ik laat me lekker verwennen en bezoek hier vandaan L’viv op mijn gemak.

‘Mag er op de kamer eigenlijk gerookt worden, Galina?’, vraag ik, als ik -terug van de ‘kamerinspectie’- voor drie nachten boek. ‘Roken is verboden’, is haar stellige antwoord, ‘maar als u het raam open zet, nou vooruit. Het is per slot van rekening uw eigen kamer…’

Hoe streng is dat rookverbod eigenlijk?
Als ik door de hotelmap met informatie blader, staat er op de bladzijde met fire safety rules:
Dear guests! We hope that you will not smoke in bed and leave put outed cigarettes. Do not throw cigarette butts in the trash, but use the ashtray!
Ik sla de map dicht, zet het raam op een kiertje en stop een verse pijp. De lucifer gooi ik uiteraard netjes in de asbak. Waar is die eigenlijk? Ik kijk de kamer rond. Ach natuurlijk, daar staat-ie: op het nachtkastje naast het bed (…).

Zondag in L’viv

Klein Parijs noemen de inwoners van L’viv hun stad. Of Klein Praag. En de Lonely Planet omschrijft de stad als de least Soviet city van Oekraïne, met een centrum dat op de werelderfgoedlijst van de Unesco staat. Diezelfde Lonely Planet beschrijft ook een stadswandeling door het historische centrum en net als in Tblisi begint deze walking tour bij een standbeeld van een beroemde dichter. Taras Shevchenko in dit geval.

Het is zondagmorgen en ik sta in het zonnetje bij de bushalte te wachten op de marshrutka die me naar het centrum zal brengen. In de bus (gaat het wel eens anders?) is er een behulpzame medepassagier, die gelijk met mij uitstapt en mij naar het begin van de wandeling brengt. Daar nemen we afscheid van elkaar en ik strijk meteen neer op een van de vele terrasjes voor een kop koffie. Vanuit een zijstraat hoor ik nog zachtjes het gezang van de nonnen bij een demonstratieve openluchtdienst. Nostalgische (=toeristische) koetsjes rijden aan mijn terras voorbij. De kerken staan (zitten doen ze hier niet) bomvol. Regelmatig zie ik bruidspaartjes voorbij komen, op weg naar een fraaie plek voor een foto.

Fraaie plekken genoeg in deze fantastische stad. Veel neoklassieke architectuur in rococo, barok, renaissance en gotiek. Maar vooral veel blije, opgewekte mensen, die net als ik genieten van deze bruisende stad. Ik heb inmiddels aardig wat steden bezocht tijdens deze reis, maar L’viv steekt er voor mij met kop en schouders bovenuit. Klein Parijs? Klein Praag? Welnee: groot L’viv!

Ik ben nog maar net aan mijn stadwandeling begonnen als ik op het Rynok plein een elektrisch toeristentreintje zie staan. En laat er nu een rit zijn door het historische centrum van de stad. De route is nagenoeg gelijk aan de wandeling uit de Lonely Planet en komt langs dezelfde hoogtepunten die ik te voet wil bekijken. Tweeënhalf uur moet ik voor die wandeling uittrekken, maar in mijn tempo en met mijn conditie zal dat beslist langer duren. En dan die drukte. En die warmte. Maar terwijl ik dat allemaal bedenk, zit ik al lang en breed met een ticket in dat treintje…

Frits?

‘Ik heet Roman‘, zegt de taxichauffeur, ‘en hoe heet jij?’
Als ik mijn naam zeg, trekt hij een wenkbrauw op. ‘Frits. Ja, ja, Frits dus…’
‘Is er iets met mijn naam? Heeft het in het Oekraïens soms een bepaalde betekenis?’, vraag ik hem.
‘Nou ja’, zegt-ie met enige aarzeling, ‘in het Oekraïens is een Fritz het scheldwoord voor Duitsers. Dat komt nog uit de Tweede Wereldoorlog, snap je?’

Ik snap het maar al te goed.
Stel ik me dus al weken in dit land netjes voor met de woorden: ‘Dobry den, ik ben een Mof.’ Ik begrijp nu ook, dat ze me daarna steeds vroegen of ik uit Duitsland kwam.

Maandag in Lemberg

Bezocht ik gisteren L’viv, vandaag ga ik Lemberg bekijken.
Bekeek ik gisteren de toeristische highlights van L’viv, vandaag duik ik in de Joodse geschiedenis van Lemberg. Bewust kies ik voor de naam Lemberg, omdat die naam door de nazi’s voor L’viv werd gebruikt.

Ik heb een route uitgestippeld langs acht Joodse ‘gedenkplaatsen’, maar met mijn kaartjes in de Lonely Planet en Claire-mijn-Garminnetje kom ik er niet uit. Ik besluit mijn aardige taxichauffeur van gisteren te bellen. Dat blijkt makkelijker te zijn dan in Google Maps straten te zoeken: Google, roman, taxi, lviv levert me zijn telefoonnummer op. Ik maak een afspraak met hem in de lobby van het hotel, geef hem mijn lijstje van te bezoeken plaatsen en hij stippelt de meest logische route uit. Onder een kop koffie worden we het eens over de prijs.

Of ik zijn huis wil zien (we komen er toch langs), dat hij helemaal met eigen handen heeft gebouwd. En of ik zijn vrouw wil ontmoeten, want die is wel nieuwsgierig na alles wat Roman haar gisteren over mij verteld heeft. Natuurlijk wil ik dat, sterker nog: ik stel voor er met z’n drietjes een dagje van te maken. Dat valt in goede aarde en nadat Roman’s vrouw een kam door het haar heeft gehaald en andere kleren heeft aangetrokken, kan het ‘Joodse dagje’ beginnen.

Veel is er niet over van wat eens een bloeiende Joodse gemeenschap was in Lemberg. Voor de Tweede Wereldoorlog woonden hier honderdduizend Joden. Tussen maart 1942 en begin 1943 werden vanuit deze stad door de nazi’s vijfhonderdduizend Joden vanaf station Kleparivska per trein naar de gaskamers van het Poolse concentratiekamp Belzetz vervoerd. Twee van hen keerden levend terug… Tegenwoordig telt Lemberg nog zo’n tweeduizend Joodse inwoners en alleen een gedenksteen in de muur van het stationsgebouw herinnert nog aan de barre taferelen die zich hier hebben afgespeeld. Het tegenover het station gelegen voormalige concentratiekamp Yanovska is tegenwoordig de gevangenis van Lemberg.
Veel meer is er voor die Joodse mensen niet meer te zien in Lemberg. De Gouden Roos Synagoge is verwoest en rondom die open plek zijn nu restaurantjes. Het Joodse ziekenhuis staat er nog, maar is nu een algemeen ziekenhuis geworden. De uit de middeleeuwen daterende Joodse begraafplaats Krakovski heeft plaatsgemaakt voor een levendige markt. De tegenwoordige laatste rustplaats voor de Joodse inwoners ligt in een hoek van de grote Yanivska begraafplaats. Opvallend op die begraafplaats vind ik de hekken, zeg maar gerust: kooien om de graven heen. Was nodig, vertelt een voorbijganger, want vroeger werd het dure graniet van de grafstenen regelmatig gestolen.

Ondanks dat er veel verdwenen is, is het toch indrukwekkend en om even bij te komen, stel ik voor te gaan lunchen. Tijdens die maaltijd vertelt de vrouw van Roman me, dat ze Poolse is en in de buurt van Auschwitz heeft gewoond, waar Roman en zij al vier keer het concentratiekamp hebben bezocht. Vandaar haar ‘enthousiasme’ om vandaag mee op stap te gaan.

Na de lunch bezoeken we nog de Beis Aharon V’Israel synagoge (de enig overgebleven synagoge in Lemberg) en de Holocaust gedenkplaats. We zetten Roman’s vrouw thuis af (jammer toch dat ik haar moeilijke naam maar niet kon onthouden) en mijn chauffeur-en-gids-voor-een-dag brengt me terug naar mijn hotel. Als ik daar met hem afreken, vraagt-ie of ik zo vriendelijk wil zijn een review over hem op de taxiwebsite van L’viv te plaatsen. Ga ik zeker doen!

Mannentaak

Oekraïense wijsheid: een man is in het leven geslaagd als hij zelf zijn eigen huis heeft gebouwd, bij dat huis een boom heeft geplant en in dat huis zijn vrouw een kind heeft gekregen, dat als volwaardige Oekraïner is opgevoed.

Bonkerdebonk slalom

Ik kan natuurlijk voor de zoveelste keer proberen te omschrijven hoe bar slecht de wegen zijn, maar hoe vind ik de juiste woorden om de werkelijkheid weer te geven? Misschien zegt één beeld inderdaad meer dan honderd woorden?

En dan is dit niet eens een binnendoorweggetje. Claire-mijn-Garminnetje staat al weken op ‘snelste route’ en ‘onverharde wegen vermijden’. En dan nog dit soort bonkerdebonk-gaten op wat wij een provinciale weg zouden noemen. En niet een klein stukje, maar uren achtereen.

Als ik weer glad asfalt onder de wielen heb, duurt het een kilometer of drie voor ik echt durf te geloven, dat de weg inderdaad zo vlak blijft en ik niet meer hoef te slalommen.

Tussen de grote jongens

Langs de weg staan regelmatig grote borden met de letters CTO erop, een aanduiding, dat er een overnachtingsplaats is voor vrachtwagens. Een paar keer was ik in de afgelopen weken zo’n CTO opgereden, maar zonder succes. Soms vond ik de sfeer te unheimisch, of ik werd domweg niet toegelaten en weggestuurd.

Zo niet bij de CTO waar ik vandaag mijn geluk beproef. Beheerder Kaplony wijst me waar de douches en toiletten zijn, zegt dat het restaurantje dobre is en loopt op een holletje voor me uit om aan te geven waar ik m’n bussie voor de nacht kan parkeren. Naast zijn hokje, zodat ik bij hem ook stroom kan tappen.

Ik sta wat kleintjes en verloren tussen de grote jongens, maar de toiletten zijn redelijk schoon en de douche geeft een riante straal warm water (en dat water heeft tenminste niet zo’n doordringende putlucht als in het hotel waar ik laatst overnachtte). Met mijn buitenantenne pik ik ook nog eens het wifi-signaal van het restaurant op, dus wat wil een man nog meer?

Nou, een beetje goede nachtrust misschien?
Ik weet, dat vrachtwagenchauffeurs vroeg gaan rijden, maar als mijn grote-jongen-buurman om half drie zijn motor start en die lekker een kwartiertje laat dieselen, alvorens weg te rijden, ben ik klaar wakker. Ik dommel gelukkig weer in en als ik om een uur of zeven mijn rollo omhoog doe, word ik vriendelijk begroet door Kaplony. Het lijkt wel of hij rond mijn busje heeft lopen scharrelen tot hij een teken van leven zag. Ik doe mijn deur open en geef hem een hand. Hij wil geld hebben voor de parking en voor de elektriciteit. Maar liefst twintig hryvnia vraagt-ie daarvoor! En als ik even later wil douchen en de deur op slot vind, wil Kaplony die wel even openmaken als ik hem nog eens vijf hryvnia geef. Twee euro vijftig voor een overnachting met toilet, douche, stroom en wifi! Die denken hier zeker, dat het geld op m’n rug groeit! En dan had ik gisterenavond in het restaurantje ook al € 7,40 neergeteld voor mijn warme maaltijd met twee salades, brood, een karbonade en gebakken aardappelen, weggespoeld met een wodka en een flesje bier. Alles bij elkaar toch bijna een tientje! Het moet niet gekker worden…

Wat nou weer? #5

Als ik weer eens/alweer op zo’n honkerdebonkweg rijd, hoor ik een tinkelend geluid. Het lijkt uit mijn linker wielkast te komen. Ik zucht. Zou dat nieuwe, niet originele lager het begeven hebben dat in Tblisi is gemonteerd?  Het zou me niet verbazen. Vervelend. Nu zit ik toch al niet zo vrolijk fluitend te genieten vanmorgen, want het is zwaarbewolkt (ben ik niet gewend, waar is de zon?), het motregent en het is druk op de weg.
Het duurt een paar kilometer voor ik het tinkelende geluid kan lokaliseren. Het komt uit mijn kastje, waar het potje honing bij iedere oneffenheid in de weg tegen de jampot tikt. Wat een opluchting. Ik zag mezelf alweer in een garage staan. En kijk: alsof het met elkaar te maken heeft, breekt de bewolking open en trek ik bij de koffiestop mijn korte broek aan omdat het zonnetje alweer lekker schijnt.

En wat ziet de omgeving er dan ook meteen fleuriger uit. Ik rijd de Karpaten in over een prachtige weg, slingerend door stadjes en dorpjes. In die kleine dorpjes zijn de doma’s nog typisch plattelands-Russisch, maar in de stadjes doet het een beetje Oostenrijks aan. Ik zit midden in het wintersportgebied, met talloze hotels, wellnesscentra, motels, bed-and-breakfasts, restaurants en souvenirwinkeltjes. Ook wel weer eens leuk na de redelijk saaie industriestreek waar ik de afgelopen dagen heb gereden.

Ondanks de  bewering van de man aan het tafeltje naast me in het restaurant waar ik de lunch gebruik, dat er in deze streek lot of campings zijn, kom ik ze niet tegen. Ook als ik onderweg diverse keren naar een кемпінг vraag, is het antwoord steeds: geen camping. Ik besluit de hotel-restaurant-variant toe te passen en de tweede poging is al succesvol: ik mag naast het hotel staan en krijg stroom uit een keukenraampje. Uiteraard wordt er van me verwacht, dat ik vanavond in hun restaurant eet, maar daar zit ik absoluut niet mee. Integendeel.

Heohrafichnyi Tsentr Yevropy

Het stadje Rakhiv in de Trans-Karpaten ligt op een hoogte van 430 meter boven de zeespiegel en is daarmee het hoogstgelegen stadje van Oekraïne. En Rakhiv is het geografisch middelpunt van Europa. Althans, dat wordt beweerd, maar dat doen ze ook in Bernotai in Litouwen, in Kremnické Bane in Slowakije en in Suchowola in Polen. Deze vier stadjes hebben ieder een bordje of een kunstwerk, dat het middelpunt van Europa aangeeft.

Dat Rakhiv een geografisch middelpunt is, is volgens hedendaagse inzichten betwist, want het merkteken is slechts een aanduiding van de lengte- en breedtegraad en de Latijnse inscriptie is destijds verkeerd vertaald. Hoe dan ook: als ik toch ‘in de buurt ben’, wil ik dat middelpunt van Europa met eigen ogen zien, betwist of niet.

Het wordt een schitterende rit door de liefelijke Karpaten. Liefelijk, ik heb er geen ander woord voor. Lange tijd rijd ik langs het riviertje de Tysa door een glooiend, groen landschap. Hier wordt veel aan bergsport gedaan en dat merk ik goed in de dorpjes die ik passeer: veel hotelletjes, veel restaurantjes en mountaineering points. Ik verbaas me er wel over, dat zelfs in zo’n drukbezocht toeristisch gebied de wegen niet beter zijn.

Aangekomen in Rakhiv (zeg maar het Valkenburg van de Karpaten), stap ik uit en vraag de weg naar het middelpunt van Europa. Ik blijk er nog niet te zijn: ik moet nog zo’n vijftien kilometer doorrijden, tot vlakbij het plaatsje Dilove.
Een paar honderd meter voor het middelpunt is er een Oekraïense controlepost waar mijn paspoort wordt gecontroleerd. Een beetje raar vind ik dat wel, want ik ben nog vier kilometer van de grens met Roemenië verwijderd.

En dan ben ik dus bij het GEOGRAFISCH MIDDELPUNT VAN EUROPA! Nou ja, er staat een simpel wit zuiltje langs de weg, verwaarloosd en een beetje afgebladderd, met die Latijnse inscriptie eronder. Dat is het dus. En verder stalletjes met houtsnijwerk, mokken, geborduurde lappen en opgezette beesten. En er is een informatiecentrum. Volgens het bordje op de deur iedere dag geopend vanaf tien uur. Het is potdicht.
Een tegenvaller dus? Ja, maar het was misschien ook wel naïef van me om meer te verwachten dan zo’n eenvoudig paaltje. En er staat tegenover dat ik een schitterende rit door de Karpaten heb gemaakt en dat is ook wat waard.

Als ik weer instap, bedenk ik me hoe dicht ik eigenlijk bij Roemenië zit. Heet mijn reis niet Rondje Zwarte Zee? Turkije, Georgië, Oekraïne, alle drie landen aan die Zwarte Zee. Maar Roemenië toch ook? Zal ik mijn rondje compleet maken? Ik besluit toch maar dezelfde weg terug te nemen, richting Rakhiv, maar wel zo snel mogelijk een overnachtingsplek te zoeken. Kan ik hier eens rustig over nadenken…

Halt! Politie #2

Er gaat weer eens zo’n gebiedend wapenstokje omhoog, dat mij naar de kant van de weg verwijst. Een van de regen druipend natte agent meldt zich bij mijn geopende raampje. Ik begroet hem vanuit mijn lekkere droge, warme bussie met een vriendelijk ‘Good morning, sir!’
Hij kijkt me aan, veegt het water van zijn neus dat vanaf zijn pet op zijn gezicht druppelt en gebaart me met een hartgrondig ‘Aaargh’ door te rijden. Zeker geen zin in een moeilijk gesprek, denk ik, als ik met een vrolijk ‘bye, bye, sir’ weer optrek…

Camping?

Is het echt een camping? Er staat een piepklein bordje langs de weg dat naar de rivier beneden wijst, maar voor de zekerheid vraag ik het aan de drie mannen die voor een winkeltje staan. Met stelligheid wijzen ze naar de overkant van de rivier: ‘да, да, кемпінг.’ Een van hen loopt in de richting van de brug en maakt een gebaar achter hem aan te rijden. Ik volg hem de brug over naar een pad, dat ik zonder zijn besliste gebaren niet ingeslagen zou zijn.

We eindigen bij een boerenbedrijfje met veel opstallen. Daarachter is een grasveldje, met een drooglijn, een geit, een schaap aan een paaltje en een buitenkeuken. Mijn ‘gids’ gaat de boerderij binnen en komt even later terug met Roman en zijn vrouw Evita.
Trots wijzen zij op de douches en het even verderop staande toiletgebouwtje, afgedekt met blauw zeildoek. De douches zijn schoon, de werpgaten zijn proper, mijn stroom kan ik aansluiten in het buitenkeukentje naast de douches en als Roman de geit heeft verplaatst, heb ik een prachtige plek met zicht op de bergen rondom me. Een camping dus. Je zou er zo aan voorbij rijden. Goed dat ik gestopt ben.

Tegen vier uur klopt Roman op m’n bussie. Of ik even wil meekomen.
Hij gaat me voor naar de douche en demonstreert hoe warm het water is. Boeiend! Ik maak hem duidelijk, dat ik morgenochtend van plan ben te douchen. Hij kijkt teleurgesteld en bedenkelijk. Dan legt-ie me uit, dat hij het water in de houtgestookte boiler speciaal voor mij heeft warm gemaakt. Hij doet ter verduidelijking het deurtje van de grote oven open, laat me het vuur zien en wijst op de ketel en de leidingen. Dan kijkt hij me vragend aan. Ach, wie ben ik om de man te ontrieven? Ik maak hem duidelijk, dat ik na het avondeten zal gaan douchen enne… of er hier in de buurt een restaurant is? Roman wijst op Evita: zij zal eten voor me maken.
En inderdaad. Tegen zessen wordt mijn maaltijd ‘aan de deur’ bezorgd: een dienblad met daarop een groot bord kleine pannenkoekjes, zwemmend in een badje dunne yoghurt, een schaaltje kristalsuiker en een grote kom muntthee. Baggervet zijn ze, die pannenkoekjes en om nou te zeggen dat ik een moord doe voor muntthee… Maar natuurlijk heeft het me heerlijk gesmaakt, maak ik Evita later duidelijk als ik het dienblad terug breng, op weg naar die lekkere warme douche. Zoals ik al zei: je wilt de mensen niet ontrieven, toch?

Wat nou weer? #6

Verzachtende omstandigheid 1:
Het was echt een heel smal paadje om van de camping af te komen.
Verzachtende omstandigheid 2:
Er stonden pollen hoog gras en diepe modderkuilen vol regenwater.
Verzachtende omstandigheid 3:
Er moest een bijna haakse bocht worden genomen.
Verzachtende omstandigheid 4:
Het smalle paadje liep steil omhoog, gas geven was noodzaak.
Verzachtende omstandigheid 5:
Als die pallet niet op de hoek van het schuurtje had gestaan…

Slotoordeel:
Stom, stom, stom! Eigen schuld, dikke bult!

Prettige bijkomstigheid:
Na reparatie heeft het bussie tenminste aan twee kanten een nieuw stuk bumper.

Onmogelijke grensovergang

Ik ben op weg naar de grensovergang met Roemenië, als de weg wordt versperd door een hek bij een wachtpost.

Vreemd. Volgens de kaart is het nog drie kilometer naar de grens. Het jonge, verlegen blozende soldaatje spreekt geen woord buiten de deur en roept een collega op. Die legt me uit, dat deze grensovergang gesloten is vanwege wegwerkzaamheden.
‘Hadden ze dat aan het begin van deze weg niet kunnen aangeven?’, merk ik op. ‘En nu?’ De soldaat schrijft ‘keurig’ de route voor me op een papiertje. Vijftig kilometer verderop is een andere grensovergang.

Vijftig kilometer. Niet eens zo gek veel. Maar met de staat van de Oekraïense wegen doe ik daar minstens anderhalf uur over. Nou ja, hebben we haast?

Mogelijke grensovergang

‘Hoe oud bent u?’, vraagt de douanebeambte aan de Oekraïense grens.
‘Waarom wilt u dat weten?’
‘Gewoon nieuwsgierigheid.’
‘Ik ben zesenzestig. En u?’
Hij schiet in de lach: ‘Vierentwintig. Rijdt u maar door tot aan de streep.’

En bij die streep begint het bekende ritueel van een grenscontrole. Ik raak er aan gewend en ken de vragen zo langzamerhand uit mijn hoofd. De zij- en achterdeuren moeten open en twee beambten stampen met hun zwarte laarzen naar binnen. En ja hoor: hun belangstelling gaat meteen uit naar mijn fietsje en de foto’s van vorige reizen, die op de kastjes zijn geplakt.
‘U reist alleen?’, vraagt een van hen.
‘Ja, helemaal alleen. En ik reis als toerist en dus niet zakelijk, ik ben vanmorgen vertrokken uit Krasnoilsk, waar ik vandaag in Roemenië eindig, weet ik nog niet, ik heb geen wapens bij me, geen marihuana en geen antiek’, ben ik al hun volgende vragen voor.
Ze glimlachen, blijven dat doen als ze rondkijken. Er hoeft geen kastje of deur geopend te worden en ze verwijzen me naar de volgende streep-met-rood-licht voor de controle van mijn carpassport. En daar begint het eigenlijke oponthoud, want in het kentekenbewijs van m’n bussie staat als merk Dethleffs. Dat is de camperbouwer en die kunnen ze -net als bij alle vorige grensovergangen- niet gekoppeld krijgen aan mijn kenteken. Ik heb een kaartje bij mijn kentekenpapieren gevoegd en daarop genoteerd, dat Dethleffs eigenlijk Citroën Jumper is. Veel tijdwinst boek ik er niet mee.

Bij de Roemeense grensovergang is het van hetzelfde laken een pak. Weer nauwelijks controle van mijn interieur, wel de vraag of ik rook en sigaren heb (ik toon mijn laatste twee Oekraïense sigaren) en ook hier meer oponthoud met mijn kentekenbewijs. Dat zelfgeschreven kaartje is misschien toch niet officieel genoeg…
Als ze uitgecontroleerd zijn, mag ik het land in, niet nadat ik plechtig beloofd heb bij het benzinestation drie kilometer verderop een vignetta voor het Roemeense wegennet te kopen. Daar kan ik ook mijn lari’s omwisselen voor lei. Ik neem een kop koffie mee naar m’n bussie en berg mijn paspoort en autopapieren op. Driehonderd meter na het benzinestation -ik ben nog niet eens op snelheid- word ik naar de kant verwezen door een Roemeense agent. Paspoortcontrole! ‘Maar heren’, doe ik verwonderd, ‘ik ben net drie kilometer over de grens waar ik zojuist anderhalf uur gecontroleerd ben!’ Hij glimlacht…

Maar dan kan ik ook echt Roemenië in. En wat geniet ik!
Via een bar en bar slechte weg was ik met een slakkengangetje Oekraïne uitgehobbeld en nu rijd ik op glad asfalt. Het zonnetje schijnt, mijn raampjes staan wagenwijd open en -nu ik me niet op putten en kuilen hoef te concentreren- kan ik volop genieten van het schitterende landschap. Het ziet er welvarender uit dan waar ik vandaan kwam. Dat geldt ook voor de mensen. En ik kan de teksten langs de weg weer lezen! Ik was wel een klein beetje gewend geraakt aan het Cyrillisch in Oekraïne, maar dit is toch wel een stuk eenvoudiger. Het lijkt een beetje op Italiaans. Dus koop ik onderweg een heel gesneden pane negro in plaats van glep…

Genieten dus. Van het ‘nieuwe’ land, van de mooie rit, van de begrijpelijke taal. Luid zingend zit ik achter het stuur als ik een bordje ‘camping’ zie staan. En wat een camping. En wat een plek. Ik ben de enige gast en sta midden in de natuur. Betrekkelijk, maar ik doe gewoon alsof ik die auto’s aan de overkant niet voorbij hoor komen en luister naar het klaterende water van een bergstroompje achter het hek.
Ik was de Oekraïense blubber van m’n bussie, ga daarna op een plekje naast het (nog lege) zwembad met prieel en ligstoelen staan, hang mijn dekbed en kussens te luchten en maak een kop koffie. Als ik lekker buiten in het zonnetje die koffie opdrink, zie ik achter me Stella -de eigenaresse- mijn volle vuilniszak schoongewassen wasgoed aan de lijn hangen.
Heb ik gedurende deze trip ooit zo’n schitterende, ontspannen overnachtingsplek gehad? Of zie ik alles door een roze bril vanwege de euforie van deze prachtige dag?


Sucevita in Roemenië. Vier dagen geleden wist ik nog niet van het bestaan van dit plaatsje, sterker nog, had ik nog geen idee, dat ik ook Roemenië nog zou aandoen. ‘Het kan verkeren’, zei Brederode al…

mei 2012
stedentrip Kyiv

voorjaar 2013
Turkije

voorjaar 2013
Georgië

Chronologisch verder lezen? Ga naar Roemenië

voorjaar 2013
Oekraïne

voorjaar 2013
Roemenië

november 2013
Chornobyl’

(more or less) Translate »