voorjaar 2013 Georgië

Van lira naar lari

Ik ben op een dag na een maand onderweg. Er zijn exact 5205 kilometer in Turkije onder mijn wielen doorgerold als ik om half negen bij Sarp, de grensovergang met Georgië aankom. Güle Güle Türkiye, staat er op een groot bord bij de paspoortcontrole. Dag Turkije, zeg ik terug, en welbedankt voor je prachtige land, je historische bezienswaardigheden en je gastvrije bevolking. Benieuwd wat Georgië me gaat brengen.

In de eerste plaats zijn dat hun volijverige douanebeambten. Als ik wil aanschuiven in het rijtje om langs de loketten te rijden, word ik door een van die mannen verwezen naar een naastgelegen parkeerplaats. Tsja, ik ben het zo langzamerhand gewend: mijn bussie zal weer grondig gecontroleerd worden. Maar ik vergis me. De beambte stapt naar binnen, ziet als eerste mijn fietsje staan en heeft eigenlijk daar alleen maar belangstelling voor. Hij bekijkt het van alle kanten, doet daarna voor de vorm nog een paar deurtjes van kastjes open, wil ook mijn achteruitrijdcamera wel even gedemonstreerd zien en wuift me dan naar de rij voor de paspoortcontrole. Mijn achterdeuren zijn niet eens open geweest. Het praatje over ‘die camper van die Hollander’ gaat blijkbaar snel rond, want als ik langzaam in de rij opschuif, wordt mijn zijdeur tot drie keer toe open geschoven en werpt een uniform een nieuwsgierige blik naar binnen

Drie kwartier later (het mag geen naam hebben) rijd ik Georgië binnen. Het eerste dat ik tot mijn opluchting vaststel is, dat de de plaatsnaam- en richtingborden tweetalig zijn. Ik maakte me daar een beetje zorgen over en had voor de zekerheid mijn ‘vertaallijstje’ van plaatsnamen, dat ik thuis had gemaakt al bij de hand liggen. Maar echt comfortabel rijden is het niet, want Claire-mijn-Garminnetje laat me een beetje in de steek, omdat de kaartdekking voor Georgië zich beperkt tot de hoofdwegen. Binnendoorweggetjes kent Claire niet en tot vervelens toe geeft ze me de opdracht naar de gemarkeerde route te rijden. Op haar schermpje toont Claire me een autootje in een wit gebied zonder wegen. Ik stippel mijn route dus weer ouderwets op de autokaart uit.

Dat in de steek laten begon al in de eerste de beste grote plaats na de grens: Batumi. Wat mis je dan die rustige stem van Claire die je door een stad loodst. Op eigen kracht en gevoel doorkruis ik Batumi, want borden zijn dun gezaaid. Dat geldt niet voor het verkeer. Dacht ik ooit in Istanbul een gekkenhuis te hebben meegemaakt, hier is het nog vele malen erger. Dolf de Vries had gelijk toen hij over het verkeer in Batumi schreef: ‘Wat hier om ons heen gebeurt, slaat alles. Alsof iedereen achter het stuur is gaan zitten met maar één bedoeling: zich zo snel mogelijk van het leven beroven. Dat ze anderen bij hun zelfmoordpogingen meesleuren, lijkt niemand te deren. (…) Borden met daarop de toegestane snelheid lijken bestemd voor koeien, honden, katten of overvliegende vogels – in ieder geval niet voor automobilisten.*)

Mijn eerste indruk van Batumi is geen al te beste. Wat een armoe, wat loopt iedereen er sjofel bij, wat een wrakken van auto’s zie ik om me heen, wat een krotten van huizen. Ik ben in ieder geval blij als ik de stad achter me kan laten (meer geluk dan wijsheid overigens) en het Georgische binnenland kan intrekken. Ik wissel mijn overgebleven Turkse lira’s om voor Georgische lari’s**) en vind een overnachtingsplek bij een benzinepomp ‘ergens langs een weggetje op weg naar Akhaltsikhe’. Kan het vager?

*) Dolf de Vries – Oekraïne en Georgië – Unieboek 2010 – ISBN 978 90 475 1503 6

**) Het zou té flauw zijn hier nu de woordspeling te maken dat ik misschien een dezer weken nog eens een pak koek koop en dan vraag: ‘Hoeveel lari kost die koek?’. Ligt wel erg voor de hand. Doe ik dan ook niet.

Ochtendbakkie

Er staat een groot aantal mannen bij het gebouwtje dat me aangewezen is als een restaurant. Niemand spreekt Engels, maar ze maken me duidelijk dat ik om te eten het trapje naast het gebouw af moet. Daar is het restaurant. Terwijl ik aan de bar de ‘kaart’ bekijk, stapt er een jongeman binnen, die me de hand schudt en in onvervalst Amerikaans vraagt of hij me kan helpen. Hij is vanuit de States voor een jaar uitgezonden naar dit dorpje en ondersteunt hier de leraren Engels.
We raken aan de praat en ik nodig hem uit samen de maaltijd te gebruiken. Bekend met het land adviseert hij me over de menukaart en geeft tips voor mijn verdere reis. Hij is oprecht verbaasd als ik hem vertel over mijn ervaringen in Batumi. ‘Maar Batumi is een prachtige stad. Heel westers eigenlijk. Ja, er zijn een paar mindere, arme wijken, maar de boulevard, het centrum, schitterend. Dan ben je net in het verkeerde gedeelte van de stad geweest’, concludeert hij.

Als ik hem vraag ‘wat een leraar Engels hier nou verdient’, vertelt hij me dat hij per maand 250 lari krijgt, omgerekend 125 euro. ‘Maar’, voegt hij er haastig aan toe, ‘dat is hier, in dit dorpje. In de grote steden verdienen ze iets meer. Ietsje. En dan hebben wij het nog niet eens zo slecht. Een kennisje van mij werkt hier als verpleegster in een ziekenhuis. Die krijgt 150 lari per maand.’

Als we klaar zijn met eten, vraag ik de rekening. Als ‘de Amerikaan’ zijn deel wil betalen, wimpel ik dat af. Hij protesteert niet. Hoeft ook niet, want op het handgeschreven briefje heb ik voor de twee maaltijden een bedrag van negentien lari zien staan. Ik geef een briefje van twintig en hoef geen geld terug. De restauranteigenaar buigt als een knipmes.

Als ik de volgende morgen mijn boeltje aan kant heb gemaakt en op het punt sta te vertrekken vanaf mijn overnachtingsplek bij de benzinepomp, staat de pompbediende al op mijn raampje te kloppen. Hij heeft koffie gemaakt en nodigt me uit naar boven te komen. ‘Boven’ blijkt het woonvertrek van beide pompbediendes te zijn. De pomp is dag en nacht geopend (er komt zowat geen verkeer voorbij hier, maar dit terzijde) en om beurten slapen ze hier boven een paar uurtjes.
Als ik over de drempel stap, spreidt de man trots zijn armen uit en toont hun slaapvertrek. Ik schrik als ik om me heen kijk. In een hoek staan twee gore bedden bij een houtkacheltje, de muren zijn van onafgewerkt beton en aan het plafond hangen bladders. Haveloos. Verveloos. Armoedig.
De man biedt mij een kopje (mierzoete) koffie aan, dat ik dankbaar aanneem. In mijn bussie ben ik bijna panisch voorzichtig met het drinkwater hier. Koffie en thee maak ik met water uit flessen, ik heb al zo mijn twijfels als ik mijn tanden poets met water uit de tank. En deze koffie dan? Geen idee. Zou het kopje eigenlijk wel zijn afgewassen? Maar weigeren? Het komt niet bij me op.
Terwijl ik mijn koffie slurp en een aangeboden sigaretje sta te roken (ik heb beleefd de mij aangeboden zitplaats op het bed afgeslagen), kijk ik op mijn gemak nog eens goed om me heen. Indachtig het verhaal gisteravond over de salarissen in Georgië, durf ik niet eens een gissing te doen naar wat deze twee mannen per maand verdienen…

Wintersport?

‘Je wilt morgen naar Akhaltsikhe?’, vraagt de Amerikaanse leraar Engels me tijdens de maaltijd. Hij kijkt bedenkelijk. ‘Dan is er hier vandaan maar één weg en dat is over de Goderdzi Pas. En ik weet niet of die al open is. Maar een kennis van me woont daar in de buurt. Ik bel hem wel even om naar de toestand daar te vragen.’
De pas blijkt inderdaad open en sneeuwvrij. Gelukkig maar, anders had ik helemaal terug naar Batumi moeten rijden om via een andere weg Akhaltsikhe te bereiken.
‘Maar ik waarschuw je wel’, zegt de Amerikaan, ‘de pas is weliswaar sneeuwvrij, maar de weg er naartoe is heel erg slecht!’ ‘Heel erg slecht, heel erg slecht’, antwoord ik, ‘kom op zeg. Ik heb wel het een en ander meegemaakt tijdens deze reis. Ik kijk nergens meer van op. En trouwens, hoe slecht kan die weg zijn?’

Mag ik Dolf de Vries nog een keer citeren?
‘We rijden over een weg, waar we niet meer van kuilen en gaten kunnen spreken. Dit is geen weg meer, dit is een kuil met af en toe een vergeten stukje asfalt.’
Dacht ik in Turkije het ergste te hebben meegemaakt, deze dertig kilometer omhoog in het hooggebergte van Ajara op weg naar de op 2025 meter hoogte gelegen pas slaat alles! Gelukkig (?) heeft het de afgelopen nacht behoorlijk geregend, zodat ik de kuilen en gaten goed kan zien omdat ze vol water staan en ik ze kan ontwijken. Dat gaat niet altijd op, want op sommige stukken is de weg zo smal, dat uitwijken nauwelijks mogelijk is, met een rotswand aan mijn linkerkant en een steile diepte rechts. Naast het regenwater dat de weg glibberig heeft gemaakt, moet ik ook regelmatig door stroompjes smeltend ijswater ploegen. Ondanks mijn extra vering hoor ik de bodem van mijn bussie regelmatig over de ‘weg’ schrapen.
Af en toe, als er wat bebouwing is, loopt er een hond woest blaffend zo’n paar honderd meter met mijn bussie mee. Niet zo moeilijk voor dat beest om mij bij te houden, gelet op de snelheid waarmee ik de berg ophobbel.
Gedachten flitsen door mijn hoofd.
Als ik hier naar beneden glibber…
Als ik hier een lekke band krijg…
Als hier mijn remmen plotseling weigeren… (dat lees je toch weleens?)
Halverwege besluit ik eerst maar te stoppen bij een bushokje (…) en een kop koffie te maken. Is terug gaan een optie? Ik ben nu al zo ver, erger zal het toch wel niet worden? En dan, datzelfde beroerde stuk weer terug? Ik ben op de helft.

De pas is inderdaad sneeuwvrij, daar heeft de kennis van de Amerikaan gelijk in. Maar dat geldt dan alleen voor de weg, want hoe hoger ik kom (ik heb Claire-mijn-Garminnetje op de hoogtemeter gezet) hoe meer sneeuw ik aan weerskanten van mijn bussie zie. En wat is die sneeuw knetterhard!

Voorzichtig manoeuvrerend tussen de sneeuwmuren door hoor ik plotseling een harde klap: mijn rechter buitenspiegel bungelt los langs mijn portier. Als ik stop om dat ding weer goed te zetten, zie ik dat hij niet is omgeklapt maar compleet afgebroken. Hij hangt nog op de bedrading. Ik snijd die bedrading door en leg de spiegel binnen. Voor ik verder rijd, klap ik de linker spiegel voor de zekerheid maar in.

Als ik eindelijk, eindelijk weer beneden de sneeuwgrens ben, op gewoon asfalt rijd en in het eerste het beste dorpje stop voor de lunch, zie ik dat mijn schuifdeur een meer dan stevige deuk heeft opgelopen. Dus die klap onderweg was niet alleen de spiegel. Gelukkig kan de deur nog open en dicht. Nog best een prestatie eigenlijk: al vijf weken onderweg en nu pas mijn eerste echte schade gereden. Opvallen met gedeukte deur doe ik niet hier in Georgië. Wat de dolmus is in Turkije, heet hier een marshrutka. Als ik mijn bussie vergelijk met die talloze gedeukte en geblutste ‘buurtbusjes’ die hier rondrijden, valt mijn schade nog reuze mee. Je zou ook kunnen zeggen dat ik er nu een beetje bij hoor.

Maar wat een fantastische ervaring. Wat een onvergetelijke belevenis. Goed, mijn spiegel is kapot, er zit een deuk in de deur, ik heb pijn in mijn lendenen en armen van het ingespannen rijden, maar deze machtige indruk neemt niemand me af.

Wegrestaurant

Op het pleintje in het dorp vraag ik waar een restaurant is. Een man met een stoppelbaard en een enorme drankkegel pakt me bij mijn arm en brengt me naar een plek (ik weet ook even geen ander woord), waar een vrouw uitnodigend in de deuropening staat. De drankkegel praat even met de vrouw en ze nodigt me uit binnen te komen. Het is een soort winkeltje, maar achterin schuift zij een gordijn opzij en toont me een tafel waar ik kan zitten. Toch een ‘restaurant’. Dat zou je aan de buitenkant niet zeggen en ook binnen gaat een vergelijking met de Nederlandse AC’s niet op. Maar ik ben in Georgië, nietwaar? Dus niet zeuren. Doe ik ook niet. Eerlijk gezegd vind ik het wel wat hebben. Benieuwd wat ik hier kan eten.

De vrouw wijst op een partijtje eieren en op de butagasfles. Gebakken eitjes? Dan pakt ze van een plank van haar winkeltje een blik en laat me dat zien. Ik zie onbegrijpelijke, Georgische lettertekens, maar ook een plaatje van een koe. Rundvlees in blik? Doe er maar bij. Ze zet het blik op de toonbank en pakt een groot mes. Als zij dat met de punt op de bovenkant van het blik zet, gebaar ik haar even te wachten. Ik loop naar mijn bussie en pak de blikopener uit het laatje. Als ik even later het blik opendraai, slaakt de vrouw bewonderende kreetjes. Van buiten stappen drie mannen naar binnen om te zien wat ik doe.

Ik mag in mijn eethokje gaan zitten en nadat de vrouw nog even snel bij de buren een heel brood heeft gehaald, zet ze de pan met eiersmurrie voor me op tafel. Eiersmurrie, inderdaad, ik kan er geen ander woord voor bedenken. Toen ik het blik-met-de-koe zag, dacht ik nog dat er iets corned-beaf-achtigs in zou zitten. Toen ik het open maakte, zag ik alleen maar een laag gestold vet, maar nu het voor mijn neus staat, is het een grijs-gele massa. Het zal allemaal wel. Ik heb in ieder geval iets warms naar binnen. Nog geen twintig minuten later heb ik al kramp in mijn darmen…

Drie maal scheepsrecht

Tweeëntwintig kilometer buiten Akhaltsikhe. Het zonnetje schijnt lekker. De weg is prima geasfalteerd. Een heel enkele keer een putje, maar dat mag geen naam hebben. Dan in een bocht, totaal onvoorzien, een serie putten en kuilen over de hele breedte van de weg. Zeventig kilometer per uur is niet echt snel, maar als je met die snelheid in zo’n gemene put duikt, komt dat hard aan. Zo hard zelfs dat mijn motor afslaat. Ik stuur m’n bussie naar de kant van de weg en zet mijn waarschuwingslichten aan.
Al het goede komt in drieën. Geldt dat ook voor al het nare? Gisteren mijn spiegel kapot en een deuk in mijn deur, vandaag motorpech? Ik probeer te starten, maar zonder resultaat. Eerst maar koffie dan…

Nu kan ik die motorkap wel interessanterig open doen, maar veel verder dan kijken of er ergens iets is losgeschoten kom ik toch niet. Geen paniek, de motor moet waarschijnlijk even afkoelen of er is een beveiligingetje dat zich moet resetten. Hoe ik aan die onzinconclusies kom, ik sta soms versteld van mezelf.
Ik ben net bezig een tweede kop koffie te maken (je moet wat, tussen de vergeefse startpogingen door) als er een politieauto achter me stopt. We verstaan elkaar niet, maar het zijn reuze aardige kerels, want nadat ze een blik in de motorruimte hebben geworpen en hier en daar wat gefrummeld hebben, bellen ze een bergingsbedrijf in Akhaltsikhe. Na drie kwartier is dat ter plekke. Beide mannen controleren de zekeringen, maar die zijn allemaal in orde. Er zit niets anders op dan het bussie op het bergingsvoertuig te takelen en naar een garage te brengen.

Een half uur later ben ik terug in Akhaltsikhe, waar ik vanmorgen vertrokken ben.
Het bergingsvoertuig stopt bij een garage, een wat groot woord voor een modderig terrein en een schuur met een werkput. Tot mijn geluk spreekt een van de monteurs vloeiend Frans. ‘Ik ging door een grote kuil’, leg ik nog maar een keer uit, ‘toen was er een klap en sloeg de motor af.’ De monteur vertaalt mijn verhaal aan zijn collega’s. Eén van die mannen stapt glimlachend naar voren en gebaart mij de motorkap open te doen. Hij frunnikt wat ‘ergens achter de accu’ en geeft mij een seintje de motor te starten. Als een zonnetje…
‘Deze auto heeft een beveiliging voor plotselinge harde schokken’, laat ik me geduldig uitleggen, ‘dus als je nu nog eens zoiets hebt, kijk, hier achter de accu zit een klein knopje. Ja voel maar. Voel je het? Nou, dat is de resetknop. Het enige dat je had moeten doen, was dat knopje indrukken. Denk je eraan een volgende keer?’
Ik beloof het plechtig, betaal de bergers zeventig lari, presenteer de monteurs het sigaartje waar ze om vroegen en ga weer op weg. Drie keer scheepsrecht? Niet helemaal. Een leermomentje dan? Wellicht.

Diana

Guesthouse staat er op het bord langs de weg. De pijl wijst een zijweggetje in.
Als ik me meld bij Diana Kurtanidze, de alleenwonende, want van haar man gescheiden eigenaresse van dit guesthouse is ze verbaasd en overrompeld als ik haar vertel wat ik wil.
‘Nee mevrouw, geen kamer. Ze zijn vast mooi hoor, daar niet van, maar ik heb, kijk daar voor de deur, mijn eigen kamer bij me. Wat ik u wil vragen is of ik hier in mijn bussie bij u kan overnachten, of ik stroom kan aansluiten en wat me dat kost.’
Ze loopt wat kreupeltjes voor me uit naar haar huis. Als ik haar gebaarvraag wat er met haar is, wijst ze met een pijnlijk gezicht naar haar heup. Met onzekere pasjes stapt ze de huiskamer binnen.

Onzeker is ze ook wat de overnachtingsprijs betreft. Waarschijnlijk heeft ze zo’n verzoek als het mijne nog nooit eerder bij de hand gehad. Lang staat ze dan ook met een pennetje boven een bloknootje te aarzelen, gaat met haar pen naar het papier, trekt haar hand weer terug en kijkt mij vragend aan.
‘Eén nacht? En ook eten?’, gebaart ze, want verstaan doen we elkaar niet. Ik knik. ‘Twee keer?’ Ik trek mijn wenkbrauwen op. ‘Ja vanavond en morgenochtend ontbijt.’ ‘Welja’, gebaar ik, ‘doe maar lekker.’ Haar hand aarzelt nog steeds boven het papier. Dan schrijft ze onzeker en met een vraagteken 30 lari op. Ik knik bevestigend, geef haar een hand en mag mijn bussie in de voortuin parkeren.

Als ik even later bij haar binnen de stroom aansluit, ruik ik uit de keuken een bekende geur. Pannenkoeken? Het zal toch niet waar zijn? Ik wijs in de richting van de keuken en snuif goedkeurend de pannenkoekengeur op. ‘Lunch?’, zegt Diana en ze wijst op een stoel aan de keukentafel.
Waar ze het allemaal zo snel vandaan tovert, is me een raadsel, maar het ene na het andere gerecht wordt voor mijn neus gezet: pannenkoeken, brood, soep, kaas, tartaartjes, gebakken aardappelen, er komt bijna geen einde aan. Diana maakt een nerveus gebaar dat ik vast moet gaan eten en is ondertussen druk doende een verse salade te maken. Als ze tenslotte nog een pot fruit voor bij de pannenkoeken op tafel zet, vraag ik haar er gezellig bij te komen zitten en mee te eten. Ze friemelt wat aan haar kleding, doet ineens nog heel druk bij het aanrecht, maar laat zich dan toch door mij in een stoel zetten. Twee tellen zit ze. Dan bedenkt ze dat ik nog geen drinken heb. Ze dribbelt weg en komt terug met een grote, zware, nog niet aangebroken drieliterpot met zelfgemaakt kersensap. Als ze de deksel van de pot wil halen, zeg ik haar dat ze de pot dicht kan laten. Een glaasje water is prima.
Diana pakt de pot weer op en dribbelt de keuken uit. Dan hoor ik een harde klap, glasgerinkel en een trieste kreet. Ik sta op en zie in de gang de ravage: ze heeft de pot uit haar handen laten vallen en staat nu met hangende schouders ontredderd te kijken naar de kersen die overal verspreid liggen en de plas kersensap die langzaam naar de huiskamer stroomt. Ik ren naar m’n bussie, pak een dweil en -onder protest uiteraard van Diana– beginnen we samen de troep op te ruimen. Zuchtend en in zichzelf mompelend is ze in de weer met haar mop. Zwijgend werken we door tot de ravage is opgeruimd.

Ik ga weer aan tafel zitten en eet mijn ondertussen koud geworden maaltijd. Mijn gastvrouw kijkt me hoofdschuddend aan en wil het best nog wel even opwarmen, want ja die pot kersen, haar schuld dat ik nu koud eten heb. Ik wil er niks van weten en eet met overduidelijke smaak en de nodige complimentjes de lauwe maaltijd. ‘Neem dan nog een pannenkoek’, houdt ze het bord voor me omhoog. Ik zit barstensvol, maar hoe kan ik haar weigeren, de schat.

Bij de avondmaaltijd blijken nog zeven mannen aanwezig te zijn. De tafel is al gedekt en ik word uitgenodigd aan het hoofd plaats te nemen. Het wordt een echte soepra, een traditionele Georgische maaltijd. De broer van Diana, Gotsja, is de tamada, de ceremoniemeester. Ik heb erover gelezen en weet wat me te wachten staat. Als Diana de eerste schalen met eten op tafel zet, pakt Gotsja een enorme fles wijn uit zijn zelfgebrouwen voorraad die hij me eerder op de avond trots heeft laten zien. Alle glazen van het maatje Ikea-limonade worden volgeschonken en Gotsja houdt een soort redevoering. Van mijn voorbereidingen weet ik nu dat hij een toast uitbrengt. Gelukkig zit er een Engelssprekende jonge metselaar aan tafel, die -als Gotsja eindelijk is uitgepreveld- de toast kort en bondig samenvat: ‘op Georgië’. We klinken en de volle glazen gaan met grote teugen naar binnen. Nauwelijks vijf minuten later neemt Gotsja weer zijn toast-houding aan. Deze keer drinken we op de vrouwen en in het bijzonder op Diana, die af en aan loopt van de keuken naar de tafel. En weer gaan de glazen ad fundum. Drink je niet zo scheutig (behalve ik zijn dat nog twee mannen aan tafel), dan schenkt de tamada bij een volgende toast je glas gewoon weer tot het randje vol. En waar toasten we niet op? Op alle moeders, op de overleden zoon van Diana, op Hollandia, op… Het gaat maar door en door. Ik probeer het aardig bij te houden (weigeren wordt gezien als ondankbaar voor de geboden gastvrijheid), maar eet ondertussen meer dan de anderen van het brood op tafel…
Als Gotsja met een uitnodigend alaverdi naar mij wijst, weet ik dat het mijn beurt is een toast uit te brengen. Op de vriendschap tussen alle volkeren, maak ik er maar van. En weer gaan de glazen omhoog.

Maar het ‘mooiste’ moet nog komen.
Gotsja gaat even van tafel en komt terug met een grote hoorn (van een supergeit?). Met de woorden tradition, tadition wordt die hoorn voor de helft gevuld met wijn (de vierde megafles inmiddels). Gotsja staat plechtig op en drinkt de hoorn in een teug leeg. Dan is het de beurt aan de anderen. Een voor een drinkt iedereen ‘zijn’ hoorn leeg. Ze werpen steelse blikken op die Hollander. Ik zie de bui al hangen en neem nog maar wat extra brood, want ja hoor: als laatste wordt de hoorn voor mij gevuld. Ik neem hem aan, bedenk even dat alle mannen hier aan gelurkt hebben (maar ja, alcohol zuivert, nietwaar?) en drink hem leeg. Applaus en goedkeurende kreten is mijn deel.

De volgende morgen (ik heb niet eens een paracetamolletje hoeven slikken) treffen we elkaar weer bij het ontbijt. Diana is alweer druk in de weer en we doen ons tegoed aan gebakken eieren, kaasflapjes, aardappelkoekjes en natuurlijk… pannenkoeken. Ze hebben een poging gedaan me van al die gerechten de Georgische naam te leren, maar die heb ik niet onthouden. Zo helder was ik nu ook weer niet…

Ontwenningsverschijnselen

Ik ben al drie dagen in Georgië en heb het nu pas in de gaten: geen azan meer, die ’s morgens bij zonsopgang uit de luidsprekers van de minaret klinkt (en in de loop van de dag nog vier keer herhaald wordt). En nu ik erop let: ook geen moskeeën meer in ieder dorpje waar ik doorheen tuf. En de radio: best wel lekker om weer eens een Engelstalig liedjes te horen zingen. Geen enkel probleem geweest hoor, die moslimuitingen, maar het is wel overduidelijk dat ik nu in een Georgisch-orthodox land ben.
En toch. Toch druk ik net zo lang op de toets van de autoradio tot ik een zender heb gevonden met Turkse muziek. Even nog dan.

Josif Vissarionovtsj Dzoegasjvili

Gori is de geboorteplaats van de beroemde (beruchte?) Iosif Vissarionovtsj Dzoegasjvili.
Nooit van gehoord? Later noemde hij zichzelf ‘de man van staal’: Stalin.

Ik parkeer m’n bussie voor de deur van het Stalin Museum en stap met gemengde gevoelens de sombere en donkere hal binnen. Zo’n pompeus Sovjetmonument voor een man die de (westerse) geschiedenis is ingegaan als de wreedste dictator ooit? Maar het is wel geschiedenis. Heb ik ook niet in Auschwitz rondgelopen?

En het is er allemaal: de vele foto’s, de proclamaties, de borstbeelden, de zaal met buitenlandse cadeaus, het dodenmasker, het bureau uit het Kremlin, zijn bed, de persoonlijke wagon waarmee hij altijd reisde en het geboortehuis. Omdat het niet druk is, krijg ik een persoonlijke gids mee. Gelukkig laat ze me mijn gang gaan om alles in eigen tempo te bekijken en te fotograferen en houdt ze geen ellenlange verhalen. Ze wijkt niet van mijn zijde (ik zie iedereen met een gids rondgaan) en ze beantwoordt geduldig mijn vragen.
‘Is het eigenlijk niet bizar’, kan ik op een gegeven moment niet nalaten haar te vragen, ‘dat er zo’n imposant museum is ter ere van een man die, pak weg, veertig miljoen mensen heeft laten vermoorden?’ Ze verblikt of verbloost niet. ‘Komt u mee?’, is haar antwoord, ‘dan gaan we nu naar het geboortehuis…’

Spiegeltje, spiegeltje…

In heel Georgië -hebben ze me verteld- is er maar één Citroën Servicepunt en dat is in de hoofdstad Tblisi. Omdat het rijden zonder rechter buitenspiegel toch wel lastig is, gooi ik mijn oorspronkelijke route wat om en besluit daar eerst naar toe te gaan. Zo’n spiegel moet natuurlijk besteld worden, maar dat lijkt me geen probleem. Trek ik mooi een paar dagen uit om de stad op m’n gemak te bekijken.

En wat mis ik de aanwijzingen van Claire-mijn-Garminnetje op weg naar Tblisi. Ik wist al, dat Georgië een mindere dekking heeft, maar in de praktijk heb ik -sinds ik de Turks-Georgische grens over ben- eigenlijk helemaal niets aan mijn GPS-vriendinnetje. Ze zit er constant een paar honderd meter naast en vraagt me meer dan regelmatig naar de gemarkeerde route te rijden. En dan zit ik toch op de M27, de belangrijkste twee-rijstroken-hoofdweg van Batumi naar Tblisi. Ik word er simpel van en leg Claire het zwijgen op.
Maar ik mis haar wel, vooral in de steden. Hoe makkelijk was het in andere landen om bijvoorbeeld het adres van de Citroëngarage in te typen en daar door Claire feilloos naar toe gebracht te worden? Niet in Georgië. Zelfs Tblisi, toch een stad met 1,7 miljoen inwoners, is op de Garmindisplay niet meer dan een rode stip. Dus dat is weer ouderwets de weg vragen, nog eens vragen, de verkeerde kant op gestuurd worden, omrijden, maar weer vragen en uiteindelijk vinden. En dan sta ik nog niet eens bij een officiële Citroëndealer, maar bij een degelijk autobedrijf met grote vrachtwagens voor de deur.
‘Citroën? Nee mijnheer, die hebben wij niet hier in Georgië’, wordt me aan de balie duidelijk gemaakt. ‘Maar wij kunnen wel alle reparaties uitvoeren en de originele onderdelen monteren. Alleen, zo’n buitenspiegel, die hebben wij niet op voorraad. Die moet besteld worden en dat kan twee tot drie weken duren.’
‘Twee tot drie weken?’, reageer ik verbaasd, ‘waar moet dat ding vandaan komen dan, Frankrijk?’ De vrouw achter de balie glimlacht verontschuldigend: ‘Nee, zo erg is het niet. Waarschijnlijk uit Istanbul of anders Duitsland.’ Ik heb geen zin daar op te wachten, had rekening gehouden met een paar dagen, maar twee weken?

Een man aan een ander bureau heeft meegeluisterd en vraagt me de schade te laten zien. Hij bekijkt de spiegel en de afgebroken bevestigingspunten, stelt vast dat het aluminium is en adviseert me naar een van de vele ‘garagetjes’ te gaan die langs de weg zitten om daar een noodreparatie te laten uitvoeren. Om mijn taalprobleem te ondervangen, vraagt-ie een stukje papier en schrijft daarop in het Georgisch wat het probleem is. ‘Laat dit briefje maar zien, dan weten ze genoeg. Succes ermee enne… zijn dat sigaren?’

Die kleine, smoezelige garagehokken heb ik al zo vaak gezien. Net als in Turkije, zitten ze aan de invalswegen van steden en dorpen. Er staan wrakken van auto’s voor de deur, er lopen wat mannetjes in de rondte en het maakt op mij niet zo’n degelijke en betrouwbare indruk. Maar misschien ben ik bevooroordeeld.
Weer op weg dus. Weer Tblisi uit en stoppen bij zo’n reparatieschuurtje. Ik laat mijn bussie aan de weg staan en loop tussen veel (sloop?)auto’s naar een openstaand hok achterin.
‘Nee’, maakt de man me duidelijk, ‘dat kan ik niet maken, maar ik heb een vriend die dat wel kan. Wacht maar bij uw bus. Hij is er over vijf minuten.’
Als er vijfenvijftig minuten (…) zijn verstreken (ik heb ondertussen maar een boterhammetje gegeten), stap ik weer op het schuurtje af. De deur is dicht, de man verdwenen. Ik rijd weg en zoek een ander adresje.

Bij de volgende reparateur kijkt de dikbuikige, morsige man in een trui vol rafels en gaten bedenkelijk naar mijn spiegel. Hij schudt zijn hoofd en ik wil alweer onverrichter zake verder rijden als hij me beduidt even te wachten. Na drie telefoontjes gebaart-ie me achter hem aan te rijden en brengt-ie me (weer Tblisi door…) naar een ander adres. Als ook daar reparatie niet mogelijk blijkt, zelfs niet provisorisch, houd ik het voor gezien. Dan maar verder zonder spiegel. Ik kijk in Oekraïne wel of ik daar meer succes heb.

Alles bij elkaar ben ik ruim een halve dag bezig geweest met zoeken en vragen. Even buiten het centrum van Tblisi stop ik bij een benzinepomp met autowas en mag daar overnachten.
Het is er druk. Als de auto’s schoon zijn, worden ze uit het washok gereden, buiten droog gezeemd en het interieur gereinigd. Links en rechts van me -als op een parkeerplaats- staat constant een auto. Deuren wagenwijd open en de radio -natuurlijk allebei op een verschillende zender- overmodulerend knetterhard aan. Dat gaat tot ’s avonds elf uur zo door. Ik heb op rustiger plekjes gestaan, maar… ik ben in Tblisi!

Zhitki gas?

Vanmorgen bij het opstaan zette ik de verwarming aan. Vreemd, een rood waarschuwingsledje? Dat betekent, dat de gasfles leeg is of er een storing is.  Heb ik er in een maand een volle fles gas doorheen gejaagd? Nou ja, best mogelijk, want ’s morgens en ’s avonds is het de laatste tijd nog frisjes en dan zet ik even de kachel aan. En omdat ik best wel vaak ‘wild’ overnacht, zet ik de boiler aan om lekker warm water te hebben om me te wassen.
Vervelend wel, zo’n tweede lege fles, want ik kan me nog herinneren wat een moeite ik heb moeten doen om de eerste om te wisselen. Dat was nog in Turkije en waar ik ook probeerde, overal hadden ze wel flessen LPG, maar geen propaan. Pas na ruim een week stond ik op een camping waar ik mijn fles kon omwisselen. Of het wel zeker propaan was en geen LPG vroeg ik de man nog, want nergens op de fles kon ik een aanduiding ontdekken. Ik moest hem maar op zijn woord geloven. Dat deed ik ook wel, maar helemaal overtuigd was ik niet. Dus sloot ik vanmorgen die Turkse fles aan en controleerde het gas. Alles prima voor elkaar.

Trouwens, die lege fles in Turkije omwisselen was zo gepiept. Toen ik daar stopte om te tanken en naar gas vroeg, wees de pompbediende op een grote tankauto. Daar stond een mannetje bij die kordaat mijn lege gasfles oppakte. Niet om die te om wisselen voor een volle, maar om hem zelf te vullen (…). Ik wees nadrukkelijk op de propaansticker op de fles en vervolgens op zijn tankwagen. ‘Da, da, propaan’, was het stellige antwoord. Mijn fles werd op een basculeweegschaal gezet, aangesloten en met tien kilo gas gevuld. ‘Hè, lekker gevoel’, dacht ik toen, ‘vanmorgen een volle fles aangesloten en nu meteen alweer een reservefles. Ik kan vooruit!’

Maar als ik ’s avonds in Tblisi een eitje wil bakken, doet het gas het niet. Da’s gek: vanmorgen die nieuwe (Turkse) fles aangeslagen en nu al geen gas meer? Zou die kerel op de camping me een bijna lege fles hebben verkocht? Maar nee, dat kan niet. Ik heb zelf vastgesteld hoe zwaar die fles was. Een storing dan? Ik ga naar achteren en open het gasluik. Er komt me een penetrante gaslucht tegemoet. Ik druk op het knopje van de beveiliging. Geen gas. Dat probeer ik drie keer. Dan koppel ik de fles los, haal hem uit het hok en zet het kraantje open. Er stroomt nog een klein zuchtje gas naar buiten en dan houdt het op. Leeg! Ik koppel de vanmorgen gevulde fles aan en kan mijn eitje bakken.

Gedurende de rest van de avond blijft er een gaslucht in mijn bussie hangen. Ik zet alle ramen op een kiertje (lekker naïef eigenlijk: eer dat zware gas de hoogte van de ramen heeft bereikt, is het al te laat). Ik ben er dan ook niet helemaal gerust op als ik naar bed ga. Ik slaap nota bene boven die gasflessen!

Midden in de nacht word ik wakker uit een onrustige slaap. De gaslucht is niet verdwenen. Nu echt bang dat het fout gaat, schiet ik in mijn kleren, haal beide flessen uit het gashok en zet ze achter mijn bussie in het gras. Als ik daarmee doende ben, komt een bediende van het pompstation waar ik overnacht poolshoogte nemen wat daar om twee uur ’s nachts in een hoekje van het terrein gebeurt. Met veel gebaren (nee, ik spreek geen Russisch) leg ik hem het gasverhaal uit. Twee collega’s komen erbij. Een van hen opent het kraantje van de vanmorgen langs de weg gevulde fles, houdt zijn duim tegen de opening, ruikt eraan en constateert stellig: ‘Zhitki gas!’. Geen idee, waar hij het over heeft en ze kunnen het me ook niet duidelijk maken. Zhitki, zhitki, is het enige dat ze steeds zeggen. Ik maak vier bekers koffie en we roken een sigaartje. Maar terug in m’n bussie zet ik toch mijn laptop aan om bij Google Translate Zhitki op te zoeken. Zonder resultaat.

Dat ‘gasprobleem’ achtervolgt me een beetje. Iedere reis is er wel wat. Ik wil ervan af. Een paar weken geleden heb ik op internet al zitten snorren naar de overstap naar LPG. Moet probleemloos kunnen volgens de nodige fora. Ga ik straks terug in Nederland dan ook maar eens serieus werk van maken. Maar daar heb ik nu niets aan. Twee gasflessen buiten en alle afsluitkranen dicht. Geen kachel meer, geen warm water uit de boiler, een gasloos bussie. Maar ach: tegen de ochtend- en avondkilte kan ik een trui aantrekken en warm water kan ik ook met de waterkoker maken. Alleen een eitje bakken of een simpele maaltijd opwarmen zit er niet meer in. Misschien koop ik wel zo’n blauw campinggaz-tankje. Ja, ja, in Georgië zeker!
Met een iets geruster hart kruip ik terug in bed. Bijna half vijf. Nog even wat slaap inhalen.

Tblisi

Als ik kom aanlopen, stopt de bus net bij de halte. Met een klein sprintje (…) haal ik hem nog net en voor een kwartje laat ik me in veertig minuten naar het hart van Tblisi vervoeren: het monument van de dichter/zanger Rustaveli. Zouden we zo’n man tegenwoordig een singer-songwriter noemen?
In ieder geval is naar hem de bekendste winkelstraat van de stad genoemd: de Rustaveli Avenue. Ik volg de stadswandeling uit mijn Trotter reisboek en slenter de avenue helemaal af. Onderweg bekijk en bezoek ik ‘alles’ wat Tblisi aan must seens heeft: het Stalinistische gebouw van de Academie voor Wetenschappen, de Opera, het Rustaveli theater, de Kashveti kerk, het Parlementsgebouw, het Museum van Georgië, de Anchiskhati basiliek, de Sioni kathedraal en de zwavelbaden van Abanotubani.

STADSBEELDEN

Halverwege rust ik op een terrasje even uit en gebruik er de lunch.
Tijd om de eerste indrukken van Tblisi op een rijtje te zetten. Mooie stad, niet te vergelijken met de grandeur van andere wereldsteden, maar wel een stad met een dubbel karakter. Enerzijds nog overblijfselen uit het Sovjettijdperk, aan de andere kant een duidelijke sprong naar het westen. Ook hier -net als in Turkije- zijn de mensen overwegend aardig en behulpzaam, maar er zijn ook verschillen. Uiteraard -ik schreef het al eerder- wat de godsdienst betreft. Turkije is een moslimland, Georgië is overwegend Georgisch-orthodox. En dat merk je. In de bus bijvoorbeeld. Ik zit te praten met een vrouw, die me uitlegt bij welke halte ik moet uitstappen als zij midden in het gesprek een kruisje slaat. Ze ziet mijn wat verwonderde blik, wijst naar buiten en legt uit: ‘Een kerk’. Ik ga er op letten: zeker tweederde van de buspassagiers slaat regelmatig een kruisje als we een kerk passeren. En die zijn er wat. Zo’n kruisje slaan ze ook bij iedere kerk die ze lopend passeren, merk ik later tijdens mijn wandeling.

KASHVETI KERK

SIONI KATHEDRAAL

Over die busrit gesproken: ik kan me mijn verwondering nog herinneren in Turkije toen bleek dat het daar gewoonte is, dat mannen aan iedere instappende vrouw hun zitplaatsje aanbieden en iedereen voor je opstaat als je ouder bent dan degene die zit. Dat doe ik dus hier ook. Als er een vrouw instapt, wijs ik uitnodigend op de vrije zitplaats naast me bij het raam. Ik sta op om haar te laten passeren. Ze wimpelt het vriendelijk af met de mededeling dat ze er over drie haltes weer uit moet, maar een andere vrouw schuift haar twee kinderen voor mij langs en die ploffen op ‘mijn’ plek. De rest van de rit heb ik gestaan. Leermomentje.

Nog zo’n leermomentje heb ik bij het tankstation waar ik overnacht. Mijn stroomkabel is aangesloten in het kantoortje van de wasstraat en als ik terug kom van mijn wandeling door Tblisi, wenkt de eigenaar van die wasstraat me naar zijn kantoortje te komen. Hij wijst op mijn kabel, doet een kastje open waar de elektriciteitsmeter zit en maakt een betaalgebaar. Dat ben in niet gewend. Ik heb in Turkije aardig wat bij tankstations overnacht en natuurlijk gaf ik bij vertrek de pompbediende altijd wat ‘voor de elektriciteit’. Ik houd daarbij het bedrag aan dat ik op een West-Europese camping zou moeten betalen, zo’n € 2,50. Dat ging in Turkije altijd met protest, want ‘toch nergens voor nodig?’. En natuurlijk zou ik hier in Tblisi eender gehandeld hebben, maar dat ze er -behoorlijk dwingend- om vragen, da’s even wennen. Maar misschien oordeel ik te snel en is deze man een uitzondering.

Die uitzondering geldt niet voor de taxichauffeur (of scheer ik ze voor het gemak nu allemaal maar over een kam?). Voor het ritje terug vanuit de binnenstad van Tblisi naar m’n bussie wil ik een vaste prijs afspreken. Als ik hem het briefje met de straatnaam laat zien, zegt-ie dat het helemaal buiten de stad is (klopt: veertig minuten heen met de bus) en vraagt-ie naar het huisnummer. Dat weet ik niet. Ergens bij een benzinepomp van Socar is alles wat ik weet. Hij knikt en vraagt vijftien lari. Geen zin in afdingen, ga ik akkoord en stap in. Onderweg geef ik hem alvast de vijftien lari. En ook hier weer: een kruisje slaan bij iedere kerk die hij passeert. Met tachtig, negentig kilometer per uur laveert hij, veelvuldig toeterend, door het drukke verkeer, maar bij een kerk gaat -zonder gas terug te nemen- een handje van het stuur voor een kruisje,
Als we bij de pomp aankomen, maakt hij me duidelijk, dat hij nog vijf lari extra wil, want die vijftien gold voor het begin van de straat en dit is een stuk verder. Ik open het portier en stap uit met de woorden: ‘Nice try, driver…’

ZWAVELBADEN ABANOTUBANI

BEWEGENDE BEELDEN

Soms zit het mee..

Dat gasverhaal van een paar dagen geleden krijgt nog een staartje.
Dacht ik eerst nog dat met zhitki slecht gas werd bedoeld (de klank shit ligt in de buurt, nietwaar?), sinds vandaag ben ik er achter, dat zhitki gewoon propaan betekent. Voor de zekerheid had ik beide flessen buiten gezet op mijn overnachtingsplek en de gaslucht is uit m’n bussie verdwenen. Ik sluit de volle, bij de benzinepomp gevulde fles met Georgisch gas -die ik nu wel vertrouw- aan en zet alle kranen weer open. Voor de zekerheid loop ik alle aansluitingen na met een zeepsopje. Nergens bubbeltjes en als ik de gaspit aansteek, doet-ie het uitstekend. Opgelost! En toch wel weer lekker, warm water uit de kraan en een kachel die weer aankan. De Turkse lekkende fles gooi ik met een verwensing meteen in de container.
En toch ga ik thuis serieus achter LPG aan. Dat gedoe met die gasflessen!

Soms zit het tegen…

Ik heb ’s morgens boodschappen gedaan in een immense, mega supermarkt en kom er achter, dat er in het bijbehorende restaurant wifi is. ’s Middags stap ik weer op mijn fietsje en rijd voor de tweede keer naar die supermarkt om mijn website bij te werken en mijn mail te bekijken.

Als ik klaar ben, sta ik te wachten om in te voegen tussen het voorbijrazende verkeer als er plotseling vlak achter me een harde autotoeter klinkt. Ik schrik, verlies mijn evenwicht en val achterover op straat, de fiets over me heen. Gelukkig (…) wordt mijn val gebroken door de laptoptas die op mijn rug hangt. Terug in m’n bussie zet ik ’s avonds die laptop nog even aan. Wat een raar beeldscherm heb ik ineens…

De volgende dag vind ik op doorreis in Rustavi met de nodige hulp en veel vragen een computerwinkeltje vol soldeerridders. Voor 190 lari heb ik met een kwartiertje weer een nieuw beeldscherm. Het oude krijg ik netjes mee. Als souvenir.

David Gareja

Op weg naar het beroemde kloostercomplex van David Gareja rijd ik weer eens door een sneeuwlandschap. Ik kan me nog herinneren, dat ik in Turkije voor de eerste keer sneeuw langs de weg zag en daar helemaal van uit mijn dak ging. Nu stel ik het vast en kijk er niet meer van op. Wel jammer, dat het vandaag ook nog eens erg mistig is, want ik rijd door het schitterende landschap van Mount Adabno. Ik zie er weinig van. Heb ook nauwelijks gelegenheid opzij te kijken, want het is weer zo’n weggetje vol kuilen, gaten en scheuren. Toen ik ruim anderhalf uur geleden de ‘bewoonde wereld’ achter me liet om aan de dikke veertig kilometer naar het klooster te beginnen, viel het eerste stuk nog wel mee, maar naarmate ik mijn eindbestemming nader, is er nog nauwelijks sprake van een weg. Moddersporen zijn het, hele stukken weg staan ook onder water omdat het de voorafgaande nacht behoorlijk geregend heeft. Ik hotsebots, glibber en blubber de laatste tien kilometer langzaam naar boven en ben blij als ik eindelijk het klooster heb bereikt.

Maar diezelfde regen die de ‘weg’ ernaartoe bijna onbegaanbaar heeft gemaakt, heeft ook gevolgen voor het kloosterbezoek. Gebouwd tegen en in een berg zie ik voornamelijk paadjes naar boven, die zijn afgezet met een rood-wit lint en het bordje No entry. Slechts een heel klein gedeelte van het kloostercomplex is toegankelijk. ‘Het is te gevaarlijk om naar boven te klimmen’, legt de monnik in de church shop bij de ingang uit. Spreekt hij Georgisch? Azerbeidzjaans? Geen flauw idee, maar zijn boodschap is duidelijk.

Ik baal er wel van, want speciaal voor dit klooster, met zijn drie woonlagen en schitterende fresco’s, ben ik een eind omgereden. Met tien minuten heb ik het bekeken. De teleurstelling al dat moois daarboven niet te kunnen zien, is zo groot, dat ik geen zin heb vandaag nog verder te rijden. Als ik weer bij het winkeltje ben, probeer ik of ik daar mag overnachten. De monnik was al niet zo spraakzaam toen ik hier aankwam -nors is misschien een beter woord- maar nu krijg ik een niet mis te verstaan ‘njet’. Vijftien kloosters moeten er hier verspreid in de bergen liggen, maar als ik de monnik ernaar vraag, stapt-ie zonder iets te zeggen zijn winkeltje in en wijst op de fotoboeken. Ik maak nog een weids gebaar met mijn armen naar de omgeving en wijs op mijn ogen dat ik die kloosters in het echt wil zien in plaats van foto’s in een boek. De monnik haalt zijn schouders op, draait zich om en gaat met zijn armen voor zijn borst gekruist demonstratief naast de deuropening staan. Wat hem betreft is het gesprek afgelopen. Wat mij betreft ook.

Ik stap in, start de motor en blubber maar weer veertig kilometer terug naar het dal. Onvoorstelbaar, denk ik, dat in alle reisgidsen dit kloostercomplex zo wordt geroemd en aanbevolen, maar dat de weg ernaartoe bijna onbegaanbaar is. Ik ben toch niet de enige toerist? Maar erger nog vind ik zo’n stugge monnik die mijn plezier in het bezoek aan deze bezienswaardigheid door zijn negatieve houding volledig vergald heeft.

Slaapplaats #1

Geen flauw idee weer waar ik die middag ben terecht gekomen.
Midden in het verder verlaten landschap zie ik een parasol in de berm staan naast een soort van oprijlaan. Ik stop en loop het troosteloos verlaten terrein op. Er staan gebouwen waar de tand des tijds behoorlijk aan geknaagd heeft. Hier en daar wappert een stuk vitrage naar buiten door een kapotte ruit. Er staat een trekker, een oude bus en een standbeeld van een vrouw met onder iedere arm een kip. Als ik wat rondloop in deze vergane glorie gaat er een deur open en kijkt een wat oudere, sjofele, bebaarde man mij verbaasd aan.
Ik maak hem duidelijk, dat ik een slaapplaats zoek. Hij brabbelt wat en ik vang het woord hotel op. Ik wijs op m’n bussie en vraag hem mee te lopen. Als ik de achterdeuren open doe en het bed laat zien en tegelijkertijd een armbeweging maak dat ik hier wil slapen, is het hem duidelijk. Zonder verder veel omhaal, wijst hij me een plek waar ik mag staan en hij kan er ook voor zorgen dat ik stroom krijg.

Als ik wat later met de stekker in mijn hand op de haveloze deur klop, laat de man mij binnen. Het ‘vertrek’ is hooguit vier meter in het vierkant. Langs een muur staat een bed. Maar de kamer wordt gedomineerd door een tafeltje met daarop een piepschuimen kerk, een pot lijm en een mesje. Trots wijst de man op zijn knutselarbeid, aait liefkozend over het piepschuim en slaat een kruisje.

Naast deze ruimte is er nog een kamertje. De man neemt me mee, haalt een stuk karton opzij dat dienst doet als kamerscherm en toont me zijn zelfgeknutselde huisaltaar. Weer slaat hij een kruisje. Wordt dat eigenlijk van mij ook verwacht? Ik weet niet eens hoe. Dan draait de man zich om en pakt van bovenaf een stellage een kerk die af is: helemaal geschilderd, met pannetjes op het dak en tegels in het interieur. Ondertussen probeer ik er achter te komen waar ik nu precies terecht ben gekomen. Is het een bedrijf? En zo ja, wat doen ze daar dan? Maar wordt er nog gewerkt, gelet op de bouwvallige staat waarin alles verkeert? Ik krijg er geen antwoord op. We begrijpen in grote lijnen elkaars bedoelingen wel, maar echt verstaan doen we elkaar niet.

Rond zes uur komt er heel even leven in de brouwerij. Een twintigtal mannen en vrouwen passeert m’n bussie en verlaat het terrein. Werknemers? Maar waar komen die vandaan? En wat voor werk doen ze hier? Ik schiet er een paar aan, maar ze kunnen me niet wijzer maken. Alweer die taalbarrière.
Ik heb inmiddels de wegenkaart en de laptop geraadpleegd: het dichtstbijzijnde plaatsje blijkt Sagaredzho te zijn en ik slaap vannacht op nog geen vijfentwintig kilometer van de grens met Azerbeidzjan. Maar waar ik nou precies sta en wat hier is, het zal wel een raadsel blijven. Leuk toch?

Twee maal Georgië

Dat Georgië druk bezig is het land op te bouwen na de afscheiding van de Sovjet Unie is duidelijk merkbaar in Signakhi. Ik weet niet wie er verantwoordelijk is voor de opknapbeurt van deze stad, maar ik neem er diep mijn petje voor af. Alles ziet er piekfijn en brandschoon uit en gebouwen zijn met behoud van de historie schitterend gerenoveerd. Ik loop rond, maak de nodige foto’s en kan geen wanklank ontdekken. Iets te netjes misschien?

SIGNAKHI

Maar rij de stad uit, ga richting Gurdzhaani en je passeert een lint van kleine dorpjes. Het verschil kan niet groter zijn. In een zo’n dorpje, Velistsikhe, stop ik om ook hier foto’s te maken. Georgië verwestert in een gestaag tempo. Je kunt je afvragen hoe ver ze daarin moeten gaan en toch hun eigen identiteit behouden, maar dat er in dit land nog duidelijk twee werelden zijn, is duidelijk.

VELISTSIKHE

Geportretteerd #3

Slaapplaats #2

Ik weet ook niet hoe ik aan al die overnachtingsplekjes kom.
Neem nou vandaag. Ik ben op weg naar een bezienswaardigheid in het binnenland en vraag in een dorpje de weg aan iemand die tegen een hek geleund staat. Als hij me niet  begrijpt, voegen zich wat andere mensen bij hem en binnen de kortste keren is de straat uitgelopen om van dichtbij dat groene busje te bekijken. We verstaan elkaar weer eens niet, maar de sfeer is gezellig. Zo gezellig, dat ik -hoewel het nog vroeg in de middag is- vraag of ik niet ergens kan overnachten.
Dat blijkt geen enkel probleem. Een man uit het gezelschap wijst op een gesloten poort aan de overkant van de straat. Hij loopt erheen, doet hem open en wijst uitnodigend op zijn binnenplaatsje. Het is een beetje pieren in dat smalle straatje om m’n bussie achteruit naar binnen te rijden. Ik moet een paar keer heen en weer steken. Dat duurt een andere man waarschijnlijk te lang naar zijn zin, want met een gebaar van ‘ga eens achter dat stuur vandaan en laat mij maar even’, prikt-ie m’n bussie op de binnenplaats.

De hele straat loopt mee en staat vol bewondering voor mijn deuropening naar binnen te kijken. Ach, kijk nou: een echt bed. En wat is er achter die deur? Een toilet! En is dat om op te koken? En stromend water? En zie je dat? Hij heeft ook een fietsje! De inparkeer-chauffeur stapt zelfs naar binnen en duwt met twee kolenschoppen van knuisten op mijn matras. ‘Kijk toch eens’, roept-ie naar het gezelschap buiten (althans dat vermoed ik), ‘kijk toch eens hoe dik die matras is!’
Ze helpen met het aansluiten van de stroom. Als ik uit mijn raam kijk, heb ik prima uitzicht op mijn kabel. Die ligt in een soort openstaande serre. De stekker zit in een contactdoos boven een tafel met een tafelzeil. Op die tafel staat ook een partijtje patronen. Helemaal perfect is het niet, want regelmatig zit ik zonder stroom en moet mijn gastheer even aan de contactdoos rommelen.

En net als eerder bij Yusuf en Diana  wordt er aan het eind van de middag op de deur van m’n bussie geklopt. Het internationale eet- en drinkgebaar maakt me duidelijk, dat ik aan de overkant van de straat wordt verwacht. Ik neem mijn blikje met sigaartjes mee (ik ken inmiddels het klappen van de zweep) en loop met de overbuurman mee. Bij de keukentafel wordt me door zijn vrouw een plek gewezen. Op tafel staan al schalen met dampende kip, gebakken eieren en spaghetti. De vrouw scheurt wat oude, bedrukte A4-tjes briefpapier doormidden en legt die neer als servet. En natuurlijk (ik ben in Georgië nietwaar?) wordt er weer stevig getoast in het bekende Georgische tempo. De eigengemaakte wijn komt uit een ruim bemeten fles, maar wordt overgeschonken in de niet al te propere kan van een waterkoker. En daar gaan we weer: op Georgië, op Hollandia, op Sandra Roelofs *), op de kinderen, op Frits…

Na de maaltijd (dankbaar handen schudden en iedereen kussen uiteraard) staat mijn gastheer erop, dat ik zijn huis bewonder. Hij neemt me mee naar de bovenverdieping, houdt uitnodigend lappen vitrage voor me open die dienst doen als ‘deur’ en brengt me tenslotte in een verder bijna kale kamer, zonder vloerbedekking waar een enorme televisie en geluidsinstallatie staat, zoals wij die in de tachtiger jaren in Nederland hadden. Hij zet de televisie aan en wijst op de bank. Als ik ga zitten op dat keiharde meubelstuk begrijp ik het enthousiasme eerder die middag voor mijn heerlijke, dikke, zachte matras.
De televisie zendt het Georgische journaal uit. De man gaat naast me op de bank zitten en steekt op z’n gemak een sigaretje op. Wijzend op het beeldscherm legt hij uit wat er gebeurt. Ik versta hem niet. Ook van het nieuws begrijp ik helemaal niks. Op goed geluk knik ik af en toe maar wat of schud bezorgd mijn hoofd. Ik houd het een kwartiertje vol. Dan vind ik dat de beleefdheid lang genoeg geduurd heeft. Ik wil terug naar m’n bussie. Even geen gezelschap waar ik geen zinnig woord mee kan wisselen. Even op mezelf. Maar een half uurtje later klopt mijn gastheer alweer op mijn raampje en maakt een kom-nog-even-gezellig-televisie-kijken gebaar. Ik wijs op mijn laptop en maak hem duidelijk dat ik het te druk heb. Goedbedoeld hoor en reuze gastvrij, maar nu even niet.

Mijn gastheer blijft aardig: de volgende morgen, zodra mijn rollo’s open zijn, staat hij alweer met een kop koffie naast m’n bussie. Als ik zit te ontbijten, meldt hij zich weer, nu met een pioenroos uit zijn tuin die hij me met een buiginkje aanbiedt. En bij het afwassen staat hij met een notitieboekje en een pen bij mijn deur. Of ik mijn telefoonnummer wil opschrijven, dan geeft hij het zijne. We hebben elkaar de afgelopen uren voor geen meter verstaan, maar wisselen onze nummers uit. Kunnen we elkaar nog eens bellen…
De man is zo aardig en zo hulpvaardig, dat ik (achterdochtig?) de indruk krijg dat hij op een vet fooitje uit is. Ondanks zijn bijna permanente aanwezigheid bij m’n bussie verdient-ie dat ook wel en ik overweeg mijn gebruikelijke tip van vijf lari te verdubbelen. Vijf lari lijkt in Hollandse ogen niet veel (€ 2,50), maar gisteren kocht ik voor de lunch in een winkeltje een gebraden kippendij en twee ‘frikandellen’. Voor de 2,40 lari die ik daarvoor moest betalen, wilden ze het ook nog wel even opwarmen.
Een dubbele fooi dus voor mijn gastheer?
Als ik in de serre mijn stroomkabel loskoppel, wil ik hem dat geld geven. Met veel misbaar wordt mijn hand weggeduwd. Geld geven voor gastvrijheid? Kom nou! En wat ben ik op zo’n moment dan eigenlijk een bekrompen denkende Hollander. Zes weken ben ik nu onderweg en niks geleerd; nog steeds verbaasd en niet gewend aan eerlijke, oprechte hartelijkheid zonder bijbedoelingen.

*)
De Nederlandse Sandra Roelofs was destijds de vrouw van de Georgische president Micheil Saakasjvili en razend populair onder de bevolking.

Mannen

Door welke stad ik ook rijd, welk dorp ik ook passeer, welke weg ik ook volg: overal zie ik groepjes mannen. Ze hangen een beetje tegen een hek. Ze praten wat met elkaar. Ze leggen een kaartje. Ze kijken naar het voorbijkomende verkeer. Ze roken een sigaretje. Maakt niet uit of het ochtend of middag is. Ze staan er, mannen zonder werk.


Door welke stad ik ook rijd, welk dorp ik ook passeer, welke weg ik ook volg: overal zie ik om de haverklap verlaten benzinepompen. Zo te zien sinds jaren niet in gebruik. Vervallen. Het pompmechaniek verwijderd. Kapotte ruiten. Verweerde muren. Binnen restanten van meubilair. Ze staan er, onbemande pompen.

Is het misschien een ideetje (ik opper maar wat) als die talloze mannen zonder werk in het hele land die vervallen benzinestationnetjes eens gaan afbreken? Hebben zij wat om handen en wordt het landschap er een stuk fraaier van. Zal wel een te nuchtere, te praktische Hollandse denkwijze zijn.

Uitgerookt

Na een paar keer een overnachting met poezenwasjes ben ik wel toe aan een lekkere douche. Bovendien moet ik mijn haar nodig wassen. Bij de (betaalde) overnachtingsplek in Tianeti kan ik in het onderhuis van het toilet en de douche gebruik maken. Heerlijk! Ik kijk er naar uit en maak ’s avonds mijn tasje al in orde voor een uitgebreide, hete douche.

Heet is het water zeker, daar mankeert het niet aan. Maar dat warme water komt uit een met hout gestookte ‘boiler’ en de afvoerpijp van die kachel is lek. Als ik de doucheruimte binnenstap, staat dat ding te loeien en te knetteren en is de hele ruimte gevuld met een doordringende rooklucht. Al tijdens het uitkleden, slaat die rook op mijn ogen. Hoestend zeep ik me in. Met tranende ogen spoel ik me af. Ik krijg het benauwd. Die heerlijke, lange, uitgebreide douche waar ik me zo op verheugd had, wordt een vluggertje. Maar mijn haar is tenminste gewassen.

Tsinandili: wijnmuseum Chavchavadze

Garagefeest #1

Nog in Turkije was ik bij een garage gestopt om naar het gekreun van mijn vering te laten kijken. Er moesten onderdelen worden besteld, maar daar was ik te ongedurig voor. Bovendien werd me verzekerd, dat ik veilig kon blijven rijden en terug in Nederland de reparatie kon laten uitvoeren. Jammer van dat kreunende geluid, dat moest ik maar op de koop toenemen. Het zat me toen al niet helemaal lekker en ik overwoog een second opinion,

Na alweer een heftig bergweggetje hoor ik vanmorgen uit mijn linker wielkast een geluid alsof er iets aanloopt. Ik vertrouw het niet. Omdat ik niet zo gek ver van Tblisi ben verwijderd, waar de grote garages zitten, wijzig ik mijn reisplan en tuf met een rustig gangetje naar die stad.
De monteur kijkt meer dan bedenkelijk als hij een stukje heeft gereden met m’n bussie en hem in de immens grote garage meteen boven de put zet. Gek genoeg, begint hij niet bij het linker voorwiel, maar demonteert de rechter kant. Als het wiel en een heleboel onderdelen eraf zijn, fluit hij tussen zijn tanden. De extra grote, extra zware veer wordt onder m’n bussie vandaan gehaald en de monteur wijst me op de drie afgebroken stukken van de ophanging. ‘Big problem’, maakt hij ten overvloede duidelijk, ‘kapot. No more drive. Gevaarlijk. Moet bestellen.’ Nu ken ik dat bestellen van Citroënonderdelen, dat kan weken duren. Waarom heb ik geen Mercedesbus, die rijden hier genoeg rond.
Het kapotte onderdeel is van aluminium, maar -in tegenstelling tot bij eerdere garages- kunnen ze hier MIG/MAG-lassen en gaan ze proberen of ze de kapotte onderdelen weer aan elkaar kunnen maken. Dat lukt en met de dringende waarschuwing, dat ik rustig moet rijden en gaten in de weg moet vermijden (…), want ‘het is maar gelast’, wordt de veer weer onder m’n bussie gemonteerd. ‘En terug in Nederland’, wordt eraan toegevoegd, ‘het originele onderdeel laten monteren!’

Terwijl de monteurs wachten tot de lasser klaar is met zijn werk, wijzen ze op de plek waar mijn rechter buitenspiegel heeft gezeten. Ik haal de spiegel tevoorschijn, ze kijken ernaar, overleggen met elkaar en zien het wel zitten die weer op z’n plek te krijgen. Dat lukt ze en ik ben dolblij, want ik miste dat ding. ‘Maar, terug in Nederland…’

Maar naar de klacht waarmee ik hier binnen kwam, is nog niet gekeken. Die kapotte ophanging van de veer was erger en kreeg voorrang. Erger? De monteur laat het linker voorwiel in de rondte draaien, luistert en trekt weer een bedenkelijk gezicht, fluit weer tussen zijn tanden. Hij graait wat in een kist met onderdelen en laat me iets zien. Geen idee wat het is. Een lager? Ik zie kogeltjes, maar hoor de monteur ook weer zeggen: ‘Big problem’.
Het lager is in ieder geval beschadigd, vandaar dat geluid alsof er iets aanloopt. En natuurlijk hebben ze dat niet op voorraad. Maar er wordt in het enorme magazijn gezocht naar een simular part en… gevonden. En als ook dat is gemonteerd, is m’n bussie weer rijklaar. De monteur maakt een proefritje en komt tevreden terug (en is niet zo’n beetje trots dat hij die klussen improviserend heeft weten op te lossen).

Rest me nog af te rekenen.
Ik kwam hier om twaalf uur aan en het is nu zes uur. In de tijd dat ik hier rond liep, heb ik alle gelegenheid gehad al na te denken over de uiteindelijke rekening. Zes uur arbeid voor twee man. Laswerk. Nieuw onderdeel. Dat kan leuk oplopen deze zaterdagmiddag. De monteur blijft dan ook schrijven op zijn werkbon, maar als bij de receptie de rekening uit de printer komt, is het eindbedrag 290 GEL! Wat verdienen die mensen hier eigenlijk? Volgens de manager van de Carrefour hier in Tblisi, met een eigen maandsalaris van 1100 GEL, ontvangt een caissière in zijn winkel maandelijks 100 GEL. Zo bezien is mijn rekening in de garage maar liefst drie caissière-maandinkomens…
Ik heb dus geen flauw idee wat de monteurs hier verdienen. In ieder geval mijn dank en mijn bewondering voor hun technisch kunnen, maar van hun salaris zullen ze niet rijk worden. Of het gebruikelijk is, dat ik de monteurs een fooi geef, vraag ik bij de receptie. De man doet verwonderd: ‘Een fooi? Ze hebben gewoon hun normale werk gedaan en ze krijgen toch hun salaris? Nee mijnheer, een fooi, nou nee. Is dat in Holland wel zo dan?’

Overigens is dit hele garagefeest een beetje vreemd.
Een week geleden was ik ook al in Tblisi in een poging mijn spiegel te laten repareren. Bij eenzelfde megabedrijf nota bene als waar ik vandaag zo goed geholpen ben, maar dan aan de andere kant van de stad. Daar konden ze me toen niet helpen en verwezen me naar allerlei obscure argon-lassertjes. En hier, bij een ander filiaal van Tegeta Motors in dezelfde stad, blijkt reparatie wel mogelijk. Vreemd. Weten ze dan zo weinig van elkaar? Het zal me een zorg zijn, ik ben geholpen.

Zeg dat dan!

Ik ben op weg naar Kazbegi. Nog steeds zonder de hulp van Claire-mijn-Garminnetje, die me nu al anderhalve week in de steek laat. Ik rijd op de wegenkaart en op de borden langs de weg. Nu zijn die borden dun gezaaid en als ik er al een zie, staat Kazbegi daar niet op. Ik rijd verkeerd, vraag de weg, volg een andere weg, rijd weer verkeerd en word het een beetje zat. Waarom staat dat Kazbegi nergens vermeld?

Ik stop achter een geparkeerde politieauto.
Kazbegi? Klopt, dat staat inderdaad niet op de borden. Vroeger heette die stad zo en iedereen noemt haar ook nog bij de oude naam, maar de plaatsnaam is -ik weet niet wanneer precies- officieel veranderd in Stepancminda en dat staat dus wel op de richtingborden.’
Tsja, dan kun je lang zoeken…

Grote Kaukasus heen

Hoe vaak heb ik deze reis niet gedacht: ‘Deze weg is zo slecht, slechter kan niet.’
Het kan dus wel. Vanuit Tblisi loopt de Georgian Military Highway noordwaarts naar de Russische grens. Bij het woord highway heb je toch associaties met een goed geasfalteerde weg. Klopt, tot de plaats Gudauri. Daarna wordt het -op weg naar de Jvari-pas op 2379 meter hoogte- één doffe ellende. De omgeving is weliswaar ronduit schitterend: ik rijd langs en door de uitlopers van het hooggebergte van de Grote Kaukasus, maar de weg, of beter gezegd de verzameling kuilen, spleten en scheuren, is bar en bar slecht.

Als een lint liggen er dorpjes langs de laatste dertig kilometer naar Kazbegi, mijn einddoel voor vandaag. Ik zie de namen en probeer ze te onthouden, maar heb mijn aandacht te veel voor de weg nodig. In een aantal van die dorpjes is het gemeentebestuur zo besluitvaardig geweest verkeersdrempels te plaatsen. Een lachertje: de drempels zijn minder belemmerend dan de gaten in de straat door het dorp, die ik zigzaggend zoveel mogelijk probeer te ontwijken.
Tegemoetkomend verkeer is er op de bergweg genoeg en iedereen rijdt bijna stapvoets. We geven elkaar de ruimte: als de ene weghelft werkelijk niet te berijden is, nemen we samen de ‘betere’ weghelft en wachten op elkaar.

De weg wordt smaller en smaller. Ook bij Kobi, waar een lint van zeker honderd geparkeerde vrachtauto’s een weghelft in beslag neemt. Ik zie veel Russische en Armeense kentekenplaten. Waarom ze hier geparkeerd staan, is me niet duidelijk. Het zal wel met de grensovergang met Rusland te maken hebben. Als ik me voorbij die sliert vrachtwagens wurm, krijg ik bewondering voor de chauffeurs, die de vele blubberige haarspeldbochten nog voor de boeg hebben.

Een enkele vrachtwagen is alweer op pad. Als ze me tegemoet komen, stop ik langs de kant van de weg. Zij zitten voor hun brood achter het stuur, ik voor mijn plezier. Dat plezier vergaat me als zo’n vrachtwagen me tegemoet komt in een van de tunnels. Onverlichte, aardedonkere, lange tunnels. En denk maar niet, dat het wegdek in die tunnels beter is. Claire-mijn-Garminnetje zeurt dat haar satellietontvangst in die tunnels wegvalt. Lekker belangrijk, Claire! Hotsebotsend, met groot licht aan, kijk ik gespannen uit naar het einde van zo’n tunnel. Aan het ‘plafond’ hangen enorme ijspegels. Nog een geluk, dat die vrachtwagens hier rijden. Die hebben de pegels al afgebroken. Hoef ik dat niet meer te doen met m’n bussie. Doodeng vind ik die tunneltjes, zelfs als ik er in mijn eentje door rijd en er geen tegenliggers zijn.

Op het hoogste punt van de pas, vijfhonderd meter rechts boven me in de bergen, moet een enorm kruis staan, dat daar geplaatst is in opdracht van koning David de Bouwer. Het zal me een zorg zijn. Ik kijk niet eens of ik het kan ontdekken. Heb meer oog voor alweer zo’n snelstromend beekje smeltwater waar ik doorheen moet. Hoe diep zou deze zijn?

Met voor de zoveelste keer pijn in mijn lendenen van het rijden, bereik ik Kazbegi, een van de laatste Georgische dorpen op weg naar de grens met Rusland, hier vijftien kilometer vandaan. Als ik moeizaam uitstap, waait een gure, koude wind dwars door mijn trui heen. Op de display van een benzinestation zie ik dat de temperatuur vier graden is. Ik trek een jas aan en kijk om me heen. Een open, winderig plein. Typische sovjethuizen en kleine, armoedige winkeltjes. Heb ik daar al die moeite voor gedaan om hier te komen? Ik zal het beslist geen tweede keer ondernemen, maar heb er wel weer een mooie ervaring bij van een schitterend hooggebergtelandschap. Ik koop een brood, loop terug naar m’n bussie alweer te fluiten en zoek een plek voor de nacht.

Als ik nog voor het avondeten de kachel aanzet, moet ik wel even denken aan de heerlijke temperaturen in Turkije, waar ik (op die hippiecamping bijvoorbeeld) in m’n blootje liep. Maar dit had ook wat.
Ik ben moe, ga vroeg naar bed, want omdat ik Rusland niet in mag zonder visum (en dat ook niet wil), moet ik de volgende dag aan dezelfde inspannende route terug goed uitgerust zijn. Het scheelt wel dat ik nu tenminste weet wat me te wachten staat. Dat kan alleen maar meevallen.

Alexander Kazbegi

Alexander Kazbegi werd -je raadt het nooit- geboren in Kazbegi. Nadat hij in Tblisi, Sint Petersburg en Moskou had gestudeerd, besloot hij toch herder te worden en keerde naar zijn geboortedorp terug. Later werd hij journalist en ging de novellen en toneelstukken schrijven die hem zo beroemd hebben gemaakt (…). Hij ligt begraven in de voortuin van zijn ouderlijk huis, waar ook de graven van zijn ouders zijn, onder twee klokkentorens.

Ik parkeer m’n bussie voor het ouderlijk huis van Alexander Kazbegi, met uitzicht op de heuvel met de beroemde Tsminda Sameba kerk op de top. Het huis van Alexander is tegenwoordig museum en als ik een duwtje geef tegen het gesloten hek draait dat knarsend open. Het ziet er allemaal een beetje vervallen uit en de deur van het museum zelf is dicht. Ik gluur door de ramen naar binnen. Het is er donker.
Ik loop wat door de tuin als ik achter me een kuchje hoor. In de deuropening van het museum staat een oudere man die me wenkt. Natuurlijk is het museum open en als ik mijn drie GEL entree heb betaald, wil de man nog wel een lichtje aandoen ook. Niet in alle ruimtes, maar net voldoende om alles te kunnen bekijken.

Ik bekijk de tentoonstelling, snap nog niet de helft van wat er te zien is (lekker voorbereid…) en zeg na zo’n drie kwartier de man gedag. Hij heeft inmiddels zijn jas al aangetrokken, loopt samen met mij naar buiten, sluit zorgvuldig deur en hek van het museum af en sloft naar huis. Zijn dagtaak zit er weer op. ‘En?’, zal zijn vrouw onder het eten misschien aan hem vragen, ‘nog druk geweest vandaag?’ ‘Eén bezoeker. Een Hollander. Moest ik voor één man de lichten aandoen.’

Dont stei hia!

Natuurlijk is het geen enkel probleem om mijn bussie naast het kantoortje van de benzinepomp even buiten Kazbegi te parkeren en daar te overnachten. En stroom? In het toilet wordt de stekker uit het handendroogapparaat getrokken en vervangen door de mijne. Ze zijn nog jong, de drie jongens die deze pomp bedienen. Ze spreken so and so Engels en hadden een beetje lacherig gereageerd op mijn verzoek te mogen overnachten bij ‘hun’ pomp. Alleen die stroom, ja, dat is een beetje een probleem, want dit is geen pomp die vierentwintig uur open blijft. Met aanwijzen op de wijzerplaat van mijn horloge maken ze me duidelijk, dat het benzinestation vanaf elf uur ’s avonds gesloten is. Dan moet mijn stekker er uit, want de boel gaat op slot. Geen probleem. Als ik tot elf uur stroom heb, kan de koelkast de rest van de nacht wel op de accu (ik haat dat gepiel met gas en dat controlevlammetje dat ik niet goed kan zien). En water koken voor een kop thee morgenochtend? Dat doe ik met de fluitketel. De drie jongens bietsen een sigaartje en ik ga inrichten voor de overnachting.

Ze blijven de rest van de middag een beetje om m’n bussie draaien, die drie mannen. Nu ben ik dat inmiddels gewend, maar dit voelt anders. Ze roken hun sigaretje vlak voor mijn raam en kijken brutaal naar binnen. Niet nieuwsgierig zoals dat overal elders het geval was.

Om kwart over negen ’s avonds wordt er op de deur van m’n bussie geklopt. Als ik open doe, maken drie man me grijnzend duidelijk, dat ze gaan sluiten en ik geen stroom meer heb. Althans, dat meen ik te begrijpen. Maar als er een kwartiertje later weer geklopt wordt, krijg ik een briefje in mijn handen gedrukt. Ondanks het fonetische Engels is de boodschap duidelijk: wegwezen! Mijn stroomkabel ligt al los naast m’n bussie. Lacherig wijzen ze in de richting van het dorp en maken een slaapgebaar.
Ik ruim zoveel mogelijk op en rijd weg. Gelukkig heb ik ’s middags wat in Kazbegi rondgelopen en dat komt goed uit, want straatverlichting is er niet. In het pikkedonker prik ik m’n bussie op een plein tussen een paar vrachtwagens. Morgenochtend zie ik wel waar ik geslapen heb.

In bed probeer ik te bedenken wat hier nu aan de hand was. Foutje in de communicatie? Toeristje pesten? Of zijn de mensen in deze streek anders? Minder vriendelijk? Toen ik ’s middags iets wilde vragen aan een jong stel deden die heel afwerend. De man gaf me voor alle duidelijkheid ook nog ‘de vinger’.
Met heimwee denk ik terug aan de kopjes cai, die me in Turkije veelvuldig werden aangeboden door pompbediendes. De hartelijkheid en vriendelijkheid daar. Aan de andere kant: ook in Georgië heb ik tot nu toe niet te klagen gehad, dus laat ik niet te snel oordelen. Zes weken ben ik nu onderweg en dit is pas mijn eerste nare ervaring. Ik houd het er maar op, dat ik de pech heb gehad nu net de verkeerde mensen te treffen in (misschien) de verkeerde streek. Nou ja, in ieder geval heb ik een slaapplek, al is het dan midden op een dorpsplein. Met het aanhoudende, irritante geluid van in stereo blaffende honden om me heen val ik in slaap.

Geen doorkomen aan

Ik had het zo leuk voorbereid, thuis achter mijn computer: heen over de Georgian Military Highway naar Kazbegi, terug naar het zuiden via een andere route. Ik had er al wat over opgevangen in gesprekjes de afgelopen dagen, maar in Kazbegi wordt nog eens stellig bevestigd, dat die geplande route zuidwaarts niet mogelijk is. Dan zou ik namelijk een stuk door het omstreden district Ossetië rijden en daarover hebben Georgië en Rusland nog steeds strijd. Sterker nog: de Russen houden een deel van het gebied bezet. Geen doorkomen aan dus.
Gek hoor. Rijd je door Georgië, is er een gedeelte van dat land door Rusland bezet. Alsof je bij ons in Nederland van bijvoorbeeld Zwolle naar Groningen wil rijden en dat iemand dan zegt: ‘Wil je via Assen? Dat kan niet hoor, want Drenthe is bezet door de Duitsers!’

Grote Kaukasus terug

Dat kan alleen maar meevallen, schreef ik gisteren, doelend op de terugweg door de Grote Kaukasus. Meevallen? Nou, nee dus.
Toen ik vanmorgen wakker werd, sneeuwde het. Geen echte, dikke vlokken, maar van die fijne stuifsneeuw. Staat wel leuk zo’n bepoedersuikerde weg, maar het maakt het manoeuvreren ook een stuk lastiger. Op het hoogste punt van de pas rijd ik kilometers lang over een licht besneeuwde weg. Door de laaghangende bewolking is het zicht heel erg beperkt en kan ik slechts de bandensporen van mijn voorgangers volgen. Nog een geluk, dat ik deze weg gisteren bij helder weer heb gereden en toen van het imponerende landschap heb kunnen genieten, want vandaag rijd ik door een dichte deken van mist.
En zie je wel? Ondanks de mindere weersomstandigheden is de terugweg korter dan de heenweg. Onzin natuurlijk, maar het zal komen door de ‘ervaring’ die ik gisteren heb opgedaan.

En was dit mijn eerste bergervaring? Verre van dat. Ik heb op eerdere tochten en ook tijdens deze reis al de nodige bergritten achter de kiezen. See one mountain, see them all dus? Ik betrapte mezelf in het verleden er wel op, dat ik op een bepaald moment die prachtige bergen en de wegen erdoorheen wel gezien had. Het maakte niet zo’n grote indruk meer. Maar de Kaukasus, tsja de Kaukasus. En dan op eigen wielen. Te gek!

Tijd genoeg?

‘Die auto daar’, wijst de man met wie ik een wandelingetje door zijn dorp maak, ‘die auto daar stond er al toen ik hier nog als klein jongetje rond huppelde. En dat geldt ook voor dat andere voertuig. Sinds mijn jeugd zijn ze niet van hun plaats geweest.’
Ik kijk hem van opzij aan en vraag: ‘Hoe oud ben je eigenlijk?’ ‘Zesenveertig’
Ik vertel hem hoe opvallend veel verlaten benzinepompen ik onderweg heb gezien, vaak op plekken waar niet eens een weg loopt. En de half ingestorte gebouwen, de vele hopen stinkend afval en -inderdaad- de talloze autowrakken.
‘Ja, ik weet wat je denkt,’ beaamt hij, ‘er moet nog veel veranderen in ons land. Geld is daarbij een voorwaarde, maar ook mentaliteit. Maar we zijn op de goede weg. Kom nog maar eens terug om de veranderingen te zien.’
‘En wanneer kan ik dan terugkomen?’
‘Hoe oud ben jij eigenlijk?’, is zijn wedervraag. Als ik hem mijn leeftijd vertel, haalt hij zijn schouders op. ‘Dat ga je dus niet meer meemaken’, concludeert hij berustend.

Vraagtekens

In de stromende regen parkeer ik m’n bussie op de verder verlaten parkeerplaats van de Bagrati kathedraal in de stad Kutaisi. De avond ervoor heb ik mijn ‘huiswerk’ gedaan en er de Lonely Planet op nageslagen: de kathedraal is gebouwd in de elfde eeuw, maar -als zo vele historische gebouwen- in de loop der eeuwen door oorlogen en strijd bijna volledig verwoest. Georgië is druk bezig dit bouwwerk, waarvan niet veel meer over was dan een ruïne, geheel te restaureren. Een groot gedeelte is al klaar.

Dat blijkt als ik de kathedraal binnen stap. Er wordt op dat moment een ochtendmis gehouden. Vier gelovigen zijn in de kerk aanwezig, evenveel als de priesters die de plechtigheid uitvoeren. Als ik om me heen kijk, zie ik een knap staaltje restauratiewerk. Helemaal in stijl en historisch verantwoord. Zo moet het dus geweest zijn. Maar ik zie ook stalen constructies bij sommige zuilen en als ik later ‘een rondje om de kerk’ maak, valt me een hoogst modern aanbouwsel op, dat als een puist tegen de oorspronkelijke kathedraal is geplaatst.

Ik weet niet goed wat ik er van denken moet. Ik vind het prachtig dat deze kathedraal zo fraai gerestaureerd wordt, maar aan die mix van historisch en modern moet ik even wennen. Ik heb er zo mijn vraagtekens bij. Maar wat doet mijn mening ertoe? Knappere koppen dan ik zullen dit allemaal haarfijn hebben uitgedacht. Het zal dus allemaal wel kloppen. Maar hoef ik het niet mooi te vinden?

Gevarieerd ontbijt

Buiten is het vijf graden. binnen twaalf. Maar mijn ontbijt is hartverwarmend.
Ik snijd drie boterhammetjes uit Kazbegi, besmeer ze met boter uit Tblisi en beleg ze met honing uit Oud-Beijerland, kersenjam uit Trabzon en chocopasta uit Zestafoni. Ik drink er een mok groene thee bij uit Numansdorp. Hoe internationaal kan een mens ontbijten?

Weet wat je eet

Altijd handig om te weten wat er precies in die puntjes kaas zit die ik onderweg kocht:

Kerstkaart

En weer rijd ik in de bergen. En weer ga ik de Grote Kaukasus in.
Een paar honderd kilometer westwaarts van mijn vorige tripje naar Kazbegi rijd ik nu vanuit Zugdidi weer naar het noorden voor een bezoek aan Mestia.

En weer zijn het landschap en de dorpjes die ik passeer onvoorstelbaar mooi. Deze weg is ook stukken beter dan de Georgian Military Highway. Alleen moet ik regelmatig zigzaggen tussen de brokken rots door die op de weg liggen (het is ook nooit goed!).
Honderdtwintig kilometer is het vanaf mijn overnachtingsplaats naar Mestia. Er is geen stukje van de weg recht, de ene (haarspeld)bocht volgt op de andere. Honderdtwintig kilometer. Ik doe er tweeënhalf uur over.

Op 1492 meter hoogte wordt het wat mistiger en begint het te sneeuwen. Mooie, dikke vlokken dwarrelen naar beneden.
25 april: ik rijd door een weergaloos mooie kerstkaart.

Twee gezichten

Wat mij eerder opviel in Signaki treft me nu weer in Mestia: een oude stad waar met man en macht wordt gewerkt om het straatbeeld een modern uiterlijk te geven. Net als in Signakhi heeft de regering besloten van Mestia een oord te maken waar de verwende Westerse toerist zich thuis voelt. Er is een groot plein met een plantsoen. Daaromheen moderne, nieuwe gebouwen die bijna allemaal nog leeg staan. Veel huizen zien er schitterend opgeknapt uit en doen een beetje Oostenrijks aan. Decorbouw, noemt Nadia van het Tourist Centre dat, want achter die prachtige gevels zijn de huizen nog in oude staat. Diezelfde Nadia geeft me ook wat tips: jammer genoeg is het Etnografisch Museum vanwege renovatie gesloten, maar ik kan wel het Margiani Huis bezichtigen, inclusief de beklimming van een van de voormalige wachttorens. Die verdedigingstorens zijn kenmerkend voor deze streek. Vele oorlogen hebben hier in Opper Svaneti gewoed en om zich te verdedigen tegen indringers trokken de mensen zich via een onderaards gangenstelsel terug in zo’n zes verdiepingen hoge toren. En -geeft Nadia als tweede tip- acht kilometer hoger in de bergen is een skilift. Het is de moeite waard van daaruit de bergen en de gletsjer te bekijken.

Dus stap ik ’s morgens op mijn fietsje en zwoeg de bergen in op weg naar die skilift. Nadia had me precies uitgelegd hoe er te komen: twee bruggetjes over en dan omhoog. Gelukkig is er maar één weg, dus dat kan niet missen, maar als ik na zes kilometer omhoog bij een tweesprong kom, weet ik niet welke kant ik op moet. Vanaf dat ik aan de klim begon, heb ik geen mens meer gezien en hier op dit punt ontbreekt ieder bordje. Besluiteloos puf ik even uit, maar keer uiteindelijk om en ga de berg weer af. Dan maar eerst naar het Margiani Huis en misschien -als ik de moed heb- vanmiddag nog een keer naar die skilift.

Beneden in het dorp laat ik het briefje met het adres van het museumhuis aan een voorbijganger zien. Als die wat bedenkelijk naar dat briefje staart, stopt er een dikke Mercedes naast mijn fiets. De bestuurder vraagt in keurig Engels of hij me kan helpen en waar ik vandaan kom. Als ik hem zeg uit Hollandia te komen, antwoordt hij me tot mijn stomme verbazing in prima Nederlands. Hij blijkt twaalf jaar in Nederland te hebben gewoond en gewerkt en is nu sinds anderhalf jaar weer terug in zijn geboortedorp.
Ik vertel hem van mijn poging de skilift te vinden, maar dat ik niet verder gekomen ben dan de tweesprong. ‘En daar had je linksaf gemoeten’, zegt de man, die zich voorstelt als Vitali, ‘en dan nog zo’n anderhalve kilometer verder, dan was je bij de skilift gekomen. Maar die zijn wel gesloten hoor. Die gaan pas 1 mei open. Hebben ze je dat niet verteld bij het toeristenbureau? Maar je kunt er wel mooie foto’s maken.’ Hij kijkt even nadenkend voor zich uit. ‘Weet je wat?’, vervolgt hij, ‘je gaat nu eerst naar het Margiani Huis, dat bekijk je op je gemak en dan spreken we hier weer af en breng ik je naar de skilift. Daar moet ik toch naartoe, want naast die lift heb ik een hotel.’ Hij opent uitnodigend zijn kofferbak en wijst op mijn fiets. ‘Leg die maar achterin, dan breng ik je even. Hoef je niet te fietsen.’

Als ik uitstap bij het Margiani Huis en om me heen kijk, ben ik blij de tip van Nadia te hebben opgevolgd. Mestia blijkt twee gezichten te hebben: het gemoderniseerde, op toeristen berekende centrum en deze wijk. Heel authentiek, heel erg Svanetisch. Ik krijg een persoonlijke rondleiding in een van de historische huizen van de familie Margiani, loop rond op hun eigen kerkhofje en fiets terug naar m’n bussie.

Dus die Vitali heeft een hotel naast de skilift? Eerlijk gezegd voel ik daar wel voor. Heb ook wel behoefte aan een uitgebreide douche. En als er nu ook nog internet is… Mijn besluit is snel genomen: ik ruim mijn spulletjes op en rijd naar de afgesproken plaats waar ik Vitali weer zou treffen.
‘Ik rijd met m’n bus achter jou aan naar boven’, maak ik hem duidelijk als hij verbaasd vraagt waar mijn fiets is.
‘Maar dan kun je net zo goed bij mij blijven slapen’, is zijn antwoord.
‘Jawel, maar wat kost dat?’
‘Kost dat, kost dat? Niks natuurlijk. Je parkeert bij mij voor de deur en je slaapt toch in je bus?’
Ik maak hem duidelijk, dat ik een kamer wil, met toilet, met douche, met internet en ontbijt. Geen enkel probleem. Is er allemaal en kan allemaal. En de kosten? Vijftig lari.
En wat is het dan ineens weer Georgisch gastvrij. Als we bij het hotel aankomen, maak ik kennis met Nato, de vrouw van Vitali, die meteen het fornuis in de gelagkamer flink opstookt en deeg begint te kneden, want we gaan -uiteraard- eerst samen een hapje eten. En terwijl we wachten op het brood dat vers gebakken wordt, drinken we -alweer uiteraard- eerst een paar wodka’s.

Ik heb alle tijd op mijn gemak om me heen te kijken. Een familiehotel, schat ik in, met een hoog ruwhout-schrootjesgehalte. Waarschijnlijk (later wordt dat bevestigd) ben ik de eerste gast van het seizoen. Zo ziet het er ook uit: de stoelen staan nog omgekeerd op tafel, er liggen stapeltjes handdoeken en beddengoed en aan alles is te zien dat Vitali en Nato nog druk doende zijn hun hotel seizoenklaar te maken. Douchen kan ik vanaf een uur of negen vanavond, want het water moet nog worden opgewarmd en na de maaltijd -als Vitali en ik nog maar een borreltje nemen- gaat Nato schielijk mijn kamer in orde maken.

Die kamer is sober, maar doelmatig ingericht en ligt naast die van Nato, Vitali en hun zevenjarig zoontje. Gezellig wel, want slechts gescheiden door een grenen schrotenwandje. En duidelijk niet geïsoleerd, want mijn televisie kan uitblijven; ik heb genoeg aan het geluid van de buren. En het toilet, legt Vitali uit, is deze winter bevroren geweest, dus dat moet worden doorgespoeld met die emmer daar in de hoek. En dat internet. Tsja. Vitali heeft een usb-modem, maar die is ‘gerepareerd’ met een plakbandje, doet het maar af en toe en geeft uiteindelijk de geest.

Aan alles is te merken, dat ze het niet echt breed hebben. ‘Weet je’, legt Vitali uit, ‘sinds de vorige verkiezingen blijven de toeristen weg. De afgelopen winter hebben we nauwelijks gasten gehad, terwijl we vorig jaar nog vol zaten. We hopen dat het zomerseizoen beter wordt, want geen gasten, geen inkomen. We moeten op de kleintjes letten. Neem nou bijvoorbeeld dat warme water, ja je kunt over een paar uurtjes douchen, wees niet ongerust, maar dat warme water kost ons twintig lari per dag. Dat zetten we dus alleen maar aan als er gasten zijn en voor onszelf een keer in de vier, vijf dagen.’
En ondanks dat alles zitten we om acht uur weer samen rond de tafel in de niet echt warme gelagkamer voor een heerlijke, warme maaltijd. Net als bij de lunch komt alles weer vers uit de kacheloven en het is reuze gezellig met zijn drietjes. Heerlijk, dat Vitali onze taal dusdanig beheerst, dat we een echt gesprek kunnen voeren. Hij steekt de loftrompet op Wim Kok, noemt Balkenende smalend Harry Potter en vraagt belangstellend hoe het nu gaat onder Rutte II. Over inburgeren gesproken. Nato kan gelukkig ook meedoen aan het gesprek: zij begrijpt Nederlands, maar spreekt het nauwelijks. Haar Engels daarentegen is prima te volgen.

Het is al laat als ik naar mijn kamer ga en -nog moe van mijn ‘bergrit’ van die ochtend- mijn bed induik. Morgenochtend maar douchen. ‘Vier minuten wachten hoor, nadat je de kraan hebt aangezet’, heeft Vitali me gewaarschuwd, ‘want voordat het warme water helemaal boven is…’

Streepje voor?

Ik zie heel wat armoe onderweg. Ingestorte huizen, verwaarloosde gebouwen, woninkjes waar bij ons het bordje ‘onbewoonbaar verklaarde woning’ zou worden opgespijkerd, armoedige winkeltjes met een zeer beperkt assortiment en slechte tot niet onderhouden wegen.
Maar de politiebureaus zijn stuk voor stuk modern en perfect onderhouden. Ze steken vaak schril af tegen de naastgelegen bouwvallige panden. Heeft de politie hier een streepje voor?
‘Ja’, wordt mij door een Georgiër uitgelegd, ‘het hele politieapparaat is hier grondig gemoderniseerd. Niet alleen zijn alle gebouwen vernieuwd, maar de nieuwe regering heeft ook besloten het hele corrupte politiekorps in Georgië massaal op staande voet te ontslaan. Daarvoor in de plaats zijn er allemaal nieuwe, jonge agenten aangesteld, die allemaal een opleiding van een half jaar in West Europa hebben gekregen. Ja, dat heeft de regering goed gedaan. Ok, we zaten een half jaar helemaal zonder politie, maar nu is het prima in orde!’

Bij de pomp #2

Aha! Dus u bent die Hollander met het groene busje! Gisteren heb je overnacht bij mijn collega in Dzhvari, hè? Ja, dat weet ik omdat de manager daar een goede vriend van me is en hij heeft me opgebeld en over je verteld. Wat leuk, dat je nu ook bij mij komt overnachten. En je hebt ook stroom nodig toch? Komt voor elkaar. Je moet dezelfde weg terug, want de pas is dicht, dus doe op de terugweg mijn collega daar de groeten. Mijn naam is Rafael. Maar ik ga eerst mijn collega even bellen om te zeggen dat je nu bij mij staat. Leuk!

Lekker overdekt #1

Ik ben alleen maar gestopt om aan een man die een hekje staat te schilderen te vragen waar hier het dichtstbijzijnde restaurant of hotel is omdat ik mijn website wil bijwerken en mijn mail bekijken.
Zegt de man (tenminste dat vermoed ik, want mijn Georgisch is nog steeds beneden de maat): ‘Hotel? Dat is hier niet, maar je kunt wel bij mij aan de overkant slapen. En internet heb ik ook voor je.’

Hij steekt de weg over naar een riant huis, opent het hek en wijst me, dat ik m’n bussie in de garage kan zetten. Pas als ik heb ingeparkeerd, wordt het hem duidelijk, dat ik niet in zijn huis, maar in mijn eigen huis op wielen wil slapen. Ik laat het maar zo. Ik sta in ieder geval lekker koel en uitzicht door mijn voorruit heb ik nog, want een garagedeur ontbreekt. Ach, het heeft wel wat. Ik heb op vreemde plaatsen overnacht, maar in een garage…

Ferry complicated

Je kunt thuis achter je computer (ik blijf vinden dat het voor je computer is, maar dit terzijde), thuis achter je computer dus en met de reisboeken ernaast natuurlijk alles mooi uitstippelen, maar in de praktijk van het reizen moet ik soms aanpassingen maken. Plannen gewijzigd, noem ik dat. Geen enkel probleem overigens, want is dat nu juist niet het vrije, blije reizen dat het rondtoeren met een camper zo aantrekkelijk maakt?

Tussen Georgië en Oekraïne ligt een stukje Wit Rusland. Om dat hele visumgedoe met Rusland te vermijden, had ik thuis op internet gezocht en gevonden, dat er vanuit Poti in Georgië een veerdienst is naar Kerch in Oekraïne. In de buurt van Poti aangekomen, kijk ik voor de meest actuele informatie over die veerdienst op de internetpagina van die maatschappij. Dat valt tegen: de dienst is vanaf 3 maart tijdelijk uit de vaart.
Toch maar naar Poti gereden (er zal toch wel een alternatief zijn?). Het is zondag en het boekingskantoor is gesloten. Door een kiertje van het raam wordt me duidelijk gemaakt, dat er wel degelijk een veerdienst naar Oekraïne is. Niet naar Kerch, maar naar Il’Ichevsk in de buurt van Odessa. Morgenochtend vanaf acht uur kan ik een ticket kopen.
Maar als ik me de volgende morgen bij het kantoor meld, wordt me te verstaan gegeven, dat er nog niemand van de maatschappij aanwezig is (ik had de dag ervoor toch duidelijk acht vingers vanachter de vitrage gezien) en dat ik om elf uur kan terug komen. Drie uur later meld ik me weer. ‘Nee, mijnheer’, legt de man mij uit, in de zeven woorden Engels die hij beheerst, ‘er vaart helemaal geen ferry vanuit Poti naar Oekraïne. Dat heeft u dan echt verkeerd begrepen. Batumi, daar moet u zijn. Wacht, ik schrijf het adres even voor u op. En de afvaart is op donderdag 2 mei.’

Het kost nogal wat moeite zonder Claire het kantoor van Instra te vinden in de Kutaisistraat 34, maar na talloze keren vragen zijn twee mannen bij een tankstation zo vriendelijk voor me uit te rijden en me tot voor de deur te brengen.
Er wordt niet eens gereageerd als ik me met een ‘Good afternoon, does anybody here speaks English?’ bij de balie meld. Een man aan een bureau achterin kijkt me over zijn bril aan, staat dan schichtig op en verdwijnt naar achteren, een vrouw links doet haar uiterste best me te negeren en bestudeert uitgebreid de sigaret die ze net heeft opgestoken en de vrouw rechts rommelt over-ijverig in haar papieren. ‘Excuse me!’, roep ik (gekke gewoonte is dat toch om harder te gaan praten als men de taal niet spreekt; alsof dat iets uitmaakt). ‘Excuse me! Ferry? Boat? Ship? Oekraine?’. De vrouw rechts kijkt me aan, pakt haar telefoon en geeft die even later aan mij. Ik krijg een Engelssprekende medewerker aan de lijn. Hij legt me uit, dat de afvaart op woensdag 1 mei is (nee, niet op donderdag, wie heeft u dat verteld?), dat de overtocht zestig uur duurt en dat ik voor mezelf $ 150 en voor m’n bussie $ 550 moet neerleggen, maar dat is dan wel ‘inclusive cabin with toilet and shower and three meals a day.’ Als ik een ticket wil kopen, kan dat vandaag niet, maar morgen is hij vanaf tien uur op het kantoor…
Als ik vraag hoe laat de afvaart woensdag precies is, weet hij dat nog niet, daar kan ik hem woensdagmorgen over bellen, wacht, ik geef u mijn nummer…
Ik geef de telefoon terug aan de medewerkster, die hem met een vies gezicht aanpakt, hem even op en neer beweegt alsof ze mijn leprabacillen er wil afschudden en hem dan neerlegt. Ik krijg het nog uit mijn strot om ‘thank you, goodbye’ te zeggen. Niemand reageert.

Met weer veel vragen vind ik de weg naar de terminal vanwaar de boot naar Oekraïne over twee dagen zal vertrekken. Tenminste, ik hoop dat dit de juiste terminal is, want Batumi (het Rotterdam van Georgië) heeft er vele. Ik regel een overnachtingsplekje op de parkeerplaats bij de douane, naast het hokje van Galina, een te dikke, schommelende, slonzige, maar aardige vrouw die de hele dag in dat bloedhete hokje van d’r zit te niksen. Wat de functie is van dat hokje, wat Galina daar doet, het is me niet duidelijk. Ik wil het ook niet weten. Zekerheid wil ik. Zekerheid over de datum van de afvaart. Zekerheid over mijn afspraak op het kantoor morgen. Zekerheid of ik op de goede plek sta. Zekerheid dat ik dit land uitkom.

 

’s Avonds kijk ik op mijn laptop naar een alternatief over land. Dat zou dan weer door Turkije zijn, maar nu helemaal langs de kust van de Zwarte Zee, dan door Bulgarije, Roemenië en Moldavië. Alles bij elkaar drieduizend kilometer. Ik vind het niet eens een onaantrekkelijk alternatief.

De volgende morgen sta ik om tien uur aan de balie van het boekingskantoor. Waarom verbaast het me niet als ik dezelfde drie medewerkers van gisteren zie en nergens een nieuw gezicht dat Engels spreekt? De vrouw-van-gisteren ziet me binnen komen en pakt met een verveeld gezicht haar telefoon, die ze me even later in mijn handen drukt. ‘No, good friend, dat heeft u helemaal verkeerd begrepen. De afspraak met u is morgen, woensdag om tien uur. Ik ben nu aan boord van een schip, maar over een uurtje ben ik in the office en kan ik u helpen.’

Ik gebruik dat uurtje om wat door Batumi te slenteren en moet mijn eerste ervaring met deze stad, nu drie weken geleden, danig bijstellen. De Amerikaanse leraar had gelijk: Batumi is inderdaad een mooie stad. En er wordt gewerkt. Keihard gewerkt. In bijna iedere straat worden ofwel nieuwe gebouwen neergezet (voornamelijk hotels) of oude panden prachtig gerenoveerd. Maar net als in andere grote steden zie ik ook oud naast nieuw. Het zal nog wel even duren voor Batumi de westerse aanblik heeft, die Georgië zo graag wil uitstralen en die een einde moet maken aan wat er onder het Sovjetbewind is verwoest en verwaarloosd. Maar ja, Keulen en Aken zijn ook niet in een dag gebouwd.

Om half twaalf meld ik me weer bij de balie. Tegen beter weten in (want ik zie nog steeds dezelfde drie gezichten) haal ik vragend mijn wenkbrauwen op. De vrouw steekt een vinger in de lucht: One hour! Ik slenter nog wat door de stad en steek om één uur mijn hoofd om de hoek van de deur. ‘Five minutes!’ gebaart de vrouw. Ik ga uitgebreid lunchen en meld me om twee uur weer in de Kutaisistraat. ‘Five minutes!’ gebaart de vrouw weer. ‘Maar dat zei je een uur geleden ook’, probeer ik, me inhoudend. ‘Five minutes! is het enige dat ik te horen krijg. Ik begin me langzamerhand te ergeren aan deze houding. Tijdens de lunch heb ik nog eens nagedacht over mijn idee om over land naar Oekraïne te reizen en de behandeling in dit kantoor, plus de zevenhonderd dollar die de oversteek me gaat kosten, versterkt die gedachte alleen maar.
Tegenover het kantoor plof ik bij een restaurantje neer voor een kop koffie en raak aan de praat met drie vrachtwagenchauffeurs uit Azerbeidzjan, die hier al uren zitten te wachten op hun documents om met de ferry mee te kunnen. Als ik mijn ervaringen vertel, halen ze berustend hun schouders op. Tsja, Georgië…
Overigens nuchtere lui, die chauffeurs, want als ik vertel dat ik de prijs voor de overtocht behoorlijk hoog vind en overweeg over land te reizen, rekent een van hen me voor: ‘drieduizend kilometer en je bus rijdt 1 op 10, dat is dus al zeshonderd dollar brandstof. Dan moet je onderweg nog eten en slapen, dat is ook niet voor niks. Ik reken dat je met omrijden zo’n achthonderd dollar kwijt bent en je zit dagen achter het stuur om kilometers te maken, terwijl je aan boord een hut hebt en relaxed de overtocht maakt voor, wat zei je nou?, zevenhonderd dollar?, juist, voor honderd dollar minder dus…’ Soms heb ik een nuchter iemand nodig om me van drieste plannen te weerhouden en na met de mannen nog wat gedronken te hebben, stap ik naar de overkant.

‘Five minutes! Nu begin ik me echt kwaad te maken, leg uit dat het inmiddels drie uur is en dat ik het zat ben. De vrouw-van-vijf-minuten begint tegen me uit te varen met een woordenstroom die niet te stuiten is. Als ik boos het kantoor uitloop om niet verzeild te raken in een ordinaire scheldpartij over en weer, komt er een vrouw binnen die Engels spreekt. Ze laat zich uitleggen wat er speelt en vraagt me even geduld te hebben. Ze wisselt een paar woorden met de vrouw achter de balie, die haar telefoon pakt en boos in de hoorn toetert. ‘Patience, patience’, kalmeert de hulpvaardige vrouw me, ‘he is on his way and will be here in five minutes.’ Of ik misschien even in het kantoor wil zitten, of ik misschien een kopje koffie of thee wil, zegt de eerst zo onaardige medewerkster nu vriendelijk. ‘Five minutes! Het zal waar zijn! Maar inderdaad: vijf minuten later staat een Engelssprekende man voor mijn neus.

Of ik het geld voor de overtocht met een creditcard kan betalen, vraag ik voor de zekerheid. Dat kan dus niet (…) en ik moet even langs een ATM om zevenhonderd bucks te cashen. Daarna gaat alles vlotjes, afgezien dat mijn document, dat ik zorgvuldig controleer, drie keer over moet omdat de gegevens niet kloppen. De inmiddels inschikkelijk geworden schreeuwvrouw nodigt me uit samen een glas wijn te drinken en er een chocolaatje bij te eten. ‘Ze heeft van nature zo’n nare, harde stem’, vertrouwt de Engelssprekende man me toe, ‘en vervelende ervaringen met mannen in het verleden.’
Eerlijk gezegd, zal het me worst zijn. Ik bedank beiden (altijd beleefd blijven, heeft mijn moeder me geleerd), verlaat opgelucht het kantoor en neem een taxi terug naar m’n bussie. Opgelucht? Helemaal zeker ben ik nog niet. Dat zal ik pas zijn als ik morgen met m’n bussie in het ruim van die veerboot sta en mijn hut kan betrekken.

Eigenlijk wel jammer, deze minder prettige ervaring op mijn laatste dag in Georgië. Het gekke is, dat me zoiets in Turkije ook overkwam. Maar er zijn meer overeenkomsten met Turkije. De slechte wegen en het gebrek aan bewegwijzering bijvoorbeeld. Maar ook het prachtige landschap met als hoogtepunt hier in Georgië de Kaukasus. En het is inmiddels volop lente geworden: ik heb door uitbundig groen gereden, volop bloesem gezien, akkers lichtgroen zien worden en kwaakconcerten van talloze kikkers aangehoord. Genieten!
En de mensen? Ik weet het niet, ben er niet helemaal uit. Mijn voorzichtige conclusie is, dat de Turken over het algemeen behulpzamer, hoffelijker, vriendelijker en absoluut niet op geld uit zijn. ‘Omdat het daar moslims zijn’, zegt de Azerbeidjaanse vrachtwagenchauffeur dan, ‘en hier christenen.’ Heeft hij gelijk? Moet ik hem te geloven? Want -en mijn verhalen getuigen daarvan- ook hier in Georgië heb ik voorbeelden te over van de hartelijke omgang met de bevolking. Maar ze proberen me wel meer het geld uit mijn zak te kloppen de afgelopen weken. Voorbeeldje? Hier op de parkeerplaats van de terminal staat op een bordje aangegeven, dat het tarief twee GEL per vierentwintig uur is (da’s lachen), maar de geelgehesde parkeerwachter rekent voor mijn twee dagen vijftien GEL. Ik maak me er niet druk om, ga niet in discussie en denk alleen maar: hij ziet me als een rijke kapitalist uit het westen en ik lach om vijftien GEL parkeergeld voor achtenveertig uur. Ik tevreden, hij een meevallertje. Maar waarom dat verschil met Turkije, waar ik geen moment het gevoel heb gehad ‘genaaid’ te worden? Zijn ze hier armer dan de Turken? Is dat het? Hebben ze het harder nodig?
En dan is er natuurlijk Claire-mijn-Garminnetje. Wat heb ik haar gemist in Georgië! Vanaf de eerste meter na de grens met Turkije en de daarop volgende bijna tweeduizend kilometer heb ik niets aan haar gehad. Kaartlezen, vragen, vragen en nog eens vragen. En bijna iedereen ‘helpt’ me in het Russisch, dus dat schiet lekker op. ‘Da, da, spasiba’, zeg ik dan maar monter om vervolgens weer verkeerd te rijden. Maar spasiba, dankjewel, zeg ik beslist tegen al die mooie momenten in dit land en de aardige mensen die ik er heb ontmoet. Op naar Oekraïne! Die ferry vaart toch morgen wel? Ik heb het toch allemaal wel goed begrepen?

Vrachtvervoer

Waarom weet ik niet, maar ik had me een bepaalde voorstelling gemaakt van die drie dagen durende overtocht van Batumi naar Odessa, hemelsbreed een dikke duizend kilometer. Een beetje loveboat-achtig, zeg maar. Ik keek er al naar uit me tijdens die vaart een beetje in luxe te wentelen. Had er zelfs mijn tasje met kleding op aangepast, mijn schoenen extra gepoetst en mijn nagels verzorgd. Je wilt niet als een zwerver voor de dag komen toch?

Op de terminal word ik na de douane door een aantal gele hessen naar ‘mijn’ veerboot gedirigeerd. Als ik de bocht om ga, sta ik voor de open muil van een grote boot. ‘Dit moet een vergissing zijn’, denk ik naïef. Ik pak mijn reservation paper en laat dat aan een gele hes zien. ‘Oekraine?’, vraag ik, wijzend op de boot voor me. ‘Da, da!‘, is het ongeduldige antwoord en er wordt me gewezen waar ik moet aansluiten bij het rijtje vrachtwagens dat al aan boord staat.
Mijn loveboat blijkt een Bulgaars vrachtschip te zijn, dat ook passagiers meeneemt. Een boot van tweehonderdveertig meter lengte, die zo op het eerste gezicht zijn beste jaren al geruime tijd achter zich heeft liggen.
Ik pak mijn spullen bij elkaar, klauter zes steile, smalle trappen omhoog en loop zoekend rond waar ik mijn passenger ticket moet kopen. Op goed geluk loop ik een gang in waar ik stemmen hoor. In een soort kantoortje neemt een zwetende man met een te grote, fladderende zwarte broek mijn honderdvijftig dollar in ontvangst, waarna de purser, een blozend jong ventje in een vaalwit t-shirt, me voorgaat naar mijn cabin.

Als ik mijn spulletjes op het bed heb gelegd, kijk ik rond en neem even de tijd om mijn loveboat-idee definitief in de prullenbak te gooien. Mijn hut is ruim, want vierpersoons, met twee bedden in de ene hoek en een stapelbed in de andere. Alles is afgewerkt in donker hout, voor de patrijspoorten hangt een jaren-zestig-motief lapje stof en op de vloer ligt zeilparket met vocht- en schroeiplekken. Het is gedateerd, maar op het eerste gezicht wel redelijk schoon. Ik stap de blauw geschilderde badkamer in, stel vast, dat ze aan boord geen wc-reiniger en anti-kalkmiddel gebruiken en besluit mijn toiletspulletjes zeker niet in dat vlekkerige spiegelkastje boven de wastafel te zetten.
Slechts boven een van de vier bedden hangt een leeslampje en gelukkig ligt daar ook de matras met de minste vlekken. Leuk detail: de ‘lakens’ zijn van dezelfde stof als het gordijntje voor de patrijspoort. Als ik mijn bed opmaak (kan ik nog zelf doen ook voor m’n dure geld, denk ik ondertussen) blijken die lakens een halve meter te kort. Geen nood: ik pak van de andere bedden extra lakens. En extra kussens.

Als ik ben ‘ingericht’, ga ik even op een krukje zitten en kijk om me heen. Niks te klagen eigenlijk: ik heb de ruimte (veel meer dan in m’n bussie), ik heb een goed bed met een goede matras, ik heb een doortrektoilet, een ruime, hete douche en als ik door de openstaande patrijspoort naar buiten kijk vanuit mijn buitenhut (jawel) zie ik een spiegelgladde, zonovergoten Zwarte Zee. Ik zit weliswaar niet op de luxe ferry die ik me had voorgesteld, maar -nu de knop om is- kan ik het hier prima uithouden de komende drie dagen. En -nog een voordeel- ik heb vier handdoeken en vier zeepjes (en wat ruiken die lekker!). Benieuwd of er nog meer passagiers zijn.

Elf zijn het er. Elf medepassagiers. En allemaal vrachtwagenchauffeurs, een enkele met duidelijk zichtbaar overgewicht, de anderen tanig en pezig. Ik ontmoet ze allemaal in de passengers messroom, waar het avondeten wordt geserveerd. Geen uitgebreid buffet dus, zoals ik me dat gisteren had voorgesteld met dat loveboat-idee van me en waar ik in mijn gedachten met een bord langs zou lopen, twijfelend welke keuze ik zou maken uit de vele heerlijke gerechten. Er wordt me een plaats aangewezen waar mijn bord al klaar staat: patat, frankfurters, sla en een appel toe. En het smaakt.
Ik krijg weinig contact met mijn twee directe tafelgenoten. Het zijn Bulgaren. Als ik zeg ‘weinig’ contact moet dat eigenlijk ‘geen’ contact zijn. Ze groeten mij noch de anderen, gaan aan tafel zitten en werken hun bord leeg, eten kan ik het niet noemen. Een van de twee heeft kort, grijs, weerbarstig haar, borstelige wenkbrauwen en is gekleed in een korte zwabberbroek en een grijs shirt zonder mouwen. Naast me zit een magere man diep over zijn bord gebogen zijn eten naar binnen te werken. Ze spreken geen woord, ook niet met elkaar. Als ze klaar zijn, brengen ze hun bord naar de pantry en vertrekken. Zwijgend. Uit hun gezamenlijke sleutel maak ik op, dat ze een hut delen. Gezellig!
Niet dat de overige chauffeurs van die praters zijn, maar aan de andere tafels wordt nog wel eens wat gezegd of een beetje gelachen. Het zijn Litouwers, Armeniërs en Moldaviërs en de voertaal onderling is Russisch. Een van hen spreekt anderhalf woordje Engels en Duits, maar tot een gesprek met mij komt het niet. Ik versta ze domweg niet, ook al omdat ze met hun grote knuisten een homp brood doormidden scheuren, daar een flinke hap van nemen, er wat sla bij proppen en dan, kauwend en met volle mond, het woord tot mij richten. Jammer, maar ik zit er niet mee en geniet op mijn manier van dit eerlijke, ongecompliceerde ‘eten-niet-lullen-gezelschap’.

De volgende morgen wordt er om acht uur op mijn deur geklopt: ‘Breakfast‘. Zal tijd worden: normaal gesproken ben ik rond deze tijd al een uurtje met m’n bussie onderweg. Met een opgewekt good morning stap ik de messroom binnen. Het gezelschap chauffeurs is zo mogelijk nog zwijgzamer dan de avond ervoor. Ze groeten me mompelend terug en gaan door met eten. Er wordt onderling geen woord gewisseld. Ze komen. Ze zitten. Ze malen. Ze vertrekken.

Er loopt een grijs insect over mijn tafel. De man schuin tegenover me -een bonk van een kerel die de hele dag aan een elektrische sigaret loopt te lurken- ziet me naar dat beestje kijken. Hij tilt zijn arm op en slaat met zijn enorme vuist dat insect dood. Daarna wrijft hij het zorgvuldig met zijn duim in het tafelkleed, pakt zijn boterham met jam weer op en neemt een hap. Als ik (je moet wat om contact te maken) mijn duim naar hem opsteek, trekt hij zijn wenkbrauwen en schouders op en gaat door met eten.

Na het ontbijt ga ik naar m’n bussie en haal daar de waterkoker, koffie en melk. Ik verruil mijn mooi gepoetste schoenen voor mijn plastic slippers en graai een korte broek uit de kast. Zo lopen ze er allemaal bij, dus ik pas me (graag) aan. En ik zeul mijn kampeerstoel die zes trappen op. Zul je eens zien wie er straks in z’n blote bast lekker in het zonnetje een boekje zit te lezen. En ik steek er een pijp bij op, want -ondanks de vele stickers no smoking– is er geen mens, ook de bemanning niet, die zich daar iets van aantrekt.

Trouwens dat gaf nog even problemen met die kampeerstoel in het zonnetje. Zit ik een poosje en loop ik even weg om naar de wc te gaan, kom ik terug, is mijn stoel verdwenen. Loop ik dat schip rond en zie ik een dek hoger de Moldavische chauffeur in mijn stoel zitten. Aardige man wel, maar ik krijg het niet aan zijn verstand gepeuterd, dat hij in mijn stoel zit en dat ik hem terug wil. Uit zijn reactie maak ik op, dat hij vindt dat ik nu wel weer lang genoeg in die stoel heb gezeten en dat het nu zijn beurt is. En of ik nu pantomime, dat ik die stoel uit mijn bussie onderdeks heb gehaald en dat-ie mijn eigendom is, hij weigert op te staan. Eén stoel aan boord voor twaalf passagiers vindt hij al weinig, gebaart-ie, dus…
Mijn laptop moet er aan te pas komen om hem te overtuigen. Ik zoek een oude vakantiefoto op waar mijn bussie én de stoel opstaat. Als hij die foto ziet, springt hij op, grijpt met beide handen mijn hand en gebaart verontschuldigend naar de stoel. Blijf nog maar even lekker zitten, gebaar ik terug, als je maar weet dat hij van mij is! ‘Probleem’ opgelost…

Maar wie doet me wat? Ik ben aan boord en op weg naar Oekraïne. Anders dan ik me had voorgesteld, maar daarom niet minder leuk. Ik maak er mijn eigen cruiseship wel van. En ik heb het naar mijn zin. Misschien -omdat ik dit nog nooit eerder heb meegemaakt- wel meer dan op zo’n luxe ferry.

FOTO’S VAN DE OVERSTEEK OP DE ZWARTE ZEE

Zes vragen

Of we nu Engels, Duits of Frans met elkaar kunnen spreken of dat het met pantomime- of tekeningetjestaal gaat, altijd en overal krijg ik steeds dezelfde vragen gesteld in steeds dezelfde volgorde:

1. Hoe oud ben je?
2. Waarom reis je alleen?
3. Heb je kinderen?
4. Waar kom je vandaan?
5. Waarom bezoek je ons land?
6. Wat kost die bus?

Op de vraag naar mijn leeftijd (gek eigenlijk, dat ze die altijd als eerste stellen) heb ik er een gewoonte van gemaakt de mensen te laten raden. Doe ik al jaren, zo ook hier. En het streelt mijn ijdelheid, dat ze me bijna altijd tussen de vijftig en zestig schatten. Maar als ik hun vraag met een wedervraag beantwoord en in gedachten een schatting maak, zit ik er steevast zo’n tien tot vijftien jaar naast. Schat ik iemand bijvoorbeeld in op een dikke zestiger, blijkt hij nog maar net vijftig te zijn.

Conclusie 1
De mensen tonen hier beduidend ouder dan ze in werkelijkheid zijn. Komt dat door het harde, taaie leven dat ze leiden?

Conclusie 2
Geen wonder dat ze mij dan jonger inschatten. Weg ijdelheid…

Een gewaarschuwd mens…

Als ik aan boord naar het toilet ga, hangt er een bordje boven de pot.
Goed dat ik het weet…

mei 2012
stedentrip Kyiv

voorjaar 2013
Turkije

voorjaar 2013
Georgië

Chronologisch verder lezen? Ga naar Oekraïne

voorjaar 2013
Oekraïne

voorjaar 2013
Roemenië

november 2013
Chornobyl’

(more or less) Translate »