Vives

Van januari 2000 t/m april 2001 schreef Frits in het blad Vives een aantal columns over het wel en wee van computers in het basisonderwijs.

Hallo naamstring

januari 2000

Vroeger. Je kunt het je haast niet voorstellen: een school zonder computers. Het woord multimediaal moest nog worden uitgevonden en de enige ‘multimediale’ activiteit bestond uit ingeblikte schoolradio-uitzendingen (op middengolf kwaliteit). Onvoorstelbaar nu, dat je de leerlingen daarmee kon boeien. Dat een klas kinderen twintig (20!) minuten stil op hun stoeltje zat en dat je het als leerling niet eens waagde om tussentijds naar de wc te gaan, want dat ‘verstoorde de luisteraandacht’. Kom daar nu eens om: de lessen moeten snelheid hebben, de activiteiten moeten gevarieerd zijn en vooral kort worden aangeboden, met een hoog Veronicagehalte. Je was al een voorloper als je schoolradio-uitzendingen gebruikte waarbij dia’s werden geprojecteerd…

En toen kwamen de eerste computers. Is het vijftien jaar geleden, dat ik die machines de school in haalde? Ik weet nog wel, dat ik lang heb geaarzeld. Niet vanwege het nut van computers in school, daar was ik van overtuigd. Wel vanwege de grote graai die ik destijds moest nemen uit het schoolbudget: ƒ 499,- kostten die apparaten per stuk en ik had besloten er dan maar meteen vijf te nemen. Een uitgave die zwaar drukte op de jaarlijkse vergoeding, die toch al niet hoog was voor een basisschooltje met drie leerkrachten en zo’n zeventig leerlingen. Ze werden op vrijdagmiddag afgeleverd: vijf grote dozen uit Eindhoven met in iedere doos een P2000, voorzien van een insteekmodule van maar liefst 32kB, een handleiding, twee snoertjes, een monochrome monitor en -om direct te kunnen starten- vijf minicassettebandjes. Topmodelletjes waren het!

Op zaterdagmorgen pakte ik alles uit, zette de computers keurig op een rijtje achter in het lokaal, sloot één snoertje aan op het lichtnet, verbond met het andere snoertje de computer met de monitor en was als een aap zo trots dat alles bleek te werken! Ook de paar simpele programmaatjes die ik op de kop had getikt, bleken hun werk te doen. Schitterend was het: met één druk op de knop toverde je een kaart van Nederland op het groenwitte schermpje. Toegegeven, de grenzen van ons landje zagen er wat hakerig uit, want opgebouwd uit blokjes. Maar in die kaart stonden toch maar wel elf kleine zwarte blokjes te knipperen, min of meer op de plaats waar de provinciehoofdsteden moesten liggen. En dan het verloop van zo’n programma. Druk op ENTER stond er onder de kaart van Nederland. En deed je dat, dan werd je scherm in een flits zwart en kreeg je een opwekkende tekst te zien, die je vertelde, dat je met dit programma de hoofdsteden van de Nederlandse provincies kon leren. Maar voor je daaraan kon beginnen, moest de computer eerst je naam weten. Misschien was dat nog wel het grootste wonder. Zorgvuldig typte je je voornaam in (zonder hoofdletter, want dat wist je nog niet te vinden), drukte op de ENTER-toets en warempel het wonder van de techniek maakte het scherm nogmaals zwart en voor je verbaasde ogen zag je staan: ‘Hallo, Frits. Druk op 1 om het programma te starten. Druk op 2 om het programma te stoppen.’ Hoe was het mogelijk. Dat zo’n stom apparaat zomaar je naam kon weten! Wat zouden mijn leerlingen verbaasd zijn. Wat zouden ze genieten. En wat zou ik het stilhouden, dat ik met mijn zeer beperkte programmeerkennis van Basic dit technisch wondertje had vorm gegeven. Hoe was het ook al weer? Chr$12+Print ‘Wat is je naam?’+Print.+Input ‘Naamstring’+chr$12+Print ‘Hallo, Naamstring’. Het werd laat die zaterdagmorgen op school. Want natuurlijk geloofde ik het niet, dat de drie programmaatjes die ik rijk was op alle computers zouden werken voor ik dat vijf keer had uitgeprobeerd. En zelfs daarna kon ik maar moeilijk afscheid nemen van dat rijtje zwarte apparaten dat achter in mijn lokaal stond te pronken. Ik kon bijna niet wachten tot mijn leerlingen ’s maandags op school zouden komen en met eerbiedige bewondering mijn lokaal zouden betreden. Eindelijk. Ze waren aangekomen. Echte computers!

Het liep allemaal anders. Een collega die op zondagmiddag even de school binnen wipte om een boek op te halen, merkte dat het in het gebouw vreemd tochtte. Ze hoefde niet lang te zoeken, waar die luchtstroom vandaan kwam. De deur van mijn lokaal stond open en een van de ramen achterin was geforceerd. In de nacht van zaterdag op zondag hadden inbrekers zich toegang tot de school verschaft. De vijf nauwelijks aangeraakte, nog niet door de leerlingen gebruikte, spiksplinternieuwe ‘gat-in-mijn-budget’ computers waren verdwenen. Glasscherven op de grond, vijf lege tafeltjes, vijf lege stopcontacten die me aanstaarden. Gelukkig hadden de dieven in hun onkunde de doosjes met programmacassettes laten staan. Ik had mijn leerlingen die maandagmorgen beslist iets te vertellen, maar het werd een ander verhaal dan ik in gedachten had.

Goed gedaan, Saskia!

februari 2000

Zoals je tegenwoordig de (ongelijke) strijd hebt tussen IBM + klonen en Apple, was er in de begintijd van ‘computers-op-school’ concurrentie tussen de Commodore 64 en de P2000 (wie kent ze nog?). Koos je voor Commodore dan deugde er niets van de P2000 en de fervente aanhangers van de P2000 lieten niet na bij iedere gelegenheid af te geven op dat ‘prutscomputertje’ van Commodore. Niets nieuws onder de zon dus. De P2000-bezitters verenigden zich in de OWG, de Onderwijs Werk Groep, een bonte verzameling enthousiaste leerkrachten die overtuigd was van het nut van computers in de klas. De OWG werd zwaar gesubsidieerd door Philips, die er veel voor over had hun computers in het onderwijs te positioneren. Koren op de molen van de Commodore-fans, die ons te pas en te onpas te verstaan gaven, dat mijnheer Philips zich vooral moest beperken tot gloeilampen en scheerapparaten en zich niet moest gaan bemoeien met computers. Achteraf bezien hebben zij gelijk gekregen. Het computeravontuur van de gloeilampenbakker uit Eindhoven is een roemloze dood gestorven…

De OWG belegde regioavonden. De meest enthousiaste leerkracht in de regio werd gebombardeerd tot regiocoördinator en hij (excuus, dames) ruimde maandelijks op woensdagavond een lokaal in zijn school leeg, zette een enorme pot koffie en verwelkomde de collega’s. Faciliteiten waren er nauwelijks. Op zo’n regioavond zette je je eigen computer en monitor in de kofferbak van je auto, nam voor de zekerheid nog een verlengsnoer mee, pakte cassettes met programma’s in je tas en reed naar de bijeenkomst. Gezelligheid en herkenbaarheid waren de trefwoorden van die avonden. Je kletste bij met de collega’s, verbaasde je over nieuwe programmaatjes, kopieerde er lustig op los en was er vooral met elkaar van overtuigd, dat wij -dat groepje van een twaalftal enthousiastelingen- baanbrekend werk aan het verrichten waren. Dat we een voortrekkersrol hadden en dat het onze taak was de collega’s die nog niet zo ver waren over de elektronische streep te trekken.

De programmaatjes (over software werd nog niet gesproken) waren voornamelijk ‘practice-and-drill’ programma’s. En wat vonden we ze prachtig. En wat was de computer toch een machtig mooie uitvinding. Een leerkracht met eindeloos geduld, die nooit kwaad werd en de leerlingen altijd even vriendelijk te woord stond. Reken- en taalprogrammaatjes waren het voornamelijk. Toen al interactief, want mocht de leerling in het eerste keuzescherm al niet aangeven tot hoe groot de getallen mochten zijn en hoeveel sommen het kind wilde maken? Om in het tweede scherm de keuze te mogen maken van optellen, aftrekken, delen of vermenigvuldigen, onvermijdelijk gevolgd door een derde scherm, waarin het kind zijn of haar voornaam mocht intypen. En dan kon het feest beginnen. Op het verder lege groene 14″schermpje verscheen in grote cijfers een som. Van de leerling werd verwacht het juiste antwoord in te typen. Was dat antwoord juist, dan toverde die computer een vlaggetje op het scherm: drie groen-wit-groene rechthoekige balkjes. En alsof dat nog niet genoeg was, verscheen onder dat beloningsvlaggetje de tekst: ‘Goed gedaan, Saskia! Druk op de knop met het pijltje voor de volgende som.’ Was het antwoord fout, dan interesseerde het de computer niets hoe je aan die fout kwam, hoe je die fout kon verbeteren of hoe je een andere oplossingsstrategie kon gebruiken. Het schermpje werd zwart en de leerling kreeg een tekst te zien: ‘Dat was niet helemaal goed, Saskia. Probeer het nog eens…’. Hetzelfde sommetje werd nogmaals aangeboden. Niks ingewikkelde feedback, gewoon blijven proberen en herhalen tot het juiste antwoord op het scherm stond. Daar hadden we een scala van opbeurende tekstjes voor: ‘Dat antwoord bedoelde ik niet..’, ‘Denk nog eens goed na..’, ‘Kijk nog eens goed naar de som..’ en meer van dat positief bedoelde beeldschermgeneuzel. Maar, zeiden we op die avonden tegen elkaar, dit had de toekomst, dit moest breed verbreid worden, hier zou iedereen mee moeten werken.

En die gedachte droegen we ook daadwerkelijk uit. Dan belegden we met een drietal enthousiastelingen een avond voor de collega’s in onze eigen streek. Dan sleepten we onze apparatuur weer naar een bevriend schooltje en probeerden daar de bedachtzamere collega’s te overtuigen van het nut van de computer in de klas. Met aan de ene kant van het lokaal de Commodore 64 en in de tegenoverliggende hoek de P2000. Ach, ze luisterden beleefd (het waren immers je collega’s?), ze wilden ook na afloop van je inleidende demonstratie nog wel eens een vraag stellen, een enkeling ging zelfs zo ver om achter het toetsenbord plaats te nemen, maar om nu zelf in hun eigen school aan de slag te gaan met die elektronicadoosjes ging de meesten toch te ver. Eén van hen nam mij na afloop van zo’n Tupperware-avondje even terzijde. ‘Wat kost dat nou, zo’n apparaat?’ Nadat hij de prijs had gehoord, begon hij zijn tas in de pakken. Terwijl hij zijn jas aan trok, keek hij me meewarig aan: ‘Leuk en aardig allemaal, maar voor dat geld koop ik ook vijftien doosjes LOCO…’

Roepende in de woestijn

maart 2000

Ooit werd ik benoemd tot AC’er. Kent u die term nog? Bent u oud genoeg om te weten, dat AC stond voor Activiteiten Coördinator? Het was in de periode dat de P2000 stoommachinecomputers zo langzamerhand uit de scholen waren verdwenen, de MSX zijn korte bestaan in de klas had beëindigd en het Ministerie van Onderwijs het tijd vond voor een geweldige impuls van het computeronderwijs op de basisscholen. Een ijverige ambtenaar op het ministerie had zijn neus in stoffige boeken gestoken, was daar de naam van Jan Amos Komenský tegen gekomen, had gelezen dat deze Komenský veel voor het onderwijs in Polen, Tsjechië, Zweden, Hongarije èn Nederland had betekend en plakte de naam Comenius aan het grootschalige Nederlandse computer-onderwijsproject. Een project waarmee het ministerie in een klap de toenmalige achterstand van ons landje op computergebied wilde inhalen. Een project waarbij het ministerie aan de basisscholen computers verstrekte (over een inhaalmanoeuvre gesproken: één computer kregen we op iedere honderd leerlingen…). En een project waarmee men wilde bereiken, dat de computers niet in magazijnen en klaslokalen zouden verstoffen, maar integraal in het onderwijs zouden worden opgenomen.

Om dat te bereiken moest er op iedere school een AC’er worden aangesteld. In negentig procent van de gevallen verliep die aanstelling vrij simpel. Op elke basisschool liep namelijk wel iemand rond die meer dan oppervlakkige belangstelling had voor computers. Die veel van zijn vrije tijd stak in het bedenken van toepassingen en tot in de kleine uurtjes vaak aan programma’s zat te fröbelen. Niet zelden was deze persoon op zijn school een eenling, een roepende in de woestijn, dus wat lag er meer voor de hand, dat hij de AC’er werd? Veel van de AC’ers van het eerste uur werden niet aangesteld, maar gebombardeerd tot die functie.
De werkzaamheden van de AC’er waren in het begin weinig verheffend. Je mocht de dozen met hardware uitpakken die het ministerie naar je school stuurde. Uniformiteit was toen het sleutelwoord: alle scholen ontvingen dezelfde configuratie van dezelfde gloeilampenfabrikant uit het zuiden des lands. Na de P2000 ervoeren we de eerste echte PC als een revolutie. Stel je eens voor: een 286 processor, een kloksnelheid van 12,5 MHz en een harde schijf van maar liefst 40 Mb. Enthousiast gingen de AC’ers ermee aan de slag. Het bleef niet bij dozen uitpakken en knutselen in de marge. De AC’er diende geschoold te worden. De AC’er moest op school immers het voortouw kunnen nemen, zijn collega’s enthousiasmeren en de vraagbaak worden voor al die a-techneuten die toen nog voor de klas stonden.

Dus gingen we ‘op cursus’. Zaten we op woensdagmiddagen in een lokaal van de dichtstbijzijnde PABO, waar we les kregen van een licht nerveuze dame, die zelf maar net boven de stof stond en een beetje angstig het herengezelschap toesprak. Met van ongeduld jeukende vingers bekeken de aankomende AC’ers de opgestelde PC’s, maar daar was even nog geen sprake van: eerst moesten we de theoretische werking van de machines onder de knie krijgen. Het interesseerde ons niets, hoe die apparaten werkten. Thuis lieten we immers ook de wasmachine gewoon het werk doen en als er storing was, belden we een monteur… Na de nodige sheets te hebben doorgeworsteld op een verkeerd ingesteld, wazig en bibberend projectiescherm mochten we aan het eind van de eerste middag het toetsenbord en de muis bedienen. En hier bleek het grote onderlinge verschil tussen de cursisten. De een ging onmiddellijk op de harde schijf neuzen wat er allemaal op de PC stond. Je kon immers nooit weten, de lege diskettes zaten klaar in de tas en een gratis programmaatje was nooit weg. Zijn buurman daarentegen pakte onwennig de muis op, legde die op z’n kop in zijn hand en was bezig met zijn vinger het balletje aan de onderkant te draaien om de cursor over het scherm te bewegen. Het lukte nog ook en zeker twee jaar lang heeft hij op die manier zijn computer bestuurd!

Als je vier woensdagmiddagen aanwezig was geweest, werd je het bijbehorende certificaat uitgereikt. Door diezelfde nerveuze dame die ons op die afgelopen middagen maar net had kunnen bijbenen. Aan wie we veel te moeilijke vragen hadden gesteld. Die met een zucht van verlichting vier keer opgelucht had geconstateerd, dat ‘de tijd weer was omgevlogen en we naar huis konden.’ We waren een vervelend en af en toe betweterig, treiterig klasje geweest. De meest irritante leerling uit de klas werd bij de uitreiking van de certificaten nog even door de juf terechtgewezen. Door ziekte had hij één middag moeten verzuimen. Weliswaar kreeg hij zijn certificaat, maar de juf kon niet nalaten hem voor het front te roepen en hem erop te wijzen, dat hij een ‘bespreekgeval’ was geweest bij de staf vanwege een middag verzuim. Onze veertigjarige collega was op dat moment te overdonderd om te reageren. Hij is later nog goed terechtgekomen…

Voor altijd op slot

april 2000

Waar koop je als basisschool nog voor twee, drie tientjes software die didactisch verantwoord is en methode-onafhankelijk kan worden ingezet? Waar heb je als basisschool voor dat geld nog zo’n ruime keuze uit softwaretitels, dat er programma’s beschikbaar zijn voor groep 1 t/m 8 van je school? Het antwoord zal velen van u niet verbazen: kijk in de catalogus van de OWG-BIEB. Goede software, lage prijzen. Door leerkrachten gemaakt, voor leerkrachten gemaakt. Dat was en is het credo van de OWG. Vanaf de oprichting van de Onderwijs Werk Groep heeft een vaste kern van medewerkers dit idee uitgedragen. En met succes. De programma’s van de OWG draaien op vele Nederlandse en Vlaamse basisscholen al jaren mee. Kregen dan ook uit het veld en bij softwaretesten goede kritieken. Pioniers uit het schoolcomputertijdperk zaten avonden en nachten op zolderkamertjes achter hun PC om voor hun collega’s goede software te schrijven. Nadat die software door de OWG was getest op fouten en bruikbaarheid, werden de programma’s voor een luttel bedrag beschikbaar gesteld aan het onderwijs. Dankzij de inzet van veel vrijwilligers bleven de productiekosten laag en door ook nog eens de programma’s te versleutelen, ging men illegaal kopiëren tegen. Een nobel streven. Maar wat een ellende heb ik in de loop van de jaren niet meegemaakt met die versleuteling!

Toegegeven: ik heb er alle begrip voor, dat de OWG niet graag ziet, dat programma’s waar met hart en ziel aan gewerkt is in het illegale circuit terechtkomen. Maar waarom zit ik sinds jaar en dag te tobben met hun Everlock? Andere software koop je ook met een licentie, maar die kan tegen een stootje. Zo niet Everlock. Voor wie niet bekend is met de werking van dit fenomeen een korte uitleg. Je bestelt een goed programma bij de OWG, je krijgt de schijfjes keurig op je school afgeleverd en je begint de software enthousiast te installeren. Op dat moment word je geconfronteerd met hun beveiligingssysteem: laat je de sleutel op diskette staan of zet je die sleutel over op de harde schijf? Kies je voor het laten staan op diskette, dan moet je –iedere keer als een leerling met het programma wil werken- het originele schijfje-met-sleutel in de PC stoppen. Is die leerling klaar of wil je een ander programma van de OWG gaan doen, dan zul je eerst de diskette moeten omwisselen voor een andere schijf-met-sleutel. Nogal omslachtig, dus kiezen de meeste systeembeheerders ervoor de Everlockbeveiliging op de PC te installeren. Op je harde schijf komt dan een klein bestandje te staan, dat wordt ingelezen op het moment dat je het programma start. Waar dat bestandje op je schijf staat, is niet na te gaan. Prima systeem, zolang alles werkt zoals de OWG in de (summiere) handleiding beschrijft. Maar frustrerend als je een programma hebt geïnstalleerd en je bij de eerste de beste keer opstarten de melding op het scherm krijgt dat er geen sleutel aanwezig is! Ga dan vooral niet zelf proberen dat probleem te verhelpen, ga niet uren uitzoeken hoe zoiets kan, want je wordt er niet wijzer, alleen maar moedelozer van. Veel systeembeheerders zullen regelmatig hun harde schijf opruimen. Vergeet dan niet om van alle OWG-programma’s eerst alle sleutels terug te kopiëren naar de originele diskettes! Het is mij regelmatig overkomen, dat ik alle Everlockjes definitief naar de prullenbak had verwezen. Dag programma!

Gelukkig doen ze bij de OWG niet moeilijk. Een simpel telefoontje naar hun bureau is vaak voldoende om het probleem op te lossen: je stuurt de originele diskettes op, zij zetten er weer nieuwe sleutels op en je kunt alles weer werkend krijgen. Maar wel een gedoe. En dan heb ik het nog maar niet over de beveiligingen van hun programma’s die in een netwerk kunnen draaien. Eerlijk gezegd heb ik dat opgegeven. Niks netwerkversleuteling, gewoon installeren als stand alone machines. Misschien ligt het wel aan mij, misschien ben ik niet handig genoeg. Misschien lees ik de handleiding niet nauwkeurig. De eerlijkheid gebiedt me te vermelden, dat ik collega’s ken die nooit problemen met de versleuteling hebben. Aan de andere kant beschreef de OWG in hun maandelijkse Info talloze tips en trucs om problemen met Everlock te omzeilen of op te lossen…

Jammer toch, dat zo’n club als de OWG-BIEB zijn klanten zo laat tobben met die beveiliging. Jammer, dat bruikbare en betaalbare software zo’n vervelende appendix heeft. Wordt het niet eens tijd, dat de OWG zich gaat beraden op een ander beveiligingssysteem? En als ze daar toch mee bezig zijn, kunnen ze dan meteen de software zelf eens onder de loep nemen? Of is de OWG bezig een club te worden van oudere heren, die zich iets te lang koestert in het succes van hun paradepaardjes uit het verleden? Spelen met Woorden en Toporama, welke basisschool werkt er niet mee? Schitterende programma’s, doeltreffend en perfect toe te passen. Maar wel saai en niet meer van deze tijd. En niet te vergelijken met de opbouw en de lay out van de golf van edutainment die tegenwoordig in iedere winkel-om-de-hoek te koop is. Kijk maar eens waar onze leerlingen thuis mee werken en vergelijk dat eens met de programma’s die ze op school doen. Moeten doen, omdat ik het zeg. Ik maak me ongerust over de ontwikkeling van een club waar ik zelf al vanaf de oprichting lid van ben. Van wie ik jarenlang hun gedachte heb uitgedragen, hun software heb gebruikt. Biep, biep, OWG word wakker!

Appels en peren

mei 2000

Van mijnheer Comenius kregen de basisscholen ooit één computer verstrekt op iedere honderd leerlingen. De toenmalige minister van onderwijs gaf daarmee naar zijn idee de scholen een geweldige impuls om met een gigantische inhaalmanoeuvre het computer ondersteund onderwijs van de grond te krijgen. Eén computer op honderd leerlingen… Die moest dan maar centraal worden opgesteld, zodat alle kinderen er gebruik van konden maken (dacht de minister). Honderd leerlingen, één computer. Rekent u even mee? Basisschoolleerlingen zitten gemiddeld zo’n vijfentwintig uur per week op school. Als je wekelijks honderd leerlingen één keer op die ene Comeniuscomputer wil laten werken, kan elk kind een kwartiertje per week computeren. Daar moet je dan wel op maandagmorgen direct om kwart voor negen mee starten en onafgebroken doorgaan tot vrijdagmiddag half vier. Organisatorisch hoefde dat geen probleem te zijn (vond de minister). Kwestie van afspraken maken met de collega’s, het rooster aanpassen en een strak schema opstellen (redeneerde de minister). Wat deden de scholen nu toch moeilijk? Eén computer op honderd leerlingen. De naïeve gedachte dat je daarmee het onderwijs verbeterde, dat je daarmee uit de voeten kon.

Met het Comeniusproject wilde de minister ook bereiken, dat er op de scholen uniformiteit zou komen wat betreft de hardware en het besturingssysteem. Hij wilde af van de situatie dat iedereen maar zo’n beetje in zijn eigen tuintje stond te harken en daarbij zijn eigen gereedschappen gebruikte. Als alle scholen gebruik zouden gaan maken van dezelfde hardware en hetzelfde besturingssysteem hanteerden, had het computeronderwijs toekomst (dacht de minister). Aan het hardwarefront was in die tijd een felle strijd gaande tussen IBM en Apple-Macintosh. Hadden beide computergiganten zich tot dan toe voornamelijk op het bedrijfsleven gericht, nu zagen zij mogelijkheden in het onderwijs en de onuitputtelijke markt van thuiscomputers. Apple had als eerste in de gaten, dat -als je de grote massa achter de computer wilde krijgen- er een gebruiksvriendelijk besturingssysteem moest komen. In hun optiek was dat zeker niet het saaiblauwe monitorschermpje waar je allerlei Engelstalige DOS-commando’s moest intypen om de computer aan de praat te krijgen. De gemiddelde computergebruiker interesseerde het namelijk niets hoe de programma’s werkten, ze moesten het gewoon doen. Apple kwam met een ‘eigen’ besturingssysteem waarbij de gebruiker met een muis programma’s kon opstarten en met diezelfde muis door de programma’s kon navigeren. Revolutionair! Dat ze het kunstje hadden afgekeken bij Parc Xerox die al een dergelijke interface had ontwikkeld, hield Macintosh liever voor zich en is ook bij weinig hedendaagse computeraars bekend. Geïnspireerd door het succes van Macintosh bestudeerde ene Bill Gates de Apple interface, toog met een aantal jonge computerhonden in Sillicon Valley aan het werk en verraste de wereld met een compleet ‘nieuw’ besturingssysteem. Windows was geboren! Tot grote woede van Macintosh, die het bedrijf van Gates jatwerk verweet… Waren zij vergeten dat ze zelf behoorlijk hadden gespiekt bij Parc Xerox? De pot verwijt de ketel…

Waar de komst van Microsoft Windows toe heeft geleid, kan iedereen zelf vast stellen als je om je heen kijkt in computerland. Zijn er nog Dossers onder ons? Door een slimme bedrijfspolitiek werd Windows -aanvankelijk schoorvoetend, maar later volledig- omarmd door alle computergiganten. Microsoft had het pleit gewonnen met haar besturingssysteem en de Apple-gebruikers werden naar de achtergrond gedrongen. Dat Windows herhaaldelijk vast liep, dat Windows regelmatig onbegrijpelijke foutmeldingen op het scherm toverde, kortom dat het systeem kraakte in al zijn voegen, deerde de gemiddelde thuiscomputeraar klaarblijkelijk niet. Onvoorstelbaar, dat iedereen dat jaren voor lief nam. Onvoorstelbaar, dat een dergelijk systeem de thuismarkt heeft veroverd. Pas nu met de komst van Windows 2000 wordt met veel tam-tam de loftrompet gestoken op de stabiliteit van deze laatste versie! Nu al? Nu pas! Kwade tongen noemen het bedrijf van heer Gates inmiddels smalend Micro$oft. Kunnen zij de zon niet in het water zien schijnen?. En Apple? Nooit echt weg geweest, krabbelt het bedrijf langzaam uit het dal omhoog en begint weer succes te boeken met hun futuristisch ogende iMac.

En verdraaid: in een tijd dat Apple al prachtige kindvriendelijke computerprogramma’s op de markt had, koos onze Comenius-minister voor IBM en Windows. Liet er zelfs een zogenaamd startpakket bij samenstellen. Bij iedere Comeniuscomputer werd een bundel software geleverd waar de scholen direct mee aan de slag konden. Uiteraard met de laatste nieuwe Windowsversie (in het land der blinden, nietwaar?). Uiteraard met Word voor Windows zodat de leerkrachten direct konden tekstverwerken. Of in Paintbrush leuke tekeningen konden maken. Of -als dat te simpel was- met een echt tekenprogramma aan de slag konden. In de doos van het startpakket zat namelijk ook het programma CorelDraw 3.1. Stelt u zich de net beginnende computeraar voor, die zich door de installatie van de elf diskettes van CorelDraw had geworsteld, de bijbehorende demonstratie-videoband had bekeken (!), nieuwsgierig het programma opstartte en dan geconfronteerd werd met interactieve af- en aanspatiëring, het knippen van bitmaps, het tekenen van krommen, ellipsen en polygonen in de Bézier modus en het creëren van vectorpatronen. Prachtig toch, dat zoiets allemaal kon op een computer? En waar koos het merendeel van die meesters en juffen voor die hun eerste schreden zetten in computerland? Patience! Geweldig Bill!

IT-schoonzoon

juni 2000

Hoe lang werk ik nu al met computers in school? En hoe lang zit ik al te tobben? Dat zal elkaar niet veel ontlopen. In het begin viel het allemaal nog wel mee. Toen hadden we vier P2000 apparaatjes staan. Simpele dingetjes, geen toeters en bellen, eenduidig te bedienen en niet stuk te krijgen. We hebben er nog altijd een staan in de hal van de school in het nostalgische rijtje schoolmiddelen van vroeger. Tussen onze eerste diaprojector (zo’n oude, grijze Leitz, met een toeter van een lens, waar je de dia’s een voor een in een schuifje moest stoppen) en de vloeistofduplicator, ooit de voorloper van de stencilmachine en het latere kopieerapparaat. Heimwee naar de tijden van het diaschuiven of het vloeistofdupliceren heb ik niet, maar zo af en toe werp ik nog wel eens een weemoedige blik op die oude P2000. Niet dat ik terug zou willen naar dat computertijdperk met al zijn beperkingen, maar wel omdat ik het toen allemaal nog kon bevatten. Wanneer is de ommekeer gekomen? Dat moment valt nagenoeg gelijk met de komst van de ‘echte’ PC’s in het onderwijs. Omdat ik thuis al een poosje zat te computeren, omdat niemand van de collega’s zich geroepen voelde, werd ik AC’er. Dacht ik iets van computers te weten. In de praktijk blijkt dat steeds meer een flinterdun laagje kennis te zijn. Ik weet hoe een computer in elkaar zit, ik ken de componenten, ik ben thuis op de harde schijf, ik kan met pijn en moeite een mini-netwerkje beheren en voor de meest voorkomende problemen vind ik wel een oplossing. Door veel vragen, met veel vallen en opstaan, met veel handleidingen bestuderen, met veel eindeloos sleutelen en proberen, steeds weer opnieuw proberen. Maar de echte problemen krijg ik maar niet onder de knie. Sta ik weer machteloos naar zo’n stom apparaat te kijken, dat niet wil doen wat ik bedacht heb. Moet ik er weer een echte vakman bijroepen.

Gelukkig zijn veel schoolmeesters van mijn generatie gezegend met een IT-schoonzoon. Perfect! En hoe vaak heeft die jonge hond mij al niet uit de brand geholpen? Maar ik leer er niets van. Ik neem het niet op. Het blijft niet hangen. Herkent u mijn situatie? Bereidwillige schoonzoon wil me voor de zoveelste keer wel even uit de brand helpen. ‘Als je nu goed oplet’, zegt hij dan tegen beter weten in, ‘kun je wat leren en het een volgende keer zelf oplossen.’ Daarna gaat hij geduldig, rustig en stapje voor stapje mijn probleem te lijf. Ik zit ernaast en kijk toe, probeer te onthouden wat hij doet, ga zelfs zo ver dat ik aantekeningen maak en neem me heilig voor het nu eindelijk voor eens en altijd te begrijpen. Het gaat goed, zolang het bij schoonzoon goed gaat. Maar de haartjes in mijn nek beginnen te prikken als ik merk, dat het hem ook niet een-twee-drie lukt. Dan is het over met het geduldig uitleggen, dan klikt hij in sneltreinvaart allerlei mappen open, die ik van m’n leven nog niet gezien heb, ondertussen mompelend dat ‘het ‘m daar ook niet inzit’. Mijn aanwezigheid, mijn leergierigheid lijkt hij vergeten te zijn. Ik voorzie het moment al waar ik bevreesd voor ben: Windows wordt uiteindelijk met een schouder ophalen afgesloten en op het scherm staat alleen nog maar de Dos-prompt. Schoonzoon gaat er nu eens goed voor zitten (bespeur ik daar enig enthousiasme?) en ik haak volledig af. In een razendsnel tempo zie ik allerlei opdrachten ingetypt worden, wordt het beeldscherm gevuld met voor mij onduidelijke teksten, staat mijn harde schijf te ratelen en zit ik er voor spek en bonen bij. Pas als hij Windows weer heeft opgestart (verdraaid het lukt hem iedere keer!) en alles weer naar behoren blijkt te werken, schijnt hij zich te herinneren dat ik naast hem zit. Een beetje verontschuldigend draait hij zich naar me toe. ‘Heb je het nou gesnapt? Kun je het nou volgende keer zelf?’ Het maakt niet uit wat ik antwoord. Hij weet, dat ik hem die volgende keer weer zal bellen. Dat ik het maar niet kan (wil) leren.

En zo blijf ik maar doormodderen. Omdat we in school meer te doen hebben dan alleen de computers aan de praat houden, omdat er nog zoveel meer werk ligt dan de softwarebeoordeling, omdat er nu eenmaal van ons verwacht wordt dat we duizendpoten zijn. Soms gaat het een tijdje goed en is het rustig op het computer-fouten-front. Maar lang duurt dat nooit. ‘Meester, de computer doet weer zo raar. Kunt u even komen kijken?’ ‘Meester, ik wil wat printen, maar de printer doet helemaal niks.’ ‘Meester, de muis reageert niet meer.’ ‘Meester, ik kreeg ineens een heel blauw scherm.’ ‘Meester, ik moet mijn naam intypen, maar er gebeurt niets.’ ‘Meester, er staat ongeldige bewerking op mijn scherm.’ ‘Meester…’ En de meester komt natuurlijk kijken. En de meester lost het natuurlijk op. Morrelt wat aan het snoertje van de printer. Blaast het stof uit de muis. Zet de Caps Lock uit zodat er weer getypt kan worden en geeft en passant een leerling op zijn kop die het waagt Ctrl + Alt + Delete in te drukken. Waarop zo’n leerling me vol onbegrip aankijkt, zich oprecht verbazend over mijn onredelijke boosheid. ‘Maar dat doet u toch zelf ook altijd meester, als u het niet meer snapt: Ctrl + Alt + Delete? Ik wilde alleen maar helpen…’

De geur van nieuwe potloden

september 2000

‘Goeiemorgen!’
Er was geen twijfel mogelijk: de manier waarop de collega’s elkaar op de eerste schooldag na de zomervakantie begroetten klonk zoveel enthousiaster dan de ‘prettige vakantie’ die we elkaar zes weken daarvoor hadden gewenst. Want zoals ieder schooljaar waren die laatste weken voor de grote vakantie weer hectisch geweest. Dat begint bij ons al zo’n beetje na de paasvakantie. Dan worden de functioneringsgesprekken gepland, de leerlingenbesprekingen gehouden, de nieuwe groepen ingedeeld, de toetskalender geactualiseerd, de bestellingen gedaan, de taken opnieuw verdeeld, enz. En terwijl je met je huidige groep nog volop bezig bent met de afronding van het oude schooljaar, zit je voor, tussen en na schooltijd de namen van je nieuwe leerlingen al op hun schriftjes te schrijven, moet je het rooster voor na de vakantie aanpassen, nadenken over de verdeling van de tafeltjes en stoeltjes en zitten de nieuwe cijferlijsten al achterin je groepsmap. Natuurlijk wordt de grote jaarbestelling weer later afgeleverd dan je zou willen, uiteraard komen er op het laatste moment nog allerlei grote en kleine klusjes op je af en als je de hele leerlingenadministratie net helemaal rond hebt, wordt er in de allerlaatste week nog een nieuwe leerling aangemeld. Je groepslijsten voor de GGD, de gemeente, de ouderraad en je eigen archief zijn net klaar en de deur uit… Je maakt nieuwe lijsten, legt de laatste hand aan de schoolgids en mist dagelijks de conciërge die uitgerekend in deze periode ziek thuis zit. Met elkaar slepen we ons er doorheen Met elkaar slikken we die laatste weken voor de grote vakantie meer dan modaal pilletjes tegen de hoofdpijn… Lopend op je tandvlees vier je op de allerlaatste schooldag nog enthousiast met de kinderen het eindejaarfeest en dan rollen we de vakantie in. Vertel het maar niet op een verjaardag: ze kijken je meewarig aan die niet-onderwijsmensen. Hoe kunnen wij het nou druk hebben met zulke riante werktijden en zoveel vakantie…

‘Goeiemorgen!’
Wat een verschil met zes weken geleden. Toen waren de kinderen niet meer vooruit te branden en moesten we de hele trucendoos opentrekken om nog een beetje redelijk werk uit hun vingers te krijgen. En kijk ze nu eens binnen komen: gebruind en uitgerust nemen ze lawaaierig bezit van het lokaal waar zes weken geen kinderstem te horen was. De tafels en stoeltjes staan anders en ze zoeken enthousiast en weloverwogen hun nieuwe plekje uit. De nieuwe groep zes doet dat met veel bravoure. Ze kennen het lokaal, ze kennen de meester al van vorig jaar toen ze nog de ukkies van groep vijf waren en -ineens groot geworden- bedisselen ze met elkaar wie waar gaat zitten. De van thuis meegenomen en zorgvuldig opgeruimde pennenbak wordt op het tafeltje gezet. Daarna is hun laatjes aan de beurt voor een eerste inspectie. Nieuwe werkboeken, een nieuwe pen, een lekker lang nieuw potlood, een kleurdoos die als je hem open doet nog zo lekker naar nieuw ruikt, het kan niet op! Sommigen beginnen meteen hun pen uit te proberen, anderen bladeren in de boeken, maar de meesten helpen de nieuwelingen van groep 5 op weg, die nog wat onwennig tussen de tafels en de stoelen rondlopen. Als om kwart voor negen de bel gaat, zoeken ze allemaal hun plaatsje op. Met zachte drang moet ik de moeders uit mijn lokaal drijven (‘Wil het bezoek afscheid nemen’ is op zulke momenten mijn standaarduitdrukking). Ik heb niks tegen moeders in school. Tegen vaders ook niet, maar nu moeten ze even weg. Nu moeten ze me op die eerste schooldag even alleen laten met mijn nieuwe groep. Bij dit enthousiasme voor een nieuw schooljaar kan ik even geen ouders gebruiken. Met nauwelijks verborgen ongeduld zie ik dan ook toe hoe de laatste kusjes gegeven worden, de laatste zwaai door het raam. Schiet op, moeders! Snap je dan niet dat we zitten te popelen om te beginnen? Begrijp je dan niet, dat er dertig sponsjes aan hun tafeltje zitten, klaar om te absorberen, om kennis op te nemen? Ik geniet van zulke momenten. Van de enthousiaste gezichtjes die me aankijken met zo’n blik van ‘kom maar op, we zijn er klaar voor!’ Ik voel het: dit gaat een fantastisch schooljaar worden! Maar tegelijkertijd weet ik ook, dat over een maand of wat de problemen en zorgen weer terug zullen komen, zoals dat al ruim dertig jaar het geval is. Dat ik me weer vertwijfeld af zal vragen of David ooit in staat zal zijn een lesje foutloos over te schrijven, waarom ik Kai er maar niet toe kan bewegen harder te werken en wanneer Pieter-Jan nu eindelijk eens leert luisteren. Maar dat is op dit moment even niet aan de orde. Daar begin ik vanmiddag wel over te piekeren. Nadat ik straks in de lunchpauze eerst voorzichtig bij mijn collega-van-het-lokaal-hiernaast geïnformeerd heb naar mijn oude groep: ‘Heeft Victor wel netjes gewerkt? Hij kan het wel hoor! En hoe was Siradja bij rekenen? Was Carla meteen de eerste schooldag al ziek?’ Nee, nog even geen zorgen. Even genieten van dit moment. Van frisse, verse kinderen. Van een meester met een opgeladen accu. Van het eerste taallesje in het nieuwe schrift waar ze zo hun best op doen. Van die geur van nieuwe potloden. Probeer dat gevoel maar eens uit te leggen op een verjaardag…

Herfstblad

oktober 2000

‘Pieter-Jan! Pieter-Jà-hàn!’
Ik kon roepen wat ik wilde, maar Pieter-Jan was met zijn gedachten weer eens mijlenver van het klaslokaal verwijderd. Pas toen zijn buurman Lennard hem aanstootte, leek het alsof hij zich zijn aanwezigheid in school weer bewust werd. Een tikkeltje verstoord keek hij om zich heen, zag dat de andere kinderen hun map voor zich hadden genomen, trok zijn laatje open en haalde ook zijn map tevoorschijn. Ik wist wat er ging gebeuren: doelloos zou hij zijn map op een willekeurige plek open slaan, met een schichtige blik bij zijn buurman kijken waar we mee bezig waren en uiteindelijk zou ook hij de juiste bladzijde voor zich hebben. Nog een geluk, dat we nog maar aan het begin van het schooljaar waren en de map nog niet zo vol zat. Anders had hij de eerste bladzijde open geslagen en blaadje voor blaadje omslaand naar de juiste bladzijde achterin de map zijn gebladerd. Inwendig moest ik zuchten. Zo was het vorig jaar in groep vijf ook altijd gegaan en ik had de ijdele hoop gehad, dat het dit jaar over zou zijn. Dat hij in de grote vakantie ineens groter zou zijn geworden, zelfstandiger en oplettender. Inderdaad had hij zich vlak na de vakantie van zijn beste kant laten zien. Enthousiast was-ie aan het nieuwe schooljaar begonnen, lette veel beter op en deed beter mee. Maar al na een paar weken was hij weer teruggevallen in zijn oude gedrag.

En dus sta ik weer voor de klas in het rekenboek aan te wijzen, dat ze ‘van som 4 alleen de antwoorden mogen opschrijven’. Vraag ik weer -tegen beter weten in?- of ze dat allemaal begrepen hebben en zet daarna de hele groep aan het werk. Op het moment, dat ik net begonnen ben aan de instructie van groep vijf, steekt Pieter-Jan zijn vinger op en vraagt bloedserieus of hij van som vier alleen de antwoorden mag opschrijven…
Ik loop weer als de juf van groep 3 rond om bij alle kinderen in hun schrift aan te wijzen waar ze precies het eerste zinnetje moeten schrijven. Bij Pieter-Jan zet ik ten overvloede met potlood een kruisje bij de juiste regel. Na tien minuten staat-ie al bij mijn tafel. Of het erg is, dat hij zijn taallesje op een heel andere bladzijde heeft gemaakt.
Voor mijn gevoel gaat mijn instructie ook steeds meer lijken op die van de lagere groepen.
Zie ik mezelf voor de klas staan met een multomapblaadje in mijn handen. ‘Kijk, kinderen, we leggen ons blaadje dus zo op tafel. Zie je wel? Met de gaatjes aan de linkerkant. Aan de lin-ker-kant. Aan de kant van het raam dus. Aan die kant moeten de gaatjes liggen’. Ligt het bij Pieter-Jan dus weer net andersom. Kijkt-ie bij zijn buurman. Draait-ie het hele blad ondersteboven…
‘Leg allemaal je pen even neer en kijk naar het bord. Pieter-Jan, stop jij ook even met werken? Leg je pen maar neer. Ik wil even iets op het bord laten zien. We gaan zo weer verder. Nee, Pieter-Jan, we gaan niet metéén weer verder. Ik wil dat je eerst even naar het bord kijkt. Leg je pen dus maar neer. Nee, stop je pen nu niet in je laatje. Je mag zo weer verder werken…’ Hij zucht. ‘Wees nou eens duidelijk man’, lees ik in zijn ogen. Maar ik heb het voor elkaar: hij let op, hij doet mee, hij knikt instemmend dat-ie de moeilijkheid die ik op het bord uitleg volkomen heeft begrepen. Samen met de andere kinderen buigt-ie zich weer vol ijver over zijn werk. Maar als ik na schooltijd zijn schrift van de stapel pak om het werk na te kijken, weet ik dat ik er weer ben ingetrapt. In mijn hoofd begint André Hazes te dreinzen: ‘Dróómland, dróómland…’

Wat is dat toch met Pieter-Jan? Ik heb geen idee. Ik zou zo graag eens zijn schedeldak lichten om erachter te komen welke gedachten daar rond waren. Ik kom er niet achter. Hij blijft voor mij een raadsel, ook het tweede jaar dat ik hem in de groep heb. Aan zijn intelligentie ligt het niet, want hij is pienter genoeg. Zijn tempo is goed en de resultaten zijn boven gemiddeld. Het gaat hem ook makkelijk af. Maar met datzelfde gemak levert hij rustig één gemaakt taallesje in als er uitgelegd is, dat er twee lesjes gemaakt moeten worden. En als ik hem vraag in het magazijn een pakje nieuwe rekenschriften te halen, als ik hem voor de tweede keer vraag in het magazijn een pakje nieuwe rekenschriften te halen, staat hij enthousiast op en verlaat het lokaal. Ik heb het zo druk met de andere kinderen, dat ik hem pas na tien minuten mis. Als ik het magazijn binnen stap, staat hij bedremmeld om zich heen te kijken: ‘Ik weet niet waar de schriften liggen, meester!’ Ik wijs hem de plek, laat hem een stapeltje pakken en zorg ervoor, dat ik snel weer terug ben in mijn lokaal, zodat hij even na mij kan binnen komen en me de schriften kan geven. Trots loopt-ie terug naar zijn plaats. Ik mag hem wel, die Pieter-Jan. Al dwarrelen zijn gedachten soms als een vallend herfstblad door mijn lokaal.

Dag Sinterklaasje

november 2000

‘Meester, wanneer gaan we nou lootjes trekken?’
Het groepje meisjes stond me al op te wachten bij de deur van het lokaal. Ze waren met z’n vieren: Danja, Sigrid, Saskia en Astrid. Saskia werd door de andere drie naar voren geduwd, sloeg in haar enthousiasme bijna de mok koffie uit mijn handen en herhaalde de vraag waar ze al dagen mee bezig waren. Wanneer ze nou eindelijk, eindelijk eens lootjes gingen trekken voor Sinterklaas. De andere groepen hadden het allang gedaan en zij moesten nog beginnen! Een beetje verongelijkt keken ze me aan en ook de andere kinderen begonnen zich ermee te bemoeien. Pas toen ik plechtig beloofd had, dat we woensdag na de pauze met de voorbereidingen voor het Sinterklaasfeest zouden beginnen, kwamen ze tot bedaren. Ik kon niet meer terug. Lang had ik het lootjes trekken kunnen uitstellen met vage beloftes, maar nu stond er een duidelijke afspraak en die zouden ze zeker niet vergeten. Kinderen zijn daar selectief in: herinneren je aan de tekenles, het gymuur en het muziekproject. Ooit een groep meegemaakt, die je erop wees dat je het controledictee vergat?

En wat waren ze zenuwachtig die woensdagmorgen. Toen ik na de pauze met afgemeten passen naar de kast achterin het lokaal liep (schreed is misschien een beter woord) volgden achtentwintig paar ogen vol spanning al mijn bewegingen. Het jaarlijkse ritueel kon beginnen: met een breed gebaar werd de grote glazen schaal uit de kast gepakt en eerbiedig voor het bord op tafel gezet. Vanaf dat ogenblik stond er een ‘officiële Sinterklaasbokaal’ voor de klas. Maar goed dat er op zulke momenten geen ouders door het raam naar binnen kijken, ze zouden er niets van snappen. Zouden me een aanstellerige, overdreven ouwe schoolmeester vinden die van zoiets simpels als het lootjes trekken zo’n theater maakt. Maar voor mijn kinderen was dit een bloedserieus moment. Ze vonden het dan ook doodnormaal, dat ze allemaal een precies even groot papiertje van me kregen. Schreven daar -mooier dan tijdens de schrijfles voor de pauze- hun naam op. En voelden zich beslist niet kinderachtig, toen we dat papiertje klassikaal, stap voor stap gingen opvouwen, zodat ze er allemaal eender uitzagen. Je moest er toch niet aan denken, dat jouw lootje op zou vallen tussen alle andere! Ik liep langs alle tafeltjes en een voor een werden de lootjes in de schaal gelegd. Voor we tot de trekking over gingen, hield ik nog even mijn jaarlijkse Sinterklazenpreek: dat wij nu zo groot zijn om het Sinterklaasfeest anders te gaan vieren, dat wij een geheim hebben, dat de jongere kinderen op school nog niet weten en dat wij dat geheim lekker voor ons houden om het voor de kleintjes niet te bederven. Ze hoorden het geduldig aan, maar hun houding schreeuwde het uit: ‘Begin nou in vredesnaam met lootjes trekken!’ Stuk voor stuk mochten ze een briefje uit de schaal pakken. Daniël dook er meteen mee onder zijn tafel om het te lezen, Menno verschanste zich in de leeshoek en Lennard trok simpelweg zijn trui helemaal over zijn hoofd om te kijken welke naam er op het briefje stond. En wat was er heerlijker dan je eigen naam op het lootje te zien staan? Dan mocht je keihard ‘Zwarte Piet’ door de klas schreeuwen, werden de uitgedeelde papiertjes weer secuur opgevouwen en werd er een tweede ronde gehouden. Prachtig vonden ze dat, het kon ze niet lang genoeg duren! Loek was duidelijk opgelucht, want -zo vertrouwde hij zijn buurman net iets te luid toe- ‘nu hoefde hij gelukkig geen surprise en een gedicht te maken voor die stomme griet uit groep zes.’ Ik heb er nooit een kansberekening op losgelaten (vooral omdat ik dat nooit geleerd heb), maar die herhalingsrondes kunnen lang duren. Meestal heb je het met hooguit drie keer ‘Zwarte Piet’ wel gehad, maar het record staat op vijftig minuten…

En als alles achter de rug is, als de Sinterklaasbokaal weer is gedegradeerd tot lelijke glazen schaal en voor een jaar in de kast verdwijnt, begint de gezellige onrust die zal duren tot de dag van de Sinterklaasviering. Stel ik misschien daarom het lootjes trekken zo lang mogelijk uit? Omdat ik vanaf dat ogenblik handen en voeten nodig heb om ze ‘normaal’ aan het werk te houden? Omdat ik de hele schoolmeesterstrucendoos tot de bodem moet leeghalen om ze erbij te houden? Neem het ze eens kwalijk. Verwijt het ze eens, dat ze meer bezig zijn met de goedheiligman dan met hun spellingtaak. Je past je lessen aan. Het rekent zoveel leuker met pepernoten dan met knikkers. Een brief aan Zwarte Piet motiveert zoveel meer dan een invullesje. If you can’t beat them, join them.

We gaan in de klas een heerlijke, roezemoezerige en drukke tijd tegemoet. En we genieten ervan. Maar als het vijf december is geweest, als ik voor de zoveelste keer bij Sinterklaas moest komen om een liedje te zingen, als de Zwarte Pieten me weer achterna hebben gezeten om me op beide wangen een afgeefzoen te geven, als de kinderen met overslaande stem het ‘Dag Sinterklaasje’ hebben gebruld en daarna met hun cadeautjes naar huis gaan, blijf ik nog even alleen in mijn lokaal achter. De papieren snippers moeten nog opgeveegd, het inpakpapier opgeruimd, het stro weggegooid, het strooigoed van onder de kasten gehaald, de tafels en stoelen weer op hun plaats gezet en de bordtekening uitgepoetst. Dag Sinterklaasje, volgende week beginnen we aan de kerst…

Vrede op aarde

december 2000

‘Meester, meester! Ze zijn aan het vechten!’
Vlakbij het klauterraam had zich een kring joelende kinderen gevormd. Toen ik aan kwam lopen, week die kring uiteen en zag ik Cindy en Sandra krabbend, stompend en harentrekkend over de grond rollen. Het kostte me moeite die twee van elkaar los te trekken. Wat kunnen kinderen van groep vijf sterk zijn! Met wijd uitgestrekte armen stond ik daar in het midden van de kring, met moeite Cindy en Sandra van elkaar afhoudend. ‘Zij begon!’ ‘Nietes! Ik deed geneens wat!’ Op zulke momenten weet ik niet anders te doen dan beide vechtersbazen de mond te snoeren, mijn blik een mengeling van boos en verdrietig te geven en ze met een bars ‘gaan jullie maar eens mee naar binnen’ voor me uit te duwen in de richting van de schooldeur. De andere kinderen die ons schreeuwend volgen, stuur ik weg. ‘En gaan jullie alsjeblieft spelen. Hier heb je niets mee te maken!’ Belachelijk. Natuurlijk hebben ze er iets mee te maken. Cindy en Sandra hebben immers al weken ruzie? De hele groep wist er van. Eerder nog dan ik het in de klas merkte.

Dikke vriendinnen zijn het eigenlijk. Zitten gezellig naast elkaar achterin de klas. Maar zo af en toe is het helemaal mis tussen die twee. Dat begint met kleine pesterijtjes. Zijn ze allemaal lekker rustig bezig in hun spellingwerkboek, hoor ik uit hun hoek plotseling onderdrukt gemopper en gescheld. Als ik vraag wat er aan de hand is, krijg ik in eerste instantie geen antwoord. Ze kijken me met grote onschuldige ogen aan, mompelen ‘niets meester’ en buigen zich overdreven ijverig weer over hun werk. Maar hun hele houding straalt bokkige kwaadheid uit. Als ik doorvraag naar de oorzaak van die boosheid, komt de aap uit de mouw: de gum van Sandra lag een heel klein stukje over het randje van de tafel op het plekje van Cindy… ‘Echt waar, per ongeluk, meester!’, legt Sandra uit. Maar Cindy ziet dat anders. Dat deed Sandra natuurlijk opzettelijk en om te plagen, want ‘Sandra doet altijd van die dingen’. Vroeger verwonderde ik me om dit soort -in onze ogen- pietluttigheden. Maar ik heb geleerd alles serieus te nemen. De snippertjes papier die Sandra ‘expres om te pesten’ met haar voet onder de tafel van Cindy heeft geschoven. Het duwtje van Cindy die ‘per ongeluk’ tegen de arm van Sandra stootte net toen die zo haar best deed om mooi te schrijven. De schaar van Cindy die plotseling kwijt is en ‘toevallig’ in het laatje van Sandra blijkt te liggen.

Vaak is die ruzie tussen de twee vriendinnen met een dag bijgelegd, maar soms kan het weken duren en mondt het uit in een heuse vechtpartij, zoals vandaag. Dan vormen zich ook twee partijen. Cindy probeert de andere meisjes uit de groep over te halen partij voor haar te kiezen. Sandra doet hetzelfde. Kinderen die helemaal niets met de ruzie te maken hebben, zie je van de een op de andere dag partij kiezen. Vaak weten ze niet eens waar de ruzie om begonnen is. Cindy en Sandra, onafscheidelijk, altijd samen spelend, kijken elkaar niet meer aan. Komen vragen om een ander plaatsje in de klas ‘omdat ze niet goed op het bord kunnen zien.’ En wat kunnen die meiden verschrikkelijk lelijk doen tegen elkaar. Wat kunnen ze gemeen zijn. Hoe anders dan de jongens in mijn groep. Natuurlijk, die hebben ook wel eens ruzie. Twee weken terug vlogen Loek en Jochem elkaar nog stevig in de haren. Maar na een stevig robbertje vechten, hooguit een schram op hun hoofd, is het bij de jongens over. Klaar. Uit. Praten we niet meer over. ‘Meidengedoe’ noemen de jongens van mijn groep die ruzies van Cindy en Sandra schamper.

Gisteren kwam de moeder van Sandra voor schooltijd even met me praten. Dat ze het nu meer dan zat was. Of ik wel wist hoe Sandra gepest werd. En of ik nog van plan was er iets aan te doen, want zo kon het echt niet langer. Haar kind had geen leven meer, kon niet slapen, at slecht en was met geen zeven paarden naar school te krijgen. En als ik er niets aan deed, zocht ze het wel hogerop! Allemaal de schuld van die Cindy. Ze had het altijd al een naar kind gevonden en nooit begrepen waarom Sandra zo met haar bevriend was. ‘Dus meester’, eindigde ze haar verhaal, ‘dan weet u ervan en ik reken erop dat u het oplost!’ Ik heb weinig verweer op zulke momenten. Ze gelooft me toch niet, die moeder van Sandra. Net zo min als de moeder van Cindy die vorige week met precies hetzelfde verhaal bij me kwam. ‘Natuurlijk is het heel vervelend’, heb ik toen gezegd, ‘maar heus het trekt wel weer bij. Ik kan kinderen toch ook niet dwingen om vriendinnen met elkaar te zijn? Ik doe mijn best, geloof me, maar ik kan geen ijzer met handen breken.’ Dat zei ik allemaal, maar inwendig gaf ik de jongens in mijn groep gelijk: meidengedoe.

Vanmorgen had ik voor schooltijd twee stralende moeders in mijn groep. Ze wisten niet hoe ik het voor elkaar had gekregen, maar het was weer helemaal goed tussen Cindy en Sandra. En ik werd bedankt. Fijn dat ik het allemaal weer opgelost had. Cindy en Sandra zaten weer stralend aan hun tafeltjes, beide moeders gingen bij elkaar op de koffie. En ik? Ik had niets, maar dan ook niets met de oplossing te maken. ‘Ik deed geneens wat, echt waar meester…’

To be or NOT to be

januari 2001

Tips voor effectief en praktisch beursbezoek (in de praktijk getest)

Planning
Ga maar gewoon op een dag die jou het beste uitkomt. Probeer alsjeblieft niet logisch na te denken over de mogelijke drukke en stille momenten, want je komt altijd bedrogen uit. Het is al net als bij het organiseren van de schoolreizen: als je denkt een gunstige dag te hebben uitgekozen waarop het in het pretpark van jouw keuze wel rustig zal zijn, zul je zien dat heel veel scholen die ene rustige dag hadden uitgekozen. Beursbezoek moet je dus vooral niet plannen. Ga maar. Het is toch altijd drukker dan je dacht. Bereid je voor op schuifelen, een broeierig warme omgeving en hoofdpijn in de namiddag.

Vervoer en parkeren
Openbaar vervoer heeft natuurlijk de voorkeur, maar wij zijn met z’n allen maar moeilijk uit ons autootje te krijgen. Carpoolen heeft voordelen, maar denk van te voren goed na over de consequenties. Vind je het echt wel zo leuk om met je collega’s in één auto te zitten en daar dus ook de hele dag mee op te trekken? En komt het er niet altijd op neer, dat jij toevallig steeds degene bent die aan de beurt is om te rijden?
Aangekomen in de beursstad volg je netjes de borden naar het beursterrein. Wees niet eigenwijs of betweterig en ga vooral niet zoeken naar alternatieve parkeerplekjes in de omgeving, want dat deden al die anderen voor jou al. Nutteloos in het rond rijden in een onbekende buurt en steeds verder van het beursgebouw afraken, is het enige resultaat en bovendien een slechte start voor je beursbezoek. Volg dus braaf de borden naar de immense parkeerterreinen, betaal te veel en parkeer je auto op de eerste de beste vrije plek die je ziet. Wees vooral niet zo naïef om te proberen je auto zo dicht mogelijk bij de uitgang neer te zetten. In negen van de tien gevallen kies je toch voor de verkeerde uitgang.

De entree
Zoeken naar de ingang van het beursgebouw is niet nodig. Sluit je gewoon aan bij het mierenspoor van beursbezoekers. Omdat de wandeling van de parkeerplaats naar het beursgebouw altijd langer is dan je dacht, kun je de tijd doden door je beursbezoekende collega’s te observeren en in te schatten. Basisonderwijs? Voortgezet onderwijs? Gymleraar? Iemand van de catering? Lerares klassieke talen? Dansdocente? Exposant? Pak tijdens deze wandeling ook alle briefjes aan die je door werkstudenten langs de route worden aangereikt. Met wat geluk houd je er een gratis kop koffie aan over of een nutteloos hebbedingetje.
Zorg dat je zo snel mogelijk door de kassa bent. Regel dat ruim van tevoren. Iedereen heeft wel een bevriende relatie die voor vrijkaarten kan zorgen. We blijven Hollanders nietwaar? Hoeveel bezoekers zouden er eigenlijk de normale entreeprijs betalen? Let er vooral op, dat je in het bezit komt van een echte entreekaart. Het mooist zijn de vrijkaarten die je rechtstreeks toegang tot het gebouw bezorgen. Dit in tegenstelling tot de vrijkaarten die je volledig moet invullen en bij de kassa moet inwisselen voor een toegangsbewijs. Zonde van je tijd en lastig in de toekomst, want je zult na het beursbezoek regelmatig ongewenste post ontvangen. Met een echte entreekaart loop je de schuifelende rij losers voor de kassa gniffelend voorbij en mag je door een aparte deur naar binnen. Het allermooist, maar voor weinigen weggelegd, is de (tijdelijk) bevriende exposant zo ver te krijgen, dat je bij de deur wordt opgewacht en naar binnen wordt geloodst. Nadeel van deze methode is dat je moreel verplicht bent enige tijd te investeren aan deze relatie.

De eerste schreden
Eenmaal binnen begeef je je zo snel mogelijk naar de eerste de beste exposant die mooie, grote en vooral sterke tassen weggeeft. Plastic kan, maar linnen heeft de voorkeur. Kijk even om je heen, zie waar de andere beursbezoekers mee rond lopen en bepaal je keuze. Onervaren collega’s herken je onmiddellijk aan de bundels losse papieren in hun hand of uitpuilende jaszakken. Intussen heb je de folders al bekeken die je onderweg naar de ingang werden aangereikt. Onnodige papiertjes verdwijnen in de tas, het ‘gratis-kop-koffie-bonnetje’ ga je meteen verzilveren. Verdoe geen tijd met het zoeken naar informatieborden, maar ga op de lucht af. De drink- en eeteilanden zijn van veraf te herkennen aan de penetrante rooklucht die er hangt. Kijk tijdens het kopje koffie maar even om je heen: onderwijsbeurzen hebben een hoog pijprokersgehalte.

Voor de rest van de dag moet je het zelf maar bekijken. Een paar praktische tips tot slot: waar het heel druk is, worden vaak gratis dingetjes uitgedeeld. Handel effectief: schroom niet medebezoekers aan te klampen met de vraag waar ze die fijne spulletjes hebben gekregen, dat bespaart je kostbare zoektijd. Pak alles aan wat in je handen wordt geduwd, thuis kun je het altijd nog weggooien. Zoek aan het einde van de dag nog één keer het toilet op, slik een paracetamolletje en zorg dat je voor de spitsdrukte weer op weg naar huis bent. Bedenk thuis wat deze dag je heeft opgeleverd en gooi overbodige folders meteen weg. Verscheur de rest na drie weken. Bewaar het fijne tasje. Raak vooral niet gefrustreerd door al het moois dat je hebt gezien en toch niet kunt aanschaffen. Neem je voor nooit meer naar een beurs te gaan en besef tegelijkertijd dat je volgende keer toch weer aanwezig zal zijn. Stap de volgende dag weer monter de school in en geniet van je werk.

Schoolpraet

februari 2001

Nou vindt de juf van zichzelf ook wel, dat ze niet al te mooi kan tekenen. Dat zegt ze ook steeds tegen de kinderen van groep vier als ze een tekening op het bord maakt. Ieder zijn kwaliteiten, nietwaar? Maar zo af en toe is ze best tevreden met het resultaat. Dan doet ze een stapje naar achteren en kijkt voldaan naar haar tekenwerk op het bord. Hoort ze van achter uit de klas een kind zeggen: ‘Grote meid, hoor!’.

Bij het schoolzwemmen moet een leerling met watervrees voor de eerste keer ‘in het diepe’. In de bus terug naar school kruipt de juf even naast hem op de bank. ‘Zag ik het nou goed? Zat jij daarnet in het diepe? Wat deed je daar?’ ‘Bekant verzuipe, juf!’

Een leerling uit groep 4 komt het rekenschrift inleveren. De juf kijkt de sommen na. ‘Dat heb je keurig gedaan! Alle antwoordjes zijn goed! Knap hoor!’ ‘Ja maar juf, ik heb het per ongeluk een beetje bij mijn buurvrouw afgekeken…’

In de kleutergroep praten ze over rupsen en vlinders. Moeilijk hoor, al die ingewikkelde woordjes. Maar één kleuter heeft het allemaal goed begrepen: ‘Eerst komt er een eitje, dat wordt een rups, dan een kalkoen en dan heb je een vlinder.’

Menno uit groep 4 komt zijn loszittende tand aan de juf laten zien: ‘Kijk juf, ik heb een wiebeltand. Moet je voelen!’ Zijn vriendje Bas staat er ook bij en kijkt met belangstelling naar de loszittende tand. ‘Ik heb nog geen wiebeltand, juf’, zegt hij spijtig. ‘Geeft niks jôh’, stelt Menno hem gerust, ‘ik was ook laat…’

Best ingewikkeld om aan de kinderen uit te leggen hoe nou dat precies gaat met het zoeken van sponsors voor de UNICEF-loop. De juf doet reuze haar best om het allemaal goed te vertellen: ‘En dan geef je zo’n stickertje aan de mensen. Dat kunnen ze dan op hun deur plakken.’ Nou, dat begrepen ze prima. ‘Oh ja, dat is net zo’n stickertje als in groep 8 bij de kinderbijslag…’

Sporten is goed voor je. Daar zijn ze het in groep 2 in de kring roerend over eens. De vader van een van de kinderen gaat twee maal in de week naar fitness. Tenminste dat vermoedt de juf als Carla zegt: ‘Mijn vader zit op de spierschool…’

Natuur in groep 5 en 6. De meester vertelt over volksvoedsel. ‘Wat eten de meeste Nederlanders?’ Aardappelen. ‘En in China?’ Rijst natuurlijk. En de Eskimo’s dan? IJs!

Bij de taalles in groep 4 gaat het over onze eigen taal en hoe mensen praten in andere landen. ‘En wie kan er al een woordje zeggen in een andere taal?’, vraagt de juf. Meteen steekt er voorin de klas een kind zijn vinger op en roept keihard ‘Scheisse!’

Volgende week hebben we vakantie’, zegt de juf in groep 1. ‘Kun je fijn allemaal leuke dingen doen. Lekker met je vriendjes spelen. Lekker buiten spelen. Lekker met papa en mama op stap. Lekker uitslapen…’ Vincent kijkt dromerig voor zich uit en ziet zijn vakantiebesteding waarschijnlijk al voor zich: ‘Of je kan lekker de hele dag gaan jo-jo’en…’

‘We gaan naar het speellokaal’, zegt de juf in groep 1 en 2. ‘Als je binnen komt, ga je eerst rustig onder het prikbord zitten.’ Dat doen de kleuters. Als ze allemaal op hun plaatsje zitten, begint Peter plotseling te huilen. Als de juf vraagt wat er aan de hand is, snikt hij verdrietig: ‘Ik wil geen prik! Ik wil geen prik!’

‘Juf, juf! We gaan in de pauze oorlogje spelen!’ ‘Nou’, zegt de juf, ‘dat vind ik eigenlijk niet zo’n leuk spelletje.’ ‘Ja maar, juf’, we zijn maar tien tellen dood hoor!’

‘Mijn oma is dood’, zegt een kleuter in de kring.
‘Is ze erg ziek geweest?’
‘Ja, ze had een heel lelijk woord.’

Met veel kabaal staat een kleuter op uit de speelhoek om naar de wc te gaan. ‘Dat kun je ook wel wat rustiger doen, Jeroen’, zegt de juf. ‘Zo hebben we last van je.’ Na vijf minuten gaat de deur van het lokaal voorzichtig op een kiertje open. Jeroen kijkt om het hoekje naar binnen en vraagt bedremmeld: ‘Mag ik wel doortrekken, juf?’

Twee kinderen zijn samen geconcentreerd aan het lezen. Het ene kind komt een woordje in de tekst tegen, dat ze niet begrijpt. Ze stoot haar buurman aan en vraagt: ‘Wat is beletten?’ Verstoord kijkt hij op en antwoordt: ‘Dat is wat jij nu doet.’

Harde ontlasting

maart 2001

Mijn weektaak bestaat er uit, dat ik alleen ’s middags voor de klas sta en me in de ochtenduren bezig houd met mijn directietaken, het IB-werk, de ICT-activiteiten en de invulling van de ADV. ’s Morgens geen groep is wel zo handig, want in die ochtenduren kun je een heleboel broodnodig werk verzetten en door ’s middags in de groep te staan, houd je het contact met de kinderen nog. ’s Morgens geen groep is ook makkelijk als er onverwachts een collega ziek is (kun je de eerste ochtend tenminste opvangen) of als een van de juffen of meesters wat later op school komt.

‘Kun jij vrijdag tot half tien mijn groep even opvangen?’, vroeg de juf van groep 1 en 2 me van de week, ‘ik moet namelijk naar de tandarts.’ Natuurlijk wilde ik dat wel, al weet iedereen bij mij op school, dat ik geen gat in de lucht spring bij zo’n verzoek. Niet dat ik onwillig zou zijn om mijn collega’s te helpen, maar eerlijk gezegd, val ik liever een hele ochtend in bij de hogere groepen, dan een uurtje bij de kleuters. Ik kan het niet helpen, maar ik heb niks met die leeftijdsgroep. Heb er nooit voor gekozen, zal er ook nooit voor kiezen. Het is mij te gruttig, te friemelig, te klein. Dat wist ze ook wel, die tandarts-collega van me, dus had ze zoveel mogelijk obstakels voor me weggenomen. De dag ervoor zou ze al materialen voor de kinderen neerleggen, zodat de kleuters bij binnenkomst meteen vrij uit deze werkjes konden kiezen. ‘Je hoeft alleen maar aanwezig te zijn en belangstellend en stimulerend rond te lopen’, had ze me geïnstrueerd. ‘Ik probeer zo snel mogelijk op school te zijn. Je redt je toch wel ?’ Natuurlijk redde ik me wel. Was keurig om vijfvoor half negen in het lokaal om de lichten aan te doen en de buitendeur open te zetten. Begroette de moeders en hun kinderen die kwamen binnen druppelen. Ging door de knieën voor Anne die me haar kleurboek kwam laten zien, bewonderde het autootje van Mark, griezelde gezellig mee met het enge speelgoeddier van Ramon en stelde de moeder van Jan gerust, die bezorgd kwam vragen of de juf de hele morgen weg bleef. Wat een opluchting bij kleine Jan toen zijn moeder hem kon vertellen, dat meester Frits maar voor eventjes in de groep zou zijn! Na alle kusjes, knuffeltjes, nog een kusje, nog een knuffeltje, een zwaai bij de deur en een zwaai door het raam waren alle moeders om kwart voor negen vertrokken en bleef ik alleen met ‘mijn’ kleutertjes in het lokaal achter. De juf had het me inderdaad niet moeilijk gemaakt: alle kindertjes waren braaf aan een werkje bezig en ik zou me eigenlijk prima op mijn gemak hebben gevoeld, als dat verhaal van de moeder van Ingrid niet steeds door mijn hoofd spookte.

Voor schooltijd had ze me even apart genomen. Of ik er rekening mee wilde houden, dat Ingrid moeite had met de ontlasting. Fluisterend achter haar hand vertrouwde ze me toe, dat haar dochtertje ‘al drie dagen niet geweest was.’ En dat het nu zo hard was. En dat Ingrid daar zo’n pijn van had. ‘Het zal vandaag wel weer komen’, besloot ze haar verhaal, ‘dus als je daar op wilt letten, heel graag!’ Waarschijnlijk kon ze van mijn gezicht aflezen, dat ik geen flauw idee had wat er dan van me verwacht werd, maar dat wilde ze me nog wel even uitleggen: ‘Als ze nu moet, kun je het beste even met haar meegaan naar de wc. Het kost haar zo’n moeite, hè? En het is ook zo hard na drie dagen. Dus doet het best wel pijn. Thuis help ik haar dan door haar billetjes een beetje te masseren. ..’ Ik begreep het, stelde moeder gerust met de mededeling, dat ze op me kon rekenen, maar deed inwendig een schietgebedje, dat Ingrid het op kon houden tot mijn collega terug was van de tandarts!

En wat kan drie kwartier dan lang duren! Terwijl ik, geheel volgens de instructies, ‘belangstellend en stimulerend’ rondliep, hield ik vanuit mijn ooghoeken Ingrid nauwlettend in de gaten. Zag ik daar al een verkrampt gezichtje? Nee, gelukkig, ze lachte nog. En waarom stond ze plotseling op? Opgelucht zag ik dat ze kleurtjes ging pakken. Nog een half uur, dan zou mijn collega terug zijn. In gedachten zag ik mezelf al in dat te kleine toiletje, boven dat te kleine potje een paar kleuterbilletjes staan masseren. Reuze zielig voor Ingrid, ik had echt met haar te doen, maar ik kreeg ook een beetje medelijden met mezelf als ik eraan dacht wat er van me verwacht werd! Nooit geweten, dat multi-inzetbaar ook dit soort problemen met zich mee zou brengen!
Ik was dan ook merkbaar opgelucht, toen de juf om klokslag half tien het lokaal binnen kwam. Er ging een gejuich op bij de kleuters, maar dat zonk in het niet bij mijn inwendig gejubel. ‘Hoe is het gegaan?’, vroeg ze. ‘Heb je alles kunnen vinden? Liep het een beetje?’ Ze keek me oplettend aan. ‘Voel je je niet goed? Heb je het zo warm?’ Ik mompelde iets onverstaanbaars, zei juf en de kinderen gedag en spoedde me naar mijn veilige kamer. Koffie!

Naar de kloten!

april 2001

‘Hebben wij niet samen op de Kweekschool gezeten?’
De man die ik met deze woorden aansprak, stond in een hoekje van de boekwinkel te snuffelen tussen de reisgidsen. Hij draaide zich om, herkende na enig nadenken mijn inmiddels dertig jaar ouder, grijzer en dikker geworden kop en schudde me enthousiast de hand. Dat we elkaar na zoveel jaar uitgerekend hier moesten tegenkomen! En waar ik werkte. En wat ik deed. Dertig jaar, waar blijft de tijd. En wat is de wereld toch klein. Maar toen ik op mijn beurt vroeg hoe het hem in al die jaren was vergaan, trok er een schaduw over zijn gezicht. Kreeg ik te horen, dat-ie al zeven maanden overspannen thuis zat. Dat het enthousiasme waarmee we beiden eind zestiger jaren het onderwijs instapten bij hem danig bekoeld was. Ach, zijn verhaal was als zovele: overvolle klassen met een hoog gehalte WSNS-leerlingen, zieke collega’s die de werkdruk niet aankunnen en geen mens beschikbaar om in te vallen. Dus worden er groepen samengevoegd, worden de lokalen nog voller en stijgt de werkdruk naar onaanvaardbare hoogte. Uiteindelijk was ook bij hem de rek eruit en was-ie op aanraden van de bedrijfsarts voor onbepaalde tijd naar huis gestuurd ‘om wat op adem te komen’. Wat kon ik anders doen dan zijn verhaal met belangstelling aanhoren en hem het beste voor de toekomst wensen? Maar toen ik de boekhandel verliet, overviel me weer die kwaadheid die ik de laatste jaren zo vaak tevergeefs had proberen te onderdrukken. Ik zag ons in gedachten weer samen in de gang van de Kweekschool staan, nerveus wachtend op de uitslag van ons examen. Beleefde weer die vreugde over het behaalde diploma. Ervoer weer het enthousiasme van die hele ploeg kersverse juffen en meesters die uitkeken naar de dag waarop zij het onderwijs gingen versterken. Die zich niks aantrokken van het feit dat je elders meer kon verdienen. Nazaten van Theo Thijssen voelden we ons.

En wat genoten we van ons vak. Wat waren we er van overtuigd dat we de juiste beroepskeuze hadden gemaakt. Was er een mooiere baan dan schoolmeester? We spanden ons in voor die kindertjes van ons. We deden ongevraagd en onbetaald veel extra werk voor ons schooltje. En dan kom je dertig jaar na dato een ooit overenthousiaste medestudent tegen, die net als ik de wereld, het onderwijs en de kinderen wilde verbeteren. Een schoolmeester wiens mond na al die jaren alleen nog flauw kan glimlachen, maar waarvan de ogen je dof en uitgeblust aankijken. Woedend was ik die middag. Woedend op een systeem dat deze kei-van-een-schoolmeester kapot had gekregen. Woedend op de omstandigheden die hem nu gedwongen thuis deden zitten. Natuurlijk was dit gegeven niet nieuw voor me. De resultaten van het Kohnstamm Instituut liegen er immers niet om: 26% van de directeuren verlaat eerder dan bedoeld het onderwijs. En 30% daarvan doet dat onvrijwillig. Cijfers die er niet om liegen. Maar cijfers blijven dode getalletjes zolang je er niet persoonlijk mee geconfronteerd wordt. Zolang je niet een ooit enthousiaste collega tegen het lijf loopt, die vermalen is in ons onderwijssysteem. Dan heb je geen zin om een leuke column te schrijven. Dan heb je geen behoefte aan grappige verhaaltjes uit het veld. Dan ben je het even zat. Dan haat je Zoetermeer. Dan kunnen Hermans en Adelmund de boom in. Ondanks hun extra financiële stimulansen van de laatste tijd. Ondanks hun makkelijk scoren met ICT als speerpunt. Ondanks hun goedbedoelde ontwerpwedstrijd over ‘het leven van morgen’. Ondanks noodgrepen met zij-instromers, snel klaargestoomde leerkrachten en zelfs enthousiaste ouders die met een fiat van de inspectie tegenwoordig voor de klas mogen om de ergste nood te lenigen. Uitholling van ons vak noemen we dat bij ons op school schamper. Je zou ze wakker willen schreeuwen daar op het ministerie. Je zou met die uitgebluste en opgebrande collega naar Zoetermeer moeten rijden, hem de kamer van onze bewindslieden in moeten duwen en ze toe moeten bijten: ‘Kijk dan! Kijk dan waar je mee bezig bent. We gaan naar de kloten!’

PS
Ben ik nou alleen zo somber? Ben ik nou de enige die zich ergert? Is het de leeftijd? Wie het weet mag het zeggen…