2001 Vaartocht door België

Alles tegen

19 augustus 2001

Wham! Met een doffe dreun boort de Petronella M zich met haar neus in de modderige bodem van de Beneden Nete. Op goed geluk -wat mis ik de dieptemeter weer- manoeuvreer ik de boot naar dieper water. Nel kijkt achterop om te controleren of we nog koelwater hebben en als alles in orde blijkt, kunnen we onze reis voortzetten. Het gebeurt precies bij de afslag van het Kanaal Leuven-Dijle, het vaarwater naar Mechelen.

Mechelen, da’s waar ook. Stilletjes en stiekem hadden we toen in Gent*) plannen gemaakt om de Petronella M daar af te leveren bij een overenthousiaste koper. Zou het feit, dat we uitgerekend hier, op deze plek aan de grond lopen een voorteken zijn? Moeten we maar niet al te veel hoop vestigen op ‘al die Duitsers in Roermond die ons bootje willen kopen?’

Het zit vandaag een beetje tegen. Het is zondag en dan wordt de kleine sluis bij Wintam niet bediend. Dat betekent een aardig eindje omvaren om via de grote zeesluis van Wintam in de Rupel en de Beneden Nete te komen. Ruim twee uur na ons vertrek uit Willebroek varen we hemelsbreed zo’n vijfhonderd meter onze overnachtingsplaats weer voorbij, slechts gescheiden door een landtong. Direct na de zeesluis van Wintam krijgen we weer te maken met getijwater en dat hebben we geweten. Tot aan de sluis van Duffel hebben we op de Rupel en de Beneden Nete het tij volledig tegen. Bovendien staat er vandaag een straffe wind, waar we pal tegenin varen. De motor moet meer toeren draaien dan normaal en wat is zo’n afstand van tweeëntwintig kilometer dan lang. Vooral als je voorbij de plaatsjes Boom en Rumst, waar tenminste nog iets te zien is, de laatste tien kilometer aan weerszijden van je schip niet anders ziet dan droogvallende stenen. Saai, saai, eindeloos saai. Ik heb alle aandacht nodig om tegen de sterke stroom in het midden van het vaarwater te houden en zelfs met die aandacht laat ik de Petronella M dus nog aan de grond lopen.

We zijn dan ook blij en opgelucht, als we eindelijk de getijdesluis van Duffel in de verte zien. Eindelijk -na uren tobben tegen stroom en wind in- zullen we hier omhoog worden geschut naar het Netekanaal en geen last meer hebben van stroom. Eén bootje waren we onderweg tegengekomen en we liggen dan ook helemaal alleen voor de sluis te dobberen. Hoe we ook door de verrekijker turen, we kunnen geen enkele beweging in het sluiswachtershokje ontdekken. Na een half uur besluit ik de kant op te zoeken en naar de sluis te lopen. Voorzieningen voor de pleziervaart zijn er niet, dus Nel moet het schip maar een beetje afhouden, nadat we geïmproviseerd aan een trap hebben vastgemaakt.
Als ik het sluiskantoor binnen stap, valt mijn oog op de grote sticker die op de deur is gekleefd: ‘Wat er ook gebeurt, blijf hoffelijk.’ Boven in het kantoor aangekomen, zie ik boven het grote bedieningspaneel vier monitoren hangen. Op één ervan onze eigen Petronella M, met Nel hangend aan de trap. Verder is er niemand in de ruimte te bekennen. Als ik klop en een stapje naar binnen doe, zie ik rechts aan een tafel een man en een vrouw zitten. Koffiepot in het midden, krantje voor de neus. Gedachtig de sticker op de deur vraag ik of de man mij alsjeblieft omhoog naar het kanaal wil schutten. Hij staat op, doet een paar passen naar zijn bedieningspaneel en ziet op de monitor ons schip liggen. ‘Hmm. Ja’, is het enige dat hij weet uit te brengen. Ik kan het nog opbrengen ‘dankjewel’ te zeggen en haast me terug aan boord, want de sluisdeuren worden inmiddels opengedraaid. Eenmaal in de sluis komt de sluiswachter zijn hokje uit om onze gegevens van het gele kaartje over te nemen. Ik kan het niet laten -sticker of geen sticker- en bijt hem toe: ‘Ik had eigenlijk gehoopt, dat u naar buiten kwam om uw excuus aan te bieden.’
‘Hoe kon ik weten, dat u geen marifoon aan boord heeft?’, is zijn zwakke verweer, wel wetende dat een marifoon in dit vaargebied absoluut niet verplicht is (maar wel, ik moet het iedere keer weer toegeven, reuze handig!).
‘Hoe kon ik weten, dat u zo verdiept bent in uw krantje, dat u vergeet op uw monitor te kijken?’, is mijn reactie. Ach, je schiet er niks mee op, dat gehakketak over en weer, maar het is weleens lekker je hart te luchten.

Was ons oorspronkelijke plan een langer stuk over het Albertkanaal te varen, vanwege de zondagsluiting van de sluizen op dit kanaal, nu moeten we noodgedwongen eerder het Kanaal Bocholt-Herentals op. Dat vaart weliswaar leuker, maar heeft wel vijf sluizen meer. Ach, die kunnen er ook nog wel bij. Drie kilometer na de sluis van Herentals is de jachthaven en als we daar binnen varen, zien we tot onze stomme verbazing in een hoekje de Babrokruiser-met-piano-en-bijkeuken***) van onze Belgisch-Nederlandse gids uit Beernem liggen. Blijkt dit zijn thuishaven te zijn! Voor de tweede maal deze vakantie hebben we naast elkaar gelegen. Jammer genoeg zijn ze niet aan boord, maar Nel heeft het idee een briefje voor ze achter te laten, waarin we ze bedanken voor de route en de tips voor onderweg. We hebben een stukje van het tentzeil open gemaakt en het briefje naar binnen gegooid.

Mooie haven hier in Herentals. Goede boxen, stroom en water op de wal. Voor die stroom moet je wel apart betalen, maar dat is in de meeste havens in België het geval. Zuinige Hollanders als we zijn, kunnen we het natuurlijk weer niet laten om iedere keer als we 100 Bfrs**) moeten betalen (zo’n vijfeneenhalve gulden) tegen elkaar de opmerking te maken ‘dat het wel behoorlijk aan de prijs is en dat ze met dat bedrag zeker zullen uitkomen voor het gebruik van een koelkast, een uurtje televisie en een laptop…’ Maar wij zijn natuurlijk maar kleinverbruikers vergeleken bij andere, grotere schepen met koelkast, vrieskist, wasmachine, droger, kleurentelevisie, magnetron en wat al niet meer. Voor het drinkwater moet je hier apart betalen en de prijs-per-meter wordt naar boven afgerond. De 8.20 meter van onze Drammer wordt voor het gemak op negen meter gesteld…

*) (her)lees: Op naar Mechelen?

*) (her)lees: Gouden tips

Athverdamme

11 augustus 2001

De sluiswachter staat zijn auto te wassen als ik om kwart over acht met een zak vers brood en mattentaartjes terug kom van de bakker. Op mijn verzoek roept hij de sluis van Deux Acres op met de mededeling dat un bateaux Hollandaise op wil varen naar Ath. We hebben geluk: de ploeg die de vijf sluizen van Geraardsbergen tot Ath bedient, is op dat moment bij de eerste sluis na Geraardsbergen. Als we willen, kunnen we meteen vertrekken. Er wordt op ons gewacht.
Dat betekent om half negen de trossen al los en opvaren naar de sluis van Deux Acres.
Zo vroeg varen, betekent nog meer genieten van de prachtige omgeving en het mooie vaarwater. Het is nog een beetje nevelig na een koude nacht en de zon begint voorzichtig door te komen. De Petronella M splijt met een slakkengangetje het nog rimpelloze water en langs de oever vliegt af en toe een in zijn rust gestoorde reiger op. Zo mooi en ongerept, dat we er stilletjes van genieten en de radio voor een keertje uit laten.

Aangekomen bij de sluis van Deux Acres staan de deuren al uitnodigend voor ons open en worden onze omhoog gegooide landvasten door twee vriendelijke sluiswachters opgevangen. Of we nog even geduld willen hebben, want er komt nog een Hollands schip, dat dix minutes later dan wij uit Geraardsbergen vertrokken is. Dat zijn onze Dordtse mede-opvaarders die ons waarschijnlijk hadden zien vertrekken en besloten hadden mee te gaan.
We liggen voorin de sluis en de sluiswachters hadden ons aangeraden vier lijnen uit te brengen, zodat we naar twee kanten vrij van de muur komen te liggen. Veel helpt dat niet als de schuiven worden geopend en het water naar binnen kolkt. Ze hadden beloofd het schutten doucement te doen, maar ondanks dat ligt de Petronella M als een tolletje in de sluis te draaien. Leve de stootwillen aan alle kanten en de kabelaring! Met een brede armzwaai gebaren we de Dordtenaar na de sluis ons voorbij te varen en de volgende sluizen als eerste binnen te gaan. Hun honderd jaar oude stalen voormalige garnalenkotter van vijftien meter kan beter tegen het instromende water dan ons plastic bakkie en op deze manier liggen wij steeds iets rustiger achterin de sluizen.

Bij de sluis van Lessines moeten de Waalse formaliteiten geregeld worden. Ik moet met mijn papieren mee naar het kantoortje waar voor de somma van 42 Bfrs allerlei formulieren worden ingevuld. Arme sluiswachter. Zo goed als hij was in het opvangen van de lijnen en het handmatig bedienen van de sluis, zo opgelaten voelt hij zich in dat kantoortje. Aan het prikbord hangt een voorbeeld van hoe hij de formulieren precies dient in te vullen. Dat moet veelvuldig worden geraadpleegd. Zijn collega is ook het kantoortje binnen gekomen en helpt hem zo veel hij kan, maar samen staan ze te stumperen boven de paperassen en komen er slechts met de grootst mogelijke moeite uit. Het is echt nog niet zo warm, maar het zweet parelt op zijn voorhoofd als hij lettertje voor lettertje mijn gegevens overschrijft van mijn ICC. De drie formuliertjes die ik meekrijg om aan boord te bewaren, moeten aan elkaar geniet worden en hij krijgt het nog warmer als de nietmachine het niet blijkt te doen. Samen staan ze aan het ding te prutsen. ‘Pas forcer! Pas forcer!’, waarschuwt zijn collega als het zwetend voorhoofd zijn geduld begint te verliezen en met zijn grote knuist op het machientje slaat. Met een zucht van verlichting perst hij er uiteindelijk een nietje uit en kunnen we verder.

De Dordtenaar was me al voor geweest en toen ik het kantoortje binnen kwam, ving ik nog net het laatste stukje van zijn conversatie met de sluiswachter op. Van een echte conversatie kon je niet spreken: de Dordtenaar spreekt geen woord Frans, de sluiswachter kent maar een paar woorden Nederlands. De Dordtenaar lost het probleem op door steeds harder te gaan praten en zijn zinnen steeds kinderlijker te formuleren. ‘Dus deze papieren moet ik bij elke sluis laten afstempelen?’, vraagt-ie dan. Als de sluiswachter hem niet begrijpend aankijkt, verheft-ie zijn stem herhaalt zijn vraag. ‘Deze papieren. Afstempelen elke keer?’ De sluiswachter veegt over zijn voorhoofd en kijkt hem hulpeloos aan. De Dordtenaar legt de papieren op zijn bureau, bonkt er met zijn vuist op en schreeuwt bijna: ‘Stempelen?’. Dan wappert hij met met zijn arm in de richting van de volgende sluis, bonkt weer op zijn papieren en roept: ‘En stempelen?’ ‘Oui, oui’, begrijpt de sluiswachter. Hij trekt de lade van zijn bureau open haalt er een stempeltje en een stempelkussen uit en zet heel zorgvuldig een stempeltje op de papieren. De Dordtenaar kijkt me aan, haalt zijn schouders op over zoveel onbegrip bij die Walen en beent terug naar zijn schip.

Hij heeft toch al zo zijn eigen uitgesproken ideeën, onze mee opvarende watersporter. Vindt het dus eigenlijk wel plezierig, dat we zo samen opvaren. ‘Leuk en aardig, dat varen door België, maar als er wat gebeurt, ben je mooi alleen. Daarom geef ik in iedere sluis ook een fooi. Je kunt maar niet weten en ik heb al zo vaak in België gevaren…’ En als we ’s middags samen afmeren aan de passantenkaai achter het station in Ath staat hij binnen de kortste keren bij ons schip. ‘Ik heb mijn bijbootje maar langszij gelegd. Je weet het nooit op deze plek. Voor je het weet ben je het kwijt. En heb je een anker aan boord?’ Als ik bevestigend antwoord, geeft hij me de tip om dat vanaf de punt te laten zakken, ‘want ze hebben nogal eens de neiging ’s nachts je landvasten door te snijden. Niet dat ik het ooit zelf heb meegemaakt, maar je kunt het maar beter voor zijn.’ ‘

s Avonds sta ik op de wal nog een sigaretje te roken. De Dordtenaar en zijn vrouw zitten buiten te genieten van de zomeravond. Ik loop hun richting uit voor een praatje. ‘Loop je nou al die tijd hier op je blote voeten rond? Ben je niet bang voor injectiespuiten dan?’ Ze waren ’s middags de stad in geweest, hadden zelfs drie kwartier met een walkman op door het plaatselijke museum rond gelopen, maar ‘het is allemaal niks hier, morgen gaan we gauw weer verder!’ Benieuwd of we ze later nog eens tegenkomen. Benieuwd ook naar hun belevenissen en ervaringen. Er zal wel niet veel deugen.

Wat Ath betreft, moeten we ze gelijk geven. Het is een saaie, smakeloze industriestad. Ze hebben wel hun best gedaan er iets van te maken, maar het komt allemaal niet uit de verf. We hebben er rond gelopen en ons bij iedere straat en zijstraat afgevraagd of het nu misschien gezellig zou worden. Nee dus. Misschien werd ons oordeel wat vervormd door onze eerste ervaringen met Ath. Toen we aankwamen, zat er een drietal hengelaars langs de kaai precies voor de plek waar de stroomkast staat. Om toch walstroom te kunnen gebruiken, moesten we zo dicht mogelijk bij hun stekkie afmeren. Dat hebben we geweten. Ik moest onze kabel tussen en langs al hun attributen doorleggen en we werden op een irritante manier de hele middag geobserveerd. We zagen ze niet al te veel vissen, wel blikjes bier achterover slaan, hard met elkaar praten en af en toe in galmend gezang uitbarsten. En maar steeds naar ons kijken of wij het allemaal wel zagen. Vrouw en kinderen kwamen in de loop van de middag eten brengen en bleven even hangen. Het werd daardoor nog gezelliger en luidruchtiger. Af en toe stond er een op, schurkte zijn enorme uit z’n t-shirt puilende pens en kwam op zijn gemak ons bootje nader bekijken. Luid boerend, opmerkingen naar zijn maten schreeuwend, keerde hij dan weer terug naar zijn hengels om nog maar weer een biertje te pakken. Toen ze om half vijf begonnen op te ruimen -althans ze namen hun visgerei mee en lieten hun rotzooi achter- slaakten we een zucht van verlichting en konden bijna niet wachten tot ze in het spoorwegtunneltje waren verdwenen. Onmiddellijk verlegden we de Petronella M een paar meter, pal voor de stroomkast en aansluitend bij onze Dordtenaar. Mochten ze morgen weer een feestje komen bouwen op de kaai, dan kunnen ze alleen nog voor onze boot terecht.
We hebben toch al niks met hengelaars. Vooral de afgelopen dagen hebben we daar behoorlijk last van. De Dender is een smal vaarwater en je kunt het beste zoveel mogelijk in het midden blijven varen. Dat lukt je vaak niet, omdat de wallekant regelmatig ingenomen wordt door grote groene paraplu’s met meterslang uitstekende hengels. Ga er maar omheen, want het merendeel vertikt het die hengel ook maar een metertje in te halen. Onbegrijpelijk. Op een dag als vandaag komen er welgeteld twee bootjes voorbij. Voor de rest van de dag hebben ze het viswater voor zich alleen. Is het dan teveel gevraagd die meterslange visstok even in te halen? Onze Dordtse voorbuurman moest op een gegeven moment zoveel uitwijken, dat hij vast liep en wij ploegden hele stukken door de modder, achter ons zwart grondwater opdraaiend. De meeste vis schijn je trouwens bij bruggen en sluizen te vangen. Nu zijn de sluizen hier al niet zo breed (een meter of vijf), dus is het zaak de sluisopening zo recht mogelijk aan te varen. Maar dan moeten er niet aan weerskanten van de sluis hengelaars langs het water zitten. Die even opkijken van hun dobber en ons slalommend de sluis zien invaren. Je krijgt de neiging je niks aan te trekken van die vele dobbers en gewoon eigenwijs het midden van het vaarwater te houden. ‘Doe het maar niet’, zegt onze Dordtenaar, ‘voor je het weet heb je een steen door je ruiten…’

Op naar Mechelen?

30 juli 2001

We hebben de ontbijtboel nog maar net weggeruimd of de man die langs de straat over het hek stond geleund spreekt ons aan. Wat ons schip moet kosten? Nu hadden we de eerste dagen van deze vakantie al eerder belangstellenden voor onze boot gehad, maar deze man maakt een meer dan serieuze indruk. Hij bleek gisteren met zijn vrouw een dagje in Gent te zijn geweest, had een bootje gehuurd en de Petronella M te koop zien liggen. Vanmorgen vroeg was hij vanuit Mechelen op de trein gestapt (‘Kijkt u maar mijnheer, hier is mijn treinkaartje eerste klasse’) en binnen de kortste keren zat hij bij ons aan boord, kreeg volop mondelinge en schriftelijke informatie en was laaiend enthousiast! Zelfs het osmoseverhaal zat hem in het geheel niet dwars. Of dat snel verholpen moest worden of dat zoiets ook nog even kon wachten? Welnee, deden wij naïef, wij varen er toch ook nog mee? Hij bleek verstand van motoren te hebben, vond de enorme plas water in de kiel (waar komt die nou weer vandaan?) geen enkel probleem (‘hoort erbij, prima!’) en constateerde dat ‘de motor nog als nieuw was en nog nooit goed heet geworden’. Keek vergenoegd om zich heen, mompelde telkens dat je wel kon zien, dat dit een werfgebouwd schip was en zo degelijk, zo degelijk… Kijk dat schuifluik, prachtig, en die deuren, zo massief en dan dat touw om de hele romp heen, dat verdeelde de krachten zo prachtig. En wij alles maar beamen. Maar inwendig dachten we: als-ie nou maar niet vraagt of we de motor willen starten, want die wil wel eens weigeren. Of dat-ie de dieptemeter in werking wil zien, want die heeft de geest gegeven. En laat-ie alsjeblieft van het knopje van de toeter afblijven, want die doet het al twee jaar niet meer. En degelijk? Ziet-ie de beschadigde vloer dan niet? Vindt-ie de preekstoel echt mooi?
Midden in het gesprek gaat zijn mobiele telefoontje over. Het is zijn vrouw. ‘Nee, ik sta nu bij het echtpaar aan boord. Ze zaten nog aan het ontbijt, ja, dus ik heb even wat winkels bekeken…. ja prachtig, schitterend, als nieuw…..ze willen groter, ja…..osmose, ja….dan zitten er kleine blaasjes in de huid, kun je vergelijken met afschilferen….nee, geen enkel probleem….en dan de motor, hè, is als nieuw, heeft nog nooit goed heet gedraaid….ja, ja, wat we al dachten: werfgebouwd en dat zie je….schoon, heel schoon….een plaatje…’.
Gewapend met de A4-tjes informatie, waarop we nog snel de prijs in Belgische francs en in Euro’s hadden opgekrabbeld, stapt hij weer van boord. Als hij de steiger af is, kijken Nel en ik elkaar aan, kunnen niet geloven wat we hebben meegemaakt, leggen onszelf de beperking op niet al te enthousiast te doen, maar besluiten wel alvast als het moet naar Mechelen te varen, vandaar de trein naar huis te nemen en met de auto terug te komen…

Door de Mechelse kijker vertrekken we wat later dan gepland. Op weg naar Brugge, wat ons einddoel is voor vandaag, moeten we even een klein stukje om vanwege het diesel tanken. Omdat het bunkerstation ‘vlak na de sluis van Evergem op de linkeroever ligt’, zijn we verplicht te schutten en een klein stukje het Kanaal van Gent naar Terneuzen op te varen. Als we voor de sluis afmeren om een achteropkomend vrachtschip voor te laten gaan, meert er ook een gezin met kinderen voor ons af. Althans, dat is de bedoeling, maar helemaal vlekkeloos gaat dat niet. Vader draait de kop van zijn schip keurig naar de muur, dertienjarige zoon staat op het voordek om de lus om een bolder te gooien, gooit mis, moeder achterop weet al helemaal niet wat ze moet doen en vader begint beiden op zo’n ongenadige manier uit te kafferen, dat het luid en duidelijk over het water galmt. In het Frans weliswaar, dus volgen kunnen we het niet helemaal, maar de toon van het geschreeuw over en weer laat er geen twijfel over bestaan wat er gaande is. Als we de sluis invaren, herhaalt zich dit spektakel: de zoon krijgt er weer ongenadig van langs en we hebben zielsmedelijden met de jongen die diepongelukkig boven op de sluismuur met een losse landvast in zijn handen onderdrukt staat te snikken van verdriet tot vader naar boven klimt, de landvast van hem over neemt en zijn zoon aan boord verdwijnt. We hebben hem niet meer buiten gezien…

‘Vlak na de sluis op de linkeroever’ is geen bunkerstation te bekennen. Op goed geluk varen we na een kilometer een inham in waar veel binnenvaartschepen liggen. Nadat we langszij hebben afgemeerd, klauter ik over vier schepen aan de wal en tref daar ene Diederik die aan zijn auto staat te sleutelen. ‘Nee, mijnheer, hier kunt ge niet bunkeren. Maar ik weet wel een oplossing. Ik bel even voor u.’ Hij krijgt telefonisch bevestigd, dat Roger ‘op ’t kot ligt’ en wijst me de weg er naartoe. Dat blijkt nog eens twee kilometer verder te zijn in de zeehaven van Gent.

Daar ligt inderdaad een bunkerbootje en daar kunnen we (eindelijk) diesel innemen! Bij het wegvaren doet de schroef vreemd (geen wonder met alle troep die we in de haven zagen drijven), maar met wat heen en weer geschakel krijgen we hem weer ‘schoon’, zodat we eindelijk naar Brugge kunnen reizen. Met weer terug schutten mee zijn we al met al tweeëneenhalf uur in de weer geweest om weer een volle tank te krijgen.

Als je het eerste uur op het Kanaal van Gent naar Oostende vaart, is het allemaal nog wel leuk, maar na een paar uur heb je het wel gezien, ondanks af en toe leuke plaatsjes langs de oever en stukken met bebossing. We zijn dan ook blij als we aan het einde van de middag in Brugge arriveren, waar we -het venijn zit hem in de staart- nogal wat oponthoud hebben door de spitssluiting van de bruggen. Het is al dik na zessen als we kunnen afmeren ‘bij de molentjes’, een tip die we in Gent gekregen hadden van de moeder van Boel, die zo pomp af was. Inderdaad een mooie gelegenheid om af te meren: een goede wal langs het kanaal en pal achter de dijk ligt Brugge. Dat je drie kwartier moet lopen voor je in het centrum bent, dat aan de overkant van het kanaal de ringweg rond Brugge is waar het verkeer in een constante stroom voorbij dendert en dat boven op de dijk een fiets- en wandelpad is, mag de pret niet drukken. We hebben zelfs aan de andere kant van de dijk de gezellige muziek van het jaarlijkse straatfeest, waar in een minidraaimolentje de kinderen rondjes draaien en de vaders elkaar ’s avonds van een balk af proberen te slaan die boven een zwembadje is geplaatst. Die dat dan weer zo enthousiast doen, dat de loodzware juten zak vol water het publiek invliegt, uitgerekend bovenop een oude invalide dame in een rolstoel. De hele straat in consternatie, een bestuur dat zich uitput in verontschuldigingen om na een minuut of tien de feestelijkheden weer te hervatten. Heerlijk. We zijn in Brugge!

België? België!

21 augustus 2001

We zijn weer in Nederland. Via het laatste stukje van het Kanaal Bocholt-Herentals, twee sluizen en de Zuidwillemsvaart passeerden we vanmorgen de Nederlandse grens. De Belgische franken kunnen opgeborgen, de kaart en de documentatie kan in het kastje en we hoeven ons niet meer te melden bij de sluizen.

En hoe was het nou, België?
Voor we een krappe maand geleden bij Antwerpen onze reis begonnen, kenden we dit vaargebied alleen maar van de verhalen. Verhalen over de vele sluizen, de andere mentaliteit van het sluis- en brugpersoneel, de mindere en slechtere accommodaties en de sterke vervuiling. Maar ook verhalen over de prachtige historische steden en het fraaie natuurschoon.
Allemaal waar. Varen door België betekent in de eerste plaats meer werken, meer in de weer zijn dan in Nederland. ‘Jij houdt alles zo precies bij’, zei Nel, ‘kun je nu nagaan hoeveel sluizen en bruggen we de afgelopen maand hebben gehad.’ Ik had die vraag al verwacht en pakte mijn aantekeningen. ‘Driehonderdvijftien vaste bruggen, 106 bascule-, draai- en ophaalbruggen en 76 sluizen’, las ik op. ‘Die vaste bruggen zijn natuurlijk geen probleem geweest’, stelde Nel nuchter vast, ‘we hebben zelfs maar een paar keer ons mastje moeten laten zakken. Maar die beweegbare bruggen en sluizen, poeh, dat is toch bij elkaar 182 keer oponthoud geweest. Hebben we 182 keer door de verrekijker staan turen. En iedere keer maar weer afwachten of er voor een brug wel aanlegmogelijkheden waren als we langer moesten wachten.’
‘Of in de sluizen speuren naar bolders en ankers in de muur’, vulde ik aan, ‘en wat waren we blij als de sluiswachter ons hielp en we de lange lijnen konden opgooien.’

We kwamen tot de conclusie, dat er deze vakantie soms zware, vermoeiende dagen waren geweest. En dat het schutten zelf in België minder comfortabel verloopt dan we in Nederland gewend zijn. Het verval is meestal groter, dus je gaat in iedere sluis een behoorlijk eind omhoog of omlaag. In Nederland letten we daar niet zo op, maar al heel snel hadden we hier onze eigen ‘schutroutine’.
Van hoog naar laag is het makkelijkst: je vaart de sluis binnen, stapt simpelweg op de kade en gooit de twintig meter lange lijnen om een bolder. En altijd afmeren aan de kant van het sluiswachterskantoor. Dat is makkelijk als je moest stempelen of je gele kaartje moet laten zien.
Omdat de sluiswachters niet bepaald rekening houden met de kleine pleziervaart en in één klap de schuiven fors open zetten, kolkt het water voor in de sluis met groot geweld naar buiten. Vaak heb je je bootje niet meer helemaal in de hand en schuif je langs vier stootwillen langs de muur omlaag. Van laag naar hoog was altijd lastiger. Hoe vaak zijn we geen sluis binnen gevaren en keken we op tegen metershoge vieze glibberige muren met ver en onbereikbaar boven ons de kade met bolders en in het midden van de sluismuur één trap. Als er dan geen vriendelijke sluiswachter je lijn opving of aan een touw een haak liet zakken, moesten we voor en achter op die trap beleggen. Als we de keuze hadden, schoven we zo ver mogelijk door naar voren. Hadden we de pech achter in de sluis te moeten blijven, dan was het hard werken als de sluiswachter vlak achter de kont van je boot de schuiven open zette en je in de ‘waterval’ kwam te liggen.

‘Als we nog eens naar België gaan, moeten we zeker meer stootwillen hebben’, concludeerde Nel, ‘ik begrijp nu al die Belgische schepen die aan alle kanten volhangen.’ Ik gaf haar gelijk. Vier weken geleden wezen we elkaar nog op Belgische kruisers die als een kerstboom waren opgetuigd met stootwillen. Het duurde geen week of we moesten vaststellen, dat zes stootwillen eigenlijk te weinig was om zonder schade te schutten. Onze kabelaring heeft het dan ook zwaar te verduren gehad en zit vol gehavende plekken. En wat verbaasden we ons ook over al die Belgen die hun stootwillen maar buiten boord lieten hangen, te beroerd om ze even op te ruimen. Ook dat heeft bij ons niet lang geduurd. Binnen de kortste keren hadden ook wij geen zin meer in ‘balletje buiten, balletje binnen’ en voeren we constant met alle lijnen paraat en de ‘ballen buitenboord’.

We hebben ons dus duidelijk een andere manier van schutten eigen moeten maken en dat went heel snel. Want toen we vanmorgen in sluis 16 lagen (de eerste sluis op Nederlands grondgebied) viel het ons op, dat de sluisdeur pas achter ons werd gesloten toen we helemaal en goed vast lagen, dat er keurig een sirene ging toen het schutten begon en dat we centimeter voor centimetertje naar beneden werden geschut. En gek, maar na vier weken België betrapte ik mezelf erop, dat ik dacht: ‘Kan dat niet wat sneller allemaal? En zo’n sirene. Ik zie heus wel wanneer het water begint te zakken.’

‘Ach, en het is allemaal al zoveel schoner’, zeggen de Belgen dan als we het over hun vervuilde vaarwater hebben. Best mogelijk, dat hebben wij nooit meegemaakt, maar we vinden het op veel plaatsen smerig. Er wordt van alles en nog wat in het water geflikkerd, waarbij de PET-flessen favoriet zijn. Duizenden hebben we voorbij zien drijven, samen met volle vuilniszakken, boodschappentasjes en grote lappen plastic. Hoe vaak hebben we geen blik over de kont van de Petronella M geworpen om te kijken of er nog voldoende koelwater uit de uitlaat kwam? De prachtigste plekjes hebben we onderweg gezien, maar dichterbij gekomen, lag het er vol met lege wijnflessen, oude kleding, vuilnis en los zwerfvuil. Was het typisch Hollands, dat het eerste voertuig dat we vanmorgen op Nederlands grondgebied voorbij zagen komen een grote vuilniswagen was?

Maar het varen op zich is schitterend. Schoon in de Vlaamse betekenis is het zeker. Prachtige watertjes, fraaie historische steden en schitterend natuurschoon. Vooral de heuvelachtige landschappen spraken ons erg aan. Maar we hoeven niet meteen volgend jaar weer terug. Het was prachtig, we hebben heel veel gezien en veel meegemaakt en over een jaar of vier zullen we beslist nog eens naar België terug gaan. Misschien dat we dan ons vaargebied moeten beperken, minder willen doen dan we nu de afgelopen maand hebben gedaan. Was het onze oude fout weer, dat we in een zo kort mogelijke tijd ‘heel België’ gedaan moesten hebben? En we zullen ons dan beter moeten voorbereiden en de ervaringen van deze reis moeten gebruiken om een aantal knelpunten op te lossen. We gaan zeker België niet meer in zonder marifoon, want hoewel niet verplicht is die onontbeerlijk. En we zullen nog meer reserve-jerricans meenemen voor de dieselolie. En meer stootwillen. En voldoende telefoonkaarten voor de mobiele telefoon. En kilo’s pijptabak.

Het zal wel komen door de ranzige winkeltjes van gisteren, dat we vanmiddag in Weert zo genoten bij Albert Heijn. Wat een keuze, wat een assortiment, wat schoon! We deden drie keer zo lang over die paar boodschappen als normaal en kochten meer dan we echt nodig hadden. ’s Lands wijs, ’s lands eer, zeggen we altijd. Aanpassen aan het land waar je bent. Eten wat de pot schaft. Niet zeuren, het is vakantie. Maar wat hadden we vanmiddag graag het groezelvrouwtje van het winkeltje bij de sluis een rondleiding door Albert Heijn gegeven!

Eén van de eerste dingen die we vanmiddag in Weert kochten was een telefoonkaart voor ons mobieltje. Konden we het thuisfront tenminste weer bellen, die we bij de laatste gesprekken vanuit België steeds op het hart drukten het kort te houden en waarschuwden, dat de verbinding verbroken kon worden. Iedereen weet nu weer waar we zitten: in de bloedhete gemeentehaven van Weert, waar we weer met lappen in de weer zijn om tentjes te bouwen en waar de boot weer een oventje is. ‘Je zou airco in je boot moeten hebben’, zei de schipper van de achter ons liggende kruiser met een serieus gezicht. Het is een Amsterdammer, dus of-ie dat nou echt meende…

Kinderdag

12 augustus 2001

Dat is toch wel maf.
Je ligt met je bootje in Ath en ’s middags komen je kinderen op bezoek. Saskia, Gertjan en Karlijn hebben twee weken in Tsjechië doorgebracht en op hun terugreis naar huis ‘wippen’ ze even bij ons aan. Vreemde gewaarwording als je tegen half twee een grote, grijze stationcar met op het dak twee fietsen voor je bootje ziet stoppen.
En dan is het ineens druk aan boord van de Petronella M waar het binnen de kortste keren vol staat met kinder- en kleinkinderspulletjes, waar plots weer de penetrante geur van een enorme poepluier hangt, waar we verrast worden met een boodschappentas vol Tsjechisch eten en drinken en waar we elkaar de oren van het hoofd kletsen met wederzijdse vakantiebelevenissen.
En waar we op plannen broeden om gezamenlijk nog iets te ondernemen en hoe de kinderen hun vakantie afsluiten. Een stukje meevaren? Een dagje blijven? Overnachten in Ath? Bij Peter en Eliane langs die in het Centerparc van Peer zitten (bij de meubelboulevard rechtsaf, had Eliane gezegd…) of -drie uurtjes rijden- meteen door naar de Blaaksedijk. Het wordt een extra overnachting in Hotel du Parc in Ath.

Saskia en Gertjan moeten nodig hun korte broek onder uit hun bagage opdiepen (dat het hier zulk mooi weer is, dat was hun tweede week in Tsjechië wel anders) en Karlijn is met haar tomeloze energie niet te stuiten. Gaat drempeltje heen en drempeltje terug, vermaakt zich met een bak knijpers en een stukje touw, wil overal op klimmen en ‘kwak-kwakt’ de hele middag naar de eenden die rond onze boot zwemmen. Is doodmoe van alle indrukken, maar wil natuurlijk niet slapen in die vreemde voorpiek. Ook ’s avonds niet nadat ze een Tsjechisch potje eten op heeft (het zal wel bloemkool zijn aan de geur te oordelen, want het etiket kunnen we niet lezen).

Terwijl we zelf nog aan de vette hap zitten van het frietkot naast het station begint ze vanuit de punt te dreinen. Dat zal niet meer stoppen en Saskia en Gertjan besluiten dan maar op te breken en hun hotel op te zoeken. Zoals we dat alle opa’s en oma’s onderweg zien doen die de kinderen een dagje aan boord krijgen, lopen we keurig mee naar de parkeerplaats, wensen ze een goede reis terug en ontdekken terug aan boord de vergeten beker van Karlijn. Een goede reden om een avondwandeling te maken en meteen die beker in het hotel af te geven. Plannen om een schone onderbroek mee te nemen en in het hotel te douchen worden over boord gezet. Als we de parkeerplaats oplopen, komt Gertjan net aangereden om de beker op te halen. We krijgen een lift naar het centrum, drinken daar koffie op een van de vele terrasjes en moeten ons negatief oordeel over Ath van de dag ervoor nodig bijstellen. Wat een gezellig marktplein! Wat ziet het er leuk uit met al die terrassen en fraai verlichte gebouwen!

Terug aan boord zitten we in de kuip nog na te genieten van deze kinderdag en het mooie zomeravondweer als onze voorburen met de fiets naast onze kuip stoppen voor een praatje. Dat zetten we voort aan boord van hun schip, waar we alles uitgebreid moeten bewonderen en onder het genot van de nodige pintjes alle ellendeverhalen te horen krijgen van de bouw van hun schip en hun ervaringen met Stevens Jachtbouw in Dintelmond. ‘Stevens Jachtbouw?’, doen wij verbaasd, ‘maar dan moeten we jullie schip daar gezien hebben!’ Klopt helemaal en toen al hebben we ons verbaasd over de grootte van het casco en de lelijkheid van het enorme stuurhuis met de enorme raampartij. Maar ze wonen erop, deze Brabanders, het is tegelijkertijd hun huis en ze hebben die ruimte volop nodig. Dus is er een compleet ingerichte keuken met keramische plaat, vaatwasser, koelkast en vrieskist. Hebben ze een volwaardige badkamer met een douche van Gamma-afmetingen en een normaal toilet met stortbak en staat er voorin het schip in de slaapkamer een groot tweepersoons waterbed. Ze zijn nog lang niet klaar (‘de keuken moet dit jaar af en dan gaan we weer sparen voor het stuurhuis’), maar zielsgelukkig met hun woon- en recreatieschip. Als we ver na middernacht van boord stappen, spreken we af de volgende dag samen op te varen.

Jabbeke

31 juli 2001

Je moet beslist geen haast hebben als je door Brugge vaart. Meer geroutineerde Belgiëgangers zijn daar al aan gewend en maken zich er niet druk om. Hoort erbij, vinden ze. Wij moeten het Belgische ritme en de mentaliteit nog te pakken krijgen. Verbazen ons er dus nog over als een sluiswachter je in een vrijwel lege sluis met nog overal plaats aan de muur heel gedecideerd naar de overkant van de sluis verwijst. Hebben nog niet in de gaten, dat je bij iedere brug zo’n twintig minuten met een zestal schepen ligt te draaien tot de bomen naar beneden gaan.

‘Heerlijk juist, dat kalme’, zegt de vrouw op de Pedrokruiser die aanbiedt om langszij te komen. Vreemd, want we hebben de plekken langs de sluismuur nog voor het uitzoeken, maar ach, als iemand zoiets aanbiedt, schut het wel wat gerieflijker. ‘Dat rustige tempo nietwaar, daar kan ik zo van genieten. We lagen vanmorgen voor de eerste brug van Brugge en zijn om kwart over acht gaan varen. Met wat geluk zijn we om elf uur de stad weer uit. Ja, Brugge, daar moet je de tijd voor nemen. Een uurtje of drie, vier voor de doorvaart moet je toch wel rekenen. We zijn op weg naar de kust, hè. Druk hoor daar in Oostende en Nieuwpoort. Mijn man heeft twee dagen geleden al moeten reserveren. Maar ja, we zijn dan ook ruim twaalf meter lang, hè, dan moet je dat soort dingen wel vooraf regelen, anders vis je overal achter het net. Kijk, met uw bootje kunt u natuurlijk altijd nog wel ergens terecht, maar voor ons ligt dat anders.’ We beginnen te begrijpen waarom deze Pedrodame ons zo graag langszij wilde hebben, want ze is niet te stuiten. Geeft aanwijzingen hoe en waar Nel de fender moet hangen om hun schip niet te beschadigen. En babbelt en babbelt maar over hun geweldige schip, dat er inderdaad uitziet om door een ringetje te halen. Nergens een vies plekje, geen spetje, geen spatje, alles blinkt je tegemoet. Hagelwitte landvasten en zelfs op de stootwillen geen smetje te bekennen. ‘Nieuw, zegt u? Nee hoor, dit schip is al tien jaar oud. Het is onze vierde Pedro al en we willen ook niets anders. We zijn wel wezen kijken hoor, bij andere werven, maar neem nu bijvoorbeeld de Soeper Ven Creft, haalt het niet bij dit schip. En we doen er niets aan hoor. In het voorjaar maakt mijn man de romp schoon met water en azijn en in de vakantie maakt-ie alleen ’s morgens de boot droog als er dauw opligt.’ Als we sluis uitvaren en nog even achterom kijken, zien we haar in haar smetteloze kleding op het smetteloze voordek alweer met een dweiltje in de weer…

Met de zes schepen uit de sluis varen we in konvooi het Kanaal van Gent naar Oostende af. Misschien zijn het cowboyverhalen over die drukte aan de kust, maar we voelen er niets voor in bomvolle marina’s terecht te komen. Met de kaart erbij bedenken we varend een plan: bij Stalhille, vlak voor een fietsbrug staat een aanlegsteiger aangegeven, nota bene met water en elektriciteit. Aan de overkant van het kanaal ligt het plaatsje Jabbeke en dat heeft een spoorwegstation. Kunnen we vanmiddag mooi de trein nemen naar Oostende, daar de kusttram pakken en vanavond weer terug aan boord zijn.

De steiger is er inderdaad en wel zo hagelnieuw, dat we ons niet kunnen voorstellen dat die er lag in 1999, de datum van uitgifte van onze waterkaart. Op het bord bij de steiger staat inderdaad een symbooltje voor water en elektra, maar de aansluitingen kunnen we niet ontdekken. Zijn er ook niet, bevestigt iemand uit het buurtschap. Zijn ze nog niet aan toegekomen.

Het station van Jabbeke is met twintig minuten te belopen. Tijdens onze wandeling er naartoe horen we de treinen al voorbij komen. Wel verbazen we ons erover, dat die treinen met enorme snelheid voorbij razen, maar dat wordt ons duidelijk als we bij het station arriveren: totaal vervallen en -vertelt iemand ons die zijn hek staat te schilderen- al jaren opgeheven. Of er dan geen bus rijdt? Natuurlijk wel. Even doorlopen naar het centrum van Jabbeke, zo’n drie kilometer verderop, de halte is bij de kerk. Achteraf zijn we nog gek geweest dat te doen. Het is weer zo’n dag waarop de temperatuur oploopt tot rond dertig graden. Daar lopen we dan, puffend van de hitte op het heetst van de dag om er na drie kwartier bij de halte achter te komen, dat de bus naar Oostende net is vertrokken, dat er elke twee uur een volgende bus vertrekt en dat de reistijd van 18 kilometer naar Oostende drie kwartier bedraagt. We besluiten alleen maar boodschappen te doen en een taxi terug naar de boot te nemen. Als we met een pint en bruiswater op een terrasje zitten en ik de serveerster vraag naar een taxi, krijgen we te horen dat Jabbeke zelf geen taxi’s heeft, dat ze er wel een voor ons kan bellen, maar die moet dan uit Brugge of Oostende komen. Waarschijnlijk door onze teleurgestelde, vermoeide gezichten biedt de eigenaresse van het terras aan ons even met haar eigen auto naar de boot te brengen. Ze zet ons keurig bij het verlaten station weer af en wil van geen betalen weten…

Het blijft tropisch heet en voor de zoveelste keer besluiten we niets meer te ondernemen.
Nel zit op de steiger te lezen onder de paraplu, ik loop mezelf weer zwetend in de weg en besluit een frisse duik in het kanaal te nemen als er net op dat moment een dood, als een ballon opgeblazen schaap onder de brug door komt drijven. Dan maar geen frisse duik en de man te woord staan, die met zijn auto stopt en informeert naar de prijs van ons schip. Die hier dus blijkt te wonen en als we hem vertellen, dat het een prachtige ligplaats is, maar dat er nog geen water en stroom is spontaan aanbiedt bij hem voor de deur te komen liggen. ‘Ik woon een paar honderd meter verderop, stap maar in, kun je even kijken of het je bevalt en dan kun je van mij wel stroom krijgen’. We hebben bedankt en zijn aanbod beleefd afgewimpeld.
Te lui om te verkassen. Te loom om zelfs maar een paar honderd meter op te schuiven…

Er is hier niet alleen een steiger, er staan ook drie picknickbanken met afvalbakken. We liggen pal aan een van de vele toeristische fietsroutes en regelmatig zijn de bankjes bezet door fietsers die hier even afstappen en wat eten en drinken. Na het avondeten lijkt het of de meidagen van 1940 worden herhaald: een grote groep van drie Duitse gezinnen neemt volledig bezit van picknicktafels en steiger. Staan ongegeneerd brutaal op een rijtje langs onze boot en rekken hun halzen uit om alles binnen en buiten op hun gemak eens goed te bekijken. Knopen een praatje met me aan en vragen naar de prijs van so ein Schiff. Niet dat ze serieuze kopers zijn, maar gewoon, zo maar, leuk, ze zijn nu toch hier. Komt ervan als je met een bordje te koop rondvaart. Eén van die Duitse kindertjes vindt het nodig met de stootwillen te gaan spelen en als ik daar iets van zeg, roept zijn moeder, die van de zadelpijn zowat geen poot meer kan verzetten, vanaf de picknicktafel dat het kind het niet kon helpen, dat blauw zijn Lieblingsfarbe ist en dat hij er dus gewoon even aan moet zitten. Nog een wonder, dat ik zo beleefd ben gebleven.

Vlak voor het donker wordt, komt er een oudere vrouw met omslagdoek en plastic Blokkertas de picknickplaats opgeschuifeld. Bij de eerste vuilnisbak blijft ze staan, trekt een paar handschoenen aan en begint de inhoud van de bak te inspecteren. Wat er van haar gading inzit, verdwijnt in de Blokkertas en zo werkt ze drie vuilnisbakken af: haalt er iets uit, bekijkt het keurend en gooit het terug of stopt het in haar tas. De andere ochtend om vier uur blijkt dat ze precies op tijd is geweest. Het is nog donker als we wakker worden omdat er naast de Petronella M een grote vrachtwagen van de reinigingsdienst stopt met zwaailicht en reutelende dieselmotor. Het is ook nooit goed. Mopperden we in Brugge dat de vuilnisbakken overliepen en ze niet op tijd geleegd werden, is het nu weer niet naar onze zin als ze de bakken keurig netjes wel komen verschonen.

Zware dag

13 augustus 2001

De Vlaamse Belg die ons in Beernem deze route had voorgesteld, had van dit traject al gezegd, dat het ‘een zwaar dagje’ zou worden. Om kwart voor negen wordt de motor gestart en varen we op naar ecluse dix-neuf in Ath. Tien ophaalbruggen, negentien sluizen en 22,5 kilometer verder varen we zeven uur later bij Blaton het Canal Nimy-Blaton-Peronnes op. Nog eens twee uur later meren we af aan de passantensteiger van Grand Large in Mons.

Zoals afgesproken, vertrokken we samen met onze Brabançonnes, lieten hen keurig als eerste in de sluis gaan en lagen prinsheerlijk beschut tegen het binnenkolkende water achter hun dikke kont van bijna vier meter breed. En wat ging het weer van een leien dakje. Spreek je op zaterdag met het hoofd van de equipe af, dat je op maandagmorgen om negen uur bij de sluis zal zijn, dan staat die sluis al voor je open en word je vlot zo’n metertje of vier omhoog geschut. Als je de sluis uitvaart, draaien ze achter je de deuren nog even dicht, stappen op hun brommertje, rijden je stofwolkend en groetend op het jaagpad voorbij om bij de volgende sluis alweer voor je klaar te staan. Jammer genoeg zijn de sluizen niet al te groot en kunnen er -met wat passen en meten- drie schepen van gemiddelde afmetingen tegelijk in. Met onze bovenmaatse Brabander passen we dan ook precies in een sluis.

Achter ons lag er in Ath ook nog een forse Duitse kruiser, die ons had zien vertrekken en ook meteen de landvasten losgooide. Die paste niet meer in de sluis en daar moesten we regelmatig op wachten tot ook hij na ons geschut was. Jammer, want eigenlijk wilden we een beetje opschieten, met negentien sluizen voor de boeg. Gelukkig hadden we de weersomstandigheden mee. ‘We krijgen de komende dagen een hittegolf,’ zeiden de Brabanders in sluis 15, ‘hebben we gisteravond nog op de televisie gezien. Was het nou op SBS of RTL? Nou ja, doet er niet toe, het wordt in ieder geval de komende dagen weer behoorlijk warm!’

Bij Beloeil haakten onze Brabanders en de Duitse kruiser af omdat ze daar het kasteel en het museum wilden bezoeken. ‘En bovendien,’ zei de buurvrouw, ‘ben ik het zat na negen sluizen. Mij gaat het allemaal te langzaam. Geef mij maar een speedboot!’

De nog resterende tien sluizen hadden we dus het rijk alleen en omdat we vanaf hier weer omlaag werden geschut geen enkel probleem. Het water staat hoog in de sluis, je hebt met geen ander schip rekening te houden en je stapt zo van je boot op de kademuur. Er hoefden ook geen lijnen meer omhoog gegooid te worden naar de sluiswachter. ‘Moet ik toch nog eens oefenen,’ zei Nel, als ze weer eens (oeps) de tros in het water had gesmeten.

‘Meteen na de verkeersbrug van de E42 aan bakboord de Grand Large opvaren en achter de strekdam gaan liggen,’ had onze Beernemse reisvoorlichter gezegd. Er was wel een havenmeester, zei hij, maar die zouden we waarschijnlijk niet te zien krijgen, want die was altijd dronken. Hij moet er al een paar jaar niet geweest zijn, onze Vlaamse Belg, want Grand Large is een heuse marina. Met een hoog boven de haven uittorenend office, bemand door keurige blauwe-pantalon-hagelwit-shirt-medewerkers, die je een plaatsje toewijzen en je verzoeken je te komen inschrijven. Waar je met een glazen lift naar hun kantoor moet en na inschrijving en betaling een creditcard krijgt voor de sanitaire ruimte. Daar zijn volop riante douches en toiletten, daar staan ook wasmachines en drogers. Verder is hier een restaurant, kun je er speedbootjes te water laten, is er een gedeelte van het water bestemd voor jetski’s en komt er binnenkort nog een waterskikabelbaan. Keurig geregeld allemaal, keurig verzorgd, niks op aan te merken, maar de dronken havenmeester heeft al een poosje geleden zijn congé gekregen.

Ludo

1 augustus 2001

Wat is dit ontspannend! Wat een verschil met gisteren! Ergerden we ons toen groen en geel aan de traagheid waarmee bruggen en sluizen in Brugge werden bediend, vandaag is het tegenovergesteld. De een na de andere brug op het Kanaal van Gent naar Oostende, dat van Plassendale naar Nieuwpoort en het Kanaal van Nieuwpoort naar Duinkerken wordt zonder mankeren of noemenswaardig oponthoud voor ons geopend. Bovendien wordt het vaarwater na de openstaande sluis van Plassendale smaller en lieflijker en is er daardoor geen grote beroepsvaart meer. We genieten! Tuffen met een rustig gangetje met twee andere Hollandse schepen langs fraaie landschappen en door aardige plaatsjes.

Als we met die twee andere Hollandse schepen wachtend rondjes draaien voor de Gravensas komt ons een Belgische kruiser achterop. Als we groen licht krijgen om te schutten, is er enig misverstand wie van ons tweeën als eerste de sluis binnen zal varen. Met een genereuze armzwaai laten we de Belg voorgaan. Hadden we het maar niet gedaan! Maar konden wij weten dat de man en de vrouw aan boord van hun Princess zo hun eigen manier van afmeren hebben? Dat ze de meest vreemde capriolen uithalen om langs de muur te komen? Dat ze tergend langzaam de sluis invaren, de Petronella M in hun kielzog op zo’n vijf meter afstand? Dat ze weliswaar het voorschip vast weten te maken, maar geen achterlijn kunnen uitbrengen en daardoor scheef in de sluis komen te liggen? Een sluis die maar net breed genoeg is voor twee schepen. Handen, voeten en stootwillen zijn nodig om schade te voorkomen. Wij moeten hun schip voor onze preekstoel langs naar de bakboordsmuur duwen en liggen daardoor nu zelf helemaal achterin dwars in de sluis. Als we uiteindelijk aan de stuurboordwal hebben vastgemaakt en de sluisdeuren zich sluiten, spreekt de Belgische schipper ons aan: ‘Geen schade, hoop ik? Ja, u zat ook zo dicht achter me, dat ik niet meer kon manoeuvreren. U hoeft echt niet zo’n haast te maken hoor, want ze hebben hier tijd zat!’ Alsof het nota bene onze schuld was, dat hij dwars in de sluis lag! En nog geen bedankje, dat we hem aan de muur hebben geholpen! Maar we hebben ervan geleerd. Als we onmiddellijk na de Gravensas aan de overkant de Veurnesluis invaren, laten we hem ruimschoots voorgaan. Sterker nog, we varen de sluis pas binnen tot hij zeker en vast aan de muur ligt. En maar goed ook, want op precies dezelfde manier als een half uurtje ervoor komt hij weer helemaal dwars in de sluiskom te liggen en weet slechts met veel heen en weer gebrul van zijn motor en de pikhaak uiteindelijk aan de muur te geraken.

De twee andere Hollandse schepen blijven achter in Nieuwpoort en wij trekken met onze Belgische Prinses door naar Veurne. Op de kaart hadden we gezien, dat daar een gemeentelijke haven is met drinkwater, stroom en diesel. Daar worden we ook weer geconfronteerd met de Belgische watersportambtenarij. Bij binnenvaart van Veurne door een smal openstaand sluisje komt er een geüniformeerd manspersoon naar buiten, die je verzoekt in het sluisje even vast te maken om de formaliteiten te regelen. Geen probleem: je geeft je gele kaartje af waar al je gegevens opstaan, de man neemt alles netjes over en verwijst je ‘direct na het sluisje naar stuurboord’ waar de passantenhaven is. ‘Als u een plekje hebt gevonden, moet u zich verder nog maar even melden’, zegt hij als we weer losmaken. Maar als je dan hebt afgemeerd in een bijna lege haven en je weer bij hem meldt op het kantoor, krijg je te horen, dat het uniform geen zeggenschap over de haven heeft. ‘Ik doe alleen de administratie. Voor al het andere moet u in het havengebouwtje zijn.’

Aan dat havengebouwtje hangt in vier talen de mededeling, dat je je dient te vervoegen bij Ludo Viane, kunstschilder in de Molenbergstraat. Intussen heb je al gemerkt, dat je voor de stroomaansluiting een snoer met een speciale stekker moet hebben en dat de enige drinkwaterkraan op de steiger buiten gebruik is. Dan loop je Veurne maar in, treft na vier vergeefse pogingen iemand die Ludo weet te wonen en staat na een kwartiertje voor zijn atelier.

‘Bel aan en kom binnen’ staat er op een beduimeld handgeschreven kartonnetje dat met plakband op de geopende deur is bevestigd. Omdat er geen bel te bekennen is, stap ik naar binnen. In een hoek van een ruimte zit iemand achter een computer. Omdat hij met zijn rug naar me toe zit, heeft hij niet in de gaten dat ik in de deuropening sta. ‘Goeiemiddag. Bent u, Ludo, de havenmeester?’. Hij draait zich om, ziet mij staan en verzucht: ‘Eh ja, maar ik heb net deze computer van iemand gekregen. ’t Is een oud dingetje, maar ik weet nog helemaal niet hoe alles werkt. Dus als u een minuutje heeft, dan help ik u graag. U ligt in de haven? Met een boot? Tsja, het is warm hoor. En ik zit hier maar te tobben met die computer. Snap er niks van.’ Ondanks het zoeken naar zijn huis, ondanks de tijd die het je inmiddels al gekost heeft, ben je niet te beroerd de man even te helpen. Nadat ik hem heb uitgelegd hoe je de computer moet starten en afsluiten (…), staat Ludo op om met me naar de haven te gaan. Eerst moet ik nog even mee ‘naar achter’, naar zijn meer dan rommelige kamer-keuken met granieten aanrecht en waterpomp. Daar staat zijn pintje tussen alle troep op tafel te verschralen. ‘Dat was ik vergeten, hè. Drink ik nog even op, want het is warm hoor.’ Zijn blauwe colbertje dat zijn beste tijd gehad heeft, trekt hij, ondanks de hitte, toch maar aan en als hij tot slot zet zijn hoed heeft opgezet, zijn we eindelijk zo ver dat we terug naar de haven kunnen.

De derde sleutel die hij probeert, blijkt te passen op het slot van het havengebouwtje, een een uit veel glas opgetrokken bouwwerk, waarin het werkelijk niet te harden is van de hitte. Ludo beklaagt en verontschuldigt zich voor de hoge temperatuur, maar houdt zijn colbertje aan en zijn hoed op (je bent kunstenaar of je bent het niet). Terwijl je het idee krijgt, dat hij zelf nauwelijks snapt hoe het allemaal werkt, legt hij omstandig uit, dat je kunt douchen voor 50 Bfrs*), het toilet kunt gebruiken voor 20 Bfrs en dat je voor de stroom een stukje kabel krijgt met twee stekkers, waar je een borg voor moet betalen van 1000 Bfrs. Voor 100 Bfrs ontvang je dan nog een soort creditkaartje en een sleuteltje om de stroomkast bij je boot open te maken. Na tweemaal het verkeerde sleuteltje te hebben gepakt, is het derde het goede. Het tweede stuk verlengsnoer dat hij uit een kast haalt, heeft de juiste stekkers. En als we alweer halverwege de steiger zijn (‘ik loop even met u mee om het uit te leggen’), moet hij weer terug naar het havengebouwtje omdat hij mijn creditkaartje vergeten is. Bij de stroomkast aangekomen, sluit hij de stroom aan en is zelf aangenaam verrast als Nel vanaf de Petronella M roept dat alles werkt.

Anderhalf uur na onze aankomst in Veurne hebben we walstroom, de drinkwaterkraan is nog niet aangesloten (‘daarvoor moet u bij het waterleidingbedrijf zijn’) en als we na het eten willen douchen (even snel, want om acht uur gaat Ludo weer naar huis en de boel op slot), ontdekken we twee douches. Op één ervan hangt een papier dat hij defect is, als we de andere kunnen openen met ons muntje van 50 Bfrs blijkt daar geen water uit te komen. ‘Het is allemaal nog zo nieuw hè’, zegt de schipper van de Princess die ook deze haven heeft uitgekozen om te overnachten. ‘Dan kun je niet verwachten, dat het allemaal al perfect werkt. En zo’n havenmeester. Die valt onder de regeling van de OC&W, hè? Dat is voor mensen die grote staatsschulden hebben en van wie verwacht kan worden dat ze die nooit meer kunnen terugbetalen. En dan moeten ze voor hun uitkering werkzaamheden voor de gemeenschap verrichten. Zo ene is die Ludo. En ach, dat hoort toch ook een beetje bij de folklore, vindt u niet?’

Liften

14 augustus 2001

We waren er al op voorbereid door onze Belgisch-Hollandse gids uit Beernem: in de sluis van Havré zijn drijvende bolders. Reuze makkelijk, want je gaat er zo’n meter of tien omhoog en dan is het handig als je niet steeds de lijnen moet verzetten. Maar het bijzondere van de drijvende bolders in deze sluis is, dat ze, centimeter voor centimeter omhoog gaand, allemaal een eigen geluid maken langs de geleiders van de sluiswand. Spookachtig soms, dan weer lijkend op het geluid van walvissen. We liggen helemaal alleen in deze majestueuze sluis en hebben alle tijd van deze bijzondere geluiden te genieten.
De route die we varen is mede uitgestippeld om de vier beroemde liften in het Canal du Centre mee te maken. Bij Thieu ligt aan stuurboord een piepklein sluisje. Zou je hier rechtdoor varen -wat nog verboden is- dan kom je terecht bij de grote nieuwe scheepslift van Strépy-Thieu, die je al van verre ziet liggen. Het aansluitende nieuwe stuk kanaal bij deze lift is nog niet klaar, zodat alle scheepvaart nog gebruik moet maken van de vier oude scheepsliften. De oudste van deze vier liften dateert van 1888, de drie andere werden in 1917 gebouwd.
Direct bij het uitvaren van de sluis zien we de eerste lift. Het licht van de linkerbak is groen en nadat de sluisdeur is geopend, varen we de bak in die een lengte heeft van vijfenveertig meter. Ruimschoots genoeg voor de Petronella M. Als we hebben vastgemaakt, wordt de deur achter ons gesloten. Zonder enig geluid begint onze bak te stijgen en zien we tegelijkertijd de bak naast ons dalen. Halverwege passeren beide bakken elkaar. Een grandioze ervaring! Als we op deze manier zeventien meter omhoog zijn gebracht, wordt de sluisdeur aan het einde van onze bak geopend en kunnen we uitvaren. ‘Ach, je ligt gewoon in een groot aquarium, hè?’, had onze Dordtenaar in Ath gezegd. Het had op hem weinig indruk gemaakt, maar voor ons die dit voor de eerste keer meemaken een schitterende ervaring en we snappen heel goed dat deze liften door de Unesco uitgeroepen zijn tot Werelderfgoed.
Toen ik eerder deze ochtend bij de sluiswachter van Thieu weer eens in zijn office geroepen was om onze formulieren te laten afstempelen, vroeg ik hem meteen naar een plek om te overnachten, vanwaar we eenvoudig de nieuwe lift konden bezoeken. Hij verwees ons naar Strépy Bracquegnies, waar we vlak voor de brug prachtig konden liggen en -voegde hij eraan toe- heerlijk in de schaduw van de bomen. En dat is nodig, want ook vandaag loopt de temperatuur weer op naar tropische waarden.

We zijn speciaal vroeg in de middag gestopt om een bezoek te brengen aan de splinternieuwe lift van Strépy-Thieu. Deze lift, die in één klap de vier oude liften moet gaan vervangen, is de grootste ter wereld. Hij is 177 meter hoog en heeft twee bakken van 112 bij 12 meter, speciaal zo groot om ook in de toekomst grotere schepen van het kanaal gebruik te laten maken. Een gigantisch bouwwerk. Het dak heeft de afmetingen van een voetbalveld en als alles straks in gebruik is genomen, zullen de bakken in een keer een niveauverschil van 73 meter overbruggen en worden de schepen met een snelheid van 20 cm per seconde omhoog gevoerd.

De wandeling ernaar toe is inspannend. Door de hitte en het klimmen en dalen moeten we regelmatig even rusten. Maar onze moeite wordt meer dan beloond als we met de lift naar de achtste etage zoeven, waar twee permanente tentoonstellingen zijn ingericht. Eén tentoonstelling is helemaal gewijd aan beroemde Belgen en belooft je een interactieve, multimediale rondgang door verschillende ruimtes. Nadat een juffrouw op haar computer heeft aangeklikt, dat je een Nederlandstalige rondleiding krijgt, mag je door een hekje en door de eerste deur naar binnen. Samen met een ander Nederlands echtpaar komen we terecht in een ruimte met flikkerend licht, dat gedimd wordt nadat we hebben plaats genomen op twee houten bankjes. Op drie wanden en op het plafond verschijnen dia’s van Mercator en nog twee andere beroemde Belgen, waarvan we de namen en hun achtergronden niet kunnen verstaan vanwege de erbarmelijk slechte geluidskwaliteit. Na vijf minuten gaat het licht weer aan en knippert er een lampje bij een volgende deur. Daar binnengekomen krijgen we eenzelfde presentatie, maar nu met twee levensgrote meisjespoppen, die aan het ruziën zijn over hun beroemde vaders. Wie die vaders zijn kunnen we niet verstaan. Na in de derde ruimte nog vier beroemde Belgische musici te hebben aangehoord, houden we het voor gezien. Met grote passen benen we zo snel mogelijk door de resterende ruimtes op weg naar de uitgang. Daar is nog een expositie over de bouw en de werkwijze van de nieuwe liften en die kan ons meer bekoren dan de eerste tentoonstelling.

Buitengekomen valt de hitte weer als een warme deken over ons heen. De weg terug verloopt daardoor nog trager dan de heenweg, maar we troosten ons met de gedachte aan ons heerlijk in de schaduw liggend bootje. Dat blijkt een misrekening. De kade langs het kanaal is vanaf vier uur ’s middags geen heerlijk schaduwrijk plekje meer. De Petronella M ligt te bakken in de felle zon. Na de wandeling in de hitte van een half uur heen en een half uur terug, hebben we geen puf meer. We liggen en zitten lusteloos aan boord, nauwelijks in staat nog iets te ondernemen. ‘We moeten ons ritme aanpassen’, zeg ik tegen Nel, ‘voortaan nemen we ’s middags op het heetst van de dag rust. Kunnen we er daarna weer tegenaan.’

Voor vandaag gaat dat niet meer op, want we zijn er inmiddels achtergekomen dat het morgen, 15 augustus, in België Maria Hemelvaart is en dat alle winkels dan gesloten zijn. Dan moeten we nodig vandaag nog boodschappen hebben. We besluiten het oventje dat de Petronella M inmiddels geworden is te ontvluchten en in Bracquegnies een supermarché en een restaurant te zoeken. Twee restaurants telt Bracquegnies en alle twee een pizzeria. De een heeft op dinsdag rustdag, de ander is met jaarlijks verlof. Gelukkig is er wel een frietkot open. Terug bij de boot installeren we ons met tafel en stoelen in het smalle stukje schaduw op de wal, moeten tijdens onze maaltijd drie keer verhuizen naar een ander plekje om uit de zon te blijven en zijn na het eten te loom, te lui en te lusteloos om ook nog maar een stap te verzetten. We hangen wat rond tot de zon aan de overkant van het kanaal achter de bomen verdwijnt en komen dan pas weer in actie.
Om het water uit de kiel te pompen bijvoorbeeld. Nadat we dat voor de eerste keer in Gent hadden geconstateerd, lijkt het wel steeds erger te worden. We vermoeden, dat de impeller lekt, maar dat ding zit op zo’n onbereikbare plek, dat we het niet kunnen zien. Sterker nog, we weten dat ding niet eens echt te zitten, tasten maar zo’n beetje voor aan de motor en weten het niet op te lossen. Een echte bilgepomp hebben we niet en we improviseren dagelijks met het pompje waarmee we normaal gesproken de oude olie uit het carter zuigen, dat we verlengd hebben met het stuk gasslang dat we over hielden toen we in Sint Martens Latem de koelkast dachten te repareren. We worden er handig in, binden met een eind touw het zware motorluik aan de mastkoker vast, zodat het niet kan dichtvallen, Nel ligt op haar knieën in de kuip boven de motoropening om het slangetje op het diepste punt van de kiel te houden en ik pomp tergend langzaam en met kleine sprietsjes de kiel leeg. Toen we daar mee bezig waren, hoorden we dat de radio de geest gaf. Dat gebeurt alleen maar als we de stroom van de boot halen of als de accu leeg is. Onder het verdere pompsprietsen kwamen we tot de conclusie, dat we met een lege accu te maken hadden. Het was ook een gok geweest, toen we hier afmeerden en de koelkast op 12 Volt hadden laten werken.
‘Het zal mij benieuwen hoe lang dit goed gaat’, had Nel nog gezegd. Het antwoord kregen we die avond: in zeven uur tijd had de koelkast beide accu’s zo goed als leeg getrokken. Zo goed als, want gelukkig kregen we de motor nog gestart. Uiteraard niet met de normale startknop, die alleen maar wat droge tikken liet horen, maar met het geheime knopje van broer Rob in het kastje. Hoe vaak zijn we technische-broer de afgelopen weken niet dankbaar geweest. Hoe vaak heb ik niet verzucht ‘een klein beetje Rob’ te mogen zijn, dan had ik waarschijnlijk een aantal problemen kunnen oplossen. Zelfs met het knopje van Rob moesten we een paar keer doorstarten (ook nog nooit gebeurd), maar tot onze opluchting kregen we de motor aan de praat. Gelukkig liggen we alleen aan deze kade, zodat we zonder anderen te storen de motor konden laten draaien om de accu’s bij te laden. We zitten in een hittegolf. Op gas durven we de koelkast niet meer te laten werken, want dan gaat het gasalarm af. Op 12 volt (hebben we nu ontdekt) kan ook niet, want dan trekt hij de accu’s leeg. Staan die eigenlijk niet gescheiden dan, die accu’s? Met zo’n schakelaar in het kastje, zodat je ten allen tijde één accu hebt om te kunnen starten? ‘Dan maar weer net als op de Frikkenbrik’, zegt Nel gelaten, ‘geen vlees in voorraad, direct bakken nadat we het gekocht hebben en voor nood een blik Smac.’

We besluiten ons erbij neer te leggen, maar stellen tegelijkertijd vast, dat alle mankementen toch wel een domper zetten op deze vakantie. ‘Het is zo leuk wat we allemaal zien en meemaken’, zeg ik tegen Nel, ‘maar ik zou er zo graag voor honderd procent van willen genieten en nu is dat maar voor negentig.’ Als ik besluit me onder de warmwaterzak af te spoelen en in het toiletkastje de shampoo wil pakken, breekt het knopje van het deurtje af. Met de knop in mijn handen loop ik scheldend naar de kuip om een schroevendraaier uit de bakskist te pakken. Ik word ziek van alles wat kapot gaat, spuugziek. Ik ben het zat, al die mankementen, schijtzat! Ik ben in staat midden op het marktplein van Bracquegnies te gaan staan en te schreeuwen: ‘Boot te koop! Boot te koop! Wie wil er nog een bootje kopen?’

De Muur

10 augustus 2001

De zonnestralen weerkaatsen als zilverpijlen op het kabbelende wateroppervlak. Aan de oever glijdt een decor van felkleurige struiken, dichtbegroeide bossen en pittoreske hoeves voorbij. Van op het dek krijgt de dagdagelijkse wereld plots een heel nieuw gelaat, alsof u zich in een andere dimensie bevindt.
Zo staat het beschreven in de folder Varen in Vlaanderen die ik van René krijg. René is havenmeester van de WSV van Geraardsbergen en al net zo vriendelijk en behulpzaam als Kamiel in Aalst. Bij Kamiel hadden we gisteravond in het clubhuis nog een pintje gedronken en hem reisadvies gevraagd. Saskia heeft namelijk gebeld en zij hebben het plan om op de terugreis van hun vakantie in Tsjechië ‘even aan te wippen’ aan boord van de Petronella M. Waar we dan zondagmiddag precies liggen? Met een totaal onbekend vaargebied voor de boeg kunnen we dat met geen mogelijkheid zeggen en ook met de kaart komen we er niet uit. Op advies van Kamiel varen we vandaag naar Geraardsbergen (‘Doet u vooral de groeten aan René’) en morgen naar Ath. ‘Daar kunt u prima liggen, midden in de stad, vlak achter het station. Water en elektra gratis van de gemeente.’

De nachtrust had onze gisteren nog zo norse Dordtse mee-opvaarder waarschijnlijk goed gedaan, want hij komt allervriendelijkst melden, dat hij per marifoon de brug geregeld heeft om negen uur en dat hij toch ook maar even direct na de brug diesel gaat tanken. Kunnen we toch samen opvaren naar Geraardsbergen. Als we door de brug komen, liggen daar twee forse binnenvaartschippers voor de pomp.
We meren samen af achter die twee grote, zwarte konten, maar krijgen dan van de pompbediende te horen, dat zijn slang te kort is om bij onze schepen te komen. We willen al opgeven, maar de pompbediende maakt er geen punt van.
Hij roffelt bij de beroepsvaarder op de deur en legt uit, dat ze in de weg liggen. ‘Laat maar, laat maar’, proberen we nog, ‘we hebben hooguit veertig liter diesel nodig.’ Maar de man van de pomp is onverbiddelijk: ‘Ze blokkeren mijn handel. Er zullen vandaag nog wel meer schepen komen die willen tanken.’ Een tikkeltje slaperig worden onmiddellijk de beroepstrossen losgegooid en manoeuvreren de twee logge schepen in de smalle havenkom keurig naar opzij en naar achter, zodat wij op kunnen schuiven naar de pomp. We voelen ons behoorlijk opgelaten en voor ons was het ook niet nodig geweest zoveel toestanden te maken. Wij voor ons plezier op het water, zij voor hun beroep en dan op je rustdag van de kaai worden gejaagd.

Na de smerig stinkende moutfabriek van Aalst en nog wat kleine industrie verandert het landschap in wat de folder beschrijft: een decor van felkleurige struiken, dichtbegroeide bossen en pittoreske hoeves. Hoe meer stroomopwaarts we komen, hoe heuvelachtiger het landschap. Logisch, want we varen door een uitloper van de Ardennen. ‘Steeds meer buitenland’, concludeert Nel dan ook als we in de namiddag afmeren in Geraardsbergen en de stad schitterend op een heuvel zien liggen. Die ‘heuvel’ blijkt een ongehoorde reputatie te hebben in de wielersport. ‘Als je in Geraardsbergen komt, moet je beslist naar de muur.’ Als we dan niet begrijpend onze wenkbrauwen fronsen, kijken ze ons verbaasd aan. ‘Nog nooit van de muur van Geraardsbergen gehoord? Weet je dan niks van wielrennen? De Ronde van Vlaanderen komt er voorbij! En soms de Ronde van Frankrijk. Da’s toch een begrip hè, die muur. Dat moet je gezien hebben. Net zo goed als Manneken Pis op de Grote Markt.’
Blij dat we nog iets weten, zeggen we dat we dat beeldje in Brussel al bewonderd hebben. Weer fout!
‘Brussel! Daar gaat een ieder naar toe, hè? Maar ons Manneken Pis is wel d’n oudste van heel België! Honderdvierenzestig jaar ouder dan dat pismanneken in Brussel!’
Als we beloven het allemaal te gaan bekijken, krijgen we van René nog de tip ‘bij het Hemelrijck bovenop d’n muur eerst een Sint Adriaans abdijbiertje te drinken vooraleer we weer aan de afdaling beginnen’.

Als we over de brug lopen en het centrum voor ons zien liggen, loopt de straat er naartoe inderdaad behoorlijk schuin omhoog. Zal toch wel meevallen, denken we dan nog. Maar als we op aanraden van René bij de kerk links het voetpad naar boven zien, gaat dat steil omhoog. Met de nodige rust- en adempauzes bereiken we de top, hebben diep ontzag voor onze prestatie, maar meer nog voor de wielrenners die ditzelfde traject naar boven moeten, maar dan over hobbelige kasseien. We zien ze voortdurend voorbij komen als we bij de afdaling de wielerroute volgen. Je schijnt het een keer in je leven gedaan te moeten hebben als echte wielerfanaat, deze muur van Geraardsbergen. Wij dus nu ook en we zullen er in de toekomst op letten als we wielerwedstrijden op televisie zien.

Terug in de stad, die een veel leuker en gezelliger centrum heeft dan Aalst, en terug in het clubgebouw van de haven vinden we dat we een beloning hebben verdiend voor onze prestatie en trakteren onszelf op koffie met mattentaart, een streekspecialiteit die te beschrijven is als een opgeblazen gevulde koek met cake en zoete kwark.

’s Avonds bekijken we de route voor de volgende dagen. Dat worden korte afstanden met veel, heel veel sluizen. Als het allemaal net zo vlot verloopt als vandaag zal het geen al te groot oponthoud opleveren. De sluiswachters geven aan elkaar door ‘dat er twee scheepjes aankomen’ en bij aankomst bij iedere sluis staan de deuren al keurig voor je open en word je in een kwartiertje geschut. Of zou het er ook mee te maken hebben, dat onze Dordtenaar in iedere sluis de sluiswachter iets toestopt? Zullen ze ons wel krenterig vinden.
Onze voorbereiding voor de komende dagen betreft ook de taal. Onmiddellijk ten zuiden van Geraardsbergen loopt de taalgrens. Wat is eigenlijk bakboord en stuurboord in het Frans? En hoe roep je in het Frans een sluis op? We zien wel.