2001 Vaartocht door België

Verdwaald in Antwerpen

De bedragen in dit scheepslogboek worden soms vermeld in Belgische franks. In 2001 was 100 Bfrs ongeveer Є 2,50 waard.

26 juli 2001

‘Heb je d’n grote L achter op d’n kont staan?’
We zijn nog maar net afgemeerd als de beroepsschipper van de Jan Plezier II al naast de Petronella M staat en ons spottend aanspreekt: ‘Ik zag jullie aankomen en dacht: dat gaat fout. Dat moet wel een lesboot zijn. Waar staat die L?’
Hij heeft gelijk. We varen immers op getijdenwater, vergaten alles wat we in de loop der jaren in de praktijk (en bij ons vaarbewijs!) hadden geleerd en probeerden aan het drijvende ponton van Steendorp met de stroom mee af te meren tussen twee andere schepen in. Handen en voeten waren nodig om de Petronella M tegelijkertijd voor, achter en opzij geen schade op te laten lopen.
We proberen ons nog te verontschuldigen door uit te leggen, dat we vermoeid zijn van een lange dag op het water. Waren we niet ’s morgens om negen uur uit onze thuishaven Dinteloord vertrokken en was het inmiddels zo’n elf uur later? Mag je dan een afmeerfoutje maken? Niet volgens Jan Plezier, die nog wel even kwijt wil, dat hij in zijn leven wel langere vaardagen heeft gemaakt (‘van Devènter in één keer naar hier’), maar voor ons doen hadden we een behoorlijke ruk gemaakt. Dat zat hem niet zo zeer in de inspanning van het varen, maar veel meer in de belevenissen onderweg.

Tot het Antwerpse havengebied was het allemaal nog gladjes verlopen. Vreemd was het wel om bij vertrek uit onze haven voor het eerst in zes jaar te moeten schutten om op het Volkerak te komen, maar dat had te maken met het tegenhouden van bruinrot en blauwalg op de binnenwateren.

Voorlopig hadden we nog niet te maken met kooplustige Belgen, want in het eerste opvallend rustige stuk, de Schelde-Rijnverbinding tot aan de Kreekdamsluizen, voeren we met slechts twee andere Nederlanders op weg naar België. Ook het gedeelte van de Schelde-Rijnverbinding na de Kreekdamsluizen tot het havengebied van Antwerpen was rustig door het bijna ontbreken van beroepsvaart.

Anders werd het in de Antwerpse haven. Thuis had er drie weken lang een stapeltje kaarten en naslagwerken op het tafeltje gelegen. Een paar keer waren we er voor gaan zitten om ons nu eens serieus voor te bereiden op de tocht naar onze zuiderburen, maar iedere keer was het er niet van gekomen. We zouden wel zien als het zover is.

Zover was het dus nu. Ondanks nauwkeurige bestudering en combinatie van alle mogelijke waterkaarten, kaartjes, folders e.d. over het Antwerpse havengebied ging het niet bepaald van een leien dakje. Het begon al bij de Zandvlietsluis, waar we ondanks veel getuur door de verrekijker geen wijs konden worden uit de invaart en de bedieningslichten. Terwijl we tussen de opschuivende beroepsvaart lagen te dobberen, kwam Nel er in de Almanak achter, dat deze sluis verboden is voor jachten! Hadden we natuurlijk thuis kunnen opzoeken…

A la minute moest er dus een route dwars door het havengebied worden uitgezet om bij de enige sluis te komen die wel voor jachten wordt bediend, de Royenssluis. Die doorvaartroute stond gelukkig keurig in de Almanak, maar zo simpel kon het voor ons niet zijn of we namen halverwege een verkeerde invaart, zagen steeds minder schepen om ons heen en liepen uiteindelijk vast bij een brug. Hoe krijg je het voor elkaar: met een gangetje van zo’n kilometer of tien verdwalen in Antwerpen!

Gelukkig was dat het enige foutje en even na drieën arriveerden we bij de Royenssluis die ons naar de Boven Schelde zou schutten. Op het kruispunt van vier drukke waterwegen lagen we daar dobberend te wachten tot we konden invaren, toen een vriendelijke Hollander ons gebaarde varend langszij te komen.

Of we een nummertje hadden? Dat bleken we nodig te hebben om geschut te worden. De sluismeester had per marifoon al geïnformeerd naar de plannen van de Petronella M, maar omdat wij wel ons certificaat, maar nog niet de apparatuur aan boord hebben, was dat even aan ons voorbij gegaan. We moesten ons -‘onder de brug door, het kleine gebouwtje aan bakboord’- melden bij het havenkantoor. Op een plek waar we ons schip niet onbemand achter durfden te laten vanwege de hoge deining van de passerende beroepsvaart vervoegde Nel zich met paspoorten en scheepspapieren bij de havenautoriteiten. Of we dan geen marifoon aan boord hadden? Schijnt dus verplicht te zijn in de Antwerpse haven. Hadden we dus ook thuis kunnen voorbereiden. Gelukkig was het niet echt een probleem, want de ambtenaar zegde toe ons nummer door te geven aan de mensen van de sluis, zodat we geschut konden worden. Vermits we de Boven Schelde op wilden, want als we door de Sabinabrug naast de sluis zouden gaan, kwamen we midden in Antwerpen terecht waar prima passantenplekken waren. Gingen we door de sluis, dan moesten we zeker nog zo’n anderhalf uur doorvaren om een beetje redelijke ligplaats voor de nacht te vinden. Geen probleem. We waren toch al niet van plan in Antwerpen te overnachten en het was nog vroeg in de middag. We besloten te schutten en door te varen.

Hadden we het allemaal van tevoren geweten, dan hadden we het beslist anders gedaan. Maar hoe konden we weten (zonder marifoon, we misten dat ding de allereerste dag al), dat we bij een bijna bladstille temperatuur van tegen de dertig graden zo’n drie uur voor de sluis heen en weer moesten dobberen? We verbaasden ons er wel over, dat de andere pleziervaarders allemaal de wal opzochten, maar die waren stuk voor stuk groter, dus beter bestand tegen de hoge deining en moesten bovendien allemaal wachten op de bediening van de brug, die om kwart over vijf zou plaats vinden.

Het had niet slechter kunnen samenvallen: het uitvaren van de sluis viel precies samen met de opening van de brug. Tussen alle beroepsvaart krioelden de recreanten naar de brugopening. Wij hielden ons afzijdig, want we gingen als enige schutten. Waar op dat moment ineens alle beroepsvaart vandaan kwam, mag Jerommeke weten, maar we zagen het ene na het andere schip in de sluis verdwijnen. Het zou ons toch niet gebeuren, dat we er niet meer bij konden? Niet na drie uur wachten. Maar gelukkig stond de sluismeester driftig naar ons te gebaren, dat we op moesten varen. Waar we dan nog moesten liggen, was ons een raadsel en een tikkeltje bezorgd voeren we op de geopende sluisdeuren af.

We kregen een plaatsje toegewezen helemaal achterin de sluis, pal voor de deuren en half dwars achter een grote zandzuiger. Wat zijn we dan klein en wat valt er dan weinig te manoeuvreren met dat bootje van ons. Gelukkig zette de zandzuiger voor ons zijn motor uit, maar aan de overkant lag een schipper dusdanig met zijn schroef te draaien, dat we aan alle kanten lijnen moesten zetten (leve de op het laatste moment gekochte landvasten van twintig meter), overal stootwillen moesten hangen en de motor in zijn achteruit moesten laten draaien om onze kont vrij van de sluisdeur te houden. De vlaggenstok moest uit de houder om hem niet klem te laten komen.

Drie kwartier later konden we met ontvelde handen de sluis weer verlaten. Nu hadden we thuis al tegen elkaar gezegd, dat het deze vakantie wel aanpakken zou worden en flink werken met al die sluizen, maar dat we op onze allereerste dag al zou in de weer zouden zijn, hadden we niet verwacht…

‘Vaar je straks richting Gent, dan heb je tot negen uur het tij nog mee’, had de zandzuigschipper in de sluis gezegd. ‘Bij Steendorp, zo’n anderhalf uur varen, is een mooie afmeergelegenheid.’
Dat werd dus doorvaren.
Langs de skyline van Antwerpen.
Met een boterham met kaas en een blik noodsoep.
En voorbij Steendorp, want de havenambtenaar in Antwerpen had Nel de tip gegeven door te varen naar Temseomdat je daar zo fijn kunt liggen‘. Maar daar aangekomen, leek ons die fijne plek helemaal niet zo ideaal en besloten we om te keren en terug te varen naar Steendorp. Wat maakt een half uurtje nog uit op een totaal van ruim elf uur?

En daar werden we dus welkom geheten door de Jan Plezier II, die maar niet kon geloven, dat we doodop waren van de reis en de inspanningen. Rust wilden we. Genieten van deze prachtige zomeravond.
Die rust kregen we pas na tienen. Toen vertrok namelijk het gezelschap van jonge stelletjes met kinderen, honden en gele kratten Jupiler van de kop van het ponton waar wij lagen. Wisten wij veel dat dit ponton, drie meter van onze kuip, het trefpunt is van de Steendorpse gezinnetjes, die hier komen kletsen, drinken en waterskiën?  Het laatste wat we hoorden waren de elf slagen van de Sint Jan Evangelistkerk, maar toen lagen we al in bed…

Steendood

27 juli 2001

Fietsen huren? Hier in Steendorp? Ach, mijnheer, er is hier één bakker, die is met verlof en één beenhouwer, hier aan het einde van de straat in de richting van de hoofdbaan. En verder is hier niks. Steendorp? Steendood. Het dorp loopt leeg.’
We spreken ’s morgens bij de ochtendverkenning van Steendorp in de hoofdstraat twee vrouwen aan, waarvan er een de ramen staat te lappen ‘voor het te warm wordt.’ Als we winkels zoeken, moeten we naar Temse of Rupelmonde. We besluiten tot het laatste, ook al omdat die plaats overloopt in Steendorp en het over d’n baan maar een kwartiertje lopen is. Er is wel enig doorzettingsvermogen voor nodig, want ondanks het vroege uur is de temperatuur al behoorlijk opgelopen en lopen we binnen de kortste keren met klamme shirtjes, blij met iedere windvlaag van ons passerende auto’s.
Hoewel groter dan Steendorp biedt Rupelmonde niet veel meer middenstand, maar des te meer historische bezienswaardigheden. En daar hadden we de wandeling per slot van rekening voor ondernomen. Ben je in deze streek, zullen we alles zien ook. Het standbeeld van de in dit stadje in de zestiende eeuw geboren cartograaf Mercator bijvoorbeeld op het Mercatorplein. De vele zonnewijzers waar het stadje beroemd om is, de standbeelden en gedenktekens van Reinaert de Vos, waarvan de verhalen zich in deze streek afspelen, het pompierskot, de originele watermolen en de in 1993 heraangelegde Scheldekaai waar we onze eerste Belgische tas koffie drinken.

Terug aan boord bouwen we een tentje tegen de felle zon en besluiten nog een nacht in Steendorp te blijven. Lekker kalm aan doen. Dat hebben we wel verdiend na onze eerste hectische vakantiedag. Lekker niksen, lekker lezen. Nel onder de geïmproviseerde zonnetent, ik met de stoel op het ponton in de enige plek schaduw die er te vinden is. En ach, mensen ontmoet je toch wel. Die komen gewoon naar je boot voor een babbeltje. De schipper van het af en aan varende sleepbootje achter ons bijvoorbeeld die ons gedetailleerd (maar voor de helft onverstaanbaar) begint uit te leggen dat hij bezig is met de berging van een gezonken schip aan de overkant.
Of de man die tijdens onze warme maaltijd op z’n gemak een praatje begint. Dat zijn huis te koop staat, dat-ie zijn camper heeft verkocht omdat het met zijn diabetes niet langer kan, dat-ie nu weer een schip heeft gekocht en dat naar zijn eigen goesting heeft ingericht en opgeknapt en dat-ie in twaalf uur tijd drie hartaanvallen heeft gehad. Met zijn suikerspiegel ging het een stuk beter nu hij regelmatig de nodige whisky drinkt, vertelt hij trots terwijl hij een zwaar shaggie draait en dat opsteekt…

Als we ’s avonds verplicht naar binnen moeten vanwege een verfrissende regenbui komt de stand van de dieseloliemeter ter sprake. Natuurlijk had Nel allang opgemerkt, dat het metertje al een klein stukje in het rode veld staat en natuurlijk had ik daar wegwuiverig makkelijk over gedaan. Maar voor de zekerheid maken we toch even een klein rekensommetje. Een volle tank is 120 liter. Het metertje net in het rood betekent iets minder dan een kwart vol. Volgens mij zit er dus nog 25 liter in de tank, Nel houdt het op 20 liter. De motor verbruikt zo’n twee liter per uur. Volgens het doemscenario van Nel kunnen we dus nog tien uur varen voor de tank leeg zou zijn. Van hier naar Gent moeten we rekenen op een vaartijd van vijf uur. Voor mij geen enkele reden me zorgen te maken, maar Nel is er niet helemaal/helemaal niet gerust op. Om aan alle twijfels een eind te maken, besluit ik het dorp in te gaan en voor de zekerheid een jerrycan diesel te gaan kopen.

Boven op de dijk van Steendorp wandelt een jong gezinnetje. Als ik hen aanspreek en vraag waar hier een benzinepomp te vinden is, kijken ze me meewarig aan. Ik had het kunnen weten na de ervaringen van ’s morgens: de dichtstbijzijnde pomp is in Rupelmonde, een kilometer lopen. En een kilometer terug met één of twee zware jerrycans. Als ik wat bedenkelijk kijk, biedt de man aan me even heen en terug naar de pomp te brengen, ‘want mijn auto staat hier honderd meter vandaan en we waren toch van plan naar huis te gaan’. Of ik dan maar even de jerrycans van boord wil pakken. Als ik uitleg, dat ik die niet heb en van plan ben die bij de pomp te kopen, is het verhaal ten einde. De pomp is dicht (‘het is vrijdagavond half tien mijnheer’) en je kan er alleen tanken en betalen met een bankcredietkaart.

Teruglopend naar de Petronella M klop ik toch maar even op de deur van een aan de buitensteiger afgemeerd binnenvaartschip. In mijn beste Waals en met veel gebarentaal leg ik de schipper mijn ‘probleem’ voor. Combien de litres ik dan wel besoin heb? Als ik uitleg aan vingt litres wel voldoende te hebben om mijn vrouw gerust te stellen, is het dieselprobleem opgelost. Hij zit nu nog even aan de maaltijd, de schipper, maar als hij klaar is, komt hij wel even naar de Petronella M met een jerrycan. En inderdaad, na een half uurtje stapt hij aan boord, gooit twintig liter rode diesel in de tank, verontschuldigt zich daarbij nog uitputtend als hij wat druppeltjes morst, is er -na een blik op de tankmeter- toch niet helemaal gerust op en haalt bij hem aan boord nog eens twintig liter. Als we nu Gent niet zouden halen…
Als Nel haar portemonnee pakt, moeten we de man vijfhonderd franc betalen ‘pour les enfants‘. We bedanken hem uitgebreid en verwonderen ons over zoveel hulpvaardigheid: 40 liter diesel, aan boord bezorgd, ’s avonds om half elf voor de somma van ƒ 27,50. We kunnen met een gerust hart morgen naar Gent.

Tropisch

28 juli 2001

Morgenochtend is het om zes uur laag’, had de schipper van het sleepbootje bij ons aan de steiger gezegd. ‘Het is een uurtje of vier, vijf varen naar Gent, dus als je om zeven uur vertrekt heb je keurig tot aan de sluis van Merelbeke het tij mee.’ Leuk hoor, varen op getijdenwater. Kun je dus niet weg wanneer jij dat wilt, maar wordt je vakantieritme bepaald door eb en vloed. Er zijn mensen, die dat een sport vinden, maar voor ons hoeft dat niet zo nodig. Gelukkig zullen we er na vandaag voorlopig vanaf zijn, want na Merelbeke hebben we geen last meer van op- en neergaand water. Zeven uur vertrekken dus. Maar had de dieselolieschipper de avond ervoor niet gesproken over brouillage? Hadden we nu toch maar een Frans woordenboekje meegenomen, want volgens mij betekent dat onweer, maar Nel houdt het op mist.

En Nel blijkt het vanmorgen bij het rechte eind te hebben. De Schelde ligt gehuld in een dikke mist, maar die trekt door de wind en de opkomende zon gelukkig snel op. Als we om half acht vanaf het ponton twee achter elkaar liggende boeien in de Schelde kunnen ontwaren, besluiten we te vertrekken.

Als we Temse voorbij varen, maken daar net twee Belgische plezierjachtjes los en daar blijven we achter hangen. Deels vanwege de nevel, meer meer vanwege het feit dat op de eerste vakantiedag de diepte- en logmeter het nu definitief heeft begeven en ik het een beetje angstig vind dicht langs de wal te varen op een onbekende rivier. Staat er in de toeristische beschrijving niet een heel verhaal over zandbanken in de Schelde? Dan maar lekker veilig op de kont van onze voorgangers varen (en maar aannemen dat die wel weten wat ze doen…).

In datzelfde educatieve vaarboek ‘Op sleeptouw door Oost-Vlaanderen’ staat ook, dat het gedeelte van de Schelde vanaf Temse tot Gent het mooiste stuk van de rivier is. De Schelde wordt er steeds smaller en kronkeliger en je vaart door een prachtig natuurgebied met aan weerszijden zoetwaterslikken en -schorren, die hier meersen worden genoemd. Je passeert schitterende plaatsjes als Mariekerke, Wichelen en Schellebelle. Vaar je langs Sint-Amands dan is met enig zoekwerk vanaf het water het graf te zien van de Vlaamse schrijver Emile Verhaeren, die in zijn (Franstalige) gedichten de Schelde heeft bezongen. Zijn graf staat in zijn geboorteplaats en op verzoek van de schrijver net aan het randje van de rietkraag, want hij wilde ‘met zijn voeten in de Schelde begraven worden.’

Na de afkoelende onweersbui van gisteravond loopt de temperatuur vanmorgen al weer snel op naar tropische waarden. Niet voor niets wordt er bij het weerbericht op de radio gewaarschuwd om ‘tussen twaalf en twintig uur geen inspannende lichamelijke activiteiten te ondernemen in verband met een hoge ozonconcentratie’. Op het water is het gelukkig altijd een paar graden koeler, maar zo af en toe valt de hitte als een warme deken over je heen als de wind even wegvalt. Zo ook bij de sluis van Merelbeke, waar we precies op het heetst van de dag aankomen.

Of we ons even wilden melden op het sluiskantoor, roept de sluismeester naar beneden om ons in te schrijven en een vignet te kopen. Omdat we niet in de nabijheid van een trap liggen en dus onmogelijk van boord kunnen komen, wordt ons aangeraden na het schutten af te meren en ons alsnog te melden ‘met uw fd-nummer, uw ICC en ICP’.  Wat een administratieve rompslomp: in de tropische hitte afmeren, naar het sluiskantoor lopen, je papieren afgeven, formulieren invullen, duizend franc betalen en een sticker ‘aan bakboordzijde op uw spiegel kleven’. Doe je dat niet, dan riskeer je een boete van tien keer de kosten van een vignet.

In de sluis hadden we van een medewatersporter een tip gekregen voor een mooie ligplaats in Gent: ga direct na de sluis van Merelbeke stuurboord uit door de openstaande sluis E3, houd bij Het Strop bakboord aan, vaar dwars door de stad, dan kom je midden in het centrum uit bij de passantensteigers pal tegenover het Paleis van Justitie. Schitterend stukje varen, heel apart zo dwars door Gent en inderdaad prachtige passantenplekken. We betalen 500 Bfrs*) per nacht, inclusief drinkwater, stortbad en stroom. Enige beperking is wel, dat er alleen tussen vijf uur ’s middags en zeven uur ’s avonds drinkwater uit de kraan komt en dat gedurende diezelfde tijd ook het stortbad open is. Om te kunnen douchen, meld je je dan in het havengebouwtje bij de vrouw van de havenmeester. Er is maar één douche, maar die is, zei de vrouw, groot genoeg voor twee personen. Dat werd dus nog even tobben om ons in dat kleine hokje op te knappen, waar we om beurten ons langs elkaar heen wringend onder de straal konden gaan staan en waar het zweet alweer van je rug droop voor je goed en wel afgedroogd was, omdat het enige raam van het douchehok niet open te krijgen was.

Tobben is het ook met de bevoorrading van de dieselolie. Zijn we in Nederland gewend bijna overal te kunnen tanken, in België blijkt dat veel ingewikkelder. Moesten we gisteravond al veertig liter kopen van een vriendelijke binnenvaartschipper, vandaag in Gent is het nog moeilijker om aan mazout te komen. Er was ooit wel een bunkerstation, maar dat is vorig jaar opgeheven. Navraag bij steigergenoten leert ons dat er in heel Gent aan het water geen diesel te krijgen is. Iedereen weet dat hier, heeft extra grote tanks of reserve-jerrycans aan boord. Wij zijn met een halfvolle tank uit Dinteloord vertrokken, want we zouden (verkeerde zuinigheid) lekker goedkoop in België tanken. Weer iets waarop we ons beter hadden moeten voorbereiden. Het is te warm om ons er druk over te maken, we zien morgen wel hoe we dat oplossen.

Pomp af

29 juli 2001

Van de havenmeester hadden we gehoord, dat er in Evergem, even buiten Gent langs het Kanaal van Gent naar Terneuzen het enige bunkerstation in de wijde omtrek is. Of het ook op zondag open is, durfde hij niet te zeggen en een telefoonnummer had hij niet. De afstand was ook te ver om het station met de marifoon (van de buren) te bereiken. Verplichte rustdag dus in Gent. Wat een gedoe! We wilden vanmiddag eigenlijk doorvaren richting Brugge, maar moeten onze plannen noodgedwongen wijzigen vanwege die stomme diesel. Moeten morgen dus omvaren, het kanaal opschutten, tanken en weer terug schutten om onze weg te kunnen vervolgen. We zullen dan ook maar meteen een paar jerrycans kopen en die als reserve aan boord houden, want dit is niks!

Nog voor de hitte al te erg wordt, hebben we ’s morgens het prachtige Gent bekeken, gefotografeerd en op video gezet. Terug aan boord is de temperatuur al weer niet te harden: alle gordijnen potdicht en niets, maar dan ook niets meer doen (hadden ze toch gelijk met hun waarschuwing bij het weerbericht van gisteren).

Het zal er ook wel mee te maken hebben, dat we lopen te grummelen over deze verplichte rustdag vanwege de diesel, maar overal en van iedereen op de steiger hoor je hetzelfde: het is te warm, je hebt nergens zin in, je hangt maar en je zit jezelf vreselijk in de weg. En als alle andere boten ’s avonds in de schaduw komen te liggen, blijken wij uitgerekend op de enige plek te liggen naast een klein gedeelte laagbouw, zodat de zon tot tegen tienen op de boot blijft branden.

Een jaar en een half is het kindje dat ’s avonds om kwart over tien met speen in zijn mond, slapend op vaders schouder, voorbijkomt. Moeder loopt er achter en duwt de lege kinderwagen. Ze ziet ons in de kuip zitten en begint een praatje.
‘Ach, het is te warm, hè.’ Ze wijst op haar zoontje: ‘En onzen kleinen Boel is helemaal pomp af’. Ze had het niet beter kunnen verwoorden. Pomp af, zo voelen we ons na deze dagenlange hittegolf (het is ook nooit goed).

Op naar Mechelen?

30 juli 2001

We hebben de ontbijtboel nog maar net weggeruimd of de man die langs de straat over het hek stond geleund spreekt ons aan. Wat ons schip moet kosten? Nu hadden we de eerste dagen van deze vakantie al eerder belangstellenden voor onze boot gehad, maar deze man maakt een meer dan serieuze indruk. Hij bleek gisteren met zijn vrouw een dagje in Gent te zijn geweest, had een bootje gehuurd en de Petronella M te koop zien liggen. Vanmorgen vroeg was hij vanuit Mechelen op de trein gestapt (‘Kijkt u maar mijnheer, hier is mijn treinkaartje eerste klasse’) en binnen de kortste keren zat hij bij ons aan boord, kreeg volop mondelinge en schriftelijke informatie en was laaiend enthousiast! Zelfs het osmoseverhaal zat hem in het geheel niet dwars. Of dat snel verholpen moest worden of dat zoiets ook nog even kon wachten? Welnee, deden wij naïef, wij varen er toch ook nog mee? Hij bleek verstand van motoren te hebben, vond de enorme plas water in de kiel (waar komt die nou weer vandaan?) geen enkel probleem (‘hoort erbij, prima!’) en constateerde dat ‘de motor nog als nieuw was en nog nooit goed heet geworden’. Keek vergenoegd om zich heen, mompelde telkens dat je wel kon zien, dat dit een werfgebouwd schip was en zo degelijk, zo degelijk… Kijk dat schuifluik, prachtig, en die deuren, zo massief en dan dat touw om de hele romp heen, dat verdeelde de krachten zo prachtig. En wij alles maar beamen. Maar inwendig dachten we: als-ie nou maar niet vraagt of we de motor willen starten, want die wil wel eens weigeren. Of dat-ie de dieptemeter in werking wil zien, want die heeft de geest gegeven. En laat-ie alsjeblieft van het knopje van de toeter afblijven, want die doet het al twee jaar niet meer. En degelijk? Ziet-ie de beschadigde vloer dan niet? Vindt-ie de preekstoel echt mooi?
Midden in het gesprek gaat zijn mobiele telefoontje over. Het is zijn vrouw. ‘Nee, ik sta nu bij het echtpaar aan boord. Ze zaten nog aan het ontbijt, ja, dus ik heb even wat winkels bekeken…. ja prachtig, schitterend, als nieuw…..ze willen groter, ja…..osmose, ja….dan zitten er kleine blaasjes in de huid, kun je vergelijken met afschilferen….nee, geen enkel probleem….en dan de motor, hè, is als nieuw, heeft nog nooit goed heet gedraaid….ja, ja, wat we al dachten: werfgebouwd en dat zie je….schoon, heel schoon….een plaatje…’.
Gewapend met de A4-tjes informatie, waarop we nog snel de prijs in Belgische francs en in Euro’s hadden opgekrabbeld, stapt hij weer van boord. Als hij de steiger af is, kijken Nel en ik elkaar aan, kunnen niet geloven wat we hebben meegemaakt, leggen onszelf de beperking op niet al te enthousiast te doen, maar besluiten wel alvast als het moet naar Mechelen te varen, vandaar de trein naar huis te nemen en met de auto terug te komen…

Door de Mechelse kijker vertrekken we wat later dan gepland. Op weg naar Brugge, wat ons einddoel is voor vandaag, moeten we even een klein stukje om vanwege het diesel tanken. Omdat het bunkerstation ‘vlak na de sluis van Evergem op de linkeroever ligt’, zijn we verplicht te schutten en een klein stukje het Kanaal van Gent naar Terneuzen op te varen. Als we voor de sluis afmeren om een achteropkomend vrachtschip voor te laten gaan, meert er ook een gezin met kinderen voor ons af. Althans, dat is de bedoeling, maar helemaal vlekkeloos gaat dat niet. Vader draait de kop van zijn schip keurig naar de muur, dertienjarige zoon staat op het voordek om de lus om een bolder te gooien, gooit mis, moeder achterop weet al helemaal niet wat ze moet doen en vader begint beiden op zo’n ongenadige manier uit te kafferen, dat het luid en duidelijk over het water galmt. In het Frans weliswaar, dus volgen kunnen we het niet helemaal, maar de toon van het geschreeuw over en weer laat er geen twijfel over bestaan wat er gaande is. Als we de sluis invaren, herhaalt zich dit spektakel: de zoon krijgt er weer ongenadig van langs en we hebben zielsmedelijden met de jongen die diepongelukkig boven op de sluismuur met een losse landvast in zijn handen onderdrukt staat te snikken van verdriet tot vader naar boven klimt, de landvast van hem over neemt en zijn zoon aan boord verdwijnt. We hebben hem niet meer buiten gezien…

‘Vlak na de sluis op de linkeroever’ is geen bunkerstation te bekennen. Op goed geluk varen we na een kilometer een inham in waar veel binnenvaartschepen liggen. Nadat we langszij hebben afgemeerd, klauter ik over vier schepen aan de wal en tref daar ene Diederik die aan zijn auto staat te sleutelen. ‘Nee, mijnheer, hier kunt ge niet bunkeren. Maar ik weet wel een oplossing. Ik bel even voor u.’ Hij krijgt telefonisch bevestigd, dat Roger ‘op ’t kot ligt’ en wijst me de weg er naartoe. Dat blijkt nog eens twee kilometer verder te zijn in de zeehaven van Gent.

Daar ligt inderdaad een bunkerbootje en daar kunnen we (eindelijk) diesel innemen! Bij het wegvaren doet de schroef vreemd (geen wonder met alle troep die we in de haven zagen drijven), maar met wat heen en weer geschakel krijgen we hem weer ‘schoon’, zodat we eindelijk naar Brugge kunnen reizen. Met weer terug schutten mee zijn we al met al tweeëneenhalf uur in de weer geweest om weer een volle tank te krijgen.

Als je het eerste uur op het Kanaal van Gent naar Oostende vaart, is het allemaal nog wel leuk, maar na een paar uur heb je het wel gezien, ondanks af en toe leuke plaatsjes langs de oever en stukken met bebossing. We zijn dan ook blij als we aan het einde van de middag in Brugge arriveren, waar we -het venijn zit hem in de staart- nogal wat oponthoud hebben door de spitssluiting van de bruggen. Het is al dik na zessen als we kunnen afmeren ‘bij de molentjes’, een tip die we in Gent gekregen hadden van de moeder van Boel, die zo pomp af was. Inderdaad een mooie gelegenheid om af te meren: een goede wal langs het kanaal en pal achter de dijk ligt Brugge. Dat je drie kwartier moet lopen voor je in het centrum bent, dat aan de overkant van het kanaal de ringweg rond Brugge is waar het verkeer in een constante stroom voorbij dendert en dat boven op de dijk een fiets- en wandelpad is, mag de pret niet drukken. We hebben zelfs aan de andere kant van de dijk de gezellige muziek van het jaarlijkse straatfeest, waar in een minidraaimolentje de kinderen rondjes draaien en de vaders elkaar ’s avonds van een balk af proberen te slaan die boven een zwembadje is geplaatst. Die dat dan weer zo enthousiast doen, dat de loodzware juten zak vol water het publiek invliegt, uitgerekend bovenop een oude invalide dame in een rolstoel. De hele straat in consternatie, een bestuur dat zich uitput in verontschuldigingen om na een minuut of tien de feestelijkheden weer te hervatten. Heerlijk. We zijn in Brugge!

Jabbeke

31 juli 2001

Je moet beslist geen haast hebben als je door Brugge vaart. Meer geroutineerde Belgiëgangers zijn daar al aan gewend en maken zich er niet druk om. Hoort erbij, vinden ze. Wij moeten het Belgische ritme en de mentaliteit nog te pakken krijgen. Verbazen ons er dus nog over als een sluiswachter je in een vrijwel lege sluis met nog overal plaats aan de muur heel gedecideerd naar de overkant van de sluis verwijst. Hebben nog niet in de gaten, dat je bij iedere brug zo’n twintig minuten met een zestal schepen ligt te draaien tot de bomen naar beneden gaan.

‘Heerlijk juist, dat kalme’, zegt de vrouw op de Pedrokruiser die aanbiedt om langszij te komen. Vreemd, want we hebben de plekken langs de sluismuur nog voor het uitzoeken, maar ach, als iemand zoiets aanbiedt, schut het wel wat gerieflijker. ‘Dat rustige tempo nietwaar, daar kan ik zo van genieten. We lagen vanmorgen voor de eerste brug van Brugge en zijn om kwart over acht gaan varen. Met wat geluk zijn we om elf uur de stad weer uit. Ja, Brugge, daar moet je de tijd voor nemen. Een uurtje of drie, vier voor de doorvaart moet je toch wel rekenen. We zijn op weg naar de kust, hè. Druk hoor daar in Oostende en Nieuwpoort. Mijn man heeft twee dagen geleden al moeten reserveren. Maar ja, we zijn dan ook ruim twaalf meter lang, hè, dan moet je dat soort dingen wel vooraf regelen, anders vis je overal achter het net. Kijk, met uw bootje kunt u natuurlijk altijd nog wel ergens terecht, maar voor ons ligt dat anders.’ We beginnen te begrijpen waarom deze Pedrodame ons zo graag langszij wilde hebben, want ze is niet te stuiten. Geeft aanwijzingen hoe en waar Nel de fender moet hangen om hun schip niet te beschadigen. En babbelt en babbelt maar over hun geweldige schip, dat er inderdaad uitziet om door een ringetje te halen. Nergens een vies plekje, geen spetje, geen spatje, alles blinkt je tegemoet. Hagelwitte landvasten en zelfs op de stootwillen geen smetje te bekennen. ‘Nieuw, zegt u? Nee hoor, dit schip is al tien jaar oud. Het is onze vierde Pedro al en we willen ook niets anders. We zijn wel wezen kijken hoor, bij andere werven, maar neem nu bijvoorbeeld de Soeper Ven Creft, haalt het niet bij dit schip. En we doen er niets aan hoor. In het voorjaar maakt mijn man de romp schoon met water en azijn en in de vakantie maakt-ie alleen ’s morgens de boot droog als er dauw opligt.’ Als we sluis uitvaren en nog even achterom kijken, zien we haar in haar smetteloze kleding op het smetteloze voordek alweer met een dweiltje in de weer…

Met de zes schepen uit de sluis varen we in konvooi het Kanaal van Gent naar Oostende af. Misschien zijn het cowboyverhalen over die drukte aan de kust, maar we voelen er niets voor in bomvolle marina’s terecht te komen. Met de kaart erbij bedenken we varend een plan: bij Stalhille, vlak voor een fietsbrug staat een aanlegsteiger aangegeven, nota bene met water en elektriciteit. Aan de overkant van het kanaal ligt het plaatsje Jabbeke en dat heeft een spoorwegstation. Kunnen we vanmiddag mooi de trein nemen naar Oostende, daar de kusttram pakken en vanavond weer terug aan boord zijn.

De steiger is er inderdaad en wel zo hagelnieuw, dat we ons niet kunnen voorstellen dat die er lag in 1999, de datum van uitgifte van onze waterkaart. Op het bord bij de steiger staat inderdaad een symbooltje voor water en elektra, maar de aansluitingen kunnen we niet ontdekken. Zijn er ook niet, bevestigt iemand uit het buurtschap. Zijn ze nog niet aan toegekomen.

Het station van Jabbeke is met twintig minuten te belopen. Tijdens onze wandeling er naartoe horen we de treinen al voorbij komen. Wel verbazen we ons erover, dat die treinen met enorme snelheid voorbij razen, maar dat wordt ons duidelijk als we bij het station arriveren: totaal vervallen en -vertelt iemand ons die zijn hek staat te schilderen- al jaren opgeheven. Of er dan geen bus rijdt? Natuurlijk wel. Even doorlopen naar het centrum van Jabbeke, zo’n drie kilometer verderop, de halte is bij de kerk. Achteraf zijn we nog gek geweest dat te doen. Het is weer zo’n dag waarop de temperatuur oploopt tot rond dertig graden. Daar lopen we dan, puffend van de hitte op het heetst van de dag om er na drie kwartier bij de halte achter te komen, dat de bus naar Oostende net is vertrokken, dat er elke twee uur een volgende bus vertrekt en dat de reistijd van 18 kilometer naar Oostende drie kwartier bedraagt. We besluiten alleen maar boodschappen te doen en een taxi terug naar de boot te nemen. Als we met een pint en bruiswater op een terrasje zitten en ik de serveerster vraag naar een taxi, krijgen we te horen dat Jabbeke zelf geen taxi’s heeft, dat ze er wel een voor ons kan bellen, maar die moet dan uit Brugge of Oostende komen. Waarschijnlijk door onze teleurgestelde, vermoeide gezichten biedt de eigenaresse van het terras aan ons even met haar eigen auto naar de boot te brengen. Ze zet ons keurig bij het verlaten station weer af en wil van geen betalen weten…

Het blijft tropisch heet en voor de zoveelste keer besluiten we niets meer te ondernemen.
Nel zit op de steiger te lezen onder de paraplu, ik loop mezelf weer zwetend in de weg en besluit een frisse duik in het kanaal te nemen als er net op dat moment een dood, als een ballon opgeblazen schaap onder de brug door komt drijven. Dan maar geen frisse duik en de man te woord staan, die met zijn auto stopt en informeert naar de prijs van ons schip. Die hier dus blijkt te wonen en als we hem vertellen, dat het een prachtige ligplaats is, maar dat er nog geen water en stroom is spontaan aanbiedt bij hem voor de deur te komen liggen. ‘Ik woon een paar honderd meter verderop, stap maar in, kun je even kijken of het je bevalt en dan kun je van mij wel stroom krijgen’. We hebben bedankt en zijn aanbod beleefd afgewimpeld.
Te lui om te verkassen. Te loom om zelfs maar een paar honderd meter op te schuiven…

Er is hier niet alleen een steiger, er staan ook drie picknickbanken met afvalbakken. We liggen pal aan een van de vele toeristische fietsroutes en regelmatig zijn de bankjes bezet door fietsers die hier even afstappen en wat eten en drinken. Na het avondeten lijkt het of de meidagen van 1940 worden herhaald: een grote groep van drie Duitse gezinnen neemt volledig bezit van picknicktafels en steiger. Staan ongegeneerd brutaal op een rijtje langs onze boot en rekken hun halzen uit om alles binnen en buiten op hun gemak eens goed te bekijken. Knopen een praatje met me aan en vragen naar de prijs van so ein Schiff. Niet dat ze serieuze kopers zijn, maar gewoon, zo maar, leuk, ze zijn nu toch hier. Komt ervan als je met een bordje te koop rondvaart. Eén van die Duitse kindertjes vindt het nodig met de stootwillen te gaan spelen en als ik daar iets van zeg, roept zijn moeder, die van de zadelpijn zowat geen poot meer kan verzetten, vanaf de picknicktafel dat het kind het niet kon helpen, dat blauw zijn Lieblingsfarbe ist en dat hij er dus gewoon even aan moet zitten. Nog een wonder, dat ik zo beleefd ben gebleven.

Vlak voor het donker wordt, komt er een oudere vrouw met omslagdoek en plastic Blokkertas de picknickplaats opgeschuifeld. Bij de eerste vuilnisbak blijft ze staan, trekt een paar handschoenen aan en begint de inhoud van de bak te inspecteren. Wat er van haar gading inzit, verdwijnt in de Blokkertas en zo werkt ze drie vuilnisbakken af: haalt er iets uit, bekijkt het keurend en gooit het terug of stopt het in haar tas. De andere ochtend om vier uur blijkt dat ze precies op tijd is geweest. Het is nog donker als we wakker worden omdat er naast de Petronella M een grote vrachtwagen van de reinigingsdienst stopt met zwaailicht en reutelende dieselmotor. Het is ook nooit goed. Mopperden we in Brugge dat de vuilnisbakken overliepen en ze niet op tijd geleegd werden, is het nu weer niet naar onze zin als ze de bakken keurig netjes wel komen verschonen.

Ludo

1 augustus 2001

Wat is dit ontspannend! Wat een verschil met gisteren! Ergerden we ons toen groen en geel aan de traagheid waarmee bruggen en sluizen in Brugge werden bediend, vandaag is het tegenovergesteld. De een na de andere brug op het Kanaal van Gent naar Oostende, dat van Plassendale naar Nieuwpoort en het Kanaal van Nieuwpoort naar Duinkerken wordt zonder mankeren of noemenswaardig oponthoud voor ons geopend. Bovendien wordt het vaarwater na de openstaande sluis van Plassendale smaller en lieflijker en is er daardoor geen grote beroepsvaart meer. We genieten! Tuffen met een rustig gangetje met twee andere Hollandse schepen langs fraaie landschappen en door aardige plaatsjes.

Als we met die twee andere Hollandse schepen wachtend rondjes draaien voor de Gravensas komt ons een Belgische kruiser achterop. Als we groen licht krijgen om te schutten, is er enig misverstand wie van ons tweeën als eerste de sluis binnen zal varen. Met een genereuze armzwaai laten we de Belg voorgaan. Hadden we het maar niet gedaan! Maar konden wij weten dat de man en de vrouw aan boord van hun Princess zo hun eigen manier van afmeren hebben? Dat ze de meest vreemde capriolen uithalen om langs de muur te komen? Dat ze tergend langzaam de sluis invaren, de Petronella M in hun kielzog op zo’n vijf meter afstand? Dat ze weliswaar het voorschip vast weten te maken, maar geen achterlijn kunnen uitbrengen en daardoor scheef in de sluis komen te liggen? Een sluis die maar net breed genoeg is voor twee schepen. Handen, voeten en stootwillen zijn nodig om schade te voorkomen. Wij moeten hun schip voor onze preekstoel langs naar de bakboordsmuur duwen en liggen daardoor nu zelf helemaal achterin dwars in de sluis. Als we uiteindelijk aan de stuurboordwal hebben vastgemaakt en de sluisdeuren zich sluiten, spreekt de Belgische schipper ons aan: ‘Geen schade, hoop ik? Ja, u zat ook zo dicht achter me, dat ik niet meer kon manoeuvreren. U hoeft echt niet zo’n haast te maken hoor, want ze hebben hier tijd zat!’ Alsof het nota bene onze schuld was, dat hij dwars in de sluis lag! En nog geen bedankje, dat we hem aan de muur hebben geholpen! Maar we hebben ervan geleerd. Als we onmiddellijk na de Gravensas aan de overkant de Veurnesluis invaren, laten we hem ruimschoots voorgaan. Sterker nog, we varen de sluis pas binnen tot hij zeker en vast aan de muur ligt. En maar goed ook, want op precies dezelfde manier als een half uurtje ervoor komt hij weer helemaal dwars in de sluiskom te liggen en weet slechts met veel heen en weer gebrul van zijn motor en de pikhaak uiteindelijk aan de muur te geraken.

De twee andere Hollandse schepen blijven achter in Nieuwpoort en wij trekken met onze Belgische Prinses door naar Veurne. Op de kaart hadden we gezien, dat daar een gemeentelijke haven is met drinkwater, stroom en diesel. Daar worden we ook weer geconfronteerd met de Belgische watersportambtenarij. Bij binnenvaart van Veurne door een smal openstaand sluisje komt er een geüniformeerd manspersoon naar buiten, die je verzoekt in het sluisje even vast te maken om de formaliteiten te regelen. Geen probleem: je geeft je gele kaartje af waar al je gegevens opstaan, de man neemt alles netjes over en verwijst je ‘direct na het sluisje naar stuurboord’ waar de passantenhaven is. ‘Als u een plekje hebt gevonden, moet u zich verder nog maar even melden’, zegt hij als we weer losmaken. Maar als je dan hebt afgemeerd in een bijna lege haven en je weer bij hem meldt op het kantoor, krijg je te horen, dat het uniform geen zeggenschap over de haven heeft. ‘Ik doe alleen de administratie. Voor al het andere moet u in het havengebouwtje zijn.’

Aan dat havengebouwtje hangt in vier talen de mededeling, dat je je dient te vervoegen bij Ludo Viane, kunstschilder in de Molenbergstraat. Intussen heb je al gemerkt, dat je voor de stroomaansluiting een snoer met een speciale stekker moet hebben en dat de enige drinkwaterkraan op de steiger buiten gebruik is. Dan loop je Veurne maar in, treft na vier vergeefse pogingen iemand die Ludo weet te wonen en staat na een kwartiertje voor zijn atelier.

‘Bel aan en kom binnen’ staat er op een beduimeld handgeschreven kartonnetje dat met plakband op de geopende deur is bevestigd. Omdat er geen bel te bekennen is, stap ik naar binnen. In een hoek van een ruimte zit iemand achter een computer. Omdat hij met zijn rug naar me toe zit, heeft hij niet in de gaten dat ik in de deuropening sta. ‘Goeiemiddag. Bent u, Ludo, de havenmeester?’. Hij draait zich om, ziet mij staan en verzucht: ‘Eh ja, maar ik heb net deze computer van iemand gekregen. ’t Is een oud dingetje, maar ik weet nog helemaal niet hoe alles werkt. Dus als u een minuutje heeft, dan help ik u graag. U ligt in de haven? Met een boot? Tsja, het is warm hoor. En ik zit hier maar te tobben met die computer. Snap er niks van.’ Ondanks het zoeken naar zijn huis, ondanks de tijd die het je inmiddels al gekost heeft, ben je niet te beroerd de man even te helpen. Nadat ik hem heb uitgelegd hoe je de computer moet starten en afsluiten (…), staat Ludo op om met me naar de haven te gaan. Eerst moet ik nog even mee ‘naar achter’, naar zijn meer dan rommelige kamer-keuken met granieten aanrecht en waterpomp. Daar staat zijn pintje tussen alle troep op tafel te verschralen. ‘Dat was ik vergeten, hè. Drink ik nog even op, want het is warm hoor.’ Zijn blauwe colbertje dat zijn beste tijd gehad heeft, trekt hij, ondanks de hitte, toch maar aan en als hij tot slot zet zijn hoed heeft opgezet, zijn we eindelijk zo ver dat we terug naar de haven kunnen.

De derde sleutel die hij probeert, blijkt te passen op het slot van het havengebouwtje, een een uit veel glas opgetrokken bouwwerk, waarin het werkelijk niet te harden is van de hitte. Ludo beklaagt en verontschuldigt zich voor de hoge temperatuur, maar houdt zijn colbertje aan en zijn hoed op (je bent kunstenaar of je bent het niet). Terwijl je het idee krijgt, dat hij zelf nauwelijks snapt hoe het allemaal werkt, legt hij omstandig uit, dat je kunt douchen voor 50 Bfrs*), het toilet kunt gebruiken voor 20 Bfrs en dat je voor de stroom een stukje kabel krijgt met twee stekkers, waar je een borg voor moet betalen van 1000 Bfrs. Voor 100 Bfrs ontvang je dan nog een soort creditkaartje en een sleuteltje om de stroomkast bij je boot open te maken. Na tweemaal het verkeerde sleuteltje te hebben gepakt, is het derde het goede. Het tweede stuk verlengsnoer dat hij uit een kast haalt, heeft de juiste stekkers. En als we alweer halverwege de steiger zijn (‘ik loop even met u mee om het uit te leggen’), moet hij weer terug naar het havengebouwtje omdat hij mijn creditkaartje vergeten is. Bij de stroomkast aangekomen, sluit hij de stroom aan en is zelf aangenaam verrast als Nel vanaf de Petronella M roept dat alles werkt.

Anderhalf uur na onze aankomst in Veurne hebben we walstroom, de drinkwaterkraan is nog niet aangesloten (‘daarvoor moet u bij het waterleidingbedrijf zijn’) en als we na het eten willen douchen (even snel, want om acht uur gaat Ludo weer naar huis en de boel op slot), ontdekken we twee douches. Op één ervan hangt een papier dat hij defect is, als we de andere kunnen openen met ons muntje van 50 Bfrs blijkt daar geen water uit te komen. ‘Het is allemaal nog zo nieuw hè’, zegt de schipper van de Princess die ook deze haven heeft uitgekozen om te overnachten. ‘Dan kun je niet verwachten, dat het allemaal al perfect werkt. En zo’n havenmeester. Die valt onder de regeling van de OC&W, hè? Dat is voor mensen die grote staatsschulden hebben en van wie verwacht kan worden dat ze die nooit meer kunnen terugbetalen. En dan moeten ze voor hun uitkering werkzaamheden voor de gemeenschap verrichten. Zo ene is die Ludo. En ach, dat hoort toch ook een beetje bij de folklore, vindt u niet?’

Gas? Gas!

2 augustus 2001

Geen zin in de drukke jachthavens langs de kust zijn we iets meer landinwaarts in het rustige Veurne gaan liggen. En wat ons een paar dagen geleden vanuit Jabbeke niet lukte, blijkt hier prima te realiseren: met bus en tram naar de grote badplaatsen. Tussen Knokke in het noorden en De Panne als meest zuidelijke punt rijdt een speciale kusttram. Eerlijk gezegd hadden we allebei een heel ander idee van deze tram en zagen ons in gedachten al in een nostalgisch, toeristisch trammetje langs de kust vervoerd worden. Dat blijkt dus helemaal niet te kloppen: die kusttram is een doodgewone, doodordinaire lijntram.
Die brengt ons naar Nieuwpoort, waar we alles hebben gedaan en alles hebben bekeken dat bij Belgische badplaatsen schijnt te horen. Strandaerobic, garnalen vissen op de pier, kinderen op gehuurde fietsjes, gezinnen op vierpersoons trapfietsen, strandhuisjes, kuilen gravende kinderen, flanerende mensen, appartementen, winkeltjes, eethuisjes, restaurants, tearooms en souvenirwinkeltjes. We hebben de hele boulevard afgelopen, door de parallel daaraan lopende winkelstraat weer terug geflaneerd en de tram en de bus weer genomen terug naar de boot. Grootse plannen om met de kusttram helemaal door te rijden naar De Panne en onderweg uit te stappen als we leuke andere badplaatsjes zouden zien, laten we varen. We krijgen de indruk, dat de ene badplaats niet onderdoet voor de andere en eerlijk gezegd hebben we het na Nieuwpoort wel gezien…

Terug op de Petronella M schaffen we eerst bij de grote bouwwinkel schuin tegenover de haven twee jerrycans aan en buigen ons daarna over het gasprobleem. Vorig jaar hebben we een gasdetector aan boord geïnstalleerd (ach, voor de zekerheid, veilig idee toch?) en in de eerste week van deze vakantie was het ding al drie keer afgegaan. Alle drie de keren als we de boel een tijdje dicht hadden gehad en met een beetje wapperen in de buurt van die detector was het wel weer ‘opgelost’, maar gerust zijn we er toch niet op. Je hebt zo’n ding niet voor niets, nietwaar en ik wil nog wel graag zonder angst voor ontploffing een pijp op kunnen steken. Dus togen we aan de slag met een bakje zeepsop, vooraan in de gasbun beginnend om alle leidingen en aansluitingen te controleren op lekkage. De gasbun blijkt prima in orde. Jammer, want dat zou het makkelijkst op te lossen zijn. Nu moeten we binnen verder en dat is minder eenvoudig. Om bij de gasleidingen te komen, moet de koelkast gedeeltelijk worden uitgebouwd om de vier klemmen waarmee de kookplaat zit bevestigd los te krijgen. Dat is een beetje pielen op gevoel, maar als we de plaat eenmaal los hebben en voorzichtig een stukje kunnen optillen, is het lekje inderdaad snel opgespoord: de snelkoppeling naar de kookplaat vertoont kleine belletjes. Heel voorzichtig draai ik de snelkoppeling iets aan, net voldoende om het lekje te dichten. Een werkje van niks. Een fluitje van een cent. Lastiger wordt het om de kookplaat weer vast te zetten. De koelkast staat nu toch wel op een geweldige manier in de weg en om die nu helemaal los te koppelen en eruit te halen, gaat ons te ver. Na een uur op gevoel tobben in het smalle gleufje tussen koelkast en kookplaat ligt er één klemmetje op de bodem van het schip, zitten er twee gemonteerd en is de vierde er met geen mogelijkheid in te krijgen. Dan maar niet. Die kookplaat waait niet weg en dat is dan een mooi klusje voor in het najaar. We hopen wel, dat alles het nu naar behoren blijft doen. Met al dat gerommel en gefriemel bij het gas en de koelkast is het niet ondenkbaar dat we het ene hebben opgelost en het andere hebben kapot gemaakt.

Onthaasten

3 augustus 2001

Heerlijk toch, boodschappen doen in Vlaanderen. Op weg naar de bakker voor verse, warme broodjes stap ik vanmorgen een tabakswinkel binnen voor pijptabak. ‘Pijptabak?’, antwoordt de winkelier, ‘dat is te zeggen, zo een specifieke tabak, gearomatiseerd zeg maar, voor een pijp, nee daar kan ik u helaas niet aan helpen. Ik heb wel roltabak.’ Kom daar eens om in een doorsnee Hollands warenhuis: ‘Az ut ‘r niet legt, dan hebbu we ‘t nie…’

Gisteren waren de beambten al langs de boten geweest om te vragen wie er vandaag van plan waren te vertrekken en waar de reis heen ging. Omdat er nogal wat bruggen en een sluis liggen in de vaarroute naar Diksmuiden en Ieper wilden ze graag een konvooi vormen, vooral ook omdat ze de bruggen en de sluis met de hand moeten bedienen. Zes schepen zouden vandaag het Lokanaal opvaren en er werd afgesproken, dat we tussen negen en tien zouden vertrekken.

Om één minuut over negen worden dan ook de volgende morgen op het eerste van die zes schepen de landvasten losgemaakt en de een na de ander tuft in de richting van het open sluisje waar natuurlijk weer wat formaliteiten geregeld moeten worden. Na het sluisje dienen we weer op elkaar te wachten (‘legt u maar even aan’) tot alle zes schepen bij elkaar zijn en krijgen we van de beambte het teken om ‘heel langzaam en heel rustig’ op te varen naar de eerste brug. Dat gaat inderdaad met zo’n slakkengangetje, dat we pas na een uur een kilometer verder zijn, even buiten Veurne. En zelfs toen moeten we nog voor de eerste brug dobberen en wachten tot de beambte de brug heeft open gedraaid. Niet helemaal met de hand, want we zien hem midden op de brug het deksel openen en waar normaal de grote slinger gebruikt wordt om de brug handmatig open te draaien, gaat onze brugwachter door de knieën en zette zijn elektrische boortol op het draaimechaniek.
Langzamer dan langzaam (1000 toeren gaat nog te snel, maar we kunnen niet zachter, dus dat betekent regelmatig de motor in zijn vrij zetten) trekken de zes schepen door de brug om in hetzelfde gangetje op te varen naar brug nummer twee. De brugwachter fietst ons halverwege voorbij en dat zal de hele dag zo blijven. ‘Stel je nou maar in op een dag onthaasten’, had Nel voor het vertrek al gezegd. Zoals altijd had zij de route bestudeerd en voorbereid en wist hoeveel bruggen en sluizen we nog tegoed hadden voor we Ieper zouden bereiken. ‘Op het Lokanaal krijgen we vijf vaste bruggen. En op het einde van het kanaal moeten we de IJzer opschutten in de Fintelesluis. Als we vanmiddag om drie uur in Ieper zijn, zal het me meevallen’, voegde ze er nog aan toe. Om negen uur werd die morgen op de Petronella M de motor gestart, drieëneenhalf uur later voeren we -vijf bruggen en een sluis later- de IJzer op. Een afstand van 14.3 kilometer, wat neerkomt op een gemiddelde snelheid van iets meer dan 4 km/uur. Als dat geen onthaasten is.

En dan nog niet even tijd gemaakt om direct na de sluis af te meren en aan de sluiswachter de weg te vragen naar het Café van Moeder Wiske. Moeder Wiske zelf is achtentachtig en de jongste bediende in dat café is 72 jaar. Je schijnt je tweehonderd jaar terug in de tijd te voelen als je daar een pint gaat drinken. Waterleiding is er niet, dat gebeurt nog met een ouderwetse pomp op de zink en de inrichting en de prijzen zijn er ook nog van vroeger. Ga zitten waar je wilt, maar neem geen plaats op die ene stoel, die een ereplaats in het café heeft gekregen. Toen de huidige koning van België nog prins was, heeft Albert bij een overstroming van de IJzer aan dit café een bezoek gebracht. De stoel waarop hij heeft gezeten is sindsdien versierd met een lint in de Belgische driekleur en mag door niemand meer gebruikt worden.

Bij de invaart van het Kanaal Ieper-IJzer gaat de rest van het konvooi richting Diksmuiden en vaart de Petronella M moederziel alleen naar Ieper. Niet echt verwonderlijk, want waarom zou je naar Ieper gaan? Vijftien kilometer doodlopend kanaal heen en dezelfde weg weer terug. En op die vijftien kilometer dan ook nog eens twee sluizen met ieder een verval van bijnai vier meter. Waar we -nu alleen varend en dus niet geholpen door de apparatuur op andere schepen- voor de zoveelste keer deze vakantie de marifoon ontzettend missen. Gelukkig staat er bij iedere sluis niet alleen het marifoonkanaal, maar ook het telefoonnummer van de sluiswachter, zodat we na een oproep probleemloos geschut werden. En ook hier weer: ‘Vaart u maar heel rustig op naar de volgende sas. Die is twee kilometer verder. Ik moet hier de deuren nog dichtdraaien en dan nog naar daar fietsen.’ Onthaasten dus maar weer.

Waarom zou je naar Ieper gaan?
In de eerste plaats omdat het geen onaardig stuk vaarwater is, maar voor ons is de reden, dat Ieper bekend staat als het centrum van herdenking aan de Eerste Wereldoorlog. In Ieper is het beroemde In Flanders Field Museum en vanaf 1928 wordt hier iedere avond (!) onder de Menenpoort om acht uur the last post geblazen ter nagedachtenis aan de ruim vierenvijftigduizend Britse soldaten die hier het leven lieten.

Om te douchen moet je hier naar het gebouw van de duivenverenging. Daar sta je dan op je badslippers en met je douchetas middenin een zaaltje vol oudere, bierdrinkende mannen, die aan tafeltjes zitten of de vluchtlijsten van hun duiven aan de muur bestuderen. Die even stil worden en je bekijken om daarna met hun gesprekken verder te gaan. Het meisje achter de bar int 50 Bfr en gaat je zonder een woord te spreken voor door een gangetje, opent een deur, knipt een licht aan en wijst naar de douche.

Gelukkig is de havenmeester spraakzamer. Die overhandigt ons een uitgebreid informatiepakket over Ieper en omgeving, wijst ons de weg naar de winkels en herinnert ons aan the last post van acht uur. Opgefrist van de douche en schoon in de kleren hebben we die ceremonie meegemaakt. Indrukwekkend, maar voor sommigen ook een beetje een verplicht nummer als je in Ieper bent. Getuige de keurig gekapte, tot in de puntjes verzorgde Belgische dame die na afloop van de ceremonie tegen haar man zei: ‘Zo, dat hebben we ook weer gehad…’

Somberen in Ieper

4 augustus 2001

Als we ’s morgens terugkomen van de boodschappen en de Petronella M aan de kaai van Ieper zien liggen, vinden we het nog steeds een scheet van een bootje. Maar het begint ons een beetje moeite te kosten die gedachte vast te houden.
Het lijkt de vakantie te gaan worden van de mankementen. Op de eerste dag aan boord vielen de handdoekhaakjes al spontaan van de wand (kleinigheidje) en begaf de log- en dieptemeter het definitief (lastig als je vaart in een onbekend gebied).

Vannacht en vanmorgen ging het gasalarm drie keer af. Dachten we het lek te hebben opgespoord en verholpen. Nee dus. Heel vervelend, want eigenlijk zouden we nu de hele gasinstallatie moeten nalopen om te ontdekken wat er precies aan de hand is.

Tijdens de boodschappenwandeling besluiten we, dat we daar absoluut geen zin in hebben. We zetten voor de veiligheid het gas wel steeds aan en uit. Willen we koken, dan gaat de gaskraan voor de kookplaat tijdelijk aan, we zorgen dat we tijdens het koken goed ventileren en als we klaar zijn, gaat de gaskraan weer dicht. Hetzelfde geldt voor de momenten dat de koelkast op gas moet draaien. Dat betekent weliswaar iedere keer de kussens van de bank en onder de bank duiken om de kranen open en dicht te draaien, maar liever omslachtig, dan nu alles overhoop gooien in een ingerichte en volle boot om de oorzaak te vinden. Dan maar ‘met gebruiksaanwijzing’, zoals zo langzamerhand veel dingen bij ons aan boord gebeuren.

Daar komen we tijdens het ontbijt achter als we een opsomming maken van alles wat zo’n beetje heel of half kapot is aan boord. We proberen ons te verplaatsen in de persoon van de eventuele koper van ons schip. Die dus moet constateren, dat de dieptemeter het niet doet, dat de toeter niet werkt, dat de motor meer met de noodknop in het kastje gestart moet worden dan met het contactslot, dat het toplicht en de boordlichten alleen branden als je een beetje aan de draadjes rommelt, dat er regelmatig water in de kiel staat, dat de televisie alleen maar aan te krijgen is als je op een heel speciale manier op de knop drukt, dat het schuifluik regelmatig uit de sponning loopt en dan lekt, dat de muggenhor in het kajuitluik niet meer past, dat de paddenstoelventilatoren alleen nog maar van buiten uit zijn open te draaien, dat de hor in het vluchtluik regelmatig spontaan los schiet en daar komt dan nu nog het gasprobleem bij. En dan praten we nog niet eens over de beschadigde vloer, de kabelaring die gerafelde aanvaringsplekken vertoont, het doffe kajuitdak waar nodig weer eens wat glans op moet worden aangebracht, de vanaf de bouw al slordig gelaste en bevestigde preekstoel, de gordijntjes die alleen maar goed dicht blijven met de nodige knijpers, de waterlijn die verkeerd staat en hoger moet en de blauwe romp die maar met moeite is schoon te krijgen en die na een poetsbeurt binnen de kortste keren weer helemaal dof is. En dan is er natuurlijk nog de osmose van het onderwaterschip en de haarscheurtjes op diverse plekken. En wat hebben we in de loop der jaren al niet geknutseld. Dat teakdek is natuurlijk prachtig, maar het ligt er mede op om de ellende van het oorspronkelijke dek te verdoezelen. De motor loopt weliswaar als een zonnetje, maar alleen maar nadat we er voor vijfduizend gulden aan hebben laten sleutelen. We kunnen nu weliswaar probleemloos tanken zonder morsen, maar wel nadat er een overloop is gemonteerd. De gashandle doet het goed, maar is inmiddels wel het tweede, zwaarder uitgevoerd type. De 24 Volts ruitenwisser is vervangen door een 12 Volts exemplaar. En dan waren er nog de spontaan doorbrandende zekeringen, de oververhitte koelkast, de afgebroken handle van de wc, de verkeerd gemonteerde radio en het overlakken van het hele interieur omdat dat bij aflevering niet in orde was. We worden er vanmorgen een beetje somber van. Heeft waarschijnlijk ook te maken met het slaaptekort van de afgelopen nacht, maar we zijn de Petronella M meer dan zat. Stond er maar een koper op de kaai. Op zo’n dag als vandaag zouden we zonder wroeging van boord stappen en alle grote en kleine narigheid aan de nieuwe eigenaar overdragen…

We zitten de afgelopen dagen in de Westhoek van België, de zogenaamde ‘puntzak’ op de grens met Frankrijk. Veel, zo niet alles in deze Westhoek herinnert aan ‘Den Grooten Oorlog’ van 1914-1918 toen in deze streek de loopgravenstrijd is uitgevochten. Mensen die hier wonen, weten je er alles over te vertellen. Dat ‘daar aan den overkant’ de Duitsers zich hadden ingegraven en hier de Belgen en de Engelsen lagen, zo dicht bij elkaar, dat ze met elkaar konden praten. Ze vertellen over de honderdduizenden doden, gewonden en vermisten. Over de beroemde middeleeuwse Lakenhal van Ieper die voor het grootste deel verwoest is geweest en die steen voor steen in oude glorie is herbouwd. Ze wijzen je op historische gebouwen met gevelstenen die wel een heel recente bouwdatum vermelden. Ze attenderen je op de kleine straatjes met oude geveltjes, die modern mathematisch recht zijn en veel minder kronkelig dan je van middeleeuwse straatjes mag verwachten. Waar je in deze streek ook rondloopt, waar je ook kijkt, zie je monumenten die herinneren aan de oorlog en vind je militaire begraafplaatsen. Op een moderne en indringende manier word je dat allemaal duidelijk gemaakt op de eerste verdieping van de Lakenhal waar het In Flanders Field Museum is ondergebracht. Voor ons gevoel niet zo indringend als de folder wil doen geloven (de Eerste Wereldoorlog ‘kroop niet onder onze huid’), maar indrukwekkend genoeg om een goed beeld te krijgen van wat hier heeft plaats gevonden. We zullen het maar niet aan de Iepenaren vertellen, maar het Onderwijsmuseum sprak ons meer aan, maar dat zal wel beroepsdeformatie zijn.

Alles bij elkaar een cultureel dagje. Een dag die begon met ergernissen en daar ook mee eindigde toen we -met de handleiding erbij- niet in staat waren ons nieuwe mobiele telefoontje open te maken. Druk op de vergrendelknop en schuif de cover omhoog. Mooi niet! Het zal wel aan ons liggen…