2019GRIEK_01_Reisdruft

Reisdruft

Hoe lang ben ik nu alweer thuis sinds mijn vorige reis?
Eind mei keerde ik terug van mijn campertrip door Ierland en Wales.
Juni, juli, augustus, september, oktober, november.
Zes maanden geleden! Een half jaar thuis! Da’s lang, te lang.
Geen wonder dat het al een poosje kriebelt om weer op pad te gaan.
Reisdruft noem ik dat.

De Helleense Republiek lijkt me een prima winterbestemming.
On the move dus naar Griekenland!

BEWEGENDE BEELDEN

2019GRIEK_47_Andros away

Andros away

Lastig in slaap gekomen door de bulderende storm en de striemende regen. Regelmatig wakker geschrokken van dit natuurgeweld. De volgende morgen brak ontwaakt door het geluid van de kletterende regen op het dak van m’n ‘slaapkamertje’. Ik maak een kop koffie en bekijk de weersverwachting voor dit gebied. Er hangt een stevige depressie boven de Cycladen, die zo’n dag of vijf, zes zal aanhouden. Temperaturen komen niet boven de 10 graden Celsius uit, er staat voor alle dagen windkracht 5 tot 6 en de kans op neerslag is 88 tot 92%.
Tijdens mijn boterhammetje-ontbijtkoek besluit ik mijn plannen te wijzigen. Hoewel ik me tijdens mijn reizen weinig tot niks aantrek van de weersomstandigheden, maak ik nu een uitzondering. Wat zal ik in die depressie hier blijven rondhangen? En dan ook nog ‘gevangen’ op een eiland? Ik schrap ook de eilanden Tinos en Syros uit mijn plannen, ruim de ontbijtboel op en rijd met ruitenwissers op dubbele snelheid over de slingerende kustweg (blijft toch mooi hoor) terug naar Gavrio om daar de ferry te boeken naar Rafina.

En ik ben de enige niet: drommen voetgangers staan verregend op de veerboot te wachten om het eiland te verlaten. De eerlijkheid gebiedt me te zeggen, dat er ook drommen toeristen de ferry afkomen om op Andros te verblijven. Stipt op tijd worden de trossen losgemaakt en kijk: als ik tegen het middaguur in Rafina de veerboot verlaat, staat de zon daar stralend aan een onbewolkte hemel. Trui uit, shirt aan!

Om mijn route weer op te pikken, moet ik dezelfde weg terug naar Athene. Die weg van een paar dagen geleden*). Wat een verschil! Het is vandaag de dag na Boxing Day. Is dat niet de dag dat mensen in groten getale hun kerstcadeaus gaan ruilen? Of dat het is, weet ik niet, maar het is waanzinnig druk op de weg. Eer ik vanaf Rafina door Athene heen ben (een afstand van zo’n 70 kilometer) ben ik dik drie uur verder.
En inderdaad: dwars door het centrum van Athene heen, met zijn vier miljoen inwoners en de meeste taxi’s van alle Europese hoofdsteden. Complimenteerde ik vorige week de chauffeur van de hop-on-hop-off-bus nog voor zijn rijkunst**), nu zit ik er zelf midden in. Sterker nog: ik rijd hele stukken diezelfde route als die toeristenbus. Ooit vertelde iemand me, dat je het beste door een onbekende grote stad kunt rijden als het behoorlijk druk is en je veel in de file staat. ‘Dan heb je’, zei-ie, ‘alle tijd om te bekijken hoe je moet rijden, waar je moet voorsorteren, enz.’. Ik pas mijn rijgedrag aan, ga op z’n Atheens met het verkeer mee (anders had ik er nu nog gestaan), en laat vermoeid en opgelucht de stad achter me. En zonder een krasje schade, dat mag een klein wondertje heten.

*) (her)lees: Aanrader
**) (her)lees: Athene

OVERNACHTING #26

2019GRIEK_50_Zondagse koffie

Zondagse koffie

Het is weliswaar vandaag zondag, maar om nu de afslag te nemen naar het plaatsje Evangelismos gaat me toch wat te ver. Bovendien moet ik dan van de kust af en dat is nu juist zo lekker rijden, pal langs de Egeïsche Zee. Het is zwaar bewolkt als ik stop voor een kop koffie, maar met een uurtje breekt een voorzichtig zonnetje door.
In Myloi parkeer ik voor de nacht langs de uitgestorven boulevard, waar ik al snel ingebouwd word door the Greek way of parking. Ach, als ze morgenochtend maar weg zijn,

OVERNACHTING #28

Toch wel een apart sfeertje hoor: overnachten tussen Kerst en Oud en Nieuw…

2019GRIEK_51_Onderweg

Onderweg

Laat ik me inhouden -laat ik me alsjeblieft inhouden- en niet voor de zoveelste keer luidkeels de loftrompet steken op dit schitterende Griekenland; het mag zo langzamerhand duidelijk zijn hoe ik van dit land geniet. Bekijk de foto’s en zeg dat ik ongelijk heb.
Een kleine toevoeging mag deze keer wel: tussen de vele kerstmuzak die de laatste weken (ook hier) uit de radio neuzelde, kwam ‘Walking in a winterwonderland’ meer dan regelmatig voorbij. En -dat is dan weer wél leuk- laat ik daar nou vandaag doorheen gereden zijn. Tikkeltje spannend, dat wel; ik heb maar vertrouwd op mijn UP, mijn Traction+ en m’n all season tires…

OVERNACHTING #29

2019GRIEK_60_Naar huis

Naar huis

Ik ben dus ruim gezien en op ‘t gemakske*) op weg naar huis.
In Montesilvano volg ik de borden mare om aan zee te overnachten. Daar is inderdaad een mooi, groot parkeerterrein. Jammer van het parkeerverbod voor campers en om Frits niet in de verleiding te brengen dat verbod te negeren, hangt er ook nog zo’n fijne hoogtebalk boven de ingang. Dan maar voor de deur bij die grote pizzeria.

*) Geen tekst van mezelf: vindt zijn oorsprong in Tilburg…

OVERNACHTING #37

OP M’N STEK?

Het is best een leuke weg hoor, die Strada Statale Adriatica, maar ook één grote klont bebouwing. Steden en dorpen rijgen zich naadloos aaneen, een heel enkele keer vang ik een glimp van de zee op. Da’s leuk voor een poosje, maar ik rijd er nu vanaf mijn overnachtingsplek al een dikke honderd kilometer doorheen. Nog niet erg, ware het niet dat ik al die kilometers file rijd. Wat is het druk. En wat zijn er veel verkeerslichten. De groene golf hebben ze hier waarschijnlijk nog niet uitgevonden, want het overkomt me regelmatig dat het licht alweer op rood springt voor ik er doorheen ben. En dan zie ik ook het volgende licht al rood worden, zo dicht staan ze soms op elkaar. En hoeveel rotondes ik in dat stuk wel niet heb ‘genomen’, ik heb het niet bijgehouden, maar om de paar kilometer (soms een paar honderd meter) doemt er weer eentje op. En tussen die verkeerslichten en rotondes hebben ze ook nog eens flink gestrooid met zebrapaden; is het vandaag soms nationale oversteekdag in Italië?
En dan heb ik ook nog gedoe met Claire-mijn-Garminnetje. Dat gaatje-met-dat-veertje, waarmee ik haar klem zet op dat stampertje van het steuntje is een beetje uitgelubberd. Zal de leeftijd wel zijn, dat alles wat slapper wordt… Regelmatig dondert ze van het steuntje. Met één oog op het drukke verkeer (wil die vent uit die zijstraat nou ook nog eens invoegen?), zet ik haar dan weer terug. Om even later… nou ja, ’t is niet alleen haar schuld, het heeft ook te maken met het superslechte wegdek. Een lappendeken van asfalt, putten, gaten en scheuren.

Alles bij elkaar schiet het dus niet op. Hoewel ik rustigjes aan huiswaarts wil toeren, is dit wel heel erg ‘op het gemakske’. Ik wijzig bij Claire-mijn-Garminnetje de routebepaling van kortst naar snelst. Vanmorgen om kwart over zeven startte ik de motor. Dacht de drukte te ontlopen. Mooi niet. Het is al na elven als ik na honderd kilometer de Strada Adriatica kan verlaten en de autostrada opdraai.
Er zijn twee rijstroken. Je mag er 110 km/uur. Ik moet pas over 176 kilometer afslaan naar een andere autostrada. Leuk hoor, binnendoor, maar nu tik ik toch met een opgelucht gevoel de cruise control op honderd. Gaan! Niet gehinderd door het overige verkeer. Nou ja, één keer moet ik nog fors in de remmen als een non in een Pandaatje heel eigenwijs en tergend traag invoegt. Ze zal Gods zegen wel hebben.
Genietend van de weg voor me doorboor ik talloze keren de bergen, met dank aan de Italiaanse tunnelbouwers. Sommige van die ‘doorboringen’ zijn kilometers lang. Arme Claire blijft ook op de autostrada regelmatig een gevallen vrouw. Maar ook hier is dat mede de schuld van het wegdek. Zelfs op de (tolvrije) autostrada is dat een patchwork van asfalt.

Tegen vieren houd ik het voor gezien. Ik verlaat de autostrada en kom aan de rand van Ravenna bij een afgelegen tuincentrum terecht, waar ik van de eigenaar toestemming krijg te overnachten. Sta ik daar tussen de planten! Ik, met mijn passie voor tuinieren. Die alles wat leeft en bloeit… Nou ja: ik sta dus helemaal op mijn stek hier.

‘s Avonds leg ik bij tuimelende Claire liefdevol een noodverbandje aan van schilderstape, zodat ze op haar plaats blijft. Thuis maar even de dokter raadplegen.

OVERNACHTING #38

CHIUSO!

Vanaf Bolzano in Noord-Italië volg ik een mooie bergrit met Italiaans-Oostenrijkse dorpjes en alle opschriften al tweetalig. Ik kan ook het gesprokene op de radio weer verstaan. Ik ben op weg naar de Joch. Nee, ik wás op weg naar de Joch, want terwijl het steeds besneeuwder wordt om me heen, stuit ik op een groot bord. De Joch is geschlossen, stlüt, chiuso, closed! Dat valt tegen. Ik had me er al wel over verbaasd dat ik al een poosje vrijwel alleen door de bergen reed en er het laatste half uur al helemaal geen tegenliggers waren.
Ik glibberdraai op het weggetje en stop een paar honderd meter terug op de parkeerplaats van een hotel om mijn plan te trekken. Vanuit de bergen komen drie mannen aangelopen, ski’s over de schouders. Of ik verdwaald ben?
‘Nee’, antwoord ik, ‘verdwaald niet, ik was op weg naar de Joch, maar ik zie op dat bord daar dat-ie is afgesloten. ‘Stimmt’, is het een beetje lacherige antwoord, ‘stimmt, maar dat had je beneden in het dorp al kunnen zien hoor. Daar staat ook zo’n bord. Even niet opgelet zeker?’. Dat bord heb ik dan inderdaad gemist. Ich kann mich wohl für mein Kopf schlähn!Und jetz?’, vraag ik de wintersportbruine mannen. ‘Jetz? Zurück nach Bolzano en dan naar de Brenner. Er zit niks anders op. Gute Reise!’. Grinnikend (om zo’n domme Auslander?) lopen ze naar de garage onder het hotel waar ze hun ski’s opbergen.

Er zit inderdaad niks anders op. Zo’n vijftig kilometer terug dus door de bergen. Ik geef Claire-mijn-Garminnetje een nieuwe opdracht, maar ze blijft eigenwijs, dan wel plichtsgetrouw me tot vervelens toe terug naar de Joch sturen. Ik negeer haar en rijd ouderwets op de borden richting Brenner. Het is inmiddels al laat in de middag en het wordt gaandeweg donker. Dat vind ik niet prettig, zeker niet als ik in het avondspitsdrukke Bolzano mijn weg moet zoeken. Ik rijd door tot ik zeker weet dat ik de goede route te pakken heb. Nog voor het helemaal donker is, stop ik bij een tankstation/parkeerplaats en zet m’n bussie maar weer eens tussen de grote jongens. Links van me dendert het verkeer op de A22 onophoudelijk voorbij, op weg naar de Brenner, hier vandaan zo’n vijftig kilometer. Rechts van me raast regelmatig een trein voorbij. Voor me staat de koeling van zo’n grote jongen doordringend zwaar te brommen.

Ik ben moe. Vooral het laatste stuk terug van de Joch naar de Brenner heeft me genekt. Voor mijn gevoel maak ik ook te lange dagen. Zit te lang achter het stuur de laatste dagen, slechts onderbroken door een korte koffiestop en de buiten-de-deur-lunch. Maak ook te veel dagkilometers. Ik weet: de echte kilometervreters zullen lachen om mijn daggemiddelde, maar ik ben dat nu eenmaal niet gewend als ik op reis ben. Dat heeft natuurlijk ook te maken met de route die ik volg (nog steeds geen autowegen) en vandaag had ik slimmer moeten zijn en direct voor de Brenner moeten kiezen.
Ik heb een thuisfront laten weten, dat ik probeer in het weekeinde thuis te zijn voor een verjaardagsfeest. Ik heb niks beloofd, het bewust vaag gehouden, maar toch merk ik dat ik er op rij. Ik zie het wel de komende dagen.

OVERNACHTING #39

KNAL-AVOND

Het bordje onderaan de heuvel verwijst naar een parkeerplaats, waarvandaan wandelaars kunnen starten. Zal ook wel en dat parkeerplaatsje is er ook, maar er staat ook een soort clubhuis. Bij het openstaande hek staat een bordje: betreden van het terrein is levensgevaarlijk. Gelukkig sta ik buiten het hek op een -zeker in vergelijking met de afgelopen nacht- heerlijk rustig plekje helemaal alleen.

OVERNACHTING #40

Een heerlijk rustig plekje? Helemaal alleen?
Tegen zessen rijdt de een na de andere auto ‘mijn’ parkeerterreintje op. Bij elkaar een stuk of twaalf. Er stappen echtparen uit. De vrouwen met volle boodschappentassen, de mannen met koffertjes en langwerpige hoezen, waar -weet ik veel- geweren of buksen inzitten? Alle aankomende auto’s parkeren dwars op het huis. Ik sta er evenwijdig aan. Lijkt me wat egoïstisch nu het drukker wordt.
Ik klop bij het huis aan, word binnengelaten in een grote recreatiezaal met keuken en opper dat het misschien beter is als ik m’n bussie ook dwars zet. ‘Of komen er verder geen auto’s meer?’, laat ik er schijnheilig op volgen. Dat blijkt wel het geval te zijn, dus als ik zo vriendelijk wil zijn?
Ik zie de vrouwen in de keuken bezig met de voorbereidingen voor de maaltijd, de mannen verdwijnen de een na de ander met hun koffertje en die foedraal naar een naastgelegen gebouw. Zijn ze dus allemaal lid van een schietvereniging. Komen ze wekelijks bij elkaar en eens in de maand met de vrouwen erbij en schieten ze wat, kletsen ze wat en eten ze hier uitgebreid. ‘Hier hoog op de heuvel kunnen we lawaai maken zonder dat de mensen er last van hebben’, zegt de man glimlachend. Met een ‘Nou eh… viel Spaβ dan maar’ neem ik afscheid. Nog voor ik bij m’n bussie ben, klinken uit het gebouw de eerste harde knallen. Ik weet niet waar ze op schieten, maar het is een takkeherrie. En wat hebben ze veel munitie bij zich… Tegen negenen stopt het schieten en wordt het stil. Mahlzeit!

OVERNACHTING # 41

OVERNACHTING #42 e.v.

2019GRIEK_59_Boom boom

Boom boom

Nog even terug naar een voorvalletje aan boord.
De ober heeft ’s avonds nog maar net mijn tafeltje afgeruimd als er twee mannen bij het buffet met hun mobieltje naar me wijzen en een vraaggebaar maken of ze een foto van me mogen nemen. Als ik knik, komen ze naar mijn tafeltje toe. Waar ik vandaan kom, wat ik in Griekenland gedaan heb, wat ik in Italië van plan ben te gaan doen en… of ik van wodka houd. We schudden handen alsof we elkaar al jaren kennen en de mannen nemen bij mij aan tafel plaats. Uit een van hun boodschappentassen peutert Mousad uit Istanbul een verkreukeld plastic wegwerpbekertje tevoorschijn (‘it’s clean, Frits, it’s clean!’), samen met in papier verpakt brood en kaas. Zijn vriend Hassan uit Baku duikt in een andere tas en zet een fles wodka op tafel. We proosten, eten wat, proosten nog eens en kletsen. Allebei zijn ze met pensioen, deze vrienden en ze reizen nu door Europa. Mousad is het meest aan het woord en er komt geen einde aan de vele foto’s van hun reizen die hij op zijn mobieltje laat zien. Er komt wereldwijd een scala aan bestemmingen voorbij van Cuba tot Dubai en alles wat daartussen ligt. En op alle plekken waar hij geweest is -hij kan het niet genoeg benadrukken- staat hij wel op de foto met lokale schoonheden (everywhere boom, boom, Frits, snap je?). Frits snapt het helemaal, heeft eerlijk gezegd een beetje genoeg van dit haantjesgedrag, slaat beleefd het derde glaasje wodka af, verontschuldigt zich en gaat naar zijn hut. ‘We hebben elkaars telefoonnummer’, zegt Hassan als ik opsta. ‘Over een poosje zijn we twee dagen in the Netherlands. In Amsterdam. Bellen we je. Kun je ons daar de stad laten zien!’ Ik wuif wat vaagjes. Ben bang dat ze alleen geïnteresseerd zijn om daar naar de Wallen te gaan.

Ooit maak ik nog wel eens een keer een reisje naar Griekenland, riep ik jarenlang. Maar om nu te zeggen, dat het bovenaan mijn wensenlijstje stond? Niet bepaald. Wat ben ik een lief thuisfront (en Griekenland fan) dankbaar, dat zij me tipte deze reis nu dan maar eens te gaan maken! Wat een fantastische weken heb ik achter de rug!
Zijn het de spontane ontmoetingen die deze reis zo bijzonder hebben gemaakt? Deels. Ik heb -zoals bijna altijd als ik on the move ben- ook nu weer louter aardige, behulpzame, vriendelijke en hoffelijke mensen ontmoet. Toegegeven: een heel enkele keer wat opdringerig, maar dan heetten ze bijvoorbeeld Mousad en kwamen ze uit Turkije. Maar de Grieken zelf? Niets dan lof. Oraia, oraia, oraia!
Ook debet aan deze geslaagde reis: het landschap, de bergen, de ruigte van de schitterende natuur, de olijf- en sinaasappelgaarden. Ik schreef er al eerder in alle toonaarden lovend over. Overwegend ‘binnendoor’ trapte ik de afgelopen weken vijfendertighonderd Griekse kilometers weg. Geen moment heb ik het saai of vervelend gevonden. Wat een prachtig land!
En dan heb ik het nog niet eens over de cultuur gehad. Mocht ik me in het verleden -soms tot ontzetting van sommige thuisfrontjes- nog wel eens geringschattend hebben uitgelaten over ‘alweer een verzameling ouwe stenen’ als ik bij een archeologic site was, hier in Griekenland ging ik helemaal om. Indrukwekkend, ik heb er geen ander woord voor. Beter gezegd: ik weet geen andere superlatieven om aan te geven wat het met me deed op zoveel plekken oog in oog te staan met de bron van onze beschaving. Overweldigend wat daarvan nog bewaard is gebleven.
Ik hoor in gedachten sommige lezertjes al: zoveel weken door Griekenland gezworven en dan heb je X niet bezocht? En ben je ook niet bij Y geweest? En dit niet gezien en dat niet bekeken en zus gemist en zo overgeslagen? Klopt. Bewust, maar vaker onbewust, zal ik inderdaad het nodige gemist hebben. Maar ik heb op mijn manier gereisd en met volle teugen genoten. Geen missers gemist dus.*)
Samengevat: mensen + landschap + cultuur = reis met een gouden randje!
Waarom heb ik dit niet veel eerder gedaan?

*) Volgens mij schrijf ik dit soort opmerkingen aan het einde van iedere reis. Moet ik misschien maar eens mee stoppen. Klinkt zo verdedigend, maar zo is het absoluut niet bedoeld.

2019GRIEK_58_Jammer

Jammer

‘Nee, mijnheer, dat is echt onmogelijk.’
De vrouw aan de balie van de Super Fast Ferries is zeer gedecideerd als ze antwoordt op mijn vraag naar welke Italiaanse bestemming en bij welke maatschappij ik een overtocht kan boeken met camping-on-board. Ik weet dat die mogelijkheid bestaat. Lijkt me leuk om een keer mee te maken: je rijdt met je camper het open dek op, ze koppelen je aan de stroom, je mag in je eigen voertuig bivakkeren en overnachten en je krijgt een toegangspas tot het passagiersgedeelte waar je gebruik kunt maken van alle faciliteiten aan boord. Waarvan mij natuurlijk het restaurant het meest aanspreekt.
‘Is er dan geen enkele maatschappij die…’
‘Zoals ik al zei, mijnheer’, onderbreekt de baliemedewerkster me wat snibbig, ‘zoals ik al zei: het is onmogelijk. Dat doen we alleen in de zomer. In de winter kan dat echt bij geen enkele maatschappij.’
In de winter. Natuurlijk. Logisch ook. Maar wel jammer, ik had het graag een keer meegemaakt. ‘Om zes uur vanavond is de afvaart, het boarden begint om vier uur en dan bent u morgen om half tien in Bari. Zal ik dat dan voor u boeken?’ ‘Doe maar’, zeg ik berustend, ‘en boek er ook een cabin bij.

OVERNACHTING #35

Als ik de volgende morgen aan boord op weg naar het ontbijtbuffet even bij de receptie informeer of de ETA voor Bari in Griekse of Italiaanse tijd is, krijg ik te horen, dat we om twee uur, probably one o’clock, in Bari zullen aankomen. Om twee uur? We zouden er toch om half tien zijn?
‘Klopt, mijnheer, maar we hebben flinke vertraging vanwege het slechte weer. Heeft u daar niets van gemerkt vannacht?’ Natuurlijk had ik dat gemerkt. Ik had de pech dat mijn cabin zich helemaal voorin het schip bevond. Iedere duik die de boeg in de golven maakte, deed me schudden in mijn smalle bedje op de toch al niet zo comfortabele matras. Ieder ben-toch-weer-wakker-rondje dat ik over het schip maakte, had ik zwalkend door de gangen gelopen, steun zoekend bij de leuningen langs de wand. En toen ik vanmorgen de borstel door mijn haar haalde, werd ik pijnlijk herinnerd aan de bons waarmee ik vannacht tegen het bovenbed was geknald. ‘Misschien toch een beetje rauw weer’, had ik gedacht en stiekem verlangd naar m’n stabiele bussie (zelfs als dat af en toe in de storm stond te schudden). Een beetje ruig weer dus. Ok. Maar lopen we daar een vertraging van dik vier uur mee op?
‘We volgen de stormroute, mijnheer en dat betekent dat we zo dicht mogelijk bij de kust blijven’, legt de receptionist uit. ‘Open zee was onverantwoord. We volgen ook nu nog zo lang mogelijk de kustlijn van Kroatië en Albanië en pas iets noordelijker dan Tirana maken we een ruime bocht naar links en maken de oversteek naar Bari. Vanaf tien uur gaat de storm wat liggen. Dan is ook de haven van Bari weer toegankelijk, die is nu nog gesloten.’
Vier uur vertraging dus op een oversteek die zestien uur zou duren. Ik laat er mijn eetlust niet door bederven en geniet van mijn uitgebreide ontbijt. Geniet ook van mijn cabin als ik daarheen terug loop in een ijdele poging dat met zeebenen te doen. Tussen de zich overal in stoelen en op banken genestelde slapende passagiers, sommigen op een zelf meegenomen tweepersoons matras, waarmee ze in een hoekje hun eigen ‘slaapkamer’ hebben gecreëerd. In mijn hut ga ik nog maar even op bed liggen om wat slaap in te halen van de afgelopen nacht. Het lukt niet. Wat gaat dat schip tekeer. Hoe laat is het?

Het werd uiteindelijk pas om vier uur ’s middags dat de Super Fast(?) Ferry in Bari afmeerde. Precies vierentwintig uur geleden reed ik in Patras aan boord voor een overtocht die krap zestien uur zou duren. Het kan verkeren.
Het eerste wat me opvalt als ik aan boord m’n bussie nader zijn de grote houten blokken die bij mijn wielen zijn geplaatst. Bij de vrachtwagens is het personeel nog druk doende de borgkettingen rinkelend te verwijderen. En er ligt een ondoorzichtige aangekoekte waas opgedroogd zeewater over alle voertuigen die (hiep hoera) op het open buitendek de overtocht hebben gemaakt. Als ik met de wiswas mijn voorruit probeer schoon te krijgen, wordt het alleen maar erger. Gewapend met de flacon ruitenreiniger, lappen en de keukenrol probeer ik mijn ramen zo goed en zo kwaad als mogelijk is toonbaar te krijgen. Het lukt maar ten dele.
Dat breekt me op als ik om half vijf de ferry verlaat: vanwege de laagstaande zon en mijn niet bepaald heldere ruiten en buitenspiegels zit ik met samengeknepen ogen (en billen) behoorlijk te turen of ik de juiste route wel rijd om deze voor mij onbekende stad uit te komen. Ik voel me niet op mijn gemak, ben gespannen en draai dan ook -zodra ik de drukte van Bari achter me heb gelaten- een grote parkeerplaats bij een tankstation op, waar ik me voeg bij de truckdrivers die hier ook overnachten. Ik heb op leukere plekjes gestaan, maar nood breekt wet.
Ik maak meteen een emmertje sop om nog voor de snel invallende duisternis mijn ramen en spiegels van het Adriatische zout te ontdoen. De kleverige koek op de rest van m’n bussie komt later wel. Morgen maar een autowasplaats opzoeken. Maar dat is morgen. Nu eerst een mok sterke koffie, straks een simpele boterham en vanavond bijtijds naar bed. Ik heb nog wat slaap in te halen…

OVERNACHTING #36

2019GRIEK_57_Olympia

Olympia

Zo, dus eh… hier op de berg Olympos woonde (woont?) Zeus, de oppergod van de oude Grieken, heerser over hemel en aarde, vader van de goden en de mensen? En hier werden dus in 776 v.Chr. de allereerste Olympische Spelen gehouden tot meerdere eer en glorie van diezelfde Zeus? Dit historische Olympische complex is niet voor niks de bekendste en beroemdste bezienswaardigheid van Griekenland met het Stadium Zeus, het Philippeion, de tempels van Zeus zelf en zijn vrouw Hera. Ik ben diep onder de indruk. Niet bepaald van het altaar voor de tempel van Hera, waar iedere vier jaar de Olympische Vlam wordt ontstoken. Er liggen acht grote stenen in een rechthoek met eromheen een ‘kom-niet-te-dichtbij-touw’ aan paaltjes. Het is dat er een bord bij staat, anders was ik er straal aan voorbijgelopen. En zoveel bezoekers zijn er vandaag -3 januari- niet om te vragen waar dat altaar zich bevindt.
Niet zoveel bezoekers? Uitgestorven is een beter woord. Over het algemeen probeer ik geen andere toeristen op mijn foto’s te krijgen, maar dat kost me vandaag geen enkele moeite. Op het enorme middenterrein van het Stadium loopt een viertal bezoekers rond…
Maar wat is het indrukwekkend mooi. Dat geldt niet alleen voor de archeologic site, maar ook voor het schitterende museum. Ik was eerder deze reis in Athene. Bezocht daar onder andere de Akropolis en het Archeologie Museum. Vond dat al indrukwekkend. Maar hier in Olympia… ik weet het niet. Kan geen keuze maken, wat mijn voorkeur heeft.

(more or less) Translate »