Overnachting #148

Lazy Saturday in Ostashkov aan het Seilger Meer, op mijn eigenste plekje langs het kabbelende water bij mijn eigenste privéstrandje. Niet dat ik daar ga zitten en al helemaal niet ga liggen: al dat zand tussen m’n tenen…

OSTASHKOV

Welkom thuis! #1

Claire-mijn-Garminnetje geeft aan dat ik nog 132 kilometer heb te gaan tot de voordeur van mijn huis, als ik in de verte de matrixborden zie oplichten. Langzaam rijdende tot stilstaande file. De radio meldt dat er een rijbaan gestremd is vanwege… een gekantelde camper!

Heb ik daarvoor bijna 42.000 kilometer achter de kiezen om op het aller, allerlaatste stukje in de file terecht te komen? Ik sta er een uur in. Welkom terug in Nederland!

OVERNACHTING #155 e.v.

Handschoentjes?

Allemaal leuk en aardig zo’n plekje aan het Seilger Meer, maar -wandelend en de weg vragend- blijkt het dichtstbijzijnde restaurant drie kilometer verderop te zijn. Niet echt een probleem, want ik ben de hele dag nauwelijks in beweging geweest.

Ostashkov blijkt maar één restaurant te hebben en dat serveert alleen maar hamburgers. Tegen mijn gewoonte in bestel ik dus noodgedwongen -voor de tweede keer in bijna vijf maanden- naast mijn salade en een piva, een hamburger-zalm en frites. Als mijn salade wordt gebracht, legt de serveerster ook een piepklein plastic zakje op mijn tafel. Ik trek mijn wenkbrauwen op en zij legt -in het Russisch- uit wat de bedoeling is. Daar snap ik dus niks van.

Als ze weg is, peuter ik dat zakje open en vis er tot mijn stomme verbazing twee zwarte, dunne handschoentjes uit. Als even later mijn hamburger wordt geserveerd, vraag ik naar de bedoeling van die handschoentjes. Ze kijkt me oprecht verbaasd aan en gebaart dan: ‘Om uw hamburger mee op te eten, natuurlijk!’

Omdat het medisch volstrekt onverantwoord is om met een volle maag die drie kilometer terug naar m’n bussie te lopen, ga ik na de maaltijd langs de kant van de weg staan en steek mijn arm uit (aan liftduimen doen ze niet in Rusland). Binnen vijf minuten zit ik in een vette Nissan die me keurig ‘voor de deur’ afzet.

Tutteldag

Ik tuttel met een gangetje van net 80 over kleine weggetjes, zo’n 250 kilometer ten zuiden van Moskou. In een van de dorpjes waarvan ik de naam niet eens kan uitspreken, laat staan onthouden, doe ik bij de buurtsuper mijn boodschappen en koop op het naastgelegen marktje een paar nieuwe crocks. Dat laatste is niet waar: de stukken plastic die ik sinds vanmorgen aan mijn voeten heb, zijn de naam crocks niet waardig, maar ik loop wel weer op wat nieuws voor mijn € 2,50.

In een wat groter stadje spuit ik bij de autowasbox het zand, de modder en de insecten van m’n bussie en lunch in het naastgelegen restaurant.

En wat is het genieten onderweg. En wat is het groen. En wat een bloemen. Ik denk terug aan de periode in april toen ik zo’n beetje in dezelfde regio reed met toen nog kale bomen en volop sneeuw. Zoveel sneeuw, dat ik zelfs een dag halverwege verplicht moest stoppen omdat het niet verantwoord was te blijven rijden.*)
Nee, dan rijdt het nu een stuk aangenamer door het uitbundig groene landschap. Klein minpuntje wel: er staan koeien in de wei. Doodgewone koeien. Ik mis de wilde paarden. Ik mis de kamelen.

*) (her)lees: Aprilletje zoet

Yuri Gagarin

‘Dàààg, monument!’
Ik rijd gewoon door en zwaai door mijn zijruit naar de plek ‘ergens in het land’, waar een monument zou staan op de plek, waar ooit Yuri Gagarin, de eerste kosmonaut in de ruimte, met zijn Wostok 1 landde. Nog zo’n veertig kilometer te gaan tot Saratov, waar Gagarin leefde en studeerde en waar later de universiteit naar hem is genoemd en een museum aan hem is gewijd.

‘Nee, mijnheer, voor het museum moet u de trap op’, wijst de hulpvaardige vrouw aan de Ul Sakko i Vanzetti, waar het Gagarin Museum is gevestigd. Boven zijn twee ruimtes. Het valt me tegen. Had het uitgebreider en indrukwekkender verwacht. De grote zaal wordt gedomineerd door een enorme (vergader)tafel, met daarop schaalmodellen (?) van raketten en vliegtuigen. Eén wand wordt ingenomen door een reusachtig heroïsch schilderij van Gagarin, aan de overige muren hangen foto’s en documenten. In een hoek staat een etalagepop. In het kleinere zaaltje staat een maquette en ook hier veel foto’s, boeken en documenten. En alles in het Russisch.
Als ik de grote, duistere zaal binnenstap, komt er een vrouw vanuit een kantoortje achterin naar me toe. Ze wijst trots op al het uitgestalde en maakt duidelijk dat het museum gratis is. Bij een van de borden aan de wand begint ze uitgebreid aan te wijzen en van alles te vertellen, tot ik haar duidelijk maak geen Russisch te verstaan (en eigenlijk ook niet in ruimtevaart ben geïnteresseerd, maar dat zeg ik er niet bij). Ik maak een gebaar dat ik zelf wel even rondkijk.

Ze doet de lichten voor me aan (…) en verdwijnt weer in haar kantoortje. Voor de vorm maak ik beleefd een rondje en vraag haar dan de weg naar het Saratov State Museum of Military Glory. Met het door haar getekende plattegrondje verlaat ik het pand, natuurlijk niet nadat ik haar vriendelijk bedankt heb en gecomplimenteerd met de tentoonstelling. ‘Dàààg, museum!’

A27

Claire-mijn-Garminnetje heeft het weer moeilijk hoor als ik haar de opdracht geef me van het Kazachstaanse Atyrau naar het Russische Astrakan te brengen. Grensoverschrijdend rekenen in deze gebieden is niet haar sterkste kant, want na erg lang puzzelen wil ze me op pad sturen om na 5775 kilometer Astrakan te bereiken. Nu had ik op de kaart uitgevlooid, dat het maar 300 kilometer is van Atyrau naar Astrakan over de A27. Ik negeer Claire, ga die A27 op en volg de borden.

Zo tevreden als ik was over de eerder door mij gereden A28*), zo ontevreden ben ik over de A27. Wat een takke-tering-pleuris-tyfusweg is dat! Hij is tweebaans, maar dan wel zo breed als bij ons in Nederland anderhalve rijstrook op een provinciale weg. Geen probleem, die breedte, maar hij is slecht, met geen pen te beschrijven zo slecht. Ik heb in de voorbije 36.000 kilometer op heel wat slechte wegen gereden, maar deze A27 staat absoluut in de top 3. De gaten in de weg zijn zo talrijk, zo groot en zo diep, dat ik er met een snelheid van ten hoogste 20 km/uur (maar dat is top en rijd ik zelden) overheen kan. Samen met mijn medeweggebruikers zwabber ik over die weg om de ergste putten te ontwijken. Samen met mijn medeweggebruikers rijd ik stapvoets door een dorpje, omdat daar het wegdek helemaal ontbreekt. Vaak is het door het verkeer in het verleden gevormde zandpad naast de weg nog beter te berijden. Ook de vele vrachtwagens slingeren met een bijna stapvoets gangetje over die A27 en dwingen me regelmatig (zij zijn groot en ik ben klein) flink uit te wijken. En dan knal ik -hoe zacht en voorzichtig ik ook rijd en afrem- in een put. En dan sta ik weer stil langs de kant van de weg met knipperende lichten omdat de brandstoftoevoer is onderbroken. Ik kan me nog goed herinneren hoe ik, maanden geleden, bij de eerste keer dat me dat overkwam, moeite had dat resetknopje te vinden.**) Inmiddels ben ik ervaringsdeskundige geworden: achttien keer heb ik vandaag knipperend langs de weg gestaan!

Ik begin me te ergeren, rook te veel en snoep te veel. Claire-mijn-Garminnetje dondert uit haar steun (kan ik daar weer voor stoppen) en de ster in mijn voorruit wordt bij weer zo’n dreun een lange scheur. En geen levende ziel te bekennen langs die weg, dus ook geen stopplaats, laat staan een restaurantje. Uit pure frustratie vreet ik twee pakjes Tuc op. Ik kan je verzekeren, dat 300 kilometer verschrikkelijk lang is als je op zo’n manier moet rijden

Ik ben dan ook als een kind zo blij als ik het grote blauwe bord langs de kant van de weg zie staan met de mededeling dat ik de Border Zone binnenrijd. Bij een van de vele tankstations gooi ik meteen mijn tank vol. Scheelt toch dertig cent per liter als ik hier nog tank in vergelijking met Rusland (ja, Frits gaat nog op de centjes letten op z’n ouwe dag…). Bij het tankstation vraag ik hoe ver het nog is tot de grens. Vijftig kilometer, krijg ik als antwoord. Ik meen het verkeerd te hebben verstaan (ze bedoelen natuurlijk 15 kilometer), maar het meisje bij de kassa laat het op haar rekenmachientje zien: 50 kilometer!

Was die eerste 250 kilometer op de A27 al bar slecht en zou je denken, dat het niet slechter kan, dan heb je het mis. Die laatste 50 kilometer bestaat het ‘wegdek’ uit aangereden puin en zand met hier en daar een flard asfalt. En er lijkt geen einde aan te komen.
Doodmoe van dat zwabberend kuilen ontwijken en het geconcentreerd rijden, bereik ik de grenspost en rijd na twee uurtjes formaliteiten Rusland binnen.

Ik hoor het je zeggen: ‘Als het allemaal zo slecht was, waarom ben je dan niet gestopt? Waarom heb je over die verschrikkelijke A27 dan geen twee, voor mijn part drie dagen gedaan? Alle tijd toch?’
Een terechte opmerking. Heb ik ook meerdere malen serieus overwogen. Maar er waren domweg geen stopplaatsen voor een overnachting of ik had aan de kant van de weg moeten gaan staan. En bovendien, bedacht ik: ‘Dit barre wegdek kan toch geen 300 kilometer zo blijven? Je zal zien: straks wordt het beter. Het bestaat toch niet, de A27, de hoofdweg Kazachstan uit, dat dit zo blijft?’ Nou, het bestaat dus wel.
Maar -ondanks die vaginaweg en dus die vermoeiende testikeldag- ben ik weer in Rusland. En in Europa.

*) (her)lees: A28            **) (her)lees: Auto-elektronica

OVERNACHTING #139

Eurazië

De laatste stad die ik in Kazachstan bezoek, nou ja, waar ik doorheen rijd, is Atyrau. Veel visindustrie, maar vooral raffinaderijen, opslagtanks en hele velden vol ja-knikkers. Geen stad om even gezellig aan te doen.

Toch stop ik er voor een kop koffie. Ik parkeer m’n bussie bewust aan de oever van de Ural River. Atyrau ligt namelijk voor de helft in Azië en voor de helft in Europa. De Ural, die hier in de Kaspische Zee uitmondt, wordt beschouwd als de scheiding tussen de twee werelddelen. Ik drink mijn koffie dus nog in Azië. Straks de brug over en ik rijd Europa weer binnen. Gek hoor: ik rijd natuurlijk al weken weer westwaarts, maar ik heb hier pas het gevoel aan de thuisreis te zijn begonnen.

Truckershulp

Claire-mijn-Garminnetje heeft behoorlijk wat moeite een route te berekenen van Rusland terug naar Kazachstan. Als ik haar mijn waypoint in Kazachstan opgeef, staat zij een hele poos te ‘zagen’ tot ze bij de 80% is en zegt dan: ‘Ga naar de dichtstbijzijnde weg’.
‘Maar ik rijd op die weg, stomme …’, nee, dat mag ik niet zeggen. Per slot van rekening heeft mijn trouwe navigatievriendinnetje me inmiddels 33.000 km keurig de weg gewezen, ook en zelfs op plaatsen waar ik zelf niet eens iets zag dat op een weg leek. Dus, don’t blame the navigator! *) Maar ja, ik moet wel weer ouderwets aan de slag met de wegenkaart. Ik stippel een route uit en noteer op een spiekbriefje de plaatsnamen onderweg. Jammer alleen, dat de plaatsnaamborden in dit gedeelte van Rusland alleen in het Cyrillisch staan genoteerd, terwijl op de wegenkaart de Europese schrijfwijze staat. Ik kom er niet goed uit.

De chauffeur van de vrachtwagen, naast wie ik gestopt ben op de parkeerplaats, heeft net zijn tanden gepoetst en zich gewassen en staat zich -als ik naar hem toe loop- af te drogen. Ik leg hem uit naar Aktobe in Kazachstan te willen en vertel dat ik op weg ben naar de grens in de richting van Magnitogorsk. Nou, dat moet ik vooral niet doen, want dat is een omweg, zegt-ie. Omstandig begint hij me uit te leggen dat er een prima kortere weg is. Jammer genoeg spreekt hij alleen Russisch en ik maak hem duidelijk het niet te kunnen volgen. ‘Wacht maar even’, zegt-ie (denk ik). Hij klautert in zijn cabine, pakt daar een pen en een schrift en tekent op een leeg blaadje de hele route voor me uit, compleet met de namen van de steden onderweg en de onderlinge afstanden. Helaas beheerst hij niet het Europese schrift en alle aanwijzingen zijn dan ook in het Cyrillisch. Ik kijk hem vertwijfeld aan en haal niet begrijpend mijn schouders op. ‘Weet je wat?’, denk ik dat hij zegt, ‘ik stond toch op het punt te starten, dus rijd maar achter mij aan!’

Na een kilometer of twintig zet hij zijn truck vlak voor een afslag aan de kant. Hij stapt uit, komt met het schrift in zijn hand naar me toe en maakt een nieuwe tekening hoe ik vanaf hier moet rijden. Ik bedank hem hartelijk. Hij gaat rechtdoor, ik neem de afslag, niet met de vlam in de pijp, maar met een verse sigaar.

*) Overigens hangt Claire-mijn-Garminnetje tijdens het rijden al twee weken aan het 220V-infuus. De 12V-aansluiting ‘ergens in het dashboard’ is waarschijnlijk losgetrild. Tsja, wat trilt er eigenlijk niet los?

Grote stad

Het heeft natuurlijk wel wat, boodschappen doen in van die kleine dorpswinkeltjes. Met planken aan de muur, waarop de weinige artikelen staan uitgestald. Met een vrouw achter de toonbank die pakt wat je vraagt of aanwijst. Die de helft van mijn boodschappenbriefje niet in de schappen heeft staan.

Maar ben ik een keer in een echte grote stad, Karaganda in dit geval, dan rijd ik naar de grootste supermarkt die er is, pak bij Norman een megagrote winkelwagen en sla behoorlijk in.

Daarvoor heb ik uitgebreid geluncht aan de rand van de stad, zoals dagelijks met een salat van tomaat, komkommer en ui, wat brood, een vleesgerecht en black coffee toe. Ik ben weer eens de enige in het restaurant. De televisie staat natuurlijk aan, maar om nu ook de lichten nog aan te doen in die donkere ruimte gaat ze waarschijnlijk te ver.

Ik rijd nog even langs het monument van Yuri Gagarin, de eerste man in de ruimte die in de steppe rond Karaganda op aarde terug keerde, stop even bij het Sovjet-heroïsche monument ter ere van de mijnwerkers die in het verleden de stad tot bloei hebben gebracht, gooi m’n tank vol diesel en priegel door de drukte de stad weer uit.

(more or less) Translate »