Ge-dag-ten

Ziek

1 december 2007

Was ik in het verleden ziek, dan dook ik mijn bed in en wilde alleen maar met rust gelaten worden. Duldde niets en niemand om me heen.
Voor de eerste keer na het overlijden van Nel lig ik doodziek in bed.
En ik word met rust gelaten. En ik heb niets en niemand om me heen.
Mijn God, wat mis ik Nel…

Droom

12 december 2007

Na een avondje uit loop ik met Nel over straat op weg naar huis. We hebben genoten. Ik heb mijn arm om haar heen geslagen en voel me heel gelukkig. Ik druk haar nog steviger tegen me aan en wrijf met mijn neus door haar haar.
Dan overvalt me een gedachte die me in de war maakt.
‘Maar Nel’, hoor ik mezelf zeggen, ‘dit kan toch helemaal niet? Ik bedoel: jij bent toch allang dood en begraven?’
Nel houdt haar passen in en we staan midden op straat stil.
‘Doe je ogen dicht’, zegt ze, ‘en houd ze dicht.’
Ik sluit mijn ogen en Nel draait me om zodat we tegenover elkaar komen te staan.
‘Doe je ogen maar open.’
Ik kijk haar aan en staar verbijsterd in gezicht van een wildvreemde vrouw.
Ik sla mijn handen voor mijn mond, draai me abrupt om en ren weg…

Kerst- en nieuwjaarsgedachte

15 december 2007

Mijn hele leven lang heb ik het nut niet ingezien van wat ik noem ‘het rondpompen van kerst- en nieuwjaarswensen’. Het jaar 2007 lijkt me een goed moment die gedachte in daden om te zetten. Eigenwijs? Tegendraads? Typisch Frits? Het zij zo.

Dat je dus niet het idee hebt, dat ik boos op je ben of niet aan je denk of je vergeten ben… En ook volgend jaar niet, het jaar daarop, enz.

Hart op de tong

12 december 2007

Ik zit aan de maaltijd bij dochter, schoonzoon en hun twee kinderen. Kleinzoon Jurgen van vier zit naast me. Hij legt zijn bestek neer en kijkt me van opzij aan.
‘Opa’, zegt-ie, ‘oma is dood, hè?’
Even valt er een wat ongemakkelijke stilte. Zijn zus van zes die tegenover hem zit, werpt hem een snelle blik toe: ‘Dat zég je toch niet!’.
‘Ja, Jurgen’, geef ik als antwoord, ‘oma is nu dood.’
Hij pakt zijn bestek weer op en gaat verder met eten. Na twee happen kijkt hij me weer aan.
‘En, opa, neem je nu weer een nieuwe oma?’

Ik loop door de hal van de school. In de toiletruimte staat een kleuter zijn handen te wassen. Hij is nog zo klein, dat hij op z’n tenen moet staan om bij de kraan te kunnen. Als hij me voorbij ziet lopen, roept hij me door de openstaande deur terug.
‘Meester Frits! Meester Frits! Ik weet heus wel dat juf Nel dood is, hoor!’
Ik hurk bij hem neer.
‘Ja, dat is zo’, antwoord ik hem, ‘en weet je, daar heb ik best wel verdriet van.’
Hij strekt zijn armen naar me uit en slaat twee kletsnatte handen om me heen.

Erwtensoep

21 december 2007

Mijn kinderen komen bij me eten en ik ben van plan een grote pan erwtensoep te maken. In de supermarkt sta ik bij de vitrine met vlees. Ik wil het mezelf een beetje makkelijk maken en zoek een kant-en-klaar vleespakket voor de soep. Omdat ik het niet zo snel kan vinden, besluit ik iemand van het personeel aan te schieten. Even verderop staat een al wat oudere winkelbediende vakken te vullen. Ik spreek hem aan.
‘Ga je erwtensoep maken?’ Hij kijkt me onderzoekend aan en schat mijn culinaire kwaliteiten waarschijnlijk niet al te hoog in.
‘En voor hoeveel personen?’
‘We moeten er met vijf volwassenen en twee kinderen van eten’, antwoord ik, ‘dus ik had gedacht een liter of vier.’ Het antwoord kan zijn goedkeuring wegdragen.
‘Vier liter is wel genoeg’, knikt hij terwijl hij in de richting van de vitrine met vlees loopt. ‘Maar je gaat toch niet zo’n kant-en-klaar vleespakket kopen, wel? Kijk, als je erwtensoep maakt, moet er vlees in. Veel vlees.’
Hij rommelt wat tussen de verpakkingen en laat me een flinke lap varkensvlees zien. ‘Hier, dat is wel genoeg voor vier liter soep. En dan moeten we natuurlijk ook spek hebben. Het mooiste is spek met zwoerd, maar ja, dat hebben we hier niet. Dus’, -hij vist een schaal speklappen uit de vitrine- ‘dus nemen we deze hier.’
Hij legt de varkenslap en de speklappen in mijn boodschappenkar en ziet dan dat ik al soepgroente heb gekocht. Een beetje geschrokken pakt hij de zak ‘gesneden groenten voor erwtensoep’ uit mijn kar.
‘Wat heb je daar nou gekocht? Kant-en-klaar gesneden? In erwtensoep hoort een knolselderij en prei en…’
Hij haalt een bril uit zijn borstzak en begint te lezen wat er in de zak met groenten zit. ‘Tsja, eigenlijk zit alles hier wel in. Weet je wat? We doen het!’ En met die woorden legt hij de zak groenten weer terug in de kar.
Hij verplaatst de bril naar z’n voorhoofd. ‘Eens kijken. Wat hebben we al? Vlees… Groenten… Erwten moeten we hebben. Spliterwten.’ Voor ik erop bedacht ben, pakt hij mijn boodschappenkar en loopt resoluut verder de winkel in. Als ik hem heb ingehaald, staat hij al met een pak spliterwten in zijn handen. Hij zet z’n bril weer op zijn neus en leest de verpakking.
‘Ja, hier heb ik niet zo’n verstand van hoor. Van vlees weet ik alles, want ik ben al vijfentwintig jaar slager, maar hoeveel erwten we nou nodig hebben…’
Overrompeld door zijn bemoeienis met ‘mijn’ soep kijk ik met verbazing toe hoe hij binnensmonds de gebruiksaanwijzing op de verpakking leest. ‘Ik kom er verder wel uit hoor’, probeer ik, ‘ik bedoel: u was toch vakken aan het vullen?’ Van over zijn brillenglazen kijkt hij me even aan. ‘Ach, dat kan ik straks ook nog wel doen. Dit is toch veel leuker? Samen soep maken? Eens kijken: da’s 250 gram op een liter water, dus 500 gram voor twee liter. Mooi, dan hebben we twee pakken erwten nodig!’. De twee pakken verdwijnen in mijn kar. Tevreden bekijkt hij ‘onze’ boodschappen en stelt vast ‘dat we alles nu wel hebben’.
‘Rookworsten’, zeg ik, ‘we moeten ook nog rookworsten hebben. Maar die weet ik zelf wel te liggen, dus die pak ik zo wel’, laat ik er snel op volgen. Even lijkt het of er een teleurstelling over zijn gezicht glijdt, even is mijn supermarkthulp uit het veld geslagen, maar dan vervolgt hij: ‘Rookworsten inderdaad. En hoe doe je dat? Niet meekoken, hè, maar het laatste kwartiertje even in de soep warm laten worden. Enne, je maakt de soep toch wel een dag van tevoren, hè, want dan is ze veel lekkerder!’ Ik stel hem gerust, pak mijn kar, bedank hem en loop in de richting van de rookworsten.

Als ik even later bij de worsten sta, komt de man weer naar me toe. ‘En wat geef je bij de soep?’, begint hij. Ik leg hem uit, dat ik ook nog roggebrood en spek ga kopen. Het kan zijn goedkeuring wegdragen. Dan pakt-ie mijn arm en kijkt me doordringend aan: ‘En toch geen stokbrood en van die Franse kaasjes, hè, want dat hoort niet bij erwtensoep!’ Ik beloof het hem plechtig, bedank hem voor de tweede keer en ga verder winkelen.

Als ik in de rij sta voor de kassa, komt op dat moment ‘mijn’ slager toevallig nog even voorbij met een nieuwe lading vleeswaar. ‘Succes met de soep, hoor!’, zegt hij in het voorbijgaan, ‘ik ga weer verder met vakken vullen.’ Hij kan het niet laten even een blik in mijn kar te werpen. ‘Roggebrood, goed zo’, mompelt hij.

Hollands weerbericht

1 januari 2008

3 donkere grijze wolken…
30 dikke druppels regen…
7 zwiepende takken in de wind…
4 graden vorst…
2 mistbanken…
12 sneeuwvlokken…
Holland heeft een weeralarm…

Nina

13 januari 2008

Zondagmorgen.
13 januari 2008.
Half negen.
Telefoon.

Normaal gesproken verwens je op zo’n tijdstip dat apparaat.
Welke idioot belt me in vredesnaam op dit onmogelijke uur?
Maar deze keer was die ‘idioot’ mijn zoon Frank.
Deze keer was het niet ‘verkeerd verbonden’.
Ik ben voor de derde keer in mijn leven de gelukkige opa geworden.
Frank en Andrea hebben een dochter!
Nina heet ze en alles zit erop en eraan.
En zo klein!
En zo lief!

En wat hebben we met elkaar tegenstrijdige gevoelens.
Geluk en verdriet verdringen elkaar.
Een meisje verloren, een meisje erbij…
Maar gelukkig: blijdschap, dankbaarheid en trots overheersen!

Kassa!

26 januari 2008

Kom ik met mijn boodschappenkar bij de kassa.
Kijkt de caissière me aan en zegt:
‘Mag ik u iets vragen? Bent u schipper, kunstschilder of schrijver?’
Hoe komt ze daar nou weer bij?

Gestopt met werken?

27 februari 2008

Precies zes maanden nadat ik gestopt ben met werken, wordt mij bij het boeken van een reis gevraagd naar mijn gironummer. Zonder aarzelen geef ik het nummer van mijn oude school op…

Banaan

16 maart 2008

Vier uur per week werk ik tijdelijk weer op een basisschool.
Op mijn allereerste werkdag wip ik vlak voor de pauze even binnen bij de kleutergroep en ga bij de kinderen in de kring zitten. Ze eten allemaal hun stukje fruit.
‘Jammer’, zeg ik, de kring rondkijkend, ‘jammer dat ik mijn fruit ben vergeten. Ik had mijn appeltje al klaar gelegd, maar hij ligt nog thuis.’ Prompt staat er een kleuter op, loopt naar mij toe en geeft mij zijn laatste hapje banaan.
‘Wat lief van je!’, bedank ik, terwijl ik hem een aai over zijn bol geef.
Met een verheerlijkt gezicht stop ik het stukje banaan in mijn mond.
En tegenover de kinderen blijf ik natuurlijk smullen van dat fruithapje, ook als ik merk dat het stukje fruit vol zand zit en ik het krakend tussen mijn tanden vermaal…