Publicaties

Het zeilgevoel

ANWB Waterkampioen nummer 13 - juli 2001

tekst en foto’s: Frits Mahn

In Waterkampioen 10 verhaalde verstokt zeiler Eerde Beulakker van zijn droeve belevenissen op redactiemotorboot de Tijgerhaai. Nu is het de beurt aan motorboter Frits Mahn om redactiezeilboot de Loeff te temmen. Is hij te bekeren?

Ik steek mijn kop naar binnen door de kajuitopening en snuif diep. De eerste indruk van de Loeff is goed. Het ruikt op de juiste manier botig, een mengeling van hout, touwwerk en een vleugje diesel. Ik knik Nel, die achter me in de kuip staat, geruststellend toe: ‘Dat zit wel goed dit weekend.’ Mijn goede gevoel wordt nog versterkt als een half uurtje later het aroma van versgezette koffie door de kajuit geurt. Waterkampioenredacteur Karen Meirik verwelkomt ons met koffie en wafels. Even gaan onze gedachten naar Eerde Beulakker. Knap, dat de redactie zo’n verstokt zeiler met zijn partner Hedwig aan boord van de Tijgerhaai had weten te krijgen om het ‘motorbotengevoel’ te ervaren.
Voor Nel en mij was de overweging om met de Loeff op stap te gaan snel gemaakt: na een krappe twintig jaar zeilen en een bootloze periode, waren we vijf jaar geleden overgestapt naar de motorboot. Een bewuste keuze, omdat we nog wel dolgraag op het water wilden recreëren, maar geen zin meer hadden in dat gedoe van bezeilde koersen, zeilen hijsen en strijken, schoten aantrekken, vallen ophalen, op één oor liggen, trimmen en door de masthoogte beperkt zijn in je vaargebied. Of we dat zeilgevoel dan helemaal kwijt zijn en volledig bekeerd tot het motorbootvaren, moet dit weekend duidelijk worden.

Zeilkriebels
Terwijl Nel onderdeks de bedden opmaakt en de kombuis inricht, buig ik me met redacteur Karen over de werking van de vallen, de neerhouder en de rolfok. Gek, dat je het zeilen net als fietsen en zwemmen nooit verleerd. Binnen een uur komt alles weer boven en we nemen met een gerust hart afscheid van Karen, die ons een fijn weekend wenst. ‘En veel zeilen, hè?’, voegt ze er nog aan toe. Een overbodige opmerking. Aan ons zal het niet liggen. We voelen ons weer thuis. Kijken alweer -veel meer dan op onze motorboot- naar de richting van de wind, krijgen de kriebels als we de Loeff zeilklaar beginnen te maken en kunnen bijna niet wachten tot Jan Kok het haventje voor ons opent en we in de richting van de Ringvaart van het Haarlemmermeer sturen. Tot aan het Braassemermeer houden we ons nog in, maar eenmaal voorbij het veerpontje van Oude Wetering moet het er na meer dan tien zeilloze jaren maar weer eens van komen. Bepaald ideaal zijn de omstandigheden niet: het meer ligt er onrustig bij, het regent en de temperatuur komt niet boven de zestien graden. Als we het meer opvaren, merken we pas hoe het waait: de windmeter schiet door naar 25 knopen. Klein beetje fors voor twee ex-zeilers, die weer kalmpjes aan willen beginnen, maar de wind zit in de goede hoek, zodat we besluiten om voorlopig alleen de fok bij te zetten.
En daar is het helemaal terug, dat ouderwetse zeilgevoel. Waren we toch helemaal vergeten hoe het voelt als je de motor uitzet en je op enkele windkracht wordt bewogen
Het is uitgestorven op het Braassemermeer. Alleen een zestal scoutingscheepjes komt ons kruisend en joviaal groetend tegemoet. Doornat van de regen en zelfs alleen op de fok behoorlijk op één oor liggend, stuiven we naar de overzijde. Welgeteld drie motorbootjes komen ons tegemoet, duidelijke losers, met een kopje koffie in hun verwarmde stuurhuis ons meewarig groetend vanachter hun driftig heen en weer zwiepende ruitenwissers. Weten zij veel. Waarschijnlijk denken ze in hun domme motorbotenonschuld dat we motorpech hebben en daarom op zeil varen.

Voortploegen
Eenmaal door het Paddegat moeten we in de Woudwetering de fok weer inhalen vanwege de steeds slechter wordende weersomstandigheden en de bruggen. En zelfs die bruggen vormen geen enkele belemmering: de ene na de andere wordt zonder mankeren voor ons opengedraaid. Alsof we met de motorboot varen en overal onderdoor kunnen. Misschien heeft het er ook wel mee te maken dat we zo langzamerhand het enige schip op het water zijn.

De kooi in
Staat wel stoer, zo’n zinnetje: ‘duiken we de kooi in’, maar de praktijk op de Loeff is anders. Eerlijk gezegd hadden we die bedden in de voorpiek nog niet echt goed bekeken en er ’s morgens alleen onze bagage opgelegd. Wel hadden we ons verbaasd over die vreemde plek van de grote gereedschapskoffer die op het vloertje tussen de bedden stond. ‘Had de redactie die niet even kunnen opruimen?’, kon ik niet nalaten op te merken. Maar ’s avonds blijkt die kist geen sta-in-de-weg, maar een hoogstnoodzakelijke opstap om in bed te kruipen. Waren de mensen dertig jaar geleden toen de Loeff werd gebouwd leniger of zijn het onze oude, door de kou extra stramme ledematen die ons belemmeren soepeltjes in bed te duiken? Ik stoot mijn knie, moet met mijn schouder klem half onder het gangboord gaan liggen, krijg met de grootst mogelijke moeite mijn andere been met een vreemde draai in bed, knal met mijn hoofd tegen het plafond, schuifel mijn lijf onder het dekbed en uiteindelijk rust ik op mijn rug. De lengte van de bedden is goed, maar die hoogte!
Toegegeven, we zijn verwend op onze motorboot Petronella M, waar we rechtop in bed kunnen zitten. ‘Het zal op die zeilboot wel een beetje aanpassen worden’, hadden we thuis al tegen elkaar gezegd. Weer een beetje net als vroeger. Maar dat ik als een gestopte worst in dit bed lig, had ik niet voorzien. ‘Leuk hè, zo’n zeilboot’, giebelt Nel, die mijn getob gadeslaat vanonder haar dekbed, dat ze vanwege de klamme kou tot aan haar kin heeft opgetrokken. Ik geef wijselijk geen antwoord, knip mijn lampje aan en pak mijn boek. Mis! Zelfs als ik zo plat mogelijk op mijn rug ga liggen, mijn kin diep op mijn borst (ik voel de kramp al) past mijn boek met geen mogelijkheid tussen lijf en plafond! Ik kronkelstrompel het bed weer uit. Heb ik in de kajuit tussen alle boeken niet een stripboekje van Kapitein Rob zien staan? Terug in bed blijkt dat wel te passen: de vijftien centimeter tussen borst en plafond zijn precies genoeg om ‘Het avontuur op Pampus’ te kunnen lezen. Omslaan van de bladzijde moet naast het bed…

Huiverende boot
Het wordt een onrustige nacht. Niet alleen vanwege de vallen die tegen de mast kletteren (die had ik toch even moeten opbinden, bedenk ik me in mijn halfslaap), maar vooral vanwege de harde wind en de plenzende hoosbuien. Regelmatig huivert de Loeff als de mast staat te trillen in de storm en het schip onrustig aan de landvasten rukt. Als om half vijf de eerste vogels de nieuwe dag aankondigen, houd ik het voor gezien en besluit ik op te staan. Ik probeer zo voorzichtig mogelijk uit bed te kruipen, maar ik geef Nel een gevoelige por. ‘Wat ga je in vredesnaam doen?’, mompelt ze. Na een blik op haar horloge is er voor haar maar een conclusie: ‘Je bent hartstikke gek!’. Misschien heeft ze wel gelijk.

Vliegend honkbalpetje
Iedere keer als we willen vertrekken, betrekt de lucht, vlaagt de wind door de haven en begint het te regenen. Tegen tienen klaart het wat op en kunnen we weg. Laarzen aan en de zeiljacks tot aan de neus dichtgeritst. Net als de dag ervoor zijn we bijna de enigen op het water. Op de Zijl zetten we vast de fok bij. Door een onverwachte windvlaag vliegt mijn petje daarbij van mijn hoofd en verdwijnt achter me in het water. Gelukkig heb ik eraan gedacht mijn wollen zeilmuts van vroeger mee te nemen. We stuiven richting Kagerplassen. Daar kunnen we dan letterlijk en figuurlijk alle zeilen bijzetten, daar zal moeten blijken of er nog voldoende zeilbloed door onze aderen vloeit. Het komt er niet van. Net op de plas worden we overvallen door een noodweer, waar zelfs Noach zich van achter zijn oor zou krabben. Binnen een paar minuten ben ik kletsnat, de harde regen doet pijn in mijn gezicht en ik zie de windmeter bij vlagen doorschieten naar veertig knopen. Is dit nog leuk? Nee, dus. Dan maar geen zeilersbloed. Niks grootzeil erbij. We gooien de kop in de wind en halen de fok binnen. Mijn wollen petje kan ik uitwringen. Leuk, zeilen?
Nu even niet! En voor het eerst verlang ik naar mijn stuurstoel binnen in plaats van zo’n helmstok, waaraan je met alle macht moet rukken om de Loeff enigszins op koers te houden.
Op de Ringvaart van de  Haarlemmermeer komen we meer in de luwte en kunnen we zeil bijzetten. Tot aan de brug dan, want daar moet weer gemotord worden. Dan het zeil weer bij. Tot de volgende brug. Het is het werk niet met zo’n rolfok, maar ik vind het een gedoe worden.
Na de Oude Wetering vinden we het welletjes. De motor gaat aan, de schoten worden opgeborgen en we installeren ons met koffie en stroopwafels onder de buiskap in de kuip. Als er dan ook nog heel voorzichtig een waterig zonnetje doorbreekt, hebben we het helemaal naar ons zin. ‘Het lijkt wel of we op onze eigen boot zitten’, zegt Nel, als ze geniet van de huizen die langzaam aan ons voorbij trekken. Die vergelijking gaat niet helemaal op, want zo langzamerhand weet ik niet meer hoe ik zitten moet op die harde houten rand van de kuip. En een mooi uitzicht? Valt ook wel tegen. Ik word een beetje gek van die voor mijn neus heen en weer zwiepende grootschoot, dat getuur over dat buiskappie heen. En dat piepkleine stukje kuipvloer waar ik kan staan achter die overloop. Wat een sta-in-de-weg is zo’n ding eigenlijk. Wie heeft er bedacht dat zoiets dwars door je kuip moet? Stapje er overheen, stapje terug. Hoeveel keer heb ik dat al niet gedaan de afgelopen dagen?
Drie openslaande deuren hebben we op de Petronella M en we lopen zo van de ruime kuip, waar je elkaar niet in de weg zit, van buiten naar binnen. Ik moet al een half uur naar de wc, maar ik stel het zo lang mogelijk uit: stapje over de overloop, bukken voor de buiskap, stapje naar binnen, nog een stapje naar binnen, langs die kajuittafel, zeiljack uitwurmen, voor de zoveelste keer je hoofd stoten aan die bovenmaatse olielamp die aan het plafond bungelt, met een malle draai gebukt dat natte celletje in, afsluitertjes open, afsluitertjes dicht. Wat een gedoe. Het is dat we door de bebouwde kom varen, anders deed ik het wel gewoon overboord.
Ach, het zal ook wel met het slechte weer en mijn slaaptekort te maken hebben. Ik word ook wat korzelig, doe onnodig kortaf tegen Nel als we vlakbij Aalsmeer door die onmogelijke diepgang van zo’n zeilboot niet eens langs de wal kunnen komen en zet de motor een tandje hoger om hetzelfde stuk terug te varen waar ik op de heenweg een Chinees restaurant heb gezien. Daar meren we voor de deur af. Ik doe een hazenslaapje op de kajuitbank (ook al te smal!) en krijg het pas weer naar mijn zin als we uitgebreid buiten de deur hebben gegeten.

Wat een gedoe
Als we de volgende dag over de Westeinder Plas terug varen naar Jan Kok in Leimuiden, moeten we allebei iets overwinnen om de zeilen nog te hijsen. Het weer is weliswaar enigszins opgeknapt, maar we dienen een paar slagen te maken om weer in de Ringvaart terug te komen. Wat een gedoe. En dan die rotzooi over de hele boot heen. Waar je ook kijkt: vallen, schoten en lijntjes. Met weemoed denken we aan ons opgeruimde motorbootje en we vinden het helemaal niet erg als we in het zicht van Leimuiden alles definitief kunnen opbergen.
Het venijn zit hem in de staart. Bij het inhalen van de rolfok schiet de lijn in de trommel dubbel in een vreemde lus. Nog half uitstaand is er geen beweging in te krijgen. Een uur lig ik op het voordek te prutsen om alles weer goed te krijgen. Het zal beslist aan mij hebben gelegen, maar het einde van dit zeilweekend had ik me anders voorgesteld.

Terug bij Jan Kok ruimen we de Loeff op, zetten onze spulletjes in de auto en gaan op weg naar huis. We zijn nog niet op de grote weg als Nel begint: ‘Eerde heeft toch gelijk, je bent een zeiler of niet’. ‘Typisch Eerde om het zo zwart-wit te stellen’, antwoord ik, ‘dat past ook helemaal bij de zelf ingenomenheid van zeilers!’
Omdat het maar een klein stukje om is, besluiten we de dekbedden en de laarzen nog even aan boord van ons eigen schip te brengen. ‘O, heerlijk bootje, o, lekker comfortabel ruimtebakkie! Hier voelen we ons thuis, dit is onze plek. Laat anderen maar strijden met de elementen, laat ze dikke, zoute verhalen vertellen, boord aan boord liggend in drukke jachthavens, laat ze onder barre omstandigheden havens aanlopen, maar laat ons prutsen op ons motorbootje.’

Bij de Volkeraksluis staan we voor de geopende brug. Mijn zeilgevoel is definitief over en ik begin alweer te schelden op ‘die stomme zeilers voor wie het wegverkeer altijd maar weer moet wachten’. Ik zie de top van een mast boven het wegdek door de brugopening voorbij komen. Zou het Eerde zijn?

'Moi' Groningen

ANWB Waterkampioen nummer 6 - maart 2002

TEKST Frits Mahn FOTO’S Bart Hauvast

‘Moi!’, zeggen ze in Groningen als je vertrekt uit de jachthaven. Randstedelijke Nel en Frits Mahn voeren een week met een gehuurde kruiser door het Groningse landschap. En vonden het mooi. Dus roepen zij: ‘moi!’

‘Nee hoor, wij verhuren helemaal geen kruisers.’ Nel en ik kijken elkaar verbaasd aan. Dit is toch Zoutkamp. En we staan toch bij de Gruno-werf? We werpen een blik achterom naar onze volgeladen auto en begrijpen er niks van. Hebben we daarvoor uren in de auto gezeten? Is er iets mis gegaan bij het maken van de afspraken? Een half uur later is het probleem opgelost. Niet de Gruno-werf zelf, maar Roelof en Trijn Nienhuis verhuren een kruiser. En omdat iedereen iedereen kent in Zoutkamp duurt of niet lang, of we hebben dit echtpaar gevonden en kunnen we inschepen op hun Zeewolf. Wat een mens allemaal niet meesleept voor een weekje Groningen. En dan moeten we ook nog ruimte overhouden voor dochter, schoonzoon en kleinkind die een paar dagen als opstappers zullen meevaren.

STUREN OP DE KNIEËN
‘Twee meter tachtig’, had Roelof gezegd, toen ik hem vroeg naar de doorvaarthoogte van zijn Zeewolf. ‘Maar dan moet je wel de ramen neerklappen’. Waarom zouden we aan zijn woorden twijfelen, het was immers al twaalf jaar zijn schip? Omdat we geen zin hebben de hele week de windschermen op en neer te klappen, kiezen we de makkelijke weg en haal ik met behulp van de inmiddels gearriveerde schoonzoon de ramen los en bergen we ze op in het vooronder. Dan maar geen beschutting tegen de vaak straffe wind. Ongehinderd onder de vaste bruggen door heeft ook zijn voordelen. Maar als we de volgende dag vanaf het Reitdiep bij Erica stuurboord uit gaan en de eerste vaste brug in zicht krijgen die over het Kommerzijlsterreit ligt, zijn we daar niet meer zo zeker van. ‘H30’ staat er op de kaart, dus dat moet kunnen, maar met een ‘vreemd’ schip is het de eerste keer altijd spannend. Natuurlijk heeft Rudolf gelijk en kunnen we ‘met gemak’ onder de brug door: met een voorzichtig slakkengangetje op het achterdek op de knieën sturend. Zo zal het de hele week blijven, want dat kenmerkt Groningen: veel vaste bruggen, dus vaak door de knieën. ‘Goed voor je stramme botten’, zegt dochterlief als ze me weer eens een knieval ziet maken…

MEP OP DE KNOP
Na Kommerzijl en Niezijl varen we iets meer dan een kilometer op het Van Starkenborghkanaal richting Groningen om bij Gabrug het Hoendiep in te steken. Daar maken we kennis met het tweede kenmerk van varen door Groningen: bruggen en sluizen met zelfbediening. Met een rustig gangetje vaar ik op de dukdalf af, tot Nel vanaf het voordek een mep op de bedieningsknop kan geven. Onmiddellijk daarna is het groen licht en wordt de brug geopend.
Bij Briltil lopen we vast, want daar begint de konvooivaart over het Hoendiep naar De Poffert. Geen probleem om even te moeten wachten, want we worden er vriendelijk opgevangen door Tjeerd van der Mei, die daar -vlak voor de brug- samen met zijn vrouw Antje en dochter Anneke de jachthaven/camping beheert. Geen goed woord heeft-ie over voor de brug die vanaf het Van Starkenborghkanaal toegang verschaft tot het Hoendiep (en dus tot zijn jachthaven). Veel te vaak storing naar zijn idee, door een verouderde techniek. ‘Honderd jaar oud is die brug, mijnheer, dus wat wil je? Vraag een honderdjarige op visite. Leuk voor een avond, maar hij moet geen hele week blijven! Nee, als de provincie Groningen echt de waterrecreatie wil promoten, zullen ze eerst iets aan die brug moeten doen’. Ondanks de naar zijn idee krakkemikkige brug heeft Tjeerd over belangstelling voor zijn jachthaven niet te klagen. Het zijn vooral Duitsers die bij hem overnachten. Varend over het Van Starkenborghkanaal ‘wippen’ ze bij Gabrug voor een kleine kilometer het Hoendiep op, overnachten in Briltil en gaan de volgend dag diezelfde kilometer weer terug, hun reis naar Friesland vervolgend, ‘want daar willen ze toch allemaal nog steeds naar toe.’

De brugwachter zien we vier keer voorbij fietsen naar steeds de volgende brug

Wij niet. Na een overnachting in Briltil vertrekken we de volgende morgen met een minimaal konvooi van welgeteld één schip richting De Poffert. We voelen ons wat opgelaten als alleen voor ons het verkeer wordt stilgezet, als alleen voor ons de brug wordt opengedraaid en als we de brugwachter vier keer voorbij zien fietsen op weg naar steeds weer de volgende brug, waar hetzelfde ritueel zich herhaalt. Maar wat is het schitterend varen! Wat genieten we van de stilte en het prachtige landschap. En wat ligt zo’n plaatsje Enumatil verstild van schoonheid halverwege deze route.

HULP VAN EEN HENGELAAR
Vanwege onze doorvaarthoogte kunnen we jammer genoeg niet door de stad Groningen om het Boterdiep te bereiken. Met een klein ommetje via het Aduarderdiep en het Van Starkenborghkanaal sluiten we ons bij de Boterdiepbrug aan bij de konvooivaart langs Zuidwolde en Bedum (met de scheefste kerktoren van Nederland) naar Onderdedam.
Bij die plaats (het ‘knooppunt van waterwegen’, aldus der plaatselijke VVV) hebben we de keuze: direct bakboord uit over het Winsumerdiep en terug richting Zoutkamp of de konvooivaart voortzetten naar Uithuizen. Als we op ons achterdek met kaart en Almanak nog zitten te dubben over deze keuze krijgen we ongevraagd hulp van een hengelaar. Na een blik op de naam van onze thuishaven mengt hij zich in het gesprek: ‘Is er geen water genoeg bij jullie in de buurt dat je hier komt varen? Wat heb je hier nou te zoeken? Je kunt alleen maar op en neer naar Uithuizen. En da’s ook niks meer tegenwoordig. Vroeger ging ik er nog wel eens dansen, maar dat is nu een discotheek geworden. Moet je je eerst vol laten lopen met drank om tegen die herrie te kunnen! Ga toch naar Friesland! Daar heb je meren. En de ruimte. Hier zie je alleen maar wallekant…’
Gelukkig denkt Bert van der Maar, werkzaam bij het Waterschap Noorderzijlvest in Onderdendam daar anders over: ‘Friesland is vol. Nu is Groningen aan de beurt om de watersporters te verwelkomen. Vaar maar naar Uithuizen. Kun je gelijk kennis maken met de zelfbedieningssluis bij Den Deel’.

MOOI, STIL EN PRACHTIG
We vervolgen de konvooivaart richting Uithuizen. Dat is inderdaad dezelfde weg heen en dezelfde weg terug. Maar zo mooi, zo stil, met zulke prachtige plaatsjes als Middelstum en Kantens onderweg, dat je het er graag voor over hebt heen-en-weer-te-varen. Het vaarwater is op sommige plaatsen smal (hoe moet dat met tegenliggers, vragen we ons af) en hier en daar klopt de diepte niet met de waterkaart en moeten we de Zeewolf door tachtig centimeter water ploegen, maar wat genieten we van de rust, de ruimte, de stilte en de frisse lucht. En van de hartelijke ontvangst in Uithuizen, waar we bij WSV Op ’t End de eerste passanten van het seizoen zijn. Zo vroeg in het jaar, dat de passantentasjes met sleutel, informatie en Klinkhamerkoek nog niet klaar zijn en de boiler nog moet worden aangezet. ‘Over een uurtje heb je warm water’, verontschuldigt penningmeester Gewo de Jager zich nadat hij ons een plekje heeft gewezen en geholpen heeft bij het afmeren.

Natuurlijk, het vaarwater loopt dood in Uithuizen, maar was het niet schitterend onderweg?

’s Avonds komt hij nog even buurten, samen met Dirk van Brinsbergen, de voorzitter van de vereniging. Als we het verhaal vertellen van de hengelaar in Onderdendam die ons afraadde naar Uithuizen te gaan, komen ze pas goed los. Natuurlijk, het vaarwater loopt dood in Uithuizen. Maar was het niet schitterend onderweg? En wat konden we hier allemaal niet doen? Pak de fiets en rijd naar de Menkemaborg! Of bezoek Noordpolderzijl, het meest noordelijke zeehaventje van Nederland. En voor drukke toestanden zijn ze niet bang. ‘Het selecteert zichzelf’, zegt Dirk, ‘we krijgen hier nu zo’n honderd passanten en eigenlijk is dat genoeg. De provincie Groningen pompt miljoenen in het promoten van de vaarrecreatie, maar het zal hier nooit druk worden. Heeft ook te maken met de vooroordelen van het westen: je scoort niet als je op vakantie naar Groningen gaat.’

BRUG BIJ DE DOOD
Die mening wordt gedeeld door Annie van der Veen, al vanaf 1972 brugwachtster in Doodstil, waar we de volgende dag  doorheen moeten op onze terugreis naar Onderdendam. Goedlachse Annie die -zoals ze dat al aan vele passanten heeft uitgelegd- ook aan ons vertelt, dat een ‘til’ het Groningse woord is voor brug en dat er vroeger ‘aan de overkant’ een kerkhof lag. Dat het dus de brug bij de dood is en dat we vanaf nu doods-til moeten zeggen in plaats van dood-stil. We beloven het haar plechtig en varen met een brede armzwaai door haar brug.
Halverwege de tocht naar Onderdendam besluiten we bij Fraamklap het konvooi ‘een beurt over te slaan’ en we meren af aan de eenpersoonssteiger voor het café van Vrouw Tuitman. Hoewel ook over water te bereiken, lopen we van hieruit de drie kilometer heen en terug naar het huiskamercafé van Tinus en Eke Hazekamp in Westerwijdwerd, dat dateert uit 1880 en waar de tijd lijkt te hebben stilgestaan. Waar je bij de koffie geen koekje krijgt, maar wel gratis en voor niks de mooie verhalen van Tinus en zijn vrouw.

ALTIJD FRISSE ZEEWIND
Terug in Onderdendam vervolgen we het Winsumerdiep en maken nog een laatste overnachting in Winsum voor we de volgende dag de Zeewolf weer in Zoutkamp moeten inleveren. ‘Eigenlijk zou je dit allemaal niet moeten opschrijven’, zegt Nel als we ’s avonds aan de gemeentelijke passantensteiger van Winsum aan ons galgenmaal zitten. ‘Je zou het voor jezelf willen houden, dit prachtige landschap, deze stilte, die vriendelijke mensen. Waar zijn ze eigenlijk, die stugge Groningers?’ Ik begrijp wat ze bedoelt. Ik heb het vaker gehoord deze week. Het is het tweeslachtige van Groningen. Dat hoor je bij iedere VVV waar je binnenstapt, dat zegt iedere Groninger die je spreekt: toeristen blijven weg omdat de Groningers stug zouden zijn. Of vanwege de ‘kil’, de lagere temperaturen door de altijd frisse zeewind. Maar vooral door de onbekendheid met dit gebied. Onbekendheid met schitterende vaarwaters, prachtige plaatsjes onderweg, voldoende afmeermogelijkheden. Het tweeslachtige is ook terug te vinden in de politiek. De bestuurders willen de provincie promoten, doen er alles aan om meer vaarrecreanten naar Groningen te krijgen. Maar de-man-in-de-straat wil het klein houden: kleine jachthavens, kleine campings, voornamelijk kanovaarders en vooral geen ‘Friese toestanden’. Ik ben geneigd ze gelijk te geven. Ga dus vooral niet naar Groningen Blijf maar weg! Want eenmaal gevaren in deze schitterende provincie wil je er beslist terugkomen. Nel en ik zijn verslingerd geraakt aan dit vaargebied. Maar we houden het stil. Doodstil…