60 GR Naar huis

Gepubliceerd door Frits op

Naar huis

Ik ben dus -ruim gezien en op ’t gemakske*)- op weg naar huis.
In Montesilvano volg ik de borden mare om aan zee te overnachten. Daar is inderdaad een mooi, groot parkeerterrein. Jammer van het parkeerverbod voor campers en om Frits niet in de verleiding te brengen dat verbod te negeren, hangt er ook nog zo’n fijne hoogtebalk boven de ingang. Dan maar voor de deur bij die grote pizzeria.

*) Geen tekst van mezelf: vindt zijn oorsprong in Tilburg…

OVERNACHTING #37

Het is best een leuke weg hoor, die Strada Statale Adriatica, maar ook één grote klont bebouwing. Steden en dorpen rijgen zich naadloos aaneen, een heel enkele keer vang ik een glimp van de zee op. Da’s leuk voor een poosje, maar ik rijd er nu vanaf mijn overnachtingsplek al een dikke honderd kilometer doorheen. Nog niet erg, ware het niet dat ik al die kilometers file rijd. Wat is het druk. En wat zijn er veel verkeerslichten. De groene golf hebben ze hier waarschijnlijk nog niet uitgevonden, want het overkomt me regelmatig dat het licht alweer op rood springt voor ik er doorheen ben. En dan zie ik ook het volgende licht al rood worden, zo dicht staan ze soms op elkaar. En hoeveel rotondes ik in dat stuk wel niet heb ‘genomen’, ik heb het niet bijgehouden, maar om de paar kilometer (soms een paar honderd meter) doemt er weer eentje op. En tussen die verkeerslichten en rotondes hebben ze ook nog eens flink gestrooid met zebrapaden; is het vandaag soms nationale oversteekdag in Italië?
En dan heb ik ook nog gedoe met Claire-mijn-Garminnetje. Dat gaatje-met-dat-veertje, waarmee ik haar klem zet op dat stampertje van het steuntje is een beetje uitgelubberd. Zal de leeftijd wel zijn, dat alles wat slapper wordt… Regelmatig dondert ze van het steuntje. Met één oog op het drukke verkeer (wil die vent uit die zijstraat nou ook nog eens invoegen?), zet ik haar dan weer terug. Om even later… nou ja, ’t is niet alleen haar schuld, het heeft ook te maken met het superslechte wegdek. Een lappendeken van asfalt, putten, gaten en scheuren.

Alles bij elkaar schiet het dus niet op. Hoewel ik rustigjes aan huiswaarts wil toeren, is dit wel heel erg ‘op het gemakske’. Ik wijzig bij Claire-mijn-Garminnetje de routebepaling van kortst naar snelst. Vanmorgen om kwart over zeven startte ik de motor. Dacht de drukte te ontlopen. Mooi niet. Het is al na elven als ik na honderd kilometer de Strada Adriatica kan verlaten en de autostrada opdraai.
Er zijn twee rijstroken. Je mag er 110 km/uur. Ik moet pas over 176 kilometer afslaan naar een andere autostrada. Leuk hoor, binnendoor, maar nu tik ik toch met een opgelucht gevoel de cruise control op honderd. Gaan! Niet gehinderd door het overige verkeer. Nou ja, één keer moet ik nog fors in de remmen als een non in een Pandaatje heel eigenwijs en tergend traag invoegt. Ze zal Gods zegen wel hebben.
Genietend van de weg voor me doorboor ik talloze keren de bergen, met dank aan de Italiaanse tunnelbouwers. Sommige van die ‘doorboringen’ zijn kilometers lang. Arme Claire blijft ook op de autostrada regelmatig een gevallen vrouw. Maar ook hier is dat mede de schuld van het wegdek. Zelfs op de (tolvrije) autostrada is dat een patchwork van asfalt.

Tegen vieren houd ik het voor gezien. Ik verlaat de autostrada en kom aan de rand van Ravenna bij een afgelegen tuincentrum terecht, waar ik van de eigenaar toestemming krijg te overnachten. Sta ik daar tussen de planten! Ik, met mijn passie voor tuinieren. Die alles wat leeft en bloeit… Nou ja: ik sta dus helemaal op mijn stek hier.

‘s Avonds leg ik bij tuimelende Claire liefdevol een noodverbandje aan van schilderstape, zodat ze op haar plaats blijft. Thuis maar even de dokter raadplegen.

OVERNACHTING #38

Vanaf Bolzano in Noord-Italië volg ik een mooie bergrit met Italiaans-Oostenrijkse dorpjes en alle opschriften al tweetalig. Ik kan ook het gesprokene op de radio weer verstaan. Ik ben op weg naar de Joch. Nee, ik wás op weg naar de Joch, want terwijl het steeds besneeuwder wordt om me heen, stuit ik op een groot bord. De Joch is geschlossen, stlüt, chiuso, closed! Dat valt tegen. Ik had me er al wel over verbaasd dat ik al een poosje vrijwel alleen door de bergen reed en er het laatste half uur al helemaal geen tegenliggers waren.
Ik glibberdraai op het weggetje en stop een paar honderd meter terug op de parkeerplaats van een hotel om mijn plan te trekken. Vanuit de bergen komen drie mannen aangelopen, ski’s over de schouders. Of ik verdwaald ben?
‘Nee’, antwoord ik, ‘verdwaald niet, ik was op weg naar de Joch, maar ik zie op dat bord daar dat-ie is afgesloten. ‘Stimmt’, is het een beetje lacherige antwoord, ‘stimmt, maar dat had je beneden in het dorp al kunnen zien hoor. Daar staat ook zo’n bord. Even niet opgelet zeker?’. Dat bord heb ik dan inderdaad gemist. Ich kann mich wohl für mein Kopf schlähn!Und jetz?’, vraag ik de wintersportbruine mannen. ‘Jetz? Zurück nach Bolzano en dan naar de Brenner. Er zit niks anders op. Gute Reise!’. Grinnikend (om zo’n domme Auslander?) lopen ze naar de garage onder het hotel waar ze hun ski’s opbergen.

Er zit inderdaad niks anders op. Zo’n vijftig kilometer terug dus door de bergen. Ik geef Claire-mijn-Garminnetje een nieuwe opdracht, maar ze blijft eigenwijs, dan wel plichtsgetrouw me tot vervelens toe terug naar de Joch sturen. Ik negeer haar en rijd ouderwets op de borden richting Brenner. Het is inmiddels al laat in de middag en het wordt gaandeweg donker. Dat vind ik niet prettig, zeker niet als ik in het avondspitsdrukke Bolzano mijn weg moet zoeken. Ik rijd door tot ik zeker weet dat ik de goede route te pakken heb. Nog voor het helemaal donker is, stop ik bij een tankstation/parkeerplaats en zet m’n bussie maar weer eens tussen de grote jongens. Links van me dendert het verkeer op de A22 onophoudelijk voorbij, op weg naar de Brenner, hier vandaan zo’n vijftig kilometer. Rechts van me raast regelmatig een trein voorbij. Voor me staat de koeling van zo’n grote jongen doordringend zwaar te brommen.

Ik ben moe. Vooral het laatste stuk terug van de Joch naar de Brenner heeft me genekt. Voor mijn gevoel maak ik ook te lange dagen. Zit te lang achter het stuur de laatste dagen, slechts onderbroken door een korte koffiestop en de buiten-de-deur-lunch. Maak ook te veel dagkilometers. Ik weet: de echte kilometervreters zullen lachen om mijn daggemiddelde, maar ik ben dat nu eenmaal niet gewend als ik op reis ben. Dat heeft natuurlijk ook te maken met de route die ik volg (nog steeds geen autowegen) en vandaag had ik slimmer moeten zijn en direct voor de Brenner moeten kiezen.
Ik heb een thuisfront laten weten, dat ik probeer in het weekeinde thuis te zijn voor een verjaardagsfeest. Ik heb niks beloofd, het bewust vaag gehouden, maar toch merk ik dat ik er op rij. Ik zie het wel de komende dagen.

OVERNACHTING #39

Het bordje onderaan de heuvel verwijst naar een parkeerplaats, waarvandaan wandelaars kunnen starten. Zal ook wel en dat parkeerplaatsje is er ook, maar er staat ook een soort clubhuis. Bij het openstaande hek staat een bordje: betreden van het terrein is levensgevaarlijk. Gelukkig sta ik buiten het hek op een -zeker in vergelijking met de afgelopen nacht- heerlijk rustig plekje helemaal alleen.

OVERNACHTING #40

Een heerlijk rustig plekje? Helemaal alleen?
Tegen zessen rijdt de een na de andere auto ‘mijn’ parkeerterreintje op. Bij elkaar een stuk of twaalf. Er stappen echtparen uit. De vrouwen met volle boodschappentassen, de mannen met koffertjes en langwerpige hoezen, waar -weet ik veel- geweren of buksen inzitten? Alle aankomende auto’s parkeren dwars op het huis. Ik sta er evenwijdig aan. Lijkt me wat egoïstisch nu het drukker wordt.
Ik klop bij het huis aan, word binnengelaten in een grote recreatiezaal met keuken en opper dat het misschien beter is als ik m’n bussie ook dwars zet. ‘Of komen er verder geen auto’s meer?’, laat ik er schijnheilig op volgen. Dat blijkt wel het geval te zijn, dus als ik zo vriendelijk wil zijn?
Ik zie de vrouwen in de keuken bezig met de voorbereidingen voor de maaltijd, de mannen verdwijnen de een na de ander met hun koffertje en die foedraal naar een naastgelegen gebouw. Zijn ze dus allemaal lid van een schietvereniging. Komen ze wekelijks bij elkaar en eens in de maand met de vrouwen erbij en schieten ze wat, kletsen ze wat en eten ze hier uitgebreid. ‘Hier hoog op de heuvel kunnen we lawaai maken zonder dat de mensen er last van hebben’, zegt de man glimlachend. Met een ‘Nou eh… viel Spaβ dan maar’ neem ik afscheid. Nog voor ik bij m’n bussie ben, klinken uit het gebouw de eerste harde knallen. Ik weet niet waar ze op schieten, maar het is een takkeherrie. En wat hebben ze veel munitie bij zich… Tegen negenen stopt het schieten en wordt het stil. Mahlzeit!

OVERNACHTING #41

OVERNACHTING #42 e.v.

(more or less) Translate »