ANWB Waterkampioen

Tussen januari 1999 en december 2001 schreef Frits maandelijks een column in de Waterkampioen van de ANWB

Hoe vertel ik het mijn kinderen?

8 januari 1999

‘We hebben altijd wel geweten, dat jullie weer zouden gaan varen’, zeiden de kinderen toen we ze enthousiast vertelden van onze plannen weer een schip te willen kopen. Acht jaar daarvoor waren zoon en dochter noodgedwongen landrotten geworden bij de verkoop van onze eerste boot.
De eerste boot: van onze spaarcentjes hadden we een casco gekocht, dat zelf afgetimmerd en er jarenlang de Nederlandse wateren mee bevaren. De kinderen waren er groot op geworden, te groot uiteindelijk om nog langer geriefelijk met vakantie te gaan. De bedden leken ieder jaar kleiner te worden, de leefruimte voor vier mensen scheen na iedere tocht te krimpen en het werd steeds meer dringen rond de wasbak. Met weemoed hadden we afscheid moeten nemen van ons schip.

‘Je gaat me toch niet vertellen, dat jullie een mótorboot willen kopen’, deden diezelfde kinderen verontwaardigd toen de plannen voor een nieuw schip vaste vorm begonnen te krijgen. Vanaf hun geboorte waren ze een zeilschip gewend: als baby met veel kussens-tegen-het-omvallen in de kuip, later als fokkenmaat en hulp bij het schutten en afmeren en tenslotte zelfstandig manoeuvrerend. En al die jaren waren ze in de watersport opgevoed met maar één idee: ‘Als je vaart, moet je zeilen! Motorbootjes zijn voor oude mensen!’
Schoorvoetend moesten we toegeven, dat het zeiltijdperk achter ons lag en dat we inderdaad toe wilden treden tot de steeds groter wordende groep geboortegolvers-van-net-na-de-oorlog die het gedoe van een zeilboot omruilen voor het comfort van een motorbootje. Ze zeiden verder niets, maar de uitdrukking op hun gezicht sprak boekdelen…
En ach, toen ze eenmaal gewend waren aan het idee en mee gingen naar ons in aanbouw zijnde scheepje kreeg het enthousiasme ook hen te pakken. Natuurlijk bleef zeilen nummer één, maar ze stelden opgelucht vast, dat we tenminste geen drijvende caravan, geen strijkijzer of een comfortbak hadden uitgezocht. Bewonderend liepen ze om ons nieuwe schip heen, prezen het stoere uiterlijk van het bakdekkertje, wezen elkaar lacherig op de ‘overnaadse’ kunststof romp, vonden de inrichting heel praktisch en moesten uiteindelijk toegeven, dat een dergelijk scheepje van net acht meter prima bij ons pastte.
Natuurlijk moesten ze soms nog even wennen aan hun nieuwe watersport-ouders. ‘ Kijk, hier komt dan de t.v.’, wees ik enthousiast en ik zag ze denken: ‘Is dat diezelfde vader die we ooit kletsnat van het overkomende boegwater bij windkracht acht aan de helmstok hebben zien staan? ‘En als het nou ’s avonds frisjes wordt, steken we lekker de kachel aan’, hoorden ze hun moeder zeggen. Twintig jaar geleden zagen ze diezelfde moeder nog een pan soep klaar maken, terwijl het schip op één oor lag en de golven door het gangboord gutsten…

Maar ze raakten er snel mee verzoend.
Ze beleefden de bouw en de aftimmering met ons mee. Waren met ons bezorgd over de aflevering die later werd dan gepland, maakten zich met ons kwaad over grote en kleine zaken die niet in orde bleken te zijn en stonden uiteindelijk net zo trots als wij te genieten van het moment van de tewaterlating. Ze hadden zich neergelegd bij de nieuwe situatie en lieten dat blijken door de naamborden voor ons nieuwe schip te schenken: niet langer RVS, geen aluminium meer, maar glimmend gelakte houten borden met in gouden letters de naam: Petronella M.
En wie tuften als eersten met ons mee de haven uit? Juist. Twee enthousiaste kinderen!

't Is weer even wennen

19 februari 1999

‘Volgens mij is dit de laatste’
Nel stond midden in de kuip van ons nieuwe schip en stapelde de doos die ik haar net had aangereikt op de vele die al om haar heen stonden. Na de tewaterlating waren we al drie dagen druk in de weer om van het werf-afgeleverde-schip onze eigen Petronella M te maken. Bij de verkoop van onze zeilboot hadden we de complete inventaris mee verkocht. Alleen onze handtoeter en de verrekijker hadden we op het laatste moment nog van boord gehaald. En wat is er dan veel nodig om een schip weer compleet in te richten. Het afgelopen jaar hadden onze verjaardagen en Sinterklaas in het teken gestaan van die inrichting: familie, kennissen en vrienden hadden ons van het grootste deel van de scheepsinventaris voorzien en dat stond nu allemaal in de kuip. En hoewel we thuis in gedachten alle spulletjes al een plekje hadden gegeven, duurde het toch langer dan we gedacht hadden om alles op te bergen. De voorraad handdoeken verhuisde drie keer naar een ander kastje, het beddengoed ging van het vooronder naar de kajuitbank en toch maar weer terug, dat ene pannetje pastte net niet meer op de bovenste plank, hier moest nog een haakje komen voor de theedoek en daar werd nog een gaatje gevonden voor het voorraadje toiletpapier (je kunt nooit weten…).
Maar wat kun je dan genieten als uiteindelijk alles zijn plaatsje heeft gevonden. Als uit de kombuis de geur van verse gezette koffie komt. Als je uit die splinternieuwe koffiepot op het splinternieuwe tafeltje twee splinternieuwe mokken vult. Als je daarmee in het zonnetje samen op de kuipbank neerploft. Dan pas besef je wat je gemist hebt in die acht jaar dat je geen schip hebt gehad. We hadden nog geen meter gevaren, maar voelden ons weer helemaal ‘botig’ worden en we zaten als twee kleine kinderen te genieten.
Die nacht zouden we voor de eerste keer aan boord blijven slapen en we hadden allebei een soort schoolreisgevoel toen we de kooi indoken. Nu is dat woord kooi niet meer helemaal op zijn plaats. Een taalgebruik dat nog stamt uit onze zeilperiode, toen we iedere avond de slingerschotten voor de kajuitbank hingen en in onze slaapzak kropen. En dan ’s nachts niet te veel woelen, want dan kwam je als een worst in die slaapzak te liggen of je knalde tegen het slingerschot aan. Wat een verschil met nu: in een riant tweepersoons bed op een prima matras onder een heerlijk dekbed. Radiootje aan, plafondspotje aan, kussen in je rug en eindelijk dat boek eens lezen, dat de hele winter al was blijven liggen. Even keken we elkaar aan: was dit nog wel zo scheeps of hadden de kinderen toch gelijk gehad toen ze ons scheepje een ‘ouwelullenbootje’ noemden? Toen ze ons een toekomst voorspiegelden van tuffen over de Nederlandse wateren: vader met een kopje koffie op zijn stuurstoel en moeder met een breiwerkje op de kuipbank?
En wat was het wennen die eerste nacht. Zo moe als we waren, kwamen we nauwelijks in slaap. Waren we toch vergeten hoe de golfjes tegen de onderkant van je bed konden klotsen. En dan al die nieuwe geluiden: zo’n omvormer die zachtjes staat te brommen, het koelkastlampje dat steeds feller lijkt te gaan branden, het wekkertje dat steeds driftiger gaat tikken. En natuurlijk ook de spanning van het nieuwe. Voor het eerst zouden we de volgende dag met z’n tweeën gaan varen. Hoe zou het vaargedrag van ons scheepje zijn? En hoe moest dat nou in de sluis zonder hulp van de kinderen? Ik gaf mijn kussen een stomp. Veel minder uitgerust dan ooit op onze zeilboot begonnen we aan een nieuwe vaarperiode in ons leven.

Landrotten aan boord

19 maart 1999

‘Pak je hier maar vast, je ene voet daar en dan kun je hier voorzichtig aan boord stappen.’
Het leuke van een nieuw schip is onder andere het dagje-varen met vrienden en kennissen. In ons geval zitten daar aardig wat mensen bij die wij –bootbezitters- zo graag bestempelen als landrotten. ‘Ga gezellig mee een dagje varen’, zeg je uitnodigend er onmiddellijk instructies aan toevoegend dat ze makkelijke kleding moeten aantrekken en zeker geen schoenen met leren zolen of –erger nog- naaldhakken. Onwennig komen ze dan over de wiebelende steiger naar je boot lopen, met in de ene hand ‘een aardigheidje voor jullie nieuwe schip’ en in de andere hand een weekendtas vol extra kleding en schoenen, want je weet het maar nooit op zo’n boot. Nadat het cadeautje is aangepakt en de weekendtas en de jassen in de voorpiek zijn gelegd, volgt steevast de bezichtiging van het schip. ‘Kijk, hier slapen we. Hier koken we. Hier zitten we.’ En ze vinden alles even prachtig, ook al moeten ze zich soms in bochten wringen. ‘Toch kleiner dan we dachten. Leven jullie nu de hele vakantie in deze ruimte?’, trappen ze even (heel even maar) op je trotse ziel. ‘Koffie?’, doen wij dan maar enthousiast en we slikken het in om over hun meegebrachte taartje op te merken dat-ie ‘ook wat kleiner was dan wij verwachtten…’

De uitleg van het boordtoilet bewaren we altijd tot na de koffie en vlak voor het vertrek. Dat heeft een reden. ‘Zal ik jullie nog even uitleggen hoe de wc werkt? Kijk, voor je gaat zitten, zet je dit hendeltje in de stand flush, je pompt een paar keer tot er water in de pot staat, en als je klaar bent, pomp je de inhoud van de pot weg. Ja, dan sta je natuurlijk wel met je hoofd boven de behoefte die je net gedaan hebt, maar ja, het is nu eenmaal anders dan thuis, hè? En oh ja, als je alles hebt weggepompt, moet je dat hendeltje in de stand pump-dry zetten en dan pomp je nog even een paar slagen tot het water uit de pot is. Simpel hè?’ Ze zeggen niks, die gasten-voor-een-dag, maar je weet dat ze op dat moment besloten hebben in geen geval gebruik te maken van een dergelijk ingewikkeld apparaat. Onmiddellijk na de uitleg van het boordtoilet volgt bij ons altijd de mededeling dat het nu toch wel de hoogste tijd wordt om de trossen los te gooien. En verdraaid, in negen van de tien gevallen is er altijd wel één die nog even iets uit de auto moet halen. Een auto die geparkeerd staat in de buurt van de haventoiletten…

En dan het wegvaren. Toegegeven: het valt niet mee om als gast op een bootje te zitten en de schipper en zijn vrouw allerlei handelingen zien verrichten die voor hen doodnormaal zijn, maar een landrot in totale verwarring brengen. Om van dat vreemde taalgebruik van die bootmensjes maar te zwijgen: ‘Gooi de spring er maar vast af, maar hou ‘m voor aan stuurboord nog even aan, dan laat ik de kont mooi om de paal draaien….’ Het liefst zouden ze op zulke momenten heel klein en onzichtbaar ergens in een hoekje willen zitten en rustig afwachten tot het schip de haven is uitgevaren. Dat proberen ze ook wel, maar waarom kiezen ze daarvoor dan altijd het verkeerde plekje en waarom zitten ze altijd en eeuwig hopeloos in de weg?

We nemen het ze niet kwalijk, die landrot-kennissen van ons. Het zijn en blijven leuke mensen. Maar onze wraak is zoet als ze aan het einde van de middag ‘absoluut niets meer willen drinken’ en nog voor ons schip goed en wel ligt afgemeerd in de thuishaven met een barstenvolle blaas met kleine, voorzichtige pasjes over de steiger trippelen op weg naar een toilet, dat je tenminste normaal kunt doortrekken….

Beginnersfouten

16 april1999

‘Gooi maar los Nel en duw een beetje af.’
Het was leuk geweest al die dagtochtjes met familie en kennissen. We hadden ervan genoten, daar niet van, maar we waren na ruim een week met mensen aan boord er nu toch wel hard aan toe om met z’n tweetjes uit te varen. In die week waren we er door schade en schande ook achter gekomen, dat dit motorbootje toch duidelijk anders was dan ons vorige zeilschip. Er waren zoveel dingen waaraan we moesten wennen. Er waren ook zoveel zaken waar we op moesten letten.
Op de zeilboot hadden we bijvoorbeeld geen koelkast. Ik viste nooit, maar in de kuipbank lag een leefnet, dat op warme dagen werd gebruikt om het bier en de frisdrank in het water te hangen. Nu hadden we dus de luxe van een koelkast. Zo eentje die op gas, op 12V en 220V werkt. Waarvan in de gebruiksaanwijzing wordt geadviseerd om hem niet op de accu te laten werken als de motor niet draait. Nel had me nog gewaarschuwd toen we van boord gingen: ‘Moet de koelkast niet overgezet worden op gas?’ ‘Ben je gek’, had ik geantwoord, ‘als we niet aan boord zijn, gaat de deur van die kast niet open en verbruikt-ie dus nauwelijks stroom. En bovendien, weet je wel hoe groot die twee accu’s zijn die we aan boord hebben?’ Ze wist het en ze wist ook dat verder argumenteren op dat moment geen zin zou hebben; daarvoor is ze al te lang getrouwd met een eigenwijze schipper. Ze was zelfs zo tactisch om de volgende dag geen enkele opmerking te maken toen er bij het starten van de motor slechts een droge tik hoorbaar was… Laten we het erop houden dat je op die manier leert om te gaan met je walstroomaansluiting en je acculader.
En wat miste ik in het begin mijn oude vertrouwde motortje. In de zeilboot stond een niet kapot te krijgen SABB-dieseltje. Zo’n 10PK één-pittertje waarmee ik kon lezen en schrijven. Met zó’n overduidelijk kenmerkend motorgeluid, dat we nu nóg opkijken als we het ergens in een haven horen. Die zeildiesel was kinderlijk eenvoudig te bedienen: je had een grote hendel om hem in zijn voor- of achteruit te zetten en een kleiner hendeltje om het gas te bedienen. Dat bedienen deed je bij voorkeur met je voet. In onze motorboot staat nu een ruimbemeten vier-cilinder met op het dashboard de éénknops bedieningshendel. Toegegeven: een stuk geriefelijker, maar het moest wel wennen. Die keer bijvoorbeeld, dat ik voorzichtig de box uit manoeuvreerde. Zoals ik dat jaren op de zeilboot gewend was geweest, zette ik in één ruk de hendel van de neutrale middenstand in z’n achteruit. Met een enorme schuiver schoten we voluit achteruit recht op de tegenover ons liggende schepen af. Dat we toen geen brokken hebben gemaakt, was alleen maar aan Nel te danken: nog nooit daarvoor (en ook niet daarna) heb ik haar met zo’n vaart van het voor- naar het achterschip zien rennen om af te houden en erger te voorkomen. Waar een mens op onze leeftijd nog toe in staat is…
En wat voelde ik me in het begin opgesloten in dat stuurhuis. Jarenlang had ik aan de helmstok gestaan (in strijd met de elementen, heette dat bij ons aan boord). Lekker dicht bij het water, alles goed overziend, voetje op het gas en bij het afmeren een landvast klaar in de hand. Nu sta ik midscheeps achter een stuurwiel, zie geen steiger meer vanwege het bakdek en moet –als de boot op zijn plek ligt- als een haas naar achteren rennen om nog snel een landvast om een bolder te gooien. En ik heb er wat gemist. En ik heb wat dwars in een haven gelegen. Het is allemaal zo anders. Het moet allemaal nog zo wennen. Hoe doen die andere schippers dat, die mijn  getob meewarig gadeslaan?

Blauw-met-wit

14 mei 1999

‘Kijk eens wat ik gekocht heb!’
Opgetogen kwam Nel met een HEMAtasje aanzetten. Trots stalde zij de inhoud ervan voor me op tafel uit: vier handdoeken en vier theedoeken. Alle acht blauw-met-wit. Ik was er zo langzamerhand aan gewend. Sinds we met de inrichting van de Petronella M bezig waren, kon Nel geen boodschapje meer doen zonder met iets blauw-wits voor ons scheepje thuis te komen. Het stamde nog uit onze zeilperiode. Toen –hoelang geleden leek dat inmiddels- was haar ideaal een blauw-met-witte zeilboot geweest. Een blauwe romp en een stralend witte opbouw. Het was er nooit van gekomen. De werf waar ons eerste schip gebouwd werd, schilderde zijn huurschepen namelijk met een blauwe romp. En om ons te onderscheiden van die huurvloot (dat deden we toen nog), kozen wij bewust voor een andere kleur. Zeventien seizoenen lang bevoeren we de Nederlandse wateren met een schip, dat in al die jaren vele schakeringen groen had gekend. Maar nu, bij de bouw van ons nieuwe bootje zag Nel eindelijk haar jeugddroom in vervulling gaan: een staalblauwe romp met een witte opbouw.
Maar daar bleef het niet bij.
Alles, maar dan ook alles in ons nieuwe schip moest nu blauw-met-wit worden. In mijn naïviteit dacht ik in het begin nog dat we het wel gehad hadden met de keuze van de blauwe bekleding van de bank en de blauwe stof van de gordijnen. Maar de blauw-met-witte inrichting werd zover doorgetrokken, dat het bijna de vorm van een fobie ging aannemen. Blauw-witte handdoeken om je te wassen, donkere- en lichtblauwe washandjes, blauw-witte keukendoeken, lichtblauwe onderhoezen op het bed, blauw-met-wit gestreepte hoeslakens er bovenop, ik kon het allemaal nog wel begrijpen. Maar toen ik een verwijtende blik opving nadat ik een geel vaatdoekje in de kombuis had neergelegd en Nel dat subtiel verving door een blauw exemplaar, haakte ik af. Ze was niet meer te stuiten. Een witte tandenborstel voor zichzelf en een blauwe voor de schipper. Tandpasta werd alleen nog maar gekocht als de tube blauw-met-wit was. Op het plankje in het toilet stonden twee deodorantrollers: één blauw flesje met een wit dopje, één wit flesje met een blauw dopje. En de keuze van de aftershave voor de schipper werd niet langer bepaald door het geurtje, maar door de kleur van het flesje. Er kwamen twee vliegenmeppertjes: een blauwe voor in de kajuit en een witte in de voorpiek. Op het toilet hing een witte rol papier met leuke blauwe motiefjes…

Ooit raakten we, kuip aan kuip liggend in een jachthaven, ’s avonds in gesprek met onze bootburen. ‘Als we de boel nu eens dicht deden tegen de muggen en jullie stappen bij ons aan boord’, sprak buurman op een gegeven ogenblik, ‘dan trekken we er een flesje wijn bij open.’ Nog geen vijf minuten later zat ik sprakeloos om me heen te kijken aan boord van onze medewatersporters. Diezelfde HEMAhanddoeken, hetzelfde vliegenmeppertje, datzelfde doekje, dezelfde tandenborstels, hetzelfde afwasborsteltje… er kwam geen einde aan! Kreetjes van begrip vlogen over en weer: ‘Heb ik ook! Koop je bij Blokker!’ ‘En heb je dit al? Handig dingetje hoor! En helemaal in de kleur!’ En ik maar denken, dat alleen Nel zo’n blauw-met-witte tic heeft… Het werd nog reuze gezellig bij de buurtjes aan boord. Het bleef dan ook niet bij dat ene flesje wijn en daardoor was het al behoorlijk laat toen we wat giechelend afscheid namen en (‘sst, het is al laat!’) overstapten naar ons eigen schip. Bij het van boord gaan, spraken we af dat ze de volgende morgen beslist even naar ons interieurtje moesten komen kijken.
Na een te kort nachtje werd er op beide schepen wat duf-bedachtzaam ontbeten. Maar ons buurvrouwtje werd weer helemaal klaar wakker toen ze onze kajuit binnen stapte. Prachtig vond ze het allemaal. Schitterend. En vooral… zo herkenbaar. ‘Alleen jammer van die roze dweil’, kon ze niet nalaten op te merken, ‘die valt toch wat uit de toon…’

Steigeren

11 juni 1999

‘U vindt het niet erg als ik hier even plaatsneem?’
In een bleek voorjaarszonnetje zaten we in de kuip de krant te lezen, toen de wat oudere heer bij onze boot bleef staan. Keurig in het licht beige kostuum zittend, leunend op een stok en van een leeftijd waarop je niet in de VUT gaat, maar ‘van Drees trekt’. Hij lichtte zijn hoed, zoals dat slechts voorbehouden is aan een bepaalde generatie en herhaalde beleefd zijn vraag: ‘U vindt het niet erg als ik hier even plaats neem?’ Zonder antwoord af te wachten liet hij zich wat moeizaam op de steiger zakken, ging er eens makkelijk voor zitten en wees met zijn wandelstok op ons schip. ‘Ik zag u beiden zo genoeglijk in het zonnetje zitten toen ik langs de haven liep. En nu heb ik een vraag.’ Hij tikte met zijn stok op de kabelaring. ‘Dat touw om uw boot. Is dat nou bedoeld om het schip bij elkaar te houden?’
Kennelijk verwachtte hij van ons geen antwoord, want zijn eerste vraag werd onmiddellijk gevolgd door een tweede: ‘En dan nog wat: gelooft u in God? Ik zie namelijk dat u De Volkskrant leest, maar gelóóft u ook?’ Ik liet mijn krant wat zakken en dacht nog na over een passend antwoord, maar daar had de man klaarblijkelijk niet eens behoefte aan. Hij nam de hoed van het hoofd, legde die behoedzaam op een stukje steiger dat hij eerst zorgvuldig had schoongeveegd en begon aan een breedsprakige verhandeling over God, de rol van moeder Maria, geloof en materie, fysica, de oerelementen, paus Leo III, Freud en de relativiteitstheorie. Nel haakte halverwege zijn verhaal al af en was naar binnen gegaan. Ik hoefde alleen zo af en toe maar begrijpend te knikken. Na een monoloog van een half uur wees hij op de grote kerk. ‘Mijn grootvader, mijnheer, was smid. Ziet u dat kruis boven op die kerktoren? Zevenenzestig meter boven het maaiveld. En dat heeft mijn grootvader gemaakt. Van oude spoorrails, mijnheer! Moet u beslist eens van dichterbij gaan bekijken!’ Dat beloofden we. We waren zelfs bereid dat onmiddellijk te doen, trokken ten bewijze daarvan onze schoenen aan en begonnen de Petronella M af te sluiten. Onze filosoof op de steiger begreep het. Stijf geworden van de houten planken klauterde hij overeind, zette zijn hoed op en nam afscheid: ‘Mooi scheepje hebt u. En van dat touw, dat was maar een aardigheidje, hoor!’

Toen we terugkwamen van onze wandeling door het stadje (we hadden inderdaad de kerk bezichtigd), stond er een gezinnetje met een hummeltje van pak weg vijf jaar op de steiger bij ons bootje. Geïnteresseerd bekeken ze ons scheepje van alle kanten en wij –trots als we zijn op onze nieuwe aanwinst- voelden ons verguld met die belangstelling. Tot het moment dat ze hun zoontje in onze kuip tilden en aan onze boot begonnen te schommelen, zodat het kind het uitkraaide van plezier. We versnelden onze pas en maakten de ouders duidelijk, dat dit òns schip was en dat we er niet van gediend waren, dat vreemden ongevraagd bij ons aan boord stapten. De vader keek me niet begrijpend aan. Hij haalde zijn schouders op en hielp de kleuter van boord. ‘Kom maar, kind’, zei hij bij het weglopen, zonder ons nog een blik te gunnen, ‘deze meneer kan er niet tegen als jij op z’n bootje staan. Deze meneer gunt het jou niet om ook eens te voelen hoe zo’n bootje wiebelt.’ Ik had hem nog het een en ander willen naroepen, maar Nel was zo verstandig me tegen te houden.
We hadden in de stad pizza’s gekocht en omdat het inmiddels wat frisser was geworden, besloten we die binnen op te eten. Terwijl we ons nog zaten te verbazen over het wiebelkindgezinnetje zagen we door de kajuitramen de onderbenen van vader, moeder en kind op de steiger weer voorbij komen. De benen stopten. De benen gingen door de knieën. Op een meter van onze tafel vandaan verschenen de gezichten van de drie mensen voor ons raam. ‘Kijk, Vincent, die mensen zitten nú te eten. Leuk, hè?’ Nel kon me niet meer tegenhouden. Ik stond abrupt op en trok met een woeste zwaai het gordijn voor hun nieuwsgierige neuzen dicht. Het heeft wel wat, overnachten in een stadje…

Vaarplezier

9 juli 1999

‘Môgge, schipper. Kunt u een stukje opschuiven?’
Het was acht uur ’s morgens. We lagen aan een gemeentewalletje en ik was net klaar met het dauwwassen van ons bootje. De Petronella M lag weer tiptop te glimmen in de stralende zon. Het water voor de koffie stond nog maar net op het gas, toen er een autootje van gemeentewerken naast ons schip stopte en twee mannen een motormaaier begonnen uit te laden. Eén van hen klopte op het gangboord. ‘Kunt u een stukje opschuiven? Anders maaien we straks uw touwen doormidden.’ Met de landvasten los in de hand keek ik toe hoe ze het nog natte gras begonnen te maaien. Toen ze klaar waren en opschoven naar de voor ons liggende boot (‘Môgge, schipper. Kunt u een stukje opschuiven?’), was de glimmend schone Petronella M, waar ik een kwartiertje geleden de spons en zeem tevreden had opgeborgen, van onder tot boven bedekt met een laag nat gras. Zelfs de ramen van de kajuit waren tot halverwege ondoorzichtig geworden door de natte, groene slierten. ‘Bedankt schipper. En een prettige dag nog verder!’ Hadden ze zo’n plezier in hun werk of bespeurde ik enig leedvermaak op hun grijnzende gezichten? Het water voor de koffie begon te koken. Ik draaide het gas uit, pakte de puts en begon voor de tweede keer die ochtend ons schip schoon te maken.

Nel had intussen boodschappen gedaan. Bij de bakker was ze de eerste klant geweest. Terug aan boord werd de tafel in de kuip gezet, de koffie ingeschonken en om half negen zaten we in het zonnetje te genieten van verse broodjes. Zo vers en nog zo warm, dat de boter die je er op smeerde smolt. De mannen van gemeentewerken waren inmiddels klaar met maaien. Zwetend begonnen ze naast ons schip de motormaaier weer in te laden. Af en toe wierpen ze een blik op die twee mensen die in de kuip van hun bootje van hun ontbijt zaten te genieten. Toen ze instapten en de motor starten, werden ze door ons vriendelijk gegroet: ‘Tot ziens mannen! En een prettige dag nog verder…’

Het is aan niet-bootbezitters nauwelijks uit te leggen, dat dit soort kleine voorvalletjes een vakantie op het water zo plezierig maken. Als je varend je vrije tijd doorbrengt, moet je geen haast hebben. Moet je de dingen nemen zoals ze komen. Na onze zeilperiode zijn we er een paar jaar tussenuit geweest en hebben we een aantal autovakanties gehouden. Prima vakanties, daar niet van, maar het leven aan boord is veel relaxter. Niet met grote snelheid over de weg razen op weg naar je einddoel, geen zorgen om files, maar met een kalm gangetje zonder stress van het ene punt naar het andere varen. Als je al een einddoel hebt, is het geen enkel probleem als je dat die dag niet haalt: je hebt je huis bij je, je eet, drinkt en toiletteert tijdens het varen en als je het zat bent, zoek je ergens een plekje langs de wal of laat je het anker vallen. Kom daar eens om als je op de route-du-soleil zit.

Terwijl wij in onze kuip de ontbijtspullen opruimden, zagen we aan de overkant de hoofden van twee jongens boven de kajuitdeurtjes uitkomen. Gisteravond toen we een wandelingetje gingen maken (dat moet van Nel om de aangevreten calorieën er weer af te lopen) waren we bij hun bootje blijven staan: een onooglijk klein vletje van zo’n vijf meter lengte met een grote halve trekkerband als stootbumper voor op de boeg. Het dak van het stuurhuisje stond nog in de menie en bovenin het piepkleine mastje hing een plastic Koninginnedagvlaggetje. Met hun 12 PK éénpittertje waren ze zonder enige kaart of papieren op en neer naar Parijs geweest, hadden overnacht met uitzicht op de Sacré Coeur en waren nu weer op thuisreis. Ze waren net aan de was, slingerden hun spijkerbroeken door het water van het kanaal, wrongen ze uit en hingen ze te drogen aan hun mastje. Daarna doken ze overboord om hun haren te wassen. En ze genoten! Voor één van de twee was het zijn eerste vakantie aan boord van een schip. ‘Wat is varen prachtig! Ik zit op dit bootje, ik kijk naar al dat water om me heen en ik geniet. We komen ’s morgens uit bed en we gaan varen! Om acht uur! In mijn vakantie! En vrijwillig! Als ik dit thuis aan mijn moeder vertel, gelooft ze me niet…’

Familie aan boord

6 augustus 1999

‘Hoe laat is het?’ ‘Half vijf!’
We lagen puntje-kontje in een stadje en waren wakker geworden van geschreeuw aan boord bij onze voorburen. Klein menselijk drama, midden in de nacht. Modaal gezin (man, vrouw, twee kinderen) met een modale kruiser (meter of tien, keurig in de verf) had besloten voor een weekje oma aan boord te vragen. Na een paar dagen was het al mis gegaan: oma zat te veel in de weg, oma bemoeide zich te veel met de kinderen, oma wilde inspraak bij de route, oma deed moeilijk bij het eten, kortom oma was teveel aan boord. Oma zelf zag het allemaal anders. Waar zat ze dan in de weg? Bemoeiziek? Ze deed juist moeite om zich helemaal nergens mee te bemoeien, ‘want jullie weten het toch altijd beter’. En waren het niet haar eigen kleinkinderen, die ze best een beetje mocht verwennen? En over het eten, belachelijk! Als er één mens makkelijk was, dan was zij het wel! Het geschreeuw en getier was in de hele haven te horen en ging na een uur over in een gehuil met lange, gierende uithalen. Pas toen de ruziënde stemmen wat gedempter gingen praten, trokken wij ons dekbed weer over ons heen, benieuwd of deze ruzie de volgende dag nog een staartje zou hebben. Dat staartje was er. Toen ik om zeven uur met een volle blaas richting boordtoilet slaapdronkelde, zag ik oma over de kade heen en weer lopen. Ze was duidelijk niet van plan geweest om nog maar één nacht aan boord door te brengen en ze ijsbeerde in haar lange bloemetjesnachtjapon en geitenwollen mannensokken over de kade, boze blikken werpend op de gesloten kuiptent van onze voorburen. Ik kroop m’n bed weer in en probeerde nog wat te slapen. Oma hebben we die dag niet meer gezien…

Ik moest terug denken aan mijn eigen allereerste dagen aan boord van een schip. Zo’n dertig jaar geleden kreeg ik verkering met Nel. Haar ouders hadden een kruiser en toen de verkering serieuze vormen begon aan te nemen, bedacht mijn aanstaande schoonvader, dat ‘die jongen nu maar eens een weekje mee moest varen’. ‘Aan boord leer je de mensen pas echt kennen’, voegde hij er veelbetekenend aan toe. Naast de blijdschap om die uitnodiging bekroop me ook een gevoel, dat ik me uit mijn middelbare schooltijd nog goed herinnerde: met vlinders in je buik het lokaal binnen stappen bij het vak waarvan je de repetitie niet had geleerd. Maar wat doe je? Je bent tot over je oren verliefd en hoewel je nog nooit een voet aan boord van een schip hebt gezet, neem je de uitnodiging dankbaar aan. Ik zou wel zien hoe ik door dit examen zou rollen. En wat heb ik me ongelukkig gevoeld. Natuurlijk deed ik mijn best om op mijn schoonfamilie een goede indruk te maken: ik probeerde dan ook zo snel mogelijk vertrouwd te raken met dat rare taaltje aan boord. ‘Nee, dit is geen touw. Dit heet een landvast.’ En als ik die kennis dan toepaste en behulpzaam het bijbootje met een ‘landvast’ achter het schip wilde hangen, keken ze me meewarig aan en legden me geduldig uit, dat zoiets nou weer een sleeplijn heette. Ook bij het afmeren liet ik mijn handen wapperen, maar de knopen die ik om paaltjes legde, werden onverbiddelijk afgekeurd. ‘Kijk jongen, wat jij daar hebt gemaakt noemen wij een ouwewijvenknoop. Of je belegt een schip met een paalsteek of je gooit er een mastworp omheen met twee halve steken. Ik zal het even voordoen. Simpel toch?’ En de volgende dag stond ik weer te modderen met een eindje touw bij een paaltje. Dodelijk vermoeiend was het! Wie had er ook alweer beweerd, dat varen zo ontspannen was?

Toen we na een paar dagen in de thuishaven afmeerden, besloten we het ‘schoonzoon-examen-weekje’ af te sluiten met een etentje aan wal. Schoonvader stond in het stuurhuis, ritste zijn jack dicht, keek om zich heen en inventariseerde het gezelschap: ‘Heb ik alles? Mijn portemonnee? Mijn vrouw? Mijn hond? Mijn zoon? Mijn dochter?’ Hier laste hij even een pauze in. Hij keek mij aan, liet in gedachten de afgelopen examenweek aan zich voorbij trekken en beëindigde zijn opsomming met: ‘En de logee…’

Aan een landje

10 september 1999

‘Dit is mijn land en daar hebben jullie bootmensen vanaf te blijven!’
Met een rood aangelopen hoofd stond de boer woedend langs de waterkant. Zweetdruppels kwamen onder zijn pet vandaan. Het was een prachtige zomerdag en we hadden besloten voor een uurtje even af te meren voor de middagboterham. We zaten nog maar net met ons bord op schoot toen de landelijke rust verstoord werd door onze boze agrariër. We waren ons werkelijk van geen kwaad bewust geweest. Het leek zo’n leuk plekje: lekker rustig aan een weilandje, met aan de ene kant de grazende koeien en op het water de voorbijkomende bootjes. Ziedend, was-ie, de eigenaar van het weiland. ‘Ik heb het hele seizoen alleen maar last van die boten. Die denken maar dat ze overal liggen kunnen! Maar dit land is wel van mij en daar hebben jullie niks te zoeken!’ Om zijn woorden kracht bij te zetten, trok hij met een woeste ruk onze spit uit de grond en wierp die met kracht op het voordek. Met een stoot tegen de preekstoel duwde hij de Petronella M daarna het wijde water op. We riepen nog een verontschuldiging, maar hij had zich al omgedraaid en beende klompenstampend naar de volgende boot die aan zijn landje lag afgemeerd.

Toch wat voorzichtig geworden, probeerden we bij een ander stukje land nog een keer af te meren. Hier was geen boze landeigenaar, hier konden we onze boterham rustig opeten. En terwijl Nel daarna aan de afwas ging, poetste ik met een half uurtje de kras uit het voordek. Het venijn van dit lunchplekje zat hem in de staart. Toen ik van boord sprong om het spit uit de grond te halen, kwamen drie nieuwsgierige paarden naderbij. Nu moet ik bekennen, dat ik wat dieren betref niet zo’n held ben. Voor alles op vier poten, dat groter is dan mezelf loop ik het liefst een blokje om. Maar wat doe je? Je wilt vertrekken, de motor loopt al, maar iedere keer als ik ook maar in de buurt van het spit kwam, deden de paarden een paar passen naar voren. In mijn ogen werden ze ook steeds groter en agressiever en het duurde dan ook niet lang of ik was weer terug aan boord. Veilig van achter de preekstoel vandaan probeerde ik de dieren met handgeklap en geschreeuw weg te jagen. Nel had het allemaal vanuit de kuip zien gebeuren. Ze kon het niet langer aanzien, liep door het gangboord naar voren, keek me even meewarig aan en stapte aan land. Meteen kwamen die ‘vreselijke’ paarden op haar af. Nel aaide de een, klopte de ander op de nek en trok (trots?) het spit uit de grond. Lichtelijk opgelaten, zette ik de motor in z’n achteruit…

Mijn wraak zou zoet zijn. Twee weken later kwamen we bij een eilandje met steigers terecht. Bomvol was het. Aan alle steigers lag het dubbeldik met schepen. Op één klein plekje na, precies groot genoeg voor de Petronella M. Het hoe en waarom van dat ene plekje werd ons duidelijk toen we afmeerden. Met een landvast in haar hand sprong Nel op de steiger en slaakte onmiddellijk een kreet van afgrijzen. Uitgerekend op dit stukje steiger was de teer van de planken door de felle zon plakkerig geworden en met twee stappen waren de voetzolen van Nel pikzwart en kleverig. Hadden we even niet gezien. En hoorden we daar onderdrukt gegrinnik op de andere boten? Nel belegde de boot en wilde terug aan boord klauteren. Met in mijn achterhoofd de ‘paardengeschiedenis’, kon ik dat natuurlijk niet toestaan. Ze kreeg een fles terpentine en wat lappen aangereikt en mocht pas weer op de boot terug komen nadat ze haar voeten had schoongemaakt en het stuk steiger had vol gelegd met vuilniszakken. De rest van de vakantie keken we beter uit waar we afmeerden. De rest van de vakantie heeft Nel rondgelopen met bruine voetzolen.

Help, een sluis!

8 oktober 1999

‘Het is groen. We kunnen opvaren.’
We hadden geluk. Toen we bij de sluis arriveerden, sprongen de lichten net op groen en konden we -samen met twee beroepsschippers- invaren. Nu hebben wij aan boord zo langzamerhand een min of meer vaste manier van aanleggen ontwikkeld. Om onnodig gevraag en misverstanden te voorkomen, geldt bij ons de afspraak: ‘In principe afmeren aan bakboord, tenzij anders gezegd’. De praktijk heeft uitgewezen, dat die manier voor ons en ons bootje het beste werkt. Omdat deze sluis nu niet echt ingericht was om de pleziervaart makkelijk te laten schutten, besloot ik voor één keer de ‘tenzij’ toe te passen en langszij een van de beroepsvaarders te gaan liggen. Dat had ik beter niet kunnen doen. Net toen we iets voorbij het achterschip van de beroepsvaarder aan zijn stuurboordkant langszij wilden aanleggen, kwamen we erachter dat de schipper alleen nog maar met zijn voorschip had vastgemaakt en nog druk doende was zijn achterschip naar de sluismuur te draaien. Dat deed hij met zoveel schroefgeweld, dat de Petronella M als een tolletje door de sluis werd geslingerd. We waren totaal onmanoeuvreerbaar en volledig overgeleverd aan de kolkende golfslag van de beroepsvaarder. Ons schip reageerde niet meer op het roer, wat ik ook probeerde en we werden door de sluis heen en weer geslingerd. Leve de kabelaring! Met veel pijn en moeite en de nodige buitenkerkelijke verwensingen lukte het ons uiteindelijk om achter de beroepsvaarder aan de sluismuur te komen. Met de neus de verkeerde kant op, dat wel, dus helemaal achterstevoren, maar we lagen…

Twintig jaar ervaring op het water. Twintig jaar door heel Nederland in alle mogelijke sluizen geschut en dan zoiets. Weer wat geleerd: ga nooit langszij een beroepsvaarder liggen als hij zelf nog niet heeft afgemeerd. En wat hebben we in het verleden gelachen om het gekluns en de angst van anderen in een sluis. Hoe konden ze zo stom doen… We werden omhoog geschut, lieten iedereen bij het uitvaren netjes voorgaan en verlieten zelf als laatste de sluis. Met het schaamrood op onze kaken, dat wel, want we wisten, dat onze medesluizers meewarig onze capriolen hadden gade geslagen. Hoewel: op niet alle schepen werd eender gereageerd. Een Belgische schipper maakte vanaf zijn kruiser een gebaar van ‘dat kan iedereen overkomen’. Aardig. Het waarom van dat gebaar werd ons in de volgende sluis duidelijk. Geleerd van onze vorige blunder lagen wij daar binnen de kortste keren aan een drijvende bolder, terwijl nu de Belgische kruiser alle moeite had om ‘aan de muur’ te komen en uiteindelijk dwars in de sluis lag. Wij keken elkaar begripvol aan. Je zult ons niet horen schamperen. Wij zullen er niet om lachen, de komende twintig jaar…

En wat hadden we een paar dagen later zielsmedelijden met de wat oudere vrouw, die verkrampt van angst in de deuropening van haar kajuit stond. Met grote angstogen keek zij toe hoe haar man verwoede pogingen deed hun gehuurde kruiser langs de muur te krijgen. Met witte knokkels van het harde knijpen hield zij zich aan de deuropening vast. Zelf hadden we voor en achter al vastgemaakt en we sprongen aan wal om een handje te helpen. De schipper was overduidelijk aan de eerste dag van zijn huurperiode begonnen en het had er alle schijn van dat dit ook zijn allereerste sluiservaring was. Veel te wild stuurde hij zijn schip met de kop op de muur af, liep snel naar voren om ons een landvast toe te gooien, vergat daarbij de motor in z’n vrij te zetten en bezorgde ons daarmee de grootste moeite om zijn schip vrij van de sluismuur (en ons bootje) te houden. Pas toen we met vereende krachten de kruiser langs de muur hadden (‘Danke! Danke!’), kwam de vrouw heel voorzichtig uit het stuurhuis om te helpen bij het schutten. Tijdens de hele schutting galmden de verwijten en het gesnauw van de huurschipper nog door de sluis. De vrouw stond er hulpeloos en gelaten bij. Na ook bij het uitvaren nog het nodige commentaar naar haar hoofd geslingerd te hebben gekregen, ging ze binnen zitten en zagen we alleen nog de bovenkant van haar grijze kapsel boven het kajuitraam uitkomen. De schipper zelf ging als een vorst bovenop zitten, plantte zijn platte pet wat steviger op zijn hoofd en voer met volle kracht de hele vloot voorbij… op weg naar de volgende sluis, waar we elkaar weer troffen en waar zich precies hetzelfde tafereel afspeelde… ‘Weet je vrouw, we huren dit jaar een boot. Dat lijkt me leuk!’ ‘Maar we kunnen toch helemaal niet varen?’ ‘Ach wat, dat kan toch niet zo moeilijk zijn?’ Wat moeten ze een sterk huwelijk hebben om de komende week zonder kleerscheuren door te komen…

Winterklaar

5 november 1999

‘Alles wat je zelf doet, is het eerste verdiend’, had bootbuur Jan gezegd toen we het hadden over de werkzaamheden die er gedaan moesten worden om ons schip winterklaar te maken. ‘En als je er niet uitkomt, wil ik je nog wel helpen ook’, had hij er geruststellend aan toegevoegd. Het was ook de hoogste tijd om actie te ondernemen, want de temperatuurmeter op het clubhuis wees nog maar 50 C aan, de steigers waren al gevaarlijk glibberig van de vele regen en het vallend blad en bij het weerbericht werd af en toe al melding gemaakt van lichte vorst aan de grond. De motor van ons schip. Zo af en toe vroegen gasten aan boord daar wel eens naar. Ik kwam niet verder dan het motorluik voor ze te openen en ze een blik te gunnen in het binnenste. Voor mij was de motor vooral groot en geel. En daarmee hield mijn kennis op. Oh jawel, ik moest me daar nodig eens in verdiepen. Ik zou er eens wat over moeten lezen, misschien wel een cursus volgen. Het was er nog niet van gekomen. Fout, maar ik beloofde bij ieder uitstel mijn leven te beteren. Het winterklaar maken van de motor was een mooi begin. En ach, zo moeilijk kon dat toch niet zijn, zo’n eenvoudig dieseltje? Deden niet alle steigergenoten dat zelf? En we hadden toch zo’n handig instructieboekje met simpele tekst en veel foto’s?

Op aanwijzing van Jan hadden we afgetankt, olie, filters en antivries gekocht en de motor een half uurtje warm laten draaien. De klus kon beginnen. Ik zette het luik aan de kant en liet me in de motorruimte zakken. Nel ging in de kajuitopening zitten met het instructieboekje op schoot. Het pompje om de oude olie op te zuigen werd uit de nog splinternieuwe verpakking gehaald. ‘Steek de slang in de oliepeilopening, beweeg de zuiger krachtig naar beneden en haal hem rustig weer omhoog’. Kon het simpeler? Waarschijnlijk niet, maar na tien minuten pompen, zaten er welgeteld twaalf miezerige druppeltjes zwarte olie in m’n opvangbakje. Ik keek Nel aan. Dat kon wel even duren als we op die manier vijf liter olie moesten aftappen. Gelukkig stak op dat moment Jan zijn hoofd door onze kuiptent, zag ons modderen en raadde me aan de vuldop los te draaien en het aftapslangetje wat minder diep in de opening te steken. Dat stond nou net niet in het instructieboekje, maar het hielp wel: met een kwartiertje hadden we de oude olie verwijderd. Dat daarbij het slangetje tot twee keer toe uit de oliepeilopening schoot en de hele motorruimte ondersproeide, rekenden we tot de beginnersfouten. Thuis had ik een ketelpak. Aan boord droeg ik een oude trui die vanaf dat moment onder de olievlekken zat. En volgend jaar leggen we heus wel lappen neer om die olie op te vangen… We waren langer bezig om de gemorste olie op te ruimen dan we over het hele aftappen hadden gedaan, maar de motor en de motorruimte hadden wel meteen een grote schoonmaakbeurt gekregen.

‘En nu Nel?’ Ze keek in het instructieboekje. ‘Je moet het oliefilter vervangen.’ Met behulp van de foto in het boekje wisten we het ding te vinden. Dat was simpel. Met de hand kon ik hem eenvoudig losdraaien. Maar voor leken zoals ik bleek het instructieboekje toch niet uitgebreid genoeg, want nergens had in de tekst gestaan, dat je een opvangbakje onder het filter moest houden… Gelukkig hadden we lappen genoeg aan boord. Bijvullen met nieuwe olie bleek uiteindelijk een fluitje van een cent. Misschien was een klein trechtertje handig geweest, maar je kunt niet aan alles denken zo’n eerste keer. En toen we de motor starten en alles in orde bleek, keken we elkaar trots aan. Dat hadden we ‘m toch maar geflikt! We hadden stomme streken uitgehaald, we hadden overbodig werk gedaan, het was een knoeiboeltje geweest, maar we hadden ervan geleerd. ‘Ach’, zei Jan die nog even kwam kijken of alles in orde was, ‘je moet het niet zien als werk. Het is een hobby…’

Millenniumoverpeinzing

3 december 1999

Sloeber, Dubbele Bodem, Catharina E, Tjitske, Iewanja, Impuls, Manta, De Arend, Stuwende Kracht, Waterman, Wadera, La Conchiglia, GVR, Lotje, Tim Hou, Tempatation, Mare Novum, Hiekje, Tomba, Tietenik,, B B Beer, Trijntje van Damme, Sereno, Zephyros, Balandera, Onrust, Rustpunt, Zephyr, Wilhelmina Maria, Felicia, Our Dream, Quentique II, Egrette Alba, Orion, Jacimini, Rekreant, Aron, Chita, Op Marote, Pontje, De tijd zal het leren, Zeevalk, Avanti, Escape, Argo, Botervloot, Tabber, Jochie, Lucretia, Biscaya, Jona, Stern, Moby Dick, Jes, Kareltje, Kito, Tresor, Ahoy, Le Sabot, Liberty, Barber, Le Sygne 2, Mettiena, Stormvogel, Vrouwe Clarita, Navigator, Orca, Hirondella, Bobyn, Roerdomp, Gotha, Hollands Glorie, La Faine, Mannie, OQ II, Dwaal ik wacht u, Rowera, Flamingo, Linge, Nynke, Lotje, Ria, Klonkie, Eau de Vie, Wammes, Falkor, Jan, Dylan, Plexat, Barrel 2, Pure Luxe, Charisma, Ir de Paso, Bolero, Boja II, Waterproof, Joan, Maatje, Maria, Vrouwe Cornelia, Rogue, Bato, Bèbèk, Sisu, Jorsan, Hanri, Emerald, Coup Soleil, Wise Guy, Vrouwe Maaike, Bourrasque, Dolce Vita, Schipperaar, Jooy, Faja Lobbi, Vrouwe Petra, Flipper, Eden, Manicha, Streep, Charon, For Ever, Snow Princess, Laura Eiken II, Scorpio, Kantjeboord, Das Kras, Woedende Wodan, Swarte Beer, Padde, Corylus, Mazzel, Tros, Eljo, ’t Houmapje, Bram 2, Leonore, VaarWel, Briend, Gamca, Waterman, Antje, Hakketakke, Terang Boelan,, Bobberd, Neeltje, Desous, La Chaloupe, Selena, Aquarius, El Barco, Gaby, Binkie, Muy Bien, J.J. Rousseau, Ambulant, Billy, Echt Waar, Lotus, Pacific Lady, She, Gertrude, M.M. 2, Lady Twin, Second Love, Kiri, Tobaluga, The 2 Siks, Mille Sabords, Poeh Poeh, Vulcanus, Zwerfgooyer, Sagitto, Santa Maria, Onassis, Mallemok, Bullship, Calando, Elisabeth, Nordsfearder, De Granaet, Charline, Noorderlicht, Vrouwe Neeltje, Volharding, Robin, Snooper, Valeriaan, Mama Gocha, Ostara, Bieltje, Felicita, Belphégor, Aeolus, Nei ’t sin, Wandering Spirit, Joanna, Rian, Alibi, Jaap, Navli, Leukomotivo, Christina, Cool Water, IJsvogel, Harrewar, Deux j’aime, Saloki, Azzoe, Nyvonno, Rossignol, Windhoek, DX II, Impian, Renaissance, Adomein, Mercurius, Gerijo, Undine, Tjakkert, Flipper 2, Onrust, Mara, Martinique, Frehil, Duitendief, Bonnefooi, Joyce, Tempoe Doeloe, Mijn Gemak, Nooit Volmaakt II, Trendy, Esmee, Sliejo, Warber, Caijac, Kauwtje, Blauwe Slenk, Mieke, Pangandaran, Zwerver, Jaji, Ampat, Netty, Straat Banka, Aurora, Max, Shalom, Lamared, Atlantis, Waterman, Albertje, Morpheus, Mistral, Sydsuwer, Guneliro, The One And Only, Boopie II, Servula IV, Primeur, Elvkonge, Mettina, Kanjer, ’t Hanzerâk, Buiswater, Nanvier, JoJa III, Trijntje, Pax, Panyvona, Tocochrisja, Zwemmer, Dageraad, Geroe Peroe, Rambler, Pleyte, Activity, Alfaz, Gupido, Orion, Libel, Dauphine, Impuls, Sasia, Hizzard, Emma, Margriet, Lydus, Vrouwe Aaltje, Scharrelaar, Esmeralda, Connect Four, Misjo, Pi-ja, Mijn vriend, Zwier, Marycol, Lagune, Goudvis, Ma-lu, Sans nom, Nelsis, Femari, Kristina, Swan, Pier, Fokkedina, Summer Dream, Bum, Joly, Sanmar, Wilco II, Sies, Saramanda, Libertas, Nooitgedacht, Antje, Jamp, Flappy, My Way, Helios, Otje, Njord, Calimero, Whale-B, Lena, Corona, Ysvogel, Peke Donia, Carpe Diem, Skierroek, Nova, Pagasus, Never Down, Sykla, Faith, Salvé, Oase, Ta-Rik, Lady, Hyjona, Anja, Meeuw, Janine, Gonnie, Jacoba, Jako, Libra, Alter Ego, Postdau, Eliana, Pemar, Orada, Greta, Mariposa, Specimen, Cassiopeia, Ango, Harfri, ‘k Weet Niet, Riethen, Hilda, Yvanja, Pylger, Grutto, Joukje, Blandy, Toemaar, Watermakker, Jannelies, Limosa, Synola, Kliever, Margriejan, Wiebel, Pytrik-Nynke, Charlotte, Griselda, Reboelje, Trio, Plof-plof, Witrie, R2, Annemieke, Swankebast, Kim, Christo, Cormoran, Jonny, Astrid, ’t Swalkertje, Beert, Harten Vijf, Seabird, Roelof Jan, Ino, Festina Lente, Acuila, Dop, Cormaron, Urbru, Heksenketel, Koeterwaal, Andante, De Witte Raaf, Zwarte Schrijver, Castor, Bahrsche Pol, Flottant, Sil, Robbengat, Opa, Saakje, Anla, Alberdina, No Problem, Lauwtje, Asterie, Iris, Maraboe, Zwalker, Brutus, Era, Argolis, Sahebri, Rojadin, Beja-Fopie, Bollemans, Amigo, Svalan, Fleur, De Verwachting, Manny, Joker, Struner, Eagle, Rowina, Hai-hai, Marja, Twee Vree, Nomade, Wengardi, Simajel II, De Groenendaeler, Silence, Rebecca, Mario, Schorpioen, IJzeren Meid, Vivante, Marianne, Hemi, Isola, Lelijjo, Robi, Chica, Greja, Makkeluck, Shark, Snip, Flamingo, Clochard, Letizia, Greanda, Torda, Tarka, Parco, Oldtimer, Robiecke, Diego, Sabai, Rigina, Klootje, Freedom, Passaat, Diana, De Zeven Provinciën, Rita II, De Oester, Laura, Mary-Anne, Zeewolf, Janneman, Half-a-six-pence, Lucia, Albatros, Jupiter, Baskarin, Groene Gaai, Korenzand, Jorijn, Tai-fun, Toxy, St. Job, Berolien, Riand Wally, Why Worry, Vanntett, Fiona, Occi, Protea, Episode, Randzal, La Geste, Amazone, Günes, De Bobberd, Bandos, Spica, Requin, Krijntje, Remi, Gertrui, Pendel, Betana, Avonlea, Willem, Noach’s Dream, Harmanna, Wilfina, Josca, Etna, Golfbreker, Rescator, Rosina, Marnie, Henmaëlfi, Liliosa, Thekina, Remark II, Yephoe Mope, Mazu, Najade, Passaat, Ideaal, De Bevalligheijdt, Scarlet, l’Aire, Poodle, Aegir, Elja, Angelique, Palliter, Dieta, Rigina, Capri, Perke, Maliska, Jomar, Tally-Ho, Victoria, Meta Vota, Aurora, Adelheid, Bleu Star, Cormorant, Hendrik, Maartje, Molengat, Johanna, Time Out, Hillegonda, Noiseley, Jantine, Sereno, Glaucus, DagOber, Speedy, Zwarte Heks, Carlique, Mutant, Notre Nacelle, Bolle, Puffin, De Drijfveer, Woelwater, Doordrammer, Soldus, Spleen, Daliah, Bollemaat, Chanel, De Jonge Albert, Neeltje, Eenhoorn, Cheers, Irma la Douce, List & Bedrog, Guurtje, Eudokia, Holiday, Mar en Klif, Mol’s Hope, Woeste Willem, Alwian, Vondel, Marina, Sterk Staaltje, Petra, Werkersloon

Fietsen aan boord

7 januari 2000

‘Dat komt nou slecht uit, want de winkel is morgen gesloten.’
We stonden bij de fietsenhandelaar en hadden net gevraagd of hij ons de volgende dag twee fietsen kon verhuren. Of het nu kwam door onze teleurgestelde gezichten of zijn zakelijke instinct, maar de fietsenbaas vroeg ons even te wachten, verliet zijn winkel, liet ons moederziel alleen achter en keerde nog geen vijf minuten later terug met de mededeling dat hij iets geregeld had. ‘Je kunt die twee fietsen nu wel vast meenemen, dan kun je morgenochtend tenminste op tijd vertrekken.’ Hij nam ons mee naar de etalageruit en wees naar buiten. ‘Zie je dat restaurant aan de overkant van het plein? Als je daar morgenavond de fietsen weer terugbrengt, krijg je je borg terug. Da’s vijfentwintig gulden per fiets en voor het huren betaal je twaalf vijftig. Hier heb je nog een leuke fietsroute, in dit foldertje staan nog wat tips voor onderweg en neem voor de zekerheid dit reparatiesetje ook nog maar mee. En veel plezier morgen!’

Het was niet de eerste keer dat we tijdens onze vaarvakantie fietsen huurden. Het was wel iets van de laatste tijd. In onze zeilperiode-met-de-kinderen-nog-aan-boord hadden we nooit behoefte gehad aan fietsen. We waren in het bezit van een bijbootje waarmee ook gezeild kon worden. Dat gebruikten we vaak als het ‘moederschip’ lag afgemeerd om na het avondeten nog een rondje te zeilen. Of we gingen er boodschappen mee doen als we voor anker lagen. Onze kinderen waren er groot in geworden. Ondanks hevige protesten (‘Alle andere kinderen hebben wel een motortje!’) moesten ze eerst leren roeien en zeilen voordat er een buitenboordmotortje werd aangeschaft. Bij de verkoop van het zeilschap was ook het bijbootje verkocht en toen de plannen voor de Petronella M vaste vorm begonnen aan te nemen, hadden we besloten geen bijbootje meer te kopen. Al in de eerste weken van onze vakantie was het ons opgevallen, dat veel motorbootvaarders veelvuldig gebruik maakten van fietsjes. Heel wat leeftijdsgenoten van ons, allemaal vertegenwoordigers van de grijze golf, zagen we na de koffie hun fiets van boord halen, tasjes vullen voor onderweg en er een dagje op uit trekken. Op de wat grotere schepen werden die fietsen al dan niet opgevouwen keurig onderdeks opgeborgen. Dat leek ons ook wel wat en we gingen op zoek naar een zo klein mogelijke vouwfiets, waar je met gemak een hele dag op kon rondtoeren. Onze zeilopvoeding stond het niet toe, dat we die fietsen buiten op het schip lieten staan. Een schip hoort opgeruimd te zijn: alle overbodige troep dient opgeborgen. Wij zijn nog van een generatie die de stootwillen tijdens het varen opruimt. Waar hooguit de landvast in een keurig geslagen cirkel op het voordek mocht blijven liggen. Wat andere schepen doen, moeten zij weten, maar bij ons geen fietsen op het voordek tegen de preekstoel. Of bij het achterschip op het zwemplateau. Of op het dak van het stuurhuis. Of in het gangboord naast de surfplank. En wat hebben we gezocht. En wat hebben we lopen meten. Alle in aanmerking komende ruimtes aan boord hebben we uitgeprobeerd, maar nergens konden we twee fietsjes kwijt. We hebben het uiteindelijk opgegeven. Dan maar geen fietsjes aan boord. We huren ze wel. Reken maar eens uit hoeveel twee goede vouwfietsen kosten. Daar kun je heel wat keren fietsen voor huren. Daar krijg je heel wat keren een prima fiets voor die technisch in prima staat is. Die hoef je niet in te klappen of op te vouwen. Daar heb je geen onderhoud aan. Die hoef je niet op te bergen. Die lever je aan het eind van de dag weer in. Bij één van die vriendelijke fietsenhandelaren bijvoorbeeld.

‘Morgen is het zondag, hè? En dan is de winkel dicht.’
De fietsenhandelaar had ons net uitgelegd, dat er bij hem dit jaar al drie auto’s en zeven fietsen waren gestolen. Hij maakte er geen probleem van. We moesten maar even met hem meelopen ‘naar achter’. In zijn grote loods werden uit de lange rij huurfietsen er twee voor ons apart gezet. ‘Hier heb je de sleutel van de schuur. Als je dan morgenochtend zelf die fietsen pakt en ze aan het eind van de dag ook zelf weer terugzet, kunnen jullie toch lekker fietsen. Dan reken je nu de huur van de fietsen af en vergeten we de borgsom. Gooi de sleutel aan het eind van de dag maar bij mij door de brievenbus. Ik woon op nummer zeven…’

Puberen

11 februari 2000

‘Ga nou gezellig mee boodschappen doen!’
De vrouw draaide zich op de steiger nog even om naar haar zoon die aan boord was gebleven. Die gaf geen antwoord en bleef nors voor zich uit kijken. Met zijn vijftien jaar zat hij onverzettelijk op de crèmekleurige skaistoel in de kuip van hun bootje. Nog net zo onbeweeglijk als toen het gezelschap de haven was binnen komen varen. Een polyester kruisertje van een meter of zes, dat al was opgevallen door de scheepsnaam, die met veel te grote zwarte letters op de boeg was geplakt: Tukje. Langharige, getatoeëerde vader stond met een bars gezicht achter het stuurwiel. Twee vlasharige kinderen zaten onnatuurlijk rustig op de kuipbank. Hoogblonde moeder tuurde rond naar een vrij plekje voor hun boot. Af en toe wierp ze een blik achterom naar haar kinderen op de kuipbank, maar die bewogen nauwelijks. Schichtig keek ze naar haar man, maar die reageerde niet. Bezorgd probeerde ze oogcontact te krijgen met de oudste zoon, maar die bleef met een kwaad gezicht star voor zich uit kijken. Op het voordek stond een overduidelijke opstapper: lawaaihemd, korte broek, witte blote benen met geitenwollen sokken in grote soldatenkistjes. Met een tros touw in zijn hand stond hij er wat verloren bij, niet op zijn gemak met de situatie aan boord. Het straalde van het gezelschap af wat hier aan de hand was: te veel mensen op een te klein bootje had geleid had tot flink wat irritatie. Het was koffietijd en stralend weer. Op de overige boten in de passantenhaven liet men de ochtendkrant zakken en keek toe hoe vader met veel agressief motorgeweld wild-woest een box in manoeuvreerde, met het achterschip een meerpaal ramde en de voorsteven met een doffe dreun tegen de steiger tot stilstand bracht. Het lawaaihemd stapstruikelde van boord, belegde voor en achter het scheepje met een paar ondefinieerbare ouwewijvenknopen en bleef met de handen in zijn zak op de steiger staan wachten tot de rest van het gezelschap van boord kwam om boodschappen te doen. ‘Ga nou gezellig mee’, probeerde moeder nog één keer, maar zoonlief verroerde geen vin. Vader, kinderen en de opstapper waren inmiddels al halverwege de uitgang. Moeder zag het vruchteloze van haar verzoeningspoging in en begon enkelzwikkend op haar hoge blokhakken de rest van het gezelschap in te halen.

Pas toen de hele groep uit het zicht was, kwam de oudste zoon -nog namopperend- in beweging. Hij pakte zijn hengel van het dak en slenterde het haventerrein af. Hij was nog niet terug toen de rest van de familie weer arriveerde, zeulend met zware boodschappentassen en kratjes bier. Ze constateerden de afwezigheid van zoonlief, waarop vader met een ‘dan-moet-ie-het-zelf-maar-weten-gezicht’ zijn schouders ophaalde, de touwen losgooide en met een nagelbijtende moeder in de kuip de haven uitvoer. Zo’n vijfhonderd meter buiten de haven had moeder het pleit gewonnen: Tukje werd gekeerd en afgemeerd. De opstapper sprong van boord en begon de omgeving van de haven af te zoeken. Vader bleef stug in zijn stuurstoel zitten, moeder zat met hangende schouders en gebogen hoofd in de kuip. Na een kwartiertje keerde de opstapper onverrichter zake terug. Met driftige passen beende nu vader de haven uit, uiteraard nauwlettend gevolgd door alle nieuwsgierige bootjesmensen. Het ochtendblad was allang terzijde gelegd om alles goed te kunnen volgen. Het tweede kopje koffie stond koud te worden. Vader had meer succes: binnen vijf minuten was hij terug, stapte zonder een woord te zeggen aan boord, ging in zijn stuurstoel zitten en bleef verbeten voor zich uit kijken. Aan het einde van de steiger verscheen de verloren zoon. Tergend langzaam slofte hij naar het bootje, tergend langzaam legde hij zijn hengel op het dak. Toen hij aan boord wilde stappen, beet de vader hem toe de touwen los te gooien en zonder verder een woord te wisselen, verliet Tukje voor de tweede keer die ochtend de haven. Op de overige boten werd het ochtendblad weer opgepakt en nieuwe koffie ingeschonken. Men knikte elkaar tevreden toe: leuk toch, zo’n vaarvakantie.

Nachtleven

10 maart 2000

‘Ik heb geen oog dicht gedaan, vannacht!’
Met waggelende kleine stapjes stommelde Nel slaapdronken uit de voorpiek, plofte op de kajuitbank neer en greep naar de mok thee die ik voor haar had ingeschonken. We hadden overnacht in een klein Fries watertje. De avond ervoor hadden we nog tot laat buiten in de kuip zitten genieten van de prachtige zomeravond: olielampje erbij, koffie, krantje en de muggenstift binnen handbereik. Toen we net op één oor lagen, was het feest begonnen. De ‘zeilschool om de hoek’ had dit tijdstip uitgekozen voor het traditionele nachtzeilen en ons schip lag precies in hun route. Zo tegen enen kwam de vloot van acht scheepjes voorbij varen. Nog allemaal bij elkaar en nog allemaal redelijk rustig. Natuurlijk werden er opmerkingen gemaakt (‘Kijk daar ligt een bootje. Zouden die mensen al naar bed zijn?’) en natuurlijk werd er met de zaklantaarn even langs onze ruiten geschenen, maar dat kun je verwachten als een stel jongelui ’s nachts het water op gaat. Doen we ook niet moeilijk over. Hoort er allemaal bij. Maar als je drie uur later ruw wordt gewekt door luid gezang, dat onder alcoholische invloeden niet helemaal zuiver klinkt, ben je niet meer zo begripvol. Ach, ze deden heus hun best om zachtjes te doen. Van grote afstand hoorden we ze al tegen elkaar schreeuwen, dat er ‘verderop een bootje lag’ en lacherig werd er om het hardst gefluisterd dat iedereen stil moest zijn. ‘Stil nou! Verpest het nou niet! De anderen moeten hier ook nog langs!’ Met z’n achten waren ze in konvooi vertrokken, met tussenpozen van een half uur kwamen ze later die nacht terug. De een probeerde nog stiller te doen dan de ander, maar je schrikt toch steeds wakker als de ene bemanning speciaal voor de slapende passant ‘een eigen huis en een plek onder de zon’ over het water laat schallen. Als de volgende met de giek langs je schip schampt. Als vijf paar handen zich langs jouw reling voorttrekken of als de roeiriemen tegen de boeg van je schip bonken. Dag, begrip. Dag, tolerantie. We wilden nog maar één ding: slapen! Het kwam er niet meer van: tegen vijven was de hele vloot weer teruggekeerd bij de zeilschool en pas toen wij (gebroken) uit onze kooi kropen, draaiden ze daar de knop van de muziekinstallatie om en werd het weer rustig in het Friese vaartje.

Het was trouwens al eerder raak geweest die week. Twee nachten voor het zeilfeest lagen we dubbeldik met een zeilboot in een bomvol dorpshaventje. Onze buren waren het bewijs van mijn huisdierenstelling: ‘Hoe kleiner de boot, des te groter de hond.’ Ik had medelijden met het enorme zwarte hondenlijf dat rusteloos naast ons over de boot heen en weer liep en alleen op het voordek kon keren. Klaarblijkelijk hadden onze buren problemen met hun tuigage, want er kwam het nodige gereedschap aan te pas om mast en zaling te repareren. Kan gebeuren. Bij iedereen gaat wel eens iets kapot. Maar moest dat nu echt midden in de nacht? Moesten ze echt tot drie uur aan de mast zitten sleutelen? Moesten ze elkaar echt vanaf de zaling luid aanwijzingen toeroepen? Waarschijnlijk wel, want de volgende morgen waren ze voor dag en dauw alweer vertrokken. Natuurlijk moest het hondengevaarte eerst nog worden uitgelaten: bonkerdebonk op ons dek, klimklauterend door onze kuip (!), bonkerdebonk weer terug. Dag buren, goede reis!

Maar het kan ook anders. Maastricht. We liggen aan de passantensteiger pal voor de St. Servaasbrug. Het is half twee en zo warm dat ik het in bed niet uit houd en in de kuip een pijp zit te roken. Over de brug komt een groepje van vijf jonge mensen aanlopen. Ze blijven stil staan onder het gelige licht van een lantaarnpaal. En plotseling klinkt er trompetmuziek over het water van de Maas. Nel is ook naar buiten gekomen en samen zitten we stilletjes in de kuip te genieten van deze zomernachtelijke serenade. Die duurt een klein kwartiertje. Na het blazen van The Last Post verdwijnt het groepje weer richting stad. Vanaf de Petronella M klinkt een vierhandig applausje…

Navigeren

7 april 2000

‘Heb je niet meteen een kaart gekocht?’
Nel keek me wat zorgelijk aan. We lagen in Staveren en zouden de volgende dag de oversteek maken naar Medemblik. In onze zeilperiode hadden we regelmatig het IJsselmeer bevaren. De grote IJsselmeerkaart lag al die jaren op een vast plekje onder het matras. Bij de verkoop van ons zeilschip was die kaart meeverkocht en het was er nog niet van gekomen een nieuwe aan te schaffen. En waarom eigenlijk? Toen ik het liggeld ging betalen, had ik op het havenkantoor een snelle blik geworpen op de grote kaart die daar hing. Op de achterkant van het havenbriefje had ik haastig wat aantekeningen gekrabbeld. Zwaaiend met dat briefje stapte ik de kajuit weer in om Nel te overtuigen van de onzin om een waterkaart te kopen ‘voor die ene keer dat we de oversteek zouden maken.’ Het was toch zo simpel: vanaf de sluis van Staveren moesten we de LC-boeien volgen, bij de LC-1 moest je dan ietsje stuurboord uit en dan kwam je vanzelf bij de KR-10, die het begin was van de invaart naar Medemblik. Wat nou kaart nodig? Wat nou kompas? Wat nou GPS? De dag ervoor hadden ze diezelfde route notabene nog gezwommen, de halve marathon van Staveren naar Medemblik. En bovendien: stond er niet in de Almanak, dat het witte gebouw van gemaal Lely in Medemblik al van verre zichtbaar was? Nee, Nel moest zich vooral niet ongerust maken en een beetje meer vertrouwen hebben in de schipper. Zoals zo vaak in dergelijke situaties hield ze wijselijk haar mond, schonk koffie in en verstopte zich achter de dikke weekendkrant.

Toen we de volgende morgen de sluis van Staveren verlieten, was het neveliger dan me lief was. Gelukkig voeren we met een klein vlootje het IJsselmeer op, dus had ik nog wat steun aan mijn medewatersporters. Ik raadpleegde mijn aantekeningen op de achterkant van het havenbriefje: bij de LC-1 ietsje stuurboord uit. Dat kon toch geen probleem zijn? ‘Al die andere schepen gaan de andere kant op’, probeerde Nel nog voorzichtig, terwijl ze ondertussen verwoede pogingen deed met de verrekijker de KR-10 te ontwaren. Ik legde haar geduldig uit, dat we midden op het IJsselmeer zaten, dat het zeker nog een uur varen was tot de boei en dat ze beter nog even een verse pot koffie kon gaan zetten, terwijl ik ons schip recht op koers zou houden. Dat deed ze, maar ze bleef ondertussen geforceerd opgewekt tersluiks naar buiten turen. Eerlijk gezegd, begon ik zelf ook een beetje te twijfelen aan mijn koersvastheid. Al een uur voeren we in een eenzame stilte over het spiegelgladde IJsselmeer zonder een boei te zien. Toen we dan ook na anderhalf uur varen in de verte de kustlijn van Noord Holland in zicht kregen, waren we beiden opgelucht. Het was nog steeds nevelig en zelfs met de verrekijker waren we niet in staat ook maar enig herkenningspunt te ontdekken. Waar stond dat gemaal Lely? Dat moest in al zijn witheid toch duidelijk te onderscheiden zijn? Waren we dan toch wat van koers geraakt en kwamen we nu noordelijker of zuidelijker van Medemblik uit? Eigenlijk herkenden we helemaal niets van de Noord-Hollandse kustlijn. Wel zagen we steeds duidelijker een brug uit de mist opdoemen. En gebouwtjes. En een sluis. Medemblik? Dit was Staveren! Ik wendde het roer en zette voor de tweede keer die dag koers van Staveren naar Medemblik. Nel is op zulke momenten zo verstandig niets te zeggen…

Bij de tweede poging hield ik nauwlettend de zon in de gaten (…) en op die manier (of was het met meer geluk?) kwamen we nu halverwege de vaargeul Den Oever-Medemblik uit. Wat nou IJsselmeerkaart? Wat nou kompas? We waren drieëneenhalf uur bezig geweest met een oversteek van 22 kilometer, die volgens ons log 41 km lang was geworden. We hadden het geluk gehad van een stralende zomerdag, maar je moest er niet aan denken wat er had kunnen gebeuren als het weer was omgeslagen. Eenmaal afgemeerd in de haven van Medemblik frommelde ik mijn ‘navigatiepapiertje’ tot een prop. ‘Misschien hadden we toch beter een kaart kunnen kopen’, probeerde ik het gesprek te beginnen. Nel hoorde me niet, zo verdiept was ze in haar krant…

Buren

5 mei 2000

‘Ik kan dat niet! Ik moet iedere keer weer uitzoeken hoe dat zit!’
Ik had al enige tijd met belangstelling vanuit onze kuip de verrichtingen gevolgd van onze buurman die druk doende was zijn kuiptent vast te maken. Hij was de trotse eigenaar van een groot, wit, meer dan gestroomlijnd jacht, waar ze bij de bouw niet op een paar vierkante meter meer en de nodige kilo’s roestvast staal hadden gekeken. Al zeker een half uur stond hij te tobben met stangen en drukknopjes en het zweet parelde op zijn voorhoofd. ‘Ik kan dat niet. Normaal doet mijn vrouw dat altijd, maar die is even boodschappen doen. Ik kan maar niet onthouden hoe dat zit, want ik heb geen geheugen meer. Zes jaar geleden, stress. Ik had een goedlopend aannemersbedrijf en een makelaardij. Vijfendertig man in dienst. En dan van het ene op het andere moment: niks meer. Geen herinnering, geen geheugen. Alles weg. Hebben we een boot gekocht. Gaan we iedere maand op vakantie. Maar vraag me bijvoorbeeld niet waar en hoe ik vandaag heb gevaren, want dat weet ik niet meer. M’n geheugen, hè? Maar het was wel mooi onderweg, dat weet ik dan nog wel.’ Gelukkig voor hem kwam op dat moment zijn vrouw met de volle boodschappentas over de steiger aangelopen. Binnen een paar tellen was de kuiptent opgezet.

Voor hij de volgende morgen vertrok, had hij nog wel tijd voor een praatje. Twee jaar oud was zijn schip nu, maar hij dacht er toch hard over het in te ruilen voor iets groters. Hij twijfelde nog tussen een Valkkruiser en een Princess. Het nadeel van een stalen kruiser vond hij wel, dat het schilderwerk –’en dan praat ik alleen nog maar over het hoognodige onderhoud’- hem vijfentwintigduizend gulden per jaar zou kosten… Niet dat hij ontevreden was over zijn huidige schip: ‘We hebben alles aan boord hoor, warm water, een douche, een magnetron, een breedbeeldtelevisie, een video..’ ???? ‘Ach weet je, thuis geef ik daar niet om, maar als het nou eens slecht weer is, wil ik aan boord graag zo wel eens een videootje opzetten. En dan hangen er natuurlijk wel nog even twee dikke motoren onder hè, samen goed voor 460 PK. Kijk, dat slurpt vijftien liter benzine per uur, maar dan haal je ook een snelheid van dik 75 kilometer.’ En dat was hem ooit goed van pas gekomen toen hij tijdens een van zijn vele tochten in Zeeland wilde overnachten. ‘Ik ben één keer in Bruinisse geweest. Nee, nou lieg ik, we zijn er twee keer geweest: de eerste en de laatste keer. Nou, dat was dus helemaal niks. We hadden het plaatsje bekeken (twee viskramen en een uitgestorven winkelstraat) en na het eten had m’n vrouw gezegd: zet ‘m maar op blazen! En ongelogen, met een goed half uurtje lagen we prinsheerlijk in Willemstad!’

Ondertussen was hij bezig zijn schip los te maken en zijn vrouw klom een etage hoger om de motoren te starten. De eerste motor zette zich brullend in beweging, maar de tweede was met geen mogelijkheid aan de praat te krijgen. Vier, vijf keer werd de startknop omgedraaid, maar zonder resultaat. De buurman gooide de laatste landvast aan boord, nam de plaats van zijn vrouw achter het stuurwiel over en voer de haven uit. Met een brede armzwaai nam hij afscheid: ‘Zal je altijd zien, start ik altijd zelf, doet zij het een keer, verzuipt ze de motor. Ach, met één motor lukt het ook nog wel, maar het manoeuvreert wat minder, hè?’

Het vrijgekomen passantenplaatsje naast ons werd in de loop van de middag ingenomen door een ander schip. De tegenstelling met onze praatgrage buurman had niet groter kunnen zijn. Ze lagen nog maar net in hun box (‘Nee, dank u, geen hulp nodig, dat kunnen we zelf wel’) of alle gordijntjes aan de kant van de Petronella M werden potdicht geschoven. En terwijl iedereen in korte broek buiten zat te puffen van de hitte, verschansten zij zich gedrieën in de afgesloten kajuit. Gedrieën inderdaad, want ze hadden ook nog een zoontje van een jaar of acht aan boord. Zo’n typisch voorbeeld van een enig kind, met alle kenmerken zoals die in de Libelle staan beschreven: klittend aan moeder, wijsneuzerig, ouwemannenpratend en niet wetend hoe zich te gedragen. Vanachter het gordijntje van hun achterhut speelde hij kiekeboe met de buren en had –gekke bekken trekkend- de grootste lol in die twee oudere mensen die zijn gedrag met stijgende verbazing observeerden. Moeder verloor Harmpje geen moment uit het oog, ging met het hem naar het speeltuintje, ging met hem schommelen en bleef gelukzalig op het bij het speeltuintje staande bankje kijken hoe Harmpje zich vermaakte. Pas de volgende dag bij het vertrek gingen de gordijntjes weer open. Harmpje riep ons nog één keer olijk kiekeboe toe, moeder gaf ons een beschaafd knikje ten afscheid en vader, vader had het te druk met uitvaren, moest zich daar zo op concentreren, dat hij geen tijd had te groeten.

Ligplaatsen

2 juni 2000

‘Môge’. De hengelaar die vlak achter onze boot zat, beantwoordde mijn groet met een wat stuurs knikje toen ik ’s morgens om zeven uur de kuip instapte. Ook zijn metgezel, die twee meter naast hem zat te vissen, liep niet over van hartelijkheid. De avond ervoor hadden we in het donker naar een plekje voor de nacht moeten zoeken. Het was druk in deze streek. Langs de gehele walkant lag het bomvol passanten, hier en daar zelfs dubbel afgemeerd. Midden in de lange rij van afgemeerde schepen was gelukkig nog een stuk van de wal vrij, zodat wij zonder problemen konden afmeren. Vreemd wel, dat de boten voor en achter deze riante plek hutje bij mutje lagen, maar we waren te moe om ons er verder zorgen om te maken. De volgende morgen hadden twee vissers zich al vroeg met hun klapstoeltjes geïnstalleerd pal achter ons schip. Hun dobbers lagen op nog geen vijftien centimeter van onze zwemtrap. Nog voor we aan het ontbijt zaten, stonden er zeven van die dobbers pal voor en achter ons schip. ‘Zit zeker veel vis hier’, zeiden we nog tegen elkaar, ‘maar moeten ze nu echt zo dicht op onze lip komen zitten?’ En nog ging er bij ons geen lichtje branden. Maar toen er rond koffietijd welgeteld dertig hengels rondom de Petronella M op en neer zwiepten en we bij iedere beweging die we maakten zestig ogen op ons gevestigd voelden, besloot ik toch eens polshoogte aan land te gaan nemen. Dat hadden we gisteravond in het donker niet gezien: het mooie stuk walkant van dertig meter waar niemand wilde liggen, werd aan begin en eind gemarkeerd door een paal met een bordje: visplaats, verboden af te meren. Ze geloofden me niet, die dertig vissermannen, toen ik teruglopend naar ons schip mijn excuses aanbood. En nog voor we onmiddellijk daarna de Petronella M los gooiden, werd het vrijgekomen stukje wal al door hun hengels ingenomen…

Aan het eind van de middag arriveerden we in een stadje waar we de nacht wilden doorbrengen. We troffen er een gezellig, klein haventje aan en prikten ons schip achteruit in een vrije box. Toen ik vervolgens op zoek ging naar een havenmeester om onze aankomst te melden, bleek de haven totaal verlaten. Aan het einde van de steigers stond een groot manshoog hek, vergrendeld met een enorm hangslot. Daar zat in een roeibootje een reeds lang gepensioneerde man met pet, sigaar en hengel. ‘Passanten? Nee, daar doen wij hier niet an, hé. Je kunt er niet uit, want het hek is toe, hé?’. Toen ik voorstelde de havenmeester dan maar even mobiel te bellen, kneep de man nadenkend één oog half dicht. Zonder zijn dobber uit het oog te verliezen en de sigaar uit zijn mond te nemen, antwoordde hij: ‘Kun je proberen, hé. Maar de havenmeester is al twee jaar dood. En we hebben geen nieuwe genomen, hé, want we doen niet an passanten. Want je kan je hier niet liggen. Vanwege dat hek, hé? Ga maar naar de buren. Daar is het hek open.’
Driehonderd meter verderop was inderdaad een tweede jachthaven. Met passantenplaatsen, met een vriendelijke havenmeester, die ons voor de somma van acht gulden een box toewees en ons een foldertje in de handen drukte. Er was drinkwater, je kon er douchen en we hadden een walstroomaansluiting. En het hek was inderdaad open, zodat we onze boodschappen konden doen en een bezoekje konden afleggen bij vrienden van ons. Terug in de haven bleek bij nadere inspectie dat het begrip toiletten en douches wat ruim omschreven was. We ontdekten op het hele terrein welgeteld één toilet en één douche in een ruw gepleisterde ruimte waar het zwarte spinrag langzaam bezit begon te nemen van alle hoeken en gaten. Die ene douche zat ook nog eens op slot en het toilet was onbeschrijfelijk. Letterlijk onbeschrijfelijk. Maar wat verwacht je voor acht gulden per nacht? Alle waar naar zijn geld. Dan gebruik je tegen je principes in voor die ene keer maar je boordtoilet. Dan poedelt Nel zich voor die ene keer maar in de kombuis. Dan krijg ik ’s avonds bij het naar bed gaan (voor die ene keer) het verwijt een vies, oud mannetje te zijn…

Te water

30 juni 2000

‘Ik trek nog een extra trui aan.’
Het was nog wel erg vroeg in het seizoen. We hadden een paar dagen vrij en besloten te gaan varen. Het had wel iets, zo’n tochtje in het vroege voorseizoen: er waren nauwelijks medepleziervaarders, in de jachthavens hadden we ruime keuze uit vrije ligplaatsen, overal zag je op de wal nog mensen aan hun schepen werken en de natuur zat nog in de ‘uitloopfase’. ’s Morgens werd het pas laat licht, ’s avonds was het vroeg donker en vooral koud (vorst aan de grond meldde de radio). We kleedden ons erop. We droegen dikke truien, warme jassen en laarzen. De deuren van de kajuit gingen ’s avonds al vroeg dicht en we genoten van ons kacheltje.

Omdat we nodig boodschappen moesten doen voor het weekeinde en er geen jachthaven in de buurt was, voeren we een verlaten industriehaven binnen en ontdekten daar een mooie afmeergelegenheid: er lag een groot stuk drijvend roest, dat ooit een mooi binnenvaartschip moest zijn geweest. Daar konden we mooi langszij. Dichterbij gekomen bleek dat schip toch groter en vooral hoger dan we dachten. Terwijl Nel de Petronella M voorzichtig langszij manoeuvreerde, pakte ik twee landvasten en klauterde op het dak van ons stuurhuis. Door me zoveel mogelijk uit te rekken, kon ik vanaf die plaats net het gangboord van de beroepsvaarder vastpakken. ‘Kijk je uit, dat je niet overboord valt, het water is steenkoud’, riep Nel me bezorgd toe. Ik hees mezelf aan boord van de roestbak en belegde ons schip. ‘Zet de motor maar uit’, riep ik van boven, ‘sluit maar af en vergeet je tas en je portemonnee niet mee te nemen.’ Eveneens via het dak van ons stuurhuis hees ik Nel aan boord van onze buurman. Via een wankele trap kwamen we terecht op een hoge steiger die vervaarlijk schuin stond en half op instorten. Voorzichtig voortbewegend wiebelde de krakkemikkige steiger onder onze voeten. Hier en daar ontbraken planken en moesten we met een sprongetje het volgende stuk zien te bereiken, waardoor het hele bouwwerk nog meer begon te wiebelen. ‘Pas jij maar op;’ zei bezorgde Nel voor de tweede keer die dag, ‘voor je het weet lig je in het water!’ Aan het eind van de steiger konden we het winkelcentrum zien. Aan het eind van de steiger was ook een hek. En dat hek was op slot. Hadden we afgemeerd bij een sloopbedrijf! Het was zaterdag, dus er was geen sterveling te bekennen. En de hekken waren te hoog om er overheen te klimmen. Dus moesten we met tas en portemonnee onverrichter zake terug: over diezelfde wrakkige, ijsglimmende steiger, via hetzelfde wankele trapje, over het roestbruine binnenvaartschip. Om terug te komen op de Petronella M was niet zo eenvoudig als op de heenweg. Omhoog klauterend was er nog wel iets geweest om je aan vast te grijpen, maar nu we terug moesten, lag ons scheepje wel erg in de diepte en hadden we geen enkel houvast. We dribbelden wat heen en weer door het brede gangboord, dat nog nat en glibberig was van de gesmolten nachtvorst. De afstand tot ons bootje daar beneden leek met de minuut groter te worden. Ik wilde springen, maar Nel hield me tegen: ‘Moet je in het water vallen?’ Door ons heel voorzichtig aan de gangboorden vast te klampen en ons stukje voor stukje te laten zakken, kwamen we uiteindelijk toch op ons bootje terug. Vies, koud en nat.
En waren we nu maar zo verstandig geweest om het daarbij te laten. Hadden we toen de steven maar gewend en de boodschappen ergens anders gehaald. Maar nee, we hadden nu al zoveel moeite gedaan om aan land te komen, dat een tweede poging in onze ogen niet meer dan normaal was. Helemaal achter in de industriehaven lag een sleepbootje. Dat we dat niet eerder hadden gezien. Daar hoefden we geen halsbrekende toeren uit te halen om langszij te komen, daar konden we eenvoudig van boord, daar was geen half ingestorte steiger. De Petronella M langszij krijgen was daar kinderspel en binnen de kortste keren lagen we voor en achter vast. ‘Ik zet nog even een voorspring’, zei Nel, stapte in het gangboord, gleed onderuit en verdween met een gil in het ijskoude water. Proestend en met grote angstogen kwam zij weer boven, krabbelde met haar zware winterkleren en laarzen zo goed en zo kwaad als het ging naar de zwemtrap en stond met afhangende schouders druipend in de kuip. Vijf minuten later zat ze verschoond en klappertandend in de kajuit met een kop dampende thee vlak voor de kachel…

Het kan verkeren. Meer dan een jaar later zaten we helemaal aan de andere kant van Nederland ’s avonds in een jachthaven met krant en koffie in de kuip. De onvrijwillige duik van Nel in het ijskoude water waren we al lang vergeten. De man die over de steiger voorbijkwam, groette met name Nel allervriendelijkst. Binnen drie kwartier kwam hij nog wel vier keer voorbijlopen. En iedere keer kreeg Nel dezelfde hartelijke groet. ‘Heb jij wat met die wildvreemde kerel?, kon ik niet nalaten op te merken. De vijfde keer konden we onze nieuwsgierigheid niet bedwingen. Toen we vragend onze wenkbrauwen optrokken, zei de man: ‘Ja, maar ik ken u wel! U bent die mevrouw die vorig jaar bij dat sleepbootje in het water is gevallen…’

Karlijn

28 juli 2000

Opa! Ik ben opa geworden!
Eergisteren schonk mijn dochter het leven aan ons eerste kleinkind! Ik heb een kleindochter! Karlijn heet ze. 52 cm. 3345 gram. Moeder en kind maken het goed. Dank u! Een wolk van een baby! En -ongelogen- werkelijk het allermooiste kleinkind van de hele wereld!

Opa. Wat ben ik trots op die kleine nazaat. Wat heb ik de afgelopen negen maanden met mijn dochter meegeleefd. Wat waren de grote en kleine voorbereidingen al leuk. En nu ligt het daar zomaar, helemaal echt, met alles erop en eraan. Met nog veel te grote kleertjes in een veel te groot bed. Omringd door felicitatiekaarten en cadeautjes. Als ik even alleen met haar ben, aai ik voorzichtig over dat kleine, roze handje. Haar vingertjes graaien naar mijn pink en pakken die stevig beet. Ik voel het: dit wordt later een prima maatje aan boord! Die weet als zij groot is met vaste hand de Petronella M te besturen! Want we maken er natuurlijk een watersportertje van. Laat anderen haar maar meenemen naar alle pretparken, dierentuinen en kinderboerderijen van Nederland, oma Nel en opa Frits ontfermen zich over de ‘wateropvoeding’! Haar stoere petje ligt al maanden aan boord. De allerkleinste bootschoentjes staan al op haar te wachten. We zijn er klaar voor! En het interesseert me niks, als mijn dochter zegt dat ze voorlopig alleen nog maar veel slaapt, ik trek me er niks van aan dat Nel me te hard van stapel vindt lopen. Dat kleinkind van me moet zo snel mogelijk van opa leren hoe je de motor start, hoe je moet sturen, wat stuurboord en bakboord is, hoe je een mastworp maakt, hoe je een sluis binnen vaart, hoe je de waterkaart moet lezen, wat de betekenis van de boeien is en hoe je met tegenstroom moet afmeren. Kun je niet vroeg genoeg mee beginnen!

En we gaan alles wat we met onze eigen kinderen hebben meegemaakt weer opnieuw beleven. Het eerste voorzichtige rondstappen aan boord in een kuip vol kussens-tegen-het-vallen. Het doorkomen van de eerste tandjes en nachten lang liggen dreinen in een volle jachthaven. Het bedplassen, het niet willen eten, het niet willen slapen, het ziek zijn, de verdrietjes. Maar ook: het eerste zwemvest, de eerste keer overboord vallen, de eerste keer helemaal alleen de boot besturen, de eerste keer alleen in het bijbootje. Prachtig toch? Zoveel jaar later na de geboorte van onze eigen kinderen zijn we met dit kleinkind in één klap dertig jaar jonger geworden. Zullen we maar weer gaan zeilen?

Ach, weet u, ik had voor deze maand zo’n aardige aflevering van mijn column in gedachten.
U moet het maar van me tegoed houden.
En een volle pagina zit er deze keer ook niet in.
Geen tijd! Ik moet nodig weer even bij mijn kleinkind langs!

Blote kont

1 september 2000

‘Ik spring nog even overboord!’
Het was warm, te warm volgens sommige mensen. We lagen aan de passantenkade van Maastricht, vlak voor de Sint Servaasbrug. De opvarenden van de luxere schepen aan de steiger hadden hun ramen geblindeerd, hielden de deuren potdicht en bleven binnen met de airco in de hoogste stand. De mindere goden daarentegen waren de hele dag druk in de weer met behulp van lappen, handdoeken en knijpers geïmproviseerde tentjes te bouwen. Ook op de Petronella M deden wij op die manier vergeefse pogingen de hitte buiten de houden. Het lukte maar matig. Eigen schuld. Wie gaat er in vredesnaam bij temperaturen die rond de dertig graden schommelen in Maastricht liggen? Dat ik dan ook regelmatig een duik in het Maaswater nam, was pure noodzaak. Ik had wel iets moeten overwinnen, want eerlijk gezegd vond ik het een tikkeltje gênant om midden in de stad overboord te springen, bekeken en soms aangegaapt door de constante stroom van Maastrichtenaren die over de brug liep. Het deerde me niet meer. Ik had het te warm. Was jaloers op Nel die in een schaduwhoekje rustig zat te lezen, terwijl mij het zweet uitbrak bij de minste beweging die ik maakte. Ieder half uur tjoempte ik overboord, trok loom een paar baantjes en klauterde afgekoeld en opgefrist terug aan boord. Opgefrist? Toen ik die laatste keer druipend op de kuipbank neerplofte, liepen er bruine straaltjes water langs mijn benen op de vloer van de kuip. Ik was van top tot teen bedekt met een dunne film ondefinieerbare bruin-beige smurrie. Nel kon met haar vinger haar naam op mijn rug schrijven. De zwembroek werd in een emmer biotex gezet en met veel, heel veel zeep, schoon drinkwater en twee keukenrollen probeerde Nel zo goed en zo kwaad als het ging de troep van mijn lijf te schrobben. ‘Dat moet jou natuurlijk weer overkomen. Je gaat niet meer zwemmen hoor! En ga een beetje uit het zicht, want je staat poedelnaakt voor iedereen te kijk!’ Dat laatste stoorde haar nog het meest. Zelf heb ik er geen moeite mee in mijn blote kont rond te lopen, maar Nel vindt dat maar niks. Om haar te plezieren trek ik dan een broek aan, maar op stille plekjes waar niemand aanstoot kan nemen, mag ik er graag als Adam-op-leeftijd bijlopen.

Zo ook een paar dagen later. Het was zondag en nog steeds warm. Midden op een meertje waren we voor anker gegaan. De jachthaven was minstens vierhonderd meter van onze ankerplaats verwijderd. Reden genoeg dus om in mijn blootje rond te lopen. Aan het eind van de middag hoorden we vanuit de verte onze namen roepen. Toen we om ons heen keken, zagen we bij de jachthaven een paar mensen op de kop van de steiger enthousiast naar ons zwaaien. Pas toen we met de verrekijker goed keken, herkenden we het drietal. Het was het Duitse gezinnetje, man, vrouw en dochter van elf, waar we enige weken geleden een paar dagen mee hadden opgetrokken. Een maf stel, altijd in voor een geintje en onverwachte dingen. We waren ieder onze eigen weg gegaan en nu –stom toeval- troffen we elkaar weer. Bleek de jachthaven aan de overkant de thuishaven van hun ‘Sankt Jozef’ te zijn. ‘Kom’, zei ik enthousiast tegen Nel, ‘we gaan ze nog even gedag zeggen. We zwemmen naar ze toe’. Nel keek wat bedenkelijk, deed haar mond open om nog iets te zeggen, maar de impulsieve schipper was al overboord gesprongen en begon de afstand naar de steiger te overbruggen. Dat was voor het drietal aan de overkant reden om ook in het water te springen en me tegemoet te zwemmen. Midden op het meertje werd de kennismaking watertrappelend hernieuwd. ‘Hoe gaat het met jullie? Wat net dat wij ons hier treffen! Is de koffie klaar?’, schreeuwde Klaus naar Nel, die het vreemde schouwspel vanaf de Petronella M stond gade te slaan. Ze maakte een breed armgebaar en ging naar binnen om water op te zetten. Pas toen we een tiental meters van onze boot verwijderd waren, werd het me plotseling duidelijk wat Nel me nog wilde zeggen voor ik overboord sprong. In mijn enthousiasme was ik vergeten, dat ik zonder zwembroek liep. Ik begon wat harder te zwemmen om eerder bij onze boot te zijn, maar dat liet het drietal niet op zich zitten. Ze bleven bij me in de buurt. Ik liet me wat uitdrijven om achterop te raken, maar ook daar trapten ze niet in. Bij de boot gekomen, stond Nel me al op te wachten met gefronste wenkbrauwen en een groot badlaken. Ze deden niet moeilijk, onze Duitse visite. Ze keken neutraal een andere kant op toen Nel het badlaken om me heen gooide. Ze dronken koffie, kletsten bij en sprongen na een uurtje een voor een weer overboord om terug te zwemmen naar de jachthaven. Vanuit het water draaide Klaus zich nog een keer om. ‘Wij zien einander nog wel eenmaal’, riep hij ten afscheid, ‘daarvan ben ik zeker. En misschien heeft der Fritz zich dan een broek gekocht…’

Strijd tegen het water

29 september 2000

‘Ik geloof dat het een beetje lekt.’
Voorzichtiger had Nel het niet kunnen zeggen. Ze kent me. Ze weet dat ik overgevoelig ben voor lekkages. Dat je aan boord altijd wel bezig bent met klusjes deert me niet. Kleine probleempjes tijdens het varen horen erbij en die los je op. Er is op de boot dan ook bijna net zoveel gereedschap als thuis in de schuur, er zijn de nodige reserve-onderdelen en voor speciale gevallen is er altijd nog de noodkist. Bij ons is dat een houten theekist met van die heerlijke vakjes. Die allemaal gevuld zijn met troepjes-die-nog-wel-eens-van-pas-zouden-kunnen-komen. Een buitenstaander zou raar staan te kijken naar de bonte verzameling spulletjes die op het eerste gezicht niets met een boot te maken hebben, maar wat heeft die kist ons vaak uit de brand geholpen. Waar een stompje kaars al niet goed voor is. Wat je allemaal niet met een stukje ventielslang kunt doen. En met die verzameling plastic dopjes en stukjes rubber. Of een gordijnhaakje, een krimpkousje, een ouderwets stukje werk, een zakje zaagsel… Menig mankementje hebben we met behulp van de inhoud van die kist kunnen oplossen. Toegegeven, ik pak niet fluitend mijn gereedschap als er tijdens het varen iets stuk gaat, maar ik repareer het wel.

‘Ik geloof dat het een beetje lekt.’
Het achtervolgt me. Want hoe lang hoor ik dat nou al? In mijn herinnering is het nooit anders geweest. Vanaf onze periode met de kinderen op ons kajuitzeiljacht ben ik al in de weer met mijn eeuwige strijd tegen het water. Zo hadden we op dat schip geen koelkast, maar een uitsparing in de kiel waar we etenswaren en frisdrank koel konden bewaren. Achttien jaar hebben we met dat schip rond gevaren. Achttien jaar heb ik van alles geprobeerd om die kiel droog te houden. Achttien jaar is me dat niet gelukt. Onkunde? Misschien. Ergernis? Dat zeker!
En hoe vaak is het niet gebeurd dat zoonlief van het boordtoilet kwam met de mededeling dat er ‘druppeltjes uit het pompje kwamen’? Dan werden de afsluiters maar weer dicht gedraaid en lag ik binnen de kortste keren in een onmogelijke houding in een onmogelijk hoekje weer met die waterpomptang te klooien. Hoe langer het repareren duurde, hoe meer het tegen zat, des te heftiger werden mijn verwensingen aan die ‘rottige’ pomp. ‘Papa gaat de wc even maken’, zei Nel dan tactisch, ‘zullen wij een ijsje gaan kopen?’
En ze hebben samen wat ijsjes gekocht. Als papa een plasje water onder de kajuitvloer ontdekte en er na lang zoeken achter kwam, dat het voetpompje van het drinkwater lekte. Als papa de wierpot weer eens moest schoon peuteren of de koelwaterslang moest vervangen. In mijn gedachten hebben we altijd trammelant met water gehad. Meestal had dat te maken met onderdelen die stuk gingen, een enkele keer door onze eigen stommiteit. Stonden we bijvoorbeeld tijdens het water tanken gezellig op de wal te kletsen. Niemand lette op de grote waterzak die in de voorpiek onder de bedden lag. Die boller en boller werd, het bed omhoog duwde en tenslotte met een knal bezweek. Bleek het veiligheidsventiel van onze watertank volledig te zijn afgescheurd. Tachtig liter drinkwater was in die tijd niet veel voor een gezin met twee kinderen, maar wat is het een enorme hoeveelheid als je dat uit alle hoeken en gaatjes van je schip moet dweilen…

‘Ik geloof dat het een beetje lekt.’
Ik heb er geen zin meer in. Ik zie het wel, die druppeltjes aan het schuifluik, dat kleine straaltje onder het kajuitraam, het plasje in de kiel, maar zolang de Petronella M niet vol loopt, verklaar ik alle lekkage tot condens. Dat heb ik een tijdje kunnen volhouden, maar Nel gelooft me niet meer en blijft bezorgd met een lapje in de weer. Sinds kort gebruik ik mijn nieuwste troef in de strijd tegen het water. ‘Het lekt in het keukenkastje’, krijg ik dan van Nel te horen. ‘Da’s normaal aan het begin van het seizoen. Dat moet zich even zetten.’ Ze kijkt me achterdochtig aan, die schippersvrouw van me. Ze haalt berustend haar schouders op. Ik stop een verse pijp en kijk neutraal naar buiten. Ik zie water. Prima, zolang het maar buiten de boot blijft.

In de grote stad

27 oktober 2000

‘Waar komt u vandaan?’
We waren ’s middags aangekomen in ‘de grote stad’ en bij het afmeren hulpvaardig geassisteerd door een vriendelijk jongetje van een jaar of tien. Vanaf het moment dat we de havenkom indraaiden, was hij fietsend langs de kade met ons op gelijke hoogte gebleven. Toen we op de wal afvoeren, had hij zijn fiets neergegooid tussen de geparkeerde auto’s en ons op zijn manier geholpen bij het afmeren. Terwijl Nel en ik nog bezig waren de Petronella M te beleggen, was-ie in kleermakerszit op de kade gaan zitten en bekeek aandachtig onze verrichtingen. Toen we klaar waren, pakte hij zijn fiets weer op en reed weg. In de loop van de middag en avond zou hij nog vele malen terugkomen. Het ritueel was steeds hetzelfde: langzaam kwam hij aangereden, gooide zijn fiets op de grond en ging ter hoogte van onze kuip op de kade zitten. Een tijdje zei hij dan niets en staarde alleen maar met zijn hand onder zijn hoofd naar ons schip. Na een poosje begon hij te vragen: ‘Waar komt u vandaan? Blijft u overnachten? Hoeveel kost het hier? Hoe zwaar is uw motor? Hoe hard vaart uw schip? Wat betekent dat stickertje met acht twee nul? Hoe hard mag je varen op de Maas? En op de Rijn? Wat betekent die M bij Petronella M?’ We gaven hem antwoord op al zijn vragen, maar op zijn laatste vraag verzonnen we een leugentje om bestwil: ‘Vindt u het leuk om hier te liggen?’ ‘Ja, hoor’, deden wij enthousiast, maar inwendig waren we niet zo tevreden. Liever hadden we in de vrije natuur overnacht, maar we waren op terugreis naar onze thuishaven en er was geen andere mogelijkheid dan te overnachten in deze stad. Dus lagen we midden tussen de rinkelende trams die regelmatig over de brug knarsten, optrekkende vrachtwagens bij het verkeerslicht, loeiende sirenes tot laat in de avond en mensen op weg van hun werk naar huis die hun auto starten op anderhalve meter van je botervloot. ‘Help me herinneren, Nel, dat we -als we weer thuis zijn- een keer in de auto stappen en in Rotterdam gaan koffie drinken. Gaan we met ons kampeertafeltje en thermoskan midden op het Hofplein zitten…’ Ach, op den duur went het, die stadsgeluiden. En voor een keer heeft het ook wel wat. Hoewel. Recht tegenover de ligplaats van de Petronella M bleek een overenthousiaste doe-het-zelver te wonen. Daar kwamen we ’s avonds achter toen we ons met koffie en krant in de kuip hadden geïnstalleerd en de man met een hoog-jengelend apparaat de voegen van zijn huis begon uit te slijpen. Toen het donker werd, haalde hij er een grote bouwlamp bij…

Maar het kon nog erger. De volgende morgen om half acht worden we opgeschrikt door luid sissende remmen die pal naast ons gangboord stilhouden. Een enorme vrachtwagen blokkeert de kade. Vanuit de kajuit kijken we tegen zes paar levensgrote banden aan. Isoschelp, staat er met grote letters op het gevaarte en daaronder: natuurlijke isolatie, vocht- en stankbestrijding in kruipruimtes. Twee stoere, blozende mannen in bolbuikende ketelpakken stappen uit de cabine. Ondanks het vroege uur hebben ze het al behoorlijk warm en met grote rode zakdoeken vegen zij het zweet uit hun nek. Ondertussen werpen zij een blik in het interieur van de Petronella M, waar de schipper net met een plumeautje het dashboard staat af te stoffen. Even kijken zij elkaar veelbetekenend aan, halen hun brede schouders op over zo’n varend mietje en beginnen dan grote rubberen slangen uit te rollen. De komende uren zijn we van heel nabij getuige van hun werkzaamheden. De kruipruimte van de voegenslijper wordt vakkundig leeg gezogen, waarna de kelder wordt vol gestort met Zeeuwse schelpen. En dat alles met zo’n oorverdovend lawaai, dat Nel en ik elkaar alleen nog maar schreeuwend kunnen verstaan. Halverwege hun werkzaamheden komt het jongetje van de dag ervoor nog even buurten: ‘Wanneer gaat u weg?’ ‘Maak het touw maar meteen los’, schreeuwen wij hem toe. Als we bij het wegvaren nog even omkijken, zien we hem in kleermakerszit weer op de kade zitten, hand onder zijn hoofd, in afwachting van de volgende passant. Bijna zouden we het jammer vinden dat we het stadsgewoel ontvluchten.

Hapje eten

24 november 2000

‘Buiten of binnen eten?’
Nel keek me vragend aan. Het was schitterend weer. We waren op die stralende middag door de havenmeester naar een passantenplekje verwezen en moesten aansluiten bij een lange rij schepen die kuip naast kuip in de boxen lag afgemeerd. Niks mis mee, want de buren waren aardige mensen. Normaal gesproken ben ik wel in voor een loopje over de steiger en mag ik graag een babbeltje maken met mijn medewatersporters. Maar soms heb ik geen zin in een praatje, soms wil ik gewoon even op mezelf blijven. Dan heb ik geen behoefte aan een buurman die mij voorstelt van krant te ruilen. Dan hoef ik even geen bloedstollende verhalen te horen van die keer ‘dat we maar ternauwernood een aanvaring wisten te voorkomen’. Ook ben ik niet in voor leuke routes en nog veel minder voor aanradertjes om mooie jachthavens aan te doen. Op zulke momenten verwens ik mezelf en mijn plan om uitgerekend deze route te varen, wetend dat we aangewezen zijn op overnachtingen in jachthavens.
Dat werd dus binnen eten vandaag. Een warme maaltijd in een warme kajuit. Maar alles beter dan buiten in de kuip, waar de buren op stootwil-afstand eveneens aan de maaltijd waren begonnen. Waar ik woordelijk hun gesprekken kon volgen: ‘Lekker?’…’Heerlijk!’…’Komt gewoon uit een pakje hoor, hartstikke makkelijk en zo klaar.’…’Zou je niet zeggen.’…’Wat?’…’Nou, dat het uit een pakje komt.’…’Dus je vindt het echt wel lekker?’…’Zeg ik toch.’…’Dan kan ik het nog wel eens doen. Ze hebben nog andere soorten ook.’…’Lijkt me lekker.’ ‘Wat?’…’Die andere soorten.’…’Zal ik nog wat opscheppen?’…’Ja, lekker. Wat hebben we toe?’…
In een beetje restaurant zit je verder van elkaar.

Hoe anders verging het ons die keer, toen we -rozig van de kille wind- tegen het middaguur een kleine haven binnen voeren. Aan de passantensteiger lag als enig schip een sleepboot uit de dertiger jaren dusdanig afgemeerd, dat de Petronella M er niet voor of achter paste. Op het achterschip van die boot zat een gezelschap van zo’n tien mensen te genieten van een koud buffet, dat op het voordek stond uitgestald. Duidelijk een groep die bezig was aan een gezellig dagje uit en we voelden ons best wel opgelaten om tijdens hun maaltijd te moeten vragen of we even langszij mochten komen. ‘Wat een ontvangst!’, kon ik niet nalaten te roepen, ‘sorry dat we te laat zijn, ik hoop dat jullie nog wat voor ons hebben overgelaten! Mogen we even langszij?’ Ik flapte het er uit voor ik er erg in had. Nel keek me verbouwereerd aan. Maar waar menig andere schipper gereageerd zou hebben met verwondering of woede over zoveel brutaliteit (en geef ze ongelijk!), was deze schipper zo vriendelijk om zijn boot wat op te schuiven, zodat we nog precies voor zijn schip aan de steiger konden afmeren. Tijdens die manoeuvres legde hij ook uit hoe de vork aan de steel zat: aan boord van de sleepboot zaten allemaal broers en zussen. Drie maal per jaar organiseerden zij met elkaar een uitje en vandaag waren zij -stuk voor stuk vertegenwoordigers van de grijze golf- een boottochtje aan het maken. Ze hadden deze haven en deze steiger uitgekozen om te lunchen. Ieder lid van het gezelschap had een bijdrage meegenomen voor het koude buffet en ‘als we zin en trek hadden, moesten we maar even met een bordje aan boord stappen. Er is meer dan genoeg en we kunnen het toch allemaal niet op…’ Nel had zich inmiddels al teruggetrokken in het kombuis en maakte aanstalten bruine boterhammen met kaas klaar te maken. Toen ik het aanbod van de buurboot overbracht, mompelde ze iets van ‘dat kun je toch niet maken.’ Er was wat overredingskracht voor nodig (‘Eet jij dan boterhammen, ik ga naar de buren’), maar na een poosje stonden we met bord en bestek langszij de sleepboot. En een half uur na aankomst in de haven zaten we in de kuip van de Petronella M te genieten van krab, rollade, paling, kip, mousse, verse broodjes en salades. Niet uit een pakje. Niet hartstikke makkelijk om klaar te maken. Wel lekker. De bruine boterhammen gingen naar de eendjes.

Joop

5 januari 2001

‘Koop een boot, werk je dood.’
Vanaf de dijk schreeuwde de passerende fietser me dat toe toen ik op mijn rug onder ons schip lag om met een bokkenpoot de kleine hoekjes en gaatjes van het onderwaterschip in de antifouling te zetten. Ik gaf hem wijselijk geen antwoord, maar inwendig moest ik hem gelijk geven. Ik moest aan Joop denken. We noemen hem bij onze watersportvereniging de filosoof. Vorig jaar stonden onze schepen naast elkaar op de wal. Op een gure voorjaarsdag waren we samen aan het werk. Toen we tussen de middag in de luwte van zijn boot met een mok thermoskannenkoffie op een blok stophout zaten uit te puffen, keek hij peinzend naar zijn onderwaterschip. ‘Kijk’, zei hij, ‘het is dus eigenlijk heel simpel. D’r zijn drie soorten watersporters. De eerste groep heeft een goed gevulde portemonnee en laat alle werkzaamheden aan z’n schip door anderen uitvoeren. De dikste portemonnee gaat naar een werf en de iets minder gevulde beurs heeft daar ‘een mannetje’ voor. De tweede groep zie je in het vroege voorjaar, als jij en ik nog niet eens aan ons bootje denken, al handenwrijvend en trappelend van ongeduld naar de winterstalling komen, gewapend met blikken verf, kwasten, rollers, terpentine en oude lappen. Ze genieten ervan en zijn eigenlijk nooit klaar. Kijk maar naar Piet. Als het normale onderhoudswerk gedaan is, zoekt-ie net zolang naar een klusje tot hij weer een paar zaterdagen aan z’n boot kan rommelen.’ Ik schonk de thermoskan leeg en moest Joop gelijk geven. Inderdaad, Piet was altijd bezig, had altijd wel wat te klussen, werkte eigenlijk meer aan zijn boot dan dat hij ermee voer. ‘En dan’, ging Joop verder, ‘heb je nog van die watersporters zoals jij en ik. Lopen het halve voorjaar moed te verzamelen om het hoognodige onderhoud te doen. Komen pas in actie als de datum van tewaterlating dreigend dichterbij komt. Dan trekken we een ketelpak aan en doen we wat er gedaan moet worden. Maar hoor je mij fluiten? Loop ik vandaag te zingen?’ Hij gooide het laatste restje koffie uit zijn mok, stond met tegenzin op en slofte in de richting van zijn gereedschapskist. ‘We gaan maar weer eens verder met roest krabben, want de kaboutertjes doen het niet voor ons…’

Maar dat was allemaal op ons vorige schip. Dat zou me bij onze tweede boot bespaard blijven. Daarom kozen we uiteindelijk na veel wikken, wegen, rekenen en nog eens rekenen voor nieuw en niet voor tweede-, derde- of vierdehands. Zo technisch ben ik nu ook weer niet en waarom zou je je de ellende van een ander op de hals halen, nietwaar? Nee, met een nieuw, werfgebouwd schip zouden de grote en kleine mankementen niet meer voorkomen. En geen staal meer, maar polyester. Waren we tenminste van die eeuwige roest af. En van dat eeuwige klussen. Toen ik Joop van onze plannen vertelde, viel het me tegen dat hij mijn enthousiasme niet deelde. Ik haalde mijn schouders er over op. Was Joop niet een eeuwige pessimist? Maar al na een maand stond Nel met een afgebroken handvat van het boordtoilet in haar handen. We lachten er nog om. Kon gebeuren. Maandagmorgenproduct. Losten we wel even op. Maar toen de zekeringen van de koelkast zo heet werden, dat de voetjes waarin ze zaten verkoolden en afbraken, hadden we beter moeten weten. ‘Koop een boot, werk je dood.’ Joop had gelijk. Aan boord (tenminste: bij ons aan boord) gaat altijd wel iets stuk en er gaat geen vakantie voorbij of de gereedschapskist moet eraan te pas komen. Het toplicht wil maar niet blijven branden, de toeter heb ik ieder jaar al moeten repareren, de kajuitdeur knelt en moet nodig een schaafje hebben, de gootsteenafvoer lekt, door het schuifluik druppelt het regelmatig naar binnen en de accu’s laden niet bij. Het schijnt er allemaal bij te horen en er zijn genoeg bootbezitters die zich daar niet druk om maken. Ik kan dat niet opbrengen. Blijf me ergeren aan alles wat kapot gaat. Kochten we daar indertijd een nieuw schip voor? Om al na een jaar te merken, dat de anti-slipverf van het dek begon af te bladderen? Om na amper drie jaar te moeten constateren, dat het hele onderwaterschip osmose vertoont? Om te merken, dat er steeds meer bobbels en gaatjes in de gelcoat verschijnen? Om erachter te komen, dat de sandwichconstructie op sommige plaatsen los laat? Koop een boot, erger je dood!

His-bla-bla

9 februari 2001

‘Uiteraard dient u dan nog wel een blocking valve te plaatsen.’ ‘Follow up of non-follow up?’
De twee mannen leunden op de balie van de Hiswastand en waren mijn aanwezigheid totaal vergeten. Eén van de twee was een vertegenwoordiger, de ander was mijn broer Rob. Rob heeft een technische knobbel. Ik niet. Rob weet waar hij over praat als het over de techniek van een schip gaat. Ik niet. Rob kan slimme vragen stellen. Ik niet. Rob, kortom, weet waar hij over praat. Is dan ook regelmatig mijn steun en toeverlaat als er aan boord een technisch mankement is of als er iets nieuws moet worden gemaakt. Zo stond er voor dit vaarseizoen de aanleg van een dubbele besturing op mijn wensenlijstje. Waar kun je je dan beter oriënteren dan op de Hiswa? En wat lag er meer voor de hand dan mijn broer te vragen mee te gaan naar die watersportbeurs. Het zou niet voor de eerste keer zijn, dat Nel en ik op de Hiswa rond struinden. We maakten er altijd een gezellig dagje van, kwamen zo tegen twaalven in Amsterdam aan, dronken eerst koffie, keken ondertussen naar het langstrekkende publiek en slenterden daarna op ons gemak langs de exposanten. Lekker bootjes kijken, lekker wegdromen en tot slot altijd nog even langs de stands met leuke accessoires, kleding en hebbedingetjes.

In de auto op weg naar Amsterdam kreeg ik al zo’n voorgevoel, dat het dit jaar anders zou worden. Mijn broer had zich uitgebreid op de achterbank geïnstalleerd en legde de laatste hand aan zijn voorbereidingen. In mijn achteruitkijkspiegel zag ik hem druk in de weer met catalogi, de Hiswaplattegrond en zijn A4 kladblok, dat volgekrabbeld stond met allerlei aantekeningen. Ruim, zeer ruim op tijd parkeerden we de auto bij de Hiswa. We moesten zelfs nog een kwartiertje wachten tot de grote rolluiken voor het publiek open gingen. Het moet gezegd: broer Rob had zich terdege voorbereid. Met grote zelfverzekerde stappen slalomde hij tussen de eerste bezoekers door op weg naar de ‘motorenhal’, in een tempo dat Nel en mij naar adem deed happen. Kladblok en pen in de aanslag stopte hij resoluut bij de eerste de beste motorenstand. Voor Nel en mij waren die machines vooral groot, blauw, geel en rood, maar Rob begon de dieselmotoren met een kennersoog te bekijken en sprak een vertegenwoordiger aan. Ik voegde me bij het tweetal en hoorde de vertegenwoordiger nog net zeggen, dat een tandwielpomp meer herrie maakte dan de dieselmotor zelf. Een uitspraak die voor mijn broer reden was zich gedecideerd om te draaien en naar een volgende stand te stappen. Ik drentelde er achteraan. Had de man iets doms gezegd? Ik kreeg de tijd niet ernaar te vragen, want broerlief was al in een volgend gesprek verwikkeld: ’67 gedeeld door 12 maal 60, als dat de opbrengst van de pomp is, moet het lukken. Praat je dus over 6.7 cm3 per seconde. Van boord naar boord wel te verstaan. Met, pak weg, zo’n drieëneenhalve slag van het handwiel.’ Ik bleef geïnteresseerd luisteren, deed af en toe een (domme) duit in het zakje, maar haakte steeds meer af naarmate die broer van mij van de ene naar de andere stand hopte. Dit werd teveel voor een Hiswabezoeker zoals ik, die in het verleden meer belangstelling had voor het uiterlijk van stoer gelijnde motorboten, dan al deze technische toestanden. Het begon me te duizelen en Rob ging maar door: moest het hydraulisch of pneumatisch worden, kwam er een differentiaal voor de keerkoppeling én voor de brandstofpomp, dacht ik meer in de richting van een autosynchroon cruise met een microprocessoreenheid, wat was eigenlijk de opbrengst van die proportionele stuurmachinepomp, was de capaciteit van die EHP van 350 cm3 per minuut wel voldoende en hoe zat dat dan met het verbruik van 6.5 tot 9.5 Amp., konden we niet beter denken aan een fluxgate kompas en roerstandgever of lag een dual station system meer voor de hand. Rob genoot zichtbaar, zijn kladblok raakte steeds voller. Nel en ik hadden nog maar één wens: koffie met een enorme caloriestoot ernaast en een aspirientje… Bij de uitgang van de Hiswa werden we opgewacht door enthousiaste enquêteurs. ‘Ach’, hoorde ik mijn broer tegen een van hen zeggen, ‘ik denk niet dat ik volgend jaar weer kom. Technisch is het me wat tegengevallen…’

Ik krijg hem nog wel, die broer van me. Ik sleur broertje nog wel eens mee naar een andere beurs. Laat ik Nel slimme vragen stellen. Weet hij ook eens hoe dat voelt: bovenwijdte 60-63-66, lengte 26-28-30, hoofdwijdte 40-42-44 in een verhouding van 20 st. en 48 nld., gebruik makend van nld. 4,5 (= 10 x 10).

Spa en Bleu Band

16 maart 2001

‘Doe maar een Spaatje, want met een alcohollucht kun je de passanten niet verwelkomen.’
Co, de havenmeester, lag met zijn boot in een box naast de onze. Hij was in het bezit van een doorleefd kruisertje van een meter of negen, wat slordig in de verf, maar met een gezellig-rommelige uitstraling. Co is gepensioneerd en zo’n beetje de hele dag aan het rommelen in dat bootje van hem. Tussendoor regelt hij de komende en gaande passanten en blijft net zo lang om je boot heen drentelen tot je hem voor een drankje aan boord uitnodigt.
Vanaf het moment dat hij puffend vanwege de hitte op onze kuipbank neer plofte, hoefden we zelf nog nauwelijks iets te zeggen. Onze kuipbank werd die middag zijn praatstoel. De daaropvolgende anderhalf uur hoefden we alleen maar te luisteren en zo af en toe te reageren. Co wilde wel vertellen. Van z’n ex met wie hij tien prachtige jaren had gehad, ‘tot ze gek werd’. Van de schitterende tochten die hij met zijn boot had gemaakt tot aan de Middellandse Zee toe. ‘We hadden een leven als een prins, mijnheer: allebei in de WAO en vier maanden naar Frankrijk!’ Van z’n derde vrouw. ‘Tenminste, de derde officiële, want ja, tussendoor wil je ook wel eens wat en dat was niet moeilijk hoor, want dan ging ik op vrijdagavond naar zaal De Boer. Daar was dan dansen en daar kwamen honderden vrouwen-alleen. Je maakte een praatje, een dansje, je trakteerde een potje bier en hop… aan iedere vinger een vrouwtje!’ En van z’n tevredenheid over zijn huidige vriendin, met wie hij een uitgebreide LAT had, want hij hield nog wel zijn eigen flatje aan. Voor de zekerheid. Dat huis hield-ie ook zelf schoon, maar twee keer per jaar deed zijn vriendin de grote poets, want ‘het is een proper vrouwtje, misschien een ietsie té, want zelf ben ik nogal een ruig mannetje…’.

‘Moet je boodschappen doen? Je kunt mijn fiets wel even lenen.’
Het was kwart over acht en ik had de oudere man bij het clubhuis gevraagd of de vereniging ook fietsen had voor de passanten. ‘Neem de mijne maar. Ik moet straks zelf ook nog even naar het dorp. Ja, alleen voor een kuipje Bleu Band’. Toen ik voorstelde dat dan gelijk voor hem mee te nemen, sloeg hij dat aanbod niet af. Even keek hij me nadenkend aan, schatte waarschijnlijk mijn kunde op boodschappengebied niet al te hoog in en gaf me duidelijke instructies: ‘Bleu Band. Het staat naast de melk. Meteen als je binnen komt aan de rechterkant. Eerst krijg je de vla, dan de melk en dan de boter. Blue Band moet je hebben. Zo’n pondskuipje, weet je wel. Staat dus meteen rechts als je binnenkomt. Naast de vla en de melk.’ Toen ik terug kwam met de boodschappen en het fietssleuteltje en het pondskuipje margarine bij hem aan boord ging afgeven en er geen geld voor wilde hebben omdat ik immers zijn fiets even had mogen lenen, wilde de schipper daar absoluut niets van weten. ‘Nee, dat zou me wat moois worden’, deed hij verontwaardigd. Uit zijn achterzak diepte hij zijn ouderwets-bruine portemonnee op. Hij haalde er een gulden uit en duwde die in mijn hand. ‘Bedankt en laat de rest maar zitten. Da’s voor de boodschap…’
Ik was zo goed niet of ik bedankte hem hartelijk voor het lenen van zijn fiets en het fooitje en vroeg hem waar zijn scheepsnaam vandaan kwam. ‘Possedille’ stond er met fraaie letters op zijn naamborden. Nadat hij zijn portemonnee weer zorgvuldig had opgeborgen, ging de schipper er uitgebreid voor zitten. ‘Je wilt weten hoe ik aan de naam van m’n schip kom? Kijk, deze kruiser heb ik zelf getekend, zelf gebouwd en zelf afgetimmerd. En dat vaart, mijnheer, dat kan ik u verzekeren. Daar hangt een kiel onder, daar zit een schroef op, daarmee vaar ik op de decimeter nauwkeurig iedere box in en uit! Beter dan al die moderne jongens met hun kopschroef. Die kunnen niet meer varen. Die weten niet wat ze moeten doen als die kopschroef uitvalt. Nee, voor mij hoeven al die moderne dingen niet. Dan moet je ook nog eens een partij accu’s aan boord hebben om die extra schroeven te bedienen en vergeet niet, dat je schip er met gemak nog een tonnetje duurder van wordt! Weggegooid geld! Laat ze liever leren varen! Maar je vroeg naar de naam van mijn schip. Ik zei je al dat ik het zelf getekend en gebouwd heb. In die tijd kon ik midden in de nacht wakker worden met een ideetje, dat op een briefje krabbelen en weer rustig inslapen. Het gebeurde ook wel dat ik op verjaardagen plotseling mijn opschrijfboekje tevoorschijn haalde omdat ik weer een invalletje had. Dag en nacht was ik met dat schip bezig. En toen het bijna klaar was, hebben wijlen mijn vrouw en de kinderen deze naam bedacht. Possedille. Da’s Spaans voor nachtmerrie…’

Ankeren

13 april 2001

‘En nu doe ik helemaal niets meer!’
Het was een snikhete dag. Bij iedere beweging die je maakte, brak het zweet je uit en we hadden dan ook besloten het vandaag voor gezien te houden. Op de Gelderse IJssel waren we een grindgat ingetuft met de bedoeling daar voor anker te gaan. Bij het binnen varen hadden we in de verte nog een ander bootje zien liggen en voor de rest lag de plas er rimpelloos en verlaten bij. Precies wat we zochten die middag. Midden op de plas lieten we het anker vallen, doken er vrijwel meteen achteraan om af te koelen en besloten de rest van die dag in alle rust loom door te brengen. Die rust duurde precies een half uur. Toen verschenen met veel motorgebrul twee flitsende speedboten, die uitgerekend ‘onze’ rustplek hadden uitgekozen om te komen waterskiën. En deden ze dat nu nog maar in een hoekje van de plas. Plek genoeg. Maar nee, het gezelschap had er het grootste plezier in om rondjes om de Petronella M te draaien, waardoor we dusdanig in hun golfslag kwamen te liggen, dat de glaasjes door onze kuip rolden. Toen een van de skiërs op nog geen meter afstand voorbij stoof en vrolijk groetend zijn hand naar ons opstak, kon ik het niet nalaten terug te groeten met mijn duim omlaag. Meteen werd er gas terug genomen en kwamen beide bootjes langzaam op ons af. ‘Je zoekt geen ruzie hoor’, probeerde Nel mijn boosheid wat te temperen, ‘en je houdt je in!’ Ze kent me, weet dat ik bij het minste geringste mijn mond open doe als iets me niet bevalt en heeft me in het verleden herhaaldelijk terug gefloten. ‘Voor je het weet heb je tegenwoordig een mes tussen je ribben’, voegt ze er altijd veelbetekend aan toe. In dit geval hoefde ze zich geen zorgen te maken. De ‘heren’ waterskiërs kwamen langszij, verklaarden uiterst beleefd alleen ‘ein bischen Spass’ te willen maken en diepten uit hun koelkist ‘ein Dortmundes Bier gegen die Stress’ aan. Het aangeboden bier (hoe verleidelijk ook in deze hitte) werd beleefd afgeslagen. In mijn vriendelijkste Duits (bestaat dat eigenlijk: vriendelijk Duits?) verzocht ik ze rekening te houden met andere watersporters en wees ze erop dat het hier verboden was te waterskiën. Vanuit de speedbootjes keek men mij spottend aan. Ze haalden hun schouders op, gaven een ruk aan de gashendel en stoven er vandoor. De daaropvolgende drie uur hebben we ons mateloos zitten ergeren, misselijk wordend van de deining en steeds maar hopend dat ze ‘nu dan toch eindelijk wel weg zouden gaan’.
Toen dat niet gebeurde en onze mede-ankeraar inmiddels het ski-geweld was ontvlucht en de plas had verlaten, besloot ik tot actie over te gaan. Nadat ik voor de zekerheid nog even in de Almanak had opgezocht dat er inderdaad voor de hele Gelderse IJssel een skiverbod gold, belde ik de rivierpolitie. Die liet er geen gras over groeien. Binnen een half uur draaide een patrouillevaartuig de plas op. Beide speedboten werden langszij genomen en na het nodige papierwerk gesommeerd te vertrekken. Groeten deden ze ons niet meer toen ze langs voeren. Geen aanbod meer voor een koud biertje, wel vier verhitte koppen die ons woest aankeken. Eindelijk rust!

Tegen de avond sloeg het weer om. Het begon gemeen te waaien en we besloten de beschutting van de wal op te zoeken. Met het achteranker uit en twee lange landvasten naar de wal lagen we een stuk rustiger in een klein inhammetje, beschut door bomen. Maar een rustige nacht zou het allerminst worden. Tegen half twee schrok ik wakker van stemmen op de wal. Toen ik naar buiten keek, zag ik dansende lichtjes van zaklantaarns naderbij komen. Af en toe flitsten de lichtstralen ook even langs de Petronella M. Onmiddellijk was ik klaar wakker en moest meteen denken aan de boze waterskiërs van die middag. Een wraakactie? Ik schoot snel in mijn kleren, pakte mijn zaklantaarn en opende behoedzaam de kajuitdeur. De dansende lichtjes kwamen nog steeds naderbij. Er werd wat geschreeuwd, maar verstaan kon ik het niet. Het idee van de op wraak beluste waterskiërs wilde maar niet uit mijn hoofd en voor één keer moest ik Nel gelijk geven: ‘Voor je het weet heb je een mes tussen je ribben…’ In mijn gedachten zag ik vier sterke kerels ons bootje al naar de wal trekken… Zonder licht te maken sloop ik door het gangboord naar voren. Wat een geluk, dat ik beide landvasten dubbel achter een boom had omgeslagen. Vanaf ons schip kon ik ze nu makkelijk los maken en door het water zachtjes naar me toe trekken. Gevolg was wel, dat we nu alleen nog op het achteranker lagen, maar in ieder geval was onze boot niet meer direct vanaf de wal te bereiken. De aan- en uitflitsende zaklantaarns kwamen nu ook niet meer dichterbij en het geschreeuw was ook minder geworden. Toch was ik er niet gerust op en ik installeerde me in de kuip om de wacht te houden. Pas tegen vieren werd het echt stil aan de wal en durfde ik het aan naar bed te gaan. Gebroken stond ik de volgende morgen op. Toen ik buiten kwam zag ik op tweehonderd meter afstand een klein groen legertentje op de wal staan. Langs de waterkant stonden drie mensen vredig te vissen…

Leve de vereniging!

18 mei 2001

‘Zie ik nou bij Frits zweetdruppels op z’n voorhoofd? Dan zijn we verkeerd bezig! Tijd voor een shaggie!’
Ik was net bij het groepje mannen aangekomen met een kruiwagen zand en had die leeggegooid op de plek waar we het tegelpad aan het leggen waren. Het was februari en bitter koud. Toen we vanmorgen om negen uur onze gereedschappen uit het magazijn gingen halen, lag de ijzel nog op de steigers. Maar weer of geen weer, de werkzaterdagen van onze vereniging gaan door. Ieder lid van onze club moet per jaar drie zaterdagen naar de haven komen om zijn werkplicht te vervullen. Voor nieuwe leden zijn dat er in het eerste jaar vijf om de drempel wat te verhogen, want ‘anders meldt iedereen zich maar aan…’. En dat gaat er allemaal streng en gereglementeerd aan toe. Ruim van te voren krijg je een overzicht thuisgestuurd van de dagen waarop je verwacht wordt aanwezig te zijn. In dat schema zie je ook wie die dagen je werkbaas is. Kun je onverhoopt niet, dan moet je die werkbaas de vrijdagavond daarvoor tussen zeven en acht bellen om je af te melden. Niet voor zevenen. Niet na achten. En je moet een goede reden hebben. Je mag ook geen vervanger sturen. Of je zaterdagen afkopen. We zijn oorspronkelijk een vereniging van ‘de gewone man’ en als we aan vervangen of afkopen zouden beginnen (zegt het bestuur), zou het-lid-met-de-dikke-portemonnee zich aan de werkzaterdagen kunnen onttrekken. Sociaal gedacht, maar soms lastig, want waarom zou je bij ziekte bijvoorbeeld je zoon niet mogen sturen? Of je vrouw? Geen sprake van, wordt niet eens ter discussie gesteld op de jaarlijkse ledenvergadering. Twee maal per jaar komen we bij elkaar om dat soort zaken te bespreken. Sinds jaar en dag onveranderlijk in de zaal van het dorpshuis, waar de leden in groepjes gezellig aan tafeltjes zitten en het bestuur plaats neemt op het toneel. Soms hangen de decorstukken van de laatste uitvoering van de plaatselijke toneelclub er nog, altijd zijn er problemen met de geluidsinstallatie. Althans voor Kees, onze voorzitter. Kees is mede-oprichter van onze vereniging, inmiddels jaren gepensioneerd en moet niks hebben van al die modernigheden zoals een geluidsinstallatie. Kees begint zo’n avond dan ook steevast door om acht uur met zijn stevige vuist op de microfoon te slaan en stelt vast ‘dat dat ding het weer eens niet doet’. Dan is er altijd wel een bestuurslid die hem geduldig uitlegt, hoe je de microfoon moet vasthouden, dat je eerst het knopje moet indrukken en dat je het snoer in een bepaalde kronkel moet houden om geluid te krijgen. Ieder jaar weer leggen ze hem dat geduldig uit, ieder jaar weer laat Kees die uitleg over zich heen komen, ieder jaar weer verheft Kees zich om kwart over acht van achter de bestuurstafel, mokert met zijn hamer drie keer om stilte, kijkt priemend de inmiddels behoorlijk rokerig geworden zaal in en vraagt of hij ook zonder microfoon tot achterin goed te verstaan is. Als dat bevestigd wordt (en wie zou Kees durven tegenspreken?), gaat hij bijna triomfantelijk weer zitten en opent -zonder microfoon- de vergadering.

Terwijl er die zaterdag in onze ploeg de nodige shaggies werden gedraaid ‘om Frits even op adem te laten komen’, keek ik het groepje rond. Stuk voor stuk stevige kerels met getaande buitenwerkgezichten en eelt op hun handen. Zo deelde de werkbaas ons altijd in: een kern van mensen die van wanten weet en altijd een of twee a-technische leden om het ploegje vol te maken. Die verrichten dan meestal hand- en spandiensten. ‘Ach Frits, loop jij even naar het magazijn en haal een handje M10?’ ‘En neem gelijk wat sleuteltjes mee.’ ‘Spring er even bij, Frits en help tossen, maar pas op dat je hem niet laat zompen!’ ‘We hebben de kelderwinch erbij nodig! Ga die even snel halen, Frits!’ Aan mijn opgetrokken wenkbrauwen zien ze dan al dat ik vaak geen idee heb wat ze bedoelen of waarvoor ze dat stuk gereedschap nodig hebben. Geduldig wordt me uitgelegd, dat het dat ‘grote blauwe ding is met kettingen, links in het magazijn’. Maar kom ik in het magazijn, dan staan er links drie blauwe dingen met kettingen en natuurlijk neem ik dan prompt de verkeerde mee. Een tikkeltje meewarig leggen ze me uit wat ik dan wel moest pakken en voor de rest van de dag ben ik dan weer het lachertje van de werkploeg. Maar ze bedoelen het goed, al die Jannen, Hermannen en Jossen. Het zijn prachtkerels en ze staan altijd voor je klaar. Met goede raad, met het juiste gereedschap, met hulp als je problemen aan je schip hebt. Met elkaar hebben we op onze werkzaterdagen een accommodatie opgebouwd waar menige commerciële jachthaven zijn vingers bij zou aflikken. En daar zijn we trots op.

Toen we die koude februarizaterdag verkleumd naar de kantine sjokten om te schaften, liep mijn maatje-voor-de-dag bibberend naast me. Of hij het zo koud had, vroeg ik hem belangstellend. ‘Ach weet je Frits, ik ben zo kouwelijk, dat ik thuis in de douchedeuren dubbel glas heb laten zetten.’ Hij keek me daarbij zo serieus aan, dat ik nog steeds niet zeker weet of hij het meende…

Agenda

15 juni 2001

‘Ik vind het maar niks!’
De vijf mannen keken elkaar met verhitte koppen aan. De Petronella M was die middag een kleine jachthaven van een vriendelijke watersportvereniging binnengelopen en na het betalen van het liggeld was ik in het clubhuis blijven hangen voor een kop koffie en de krant. Toen ik naast de tafel plaats nam waaraan de vijf mannen zaten, hadden ze even naar me gekeken, me vriendelijk toegeknikt en vervolgens hun gesprek voortgezet. Dat werd op zo’n luide toon gevoerd, dat ik wel gedwongen was mee te luisteren. Al snel kwam ik erachter dat het voltallige bestuur van de vereniging naast me zat te vergaderen. Over de op handen zijnde jaarlijkse ledenvergadering. En dan met name over de agenda en het gedeelte na de pauze. ‘Ik vind het maar niks!’. De man die deze woorden voor de tweede keer met kracht uitsprak, zat onverzettelijk achter de tafel. Met zijn kleine, waterige oogjes keek hij de man tegenover hem priemend aan. Om zijn woorden meer kracht bij te zetten, leegde hij in één teug zijn bierglas en zette dat met een klap op tafel. ‘Jullie weten hoe ik erover denk. Ik vind het onzin. Waarom motten we die leden van ons lastig vallen met een thema? Wat mankeert er dan an onze vergaderingen? Het ging toch altijd prima, zo? Notulen van de vorige keer, mededelingen, financieel verslag, begroting, kascontrolecommissie, rondvraag en sluiting. Waren we lekker gauw mee klaar, zaten we om negen uur met een biertje an de bar. Maar nee, het mot van meneer in ene allemaal anders!’ ‘Meneer’ bleek de voorzitter te zijn en nog niet zo lang in functie. Hij voelde zich overduidelijk niet op zijn gemak in dit gezelschap van doorgewinterde oudere bestuursleden. Beduidend jonger dan de rest deed hij geweldig zijn best erbij te horen. Had voor de gelegenheid dan ook zijn blauwe blazer-met-anker-op-de-borstzak en zijn grijze pantalon aangetrokken, maar stak daardoor des te meer af bij de andere bestuursleden met hun doorleefde schipperstruien en vale spijkerbroeken. Arie, de man die hem zojuist had aangevallen, bleek de mening van de anderen te verwoorden en ik kreeg medelijden met de arme voorzitter die onrustig aan de franjes van het pluchen tafelkleed friemelde en veel te lang en uitgebreid doelloos in zijn koffie roerde. ‘Maar we kunnen het toch een keer proberen, mannen? Als het bij de leden niet aanslaat, is het meteen de eerste en de laatste keer geweest. Veel verenigingen gebruiken hun jaarlijkse vergadering om de leden voor te lichten. Dus waarom wij niet? En wat is er zo gek aan het thema veiligheid? Wie is er voor?’ Vier vingers gingen omhoog, maar dat was om nog een rondje bier te bestellen. ‘En waar motten we het dan over hebben, bij zo’n eh… thema?’ ‘Over EHBO aan boord bijvoorbeeld’, opperde de steeds nerveuzer wordende voorzitter. ‘EHBO?’, schamperde het gezelschap, ‘als ik m’n vinger openhaal, heb ik daar geen EHBO voor nodig. Steek ik die vinger gewoon in mijn mond tot het bloeien ophoudt.’ ‘Reddingsseinen dan?’, probeerde de voorzitter. ‘Je bedoelt toch niet van die lichtgevende boeien en vuurpijlen? ‘k Heb ze jaren an boord gehad, gekregen voor m’n vaderdag (weten die kinderen veel) en ze afgelopen ouwejaarsavond in de achtertuin afgestoken. Nog meer ideeën?’ Van achter mijn krant had ik hem willen seinen deze ongelijke strijd te staken, maar de voorzitter was behalve jong ook nog vasthoudend. Jammer, want de uitslag van deze discussie stond voor mij al vast. Dapper legde hij nog wat ideetjes op tafel. Reddingsvlotten? ‘Is m’n boot te klein voor…’. Reddingsmiddelen? ‘Ik gooi wel een stootwil overboord…’. Een veiligheidstraining? ‘Ik ga al niet naar een slipcursus…’ Veilige vaarroutes? ‘Wie mot óns nou nog wat kommen leren?’ Hij bleek niet opgewassen tegen het kwartet schippers en capituleerde: ‘Zullen we dit jaar dan nog maar het gewone programma doen en volgend jaar nog eens bekijken of we iets veranderen?’ Dat bleek verstandige taal en aldus werd met algemene stemmen besloten. Vier pils en een bronwatertje.

Toen ik terugkeerde op de Petronella M vroeg Nel me waarom ik zo lang was weggebleven. Of het zo gezellig was in het clubhuis. ‘Doe me een plezier Nel’, vroeg ik haar, ‘als ze me bij onze eigen vereniging ooit nog eens vragen voorzitter te worden, houd me dan tegen…’

Bovenbuurman

13 juli 2001

‘Aardig scheepje hebt u.’
We lagen langszij in de sluis en ik keek op van mijn krant in de richting waar de stem vandaan kwam. Ik moest mijn hoofd behoorlijk in mijn nek leggen om boven me de man te ontdekken die zich over zijn reling boog en me vriendelijk toeknikte. ‘Aardig scheepje. Nou ja, voor twee mensen dan. Ik moet er zelf niet aan denken zo dicht bij het water te zitten. Maar voor u beiden: alleraardigst scheepje!’ Ik keek Nel aan die binnen met de koffie bezig was. Ze trok een wenkbrauw op en keek me dwingend aan. Ik kende die gezichtsuitdrukking: ‘Je houdt je in, hoor. Je reageert niet!’ Daar kreeg ik ook geen kans voor, want mijn buurman van driehoog ging onverstoorbaar verder. ‘Kijk, ik heb dit schip nog niet zolang, jaartje pas. En ik heb daar een behoorlijke bom duiten voor op tafel moeten leggen. Dat liep toch aardig tegen de zes ton. Maar dacht u dat ik er daarmee was? Welnee! Daar moest toch nog voor zo’n krappe zeventigduizend rooie ruggen aan verbouwd en vertimmerd worden. Heb ik niet zelf gedaan, hoor. Heb ik mijn mannetjes voor. En er is behoorlijk geklust, dat kan ik u verzekeren. Om een voorbeeld te geven: jullie kunnen natuurlijk toe met een waterpompje, geen probleem, maar hier bij mij aan boord is dat niet te doen. Moest ik er dus al meteen een hydrofoor in laten zetten! Verwacht je toch niet op een dergelijk schip?’ Ik vouwde mijn krant dicht, schudde vol medeleven mijn hoofd over zoveel ellende en ging er eens goed voor zitten. Nel kwam met de koffie naar buiten en kwam naast me op de kuipbank zitten. Terloops zette ze haar voet zachtjes op de mijne. Ik wist wat ze bedoelde: één verkeerde opmerking en de druk op mijn voet zou tot pijnlijke, oogtranende hoogte worden opgevoerd. Haar angst voor een vervelende opmerking van mijn kant was deze keer niet misplaatst. Op onze tocht over het kanaal had ik me de hele ochtend al aan deze proletenbak geërgerd. De bruggen over het kanaal werden door één persoon bediend en bij de eerste brug lagen we met een vijftal schepen netjes te dobberen in afwachting van de komst van de brugwachter. Toen had de hydrofoor zich bij het gezelschap gevoegd. Van verre zagen we hem al aankomen met een dikke snor boegwater. Het achterste wachtende schip probeerde hem nog met gebaren duidelijk te maken het rustiger aan te doen, maar zonder vaart te minderen slalomde hij tussen de wachtende boten door en legde zijn schip op anderhalve meter van de brug stil. Drie forse stoten op zijn scheepshoorn lieten er geen twijfel over bestaan, dat hij door de brug wilde. Alsof wij op de bus lagen te wachten…

Het verbaasde niemand, dat hij er als eerste vandoor stoof toen de brug werd geopend. Daarbij produceerde hij zo’n hekgolf dat aan boord van de Petronella M de tafel omviel, de olielamp omkieperde en over de bank begon te lekken en de inhoud van de prullenbak door de kombuis rolde. Op vijf scheepjes weerklonk een arsenaal aan buitenkerkelijke verwensingen, werd de troep opgeruimd en tuften we rustig verder op weg naar de volgende brug. Daar lag de hydrofoor al een kwartiertje te wachten, maar de verstandige brugwachter draaide de brug pas open toen het hele konvooi weer compleet was. Weer stoof hij als eerste door de brug. Weer moest hij wachten tot we hem hadden ingehaald bij de volgende. Dat herhaalde zich vijf keer en het verbaasde dan ook niemand dat hij aan het einde van het kanaal als eerste zijn schip in de sluis parkeerde. Toen ook wij de sluis binnenvoeren, keek ik Nel even aan. ‘Ik denk dat ik maar bij hem langszij afmeer, dus hang de stootwillen maar aan bakboord.’ Vanaf dat moment was Nel niet helemaal gerust op een probleemloze schutting, vandaar dat dreigende bootschoentje van haar, dat op mijn voet rustte. ‘Kijk, u dacht natuurlijk wat heeft die een haast toen ik u zo hard voorbijvoer, maar dat kan niet anders. Heeft te maken met het toerental van mijn motor. Ik kan gewoon niet zachter. Kijk bij u ligt dat anders, want ja, hoe groot is dat motortje van u, maar hier liggen twee joekels van diesels in, dat geloof je niet. Heb ik ook helemaal laten reviseren. Heeft me dus weer het nodige gekost! Slurpen natuurlijk wel wat per uur, maar dat is geen punt. Ik ben gisteren even op en neer naar Antwerpen gewipt om mijn tanks te vullen met rode diesel. Scheelt je toch een paar meier, want ik weet niet hoe groot uw tank is, maar bij mij gaat er vierduizend liter door de slang. Dus reken maar uit, wat me dat opbrengt, zo’n trippie naar Antwerpen.’ Hij kreeg de tijd niet het me voor te rekenen, want op dat moment gingen de sluisdeuren open. ‘Gaat u er maar het eerste uit’, bood de buurman grootmoedig aan, ‘ik heb u toch zo ingehaald.’ En inderdaad: nog voor we de rij wachtenden na de sluis waren gepasseerd, manoeuvreerde onze hydrofoor tussen alles en iedereen door en stoof met geweld de rivier op. Vanaf zijn flying bridge draaide hij zich om en nam met een brede armzwaai afscheid van ons. Nel en ik groetten terug. Ik met een pijnlijke grimas op mijn gezicht, vanwege die kloppende pijn in mijn linkervoet.

Der alte Klaus

10 augustus 2001

‘Ik heb een vriend’, begon de man die bij de Petronella M was blijven staan.
Voor ik kon antwoorden, dat ik gewoon getrouwd was, liet hij erop volgen: ‘Klaus is zijn naam. Zo wie ik komt hij uit Duitsland en verbrengt met zijn vrouw menig weekend in Holland. Hij is op zoek naar een bootje en ik dacht me zo, dat uw scheepje prima geschikt voor hem zijn zou. Ist Ihr Schiff zu verkaufen? Het was ons allereerste vaarseizoen met de Petronella M.. We waren nog maar net gewend aan ons nieuwe bezit, de kreukels moesten nog uit de gordijntjes zakken. ‘Alles is te koop’, antwoordde ik en noemde meteen een onmogelijk hoge prijs. In het geheel niet uit het veld geslagen, noteerde de man ons mobiele nummer en zegde toe zijn vriend an zu rufen om een afspraak voor een bezichtiging te maken. Daarna kuierde hij naar zijn eigen schip even verderop. Hij was nog binnen gehoorafstand toen Nel gedempt op me begon in te praten. Hoe ik dat kon doen! Of ik niet even had kunnen overleggen. Dat we ons schip zelf nog maar net hadden. En dat ik zo’n ongehoord hoge prijs durfde te vragen. Ik legde haar uit, dat ze het niet zo serieus moest opvatten en dat het hele verhaal met een sisser zou aflopen. Hoe vaak hoorde je dat niet van anderen? Toonde er iemand belangstelling voor je boot, liet doorschemeren hem wel te willen kopen om vervolgens nooit meer iets van zich te laten horen. Toch kon ik het niet laten met een dikke viltstift een briefje te maken en dat voor het raam te hangen: Zu verkaufen schreef ik er met grote letters op en daaronder die absurde prijs, waar ik ter vergroting van de winst ook maar meteen Duitse marken van had gemaakt. Hij verblikte of verbloosde niet, onze steigergenoot, toen hij even later weer naast de Petronella M verscheen, het briefje voor het raam zag hangen en ons vertelde, dat hij der Klaus in der tussentijd mobil telefoniert had, dat die dit Wochenende naar Holland kwam en graag ons schip wilde bekijken. Terwijl Nel zich schielijk in de kajuit terug trok, maakte ik voor de volgende dag een afspraak. ‘Zien wij ons dan morgen hier weer met de koffie’, beëindigde de man het gesprek. Met zijn eigen schip zou hij Klaus ophalen en hem naar hier varen.

We sliepen slecht die nacht en waren vroeg wakker. Om kwart over vijf zaten we rechtop in bed en kwamen al snel tot de conclusie, dat het ronduit belachelijk was ons schip in het allereerste vaarseizoen al te verkopen. ‘Jij ook altijd met je flap-uit opmerkingen!’, wreef Nel er nog eventjes in, ‘Alles is te koop! Bel hem maar op en zeg dat het niet doorgaat.’ Ik kon niet anders dan haar gelijk geven. Jammer genoeg had ik vergeten het mobiele nummer te noteren, zodat afzeggen van de bezichtiging niet mogelijk was. Tegen beter weten in (ach misschien komen ze helemaal niet opdagen) zagen we in de loop van de morgen het Duitse schip met veel armgezwaai onze kant opkomen. Ze hadden Klaus en zijn vrouw opgepikt en meerden langszij de Petronella M af. Klaus bleek van een leeftijd die de oorlog nog bewust had meegemaakt. Hij stond moeizaam op, klauterde nog moeizamer met zijn Bundeskansler-Kohl-postuur bij ons aan boord, zette zijn grote orthopedische hoge zwarte schoenen op ons kuipkussen, plofte amechtig neer op de kuipbank, stak een wit-gefilterde sigaret op en bekeek vanachter zijn dikgerande brillenglazen vergenoegd ons schip. Nel en ik keken elkaar aan en dachten allebei hetzelfde: hoe kon zo iemand een boot willen kopen, hoe kon zo iemand met een schip manoeuvreren, hoe kon zo iemand zich in het bed van de voorpiek wurmen, hoe kon… Het kon dus allemaal wel en was eigenlijk doodsimpel: Klaus en zijn vrouw hadden jaren gevaren totdat hij schwer krank was geworden. Toen hadden ze hun boot verkocht, maar alles had toch beter uitgepakt dan ze in eerste instantie dachten. Het leven relativerend, hadden ze in Holland een peperduur buitenhuis aan het water gekocht. Het enige dat nog aan hun geluk ontbrak was een bootje voor de deur. Belangrijkste norm voor zo’n bootje was de hoogte van het schip, zodat Klaus vanaf zijn balkon wel een vrij uitzicht behield over het water.
Het werd heel gezellig in onze kuip met Hollandse en Duitse koffie. Het bleef gezellig, ook nadat we duidelijk hadden gemaakt, dat we er nog eens goed over nagedacht hadden en bij nader inzien toch maar van de verkoop afzagen. Klaus knikte en begreep, stak nog een sigaret op en nam na een poosje hartelijk afscheid. Toen ze wegvoeren, begon ik de koffiespullen op te ruimen. Nel zat aan de kajuittafel met de opengeslagen krant voor zich. In het voorbijgaan zag ik haar vinger langs het koerslijstje van de buitenlandse valuta gaan en blijven steken bij de Duitse mark…

Kindervreugd

14 september 2001

‘Heeft u geen last van ons gehad?’
De jonge moeder op de zeilboot naast ons stelde haar vraag een tikkeltje schuldbewust. De hele nacht had hun baby’tje van nog geen half jaar oud ons uit de slaap gehouden met haar niet aflatend gehuil. Af en toe was het even wat stiller geweest en hoorden we de moeder zacht sussende woordjes spreken, maar net als we weer in slaap dreigden te sukkelen, begon de baby weer te dreinen. We lagen zo dicht bij elkaar in de volle jachthaven, dat het had geleken of het kind in ons eigen stuurhuis had liggen blèren. En wat hadden we de dag ervoor vertederd naar het jonge stel gekeken toen ze ’s middags naast ons afmeerden. Toen we de prille vader een luier zagen verschonen. Toen we het kind vallend en opstaand door de kuip zagen kruipen. Toen het van moeder te eten kreeg. Toen het in pyjama voor het slapen gaan nog even op schoot in de ondergaande zon mocht soezen. We hadden elkaar aangekeken en onze gedachten gingen dertig jaar terug. Naar de tijd dat we zelf nog ‘in de kleine kinderen zaten’ en ons net zo opgelaten voelden als nu de jonge moeder naast ons nadat één van onze kinderen met hun nachtelijk gehuil de buren uit de slaap had gehouden. Alles kwam weer boven door die aanblik van dat jonge stel naast ons.

Die keer bijvoorbeeld dat dochterlief haar middagslaapje deed in de voorpiek en wij ons klaarmaakten om boodschappen te doen. Toen we met tas, portemonnee en wandelwagentje klaar stonden om aan wal te stappen en als laatste onze dochter uit bed zouden halen. Die inmiddels stilletjes wakker was geworden en nu midden in de voorpiek glunderend tussen de restanten van haar luier zat. Een poepluier wel te verstaan. De ravage was niet te overzien: het beddengoed, de kleding in de vakken, de deurtjes, het plafond en dochter zelf zat onder de groen-bruine smurrie. Uren zijn we in de weer geweest om alles weer schoon te krijgen.

Of de noodgrepen die we in het verleden moesten toepassen bij slecht weer. Als het maar even kon, hesen we onszelf en de kinderen in zeilkleding, trokken laarzen aan en sompten door weilanden. Maar hield de regen dagen achtereen aan, dan moesten we creatiever worden. Als alle boekjes voorgelezen en nog eens voorgelezen waren. Als het speelgoed niet langer kon boeien. Als we hadden ge-pim-pam-pet, ge-ganzenbord en gejokerd tot we er suf van werden. Tijdens een van die bovengemiddeld regenachtige vakanties heb ik eens een hele middag met kaartjes en papiertjes zitten prutsen en tekenen om het bekende Monopoly, dat na dagenlang regen niet meer boeide, aan te passen aan het vaargebied waar we op dat moment verbleven. Konden we weer een paar dagen vooruit met het spelen van ons eigen Vaarpoly. We hebben het welgeteld één keer gespeeld, daarna is het de rest van de vakantie stralend weer geworden. Maar papa was een middag zoet geweest…

Of die keer dat we vijfentwintig jaar geleden al twee dagen verwaaid en verwaterd in een Fries slootje lagen. Toen het voor de zoveelste keer zo’n dag dreigde te worden waarop niemand voor zijn plezier het water opzocht vanwege de gestaag neervallende regen en de straffe wind had ik in een opwelling de kinderen een dubbeltje beloofd voor ieder schip dat voorbij zou komen. Hadden ze tenminste wat om handen, zouden ze zich niet vervelen en wat kon het me kosten op zo’n verregende dag? Ze hebben zich inderdaad niet verveeld, zaten op hun knieën voor de beslagen ruiten en telden die dag vierenzestig passerende boten. Of papa zijn portemonnee even wilde pakken…

‘Heeft u geen last van ons gehad?’
Nel en ik keken elkaar aan. Ondanks een doorwaakte nacht voelden we sympathie voor de vrouw naast ons. Zoals ze daar in de kuip zat met haar baby op haar arm. Met een inderhaast aangetrokken gekreukt t-shirt, nog ongekamde haren en wallen onder haar ogen die beslist niet van één slapeloze nacht waren. ‘Ach weet u, ze moet tandjes krijgen en die zitten door te komen. Heeft u haar niet horen huilen?’ Wat konden we anders doen dan verbaasd onze wenkbrauwen optrekken en huichelen dat we niets, maar dan ook niets gehoord hadden en dat we als een roos hadden geslapen?

Weekend Privé-story

12 oktober 2001

‘Waar zit je met je gedachten?’
Nel keek me bij het ontbijt onderzoekend aan. Ik was er inderdaad met mijn hoofd niet bij. De radio stond aan, maar het nieuws was volledig aan me voorbij gegaan. De schippersvrouw had al een paar keer iets tegen me gezegd, maar geen antwoord gekregen. Het was ook zo’n vreemd begin van de dag geweest. Ik houd ervan vroeg op te staan. Ook tijdens de vrije dagen die we aan boord doorbrengen. Dus ook dit weekend als we hebben afgemeerd in een kleine havenkom samen met een zestal andere schepen. Het is zondagmorgen, kwart voor zes. De nevel ligt nog over het water. Alle schepen liggen dauwwaterend te wachten op de nieuwe dag. Als ik in het stuurhuis sta te genieten van deze stilte hoor ik aan de overkant van de havenkom de rits van een kajuitzeil opengaan. Op een grote kruiser wurmt een man zich door de ritsopening, sluit de kajuittent weer en klautert van boord. Hij gaat op weg naar het toiletgebouw. Even later komt hij dat gebouwtje weer uit, loopt niet terug naar de kruiser waar hij net vandaan kwam, maar komt mijn richting uit. Dichterbij gekomen herken ik onze achterbuurman, die hier al twee dagen bivakkeert. Zonder op te kijken en dus ook zonder mij te zien loopt hij voorbij de Petronella M. Hij stapt behoedzaam aan boord van zijn eigen schip ervoor zorgend dat zijn bootje zo min mogelijk beweegt. Tandje voor tandje maakt hij voorzichtig de rits van zijn kuiptent open en verdwijnt naar binnen. Tandje voor tandje zie ik de rits van binnen uit weer worden dichtgetrokken. Ik haal mijn schouders op, maak voor mezelf een kop koffie en pak de dikke zaterdagkrant.
Drie kwartier later gaat het kajuitzeil van de grote kruiser aan de overkant voor een tweede keer open. Als ik opkijk van mijn krant zie ik een man en een vrouw verschijnen. Ze stappen van boord. Op de kade vallen zij elkaar in de armen en nemen meer dan hartstochtelijk afscheid (het is inmiddels zondagmorgen kwart voor zeven geworden). Ik vergeet mijn krantje en zie de vrouw naar de parkeerplaats lopen waar zij in haar autootje stapt en wegrijdt. De man kijkt haar na tot zij uit het zicht is verdwenen en klimt terug aan boord. Hij pakt een dweil en maakt achterwaarts lopend zijn voetstappen in het gangboord zorgvuldig schoon. Dan verdwijnt hij naar binnen.
Op het moment dat ik mijn krantje opvouw en besluit nog een tweede kop koffie te maken, hoor ik gerommel op het schip achter ons, waar een kleine twee uur geleden onze buurman zo behoedzaam terug aan boord sloop. Er wordt een grote bruine hond op de wal gezet en er verschijnt een vrouw. Ik kijk op de klok: het is acht uur. De vrouw laat eerst uitgebreid haar hond uit, pakt bij terugkomst een stoeltje van boord en gaat op de wal een boek zitten lezen. Als na een poosje haar man uit hun boot stapt, gewapend met handdoek en toilettas, wisselt hij geen woord met zijn vrouw, die zonder op te kijken in haar boek blijft lezen. Ook als de buurman terug komt van het toiletgebouw wordt er geen woord gesproken. Hij is ‘druk doende’ met niets doen op z’n boot: legt een kussen van stuurboord naar bakboord, zet zijn schoenen op een ander plekje, veegt wat druppels van de kuiptent en kijkt naar de lucht. Zij leest op de wal in haar boek, maar heeft al een half uur geen bladzijde omgeslagen. Dat houden ze drie kwartier vol. Dan wordt het boek met een klap dichtgeslagen, gaan hond, stoeltje en vrouw aan boord, wordt de motor gestart, gaan de landvasten los en tuffen ze de havenkom uit. Ze vermijden bij dat alles elkaar aan te kijken en doen nog steeds hun mond niet open…

‘Waar zit je met je gedachten?’, herhaalt Nel haar vraag tijdens het ontbijt. Ik zou het niet weten…

Ludo

9 november 2001

‘Bel aan en kom binnen.’
Ik kijk naar het handgeschreven, beduimelde stukje karton dat met plakband aan de deurpost is gekleefd en controleer voor de zekerheid het huisnummer. Op de gesloten deur van het havenkantoor had ik bij aankomst in de gemeentelijke passantenhaven van het Belgische Veurne een papier aangetroffen, dat mij in vier talen verzocht me te vervoegen bij ‘Ludo Viane, kunstschilder in de Molenbergstraat’. Het was één van die snikhete dagen van de afgelopen zomer en hoewel het atelier van Ludo slechts op tien minuten loopafstand van de haven lag, parelde het zweet op mijn voorhoofd en plakte mijn shirt aan mijn rug. ‘Bel aan en kom binnen’. De deur in het smalle straatje staat uitnodigend open, maar er is geen bel te bekennen. Ik stap de koele gang in. In een hoek van een ruimte die volhangt met olieverfschilderijen zit iemand achter een computer. Omdat hij met zijn rug naar me toe zit, heeft hij mijn binnenkomst niet in de gaten. ‘Goeiemiddag. Bent u, Ludo, de havenmeester?’. Hij draait zich om, ziet mij staan en kijkt me vanachter zijn bril wat verward aan. ‘Havenmeester? Eh ja, dat klopt. Maar ziet u, ik heb vanmorgen deze computer van iemand gekregen. ’t Is een oud dingetje, maar hij doet het nog wel. Ik weet alleen nog niet hoe dat allemaal werkt. Dus als u nog een minuutje heeft, dan help ik u daarna graag’. Ik krijg geen gelegenheid te antwoorden, want Ludo vervolgt: ‘U ligt in de haven? Met een boot? Ja, ja. Het is warm, hè? En ik zit hier maar te tobben met die computer. Snap er niks van.’ Als ik hem een beetje op weg heb geholpen (kijk, zo zet je hem aan en zo sluit je Windows weer af) is Ludo klaar om met me mee te lopen naar de haven. Maar eerst moet ik nog even mee ‘naar achter’, naar zijn meer dan rommelige kamer-keuken met granieten aanrecht en waterpomp. Daar staat zijn pintje tussen alle rommel op tafel te verschralen. ‘Dat was ik vergeten, hè. Drink ik nog even op, want het is warm hoor.’ Ondanks een middagtemperatuur van dik dertig graden hijst hij zich in een vaal colbertje dat in betere tijden marineblauw is geweest. Tussen de troep op het dressoir vist hij zijn hoed op. Als hij die heeft opgezet, zijn we eindelijk zo ver dat we terug naar de haven kunnen.

De derde sleutel die hij probeert blijkt te passen op het slot van het havengebouwtje, een uit veel glas opgetrokken bouwwerk, waarin het werkelijk niet te harden is van de hitte. Ludo beklaagt en verontschuldigt zich voor de hoge temperatuur, maar piekert er niet over zich van zijn colbertje en hoed te ontdoen (je bent kunstenaar of je bent het niet). Hij rommelt wat in een laatje en legt een stapeltje papieren op zijn bureau. ‘Ik geloof dat u dit moet invullen’, zegt-ie terwijl hij een formulier naar mij toeschuift. Het duurt even voor hij ook nog een pen heeft gevonden. Terwijl ik me over het papier buig, krijg ik een onsamenhangend verhaal over het gebruik van de douche voor 50 Bfrs, het toilet voor 20 Bfrs en de walstroomaansluiting. ‘Daar geef ik u een stukje kabel voor. Daar betaalt u 1000 frank borg voor. En voor 100 frank geef ik u er nog een plastic kaartje en een sleuteltje bij. Voor de stroomkast. Anders werkt het niet, hè?’ Ik krijg steeds meer het idee, dat hij zelf nauwelijks snapt hoe het allemaal werkt. Na me tweemaal zuchtend een verkeerd sleuteltje te hebben gegeven, is het derde het goede. En het vierde stuk verlengssnoer dat hij uit een kast haalt, heeft eindelijk de juiste stekkers. ‘Ik loop even met u mee om de stroomkast uit te leggen, want dat is nogal ingewikkeld’, zegt-ie als we samen het havenkantoor verlaten. Als we halverwege de steiger zijn, moet hij nog even terug omdat mijn creditkaartje nog op zijn bureau ligt. Bij de kast aangekomen, sluit hij de stroom voor me aan. Hij is aangenaam verrast als Nel vanaf de Petronella M roept dat alles werkt. Anderhalf uur na onze aankomst in Veurne hebben we walstroom, de drinkwaterkraan is nog niet aangesloten (daarvoor moet u bij het waterleidingbedrijf zijn) en als we na het eten willen douchen (even snel, want om acht uur gaat Ludo weer naar huis en de boel op slot), ontdekken we twee deuren. Op één ervan hangt een papier dat hij ‘defect’ is. Als we de andere douche openen met ons muntje van 50 Bfrs blijkt daar geen druppel water uit te komen. ‘Het is hier allemaal nog zo nieuw hè’, zegt de Vlaamse schipper naast ons. ‘Dan kun je niet verwachten, dat het allemaal al perfect werkt. En zo’n havenmeester. Da’s een heuse artiest, hè? Weet meer van schilderen dan van boten. Moet het nog leren. Komt allemaal wel goed. En ach, dat hoort toch ook een beetje bij onze folklore, vindt u niet?’

Houdoe

7 december 2001

‘Heeft u geen nare gevolgen gehad, mevrouw?’
De man op de steiger was bij de Petronella M blijven staan. Zijn vraag was op Nel gericht, die in de kuip verdiept zat in het vakantieboek, dat nu eindelijk eens uitgelezen kon worden. Toen Nel hem niet-begrijpend aankeek, verduidelijkte hij zijn vraag: ‘Nare gevolgen. Ik bedoel van uw onvrijwillige duik in het water!’. Langzaam drong het tot ons door, dat de man zich serieus bezorgd maakte om de gezondheid van de schippersvrouw nadat hij de column had gelezen, waarin Nel in het vroege voorjaar in het ijskoude water overboord was gevallen

(…)
‘Ik heb wel met u te doen, mevrouw!’
Meewarig sprak de oudere dame Nel aan toen we terug keerden van de supermarkt en over de steiger naar ons schip liepen. ‘Ik lees al die verhalen in de Waterkampioen. U heeft wat te stellen hoor, met zo’n eigenwijze, betweterige schipper.’ Nel bleef staan voor een uitgebreid praatje. Ik bracht wijselijk de boodschappen aan boord…

(…)
‘Je kwam me al zo bekend voor toen je hier gisteren afmeerde, maar nu weet ik het. Lag ik gisteravond in bed de Waterkampioen te lezen, zie ik plotseling paginagroot die eigenwijze kop van je!’ Leuk, zo’n begroeting als je ’s morgens aan een steiger je schip staat droog te zemen en de buurvrouw haar hoofd buiten de kajuitdeur steekt om je een ‘goeiemorgen’ te wensen.

(.)
‘Maar dat gaat over ons! Dat zijn wij!’, had de vrouw tegen haar man gezegd toen ze zichzelf in een van mijn stukjes herkende. Het leverde een vriendelijk briefje-met-foto op. Ontroerend was de brief die we van een trotse oma ontvingen, nadat ik watersportminnend Nederland had meegedeeld dat ons kleinkind Karlijn was geboren.

(…)
Toen ik ooit begon met mijn stukjesschrijverij in de Waterkampioen kon ik niet vermoeden dat die publicaties zo’n impact zouden hebben. U sprak ons de afgelopen jaren heel wat keertjes aan in jachthavens en op steigers. Of stak net iets enthousiaster uw hand op als wij elkaar op het water tegen kwamen. We verbaasden ons daar over, Nel en ik. Zo bijzonder waren die belevenissen toch niet? Heb ik dan alleen zo’n moeder die een dagje mee gaat varen? Die ’s middags parmant achter het stuurwiel staat en in de vaargeul kriskrassend van rode ton naar groene ton zwabbert omdat ze zo kippig is als een mol, maar het vertikt haar bril op te zetten? Hebben wij dat alleen, zo’n landrot aan boord die -als wij regelmatig onze hand opsteken naar de medewatersporters- belangstellend informeert of wij alle mensen in Friesland kennen? En die met een blik op de watertemperatuurmeter naïef vraagt ‘of we dat nou vaak varen, 80 kilometer per uur’? Maakt niet iedereen op het water dat soort grote en kleine gebeurtenissen mee? Natuurlijk wel. Leg je oor maar eens te luisteren in het eerste de beste clubhuis. Ga aan de bar zitten en de verhalen komen vanzelf. Of je moet herkend worden als die-man-van-de-Waterkampioen. Dan worden ze soms wat voorzichtiger. Houden zich een beetje in. Of zeggen het je gewoon ronduit: ‘Daar ga je toch niet over schrijven, hè? Van wat hier allemaal gebeurt in onze vereniging!’ Ik heb ze zwijgplicht beloofd die mannen in de Beatrixhaven van Eindhoven, maar het was een mooi verhaal. Jammer dat u het nooit zult lezen. Ze hebben zich voor niks zorgen gemaakt. Zij konden ook niet weten dat ik op dat moment mijn laatste column al geschreven had.

(…)
Op de kop af drie jaar hield ik u maandelijks op de hoogte van het wel en wee van onze Petronella M. Zesendertig verhaaltjes.
Zesentwintigduizendhonderdentweeënvijftig woorden. Het is mooi geweest. Het ga u goed.
Houdoe zeggen ze bij ons in de haven. Tot ziens.
We zullen u vast nog wel eens tegenkomen.
Als Nel en ik staan te wachten voor de openstaande brug waar u doorheen vaart.
We zullen zwaaien…