Overnachting #148

Lazy Saturday in Ostashkov aan het Seilger Meer, op mijn eigenste plekje langs het kabbelende water bij mijn eigenste privéstrandje. Niet dat ik daar ga zitten en al helemaal niet ga liggen: al dat zand tussen m’n tenen…

OSTASHKOV

Handschoentjes?

Allemaal leuk en aardig zo’n plekje aan het Seilger Meer, maar -wandelend en de weg vragend- blijkt het dichtstbijzijnde restaurant drie kilometer verderop te zijn. Niet echt een probleem, want ik ben de hele dag nauwelijks in beweging geweest.

Ostashkov blijkt maar één restaurant te hebben en dat serveert alleen maar hamburgers. Tegen mijn gewoonte in bestel ik dus noodgedwongen -voor de tweede keer in bijna vijf maanden- naast mijn salade en een piva, een hamburger-zalm en frites. Als mijn salade wordt gebracht, legt de serveerster ook een piepklein plastic zakje op mijn tafel. Ik trek mijn wenkbrauwen op en zij legt -in het Russisch- uit wat de bedoeling is. Daar snap ik dus niks van.

Als ze weg is, peuter ik dat zakje open en vis er tot mijn stomme verbazing twee zwarte, dunne handschoentjes uit. Als even later mijn hamburger wordt geserveerd, vraag ik naar de bedoeling van die handschoentjes. Ze kijkt me oprecht verbaasd aan en gebaart dan: ‘Om uw hamburger mee op te eten, natuurlijk!’

Omdat het medisch volstrekt onverantwoord is om met een volle maag die drie kilometer terug naar m’n bussie te lopen, ga ik na de maaltijd langs de kant van de weg staan en steek mijn arm uit (aan liftduimen doen ze niet in Rusland). Binnen vijf minuten zit ik in een vette Nissan die me keurig ‘voor de deur’ afzet.

Tutteldag

Ik tuttel met een gangetje van net 80 over kleine weggetjes, zo’n 250 kilometer ten zuiden van Moskou. In een van de dorpjes waarvan ik de naam niet eens kan uitspreken, laat staan onthouden, doe ik bij de buurtsuper mijn boodschappen en koop op het naastgelegen marktje een paar nieuwe crocks. Dat laatste is niet waar: de stukken plastic die ik sinds vanmorgen aan mijn voeten heb, zijn de naam crocks niet waardig, maar ik loop wel weer op wat nieuws voor mijn € 2,50.

In een wat groter stadje spuit ik bij de autowasbox het zand, de modder en de insecten van m’n bussie en lunch in het naastgelegen restaurant.

En wat is het genieten onderweg. En wat is het groen. En wat een bloemen. Ik denk terug aan de periode in april toen ik zo’n beetje in dezelfde regio reed met toen nog kale bomen en volop sneeuw. Zoveel sneeuw, dat ik zelfs een dag halverwege verplicht moest stoppen omdat het niet verantwoord was te blijven rijden.*)
Nee, dan rijdt het nu een stuk aangenamer door het uitbundig groene landschap. Klein minpuntje wel: er staan koeien in de wei. Doodgewone koeien. Ik mis de wilde paarden. Ik mis de kamelen.

*) (her)lees: Aprilletje zoet

Yuri Gagarin

‘Dàààg, monument!’
Ik rijd gewoon door en zwaai door mijn zijruit naar de plek ‘ergens in het land’, waar een monument zou staan op de plek, waar ooit Yuri Gagarin, de eerste kosmonaut in de ruimte, met zijn Wostok 1 landde. Nog zo’n veertig kilometer te gaan tot Saratov, waar Gagarin leefde en studeerde en waar later de universiteit naar hem is genoemd en een museum aan hem is gewijd.

‘Nee, mijnheer, voor het museum moet u de trap op’, wijst de hulpvaardige vrouw aan de Ul Sakko i Vanzetti, waar het Gagarin Museum is gevestigd. Boven zijn twee ruimtes. Het valt me tegen. Had het uitgebreider en indrukwekkender verwacht. De grote zaal wordt gedomineerd door een enorme (vergader)tafel, met daarop schaalmodellen (?) van raketten en vliegtuigen. Eén wand wordt ingenomen door een reusachtig heroïsch schilderij van Gagarin, aan de overige muren hangen foto’s en documenten. In een hoek staat een etalagepop. In het kleinere zaaltje staat een maquette en ook hier veel foto’s, boeken en documenten. En alles in het Russisch.
Als ik de grote, duistere zaal binnenstap, komt er een vrouw vanuit een kantoortje achterin naar me toe. Ze wijst trots op al het uitgestalde en maakt duidelijk dat het museum gratis is. Bij een van de borden aan de wand begint ze uitgebreid aan te wijzen en van alles te vertellen, tot ik haar duidelijk maak geen Russisch te verstaan (en eigenlijk ook niet in ruimtevaart ben geïnteresseerd, maar dat zeg ik er niet bij). Ik maak een gebaar dat ik zelf wel even rondkijk.

Ze doet de lichten voor me aan (…) en verdwijnt weer in haar kantoortje. Voor de vorm maak ik beleefd een rondje en vraag haar dan de weg naar het Saratov State Museum of Military Glory. Met het door haar getekende plattegrondje verlaat ik het pand, natuurlijk niet nadat ik haar vriendelijk bedankt heb en gecomplimenteerd met de tentoonstelling. ‘Dàààg, museum!’

A27

Claire-mijn-Garminnetje heeft het weer moeilijk hoor als ik haar de opdracht geef me van het Kazachstaanse Atyrau naar het Russische Astrakan te brengen. Grensoverschrijdend rekenen in deze gebieden is niet haar sterkste kant, want na erg lang puzzelen wil ze me op pad sturen om na 5775 kilometer Astrakan te bereiken. Nu had ik op de kaart uitgevlooid, dat het maar 300 kilometer is van Atyrau naar Astrakan over de A27. Ik negeer Claire, ga die A27 op en volg de borden.

Zo tevreden als ik was over de eerder door mij gereden A28*), zo ontevreden ben ik over de A27. Wat een takke-tering-pleuris-tyfusweg is dat! Hij is tweebaans, maar dan wel zo breed als bij ons in Nederland anderhalve rijstrook op een provinciale weg. Geen probleem, die breedte, maar hij is slecht, met geen pen te beschrijven zo slecht. Ik heb in de voorbije 36.000 kilometer op heel wat slechte wegen gereden, maar deze A27 staat absoluut in de top 3. De gaten in de weg zijn zo talrijk, zo groot en zo diep, dat ik er met een snelheid van ten hoogste 20 km/uur (maar dat is top en rijd ik zelden) overheen kan. Samen met mijn medeweggebruikers zwabber ik over die weg om de ergste putten te ontwijken. Samen met mijn medeweggebruikers rijd ik stapvoets door een dorpje, omdat daar het wegdek helemaal ontbreekt. Vaak is het door het verkeer in het verleden gevormde zandpad naast de weg nog beter te berijden. Ook de vele vrachtwagens slingeren met een bijna stapvoets gangetje over die A27 en dwingen me regelmatig (zij zijn groot en ik ben klein) flink uit te wijken. En dan knal ik -hoe zacht en voorzichtig ik ook rijd en afrem- in een put. En dan sta ik weer stil langs de kant van de weg met knipperende lichten omdat de brandstoftoevoer is onderbroken. Ik kan me nog goed herinneren hoe ik, maanden geleden, bij de eerste keer dat me dat overkwam, moeite had dat resetknopje te vinden.**) Inmiddels ben ik ervaringsdeskundige geworden: achttien keer heb ik vandaag knipperend langs de weg gestaan!

Ik begin me te ergeren, rook te veel en snoep te veel. Claire-mijn-Garminnetje dondert uit haar steun (kan ik daar weer voor stoppen) en de ster in mijn voorruit wordt bij weer zo’n dreun een lange scheur. En geen levende ziel te bekennen langs die weg, dus ook geen stopplaats, laat staan een restaurantje. Uit pure frustratie vreet ik twee pakjes Tuc op. Ik kan je verzekeren, dat 300 kilometer verschrikkelijk lang is als je op zo’n manier moet rijden

Ik ben dan ook als een kind zo blij als ik het grote blauwe bord langs de kant van de weg zie staan met de mededeling dat ik de Border Zone binnenrijd. Bij een van de vele tankstations gooi ik meteen mijn tank vol. Scheelt toch dertig cent per liter als ik hier nog tank in vergelijking met Rusland (ja, Frits gaat nog op de centjes letten op z’n ouwe dag…). Bij het tankstation vraag ik hoe ver het nog is tot de grens. Vijftig kilometer, krijg ik als antwoord. Ik meen het verkeerd te hebben verstaan (ze bedoelen natuurlijk 15 kilometer), maar het meisje bij de kassa laat het op haar rekenmachientje zien: 50 kilometer!

Was die eerste 250 kilometer op de A27 al bar slecht en zou je denken, dat het niet slechter kan, dan heb je het mis. Die laatste 50 kilometer bestaat het ‘wegdek’ uit aangereden puin en zand met hier en daar een flard asfalt. En er lijkt geen einde aan te komen.
Doodmoe van dat zwabberend kuilen ontwijken en het geconcentreerd rijden, bereik ik de grenspost en rijd na twee uurtjes formaliteiten Rusland binnen.

Ik hoor het je zeggen: ‘Als het allemaal zo slecht was, waarom ben je dan niet gestopt? Waarom heb je over die verschrikkelijke A27 dan geen twee, voor mijn part drie dagen gedaan? Alle tijd toch?’
Een terechte opmerking. Heb ik ook meerdere malen serieus overwogen. Maar er waren domweg geen stopplaatsen voor een overnachting of ik had aan de kant van de weg moeten gaan staan. En bovendien, bedacht ik: ‘Dit barre wegdek kan toch geen 300 kilometer zo blijven? Je zal zien: straks wordt het beter. Het bestaat toch niet, de A27, de hoofdweg Kazachstan uit, dat dit zo blijft?’ Nou, het bestaat dus wel.
Maar -ondanks die vaginaweg en dus die vermoeiende testikeldag- ben ik weer in Rusland. En in Europa.

*) (her)lees: A28            **) (her)lees: Auto-elektronica

OVERNACHTING #139

Truckershulp

Claire-mijn-Garminnetje heeft behoorlijk wat moeite een route te berekenen van Rusland terug naar Kazachstan. Als ik haar mijn waypoint in Kazachstan opgeef, staat zij een hele poos te ‘zagen’ tot ze bij de 80% is en zegt dan: ‘Ga naar de dichtstbijzijnde weg’.
‘Maar ik rijd op die weg, stomme …’, nee, dat mag ik niet zeggen. Per slot van rekening heeft mijn trouwe navigatievriendinnetje me inmiddels 33.000 km keurig de weg gewezen, ook en zelfs op plaatsen waar ik zelf niet eens iets zag dat op een weg leek. Dus, don’t blame the navigator! *) Maar ja, ik moet wel weer ouderwets aan de slag met de wegenkaart. Ik stippel een route uit en noteer op een spiekbriefje de plaatsnamen onderweg. Jammer alleen, dat de plaatsnaamborden in dit gedeelte van Rusland alleen in het Cyrillisch staan genoteerd, terwijl op de wegenkaart de Europese schrijfwijze staat. Ik kom er niet goed uit.

De chauffeur van de vrachtwagen, naast wie ik gestopt ben op de parkeerplaats, heeft net zijn tanden gepoetst en zich gewassen en staat zich -als ik naar hem toe loop- af te drogen. Ik leg hem uit naar Aktobe in Kazachstan te willen en vertel dat ik op weg ben naar de grens in de richting van Magnitogorsk. Nou, dat moet ik vooral niet doen, want dat is een omweg, zegt-ie. Omstandig begint hij me uit te leggen dat er een prima kortere weg is. Jammer genoeg spreekt hij alleen Russisch en ik maak hem duidelijk het niet te kunnen volgen. ‘Wacht maar even’, zegt-ie (denk ik). Hij klautert in zijn cabine, pakt daar een pen en een schrift en tekent op een leeg blaadje de hele route voor me uit, compleet met de namen van de steden onderweg en de onderlinge afstanden. Helaas beheerst hij niet het Europese schrift en alle aanwijzingen zijn dan ook in het Cyrillisch. Ik kijk hem vertwijfeld aan en haal niet begrijpend mijn schouders op. ‘Weet je wat?’, denk ik dat hij zegt, ‘ik stond toch op het punt te starten, dus rijd maar achter mij aan!’

Na een kilometer of twintig zet hij zijn truck vlak voor een afslag aan de kant. Hij stapt uit, komt met het schrift in zijn hand naar me toe en maakt een nieuwe tekening hoe ik vanaf hier moet rijden. Ik bedank hem hartelijk. Hij gaat rechtdoor, ik neem de afslag, niet met de vlam in de pijp, maar met een verse sigaar.

*) Overigens hangt Claire-mijn-Garminnetje tijdens het rijden al twee weken aan het 220V-infuus. De 12V-aansluiting ‘ergens in het dashboard’ is waarschijnlijk losgetrild. Tsja, wat trilt er eigenlijk niet los?

Laat controleren motor

Laat controleren motor? Hè? Dat hadden ze bij de Fiatdealer in Solontsi toch gedaan? Of niet? Of niet voor 100%?
In ieder geval krijg ik vanmorgen die melding weer als ik start en heeft de motor weer kuren. Dezelfde als twee dagen geleden: niet accelereren, in de automatische versnelling niet hoger dan in de vierde en de snelheid hooguit 80 kilometer per uur. Als ik op een bord zie staan, dat er een kilometer lange helling van 7% voor me ligt, houd ik mijn hart vast. En ja hoor: met 40, hooguit 50 kilometer per uur kruip ik -net als een paar dagen geleden- tegen die helling op. Nog 900 kilometer te gaan tot de grens met Kazachstan. Dat schiet lekker op als dit zo blijft.

Bij een van de wegwerkzaamheden waar ik voor het verkeerslicht moet wachten, zet ik de motor uit. Als het licht groen wordt, start ik en het motortje gedraagt zich normaal. Dat denk en hoop ik tenminste, maar echt vertrouwen doe ik het niet. Ik blijf netjes en veilig tussen de 50 en 70 kilometer per uur tussen de vrachtwagens rijden, durf niet in te halen, bang dat ik het niet haal en mezelf in situaties breng die onveilig zijn. Alleen bij hoge uitzondering, als ik goed zicht heb en er in de verste verte geen tegenligger aankomt, durf ik in te halen. Met weemoed denk ik aan gisteren toen ik met 110, 120 kilometer per uur lekker kon opschieten. Nu tuttel ik met de helft van die snelheid tussen de vrachtwagens, me tandenknarsend verbijtend op iedereen die me inhaalt. Alles lijkt weliswaar weer in orde, maar ik blijf toch voor de zekerheid op een gegeven moment maar achter Herr-Schmitz-mit Anhänger rijden. Een dikke vrachtwagen naar mijn hart, want die rijdt met een gangetje van 90 tot 100 km per uur in ieder geval lekker door.

Na de koffiestop kom ik al snel terecht op een mooie, nog bijna maagdelijk zwarte vierbaans asfaltweg. Volgens de borden mag ik hier 130. Ik tik mijn cruise control (ook even in orde laten maken bij de Fiat) op 120. Hard zat en het schiet voldoende op. Het motorlampje brandt nog wel een poosje, maar gaat dan uit. Maar volgens Ducato-genoot Harrie hoef ik me daar geen zorgen om te maken. Toch?

OVERNACHTING #110

Er ontbreekt maar één letter, anders had ik bij mijn naamgenoot overnacht.

 

Sasha

Op zoek naar een plek om te overnachten, heb ik de hoofdweg verlaten. Na een kilometer of tien rijd ik door een zeer langgerekt dorp, daarna gaat het asfalt over in een onverharde weg en tenslotte houdt de weg op aan de rand van een bos. Einde van de wereld. Althans voor m’n bussie.
Op een grasveld met stapels boomstammen bij één van de laatste huizen parkeer ik. Ik kijk om me heen: prima rustige plek, tenminste als de bewoners van dat huis geen bezwaar maken. Ik loop er naartoe, klop op deuren en ramen, maar er komt geen reactie. Ik sta nog een beetje bij dat huis te dralen als er achter me een auto stopt en toetert. Ik loop er heen.

Wat ik hier doe, of er iets aan de hand is en of ze kan helpen, vraagt de vrouw, die zich voorstelt als Sasha. Tenminste, ik vermoed  dat ze dat vraagt, want mijn Russisch is na zeven weken nog steeds ontoereikend om een gesprek te voeren en het Engels van Sasha is wel heel erg malinka en haar Duits nog veel minder. Met Google Translate komen we er uit.
Als het haar duidelijk is, dat ik een plekje zoek om te overnachten, trekt ze een bedenkelijk gezicht. ‘Hier? Overnachten? Da’s niks hoor. Rijd maar achter mij aan, eh… Friets’, gebaarzegt ze. Tsja, wat moet ik? Eigenlijk was ik wel tevreden over dit plekje, maar -braaf als ik ben- volg ik Sasha, die met een behoorlijk gangetje terug rijdt naar het dorp, daar kris-kras wat onverharde weggetjes inslaat en uiteindelijk stopt naast een huis.

‘Dit is mijn doma‘, maakt ze me duidelijk, ‘en als je wilt kun je vannacht binnen op de bank slapen.’ Ik haast me haar duidelijk te maken, dat ik mijn eigen ‘huis’ bij me heb en laat haar mijn interieur zien. Had ze het toch niet helemaal begrepen daar aan die bosrand.
Ze staat me net te vertellen, dat die twee meisjes, die verlegen-nieuwsgierig komen kijken, haar dochters zijn en dat haar man nu arbeitet, maar straks thuis komt, als de buurman van schuin tegenover zich bij ons voegt. Hij zet zijn spa tegen de schutting, geeft me een vuile hand en stelt zich voor, waarna Sasha hem uitlegt (vermoed ik maar weer), dat ik bij haar voor de deur overnacht.
Dat bevalt hem niks. Veel te gevaarlijk. Nee, ik kan beter bij hem op het erf komen staan, veilig achter een schutting. Ik had net een kop koffie gemaakt, geef die aan Sasha met de mededeling dat ik mijn mok straks bij haar kom ophalen en dat ik dan ook -als zij het goed vindt- een foto van haar wil maken voor bij het verhaal op mijn website.

Veilig op het rommelige erf van Roma stel ik vast dat hier vijf honden rondscharrelen, waarvan één (maatje Sint Bernhard) gelukkig aan de ketting ligt. Bij Sasha waren dat er maar drie…

Als ik op mijn nieuwe plek sta en weer heb ‘ingericht’, loop ik -zoals beloofd- nog even terug naar het huis van Sasha om mijn mok op te halen, een foto te maken en haar vooral te bedanken voor haar hulp. Op mijn geklop op de deur van de schutting komt ze naar buiten. En kijk nou: in die tien minuten dat ik naar de overburen ben gegaan, heeft ze zich opgemaakt, heur haar geborsteld en opgestoken. Unbeschreiblich weiblich… (maar wel weer een lief pareltje aan de Russische ketting).

Roma is zo’n ander pareltje. Als ik hem ’s avonds vraag of ik drinkwater bij hem kan tanken –drink-water, Roma, benadruk ik- zegt-ie me de vulopening van slot te doen. Op de zanderige grond van het erf ligt een dikke zwarte slang. Hij trekt die slang door het zand en het onkruid naar zich toe, steekt hem in de vulopening en loopt dan naar de muur van de schuur. Daar zit een half-open, kapot stopcontact. Als hij de stekker er in steekt, vonkt het en hoor ik binnen een pomp aanslaan. Het gaat allemaal zo snel, dat ik geen tijd heb om in te grijpen. Als de tank langzaam volloopt, realiseer ik me dat die zwarte slang hier natuurlijk altijd de hele dag gewoon op dat erf ligt. Ook vandaag was het weer 28 graden… En maak ik niet -als ik zelf tank- het laatste stuk van de slang zorgvuldig schoon? En laat ik dan ook niet een paar minuten het water doorlopen voor ik zo’n ‘vreemde’ slang in de vulopening steek? En waar komt dat water eigenlijk vandaan, dat Roma oppompt? Natuurlijk had ik kunnen ingrijpen en na een liter of tien kunnen zeggen, dat het voldoende is. Weet hij veel? Aan de andere kant: ik tank nu al zeven weken Russisch water en ben nog maar één keer ‘aan de race’ geweest. Mijn voorraadje immodium is nog onaangeroerd en zelfs van de vijf flesjes desinfecterend middel is nog geen druppel aan mijn drinkwatertank toegevoegd. Spasiba, Roma, dat ik weer een volle tank wada heb. En of het gevolgen heeft, merken we overmorgen wel.

‘Waarom kom je eigenlijk helemaal naar ons dorp?’, had Sasha eerder die middag verbaasd aan me gevraagd. Ik moest het antwoord schuldig blijven. Deels door de taalbarrière, maar ook als we elkaar goed zouden verstaan, zou ik het niet kunnen uitleggen. Gewoon een afslagje genomen, gewoon een eind het binnenland ingereden, niks gepland en dat leidt dan tot een ongewone overnachting. Waarom? Geen idee. Zo werkt dat bij mij als ik on the move ben.

OVERNACHTING #60

Brood-nodig #2

Wat een schitterende, mooie, prachtige, super-de-luxe overnachtingsplek hadden we gisteren gevonden: op een soort ‘Alpenweitje’ met een goede, harde ondergrond en uitzicht op een gletsjer. Ik had m’n bussie zo dicht mogelijk langs de rand geparkeerd. Een tikkeltje schuin, maar daar had ik mijn hydraulische pootjes voor.

’s Nachts begon het te waaien en te regenen. En niet zo’n beetje. Onrustig lag ik in mijn bed en hoorde de regen op het dak kletteren.
‘Als het nou maar niet harder gaat regenen, want dan vind ik het niet leuk meer’, dacht ik.
‘Het regent nog steeds’, doemdacht ik een half uur later, ‘als het nou maar niet te drassig wordt.’
‘Gelukkig’, woelde ik een uurtje later, ‘het is gestopt met regenen. Het zal mij benieuwen hoe het terrein er uitziet als het licht wordt.’
‘Waarom moest ik eigenlijk zo dicht bij dat randje gaan staan?’, stompte ik mijn kussen, ‘straks is het zo glad en glibberig geworden, dat ik dat bussie van me niet kan houden en glijd ik zo de diepte in.’
‘Lig nou niet zo te piekeren’, suste ik mezelf in onrustige slaap, ‘je zal zien, straks als het ochtend is…’

Maar wat ik vanmorgen zag, deed me huiveren. Ik zag namelijk helemaal niks. Het was in de loop van de vroege morgen weliswaar gestopt met regenen, maar die regen was overgegaan in sneeuw.
Onvoorstelbaar: toen ik hier gisteren aankwam, liep ik heerlijk in het zonnetje op blote voeten en een dito bovenlijf rond m’n bussie te genieten van het prachtige weer. En nu, de volgende morgen? Ik word er niet geruster op dat ik hier makkelijk wegkom.

‘We gaan het proberen’, melden de campervrinden.
Door mijn zijraampje zie ik de Vogelwaarders -die iets hoger hadden geparkeerd- gerieflijk naar boven rijden. Dat geeft de burger moed en ook ik zet m’n bussie in beweging. Het gaat goed tot zo’n metertje voor ik de wat vastere grond zou bereiken. Dan beginnen mijn wielen te slippen. Einde oefening. Ik wurm nog wat voor- en achteruit, maar blijf uiteindelijk bijna bovenaan het hellinkje steken.

Er zit niks anders op dan boven naar de weg te lopen en daar een passerende auto aan te houden, die bereid is mij uit de prut te slepen of hulp te gaan halen. Een passerende auto? Op zo’n zes kilometer van dat ‘grenshek’? Op de A-333, waar maar heel sporadisch verkeer langs komt? Gemiddeld een keer per kwartier passeert er een auto, maar die zijn ongeschikt om mij te slepen of rijden de verkeerde (=onbewoonde) kant op.

Tot -na een krap uurtje- er een ‘broodje’ door de bocht komt aanzetten. Hevig met mijn armen zwaaiend verzoek ik hem te stoppen en leg de mannen mijn benarde situatie uit. En natuurlijk (Russen, nietwaar?) zijn ze meteen bereid mij te helpen en binnen de kortste keren hebben ze me richting asfalt gesleept.

Het meeste oponthoud tijdens deze manoeuvre wordt nog door mezelf veroorzaakt. Want (nieuwe bus), waar ligt in vredesnaam dat sleepoog? En waar heb ik ook alweer mijn sleepkabel opgeborgen? Dat sleepoog zit natuurlijk gewoon in het gereedschapspakket van de Fiat en de sleepkabel hebben de twee broodjes tijdens mijn zoeken al gemaakt door van een grote rol gevlochten ijzerdraad een flink stuk af te knippen.

Ik kan weer on the move. Vanavond maar op vastere grond slapen…

(more or less) Translate »