2019 Camper Ierland

♣ Verhalen met video

On the move

Ik kan weer on-the-move.
Ik ben nog nooit zo lang thuis geweest tussen twee reizen, maar dat heeft natuurlijk ales te maken met de twee enorme reparatieklussen bij Fiat en Camperbouw Holland om alle mankementen op te lossen na mijn trip door Eurazië. Dat bussie van me is nu weer praktisch als nieuw, dus wegwezen!

Naar Ierland om precies te zijn, waar een groot deel van mijn reis langs de Wild Atlantic Way zal voeren. Vanuit het Franse Cherbourg vaart een ferry rechtstreeks naar Rosslare in Ierland. Die veerboot vertrekt zondagmiddag. Ik kan niet wachten om te vertrekken en op vrijdag rijd ik dan ook mijn durpie al uit. Zeshonderd kilometer naar Cherbourg: ik hoef me niet te haasten.

Doe ik ook niet. Eenmaal een stukje in Frankrijk zet ik Claire-mijn-Garminnetje op ‘kortste route’ en ‘snelwegen vermijden’. Heerlijk om weer binnendoor door Noord Frankrijk te tuttelen. Heerlijk om door al die grote en kleine dorpjes te rijden.
Vanwege het onthaasten, stop ik halverwege de middag al, richt me in voor de nacht, drink koffie met koek-van-het-thuisfront, lees mijn krantje en doe verder niet veel. Heerlijk: dag 1 en ik geniet nu al!

Bewegende beelden

12 april 2019
Doullens, langs de 925
N 50 08.717 E 2 15.822
Dagteller: 307
Tripteller: 307

13 april 2019
Pont Hebert
N 49 11.361 E 1 11.303
Dagteller: 339
Tripteller: 646

The end

27 mei 2019
Goudswaard
N 51 47.604 E 4 17.038
Dagteller: 313
Tripteller: 6975

De laatste pondjes

Precies volgens schema (als ik al een schema had) rijd ik klokslag twaalf uur de terminal van P&O in Dover op. Ik heb me voorgenomen hier te overnachten en me rustig ‘voor te bereiden’ op de overtocht naar het vasteland. Keurig volg ik dan ook de borden naar de carparking. Toch niet keurig genoeg, want op een gegeven moment sta ik in de lane voor de douane. Afslagje gemist en terug kan niet. Ik zet m’n bussie zo’n honderd meter voor de douanepost aan de kant. Onmiddellijk -logisch toch?- komt er een politie-agente op me af. Wat de bedoeling is, vraagt ze. Ik leg haar uit dat ik op de terminal verkeerd ben gereden, dat ik pas voor morgenochtend een overtocht heb geboekt en vraag haar hoe ik op de parkeerplaats moet komen. ‘U wilt hier overnight parkeren?’, zegt ze, ‘dat mag helemaal niet. Overal op de terminal mag u niet langer dan twee uur parkeren. Maar weet u wat? Rijd gewoon door naar de paspoortcontrole, leg uw probleem uit en ga na de controle naar de check-in van P&O. Misschien -als u geluk hebt- kunt u met een eerdere overtocht mee en zo niet dan wijzen ze u daar wel hoe u naar de exit moet rijden.’

‘Natuurlijk kunt u nog mee’, zegt de P&O-inchecklady vanachter haar loketje, ‘als het u tenminste een extra £ 61 waard is. Er is nog plaats op de eerstvolgende afvaart van vijf voor een.’ Ik kijk op mijn horloge: het is kwart over twaalf.
En dus (…) rijd ik om half een de veerboot op. En zit ik nog voor we de haven verlaten aan mijn laatste Engelse maaltijd*). En dus ben ik vijf kwartier later in Calais.

En wat een brede wegen in dat Frankrijk! En ik mag 130! Dat doe ik niet, maar ik trap dat bussie wel even lekker op z’n staart. ‘Moet dat nou zo hard?’, placht mijn moeder in zo’n geval aan mijn vader te vragen. ‘Ja dat moet’, was altijd zijn vaste antwoord. ‘Effe roeten. Da’s goed voor de motor.’

Omdat ik geen zin heb te overnachten op zo’n bomvolle, vaak smerige Franse air, neem ik de afslag naar Thétegem**). Met wat zoeken kom ik bij een klein parkje terecht. En kijk: ik ben in Frankrijk hoor. Tegenover mijn geparkeerde bussie is een groepje mensen gezellig aan het jeu-de-boulen…

*) Slechte afsluiting van Ierland/Engeland. De fish & chips is bremzout, bijna niet te eten. Als ik daar een opmerking over maak, krijg ik mijn dessert gratis…

**) Ik ken minstens één thuisfront dat hierop als volgt zou reageren: ‘Overnachten? Om vier uur een plekje zoeken? Vanaf Calais is het -pak ‘m beet- een driehonderd kilometer naar huis. Rijd je om kwart over drie die veerboot af, ben je dus om een uur of zeven, half acht thuis. In je eigen bed. Overnachten…’

26 mei 2019
Thétegem-Coudekerque-Village
N 51 00.828 E 2 26.889
Dagteller: 312
Tripteller: 6662

(D)over en sluiten

En ineens is het dan over, ineens is het klaar. Hoef ik van het ene op het andere moment geen schitterende binnendoorweggetjes meer te rijden. Heb ik -hoewel het prachtig is om me heen- geen behoefte meer aan het fraaie, buitenlandse landschap. Ben ik klaar met lieflijke dorpjes, interessante steden, leuke bezienswaardigheden.

Eigenlijk overkomt me dat bij iedere reis die ik maak. ’t Komt op als kakken, zou mijn moeder zeggen. Dan word ik op een ochtend wakker en denk ineens: ‘Het is mooi geweest. Ik ga op huis aan.’ Twaalf april vertrok ik uit Nederland, een dikke zes weken zwierf ik door Ierland, Wales en Engeland. Anderhalve maand heb ik genoten, iedere dag weer. Nou ja, er waren een paar uitzonderingen, maar dat mag de pret niet drukken. En dan wil ik ineens naar huis. Wil ik de opgedane schade aan m’n bussie laten repareren. Wil ik mijn lijstje afwerken van kleine verbeteringen en aanvullingen. En mijn video’s monteren. Ga ik de krant weer lezen. Kijk ik weer naar het journaal. Weet ik weer wat er in de wereld omgaat, want dat is (uit vrije wil) helemaal aan me voorbij gegaan, de afgelopen weken. En zie ik mijn lot- en landgenoten weer, mijn thuisfronten.

Ik boek online de overtocht van Dover naar Calais op maandagmorgen om half negen. Morgen -zondag- op m’n dooie gemak dus naar Dover (want zo’n haast heb ik nou ook weer niet).

Titanic: herkansing

Bij mijn bezoek aan Belfast, de stad waar ooit tussen 1909 en 1911 de Titanic werd gebouwd, liet ik alle bezienswaardigheden over dit beroemde schip (letterlijk) links liggen. Nu ik in Southampton ben aangekomen, besluit ik deze beroemde oceaanstomer een tweede kans te geven. Want, net als Belfast, is Southampton onlosmakelijk verbonden met de Titanic, immers vanuit deze stad vertrok het schip voor haar maiden trip naar New York, een reis met een dramatische afloop (vraag het Leonardo DiCaprio en Kate Winslet maar).
Een museum en twee memorials houden de herinnering aan de Titanic levend. Ik parkeer early in the morning bij het SeaCity Museum, recht tegenover het East Park, waar de twee memorials zijn. Voor het te warm wordt om door het park te wandelen (ja, ja) ga ik eerst op zoek naar het Titanic Engineer’ Officers Memorial, opgericht in 1914, ter herinnering aan de bemanningsleden die de ramp niet hebben overleefd. Dat valt nog niet mee. Op een gegeven moment volg ik het bordje naar dat memorial: nog slechts twee minuten lopen. Na die twee minuten staat er weer een bordje: het verwijst naar de kant waar ik net vandaan kom: twee minuten lopen naar het memorial… Maar ik heb het gevonden: stond er even geen bordje bij een zijpaadje.
Een stukje verderop moet het Titanic Musicians’ Memorial zijn ter nagedachtenis aan de leden van het scheepsorkest die bleven doorspelen tot de Titanic uiteindelijk zonk. Het is een replica uit 1990, want het originele monument werd in 1940 bij een bombardement van de Luftwaffe vernietigd. Ik kan het niet vinden. Ik vraag het diverse parkwandelaars, maar krijg steeds min of meer hetzelfde antwoord: ‘Het Musicans’ Memorial? Geen idee. En dat zou hier in de buurt moeten staan? Ik woon weliswaar hier, maar het Musicans’ Memorial…’ Er zit een half blote man van het ochtendzonnetje te genieten. ‘Geen wonder dat je het niet kunt vinden’, zegt-ie, ‘je moet naar de rand van het park lopen, even verderop, en dan bij de verkeerslichten op de junction oversteken. Daar staat een wit gebouw van Paris Smith en onderaan op de gevel zit een plaquette. Je moet het weten, anders loop je er zo aan voorbij. En die plaquette, that’s all! Enjoy!.’ Nog voor ik een stap in de juiste richting heb gezet, leunt-ie alweer achterover op het bankje en doet zijn ogen dicht.

In het SeaCity Museum loop ik de boeiende route met alle wetenswaardigheden over de Titanic. Wat me het meest opvalt, is dat maar liefst meer dan vijfhonderd huishoudens in deze stad getroffen werden door het verlies van een familielid, dat aan boord werkte en bij de ramp omkwam. Wat ik niet kan vinden, is het schaalmodel, dat hier volgens de website van het museum in een vitrine moet staan. Ik schiet maar weer eens iemand aan. ‘Die website’, zegt de man, vaste bezoeker van het museum, ‘die website is misleidend. Ze suggereren dat hier de Titanic zou staan, maar da’s niet waar. Het is de Queen Mary. Zal ik u erheen brengen?’ Een paar zalen verder sta ik bij de vitrine van het schaalmodel van een stoomschip. Ik laat me op de foto zetten. Weten ze veel, die thuisfronten, dat ik bij het ‘verkeerde’ schip sta?.

Er is nog wel meer Tietanieks te zien in Southampton, maar ik vind het wel genoeg, deze ochtendwandeling door het park en het bezoek aan het museum. Ik heb mijn ‘verzuim’ in Belfast meer dan voldoende gecompenseerd. Ik wandel terug naar m’n bussie en ga weer on the move.

Zojuist dit verhaal herlezen. ’t Is wel heel erg gortdroog en informatief, met jaartallen en feitjes. Je zou het schoolmeesterig kunnen noemen. Nou ja, voor een keertje…

25 mei 2019
Lower Farringdon
N 51 06.867 W 0 59.715
Dagteller: 65
Tripteller: 6350

Van m’n geloof af

Toen ik ooit mijn eerste autonavigatie kocht, koos ik bewust voor Garmin. Ik gebruik inmiddels mijn vierde exemplaar en ben meer dan tevreden over Claire-mijn-Garminnetje, die me de afgelopen jaren feilloos naar ieder muggenstrontje op de wereldkaart voerde. Garmin dus, en zeker niet de TomTom-concurrent. Heb ik ook nooit overwogen.

Door de laagstaande, felle zon en de hoek waarmee het zonlicht mijn cabine binnenvalt, is er niets, maar dan ook helemaal niets te zien op het scherm van mijn Garmin. Bij de aankoop van m’n bussie was een TomTom inbegrepen. Niet dat ik die wilde, maar het was nu eenmaal een package deal. ‘Vooruit dan maar’, had ik tegen de dealer gezegd, ‘gebruiken ga ik die TomTom toch niet, want ik heb een perfecte Garmin, hè?’
Omdat het wel erg lastig navigeren is, alleen op de spraakaanwijzingen van Claire-mijn-Garminnetje, draai ik een parkeervak in langs de A35 en… zet de ingebouwde TomTom aan. Ik kan bijna niet geloven, dat ik dat doe. Maar kijk, als ik mijn eindbestemming voor vandaag heb geprogrammeerd, staat mijn route haarscherp op de display. De TomTom staat nog op kilometers. Handig toch wel (dat ik het uit mijn strot krijg!) om de afstand tot een volgende aanwijzing op het TomTom-schermpje in kilometers te zien. Claire laat ik op miles staan. Da’s dan weer handig om te zien wat de toegestane maximum snelheid is. En zo rijd ik -met twee schermpjes boven elkaar- een ‘vergelijkend warenonderzoek’. Ik moet toegeven…

Het is trouwens behoorlijk druk op de weg vandaag. Niet op weggetjes als hierboven (gelukkig niet), maar wel op de A-wegen met dubbele rijstroken. Dat heeft te maken met (alweer) een Bank Holiday. Hoeveel Bank Holidays hebben die Britten eigenlijk? Dit is -sinds ik van huis ging- het vierde lange weekeinde al met een vrije maandag. Met het vooruitzicht van een paar zonnige dagen trekken veel Britten er op uit. Nog niet eerder zag ik zoveel campers, caravans en auto’s met fietsen achterop en schoonmoederkoffers op het dak. Die drukte leidt regelmatig tot opstoppingen bij rotondes en verkeerslichten. Geen echt groot oponthoud, wel geconcentreerd rijden. Ik ben dan ook blij als het echtpaar Claire & Tom meldt dat ik de eindbestemming heb bereikt: Brockenhurst, a magical village in the heart of the New Forest. Ik parkeer in het stadje, gebruik er de lunch en ga daarna op zoek naar een overnachtingsplek.

‘We are fully booked, dear’, zegt Gill bij de receptie van de Long Meadow Campsite even buiten Brockenhurst, ‘het is Bank Holiday weet je en ons terrein ziet er nu nog wel heel verlaten uit, maar in de loop van de middag stroomt het vol.’ Er komt een man het kantoortje binnen. ‘Hoeveel nachten wil mijnheer hier blijven?’, vraagt-ie aan Gill. ‘Eentje maar? Kijk eens of we een pitch hebben waarvan de gasten pas morgen arriveren. Misschien is mijnheer lucky.’ En dat is mijnheer: pitch 43 is vannacht nog beschikbaar. Gill gaat me voor over een enorm, totaal verlaten veld en toont me waar ik kan staan. Verwonderd kijk ik om me heen naar de leegte van het veld. ‘Wacht maar af tot vanavond’, zegt Gill, ‘have a pleasant stay!’

24 mei 2019
Long Meadow Campsite
N 50 50.203 W 1 35.101
Dagteller: 234
Tripteller: 6285

Pastachoca

Het is al een paar dagen heerlijk weer met middagtemperaturen dik boven de twintig graden. In het ‘koekvak’ (het kastje vlak onder het dak van m’n bussie) ontdek ik helemaal achterin nog een pak Scholiertjes. Het karton gaat er nog makkelijk af, maar de cellofaanverpakking zit helemaal vastgekoekt aan de bovenste laag koekjes. En die koekjes zelf zitten weer per drie aan elkaar gesmolten. Lekker hoor: met bruine, kleverige vingers werk ik die koekjes naar binnen. Pastachoca-scholiertjes! Nog een geluk, dat de thuisfront-paaseitjes een poosje geleden al op waren…

Drie keer scheepsrecht

Ik heb het naar mijn zin als ik in Tavistock bij de Lidl mijn boodschappenmandje vul. Bij het saladeschap (!) spreekt een vrouw op leeftijd me vriendelijk aan. Het doet haar goed me zo vrolijk te zien, zegt ze.
Even later kom ik haar en haar man weer tegen in een ander pad van de winkel. ‘In Nederland’, zeg ik, ‘hebben we een gezegde. Als mensen elkaar twee keer kort achter elkaar tegenkomen, zeggen ze: de derde keer wordt het trakteren.’
Als ik met mijn boodschappen naar buiten stap, staat de man daar die zojuist zijn boodschappenkar heeft teruggezet. Zijn vrouw zit al in de auto. ‘Dit is dus de derde keer’, zeg ik. ‘En weet u wat nou zo leuk is?’, antwoordt de man, ‘wij staan naast uw motorhome geparkeerd. Ik herkende u aan de sticker op de zijkant.’ Samen lopen we het parkeerterrein over naar ‘ons’ hoekje. Ik herinner de twee aan het Nederlandse gezegde, zeg dat ik dus moet trakteren en vraag of ze misschien trek hebben in een kop koffie. Ik had niet verwacht dat ze op die uitnodiging zouden ingaan, maar tot mijn verbazing reageren ze positief. ‘Koek erbij?’, vraag ik met het pak Bastogne al in mijn handen. Dat willen ze niet. De vrouw opent hun kofferdeksel en graait tussen haar zojuist gekochte  boodschappen een zak donuts tevoorschijn. Staan we daar vijf minuten later ieder met een beker Ierse oploskoffie, met melkpoeder uit Wales en een donut van de plaatselijke Lidl

Devon

Het is mooi hoor, Devon, mij hoor je niet klagen. Glooiende heuvels, slingerende wegen, stadjes, dorpjes en uitgebreid akkerland. Maar het is wel allemaal heel erg keurigjes, met keurige huizen, keurig onderhouden akkers en weilanden en keurige stadjes. Ik rijd door de plaatsen Minehead, Okehampton, Tavistock en het Dartmoor National Park. Nogmaals: mooi, maar ik mis de ruigte. De ruigte van bijvoorbeeld Snowdonia in Wales, maar nog veel meer de adembenemende woestheid van de Ierse kust. Het is hier allemaal voor mijn doen te netjes, te aangeharkt.
En betrekkelijk weinig overnachtingsplekjes ‘in the wild’. Neem nou gisteren. Dik twee uur ben ik op zoek geweest naar een plekje voor de nacht. Overal langs de weg hekken of muurtjes en ook in de dorpjes die ik passeerde niets wat me kon bekoren. En als ik al wat zag, bleek het private te zijn en kreeg ik geen toestemming er te parkeren. Campings zijn er wel, maar als ik me bij de receptie meld, krijg ik te horen dat ze fully booked zijn. Uiteindelijk kwam ik gisteren dan terecht op de parkeerplaats van een inn. Dat had dan wel weer het voordeel van een pint Guinness en een gesprek aan de bar, maar dat compenseerde maar gedeeltelijk het lange zoeken.

Ik heb geen zin in een herhaling van gisteren: net na het middaguur zie ik even buiten Tavistock een bordje dat verwijst naar het Harford Bridge Holiday Park. Het is groot, alles erop en eraan, maar niet zo afgeladen druk als de campings die ik onderweg gezien heb. Ik krijg een lonely plekje toegewezen en pak de rest van de dag mijn rust.

23 mei 2019
Harford Bridge Holiday Park
N 50 34.216 W 4 06.746
Dagteller: 143
Tripteller: 6051

Alle zegen komt van boven

Bath, ik ben er geweest hoor en ik heb het gezien. De Koninklijke Baden (daarom zal het wel Bath heten…), de Abbey, de Pulteney Bridge, de kerk en de drukke en gezellige mainstreet, met de vele winkels. Maar geen foto gemaakt in dat Bath, want ik had mijn camera niet bij me toen ik aan de wandel ging. Wel mijn laptop, want die T-Mobile simcard wil nog steeds voor geen meter werken. Dus -zoals ik dat in Ierland ook al deed- moet er een Engelse simcard in mijn router. Eerst stap ik -tegen beter weten in- nog een piepklein winkeltje/werkplaats binnen, waar een bebaarde en getatoeëerde soldeerridder pogingen doet de heer T-Mobiel aan de praat te krijgen. Het lukt hem niet en zijn advies is een lokale simcard aan te schaffen. ‘Er is een telephoneshop in Mainstreet. Eerst hiervandaan een stukje downhill, dan uphill, daarna weer downhill tot je bij de abbey komt. Daar ga je rechtsaf en loop je zo Mainstreet in. En daar moet je het nog maar een keer vragen.’ Of het ver is naar die winkel, vraag ik. ‘Valt mee’, zegt-ie, ‘ik schat een kwartiertje.’
Nou, dat was even verkeerd ingeschat: pas na een half uur stevig doorstappen, zie ik de winkel van EE. Een kwartiertje later heb ik -£ 30 lichter- weer voor een maand internet.

En waarom heeft dit verhaaltje nu als titel: ‘Alle zegen komt van boven’?
Tsja, toen ik op de terugweg naar m’n geparkeerde bussie weer langs de kerk liep, vond een van de vele daar rondvliegende duiven het nodig pal boven mijn hoofd zijn/haar uitlaat open te zetten. De volledige bruin-witte smurrie van die f*cking pigeon kletterde over me heen. Fijn hoor: vanmorgen heerlijk gedoucht, mijn haren uitgebreid gewassen en schone kleren aangetrokken. Mijn shirt zit onder de strepen en zelfs over de laptop die ik onder mijn arm draag, druipen twee duivenstrontsporen. Terug in m’n bussie hang ik mijn shirt uit (dat kan vanavond de was in) en boen ik mijn pet schoon. Nog een geluk, dat ik die pet op mijn hoofd had. Is mijn haar tenminste schoon gebleven.

22 mei 2019
P A39
N 51 08.786 W 3 07.793
Dagteller: 229
Tripteller: 5908

Wandel-weer

Er rijdt geen openbaar vervoer van de camping naar het centrum van Cardiff. Geen probleem volgens Oliver van de receptie: ‘Het is lekker weer, Frits. It’s a nice walk along the river and through the park and it only takes you twenty minutes (hij kijkt me even inschattend aan), let’s say thirty minutes to get to the Tourist Centre.’
Dus wandel ik langs de mooie rivier, loop ik door het ‘Kralingse Bos’ van Cardiff en meld me inderdaad na vijfentwintig minuten bij de Tourist Information in het Cardiff Castle. Ik ben van plan de Centenary Walk te lopen, een route van een dikke drie kilometer door het historische centrum van Cardiff. ‘Wat vervelend nou’, zeggen de twee vrouwen achter de balie, ‘we hebben geen folders over die route. Maar weet u wat: in the old library is ook een Tourist Office en daar kunnen ze u wel helpen. It’s a nice walk from here and will only take you, let’s say, fifteen minutes.

Rekken vol folders in the old library, maar geen enkele over de Centenary Walk. Er is ook niemand aanwezig. Bij de winkel van de bibliotheek weten ze me te vertellen, dat de medewerkster er om tien uur zal zijn. Ik strijk neer op een van de vele terrasjes in de straat, drink een dubbele espresso en meld me klokslag tien uur weer binnen. Nog steeds is er niemand. Ik dreutel nog een kwartiertje rond en besluit het dan op te geven. Terug bij het kasteel meld ik me weer aan de balie. Er zijn nu drie vrouwen die de toeristen te woord staan en verdraaid, de ‘nieuwe’ vrouw pakt van onder de toonbank onmiddellijk een folder van de wandeling! De twee andere vrouwen kijken me een beetje beschaamd aan en putten zich uit in excuses. Dankbaar pak ik de folder aan, maar dan wijzen ze me op de tekst op de kaft: het is een inkijkexemplaar en ze hebben geen tweede. Ik blader de folder snel door, haal de aparte plattegrond er uit en vraag of ze die dan even voor me kunnen kopiëren. Helaas hebben ze geen kopieerapparaat (…). ‘Dan teken ik hem wel na’, zeg ik, ‘heeft u een A4’tje en een pen voor me?’ Helaas hebben ze geen papier (…), maar een pen kan ik wel even lenen.
In het restaurantgedeelte bestel ik koffie en pak wat extra servetten. Ik teken de plattegrond op een servet na, werk de folder door en noteer de bezienswaardigheden. Als ik bijna klaar ben, staat de vrouw van de balie bij mijn tafeltje. Ze heeft een grote, witte A4-envelop bij zich en vraagt of ze me daarmee kan helpen. Ik wijs haar op mijn al gemaakte aantekeningen…

Eindelijk -twee uur nadat ik de camping heb verlaten- kan ik dan aan de wandel. En wat is het mooi, dat Cardiff. Wat een gezellige stad. Vanaf the old library, waar de route start (…), loop ik de eenenveertig bezienswaardigheden langs. De eerlijkheid gebiedt me te melden, dat ik nergens naar binnen ga en dat ik ook behoorlijke stukjes heb overgeslagen. Maar dat maakt het niet minder boeiend en gezellig.

Natuurlijk kom ik -bijna aan het einde- weer langs het Cardiff Castle. Daar hop ik de City Sightseeing coach in om me door Cardiff te laten rijden. Lekker wel: bovenin zitten en even drie kwartier niet wandelen. Bovendien krijg ik op die manier ook een wat breder beeld van de stad, dan alleen het oude centrum. Niet overal even fraai, maar bij welke stad is dat niet het geval?

Na de rondrit slenter ik naar de overdekte Cardiff Market, waar ik een verantwoorde, magere maaltijd bestel, die ik smakelijk naar binnen werk, gezeten aan een vette plank.*) Dan vind ik het genoeg geweest. So much for Cardiff. Terug naar de camping dus. Weer through the lovely park and along the river om te eindigen bij m’n (donkergrijze) bussie, dat de hele tijd volop in de zon heeft gestaan. Als ik naar binnen stap en op de thermometer kijk, is het dik 36 graden. Ik zet alles tegen elkaar open en trek een ijskoud blikje bitter lemon open.

Bewegende beelden

 

*) Leermomentje weer.
Op het schoolbord bij het eettentje stond bij de door mij gekozen maaltijd ‘+ Yorkshire Pudding!’. Met een uitroepteken nog wel. Als ik mijn bord leeg heb en dat bij de toonbank inlever, zeg ik dat ik nu mijn pudding wel wil hebben. ‘Die heeft u net op, sir. Dat was dat grote ronde ding dat op uw bord lag. Gemaakt van pannenkoekenbeslag. Een soort pasteitje’ ‘Waar die eh… gravy in zat. Dus eh… Yorkshire pudding is geen dessert?’ ‘No sir, Yorkshire pudding is eh…just Yorkshire pudding…’

Riddle

Gewoon, omdat ik door dit land toer en gewoon omdat het vroeger in het English Textbook stond, dat ik in groep acht gebruikte:

20 mei

Hieperdepiep!

20+21 mei 2019
Cardiff Caravan & Camping Park
N 51 29.358 W 3 11.844
Dagteller: 81
Tripteller: 5679

Vloeibaar goud

Zondagmorgen rijd ik om acht uur door Swansea. Het zal allemaal wel: geen behoefte aan een stad (ook al zou het later zijn geweest).

Zondagmorgen ben ik om half tien bij de Dan-Yr-Ogof Showcaves. Ongetwijfeld indrukwekkend, maar ik hoef even geen stalactieten en hun ‘stalagmitische tegenstaanders’.

Zondagmorgen tegen elven parkeer ik voor de deur van de Penderyn Distillery, home of the award winning Single Malt Welsh Whisky. ‘Als u zich haast’, zegt de vrouw achter de balie, ‘kunt u nog mee met mijn rondleiding van elf uur. Eigenlijk is die al volgeboekt, maar of ik mijn verhaal nou vertel voor twintig of voor eenentwintig mensen, dat maakt mij niet uit. Dus, vlug dan!’
Kijk, en daar heb ik nu wel zin in. Nooit van Penderyn gehoord (foei?), maar als na afloop de guide -aan wie ik verteld heb van peated whisky te houden- mij drie (3) drams inschenkt om het verschil te proeven, ben ik verkocht. Letterlijk ook: ik neem een voorschotje op mijn verjaardag en trakteer mezelf op een fles van dit -zo noemen ze het zelf- vloeibare goud uit Wales.

19 mei 2019
Penderyn Distillery
N 51 45.805 W 3 31.260
Dagteller: 147
Tripteller: 5598

Grumble!

Toevallig (nou niet zo toevallig) zat ik er een paar dagen geleden aan te denken, dat ik nu al zo’n vijf weken on the move ben en nog geen spatje schade heb gereden. Uitzonderlijk in mijn geval. Afkloppen op ongeverfd hout.

Het is een raar, smal laantje waar ik doorheen moet om de receptie van de camping te bereiken. Gekke plek voor het kantoortje. Rechts staat een laag gebouwtje, waar ik moet opletten dat de lage dakoverstek m’n bussie niet raakt. Bovendien staat er links een motormaaier in de weg. Dat wordt pielen. Constant in mijn spiegels kijkend, schuif ik dat laantje door. Als ik bijna op het eind ben, hoor ik aan mijn rechterkant een tik en een krassend geluid. Toch die lage dakgoot? Nee hoor: op de hoek van het gebouwtje hing zo’n haaks uit de muur komend tuincentrumgeval. Zo’n ding waar je een plant aan kunt ophangen. Weet ik hoe zoiets heet. En niet van plastic, dat plantenhangding, nee hoor: ijzer! Ik stap uit, loop om m’n bussie heen en zie een stevige beschadiging: een put en een lelijke, diepe kras. Er ontsnappen me een serie buitenkerkelijke verwensingen. Als ik stoom heb afgeblazen, draai ik -met aanwijzingen van een wit ketelpak dat een houten hek zit te tjetten- m’n bussie door de bocht.

‘Wat deed u nou?’, zegt de vrouw achter de balie, ‘rijdt u zomaar mijn plantenhanger krom! De meeste mensen rijden niet tot aan het kantoortje hoor. Die stoppen aan het begin van het straatje.’ Ik kijk haar aan: geen spoortje humor of vriendelijke spot te bekennen. Ik hou’ me in. Ik hou’ me nog meer in als ze me vertelt geen enkele pitch beschikbaar te hebben. ’t Is weekend, mijnheer.’

Schade gereden en dan nog een volle camping ook. Ik heb er danig de pest over in. Als ik dan ook op de A40 kort daarna rechts op een hoek een kerkje zie staan, draai ik dat weggetje in en parkeer pal langs de muur van het bijbehorende kerkhofje. Perfecte plek om te overnachten. Sluit helemaal aan bij mijn gevoel op dit moment: ik ben in een grafstemming!

18 mei 2019
A40
N 51 49.531 W 4 28.102
Dagteller: 112
Tripteller: 5451

Lachen…

In de pub waar ik de lunch gebruik, hangt een bord aan de muur.
Als ik de eigenaar er naar vraag, is zijn lachende antwoord: ‘Humor, sir. Humor uit Wales.’

Pembroke Castle

Op de grote parkeerplaats bij het Pembroke Castle zit ik -wachtend tot het kasteel open gaat- op mijn gemak in de deuropening van m’n bussie een kop koffie te drinken. Er komen twee seniors langs, die -dichterbij gekomen- met bewondering naar m’n bussie kijken. Ze blijven staan voor een praatje. Beiden hebben een plastic zakje met stukjes brood in hun hand.
‘Weet je wat dat is?’, zegt een van de twee, met een weids gebaar naar het grasveld wijzend. Er komt op dat moment een eend aangewaggeld, dus zo moeilijk lijkt me die vraag niet. ‘Da’s een eend’, zeg ik. ‘Nee, nee, nee, die duck bedoel ik niet. Ik bedoel die grote steen die daar in het gras staat. Weet je wat dat is, voor het geval je je afvraagt wat die steen daar doet.’ Ik weet het niet. ‘Kijk’, zegt-ie, ‘dat dacht ik al.’ Ze hebben ondertussen hun plastic zakjes open gemaakt en strooien brood naar de eenden. ‘Die steen, mijnheer’, gaat de man verder, ‘die steen hebben de Duitsers hier achtergelaten als herinnering, snap je? Dat ze hier geweest zijn.’ ‘En hebben jullie die steen dan niet weggehaald na de oorlog?’, vraag ik verbaasd. ‘Na de oorlog? Ha! Na de oorlog hebben we ze er achter mekaar uitgeschopt natuurlijk, maar die steen heeft niks met de oorlog te maken hoor. D’r was hier dertig jaar lang een Duits garnizoen gelegerd. Kijk het staat op dat bordje: van 1969 tot 1999. Nou en toen ze weggingen, gaven ze die steen als dank en herinnering, snapt u het nou? Voor het geval dat u het niet wist.’
De broodzakjes zijn inmiddels leeg en als ik op mijn horloge kijk, zie ik dat het kasteel inmiddels open is. ‘Je gaat ons kasteel bezoeken?’, zegt de man. ‘Dat was ik wel van plan’, zeg ik, ‘eh… is een beetje wat, dat castle?’ Hij kijkt even schuin omhoog waar de torens van het kasteel net boven de bomen uitsteken. Hij haalt zijn schouders op: ‘Ach, als je d’r een dak op legt en er ramen inzet, kan het nog wel wat worden.‘ Hij geeft me een joviale klap op mijn schouder, frommelt het lege broodzakje in de zak van zijn jasje en vervolgt zijn weg. Hij draait zich nog even om: ‘Nice talking to you!’

Bewegende beelden

Yr Eglwys Gadeiriol

A hithau’n sefyll ar benrhyn godidog yn Sir Benfro yn estyn allan i’r Iwerydd ar safle mynachlog gynharach o’r chweched ganrif a godwyd gan Ddewi Sant, nawddsant Cymru, mae Eglwys Gadeiriol Tyddewi wedi bod yn gyrchfan pererindod ac addoliad am dros 800 mlynedd. Heddiw mae’r adeilad ysblennydd hwn a godwyd er gogoniant i Dduw yn parhau i fod yn eglwys fyw, fyrlymus sy’n cynnig heddwch ar gyfer gweddi a defosiwn.

Interessante informatie, nietwaar? Zo steek je nog eens wat op over de heilige St David, de naar hem genoemde schitterende kathedraal in het gelijknamige stadje in Wales…

Bewegende beelden

17 mei 2019
Newgale Camp Site
(achter de stenen wal ligt de Atlantic…)
N 51 51.343 W 5 07.480
Dagteller: 132
Tripteller: 5339

Slow? Araf!

Een lieve vriendin van het thuisfront (in het straatje waar ik woon, om precies te zijn), die lieve vriendin dus, zelf Welsh, heeft me onlangs uitgebreide tips en ideeën gemaild om lekker door Wales te dwarrelen. Op de eerste dag ben ik al laaiend enthousiast.
Araf staat er meer dan regelmatig met koeien van letters op het wegdek. Nou, langzaam ga ik vanzelf wel. Is het niet vanwege de smalle weggetjes, met soms nog smallere bochten en bruggetjes, dan wel vanwege het meer dan schitterende landschap waar ik doorheen rijd. Niet lang nadat ik vanmorgen ben vertrokken, gaat het agrarische landschap over in dat van het Snowdonia National Park. En dat is me mooi, dat is me prachtig! Heuvels, bergen, schapen, schattige stationnetjes, klaterende riviertjes, schapen, een blik op de estuaria, lieflijke plaatsjes enne… schapen. OMG!, roep ik om de haverklap. OMG!, na iedere bocht is het bijkans nog mooier. Ik moet wel even wennen aan die soms bijna manshoge muurtjes aan weerszijden van de smalle weg, maar met wederzijds (letterlijk) inschikken lukt dat allemaal prima. En dan: heb ik haast? Zit ik me te ergeren als ik in een dorpje vijf minuten helemaal aan de kant moet kruipen en moet wachten totdat mijn tegenligger -een dikke vuilniswagen- alle bakken langs de weg heeft geleegd? Absoluut niet. Dit is onthaasten in optima forma!.
Bovendien is het stralend weer. Op de radio kirren de presentatoren over de prachtige, zonnige dag die ons staat te wachten. Wat zal ik -hoe mooi dat ook is- vandaag nog lang blijven rijden? Bij het plaatsje Llanbedr negeer ik Claire-mijn-Garminnetje en sla linksaf, dieper het National Park in. Ik volg de borden naar een waterval en daar waar de weg doodloopt, word ik hartelijk welkom geheten door Eleri, eigenaresse van de Rhaeadr Nantcol Waterfalls Camping Site. An unique camping experience, zo prijzen ze zichzelf aan. Eleri biedt me een kop koffie aan, ik tap £ 8 voor een overnachting en zoek een verhard plekje op het glooiende terrein. Als ik m’n bussie ‘overnachtingsklaar’ heb gemaakt en op mijn horloge kijk, zie ik dat het nog maar net half elf is. Helemaal goed. Ik hoor het klateren van het riviertje en het ruisen van de waterval. En verder: rust, stilte. En zo deep into the Snowdonia dat ik (weer eens) geen internet en mobiel bereik heb. I love it (maar niet altijd).

De schuifdeur staat wagenwijd open, het dakluik en de ramen ook. Zal ik eens gek doen? Gewoon vanmiddag in mijn korte broek en blote bast buiten in het zonnetje gaan zitten? Verse pijp erbij, een mok koffie en gewoon mijn boek uitlezen? En misschien even, heel even, de oogluikjes sluiten? Wat een verademing na mijn vorige overnachting.

Als ik in de loop van de middag besluit richting waterval te lopen*), zie ik op een gegeven moment een eindje verderop een jong stel aan de rand van het riviertje staan. Beiden hebben badkleding aan. De man stapt het water in en gaat proestend, half zwemmend, half struikelend naar de overkant. Daar wenkt hij zijn vriendin hem te volgen. Ze stapt voorzichtig het water in, draait zich meteen resoluut om en klautert omhoog. Dichterbij gekomen, zegt ze tegen mij: ‘I changed my mind. Too cold!’. ‘Your friend is a hero’, antwoord ik. ‘No’, zegt ze, ‘he’s an idiot.’

*) Lopen is een groot woord voor dat geklauter, geklim en geglibber over die rots-trappen, boomwortels en keien.

15 mei 2019
Nantcol Waterfalls Camping Site
N 52 49.353 W 4 04.034
Dagteller: 75
Tripteller: 5061

Goud

Ik heb nog steeds geen mobiel bereik en internet. Ik pak m’n laptop onder mijn arm en loop vanaf mijn overnachtingsplek het stukje terug naar de receptie van de Gold Mines. Daar tref ik Beth en Steve weer, de twee gidsen die me die middag -samen met een groep- een uurtje door de mijn hebben geleid. Goedlachse Beth, die vertelde over de Romeinen, die hier al goud dolven, en over de waarde van het goud uit Wales, dat zo schaars is, dat het vier keer de nominale goudprijs bedraagt. En diezelfde Beth verzocht ons midden in de druppende mijn allemaal ons helmlicht uit te doen, nadat ze een kaarsje had aangestoken. Die bij dat kaarsje een heel verhaal vertelde (iets met zuurstof), maar er een leuke show van maakte toen een van de groepsleden jarig bleek te zijn. Mocht die man naar voren komen, stonden we daar met z’n allen happy birthday voor hem te zingen en mocht-ie daarna het kaarsje uitblazen. Letterlijk geen hand voor ogen te zien. En Beth, die ons tenslotte terugbracht naar het daglicht via een doodenge, steil omhoog voerende glibberige trap.
Die Beth sprak ik dus aan. Of ik gebruik kon maken van hun wifi in het kantoortje.
Wifi?’, lachte ze, ‘dat hebben we hier helemaal niet. En ook geen mobiel bereik.’
‘In deze tijd? En met jullie organisatie? Hoe bestaat het!’
Steve mengde zich in het gesprek: ‘Je bent in het Pembrokeshire Coast National Park, Frits. Welcome to Wales!’ ‘And enjoy the rest of your trip’, voegde Beth er aan toe.

Croeso i Fwyngloddiau Aur Dolaucothi
Welcome to the Dolaucothi Gold Mines

Bewegende beelden

16 mei 2019
Dolaucothi Gold Mines
N 52 02.695 W 3 57.102
Dagteller: 146
Tripteller: 5207

Wales

Ierland verlaten. Aangekomen in Wales.
Ik heb slecht en kort geslapen de afgelopen nacht en als de ferry keurig volgens schema om zes uur afmeert in Holyhead wil ik eigenlijk maar één ding: zo snel mogelijk een plekje vinden voor de nacht. Dat valt tegen. Ik rijd door een agrarische streek en er zijn nauwelijks tot geen geschikte plekjes. Als het tegen achten loop, geef ik er de brui aan. Ik parkeer langs de A4080, even voor Brynsiencyn. Ik heb op leukere plekjes gestaan, maar dat haal ik de komende tijd wel in. Zul je trouwens zien, dat ik morgen, als ik weer fris en fruitig verder rijd, op korte afstand van deze ‘noodstop’ een prachtig plekje zie. Zal de eerste keer niet zijn.

14 mei 2019
A4080
N 53 11.564 W 4 14.706
Dagteller: 374
Tripteller: 4986

The limit!
Als ik de volgende morgen wegrijd, zie ik inderdaad een prachtig mooi eenpersoons overnachtingsplekje… op 200 meter vanaf waar ik geslapen heb! En tien, vijftien minuten later rijgen de prachtige plekjes zich bijna aaneen. Ik schreef het toch?

Verrek: Käte!

Zit ik aan het einde van de middag in m’n bussie op mijn gemak op mijn laptop de foto’s en videobeelden te bekijken die ik vandaag in Dublin heb gemaakt, stopt er een wit Jumpercampertje. Er stapt een vrouw uit. Verrek: Käte! Deense Käte van het vluchten voor de storm Hannah eind april, van de camping in Corefin waar we voor top en takel twee dagen die storm voorbij lieten razen en van de pubquiz waar we aan meededen. We gingen ieder ons eigen weg, trokken allebei ons eigen plan, maar rondrijdend over deze camping in Dublin op zoek naar een plekje, zag ze plotseling mijn bussie staan. Verrek, Frits! Verrek, Käte! Dit is bizar. Dit geloof je niet. En wat brengt Käte naar Dublin? ‘Nou Frits, ik wil morgen proberen met de ferry hiervandaan over te steken naar Holyhead’, zegt ze, terwijl haar overenthousiaste hond me een paar schrammen op mijn onderarm bezorgd, ‘en jij? Wat doe jij hier?’ Verrek Käte. Ik vertel haar voor morgen precies dezelfde plannen te hebben.

We zijn het er meteen over eens, dat we onze rondreis door Ierland beslist moeten afsluiten met (maar weer) een etentje. Even verderop is een hotel, redelijk chique*), waar we tijdens de maaltijd elkaar onze wederzijdse belevenissen vertellen. Käte wil beslist naar huis (het is mooi geweest, Frits) en bovendien heeft ze als deadline de Europese verkiezingen. Ze wil absoluut haar stem uitbrengen en zal dus eind mei zeker thuis in Denemarken moeten zijn.
Teruglopend naar de camping besluiten we morgenochtend samen naar de terminal te rijden. We zien wel of er plek is, of voor ons beiden of apart. Käte gaat haar hond nog uitlaten, ik schrijf dit stukje nog even.

*) Redelijk chique? Jawel, maar beslist niet in alle opzichten. Het is pas kwart voor tien, Käte en ik zitten nog aan de koffie en het dessert, als om ons heen de tafels en stoelen opzij worden geschoven en de serveerster met een natte mop de vloer begint schoon te maken. Daarna zet ze zo’n geel bord met slippery floor bijna naast ons tafeltje. ‘Moet ik soms’, kan ik niet nalaten te vragen, ‘mijn voeten even omhoog doen net als vroeger bij mijn moeder thuis, zodat u ook onder ons tafeltje kunt dweilen?’ Dat is niet nodig. ‘Eet u rustig door hoor’, zegt de serveerster vriendelijk. ‘Wilt u dan tussen het dweilen door even een foto van ons maken?’, vraag ik. Dat wil ze.

Dublin

Genoeg mensen ontmoet vandaag, maar weinig Dublinners. De stad is overspoeld met toeristen. Het Zwitserse echtpaar in de bus heen naar het centrum, de Spanjaarden met wie ik in gesprek raak tijdens de lunch, de Amerikaanse naast wie ik sta in de rij bij het Trinity College, de Canadees met wie ik spreek in de bus terug, om er maar een paar te noemen. En als ik iemand met een gele hes die de straat loopt te vegen, aanschiet om de weg te vragen, blijkt dat een Roemeen te zijn. Over dat de weg vragen gesproken: daar toont zich de generatiekloof. Stap ik op een jong stelletje af (Fransen), pakt hij onmiddellijk zijn telefoon en wijst me keurig hoe ik lopen moet. Sta ik daar heel ouderwets met mijn inmiddels gescheurde stadsplattegrond…

Maar goed, Dublin dus.
De bus zet me af in O’Connelstreet, de mainstreet van Dublin, bijna naast The Spire, een spitse toren van maar liefst 120 meter hoog. Te hoog in ieder geval om hem in zijn geheel op de foto te krijgen. Niet voor niets noemen de Dublinners dit bouwwerk ook wel The Needle. Of Stiletto of the Ghetto. Of Rod to God.

Ik slenter wat rond, absorbeer de stad. Er komt weinig terecht van mijn lijstje. Geen bezoek aan de St Patrick’s Cathedral, niet naar het Dublin Castle, evenmin naar de National Gallery. Gemiste kansen? Zou zomaar kunnen, maar ik geniet des te meer als ik door de wijk Temple Bar struin. Supertoeristisch, met een schier oneindig lint van bars, pubs, restaurantjes en winkeltjes. En veel guided groups met zo’n uitlegmannetje met een paraplu voorop. Normaal gesproken moet ik daar allemaal niks van hebben, maar vandaag, met het zonnetje erbij: ik vind het geweldig. Wat een bruisende stad. Wat een mensen. Wat een talen om me heen. Ik drink een kop koffie op een terrasje, koop wat souvenirtjes en tegen twaalven geniet ik van een lunch. Buiten notabene: het is twintig graden!

Er staat een behoorlijk lange rij bij de ingang van de Old Library van het Trinity College. Ik twijfel of ik zal aansluiten, maar dat wereldberoemde Book of Kells wil ik eigenlijk wel graag zien. Het is (letterlijk monnikenwerk) gemaakt in de negende eeuw en bevat een deel van de Bijbel in het Gaelic. En dan is er ook nog die even beroemde bibliotheek. Ik sluit toch maar aan. Het wachten en schuifelen wordt aangenaam gekort door het gesprek met de Amerikaanse toeriste naast me. Lang, min of meer krullend, maar vooral blauw haar heeft deze zesenzestig jarige en een zonnebril met glittertjes. Kan het Amerikaanser?

Eenmaal binnen ga ik mijn eigen weg, sta vol bewondering bij de vitrine waarin het Book of Kells ligt. Iedere dag voor openingstijd wordt er een perkamenten bladzijde van dat boek omgeslagen. Foto’s maken is ten strengste verboden, maar aan de wanden worden grote reproducties van enkele pagina’s geprojecteerd.
En dan mag ik ook nog -voor mijn € 12-seniorticket– de immense en indrukwekkende Old Library bezoeken. Het is er dringen geblazen, maar meer dan de moeite waard. Wat een schitterende ruimte.

Moegeslenterd, doodmoe geslenterd, zoek ik de bushalte op waarvandaan de bus me terug zal brengen naar de camping. Drie kwartier duurt die rit. Het eerste kwartiertje zit ik nog te kletsen met een Canadees, maar als die is uitgestapt, heb ik in het resterende half uur de grootste moeite mijn ogen open te houden. Wat een indrukken, wat een stad. Wat een verschil met pakweg een dikke drie weken ruige natuur.

Bewegende beelden

Geruisloos

Ben ik echt weer in Ierland? Het moet wel, want de snelheidsbeperkingen staan weer in kilometers, de aanduidingen en plaatsnamen langs de weg zijn weer in het Gaelic, met daaronder het Engels, de kentekens van het verkeer rondom me zijn weer Irish en ik zie op de billboards weer Ierse kandidaten voor de aanstaande Europese verkiezingen. Ben ik dus weer -net als op de heenweg- zonder erg van Noord Ierland Ierland binnengereden. Zijn er eigenlijk wel ‘echte’ grensovergangen tussen die twee landen?
In ieder geval kunnen de Ierse ponden worden opgeborgen en kan ik mijn portemonnee weer vullen met euro’s. Niet voor lang. Ik ben nu in Dublin, neem een paar dagen de tijd om die stad te bekijken en probeer dan een ferry te boeken naar Holyhead (Engeland). Gaan we daar weer over op pounds en miles.

12 & 13 mei 2019
Camping & Caravan Park Camac Valley Dublin
N 53 18.381 W 6 25.038
Dagteller: 164
Tripteller: 4612

12 mei?

Het is koud in m’n bussie als ik wakker word, maar dat ben ik zo langzamerhand wel gewend de afgelopen maand. Ik strek mijn arm uit, zet van onder mijn lekkere warme dekbedjed de kachel aan en draai me nog even om. Tevreden soezerig luister ik naar het gebrom uit de motorruimte. Fijn. Als ik straks opsta, is het lekker behaaglijk in m’n bussie.
Maar als ik niet veel later uit bed stap, is het vreemd genoeg nog rillerig fris. Ik maak een kop koffie, doe een poezenwasje en schiet in mijn klamkoude kleren. Als ik de rollo’s omlaag doe en naar buiten kijk, zie ik dat het gras knisperig wit bevroren is. Toegegeven: de zon is nog maar net boven de mij omringende heuvels uit, maar toch. Zondag 12 mei. Vorst aan de grond.

Je hoort me niet klagen hoor. Een half uurtje later is mijn ‘huiskamertje’ al lekker op temperatuur. En bovendien: de zon schijnt, da’s al heel wat.

Bloemenzee

Valt me op vandaag dat ik overal zoveel snijbloemen en boeketten bij de winkels zie. Tot nu toe beperkte het aanbod bij de ingang van de supermarkt zich tot tuinplantjes en zakken aarde, maar vandaag bloemen, bloemen en nog eens bloemen. Ook kleinere winkeltjes in de dorpjes en stadjes waar ik doorheen rijd, fleuraliseren uitbundig. Dan dringt het tot me door: het is morgen 12 mei, moederdag. Bloemenzee, Mother’s Day! Ik kijk nu al uit naar 16 juni…

11 mei 2019
Trassey Road
N 52 12.002 W 6 01.174
Dagteller: 215
Tripteller: 4448

Ochtendwandeling

Langs de Causeway Coastel Route liggen talloze onbewoonde eilanden. Eén van die eilanden, Carrick Island, is een absoluut highlight. Hier is namelijk de Carrick-a-Rede Rope Bridge, een touwbrug die het eiland verbindt met het vasteland. Om veiligheidsredenen mag er nog maar een beperkt aantal bezoekers per dag over die brug, geregeld met strenge time-slots van een uur.
Vanaf de grote parkeerplaats -heb ik gelezen- is het nog een goede kilometer lopen naar de brug. Ik pak mijn camera en portemonnee (je moet betalen voor die brug) en begin te wandelen. Carrick Island zie ik al liggen. Denk ik. Lees vooral verder.

Als ik voor mijn gevoel nu toch wel een kilometer over dat klifpad heb gestruind, denk ik: ‘Waar blijft die f*cking bridge?’ Als ik nog eens een kilometer heuvel op, heuvel af heb gelopen, kom ik bij een klein haventje. Op de borden zie ik dat dit Ballintoy Harbour is. Er staat een vrachtwagen spullen te lossen.
‘Please tell me sir: where is that famous bridge?’, vraag ik de chauffeur.
‘U bedoelt de touwbrug naar Carrick Island? Die is daar, hier ongeveer twee kilometer vandaan.’ Hij wijst de kant op die ik zojuist gelopen heb. Shit! Ben ik precies de tegenovergestelde kant opgelopen! Een poging om van die vrachtwagen een lift te krijgen, terug naar de parkeerplaats, mislukt omdat de chauffeur de andere kant op moet. Hij geeft me nog wel de tip niet het kliffenpad terug te nemen, maar de geasfalteerde weg te volgen door het dorp.

De weinige auto’s die me achterop komen op dit vroege uur van de morgen zijn niet gevoelig voor mijn liftersduim. In het dorp zelf staan twee vrouwen met elkaar te praten. Ik doe mijn verhaal, vertel van mijn dommigheid en vraag of het nog ver is naar de grote parkeerplaats waar m’n bussie staat. ‘Zie je die bocht in de weg?’, zegt een van de vrouwen, ‘nou, daar vlak achter is het. Vijfhonderd meter, hooguit. Weet je wat, ik moet toch naar mijn werk en ga die kant op, dus stap in dan breng ik je even.’ ‘Maar’, voegt ze er aan toe, ‘dan moet je iedereen thuis wel vertellen hoe aardig Ierse mensen zijn!’ Dat beloof ik haar, zeker als ze me even later naast m’n bussie afzet en me nog een plezierige vakantie wenst.

Tsja, die brug. Ik sta in dubio. Nog eens een dikke kilometer klimmen en klauteren? Om dan over die brug te mogen lopen, dertig meter boven de oceaan? En op dat eiland te komen, dat onbewoond is en waar niks te doen is? En dan over diezelfd brug weer terug naar het vasteland? ‘Klopt’, zegt het Duitse toeristenechtpaar, ‘maar dan bent u wel über die Brücke geweest. Können Sie daar een foto van uzelf maken. Können Sie das zu Hause sehen lassen.’ Nou, ik hoef thuis helemaal niks sehen zu lassen. Ik geloof het wel. Dat heeft ook alles te maken met mijn darmreutelende ongesteldheid, waar ik sinds vanmorgen meer dan last van heb.*)

Met de auto is het een kippeneindje terug naar dat lieflijke haventje. Daar parkeer ik. Dan maar weinig kilometers vandaag. Geen slechte plek om te overnachten trouwens: door de voorruit kijk ik uit over de Atlantische Oceaan, met (hemelsbreed zo’n veertig kilometer) in de verte de kust van Schotland. Net als gisteren overnacht ik nog steeds aan het einde van de wereld. Dus geen internet, geen telefoon.

Achter me zijn talloze caves. Langs de kust hier zijn veel opnames gemaakt voor de Game of Thrones (zegt me niks, ik lees het ook maar op het bord). Zou zomaar kunnen dat Carice van Houten in een van die caves is bevallen van een donker en mysterieus wezen. Die hele Melisandre boeit me eigenlijk voor geen meter. Weet trouwens niet eens waar ik over praat. Heb een artikeltje gelezen, that’s all. Ik slik nog een pilletje. Doe helemaal niks meer vandaag.

*) Laat ik de lezertjes de details besparen. Trefwoorden zijn loperamide en een halve rol toiletpapier…

10 mei 2019
Ballintoy Harbour
N 55 14.623 W 6 22.188
Dagteller: 25
Tripteller: 4233

Eindpuntje

Na het grootstedelijke Belfast trek ik weer snel (da’s betrekkelijk op die smalle binnenwegen) richting zee. Back to the Atlantic! Ook Noord Ierland heeft een toeristische kustroute, die van Belfast naar Derry slingert. Weliswaar is deze Causeway Coastel Route qua afstand heel erg ieniemienie vergeleken met de Wild Atlantic Way in Ierland, maar daarom niet minder fraai. Kilometers rijd ik -soms over behoorlijk smalle weggetjes- pal langs the ocean en passeer ik landhuizen, boerderijen en dorpjes. Lieflijker, minder grimmig dan de Wild Atlantic Way. Strandiger ook.

Als ik na Cushendun een bord zie, dat verwijst naar Torr Head, wijk ik even van die Coastel Route af. Torr Head is namelijk het meest noordelijke punt van Noord Ierland en als ik in Ierland naar het noordelijkste punt bij Malin Head ben gereden, waarom zou ik dat hier dan niet doen? Misschien omdat er op dat bord staat dat die weg er naartoe unsuitable is for coaches & caravans? ‘Ach kom’, denk ik dan, ‘ongeschikt? Da’s natuurlijk een waarschuwing voor die grote gevaartes van campers en niet voor dat bussie van mij. Toch?’
Smaller dan smal hoor, dat weggetje. Het is maar negen kilometer tot Torr Head, maar het (ik) schiet niet op. Ik rijd namelijk met een tuttelsnelheidje en houd nauwkeurig de weinige passing points in de gaten waar ik mogelijk (?) kan uitwijken voor een eventuele tegenligger. Die zijn er gelukkig niet en dat is maar goed ook, want ik heb alle aandacht nodig voor de steile hellingen en afdalingen en de scherpe bochten, waar ik in mijn spiegels moet kijken of ook de achterkant van m’n bussie veilig door de bocht komt. Ik ben dan ook blij, als ik het bordje zie dat aangeeft dat het nog maar een halve mile is naar Torr Head. Die laatste halve mile is echt een eenpersoons(wagen)weggetje (‘Laat alsjeblieft niemand me hier tegemoet komen’, prevel ik), maar daar is-ie dan: Torr Head. Daar loopt de weg dood. Daar word ik enthousiast begroet en gecomplimenteerd dat ik het met mijn Wohnmobil geschafft heb door een groep Duitse toeristen, die allemaal met mij apart op de foto willen en ook nog een groepsfoto willen maken.
En kijk: als beloning voor mijn ‘prestatie’ om naar Torr Head te rijden, breekt ook nog eens het zonnetje door. Magertjes weliswaar, maar in ieder geval beter dan de laaghangende bewolking en de vlagerige regen waarin ik vanaf Belfast gereden heb. Ieder mens…, nietwaar?

Letterlijk een eindpuntje hoor, dat Torr Head. Eind ook van de social media civilisation: geen internetbereik, geen mobiele telefoon, geen radiostations. Rustigjes, ook wel eens fijn. Ik kan natuurlijk straks mijn stevige ‘bergschoenen’ aantrekken en het pad naar het allerbovenste puntje van de rots beklimklauteren. Ik kan ook een kopje koffie maken en daarna een uiltje knappen. Ik zie wel wat ik doe. Eigenlijk weet ik het al…*)

*) U toch ook?

9 mei 2019
Torr Head
N 55 11.712 W 6 03.920
Dagteller: 219
Tripteller: 4208

Belfast

Waarom wil ik eigenlijk zo nodig naar de hoofdstad van Noord Ierland?
Er is genoeg te doen, meer dan genoeg. Belfast is natuurlijk in de eerste plaats de stad waar ooit de Titanic werd gebouwd. Een state-of-the-art visitor experience, a must do attraction: explore the shipyard, walk the decks, travel to the depths of the ocean and uncover the true legend of Titanic. Ongetwijfeld indrukwekkend, maar daar kom ik niet voor, zelfs niet als daar op dit moment tijdelijk ook nog een touring exhibition van de Game of Thrones is.
Ook kom ik niet voor het Ulster Museum, waar momenteel twee werken van Leonardo da Vinci tentoongesteld worden. Of om te shoppen op Victoria Square, St George’s Market te bezoeken, de Cathedral te bekijken, en ga zo maar door.

Volop activiteiten en bezienswaardigheden dus, maar ik stap de Ice Hall weer binnen en vraag Linda (daar is ze weer) of ze voor mij de Murials Tour kan regelen met een black cab en of diezelfde cab mij ook kan ophalen en terugbrengen bij de campsite. Ze belt naar de organisatie. ‘De tour kost £ 35 (wist ik al) en voor het hier ophalen en terugbrengen rekenen ze twee keer £ 14, maar (ze legt haar hand op de hoorn) dat moet u niet willen hoor. U kunt hier vandaan de bushalte zien. Die brengt u in een half uurtje naar het centrum en dat kost u maar £ 4,20. En met dat ticket kunt u de hele dag reizen zoveel u wilt. Dus…?’ Dus? Wat lief om zo mee te denken met mijn portemonnee. Linda regelt dat ik om elf uur in het centrum wordt opgepikt op Donegall Square, ‘links van de townhall, tegenover Mace. Als u nu meteen de bus neemt’, voegt de schat er aan toe, ‘hebt u een dik half uur speling. Kunt u bij Mace nog koffie drinken.’

Die Belfast Murials Tour is de belangrijkste (enige?) reden om Belfast op te nemen in mijn reis: aan den lijve de idioterie ervaren van deze ‘gespleten’ stad, met eigen ogen zien hoe de katholieke nationalisten en de protestantse unionisten streng gescheiden van elkaar leven. Stipt op het afgesproken tijdstip stopt driver/guide Stevie voor de deur van Mace. Hij stelt zich keurig voor, vraagt of ik misschien voorin wil zitten en opent dan uitnodigend het portier van zijn black cab. Wat volgt is een indrukwekkende anderhalf uur, dat begint met een ritje naar de Shankill Road Area in het protestants/Britse gedeelte van de stad, waar Stevie aan zijn verhaal begint. Met de komst van King William III in 1690 (from your country, Frits), gevolgd door een uitleg over de meer recente onlusten, eindigend in de vredesovereenkomst in 1998. En overal wordt gestopt, vaak stappen we uit voor een korte wandeling. Stevie heeft mappen vol foto’s en op zijn telefoon video’s. Het is allemaal meer dan indrukwekkend: hier rond te lopen en te ervaren wat ik tot nu toe in artikelen las of op televisie zag: de immens hoge muur die de protestanten van de katholieken scheidt, de poorten tussen de wijken die ’s avonds om zeven uur gesloten worden en ook in het weekeinde dicht blijven, de op straat liggende stenen die over die muur worden gegooid, de plastic patronen die Stevie me toont. Zelf heeft hij ook in het verzet gezeten: hij pakt een foto waarop te zien is dat hij een Britse tank aanvalt. Hij laat me oude journaalbeelden zien van loyalisten die de ingang blokkeren naar de Holy Cross Girls Primary School in 2001. Stopt daar abrupt mee en legt uit: ‘Ik kan daar nog steeds niet tegen, Frits. Mijn dochter liep daartussen. Elf was ze toen. Begreep er niks van.’

Op de terugweg vertelt-ie me, dat hij inmiddels niet meer in Belfast woont, maar naar elders is verhuisd. ‘Om mijn kinderen te laten zien en ervaren, dat het ook anders kan. Dat mensen wel in harmonie met elkaar kunnen leven. Die muur hè, als ze die morgen zouden weghalen, gaan de twee partijen nog niet met elkaar om. Ze zouden juist bang worden. Nu is er vrede. Die muur, die scheiding, blijft. Mensen weten niet beter. Vinden het goed zo.’

Voor de deur van Mace nemen we afscheid van elkaar. ‘Heb je verder nog plannen voor vandaag in Belfast?’, vraagt Stevie. ‘Helemaal niets, Stevie. Alles wat ik hierna nog zou bekijken, valt in het niet bij deze indrukwekkende, emotionele ervaring.’ We schudden elkaar de hand, Stevie stapt in zijn black cab en met een druk op de claxon verdwijnt hij om de hoek.

Die avond kom ik moeilijk in slaap. De beelden van de Murials Tour en de verhalen van Stevie blijven door m’n kop spoken. Het duurt lang voor ik in een onrustige slaap val.

Bewegende beelden

Bijziend wasje

Voor die £ 6 voor de wasmachine en de droger krijg ik er geen wasmiddel bij. Heb ik ook niet bij me. Ik klop aan bij de deur van de enige andere camper op het terrein met de vraag of zij me misschien aan wasmiddel kunnen helpen. Dat kunnen ze niet. Geen probleem: doe ik mijn was toch gewoon met een spoog afwasmiddel? Ontvet het nog goed ook.

Bij een vreemde wasmachine is het altijd zoeken naar het juiste programma. Ik stel de machine in en ren op een drafje vanwege de harde regen terug naar m’n bussie. Na een uurtje (zolang duurt een wasje thuis) ga ik eens kijken hoe ver de machine is. Die is nog volop bezig. Dan valt me de temperatuurknop op. Die had ik op 40 graden gezet. Dacht ik. Maar het pijltje op het knopje was niet goed te zien. Als ik op m’n knieën voor de machine ga zitten, mijn bril extra schoon maak en nog eens nauwkeurig kijk, ontdek ik dat ik die temperatuurknop verkeerd heb gezet. Niet het pijltje staat naar 40 graden, maar de achterkant. Heb ik met mijn bijziende ogen een was geprogrammeerd op 80 graden!

Een paar keer loop ik die middag heen en weer naar de sanitaire ruimte. Ik weet niet wat ik allemaal aan die knoppen heb gedraaid, maar pas na vier uur en een kwartier (!) is de machine klaar. De natte was die ik er uit haal is in ieder geval brandjeschoon (en ontvet…). Op het eerste gezicht lijkt de krimpschade mee te vallen. Meer dan nauwkeurig stel ik de droger in -dat hoop ik tenminste- en wacht ik in m’n bussie, waar de kachel al de hele dag stevig staat te snorren, het resultaat af voor mijn T-shirts, mijn fleece en de nodige sokken.
Als ik later de was opvouw, merk ik geen krimp. Much ado about nothing dus, om Shakespeare even aan te halen. En er dan zo’n heel verhaal aan wijden…

’s Avonds schiet ik in mijn totale verschoning en wandel de paar honderd meter naar het grote Cinema Square (zeg maar de Belfast-variant van Pathé De Kuip in Rotterdam). Er zijn talloze restaurants. Om mijn was-dommigheid te verwerken (hoor mij nou!), trakteer ik mezelf op een meer dan uitgebreide Mix Tandoori. Helemaal tevreden en volgevreten wandel ik terug naar m’n bussie. Goed dat die terugweg downhill is…

The computer says no

Als ik bij Claire-mijn-Garminnetje het adres van het Dundonald Touring Caravan Park in Belfast heb ingegeven, meldt ze me na anderhalf uur, dat de bestemming bereikt is. De bestemming bereikt? Ik sta op de grote parkeerplaats van een Ice Hall. Ik rijd een stukje terug en zie dan minuscule bordjes die naar de camping verwijzen. Dat weggetje eindigt bij een breed, meer dan manshoog hek. Rechts staat een paal met een kastje waar je een code moet intoetsen om het hek te openen. Links achter nog een hek staat een gebouwtje. Op het terrein -achter het Klein Dachau Hek– zie ik twee campers staan. Verder is er geen sterveling te bekennen. Ik besluit eerst maar koffie te drinken in afwachting van de komst van een of andere beheerder.
Die komt niet opdagen. Wel vertrekt na een half uur een van de twee campers. Ik vraag de twee Nieuw Zeelandse vrouwen waar ik de beheerder kan vinden. ‘Die is er niet’, is het antwoord, ‘je moet je melden bij de Ice Hall.’ Hm, had Claire-mijn-Garminnetje toch gelijk een half uurtje geleden.

‘Ik zag u al eerder hier met uw camper’, zegt de vrouw aan de balie van de Ice Hall, ‘heeft u gereserveerd en onder welke naam?’ Gereserveerd? Ik weet van niks. Blijkt, dat je een overnachting op deze camping alleen maar online kan boeken. ‘Maar ik kan dat nu voor u regelen hoor’, stelt Linda me gerust. Vingertrommelend kijkt ze wat bozig naar haar computerscherm. Het gaat traag. ‘Ik hoop niet dat u straks tegen me zegt: the computer says no’, zeg ik, refererend aan mijn favoriete Engelse televisieserie Little Britain. Ze kijkt me lachend aan om me daarna -zonder hand voor haar mond- midden in mijn gezicht te hoesten. Duidelijk ook een fan van de serie…*)

Het komt allemaal in orde. Voor £ 24 per nacht krijg ik pitch 15 toegewezen en met de code 8814 kan ik het toegangshek openen. Douches zijn zonder muntjes en iedere plek heeft een eigen stroom- en drinkwateraansluiting. Allemaal bij de prijs inbegrepen. Ik koop voor £ 6 nog tokens voor de wasmachine en de droger. ‘Die droger zult u nodig hebben, mijnheer’, zegt Linda zuchtend, ‘want het zal vandaag de hele dag blijven regenen.’

*) Zegt u niks? Google dan Little Britain en The computer says no.

7 & 8 mei 2019
Dundonald Touring Caravan Park
N 55 35.307 W 5 49.017
Dagteller: 118
Tripteller: 3989

Omschakelen #2

De AH ontbijtkoek is op. Gisterenmorgen gebruikte ik het laatste plakje voor mijn ontbijtburger. Da’s een burgerbroodje met in plaats van een hamburger een plakje ontbijtkoek ertussen. Guilty holiday pleasure… En laten ze nou -evenals in vele andere landen- in dat hele Ierland geen ontbijtkoek verkopen. Nood breekt wet: bij de Lidl koop ik een familypack (toe maar!) met twee Madeira Cakes, volgens het etiket a moist golden cake with a light texture. Ik snijd er een keurig plakje van, leg dat tussen het opengesneden en beboterde burgerbroodje en kijk aan: de Ierse variant van mijn ontbijtburger. Een man mot wat, nietwaar? En straks thuis maar weer braaf aan het bakje yoghurt met muesli…

De oude bosjesmolen

Ik ben net op tijd om voor de guided tour te kunnen aansluiten bij een groep in de Old Bushmills Distillery. De inleiding in de hal is net achter de rug. Op een drafje haal ik de groep in. ‘Heb ik veel gemist?’, vraag ik het achteraan lopende echtpaar. ‘De inleiding hè, dus eh… nee, gemist heb je niks.’
Overal hangen bordjes dat het verboden is te fotograferen. De gids verzoekt mij zelfs mijn camera in mijn tas op te bergen. Er valt trouwens weinig actie vast te leggen: het is de maandag van Bank Holiday, alle bedrijven liggen plat, ook deze distillery. Tijdens de drie kwartier durende rondleiding zie ik welgeteld één Bushmiller aan het werk. In een glazen hok houdt hij het distillatieproces in de gaten (want dat gaat door), tuurt op een beeldscherm, drukt op wat knoppen en gaat weer zitten als de groep gepasseerd is.
Ze doet het goed hoor, de vrouw die ons rondleidt, maar iets nieuws steek ik niet op. Logisch ook, want reed ik ooit in Schotland niet een soort whisky-tour? Het drankje in de bar na afloop van de rondleiding beloont mijn geduldig luisteren, met een warme maaltijd in het bedrijfsrestaurant top ik mijn bezoek af.

6 mei 2019
Old Bushmill’s Distillery
N 55 12.053 W 6 31.271
Dagteller: 147
Tripteller: 3871

(London)derry

‘Kom even bij ons aan het tafeltje zitten’, zeggen Edith en Martin uitnodigend in het restaurant van het Tower Museum. Ik pak mijn koffie en schuif een tafeltje op. ‘Je vroeg hoe dat zit met de naam van onze stad’, zegt Martin. ‘Voor buitenlanders is dat misschien verwarrend, want men heeft het over Londonderry en Derry. Officieel heet de stad Londonderry, maar die naam wordt alleen gebruikt door de Britten.’ ‘En door de protestantse, Noord-Ierse unionisten’, vult Edith aan. ‘Wij zijn weliswaar geen nationalisten, tenminste niet fanatiek, maar wel katholiek en wij zullen het dan ook altijd over Derry hebben.’ We bestellen nog een tweede kop koffie en praten verder over koetjes en kalfjes.
‘En die Peace Bridge dan?’, probeer ik terug te komen bij mijn vraag. Martin neemt een slok koffie en legt daarna uit: ‘Aan de overkant van de rivier is de wijk Waterside. Overwegend bewoond door protestantse unionisten. Aan deze kant -het centrum van de stad- wonen vooral katholieken. En die brug verbindt die twee stadsdelen, dus de naam…’ Het is me duidelijk. ‘En Bloody Sunday? Hebben jullie daar veel van gemerkt?’ Ze kijken elkaar aan. Van hun gezichten is af te lezen, dat ze geen zin hebben het daar over te hebben. ‘Zullen we stoppen met politiek’, stelt Edith voor, om dan toch tegen haar man te zeggen: ‘oh, maar je moet Frits nog wel vertellen over de derde naam voor onze stad.’ Martin glimlacht. ‘Dat gedoe over de plaatsnaam, hè, er was een groep die met de suggestion kwam de stad voortaan officieel Derry/Londonderry te gaan noemen. Je weet hoe je dat uitspreekt?’ ‘Eh, Derry stroke Londonderry?’, gok ik. ‘Precies! En nu wordt onze stad ook nog eens een keer Stroke City genoemd!’

We hebben de koffie al lang op, maar het echtpaar wil niet vertrekken voor ze me een paar tips hebben gegeven voor mijn bezoek aan hun stad. ‘je staat dus geparkeerd bij de Peace Bridge. En de stadsmuren? Heb je daar overheen gelopen (een klein stukje, Edith), en de Guildhall (ik was er binnen), en de St Columb’s Cathedral en Craft Village?’ Ik had het allemaal al bekeken en dat vertel ik het echtpaar ook. Wat ik niet vertel, is dat het verboden is in de Cathedral te filmen of fotograferen, maar als ik twee pound donation gaf ik volop mijn gang kon gaan. En dat ik te vroeg in Craft Village was, want alles was nog gesloten. Maakte trouwens niet uit, want ik zou geen minuut langer daar verbleven zijn als al die friemelige, frunnikende, artistiekerige knutseloptrekjes wel open waren geweest. Een culturele hub in het hart van Derry, ronkt de tourist guide. My ass!

Martin en Edith staan op. Ze trekken hun jas aan. Edith slaat een wollen sjaal om. Ze willen nog één ding van me weten: ‘Je bent gepensioneerd, zei je. Wat was je former profession dan?’ Als ik ze vertel schoolmeester te zijn geweest, schieten ze in de lach: ‘Wat grappig! Wij beiden ook. Tell me…’ Ze trekken hun jassen weer uit en we bestellen een lunch.

Omschakelen #1

Als ik -zo’n tien kilometer voor Derry– heb getankt en de weg weer oprijd, zie ik bij Claire-mijn-Garminnetje dat de maximum snelheid hier 97 is. 97? Wat krom. Maar dan realiseer ik me, dat ik dus Noord Ierland ben binnen gereden. Niks gemerkt trouwens van enige grensovergang, zelfs geen bord. 97 miles dus en geen kilometers meer. En niet meer betalen met euro’s, maar met het pound sterling. Ik verander bij Claire-mijn-Garminnetje de kilometers in miles. Wat niet verandert, is het weer. Het blijft tien minuten ruitenwissers, tien minuten zonnebril.
Miles, yards, pounds, shilling, Fahrenheit, hm, hoe is de stand van zaken op dit moment eigenlijk met die Brexit?

Facts

Vandaag precies drie weken in Ierland.
De feiten op een rijtje.
– Ik heb nog niet één dag een shirt met korte mouwen aangehad; een fleece is min of meer de standaardgarderobe
– Ik heb nog nooit zo vaak de rijstrooksignalering gebruikt; handig om me te waarschuwen op die smalle rijstroken in dit land
– Ik heb vanaf mijn aankomst in Ierland nog niet harder gereden dan 75 km/uur; en zelfs die keren zijn op de vingers van één hand te tellen
– Ik heb in mijn leven nog nooit zoveel chowder gegeten als in de afgelopen weken
– Ontelbaar zijn de keren dat ik op een smal eenpersoons-weggetje reed en dacht: ‘Als er hier een tegenligger aankomt, heb ik een probleem.’
– Even ontelbaar zijn de keren dat ik vaststelde bezig te zijn met een ronduit schitterende reis.

Bijna, niet helemaal

Malin Head is het meest noordelijke punt van Ierland, tevens het eindpunt van de Wild Atlantic Way. Komt het door het bank-holyday-weekend dat het hier zo druk is? Aan weerskanten van de laatste kilometer naar Malin Head staan de dagjesmensen bumper aan bumper in de berm geparkeerd. Ik schuif er zigzaggend tussendoor. Geen idee of ik helemaal bovenaan m’n bussie kwijt kan. Of kan keren. Maar kijk: heb ik ook nog een Iers engeltje op mijn schouder zitten, want helemaal aan de top -tegenover twee souvenirkraampjes- kan ik met wat gepiel m’n bussie parkeren. Ik heb het gehaald, ik sta er. Nou, de eerlijkheid gebiedt me te vertellen dat ik dat aller-aller meest noordelijke punt net niet heb gehaald. Ik had m’n bussie nog tien meter verder kunnen parkeren, maar daar stond een dikke Mercedes in de weg.

Het blijft de hele middag een komen en gaan van toeristen. Allemaal klauteren ze op dat laatste stukje rots om een blik te werpen over de Atlantische Oceaan. Allemaal maken ze een foto van de enorme tekst EIRE 80, gevormd van spierwitte keien, een baken voor de piloten in de Tweede Wereldoorlog ten teken dat ze Ierland bereikt hadden. En ze gaan op de foto bij Banba’s Crown (jammer nou, dat zo’n campertje uit Nederland er precies voor staat). Of ze klauteren over de rotsen langs de oude uitkijkposten uit de Tweede Wereldoorlog. En ze maken selfies, ontelbare selfies. En ook ik ga -na een praatje- vaak met m’n bussie op de foto.
En (bijna) allemaal kopen ze een beker koffie bij het kraampje tegenover me. Even overweeg ik mijn luifel uit te draaien, de feestverlichting aan te zetten en vanuit m’n bussie koffie en koek te verkopen. Geintje! Ik heb vanuit m’n bussie mijn eigen ‘terras’ en geniet de hele middag van het ‘mensjes kijken’. ‘Vanavond is iedereen hier weg’, zegt de uitbaatster van het koffiekraampje, ‘sta je hier waarschijnlijk helemaal alleen.’

Ze heeft gelijk, maar het duurt even voor ik hier alleen sta: tot aan de schemering blijven er auto’s uphill komen. Sommige bestuurders laten hun hondje uit, maar de meesten maken vooral foto’s van de zonsondergang. Tegen half tien rijdt de laatste bezoeker weer downhill en heb ik het rijk alleen.

Bewegende beelden

5 mei 2019
Malin Head
N 55 22.862 W 7 22.430
Dagteller: 166
Tripteller: 3724

Amazing!

Ik rijd een rondje door de mooie county Donegal op weg naar Malin Head en passeer onder andere het plaatsje Lisfannon. Hier schreef John Henry Newton, ooit slavenhandelaar, later predikant zijn wereldberoemde hymne Amazing Grace.

Niet veel later krijg ik op een smal stukje weg te maken met een tegemoetkomende trekker. We hoeven niet voor elkaar uit te wijken en de bestuurder van de trekker steekt vrolijk groetend zijn hand naar me op. Na een poosje weer een trekker. En een derde, een vierde, een vijfde. En allemaal vrolijk groeten. Amazing Grace? Amazing Farmers!

Tien minuten

‘En het weer hier in Ierland valt ons alles mee’, zegt de Duitse vrouw naast me aan de bar. Ze stoot haar man aan. ‘Het weer?’, zegt-ie, ‘tsja, wat zal ik zeggen? Zehn Minuten Regen, zehn Minuten Sonne.’ Z’n vrouw knikt: ‘Dat bedoel ik. En dat hebben we nu al twee weken zo.’

Onder & boven

Bij mijn overnachtingsplekje raak ik aan de praat met twee mannetjes van zeer gevorderde leeftijd. Ze zijn nieuwsgierig naar m’n bussie en vragen of ze binnen een kijkje mogen nemen. Uitnodigend open ik de deur.
Ze kijken vol verbazing en bewondering rond. ‘En je reist helemaal alleen?’, vraagt het ene mannetje, ‘en toch een twinbed? En dat plaatje op dat deurtje onder het bed. Da’s toch geen toilet?’ Het andere mannetje stoot hem aan: ‘Nee jòh, daar verstopt-ie zijn vrouwen!’ Dan wendt hij zich met een vette knipoog tot mij: ‘Da’s niet slim, Frits. Die vrouwen horen niet onder je bed, maar er bovenop!’ ‘Maar wel one at the time’, vult het andere mannetje aan.

Zes maanden te laat

Gelezen op internet, gezien op televisie bij Reizen Waes: Patsy Dan Rogers, de koning van Tory. Geen echte koning natuurlijk, maar wel de ‘baas’ van het eiland Tory, gekozen door de ongeveer tweehonderd bewoners van het eiland en woordvoerder van die bevolking. Het aardige is, dat hij bij de aanlegsteiger van de ferry de bezoekers van zijn ‘koninkrijk’ hartelijk welkom heet. Dat wil ik meemaken natuurlijk.
In Dunbeg kan ik de ferry naar Tory Island niet een-twee-drie vinden. Ik stop bij een Ierse Kruidvat en vraag de weg, want, voeg ik er aan toe: ‘Ik wil dolgraag de koning ontmoeten.’ Het gezicht van de Kruidvat-dame betrekt: ‘The King is dead sir. He passed away last October.’ ‘En is er al een nieuwe koning?’, vraag ik, mijn teleurstelling verbijtend. Het antwoord is ontkennend, maar ze kan me wel uitleggen hoe ik bij de ferry kan komen. Dat hoeft voor mij dan niet meer: de koning is dood, leve de koning!*)

The last king of Ireland has passed away

The King of Toraigh, Patsaí Dan Mag Ruaidhrí, also known as Patsy Dan Rodgers, has died. He was 74 and passed away in the Mater Hospital in Dublin surrounded by his family. He became King of Toraigh in the 1990s when the children of the last King, Padraig Óg Rodgers, asked him to accept the honour of their father and become King. His practice for well over 20 years was to regularly welcome visitors off the ferry to the island.

Om toch nog iets van stand te doen vandaag, rijd ik door naar het Creeslough Doe Castle. Ga ik toch zeker een kasteel bekijken? Met al zijn pracht en praal? Met zalen, met meubilair, met schilderijen, weet ik al niet wat er allemaal te bewonderen is. Weet ik dus inderdaad niet.*) Doe Castle is onbewoond, de toren kan pas in juli beklommen worden en deuropeningen zijn afgesloten met hekken. Eigenlijk is het een overblijfsel van een kasteel. Maar wat ligt het mooi aan de Sheephaven Bay. En wat een keurig, klein parkeerplaatsje is er. Vandaag dus geen handshake met de koning, geen schitterende balzaal in een kasteel, wel een prachtige rit gereden ook een mooie locatie voor mijn overnight stay. Houd ik hier vanavond toch mijn 4-mei-twee-minuten stilte? Het is weliswaar koud, maar het zonnetje schijnt regelmatig. Toch heppie-de-peppie op deze 4e mei. Ik laat me -in tegenstelling tot die koning- niet kisten.

*) Had ik me beter moeten voorbereiden?

4 mei 2019
Creeslough Doe Castle
N 55 08.070 W 7 51.940
Dagteller: 134
Tripteller: 3558

Fryslân boppe!

‘Welnee!’, zegt Loes, ‘wij zijn hier niet voor het Cup of Tea Festival. Wij maken zelf muziek en hebben vanavond een optreden bij Leo’ Tavern in Gweedore.’
Heb ik dat: dik drieduizend kilometers onder de wielen doorgerold en dan of all places in de mainstreet van Ardara een groepje Hollanders tegen het lijf lopen. Schreef ik Hollanders? Rasechte Friezen zijn het en ze vormen de Flora Shantys uit Heerenveen. ‘De mannen dan hè?’, legt Loes me uit, ‘wij vrouwen zijn mee voor de gezelligheid. En gezellig gaat het vanavond worden. Waarom kom je niet luisteren? Het is vast leuker dan wat ze hier gaan spelen.’

Ik hoef niet lang na te denken, krijg het adres van Leo’s Tavern en tref halverwege de middag de hele groep in de pub, waar ze aan het repeteren zijn. Met maar weer eens een pint Guinness luister ik naar hun uitvoering van Down at the red rose cafe in the harbour (tekst Petrus Kartner…). Ik krijg van de eigenaar van de pub toestemming op de parkeerplaats te overnachten en kijk nu al uit naar hun optreden vanavond, waar ook nog een zangeres traditionele Ierse folksongs ten gehore zal brengen. Maar ik kom natuurlijk voor die gezellige Friezen. Het kleine café aan de haven dus. Gezellig!

Bewegende beelden

Cup of tea

Ze staat te rillen op de hoek van de straat in Ardara, Susie, af en toe rammelend met haar nauwelijks gevulde collectebus voor de RNLI, de Lifeboat Organisation. Ik kom zojuist uit het Ardara Heritage Centre, gooi wat in haar collectebus en knoop een gesprek aan. ‘Kom ik all the way naar Ardara’, begin ik, ‘want dit is het centrum van de beroemde Ardara Tweed Industry, loop ik dat Heritage Centre in, is er helemaal geen tentoonstelling, alleen een café. En er lopen mannen te sjouwen met allerlei spullen.’
‘Klopt’, zegt Susie, ‘je treft het niet, nou ja, eigenlijk tref je het wel, want ze zijn alles in orde aan het maken voor het jaarlijkse Cup of Tea Traditional Music Festival*). Eén groot muziekfeest op veel locaties in de stad. Ben je op doorreis of kom je speciaal voor dat festival naar hier?’ Ik moet toegeven, dat ik niet van dat festival afwist. We kletsen wat, daar in de gure wind. Over mijn reis door Ierland, over haar (schooljuf)achtergrond, over de wegen, het landschap en de New IRA. Geen goed woord heeft ze over voor dat groepje onruststokers. En ze geeft me de tip uphill the village te lopen. Daar is een factory waar ik het weven kan zien en een kleine expositie. ‘Je kunt het niet missen’, zegt ze rillend van de kou, ‘het is tegenover de kerk.’ Ik heb een beetje met haar te doen en nodig haar uit voor een kop koffie in het café van de heritage om warm te worden. ‘Lief van je, Frits, maar ik moet hier op mijn post blijven om te collecteren.’ Ik stap het café binnen, bestel voor mezelf een dubbele espresso met een caloriestoot en voor Susie een beker take-out-Americano.

Na de koffie loop ik naar de factory. Tegenover de kerk dus. Mooi, kan ik tegelijkertijd ook eens een kerk van binnen bezichtigen. Trouwens, die factory is gewoon een megawinkel, met helemaal achterin twee mannen aan een weefgetouw en een wevershuisje. Nou ja, alles beter dan niets.

Bewegende beelden

 

*) Later spreek ik een drietal mannen op de graveyard bij de kerk. Ik zeg gehoord te hebben van het Cup of Tea Festival. Ze schieten grinnikend in de lach. ‘Cup of tea? Music? Ok, maar voor de meeste mensen hier wordt het een weekeinde met a very, very strong cup of tea. Know what I mean?’ Ik snap het. Voor mij had-ie dat drinkgebaar er niet bij hoeven maken.

3 mei 2019
Leo’s Tavern – Gweedore
N 55 01.641 W 8 16.318
Dagteller: 137
Tripteller: 3424

Had ik al geschreven dat het wederom schitterend mooi was onderweg?

Oost, west…

Nee, nee, nee: niks thuis best. Moet er niet aan denken! Ben pas -denk ik- op de helft van mijn trip. Maar ik kwam er achter, dat ik -sinds ik in Ierland ben- de coördinaten van mijn overnachtingen verkeerd heb genoteerd: Noord is weliswaar Noord (kan niet missen), maar Oost moet West zijn. Meteen maar even aangepast. Lekker belangrijk, want wie leest dat eigenlijk en wie valt dat op? Nou ik.

Badnimfen

Het is vijf uur in de middag. Ondanks mijn lange broek, T-shirt en fleece vind ik het frisjes worden in m’n bussie op de Mountcharles Pier aan de Atlantic. Ik zet de kachel aan. Als die nog maar net staat te loeien, komen er twee auto’s de pier opgereden. Uit iedere auto stapt een vrouw: de een gehuld in een badjas, de ander heeft een wetsuit aan. Ik kan mijn ogen niet geloven en als ze langs m’n bussie lopen op weg naar het einde van de pier, kan ik het niet nalaten om mijn schuifdeur te openen en te vragen of ze werkelijk van plan zijn te gaan zwemmen. ‘Off course’, is het antwoord, ‘it’s lovely. De temperatuur van het water zal zo’n elf, twaalf graden zijn, dus, nou ja, heerlijk hoor!’ It’s lovely? It’s zwaarbewolkt en er staat een stevige wind. Elf, twaalf graden en dan aan mij vragen om mee te doen? Pieker er niet over. Ik heb notabene om foto’s te maken mijn jas aangetrokken.
Ze laten zich in het water zakken en gaan baantjes trekken. Na zo’n drie kwartier komen ze er uit, drogen zich af, wensen mij nog een fijne vakantie, stappen in hun auto’s en verlaten de pier. En dat doen ze, als het even kan, iedere dag. Respect. Ik huiver terug naar m’n bussie. Hè, lekker warm binnen. Tijd voor een hete mok koffie.

En het wordt nog gekker, die namiddag. Een uurtje na de twee badnimfen stopt er weer een auto, waar twee mannen uitstappen. Waren de two swimming ladies nog tegen de kou beschermd met een wetsuit, deze kerels gaan in hun blote bast de slipway naar beneden en lopen -proestend, dat wel- de Atlantic in. ‘Mijn broer’, zegt een van de twee als-ie -zich afdrogend- naast m’n bussie staat, ‘mijn broer is profvoetballer en hij heeft zaterdag een belangrijke wedstrijd. Daarom blijft hij ook langer in het water, hè, zeg maar als extra training.’

En weer een half uurtje later komt er een zevental ‘opgeschoten jongens’ de pier opgelopen. Een paar meter achter m’n bussie zetten ze een muziekje aan, trekken hun kleren uit, schieten een zwembroek aan en, ja hoor: ook het water in!

Tegen donker rijden nog vijf auto’s de pier op. Dik aangeklede mannen met zwemvesten halen uit hun clubhuis een soort skiff en roeien de oceaan op. Alles bij elkaar genoeg te zien en te beleven op ‘mijn’ pier; ik kom nauwelijks aan lezen toe.

Keuzes

Ik rijd door Sligo, hoofdstad van de gelijknamige county en zie aan mijn rechterhand de oude abdij uit 1253. Niet meer in gebruik en tegenwoordig een toeristische attractie. Dág, toeristische attractie! Ik zal heus tijdens deze trip nog wel eens een kerk, kathedraal, klooster of abdij bezoeken, maar deze even niet.

Evenmin bezoek ik Meave’s Cairn, op het topje van de Knocknarea. Daar ligt -zeggen ze- de Celtic Queen begraven in volle wapenuitrusting en harnas, gezeten op haar favoriete strijdros, met de blik naar het noorden in de richting van haar vijanden in Ulster. Het is nog een aardige klim naar boven, waar je een van beneden meegenomen steentje aan het graf kunt toevoegen voor good luck and respect. Nou, dat hoef ik even niet.

Nee, als ik toch keuzes moet maken, dan geef ik Claire-mijn-Garminnetje opdracht naar Streedagh Beach te rijden. Daar verging ooit een deel van de Spaanse Armada en er is een site waar zo’n scheepswrak te bezichtigen is. Het scheeps- en geschiedenisbloed kruipt waar het niet gaan kan, nietwaar?
‘Bestemming bereikt’ meldt Claire-mijn-Garminnetje. Bestemming bereikt? Ik sta op een verlaten strand. Geen scheepswrak te zien. Wel een paneel met uitleg over de Armada. Ik keer op mijn schreden terug en vraag aan een local de weg naar dat wrak. Ter verduidelijking laat ik hem de foto zien uit mijn voorbereidingsmap zien. Die herkent hij wel, maar -vertelt-ie- die gebeurtenis vindt maar één keer per jaar plaats. ‘U bent te laat, sir, of misschien heel erg te vroeg. Maar, weet u, even verderop, links van de junction is het Armada-museum. Ik weet niet of het open is, maar gaat u even kijken.’
Gelukkig is dat museum open op zaterdag en zondag. Ongelukkig is het vandaag donderdag… Had ik misschien toch vanmorgen even die abdij moeten binnen stappen?

‘Make my day!’, denk ik als ik in Donegal het bedrijf van een Ierse keukenboer zie. Kan ik mooi de geleiding van mijn lade in orde laten maken. ‘Geef me een uurtje’, zegt de man, ‘ik zal kijken wat ik voor je kan doen.’ Tweehonderd meter verderop is een Lidl. Ik doe boodschappen, lunch en meld me daarna weer bij het keukencentrum. Da’s nou jammer: de man heeft het niet voor elkaar gekregen. Het systeem van mijn lade is anders dan in Ierland gebruikelijk. Ik hoef hem niks te betalen. Als ik de parkeerplaats verlaat, bedenk ik dat ik misschien toch vandaag beter een steentje aan het graf van de koningin had kunnen toevoegen…

2 mei 2019
Mountcharles Pier
N 54 37.809 W 8 12.333
Dagteller: 166
Tripteller: 3287

Klepperdeklep

De Clapper Bridge in Louisburgh dateert waarschijnlijk uit de Middeleeuwen en is een van de laatste overgebleven clapperbridges in de wereld en Ierlands langste, nog intact zijnde brug.
Gek hoor, zo’n beroemd bouwwerk en niet te vinden door Claire-mijn-Garminnetje. En ook geen borden die er naar verwijzen. Ik moet er naar vragen in Louisburgh. ‘Acht kilometer terug’, zegt de kokkin van TIA*), waar ik de weg vraag. ‘Acht kilometer terug moet je tot je links van de weg een kerkje ziet en rechts een graveyard. Na het kerkhof ga je op de junction rechtsaf en een stukje verder weer rechts. Daar is de brug.’

Ik sla braafjes rechtsaf na het kerkhof en inderdaad na anderhalve kilometer landweg staat er een bordje (!) dat verwijst naar de brug. Het is maar een smal paadje met gras in het midden, maar na tweehonderd meter sta ik dan voor die brug. Eerlijk gezegd: mwah, dat is ‘m dus, nou interessant. Ik loop er overheen (per slot is het een voetgangersbrug), zie dat het water zo ondiep is dat ik er met m’n bussie waarschijnlijk wel doorheen had kunnen rijden en loop dezelfde weg terug. Ik heb het gezien, die 37 middeleeuwse bogen.

Keren op dit paadje is geen optie. Ik probeer het niet eens. Gelukkig is er op de plek waar ik ‘gestrand’ ben aan de linkerkant een breed hek. Ik ben maar zo vrij het touwtje van het hek los te maken, het hek wagenwijd open te zetten en met een grote bocht te keren in het achterliggende weiland. Natuurlijk heb ik die manoeuvre van tevoren te voet verkend. Moet er niet aan denken hier in de prut vast te lopen.

‘En? De brug gevonden?’, vragen ze bij het eerder bezochte TIA*)
‘Ja hoor, dankzij jullie aanwijzingen, dank je wel. Trouwens: het is nog maar kwart voor twaalf, maar serveren jullie de lunch al?’
Dat worden dus gekookte mosselen, met in de schil gebakken aardappelpartjes en een grote pannenkoek met rabarber en sour cream toe. Inspannend hoor, die vijftig meter heen en ook nog eens vijftig meter terug over die brug. Kostte me wat calorieën. Ik kan er nu weer tegen…

*) ‘Misschien een rare vraag’, zeg ik bij het afrekenen, ‘maar hoe komen jullie aan de naam TIA?’
‘Da’s een afkorting, sir. Kijk, het staat ook op de menuborden aan de muur: Thanks In Advance.’
‘Enne, weten jullie wat een tia in Nederland betekent?’
Nee, dat wisten ze niet.

1 mei 2019
Rosserk Abbey
N 54 10.279 W 9 08.613
Dagteller: 209
Tripteller: 3121

Hurray: Connemara ay!

De N59 slingert door het schitterende Connemara National Park.
Woh! Wat is het hier mooi! Het is pas negen uur en nog zwaar bewolkt. De bewolking hangt in flarden rond de toppen van de bergen, maar dat maakt het juist mystieker. Voor de zoveelste keer deze reis zit ik weer op mijn stoel te wippen van de mooiigheid, ga ik er spontaan van fluiten en zingen.
Ok, ik kan in de buurt van Derrigimlach (welke Ier wil er wonen in een plaats waar ze moeten lachen om derrie?), in die buurt dus, het baken niet vinden dat de plek aangeeft, waar ooit John Alcock en Whitten Brown na zestien uur en twaalf minuten landden na hun allereerste trans-Atlantische vlucht. Ook de grote blokken beton, restanten van het eerste Marconistation, zijn niet te vinden.
Boeiend! Jammer dan. Veel meer geniet ik van de prachtige route, zo dicht langs de Atlantische Oceaan. Ik pak (was het al niet smal genoeg?) de Sky Loop, ik drink koffie op de parkeerplaats van Kylemore Abbey, ik stop (and do not) pray bij een gebedsruimte langs de weg. Bij Letterfrack zie ik helaas geen glimp van het waterpaard (het Each Uisce), dat volgens de overlevering hier in de meren moet leven. Ik ‘rond’ het prachtige Killary Fjord, ik bereik via de afgelazerd mooie Delphi Valley het plaatsje Louisburgh, waar ik lunch en de beroemde Clapper Bridge bekijk. En het houdt maar niet op: nog langs het coffin ship*) in Westport om uiteindelijk voor de nacht te eindigen bij de ruïne van het Murrisk klooster, met uitzicht op (nee, het wordt niet eentonig!) alweer de Atlantische Oceaan.

*) Dit ‘lijkkist-schip’ staat onderaan de heilige berg Croagh Patrick. Dit National Famine Monument werd opgericht ter herinnering aan de grote Ierse hongersnood van 1845 tot 1852.

Wat een schitterende dag. Wat een indrukken. Wat een prachtige plek om morgenochtend hier wakker te worden.

30 april 2019
Murrisk klooster
(goed kijken: ik sta er echt)
N 53 46.929 W 9 38.421
Dagteller: 140
Tripteller: 2912

No, no, no

Kick the wall?
In Salthill, aan de rand van de stad Galway, bevindt zich de prom, de langste zeepromenade van Ierland. Een favoriet tijdverdrijf van de Galwegians is die hele promenade af te lopen en op het einde ‘tegen de muur te schoppen’ voor men dezelfde weg terug loopt. Met die kick the wall denkt men succes en geluk te krijgen. Dat lijkt me leuk om te doen en bovendien, succes en geluk zijn nooit weg.
Maar dan moet je niet in de ochtendspits Galway binnenrijden: wat een stad, wat een drukte. Ik sta door de vele rotondes en verkeerslichten meer stil dan dat ik kan doorrijden. Na een poosje wijzig ik bij een van die opstoppingen mijn waypoint bij Claire-mijn-Garminnetje en verlaat dik drie kwartier later de stadsdrukte. Dan maar niet tegen die muur schoppen, dan maar geen succes en geluk. Kick the wall? No.

Aran Islands?
Rossaveel is de poort naar de Aran Islands. Dagelijks zijn hier afvaarten naar de drie piepkleine eilanden Inis Oírr, Inis Meáin en Inis Mór. Alle drie de eilanden zijn Iers sprekende gemeenschappen, met een authentiek landelijke en traditionele Ierse beschaving. Dat authentiek Iers merk ik al als ik Rossaveel nader. Tot nu toe waren de verkeersaanwijzingen en de wegwijzers tweetalig: Engels boven, Iers er onder. Hier is dat omgedraaid. Ook de vele waarschuwingen op het wegdek om slow te rijden bij bochten, is vervangen door het Ierse Go Mall.
Bij de Spar -the last supermarket before the ferry– vraag ik naar welk van de drie eilanden de veerboot vertrekt en of ik er met m’n bussie op kan. ‘Er zijn helemaal geen carferries, sir. De eilanden zijn autovrij. Maar u kunt op ieder eiland fietsen huren of prachtige wandelingen maken.’ Fietsen? Wandelen? Nou, zo geïnteresseerd ben ik nu ook weer niet in die Inish Meain Knitting Company op het grootste van de drie eilanden, waar ze de wereldberoemde Aran-truien maken. En die typisch West-Ierse stapelmuurtjes in het landschap heb ik onderweg hierheen al gezien. En dan: aan boord bij de Happy Hooker? Dus: Aran Islands? No.

Inishlacken?
Ballynahinch Castle Hotel
organiseert boottochten over de Roundstone Bay, met als hoogtepunt een bezoek aan het idyllische eiland Inishlacken, met stapelmuurtjes, witte zandstranden en nestelende zeevogels. ‘Kijk’, denk ik, ‘toch nog een boottochtje, toch nog stapelmuurtjes, toch nog een eilandbezoek.’

Tweehonderdduizend hectare, zo groot is het landgoed waar onder andere het Ballynahinch Castle Hotel staat. Ik parkeer voor de deur van dat kasteel, stap -wegzakkend in de sjiek-de-friemel vloerbedekking- op de receptie af en informeer naar de boottocht.
‘Bent u gast in ons hotel, mijnheer?’, vraagt Jacky, ‘want die boottochten zijn alleen voor onze gasten.’ Als ik dus dat drie uur durende boottochtje wil maken, zal ik hier moeten overnachten. Geen gek idee, zo’n kamer in een voormalig kasteel en dan morgen dat boottochtje. Laat ik eens gek doen. Voor de zekerheid vraag ik toch maar even naar de prijzen. ‘Een kamer kost per nacht € 240’, zegt Jacky. Ze verblikt of verbloost er niet eens bij. ‘En dat boottochtje’, vraag ik belangstellend (maar ik ben al afgehaakt). ‘Ik weet niet of er morgen nog plaats is, maar dat kost € 75’. Rekenen is niet mijn sterkste kant, maar zelfs ik kan uitrekenen dat het ‘project’ Inishlacken mij € 315 gaat kosten. Daar moet ik even over nadenken, laat ik Jacky weten. ‘Tijdens uw verblijf hier kunt u heel veel ondernemen hoor. U kunt uitgebreide wandelingen maken over het estate, op eigen gelegenheid of onder leiding van een gids, u kunt bij ons een fiets huren of u kunt de schitterende tuinen bezoeken, de zogenaamde Walled Gardens. En dat is allemaal niet gekoppeld aan ons hotel. Het landgoed is vrij toegankelijk en wordt dagelijks bezocht door veel dagjesmensen.’ Nogmaals zeg ik haar er nog even over na te denken.
Overnachten? Boottocht? Wandelen? Fietsen? Tuinen?
Inishlacken? No.

Ik volg het bordje naar de Guest Parking, zet m’n bussie in het hoekje van het terrein en informeer in het bijbehorende gebouwtje voor de zekerheid of een overnight stay is toegestaan. Dat is het, dus ik ‘richt in’ en ga eerst maar eens lekker lunchen in het hotelrestaurant. Daar serveren ze me de lekkerste chowder die ik tot nu toe in Ierland heb gegeten. De eveneens door mij bestelde green salad spoel ik weg met een pint Guinness.
Terug bij m’n bussie blijk ik toch niet zo helemaal alleen op die parkeerplaats te staan: door mijn open schuifdeur en mijn voorruit kijken twee nieuwsgierige paarden belangstellend naar binnen (gelukkig staan ze achter een hek).

Drie keer No dus vandaag. En daarmee een verloren dag? Absoluut niet. Want wat heb ik weer genoten van het schitterende, woeste landschap hier in Connemara. Wat heb ik weer een prachtige weg gereden. En het is de hele dag droog gebleven, da’s ook wat waard. En dan eindigen met een voortreffelijke lunch en een geasfalteerde paardenplek?*) Prima toch?

*) Klein aandachtspuntje wel: als ik naar buiten stap en sta te plassen, komen ze meteen op me af, die paarden, en beginnen snuivend aan me te snuffelen. Halverwege ‘afknijpen’ is ook weer zoiets, dus volgende keer iets verder van dat hek gaan staan…

29 april 2019
Ballynahinch Estate
N 53 27.679 W 9 51.878
Dagteller: 134
Tripteller: 2772

Muzikaal parkeren

Ik volg de borden naar Aillwee Cave, gelegen in het karstlandschap van de Burren. Daar aangekomen rijd ik naar de parkeerplaats. Dé parkeerplaats? Ik zie Parkeerplaats A, Parkeerplaats B, Parkeerplaats C en dat gaat door tot G. Ik begin een vermoeden te krijgen, dat deze cave niet helemaal my cup of tea is. Dat vermoeden wordt bevestigd als ik uitstap: vrolijke Ierse muziek komt me tegemoet uit talloze luidsprekers om me heen.

‘Klopt, mijnheer’, zegt Kelly van de receptie. ‘Vanaf dit punt vertrekt iedere twintig minuten een guided tour door de grotten. Die rondleiding duurt zo’n vijfendertig minuten. Wilt u een ticket?’
‘Eh, Kelly’, begin ik, ‘die eh… grotten hè, wat ga ik daar allemaal zien? Van die eh… stalacdingessen en eh… schijnt zo’n gids dan onderweg met zijn zaklantaarn op de wand? En zegt-ie dan: ‘Use your imagination, but there you can see an elephant.’ Kelly knikt: ‘Zoiets ja, maar geen olifant hoor.’
Ik hoef geen ticket (been there, seen it). Kelly geeft niet op: ‘Er is hier op het terrein ook een valkeniersshow, weet u dat? Hier achter u is de souvenirwinkel en daar links de tearoom.’ Stalactieten? Vogelshow? Souvenirs? Ik bedank haar voor de informatie, loop terug naar m’n bussie op sectie F en maak een kop koffie. Ik laat mijn schuifdeur open staan. Gezellig toch, een muziekje erbij?

28 april 2019
Bell Harbour
N 53 07.333 W 9 04.351
Dagteller: 68
Tripteller: 2638

Thick air at Moher

Acht kilometer lang. Op het hoogste punt 214 meter boven de zeespiegel uitstekend. De meest bezochte toeristische trekpleister van Ierland. Zie daar de beroemde kliffen van Moher.
Zie daar? Zie nauwelijks iets. Ierland, eind april: het is weer eens mistig en het motregent. Op de grote parkeerplaats worden bussen vol toeristen leeggeschud. In regenjacks beginnen zij aan de beklimming naar het hoogste punt van de kliffen. Daar staat de O’Brien’s Tower. Is het al jammer van het bar slechte zicht door de mist en de motregen, staat die toren ook nog eens in de steigers!

‘Ach’, zegt Marleen, deelneemster aan een Nederlandse groepsreis en zojuist de top van de klif bereikt, ‘ach, we hebben het gezien, hè, we zijn er geweest, we kunnen thuis de foto’s laten zien.’
‘Jullie maken een rondreis?’, vraag ik, ‘en hoe lang zijn jullie al onderweg?’
‘Een week. Morgen weer lekker naar huis. Kijk er naar uit!’
‘Da’s kort, een week’, zeg ik.
‘Man, hou’ op. Lang zat. Ik was die groep na twee dagen al spuugzat! Daar zitten me toch een stel zeikerds bij, niet te geloven. Ik ben jaloers op jou hoor: lekker in je eentje, met niemand wat te maken. Is die grijze camper daar in de verte van jou? Nou, geniet er maar lekker van.’
‘Doe ik, Marleen, en jij een fijne thuisreis.’ Ze slaat haar ogen naar de hemel, zucht eens diep en voegt zich dan weer bij de groep.

Brigid

On St Briged’s Eve, as night fell,
My mother and I went to Saint Brigid’s Well,
Where the candles do burn and the great walls do shine
On the graves of the dead and the vaults of O’Brien

Mooier kan ik het niet zeggen dan in dit lofdicht op de heilige bron, gewijd aan Brigid, een van de meest geliefde en meest bezochte heilige bronnen van Ierland. Brigid zelf staat in een glazen koepel, links ervan is een smal poortje. Een gangetje, met langs de ene wand heilige beelden en langs de andere kaarten en foto’s, brengt me naar een soort altaartje. Indrukwekkend. Dat ik de enige niet ben die een kort, nat bezoekje breng aan deze bron, bewijzen de talloze lintjes die in bomen en struiken hangen rondom dit heiligdom. Mooi. Aardig, maar mijn geloof schiet waarschijnlijk tekort om dit op de juiste waarde te schatten. Koffie dan maar?

Hannah meets Käte

De radio meldt voor Kerry, de streek waar ik verblijf code rood. Vanavond tussen acht en elf uur wordt er een zware storm verwacht met windstoten tot 150 km/uur. Het verkeer dient ernstig rekening te houden met Hannah, bewoners wordt geadviseerd binnen te blijven en maatregelen te nemen. Die maatregelen tref ik ook: ik ga op zoek naar een beschutte plek op een camping. Kan ik ook meteen lekker douchen en een was draaien. Je moet de goden, in dit geval de natuur, niet verzoeken, nietwaar? Veiligheid is ook wat waard.

Ik volg de borden naar camping Five Acres. In mijn kielzog rijdt een wit bestelautootje. Omdat ik zoekend, dus langzaam, rondrijd, ga ik aan de kant om dat autootje te laten passeren. Met eenzelfde sukkelgangetje rijdt het nu voor me en ik zie een Deens kenteken. Samen rijden we de camping op. Die blijkt voor het overgrote deel vol te staan met enorme, identieke stacaravans. Bij de receptie is niemand aanwezig. Het terrein is uitgestorven.
Käte heet ze, de Deense vrouw in het tot campertje omgebouwde bestelwagentje. Ze trekt -net als ik door Ierland- samen met haar hond, die onrustig in een bench zit op de plek waar normaal de bijrijdersstoel staat. En net als ik overnacht Käte normaal gesproken overwegend in the wild, maar door de stormwaarschuwing is ze ook op zoek naar de beschutting van een camping.
We schieten een man aan die met een trekker voorbij komt. Hij weet wel waar de eigenaar is en belooft hem naar ons toe te sturen. Terwijl we op zijn komst wachten, drinken we in mijn bussie koffie en maken nader kennis met elkaar.
Als na een half uurtje de eigenaar arriveert, is zijn advies overduidelijk: ‘Jullie hebben gehoord van de storm? En je zoekt een veilige plek om te overnachten? Nou, dan moet je niet hier zijn. Kijk om je heen: mijn camping ligt pal aan zee en als Hannah vanavond aan land komt, ben je hier beslist niet veilig. Er kan van alles de lucht invliegen en op jullie auto terecht komen. Waarom zou je schade opzoeken? Ik zou jullie graag willen helpen, maar ga alsjeblieft het binnenland in. Daar is het wat rustiger. Rijden jullie de Sea Way noordelijk of zuidelijk? Noordelijk dus.’ Hij pakt de campinggids van Käte erbij en verwijst ons naar een camping in Corofin, zo’n dikke vijftig kilometer landinwaarts.

‘Rijd jij maar voorop’, zegt Käte als ik de bedoelde camping bij Claire-mijn-Garminnetje heb ingevoerd. Een dik uur later, na een schitterende, regenachtige tocht langs de randen van het Burren National Park, komen we bij Corofin Village aan. We schrijven ons in en zijn allebei content over dit fairly sheltered plekje (zo noemt de eigenares haar campsite tenminste). In de loop van de middag en ook ’s avonds nog arriveren er steeds meer campers. Allemaal op zoek naar beschutting tegen Hannah, vertellen ze ons. Het schept een band: verwaaide en verregende kampeerders.

Käte en ik besluiten ons adventure vanavond te vieren met een gezamenlijk etentje downtown. En wat blijkt? Na de maaltijd is er een pubquiz georganiseerd. Per persoon leg je een fiver in (die naar een goed doel gaat in Afrika) en mag je tien rondes meespelen. Mijn tafeldame en ik blijken niet veel te weten en vooral bij de typisch Ierse vragen, vullen we de meest idiote antwoorden in. Weten wij veel wie de eerste president van Ierland was? Hoe kunnen wij weten in welk jaar Ierland voor de eerste keer meedeed aan het Eurovisie songfestival en met welk liedje? Het doet er allemaal niet toe. Het is gezellig om (een keertje) mee te maken. Na de prijsuitreiking schiet ik de presentatrice aan met de vraag of er geen prijs is voor de domste en meest silly antwoorden. Die is er niet…
Wel is er later een optreden met traditional Irish music. En wordt er aan the man from the Netherlands gevraagd een Hollands liedje te zingen. Dat doet de man uit Nederland natuurlijk met alle liefde. Hij kan op dat moment echter niks beters verzinnen dan ‘Daar was laatst een meisje loos’ en als hij gevraagd wordt voor a second song, eindigt hij zijn optreden met het welbekende ‘Sinterklaas kapoentje’. Met een klaterend applaus sluit hij zijn ‘optreden’ af. Weten ze veel, die Ieren…

Bewegende beelden

 

Storm Hannah: More than 20,000 homes without power, flights cancelled as Met Eireann issues Status Red alert

MORE than 20,000 people in Kerry, Cork, Limerick and Clare have lost power as Storm Hannah swept across Ireland’s south west with violent wind gusts expected to reach 150kmh. As of 10:30pm last night, there were 21,000 homes without power predominately in Cork and Kerry Both Clare and Kerry are the focus of Status Red alerts from Met Éireann – the highest possible level of weather warning. Further  major disruption is expected by the ESB to power grids as the storm sweeps over Ireland. Flights have been cancelled at Kerry, Cork and Shannon Airports. The worst hit areas are Kenmare and the Dingle Peninsula in Kerry as well as parts of Cork including the Mizen and Macroom.

Na een bulderende nacht waait het de volgende morgen weliswaar iets minder, maar echt aangenaam weer is het niet. Dan weer schijnt de zon, tien minuten later roffelen de hagelstenen op het dak van m’n bussie. Ik besluit een rustdag te nemen (ook wel eens nodig). Käte blijft hier ook nog een extra nachtje. Zij gaat een museum bezoeken en shoppen, ik zet de kachel wat hoger en doe het kalmpjes aan vandaag.

26 & 27 april 2019
Camping Corofin Village
N 52 56.763 W 9 03.902
Dagteller: 243
Tripteller: 2570

Pubmeal

Hij zou zo uit Coronation Street*) weggelopen kunnen zijn, de eigenaar van de Foynes Inn. Op mijn vraag wat het meest originele gerecht is van het lijstje op het schoolbord aan de muur, antwoordt hij: ‘Bacon and cabats’. Cabats? Dat zijn toch peentjes? Nou, vooruit, doe maar spek-met-penen dan.

Als ik mijn bord krijg geserveerd, liggen daar twee dikke plakken gekookte (?) bacon op, een handjevol worteltjes, twee scheppen mashed potatoes en een stevige hoeveelheid ‘groen’, dat wat weg heeft van snotterige andijvie. Naast mijn Guinness wordt ook nog een gevuld sauskommetje neergezet, een mini-emmertje patatjes en een bakje met botertjes. Ik roer met mijn vork wat door die groene prut en vraag dan aan de overdadig getatoeëerde vrouw aan het tafeltje naast mij, wat dat is. ‘Het loof van de wortelen’, meen ik te begrijpen, ‘gekookt met het vet van de bacon.’ Eten ze hier in Ierland dus het wortelloof als groente**), ook goed. Ik neem een hap. Smaakt nergens naar. Ik neem een hap met wat van de gravy uit het sauskommetje. Die saus is -vermoed ik- een maïzenapapje, maar die groente smaakt nog steeds nergens naar. Ik proef de aardappelpuree. Nauwelijks smaak. ‘Er zijn mensen’, helpt de vrouw naast me, ‘die wat gravy over de puree doen of er boter doorheen roeren. Dat laatste doe ik dan maar. Ik snijd het wortelloof en de worteltjes klein, doe er nog een zakje brown sauce bij en meng alles door elkaar als een stamppotje. De tattoo naast me kijkt geamuseerd, maar ook wat bevreemd naar mijn bord. ’s Lands wijs, ’s lands eer natuurlijk, mij hoor je niet klagen, maar met mijn toevoegingen maak ik de maaltijd toch wat lekkerder. Voor mij althans.

Al etend van ons beider maaltijd ontstaat er een geanimeerd gesprek met de ruimte tussen onze twee tafeltjes als scheiding ‘Ik eet nooit een dessert’, zegt de vrouw, ‘en als ik hier eet, neem ik altijd een irish coffee na de maaltijd. Ted hier maakt de best in town, wat zeg ik, de best in the country! Volgens mij heb je niet echt smakelijk gegeten. Mag ik je dan op zo’n heerlijke irish coffee trakteren?’ Kijk: en die smaakt dan weer prima (en niet omdat-ie gratis is).

*) Jonge lezertjes moeten maar even bij hun ouders of grootouders informeren.

**) Helemaal verkeerd begrepen hoor van dat wortelloof. Vond het er ook al niet zo uitzien. Omdat ik toch wil weten wat ik gegeten heb, schiet ik de man aan die voor me in de rij voor de ferry staat en vraag hem wat cabats is. ‘Cabats? Dat zijn de bladeren van de bloemkool, hè? Gekookt in het vet van de bacon. Dat geeft ze nu juist die aparte smaak. Je hebt echt een traditional Iers gerecht gegeten hoor!’ Juist ja…

B314

Het vliegveld van Foynes was gedurende de Tweede Wereldoorlog de ontsnappingsroute voor vluchtelingen uit de oorlog in Europa. Als zij een vlucht konden krijgen in het neutrale Lissabon, werden ze naar Foynes gevlogen en wachtten daar op een plaats op een vlucht naar Amerika. Die vluchten werden uitgevoerd met watervliegtuigen. In het Flying Boat Museum staat één van die vliegtuigen, de Boeing314 (nou ja, een nauwkeurige replica, maar een kniesoor die daar op let).

Ik zit helemaal alleen in het filmzaaltje, maar na afloop van de film haal ik al snel een groepje Amerikanen in die door hun reisleidster worden rondgeleid. Nog voor ik die groep bereikt heb, hoor ik ze in de naastgelegen ruimte al snateren: ‘Oh my God! Look at that! Amazing!’ Kan het Amerikaanser? Jawel. Ooit gehoord als mopje, nu er in het echt getuige van. Sta ik met dat groepje in de lift, vraagt het ene lawaaihemd aan het andere: ‘Wat voor dag is het eigenlijk vandaag?’ Denkt die ander na en antwoordt: ‘Eh… this is the Flying Boat Museum, yes? Ok, than it must be Thursday.’
Later zit ik buiten op het bankje met two (very) fat American ladies. ‘En’, vraag ik, ‘heeft u genoten van het museum? En wat vond u het mooist? Het vliegtuig zeker?’. ‘Nee hoor’, zegt ze, ‘de Irish coffee in het restaurant!’.

En dan nog een inkoppertje.
‘Heeft u hier wifi internet’, vraag ik na mijn bezichtiging bij de receptie, ‘en zo ja, wat is dan het wachtwoord?’
‘Makkelijk genoeg zegt de receptioniste met een knipoog: ‘Boeing, with a capital B’.

25 april 2019
Foynes Flying Boat Museum
N 52 36.673 W 9 06.559
Dagteller: 124
Tripteller: 2327

Terug naar de zee

Net als Maggie Macneal ooit, maar dan op z’n Iers:

Ribbelende oogjes

Zo gek als ik bèn op katten, zo gek wòrd ik van kattenogen.
Niet van levende katten, maar van die leuke dubbele ‘lichtjes’ op het midden van de weg. Ik weet wel, dat die dingen er liggen voor mijn veiligheid, maar vele kilometers lang is de rijstrook zo smal, dat ik niet al te dicht naar de kant durf te sturen. Geen zin in een aanvaring met stenen muurtjes, wegglijden in een greppeltje of overhangende takken tegen mijn voorruit, neem ik die kattenogen voor lief. Nou, lief. Irritant, dat constante geribbel!

Eén beeld…

Wat is het mooi, dat Killarney National Park!
Wat een schitterende weg voert mij van mijn overnachtingsplaats (ook al zo mooi middenin het park) naar Castlemain. Overwegend (weer) smalletjes weliswaar, maar wat geven mijn weinige tegenliggers en ik elkaar beleefd de ruimte, stoppend in een piepklein stukje bredere weg of stapvoets elkaar passerend, soms met ingeklapte buitenspiegels.*) Honderd procent genieten dus en niet te beschrijven zo fantastisch mooi. Dat beschrijven laat ik liever (en beter) aan George Bernard Shaw over, die ooit schreef: ‘Dit is een deel van onze droomwereld.’ Hoe mooi gezegd ook, het blijven woorden. Zegt één beeld niet meer dan duizend woorden? En negen beelden?

*) Wat dan weer niet geldt voor die ene boer op zijn trekker. Dik vijf kilometer tuttel ik achter hem aan met een gangetje van tien km/uur. Er zijn voldoende plekken waar hij even zou kunnen uitwijken om mij te laten passeren, maar mijnheer piekert er niet over. Ik heb alle tijd hem te observeren: platte pet, uitstaande oren. Ik had het kunnen weten…

En dan rijd ik Dingle binnen. Een groter contrast met het National Park kan ik me niet voorstellen. Het verkeer kruipt door het stadje. Links van me bomvolle enorme parkeerterreinen (met hoogtebalken), daarachter de oceaan. Rechts een onafgebroken sliert pubs, restaurants, hotels, winkeltjes en terrasjes. En waar ik kijk: flanerende toeristen. In drommen nemen zij bezit van dit stadje. Not my cup of tea.
Ik ben blij als ik de Dingle-drukte achter me kan laten en ga op zoek naar een overnachtingsplaats. Dat valt niet mee. Verschillende keren sla ik een zijweggetje in, volg dat een poosje, maar even zovele keren moet ik onverrichter zake terug naar de hoofdweg. Ik zoek op Claire-mijn-Garminnetje naar campings of camperplaatsen, maar die liggen zo’n tachtig kilometer verderop. Daar heb ik geen zin meer in. En over een half uurtje bereik ik Tralee, aangeduid als dè toeristische hoofdplaats van deze regio. Na Dingle heb ik daar al helemaal geen trek in vandaag. Omdat ik het zat ben, parkeer ik langs de hoofdweg. Rechts de drukte van het voorbijrazende verkeer, links de absolute rust van een graveyard. Ik heb leuker gestaan, maar ach, voor één nachtje, moet kunnen toch?

24 april 2019
Farrannacarriga
N 52 08.816 W 10 04.540
Dagteller: 166
Tripteller: 2203

Geduld een schone zaak?

Het Killarney National Park is het grootste nationale park van Ierland, met een oppervlakte van maar liefst 10.289 vierkante kilometer. Een van de hoogtepunten van dit park -juicht de folder- is het ‘Muckross House, prachtig gelegen aan een meer en omgeven door schitterende bloementuinen.’

Als ik even na tienen de immense parkeerplaats opdraai, staat het daar al behoorlijk vol. Ik parkeer op de speciale parkeerplekken voor campers, zo dicht mogelijk bij the old Schoolhouse, want dat wil ik zeker zien. Noem het beroepsdeformatie. Gewapend met mijn camera loop ik de paar honderd meter naar het gebouw… om er achter te komen, dat het toegangshek is afgesloten met een stevig hangslot. Ik loop een aardig eindje terug om dan maar eerst de traditional farm te bekijken. Er staat een beeld van een boer in de voortuin, maar ook hier is de entrance dicht.

Dan maar eerst naar het Muckross House. Dat kan bezichtigd worden, maar er zijn alleen guided tours. ‘U zult een uurtje moeten wachten, sir, op de volgende rondleiding’, zegt de baliedame. Op mijn vraag hoe het zit met dat gesloten schooltje en de boerderij krijg ik als antwoord dat die pas om één uur open gaan. ‘Maar u kunt natuurlijk wel de omgeving van het landhuis bekijken en door de tuinen wandelen’, krijg ik als tip. En daar loop ik dan: thuis heb ik mijn hele tuin strak laten betegelen, ik heb vier plantenbakken met kunstbloemen en hier… nou ja, mooi hoor die gazons als biljartlakens, die rotstuin, de rozentuin, maar het is 23 april, dus er staat nauwelijks wat in bloei. De Keukenhof in Nederland zal er op dit moment fraaier en uitbundiger bij liggen…

Om half twaalf ben ik terug in m’n bussie. Ik lunch, lees wat en maak kennis met een leuk Hollands echtpaar, dat in Ierland woont. Hij bouwt zelf ook campers en kijkt zijn ogen uit, wil van alles weten. Gezellige mensen en voor ik er erg in heb, is het inmiddels half twee. Voor de tweede maal loop ik naar het oude schooltje. Het slot is weliswaar van het hek, maar alle deuren zitten nog op slot. Gelukkig is de traditionele boerderij wel geopend. Als ik mijn entree heb betaald, krijg ik een flyer in het Nederlands (…) en legt de vrouw me uit hoe ik moet lopen. ‘Waarom is the old schoolhouse niet open?’, kan ik niet nalaten te vragen. ‘Dat gaat pas om twee uur open, mijnheer. Omdat het aan het eind van uw wandeling staat, snapt u?’ Ik snap het maar al te goed. Dacht ik in dat farmhouse het brood bakken, het boter karnen, de zadelmakerij en de smidse te kunnen zien, blijkt dat allemaal ondergebracht in aparte, historisch ingerichte cottages! Een uur klimmen en dalen. Een uur lopen om dat schooltje te bereiken. Jammer dat ik mijn kaartje al heb gekocht.
Samen met de nodige gezinnetjes met jonge (stads?)kinderen (‘Ach kijk, een geitje! Kijk nou, negen biggetjes! Wanneer gaan we naar de speeltuin?’), samen met die gezinnetjes dus sjok ik langs de bezienswaardigheden. Leuk hoor: ons Openluchtmuseum bij Arnhem, maar dan in het klein. ‘Gelukkig is mijn beloning dat oude schooltje aan het eind van de wandeling’, denk ik, puffend in de inmiddels strak schijnende zon.
En wat een aandoenlijk gebouwtje is dat schooltje. Vol verwachting stap ik naar binnen. Daar zijn alle deuren naar verschillende ruimtes op slot, op een deur na: die van een klaslokaal. Daar staat een (b)aardige, gepensioneerde schoolmeester die uitgebreid, zeer uitgebreid van alles vertelt over dit schooltje en het Ierse onderwijs. Leuk wel, maar ik ben de enige aanwezige en al halverwege zijn verhaal de draad kwijt. Ik hoor het helemaal aan, bedank hem hartelijk en ga naar m’n bussie. Topdag!

Bewegende beelden

23 april 2019
Killarney National Park
N 52 00.616 W 9 30.111
Dagteller: 91
Tripteller: 2037

Parkeertruc?

Het is hier op de parkeerplaats van Valentia Island de hele middag een komen en gaan van dagjesmensen. Die stappen even uit, genieten van het uitzicht over de bulderende Atlantische Oceaan en vertrekken weer. Anderen trekken hun ferme wandelschoenen aan en maken een rondje over het klifpad. Die laatste groep haalt dan een parkeerkaartje uit de automaat bij de ingang. Twee euro om hier twee uur te mogen staan. Ook ik trek braafjes zo’n ticket en plaats dat achter mijn voorruit. Slaat nergens op, want ik ben van plan hier te overnachten en ga beslist niet iedere twee uur een ‘vers’ kaartje halen.

Tegen het einde van de middag zijn alle dagjesmensen vertrokken en sta ik hier alleen, samen met nog twee andere campers. Het begint al wat te schemeren als er een auto het parkeerterrein oprijdt. Er stapt een oud, sjofel gekleed mannetje uit, dat -gekromd tegen de wind- naar mijn bussie komt. Hij gluurt naar binnen, ziet me zitten en klopt op de deur.
‘Good evening, sir’, begint hij, ‘wat een storm hè? En nog koud ook. U gaat hier overnachten? Dat is dan tien euro, alstublieft.’ Ik leg de man uit, dat ik al twee euro voor een kaartje heb betaald en verbaas me er over dat hij geld komt innen, want daar heb ik bij de automaat niets over gelezen.
‘Toch wel, mijnheer, toch wel’, zegt-ie, bibberend in zijn te dunne jas, ‘deze parkeerplaats is private en ik ben de owner. Maar als u al twee euro betaald hebt, hoeft u dus nog maar acht euro te betalen. Wilt u een ticket?’ Hij loopt moeizaam terug naar zijn auto en overhandigt me even later een soort van bonnetje met een datum erop. Ik bekijk die ticket. Het zegt me niks.
‘Luister mijnheer, eerlijk gezegd geloof ik niks van uw verhaal en dit bonnetje slaat nergens op. Er staat notabene de naam van een heel andere parkeerplaats op. Maar het waait hard, u heeft het koud, dus weet u wat, ik geef u een fiver voor uw mooie verhaal and that’s it.’ Hij pakt mijn briefje van vijf aan, bedankt me, tikt aan zijn pet en sloft terug naar zijn auto.

Benieuwd wat-ie straks thuis aan zijn vrouw vertelt.
‘Nou, die Hollanders, wat een gierige lui zijn dat. Willen niet eens het overnachtingsgeld betalen. Vijf euro gaf die kerel me. Ik heb maar niet moeilijk gedaan, want ik had het al zo koud, maar toch…’
Of zou hij zeggen: ‘D’r stond weer zo’n domme Hollander met een camper. Ik m’n verhaal ophangen, geloofde hij het niet. Hij deed een beetje moeilijk, die man, maar gaf me uiteindelijk toch vijf euro. Nou ja, alles beter dan niks, hè?’
En zou zijn vrouw dan zeggen: ‘Misschien moet je toch eens echte kaartjes maken?’

Troost met chowder

Voor de kust van Portmagee, een vissershaven op het schiereiland Iveragh, liggen de twee eilanden van Skellig. Op het grootste eiland –Skellig Michael– bouwden christelijke monniken in de zesde eeuw een klooster. Helemaal op de top van het eiland maakten zij schuilplaatsen in de vorm van bijenkorven, waar zij zich konden terugtrekken om te mediteren.

Op het bord bij de voetferry naar Skellig Michael zie ik dat er vier afvaarten per dag zijn. Ik sta in twijfel als ik de waarschuwingen lees: er is een steile, smalle, glibberige trap naar de top, dus zorg voor een goede conditie, trek stevige schoenen aan, trek een water- en winddichte warme jas aan en neem water en etenswaren mee in een rugzak, ‘zodat u uw handen vrij heeft bij de beklimming’.
Hm, is dit voor mij wel te doen? Twijfelachtig. Maar kom: ik heb al eerder deze reis geklauterd en geklommen en die ‘bijenkorven’ spreken me erg aan.

Het ticket office is gesloten en er hangt een briefje: Kellig Michael is ook een vogelreservaat en vanwege het broedseizoen zijn de afvaarten pas in de eerste week van mei mogelijk. Het is vandaag 22 april, Tweede Paasdag. Geen klimmen en klauteren dus. Geen beroemde ‘bijenkorven’.

Ik slenter wat langs de haven en verwerk mijn teleurstelling met een bord overheerlijke chowder in een van de vele visrestaurants.*)

*) Teleurgesteld of niet: oplettende lezertjes weten dat ik niet bepaald een aanleiding hoef te hebben om lekker buiten de deur te eten…

22 april 2019
P Valentia Island
N 51 53.528 W 10 23.756
Dagteller: 122
Tripteller: 1946

Charlie was here

Charlie Chaplin en zijn familie bracht vanaf 1959 meer dan tien jaar de zomers door in Ierland. In het plaatsje Waterville om precies te zijn, waar zij logeerden in het Butler Arms Hotel.
Ter nagedachtenis aan die vakantiebezoeken organiseert Waterville jaarlijks in augustus een Charlie Chaplin Filmfestival en werd er een bronzen standbeeld van deze filmlegende opgericht. En wie wil daar nu niet mee op de foto?

Kleine wasjes, grote wasjes

Of er ook een wasmachine aanwezig is op de camping, vraag ik de eigenaresse. Die is er niet, maar haar moeder wil wel in haar eigen machine een wasje draaien. Ik moet maar even aan haar vragen wat dat kost. ‘Eén was?’, vraagt mom, ‘enne (ze kijkt naar de lucht) ook in de dryer? Dat is dan € 24.’
Campings met wasmachine- en drogerfaciliteiten rekenen over het algemeen tussen de € 3 en € 5 voor een wasbeurt. Hetzelfde bedrag betaal je voor het gebruik van de droger. Geen wonder dat ik behoorlijk verbaasd en afwijzend reageer op de prijs die mom me wil laten betalen. Ik tik dus alleen mijn € 14 voor de overnachting af en loop terug naar m’n bussie. ‘Twintig euro?’, roept mom vanuit de deuropening van haar office. Me omdraaiend wimpel ik ook dat bedrag af. Zoveel was heb ik nou ook weer niet en die spijkerbroek, ach, die kan ik nog wel een paar dagen aan.

Nederland-Ierland 1-0

Bij mijn elfde (11e!) ontbijtje van deze trip pak ik de laatste AH mini-krentenbol uit het zakje. Hoe nauwkeurig ik dat bolletje ook bekijk, nergens bespeur ik een bedorven, grijs plekje. Kun je nagaan hoeveel conserveringsmiddelen ze in zo’n bolletje stoppen…

Dat geldt niet voor de scones, die ik drie dagen geleden bij de Lidl kocht: zo droog als hop. Niet weg te krijgen, zelfs niet met een extra kwak jam er op. Voer voor de schapen hier…

Mens erger je niet #2

Mijn Webasto diesel cooker doet het niet. Vreemd, die was toch gecontroleerd en getest na mijn laatste reis? Vijf minuten lang blijven er twee ledjes irritant knipperen, dan schakelt de kookplaat uit. Het lampje, dat aangeeft dat er nog restwarmte is, blijft aan.*) Geen idee waar die warmte dan is, want de plaat is ijskoud. Ik heb de handleiding inmiddels gedownload; het probleem wordt wel beschreven, maar de oplossing luidt: ga naar een officiële dealer…

Niet echt onoverkomelijk, dat die plaat het niet doet, want om nu te zeggen dat ik volop sta te koken in m’n bussie is op z’n zachts gezegd een understatement. Het feit alleen al dat ik er pas na een dikke week achter kom, dat die plaat het niet doet, zegt genoeg. Vervelend wel, want ik kan nu nog niet eens een eitje bakken…

*) En dat lampje blijft branden. Al dagen.

High on a hill was a lonely driver *)

*) vrij naar de Sound of Music

Als ik me klokslag tien uur meld bij de balie van het Allihies Copper Mine Museum & Copper Café, komt er een jonge vrouw met bovenmaatse oorringen verschrikt de keuken uit. ‘U komt voor het museum? Dan moet ik even de lichten aandoen en de deur van het slot halen. Momentje alstublieft.’
Het museum is drie huiskamers groot, ziet er goed verzorgd uit, maar bestaat alleen uit panelen met foto’s en teksten. Ik lees, dat de oorspronkelijke miners arm waren, analfabeet en een zwaar bestaan hadden. Jòh, verassend! Ik heb het snel gezien en doe daarna in het café langer over mijn koffie met warme brownie with wipped cream dan over het museumbezoek.
‘Did you like our museum?’, vraagt de kingsize oorbel als ze mij mijn koffie brengt. Ik reageer wat lauwtjes. ‘Misschien vindt u de originele kopermijn interessanter’, zegt ze, ‘u rijdt uphill het dorp door en gaat dan verder omhoog. Kan niet missen, want u ziet hem beslist liggen en hij is open voor bezichtiging.’ Ze kijkt even naar buiten naar mijn geparkeerde bussie. ‘Het weggetje is smal, maar goed te doen met uw campervan.’

Goeie tip. Op naar die kopermijn dus.
Het weggetje is inderdaad smal, maar -erger nog- ik rijd weer eens een dikke mist in. Om te zien hoe het weggetje loopt, heb ik al mijn zintuigen nodig. In de eerste versnelling kruip ik omhoog, steeds angstig in mijn buitenspiegels kijkend of ook de achterkant van m’n bussie zonder langs de rotsen te schrapen of in een greppel te belanden wel veilig door de soms scherpe bochten komt.
Op een gegeven moment gaat het weggetje zo steil uphill, dat ik de top niet haal. Halverwege een bocht, vlak voor de top, valt m’n bussie stil. Ik zet alle motorische hulpmiddelen in, maar als ik de handrem voorzichtig ontgrendel en gas geef, loopt m’n bussie alleen maar achteruit. Er zit niks anders op, dan mezelf achteruit te laten rollen. Vanaf een min of meer vlak stuk, probeer ik nog een keer de top te halen. Weer kom ik er niet overeen. En wat is er na die top? Door de mist kan ik dat niet zien. Ik stap uit en verken de rest van de weg lopend. Een scherpe bocht naar links. Ook dat nog. Om een lang verhaal kort te maken: tot drie keer toe neem ik een ‘aanloop’, evenzovele keren moet ik me terug laten rollen. Pas de vierde poging lukt.
Ik heb het gehad met die kopermijn. Jammer dan, maar dit is onverantwoord. Ik rijd hier helemaal alleen, ben al kilometers geen huis tegen gekomen en doodsbenauwd dat ik in die dichte mist ‘van het padje’ raak. Buiten is het acht graden, binnen breekt het zweet me uit. Ik draai beide raampjes open, doe mijn fleece uit en zet de airco aan (…).

Niet veel verderop is er links een piepkleine verbreding. Zal ik het wagen hier te keren? De ondergrond is stevig genoeg, maar er liggen wel de nodige rotskeien en er is een greppeltje. Met acht keer steken (ik heb het geteld), steeds uitstappen om de situatie voor en achter te bekijken, lukt het me m’n bussie gekeerd te krijgen en kan ik tuttel-de-tuttel aan de terugweg beginnen. Twee kilometer downhill is lang hoor, maar als ik eindelijk de Barea Ring weer heb bereikt, slaak ik een zucht van verlichting en stop bij de eerste de beste gelegenheid (naast een kerkhof, hoe treffend). Ik maak een kop extra sterke koffie, steek een dikke sigaar op en poets de zweetplekken van mijn bril. En ik trek mijn fleece weer aan…

Ik vind het wel welletjes voor vandaag. Na de lunch onderweg heb ik niet eens zin om een leuk plekje voor de nacht te zoeken. Voor het eerst na tien dagen rijd ik een campsite op.

21 april 2019
Creeveen Lodge C&C Park
N 51 45.310 W 9 45.671
Dagteller: 115
Tripteller: 1824

Eigen volk eerst

Er liggen aardig wat grote en kleine eilanden voor de Ierse kust, maar Dursey is bijzonder. Ik rijd de schitterende weg langs de noordkant van het Beara schiereiland om te eindigen bij Dursey Sound. Daar -uniek in Ierland- bevindt zich de Dursey Island Cable Car, een kabelbaan die je in tien minuten naar het eiland brengt. Er is helemaal niks op dat 6,5 kilometer lange en 1,5 kilometer brede eiland: geen winkels, geen pubs, geen restaurants en nauwelijks wegen. Drie gezinnen wonen er op Dursey, totaal zes permanente bewoners. Die eilandbewoners hebben voorrang bij de overtocht met de cable car. En er vaart -alleen voor de eilandbewoners- een klein pontje, waarmee ze hun cattle heen en weer brengen. Mooi toch om dat allemaal met eigen ogen te gaan bekijken?

Tien kilometer voor die kabelbaan rijd ik de mist in, die zo dicht is dat ik er een spijker kan inslaan om mijn jas aan op te hangen*). Met een gangetje van nog geen twintig kilometer per uur bereik ik de parkeerplaats van de Cable Car, die ik op dat moment op een paar honderd meter uit de kust in de mist zie verdwijnen. Van het eiland zelf is niks te zien. ‘Gisteren was het hier prachtig’, vertelt Susan uit Dublin vanuit het geopende raampje van hun camper. ‘Jullie hebben hier overnacht?’, vraag ik, ondanks de bordjes No overnight camping of caravans/campers?’ ‘Natuurlijk. We stonden vanaf gisterenavond hier helemaal alleen op deze schitterende plek. En die bordjes? Ach, wij hier in Ierland zijn niet zo strictly en bovendien is er een tekort aan policemen, dus…’
Dus? Dus parkeer ik m’n bussie ook langs de waterkant. Dus draai ik m’n ‘waterpas-pootjes’ uit en dus maak ik op m’n gemak een kop koffie. En straks maar weer eens een maaltje fish & chips halen, want die foodtruck had ik bij mijn aankomst hier in de gauwigheid meteen al zien staan… ‘Vanmiddag klaart het op’, had Susan me bij hun vertrek nog gezegd.
Het wordt gaandeweg drukker en drukker op de parkeerplaats. Overwegend mannen, die uit hun kofferbak stevige bergschoenen, dikke jassen en rugzakken pakken. Die zich bij hun auto omkleden en per zes man (meer passen er niet in de gondel) in de mist verdwijnen op weg naar het eiland. ‘Om te hiken’, legt Patrick, de man van Susan uit. ‘Om de ruïnes van de kerk en het kasteel te bekijken of de seintoren. Hebben wij gisteren ook gedaan. Schitterende wandeling, nietwaar son?’. Hun tienjarig zoontje kijkt me mistroostig aan en gaapt verveeld. Ik voel met hem mee.

*) Niet van mezelf , deze opmerking, maar van een goede vriend uit mijn dorp.

Bewegende beelden

20 april 2019
Dursey Sound
N 51 36.590 W 10 09.279
Dagteller: 62
Tripteller: 1719

Ontmoetingen #1

Hij heeft twee enorme, gele voortanden, de man die mij aanspreekt als ik uitstap. Met de hand waarmee hij zijn Lidl-boodschappentas vasthoudt, wijst-ie op mijn cabine: ‘Uw stuur zit aan de verkeerde kant!’
Als ik hem uitleg, dat ik met een Hollandse bus rijd en dat het stuur dus wel aan de goede kant zit, schiet hij in de lach. ‘Weet ik toch’, zegt-ie, ‘zag ik al aan het kenteken. Ik woon zelf pas vijf jaar hier in Ierland. Ben geboren in Eindhoven. Fijne dag nog!’

‘Neem me niet kwalijk, dat ik zo onbeleefd ben om voor te dringen’, zegt de vrouw op leeftijd met piekerig, grijs haar, ‘maar ik sta dubbel geparkeerd.’
‘Geen probleem mevrouw, ik heb alle tijd van de wereld. Ga gerust uw gang.’
‘U bent geen Ier, hè. Waar komt u vandaan? Uit Nederland? Grappig. Ik ben geboren in de Achterhoek en woon nu al weer dik twintig jaar in Ierland. Bedankt dat ik even voor mocht, nogmaals mijn excuus en nog een prettige reis!’

19 april 2019
Lickeen West
N 51 46.409 W 9 35.621
Dagteller: 101
Tripteller: 1657

Mens erger je niet #1

Vandaag precies een week onderweg: grote en kleine ergernisjes.

Straaltje water
Sta ik uitgebreid mijn haar te wassen, zie ik bij het afdrogen een klein straaltje water onder de keukenkastjes vandaan komen. Dat was toch opgelost na mijn reis door Eurazië? Jammer.

Claire
Het schermpje van Claire-mijn-Garminnetje schakelt regelmatig over naar de spaarstand of gaat uit. Voeding weggevallen, is dan het laatste wat ik zie. Ook die klacht was toch opgelost? Als het even kan, schiet ik de kant in, maak een kop koffie en reinig de contactpuntjes van Claire met after shave. Zit alcohol in, nietwaar? En kijk: daarna geen last meer gehad van uitval.

Internet
Heb ik bij de voorbereiding van deze reis een wifi router gekocht en een abonnement genomen bij T-Mobile om overal waar ik ben internet te hebben. Ben ik al een week bezig ook daadwerkelijk verbinding met dat internet te maken, maar wat ik ook probeer, het lukt me niet. Stap ik in Bantry een computerwinkel binnen, maakt die man dat (kostenloos) voor me in orde. Vraag me niet wat hij gedaan heeft, maar het werkt. ‘Maar’, waarschuwt de man, ‘uw T-Mobile abonnement werkt alleen met roaming. En dan vliegen de euro’s uw portemonnee uit. U kunt beter een Ierse simcard gebruiken, dan bent u goedkoper uit.’ Hij verwijst me naar een telefoonwinkel, waar ik voor € 20 een simcard in mijn TP-Link laat zetten, met voor een maand een tegoed van 60 Gb. En het werkt! Zit ik dus voor een jaar aan T-Mobile vast voor € 18 per maand met een maximum van 5 Gb, waar ik niks aan heb…

Lade
Vliegt er bij een bocht een lade door het slotje heen uit mijn keukenblok. Ik stop, probeer de lade weer op zijn plek te krijgen, maar zonder resultaat. Ik haal de lade uit het blok en leg hem op bed. ‘Kijk ik op mijn gemak wel naar als ik op mijn overnachtingsplek sta’, denk ik.
Ik ben aan het prutsen om die lade weer ‘lopend’ te krijgen. Het lukt me niet. Snap ook niks van de werking van die geleiders. Haal steeds meer dingen uit elkaar. Fout. Moet ik niet doen als ik er geen verstand van heb. Na zo’n drie kwartier geef ik het op, stop alle onderdelen in een plastic tasje en zet de lade achterin onder mijn bed. Dan maar zeven laden in plaats van acht. Geen gezicht natuurlijk, zo’n open gat in mijn keukenblok, maar waarschijnlijk heb ik al genoeg verprutst met mijn geklooi. Misschien een dezer dagen bij een Ierse keukenboer aanwippen? Of anders terug in Nederland oplossen.

Smalletjes

De route die ik door Ierland rijd, voert vaak over smalle wegen. Dat beaamt ook het Deense echtpaar, die de Atlantic Way van noord naar zuid al heeft gereden. ‘En waar wij ons over verbaasd hebben’, zegt de vrouw, ‘dat je op de meest smalle, bochtige weggetjes vaak nog tachtig kilometer per uur mag rijden! Maar dat hebben wij dus niet gedaan.’ Ik tot nu toe ook niet: met 40, 50 kilometer per uur dreutel ik over die weggetjes, soms nog wel langzamer. ‘Op het gemakske’, zou een goede vriend uit Zeeuws Vlaanderen zeggen.

Het is schitterend rijden hoor en de omgeving is prachtig, maar als ik weer eens op zo’n weggetje zit, doe ik half hardop een schietgebedje, dat er geen tegenligger aankomt. Gebeurt dat toch, dan doen die Ieren niet moeilijk: gaan zoveel mogelijk aan de kant (ik ook uiteraard), zodat we elkaar stapvoets met de spiegels ingeklapt, kunnen passeren. Centimeterwerk! Al te veel naar de kant van de weg is trouwens oppassen, want die lieflijk aandoende groene verhogingen aan weerszijden van de weg zijn met gras en mos overwoekerde stenen muurtjes.
Trouwens, die tegenligger moet geen vrachtwagen zijn, want dan is elkaar passeren niet mogelijk. Passing places zijn er nauwelijks, dus een van de twee zet dan de versnelling in zijn achteruit en rijdt terug naar een stuk waar het iets breder is. Of je draait eenvoudigweg achteruit de ‘oprijlaan’ van een naast de weg gelegen huis op. Met een wederzijdse druk op de claxon en een opgestoken hand vervolgen we dan onze weg. Relaxed? Best wel, maar soms is het behoorlijk pielen als de weg ook nog eens steil omhoog of omlaag gaat.

Tochtig…

Het is heerlijk weer die middag op mijn overnachtingsplek, maar ’s avonds wordt het frisser en moet de kachel aan. Als ik met koffie, pijp en een boek op de bank zit, voel ik het tochten. Niet zo vreemd, want ik sta pal aan de Atlantische Oceaan en de harde wind doet m’n bussie schudden. Maar tocht? Nog niet eerder meegemaakt. Ik ga voelend op zoek waar die tocht vandaan komt, maar kan niks vinden. ‘Zal mijn positie zo pal op de wind zijn’, denk ik dan maar. Later in bed kruip ik diep onder het warme dekbed.

Als ik de volgende morgen opsta en iets uit de cabine moet pakken, merk ik dat het raampje aan de bijrijderskant half open staat. Geen wonder dat het zo tochtte! En ik voor het slapen gaan maar nauwkeurig alle deuren vergrendelen, zodat niemand ongevraagd en ongenood m’n bussie in kan. En dan zo’n raampje open laten staan. Handig!

Klif klauteren

Zo, dus dit is de meest zuidelijke punt van Ierland, in het hoogseizoen per dag bezocht door zo’n slordige achthonderd toeristen? Als om half elf het ticket-office opengaat, kopen welgeteld vier bezoekers een kaartje: ik dus en een Oostenrijks echtpaar met een tienerdochter. In de bulderende wind begint dit kwartet aan de wandeling naar het voormalige signaalstation en de vuurtoren op Fastnet Rock. Die vuurtoren wordt the teardrop of Ireland genoemd: dit was het laatste wat de miljoenen emigranten van hun vaderland zagen, op weg naar vreemde kusten.
Het drietalletje Oostenrijkers laat ik al snel achter me, omdat vader en moeder vooral bezig zijn hun dochter in allerlei bevallige poses op de foto te zetten, met op de achtergrond de beroemde kliffen. Alleen wandel ik verder. Wandelen is niet echt het juiste woord: ik sjok, klim en klauter puffend helling op, helling af naar het Mizen Head Visitor Centre, het hoogste punt van de klif. Daar bekijk ik de Marconi Radio Room en de Station Keeper’s Quarters. Er ligt een ouderwetse etalagepop in een bed en er zit een tweede pop aan tafel te eten. Boeiend…
Ik heb het gezien, de tentoonstellingsruimte met tekeningen van gevederde vriendjes en lokale plantjes overgeslagen en begin aan de terugtocht naar m’n bussie. Over de spectaculaire brug tussen de kliffen en over de trap met 99 treden. Anderhalf uur ben ik onderweg geweest. Anderhalf uur geklommen en geklauterd met dat onconditionele lijf van me. Alle reden dus (…) om terug bij het restaurant de catch of the day te bestellen: deep fried wild Atlantic haddock with chips & salad, staat er op de menukaart. Zeg maar gewoon fish and chips, want dat is het.

Bewegende beelden

 

Als na de maaltijd Michael-van-het-restaurant me ook nog behulpzaam is met het bijvullen van mijn watertank en als de zon inmiddels is doorgebroken, besluit ik vandaag niks meer te ondernemen en hier te overnachten. Want wat is het prachtig hier, wat een waanzinnig uitzicht over de baai heb ik door mijn voorruit en wat heb ik genoten van het klif-klauteren. En wat heb ik nu al spierpijn…

18 april 2019
Mizen Head
N 51 27.099 W 9 48.619
Dagteller: 57
Tripteller: 1555

Duidelijk toch?

Bij de pub waar ik voor de deur overnacht, hangt bij de ingang een bordje waarop staat dat kinderen welkom zijn tot negen uur ’s avonds.
Lijkt me op het eerste gezicht duidelijke taal, maar als ik het nog eens goed lees, staat er dat kinderen after negen uur ’s avonds de pub moeten verlaten. Foutje of Ierse humor?

17 april 2019
Inishbeg
N 51 31.209 W 9 20.548
Dagteller: 111
Tripteller: 1598

Growing eloquent

There is een stone there
That whoever kisses
Oh! He never misses
To grow eloquent.

Blarney Castle wordt jaarlijks bezocht door tienduizenden toeristen. Er is een Rock Close, een Water Garden, een Fern Garden, Wishing Steps, een Witches Kitchen, de Druide Cave, een Sacrificial Altar, een Fairy Glade en nog veel meer. Maar alle bezoekers van dit tachtig hectare grote landgoed komen vooral voor de beroemde Barnley Stone. Beklimmen de smalle en glibberige trap de toren in om daar die steen te kussen. Immers: volgens de legende krijgt iemand die dit blok blauwsteen in de borstwering van het kasteel kust the gift of gab (de gave van welsprekendheid of de kunst van het vleien; gab betekent kletspraat). Dat wil ik meemaken, sterker nog: dat is de enige reden dat ik hier beland ben. Die plantentuinen (mooi hoor) met die naambordjes erbij boeien me niet.

Dus klim ik de trap op naar boven. Dus schuifel ik bij de borstwering mee in het rijtje naar de steen. Die zit niet bepaald op een makkelijk bereikbare plaats: ik moet mijn pet en bril afzetten, dan op mijn rug gaan liggen, twee ijzeren stangen achter me stevig vastpakken en dan langzaam naar achteren schuiven met mijn hoofd achterover naar beneden. Gelukkig is er een kasteelmannetje dat je vasthoudt en ervoor zorgt dat je niet achterover in dat gat naar beneden dondert. ‘Now you can kiss the magic stone’, roept het mannetje dan als je ver genoeg achterover hangt. Dat heb ik dan maar niet gedaan, dat hangen was al leuk genoeg, the gift of gab hoef ik niet, want welsprekend vind ik mezelf best al wel en ook vleien gaat me aardig af. En bovendien: hoeveel eeuwenoud, goor speekselprut zit er na al die jaren wel niet op die steen?

Toch wel leuk genoeg om dat kushangen voor het nageslacht vast te leggen, vraag ik twee achter mij schuifelende Amerikaansen of ze mijn ‘gekus’ willen tapen. Ik leg uit op welk knopje ze moeten drukken om de video-opname te starten. ‘Laat maar gewoon lopen’, voeg ik er nog aan toe, ‘nergens anders aanzitten, alleen dat ene knopje.’ Als ik -eenmaal weer beneden- een stukje film wil opnemen, zie ik dat mijn camera volledig staat ingezoomd. Kijk ik later op de dag de beelden terug, zie ik schokkerige, wazige beelden en hoor ik de Amerikaanse zeggen: ‘Oh my God, I pressed the zoom button…’

Bewegende beelden

16 april 2019
Tracton
N 51 45.691 W 8 23.523
Dagteller: 231
Tripteller: 1487

Mistige start

Als ik wegrijd vanaf mijn overnachtingsplaats druilregent het. Erger is de dikke mist, die me het zicht grotendeels ontneemt. Vervelend, want dat maakt het rijden behoorlijk oncomfortabel. De mist is zo dicht, dat ik me moet concentreren op de rijstrookstrepen op de weg (ik heb mijn rijstrookwaarschuwing aangezet), dat ik op de kaart van Claire-mijn-Garminnetje moet rijden en dat ik mijn snelheid noodgedwongen beperk tot 40, 45 km per uur. Het moet hier schitterend zijn, maar ik zie er niets van. Ik rijd door dorpjes, maar zie de bebouwing aan de overkant van de straat nauwelijks. Ik hoor de golven van de zee bulderen, maar kan ze niet ontdekken. Ik zie pas op het laatste moment de koplampen van tegenliggers op me afkomen. Ik rijd een ferry op en steek de rivier (?) over in een kleine, grijze wereld. Ik krijg branderige ogen van het geconcentreerd turen en ben blij, dat na een uurtje de mist optrekt en het zonnetje doorbreekt. Dan pas zie ik door wat een schitterend landschap ik rijd.

Lang duurt dat niet, want na een half uurtje trekt het weer dicht. Goed dat ik van die korte opklaring gebruik heb gemaakt om bij een lieflijk klein haventje een kop koffie te maken en mijn ogen wat rust te gunnen. Door flarden mist en kilometers lange mistbanken tuttel ik daarna verder naar mijn eindbestemming van vandaag: Blarney Castle and Gardens. En kijk: als ik daar op de enorme parkeerplaats mijn bussie neerzet, breekt de zon door.

Heb ik dat?

Drie dagen op weg. Drie dagen stralend zonnig weer in België en Frankrijk. Rijd ik in Rosslare de ferry af, komt de striemende regen met bakken uit een loodgrijze hemel. April en mei, schrijven de reisgidsen, is de beste tijd om Ierland te bezoeken…

Geen zin om met dit weer mijn eerste verkenning van Ierland te beleven, duik ik luttele kilometers na de ferry de parkeerplaats van de McDonalds op. Doe niks meer vandaag (zo lekker heb ik aan boord nou ook weer niet geslapen in dat hutbedje, vooral omdat ik nogal heen en weer geschud werd door de golfslag).

15 april 2019
Wexford langs de N11
N 52 18.238 W 6 27.504
Dagteller: 17
Tripteller: 1256

Pollution

Op het rookdek raak ik -hangend over de reling- aan de praat met een Française. Als ze haar filtersigaret op heeft, drukt ze die uit op de reling, loopt naar de asbak achter haar en gooit daarin de filter.
We zitten midden op zee en ik piek mijn sigarenpeuk over de reling het water in. Ze kijkt me verbaasd aan. ‘U draagt wel bij aan de pollution van de zee, mijnheer’, zegt ze verwijtend. ‘En wat, mevrouw, zou er met dat peukje van mij kunnen gebeuren, denkt u?, repliceer ik. Ze hoeft niet lang na te denken: ‘Nou eh, eh, dat zou door een walvis ingeslikt kunnen worden en dan eh…’ Ik schiet in de lach, denkend dat ze een grapje maakt. Ze kijkt me bestraffend aan. Ze meent het…

Privacy 2019

In een gedeelte van de lounge zit een groep van zo’n zestig kinderen. Ik schat in dat het brugklassers zijn. Ze zitten met viertallen aan een tafeltje en zijn druk bezig een opdracht uit te voeren. Twee leraressen lopen tussen de leerlingen rond, geven aanwijzingen en proberen de kinderen bij de les te houden. Dat valt niet mee, want op het grote televisiescherm wordt op dat moment de wedstrijd Liverpool-Chelsea uitgezonden.
Ik spreek een van de leerkrachten aan. Wat ik vermoedde, klopt: het zijn Franse middelbare scholieren op weg naar een educatief uitstapje in Ierland. Of ik de groep mag filmen, is mijn vraag. ‘Non, non, monsieur’, zegt de professeur gedecideerd, ‘de ouders van deze kinderen hebben geen toestemming gegeven voor foto- of filmopnamen…’

Lummelen

Zeggen ze wel eens iets over de lange wachttijden op vliegvelden voor je de lucht in gaat, maar op ferry-terminals is het niet anders. Ik sta helemaal vooraan de lane als om kwart voor een het hek open gaat en het boarden begint. Ik rijd een paar honderd meter en stuit dan op een gesloten tweede hek. Wachten.
Na een poosje gaat ook dit hek open en kan ik oprijden tot de paspoortcontrole. Even verderop gebaart een gele hes me in lane 6 aan te sluiten. Wachten.
Weer mag ik een stukje oprijden: ticketcontrol. En wachten, wachten tot ik eindelijk de oprit naar de ferry mag oprijden (en die gele Stenau-hes staat nog driftig te gebaren ook, dat ik op moet schieten…). Om kwart voor drie trek ik aan boord de handrem aan, pak mijn spulletjes voor de overnachting bij elkaar en sluit m’n bussie af. Twee uur lummelen…

Bed geregeld

Ik vond het al zo raar, dat ik geen hut kon reserveren toen ik maanden geleden online mijn overtocht boekte van Cherbourg naar Rosslare. De enige mogelijkheid (een vierpersoons hut) was weliswaar een optie, maar werd geweigerd omdat ik alleen reisde. ‘Gek’, had ik gedacht, ‘als ik nou wil betalen voor vier personen, moet ik dat toch zelf weten?’ Vervelend wel, want voor een overtocht van ruim achttien uur kon ik nu alleen maar een (slaap)stoel reserveren. Toch maar informeren bij de terminal in Cherbourg of dat niet anders kon.

Om tien uur gaat het reserveringskantoor open van de Stenau Line op de terminal van Cherbourg. Om vijf over tien meld ik me bij de balie en leg mijn ‘probleem’ uit. ‘Ik zie het al’, zegt de vriendelijke baliemedewerkster nadat ze mijn reserveringsformulieren heeft bekeken, ‘u heeft bij Direct Ferries geboekt en niet rechtstreeks bij ons. Natuurlijk kunt u een hut krijgen. Ik boek de gereserveerde stoel af en geef u een hut op dek 6.’
Blij dat ik lekker in een bed kan slapen en morgenochtend kan douchen, tik ik € 85,– af en ontvang mijn boardingpass, mijn cabinereservering en mijn vouchers voor het diner en het ontbijt. Tevreden loop ik terug naar mijn bussie. Het is half elf. Om twaalf uur begint het boarden, om drie uur is de afvaart. Alle tijd om de Presse de la Manche te lezen, koffie te drinken en te lunchen…

14 april 2019
Aan boord ferry Cherbourg-Rosslare
Cherbourg: N 49 38.429 W 6 20.309
Rosslare: N 52 15.305 W 6 20.309
Dagteller: 69
Tripteller: 1239 (inclusief 593 km aan boord)

(more or less) Translate »