2018 Camper Eurazië

Verantwoording

Foto’s: Frits Mahn, Anne Marie van Overmeire en Harrie Roozen.

Video: Frits Mahn
Klik op het logo om naar de videopagina te gaan.

NEDERLAND HEEN
maart/april

On the move!

De laatste administratieve hobbel is genomen: de visa zijn binnen.
Ik kan on-the-move…

Oud en nieuw

2018_eurazie_0001
2018_eurazie_0003

Ik weet ook wel, dat het vandaag -31 maart 2018- paaszaterdag is, maar ik doe gewoon alsof het december is en vier oud en nieuw. De reden? Ik heb mijn ouwe trouwe bussie van de hand gedaan en een splinternieuwe Fiat Ducato bestelbus gekocht, die ik geheel naar eigen wensen heb laten ombouwen tot een camper. Bussie 2.0 dus*)

En dat nieuwe bussie wordt meteen goed op de proef gesteld met een maiden trip van -ruw geschat- zo’n slordige 50.000 kilometer. Prima toch? Benieuwd of alles motorisch in orde is en blijft. Benieuwd of alle techniek in het interieur goed werkt en blijft werken. Eén ding is in ieder geval zeker: bussie 2.0 wordt wel lekker ingereden en -als mijn planning klopt- ben ik precies op tijd weer thuis voor mijn eerste 48.000-kilometer-servicebeurt!

*) klik op de foto hieronder en bekijk het Ducato-bouwboek

DUITSLAND HEEN
april

Langweilig

Saai, saai, saai, die Duitse Autobahnen. Toegegeven: je schiet lekker op, je kunt kilometers maken en het is op deze paaszondag gelukkig niet druk. De cruisecontrol staat bijna constant aan, op de radio heb ik een zender gevonden met nostalgische muziek, maar af en toe zit ik te gapen van verveling. Dan pak ik m’n Motorolaatje en penis een beetje met m’n voor mij rijdende campervrinden.
Kijk, wegwerkzaamheden. Even op een smal baantje met 80 km/uur. Afleiding!

OVERNACHTING #1

Jeugdsentiment

Hoe lang is het geleden dat ik hier voor de eerste keer stond?
Geen idee. Lang in ieder geval, want ik was er samen met Nel en ver voor de Wende. We waren naar Berlijn gereden voor een korte vakantie en brachten ook een bezoek aan Helmstedt-Marienborn, daar waar je van het toenmalige West-Duitsland de grens kon oversteken naar Oost-Duitsland. Voor ons westerlingen was een bezoek aan Oost-Duitsland taboe en van een flinke afstand van dit ijzeren gordijn maakte ik destijds vanaf de ‘veilige’ westzijde met maximaal ingezoomde videocamera bibberende beelden. Indrukwekkend was het. Troosteloos ook en vooral deprimerend.

Helmstedt-Marienborn is tegenwoordig een monument en kan vrij bezocht worden. Behalve een groot bord met een aankondiging is de grensovergang nog helemaal in oude staat. En nog steeds even troosteloos als toen. De zwaarbewolkte lucht en de restanten van de winterse sneeuw maken het alleen maar nog indrukwekkender.

Dagritme

Van mensen die op vakantie zijn, hoor je wel eens dat ze de dagen kwijt zijn vanwege het onbezorgd genieten. ‘Wat voor dag is het eigenlijk vandaag?’, vragen ze dan aan elkaar.

Heb ik geen last van. Zal mij niet overkomen.
Toch nog een voordeel dat ik dagelijks mijn medicijnen moet innemen…

OVERNACHTING #2

POLEN HEEN
april

Hoofdkwartier

Het getuigt toch wel van grootheidswaanzin (hoogbegaafde krankzinnigheid, zo je wilt) als je  in het uiterste noorden van Polen, dichtbij de Russische grens, in de bossen rondom Görlitz een zwaarbeveiligd complex laat aanleggen van zo’n 2,5 vierkante kilometer en daar je hoofdkwartier laat bouwen om van daaruit ‘Operatie Barbarossa‘ (de inval van de nazi’s in Rusland) te leiden. Zo’n figuur was Adolf Hitler. Hij verbleef bijna 900 dagen hier in de Wolfsschanze, samen met zijn staf, waaronder Martin Borman, Wilhelm Keitel, Hermann Göring, Alfred Jodl en Joachim von Ribbentrop.

Eind januari 1945 werd dit hoofdkwartier door de Duitsers zelf grotendeels verwoest en sindsdien liggen de restanten van het complex er onaangeroerd bij en neemt de natuur langzaam bezit van het bunkercomplex. Bizar om daar nu rond te lopen, letterlijk in de ‘voetsporen’ van Hitler die hier ooit spazierte met zijn herdershond Blondie.

Merkwaardig verhaal over Claus Graf Schenk von Staffenhausen.
Op 20 juli 1944 arriveert hij op de Wolfsschanze voor een stafbespreking met Hitler en zijn kornuiten. In de conferentiebarak waar de bespreking zal plaats vinden, zet hij een aktetas met een bom onder de vergadertafel. Zelf verlaat hij kort daarna de ruimte met de smoes dat hij een dringend telefoongesprek moet voeren. De bom explodeert, maar de tafel is zo zwaar (…), dat slechts vier mensen gedood worden en Hitler de aanslag overleeft met alleen wat lichte verwondingen.
Dat was juli 1944. Je kunt je afvragen of de Tweede Wereldoorlog anders zou zijn verlopen als die aanslag wel gelukt was. Dat de vrede nog een krap jaar op zich liet wachten, is dus misschien te wijten aan die massief zware tafel. Deutsche Gründlichkeit…

OVERNACHTING #3

Poolse vrouwen: dobre

In een miezerige regen loop ik door Wegorzewo op zoek naar een restaurant. Een paar huizen voor me draait een auto het erf op. Op een holletje loop ik naar de jonge vrouw die uitstapt en haar huis wil binnen gaan.
‘Een restaurant?’, (ze trekt haar wenkbrauwen zo hoog op, dat ze bijna verdwijnen onder haar pikzwart geverfde haar), ‘een restaurant? Eh… dat is in het centrum. U moet vanaf hier naar de rotonde rijden en daar slaat u dan eh…’
Ik maak van haar denkpauze gebruik om uit te leggen dat ik te voet ben. Ze bedenkt zich geen moment, opent uitnodigend het portier van haar auto en biedt aan me even te brengen. Tien minuten later zit ik aan een tafeltje met een groot glas bier en een wodka.

De menukaart is in het Pools. Ik wend me tot twee vrouwen aan het tafeltje achter me die net hun maaltijd geserveerd krijgen.
‘Eet u smakelijk’, begin ik, ‘wilt u misschien zo vriendelijk zijn me te helpen met de menukaart? Ik zou graag een typisch Poolse maaltijd willen bestellen.’ Niet veel later wordt er een bord voor mijn neus gezet met een dubbelgevouwen pannenkoek van zoete aardappelen, gevuld met gehakt, tomaten, paprika en uien, vergezeld van een portie salade.

Als ik klaar ben, bedank ik de vrouwen voor hun hulp en bied ze als dank een kopje koffie aan, dat ze beleefd weigeren. We raken aan de praat: waar ik vandaan kom, hoe ik reis en wat mijn reisdoel is. Ik kijk op mijn horloge en beëindig het gesprek met de mededeling dat ik -hoe gezellig ook- beslist op moet stappen om nog voor het donker terug bij mijn camper te zijn.
‘En moet u dan door de regen gaan lopen? Hoe bent u dan hier gekomen?’
Ik leg uit dat ik op de heenweg door een aardige vrouw hierheen ben gebracht.
‘Wij stonden toch op het punt te vertrekken en wij willen u best even brengen hoor. Dat is voor ons maar een klein stukje om.’

Als we niet veel later naast m’n bussie parkeren, bedank ik beide vrouwen vriendelijk.  Ze wensen me nog een prettige vakantie toe. Ik stap mijn huis-op-wielen binnen en maak een kop koffie. Dobre, dobre, die Poolse vrouwen!

OVERNACHTING #4

LITOUWEN HEEN
april

Op herhaling

Zo’n twaalf kilometer ten noorden van de stad Šiauliai ligt de Heuvel der Kruizen of Kruisheuvel. Die had ik op een van mijn eerdere reizen in 2009 al eens bezocht, beklommen en bekeken.*) Toen -negen jaar geleden- was er een klein parkeerplaatsje pal naast de heuvel, nu een gigantische parkeerplaats met een tourist information centre, een grote kraam met (toeristen)kruizen, een luxe winkel met sieraden en… een tunnel om die beroemde heuvel te bereiken.

*) Dit schreef ik in 2009 over deze bezienswaardigheid:

Ik loop rond over de beroemde Kruisheuvel bij het plaatsje Šiauliai. Verbaas me over de enorme hoeveelheid kruizen. Indrukwekkend. Tot mijn oog valt op een oud, verweerd kruis. Nooit geweten dat Jezus zo sportief was…

 

Korea in Litouwen

Als ik nog maar net voor de nacht geparkeerd heb bij de Kryžiu Kalnas keert een groep Zuid-Koreanen terug van hun bezoek aan de Kruisheuvel. Ze wijzen elkaar op m’n bussie en het duurt niet lang tot er een aantal nieuwsgierig naar me toe komt.

‘Mooie bus, sir! (ik krijg een applausje). Waar komt u vandaan? Hoe oud bent u? Waar is uw vrouw of uw vriendin? Heeft u kinderen? Waar gaat u naartoe? Wat kost zo’n camper nou in euro’s? En mogen we even binnen kijken?’ Natuurlijk mogen ze even binnen kijken, als ze tenminste hun voeten vegen. Ik moet het voordoen en daarna verdringen ze zich in m’n bussie. Als dank krijg ik echte Koreaanse snoepjes aangeboden en natuurlijk willen ze samen met mij op de foto.

De chauffeur van hun touringcar toetert ten teken dat hij wil vertrekken. Na nog een applausje en de nodige hartelijke woorden en vele malen handen schudden, lopen ze naar de overkant en vertrekken. Als hun bus langs mij rijdt, wordt er vrolijk vanachter de ramen naar me gezwaaid.

OVERNACHTING #5

Een gewaarschuwd mens

‘Denkt u dat ik hier met m’n bus doorheen kan?’
De bestuurder van de trekker schudt beslist zijn hoofd.
Na de bocht op het modderige weggetje vol kuilen dat moet leiden naar de wisentboerderij Stumbrynas zie ik hem de ‘weg’ versperren, druk doende een personenauto uit de blubber te trekken. Onverantwoord dus om het risico te nemen ook vast te komen zitten, net als de onfortuinlijke bestuurder van de personenauto, die -eenmaal weer ‘vaste grond onder de voeten’- zich het (angst)zweet van het voorhoofd wist.

Gestrand dus op 600 meter van Stumbrynas, waarvan we de gebouwen aan het einde van het pad kunnen zien. Er zit niets anders op dan te keren op dat smalle, glibberige weggetje. Alleen met aanwijzingen (leve de campervrinden!) lukt het door vier, vijf keer te steken.
Eenmaal een stukje terug parkeren we op een gedeelte met een hardere ondergrond. Beide campervrinden blubberen moedig naar de oerrunderen, ik hoef die beesten niet te zien, eet mijn vertrouwde drie sneetjes Allison-met-kaas en ontmodder daarna het interieur van m’n bussie…

OVERNACHTING #6

LETLAND HEEN
april

Van het kastje… #1

Mijn autoverzekering heeft geen dekking in Rusland. ‘Ergens vlak voor de grens’ moet ik dus een Russische groene kaart regelen. We hadden thuis gelezen, dat we dit konden doen bij de laatste benzinepomp in Letland.

Die laatste benzinepomp ziet er niet uit: één grote blubberige modderpoel met diepe sporen van vrachtwagens, waarvan er een aantal geparkeerd staat. Er zijn twee onooglijke gebouwtjes. Als we -de ergste modderpoelen vermijdend- bij het eerste binnenstappen, zit daar een man achter een balie druk te telefoneren. Hij groet niet, sterker nog: hij kijkt ons niet eens aan. Na een paar minuten draaien we ons om en lopen op het tweede gebouwtje af.

Daar zitten drie vrachtwagenchauffeurs op een houten bank, die ons nors aankijken. Geen van de drie spreekt een andere taal dan Russisch. Dat doet de vrouw achter de balie wel. Met haar paar woordjes Engels legt ze ons uit, dat we voor een autoverzekering een stukje verderop bij het restaurant Texas Kafé (…) moeten zijn.

Ze is reuze vriendelijk hoor, de dame achter de bar, maar spreekt geen woord buiten de deur. Pas als ik haar mijn groene kaart laat zien, in de richting van de Russische grens wijs en ‘Ruska‘ zeg, begrijpt ze me. Ze gaat me voor naar een gangetje, waar vier deuren zijn en videobewaking. Op de deuren hangen papieren in het Russisch. We melden ons bij de laatste deur, waar een loketje is. Nauwelijks geïnteresseerd opent een man dat loketje en geeft op mijn vraag of we hier een autoverzekering voor Rusland kunnen afsluiten een duidelijk, niet mis te verstaan en nors antwoord: njet!

Terug in het restaurant verwijst de vrouw achter de bar ons naar een even verderop gelegen gebouwtje. We ploeteren er door de modder naar toe (die natte sokken drogen we straks wel weer) en worden vriendelijk ontvangen door twee Engelssprekende vrouwen. ‘Nee’, leggen ze uit, ‘een verzekering kunt u hier niet afsluiten. Dat moet u bij de grens zelf regelen. Aan de linkerkant staat een klein wit gebouwtje. Daar moet u zijn.’

Terug bij Texas-in-Letland krijgen we toestemming om op de parkeerplaats te overnachten, laten ons het bier, de wodka en de maaltijd smaken en concluderen dat er morgen weer een nieuwe dag is met nieuwe kansen. ‘Even’ wat formaliteiten regelen om Rusland in te mogen: de autoverzekering regelen, onze aankomst in het land op een politiebureau of gemeentehuis melden en natuurlijk ook de eigenlijke grenscontrole. Hoe ingewikkeld kan dat nou allemaal zijn?

Het is ijzig koud en m’n huis op wielen staat af en toe te schudden in de wind. Ik kruip vroeg onder mijn warme dekbedje. Morgen weer een dag…

OVERNACHTING #7

6000 kilometer

Hiep hiep hoera!
Vandaag -7 april- is mijn zoon jarig. Hij ‘viert’ zijn verjaardag in Qatar, waar hij tijdelijk voor zijn werk is.  Ik vier het op een krappe kilometer voor de grens tussen Letland en Rusland. Normaal gesproken is de afstand tussen zijn en mijn huis zo’n vijftig kilometer, dit jaar zitten we -pak weg- een zesduizend kilometer van elkaar verwijderd.
Geen probleem toch? Proost ik met een klein glaasje wodka in de loop van de dag wel ergens op zijn gezondheid.

RUSLAND HEEN
april/mei/juni

Van het kastje… #2

Nog net in Letland (wat scheelt het: 300 meter tot de grens) stoten we drie keer onze neus als we proberen een autoverzekering af te sluiten. Dat moeten we dan maar in Rusland regelen.

Hoe laat startte ik vanmorgen ook alweer de motor? Was dat niet om half negen? En kijk: om kwart over twaalf tuf ik Rusland binnen. Op een kwartiertje na zijn we vier uur bezig geweest met grensformaliteiten.
Moeten we formulieren invullen. Moeten we wachten bij een loketje tot die formulieren in de computer zijn ingevoerd. Krijgen we een stempel. Mogen we twintig meter oprijden tot een volgend loketje. Krijgen we daar een set van nieuwe formulieren. Moeten we die in tweevoud invullen met de al bekende en  aanvullende gegevens. Moeten we dat inleveren. Gaat de nauwelijks tot een glimlach over te halen ambtenaar in die papieren zitten krassen omdat we bepaalde gegevens op een verkeerde plek hebben ingevuld. Krijgen we nieuwe blanco formulieren. Moeten we die overschrijven van het gekraste papier. Moeten we die nu correct ingevulde formulieren weer inleveren. Moeten we wachten tot ook die gegevens aan de computer zijn toevertrouwd…

En het is koud, bar koud. Af en toe dwarrelt er wat sneeuw naar beneden en er staat een ijzige wind die door de tochtige grenspoorten en mijn dunne jas snijdt. Gelukkig heb ik alle (wacht)tijd om een dikke jas en andere schoenen aan te trekken.
Die wacht- en drenteltijd gebruik ik ook om de papieren te bekijken die voor de ramen van de loketjes hangen. Allemaal in het Cyrillisch, dus voor mij onleesbaar, behalve eentje die ook in het Engels is. Het bevat de mededeling dat de grensformaliteiten without costs zijn en de oproep een bepaald telefoonnummer te bellen als er door de grensbeambten toch om geld wordt gevraagd…

Vijf van die grensbeambten komen op m’n bussie af, waarvan een met een spiegeltje aan een stok om onder het voertuig te gluren en een ander met een aangelijnde herdershond. Alle deuren moeten open, de motorkap moet open en de man met de drugshond vraagt beleefd toestemming om de hond binnen te laten snuffelen. Heb ik keus? Natuurlijk mag die hond naar binnen, als-ie (leg ik de douanier uit) binnen maar geen plasje doet.
‘Heeft u ook medicijnen bij u?’, vraagt hij beleefd.
Denkend aan mijn krat met medicijnen die bij een uitgebreide controle de grensformaliteiten alleen maar nog meer zouden vertragen, antwoord ik voor het gemak maar ontkennend. Gelukkig gaat de man er niet verder op in en ook zijn hond weet niks te snuffelen.

Dan meldt het spiegelvrouwtje zich bij de schuifdeur. Ze gebaart me naar binnen te gaan, komt achter me aan en verzoekt me een voor een alle kastjes, laden en deuren te openen. Ze heeft iets bij zich dat op een zaklantaarntje lijkt (er komt tenminste een lichtje uit), maar ik betwijfel of dit alleen gebruikt wordt om bij te schijnen. Waarom gebruikte ze dat ‘lampje’ dan ook om de hele buitenkant van m’n bussie te ‘belichten’? Met dat apparaatje controleert ze mijn hele interieur. Eén blik bij ieder geopend kastje is voor haar voldoende. Dat heb ik op mijn eerdere reizen wel anders meegemaakt, toen de inhoud van alle kastjes nauwkeurig werd bekeken en ze met een wapenstok tussen mijn kleding zaten te porren. Deze controle is behoorlijk oppervlakkig, anders had het spiegelvrouwtje toch mijn kistjes met bij elkaar vijfhonderd sigaren en -pak ‘m beet- mijn slordige veertig pakjes pijptabak wel ontdekt?

De loketdame is intussen nog steeds druk bezig mijn gegevens te controleren, alles in de computer te zetten en de nodige stempels op de formulieren te plaatsen. Eindelijk, eindelijk is ze daarmee klaar, krijg ik (letterlijk) groen licht en kan ik Rusland binnen rijden. Bijna dan, want na een paar honderd meter doemt een nieuwe slagboom op. Uitstappen, gestempeld formulier laten zien en dan -het zal niet waar zijn- krijg ik met een handgebaar vrij baan.

En dat heeft dan wel wat om zomaar op eigen wielen het land binnen te rijden dat in het verleden minder gastvrij was.
Dat het regelen van een autoverzekering bij het tweede-het-beste pompstation nog zo’n drie kwartier in beslag nam, mag dan geen naam meer hebben. Alle beslommeringen achter de rug drinken we meteen na de grensovergang koffie met koek. Het heeft een ochtend geduurd, maar we zijn in Rusland!

Een klein, piepklein stukje verderop kunnen we bij een pompstation langs de M9 tegen betaling van 150 roebel overnachten. Dat doen we maar al te graag: 31 kilometer hebben we vandaag gereden. Meer dan genoeg!

OVERNACHTING #8

Gaap…

De M9, bijgenaamd de Baltiya, is de federale hoofdweg vanaf de grens met Letland tot aan Moskou. In totaal is deze weg 610 kilometer lang en daarvan heb ik er vandaag 470 gereden.
En wat is deze tweebaans, bijna kaarsrechte streep asfalt door Rusland slaapverwekkend saai!

Gaap…
Op zo’n lange afstand is er uiteraard genoeg te zien: berkenbomen, naaldbomen, berkenbomen, naaldbomen en natuurlijk ook berkenbomen en naaldbomen.
Gaap…
Negentig kilometer per uur mag ik hier rijden. Op die bijna vijfhonderd kilometer ben ik (spannend!) onder acht cameraportalen doorgereden, voorafgegaan door een grote afbeelding van een snelheidscamera op het wegdek.
Gaap…
Links van me zag ik een keer wat herten, links en rechts tijdens de hele route van vandaag sneeuw in de bermen en bevroren meren.
Gaap…
En één verkeerslicht, talloze zebrapaden en even zovele benzinepompen.
Gaap…
En een kartonnen politie-auto.
Gaap…
En niet te vergeten: berkenbomen, naaldbomen, berkenbomen en eh… naaldbomen.

Aan het einde van deze slaapverwekkende dag blijkt het moeilijk een plekje voor de nacht te vinden. Afslagen naar dorpjes hebben de eerste tien, twintig meter nog asfalt, maar veranderen dan in door de smeltende sneeuw blubberige wegen vol kuilen en plassen. De benzinepompen zijn ofwel aftands en shabby ofwel we worden er weggestuurd.
Geen zin meer nog veel kilometers te maken, nemen we de afslag bij Shakhovskaya en parkeren bij het historisch museum pal aan de weg. Soms zit het mee, soms zit het tegen, want dat ‘museum’ blijkt een kermis te zijn met gezellige bonkebonkmuziek. Tot vanavond elf uur geopend. Ach, in ieder geval geen saaie nacht… (gaap).

OVERNACHTING #9

Ober!

Na zo’n saaie reisdag laat ik me ’s avonds door een voorbijganger de weg wijzen naar het dichtstbijzijnde restaurant in Shakhovskaya. Dat blijkt een dikke kilometer verderop te zijn, maar dat komt goed uit na een dag achter het stuur zitten.

Het is fraai ingericht, dat restaurant: keurig gedekte tafels met kandelaars en linnen servetten en een Engels sprekende, vriendelijke ober. Hij helpt me met de Russische menukaart en ik ga -daar zal de afgelopen dag debet aan zijn- helemaal uit mijn plaat. Eerst laat ik een groot glas bier aanrukken met een wodka ernaast, daarna kies ik voor de gegrilde forel met French fries en een salade. Om het af te toppen, neem ik als dessert een dubbele espresso met een home made tiramisu. En wat moet ik na afloop aftikken? 1314 roebel, omgerekend zo’n 17 euro!

Tijdens en na het eten wil de ober alles van me weten. Het bekende werk: waar ik vandaan kom, waarheen ik op weg ben en hoe ik reis. Als ik hem vertel rond te reizen met een camper kijkt hij nieuwsgierig naar buiten. Ik leg hem uit, dat mijn camper bij het kermisterrein staat en dat ik te voet naar het restaurant ben gekomen. ‘Maar’, zegt hij (met behulp van de interpreter op zijn telefoon), ‘het is al avond en ik wil niet dat u in het donker langs de weg gaat lopen. Er zijn toch nog niet veel gasten, ik kan best even weg, dus weet u wat, ik breng u even. Maar wilt u dan eerst met mij op de foto, zodat ik mijn vrienden morgen kan laten zien dat ik zo’n leuke Hollander heb ontmoet?’ Tegen het maken van die foto heb ik natuurlijk geen bezwaar en voor de lift stribbel ik (voor de vorm) één keer tegen, stap dan bij hem in de auto en word even later keurig naast m’n bussie afgezet. Ober!

Van het kastje… #3

‘Weet je wat we morgen doen?’, hadden we gisteren tegen elkaar gezegd, ‘we hebben vandaag zoveel uren gereden, morgen doen we het kalmpjes aan. Het is nog maar een goeie tweehonderd kilometer naar Sergiev Posad, waar de Gouden Ring begint, daar rijden we op ons gemak naar toe, zoeken een mooie overnachtingsplek bij het klooster en doen verder helemaal niks. Dan besteden we de dag erop om het hele complex te bekijken. En oh ja, we moeten onze aankomst in Rusland ook nog even registreren op een postkantoor. Dat doen we dan maar hier in Shakhovskaya, zijn we er van af.’

Als we om half negen bij het postkantoor arriveren, blijkt dat pas om negen uur open te gaan. We slenteren wat langs de winkeltjes en kraampjes van het plein, melden ons strak om negen uur bij het verkeerde loket, worden naar een collega gestuurd en krijgen te horen, dat we ons hier niet kunnen registreren. De beambte spreekt alleen Russisch, maar via het vertaalprogramma op de tablet komen we er achter, dat we op het Migratie Kantoor moeten zijn, even verderop.

Het is dat we voor de zekerheid aan een politieagent de weg vragen, anders zouden we de onooglijke ingang van het Kantoor zijn voorbij gelopen. We vegen onze voeten op een stuk vloerkleed dat dertig jaar geleden zijn beste tijd al heeft gehad en komen terecht in een nog helemaal ouderwets-communistische kantoorruimte: sober, aftands en kraak noch smaak.
Eenmaal binnen in kamer 2 krijgen we tot onze stomme verbazing te horen, dat we onze registratie in de hoofdstad Moskou moeten halen. Daar zit namelijk het bureau dat ons heeft ‘uitgenodigd’ een bezoek aan Rusland te brengen. Door Rusland toeren zonder registratie is geen optie: we riskeren dan bij een eventuele controle onmiddellijke uitzetting uit het land, een forse boete en het verbod de komende vijf jaar Rusland in te mogen. Maar we moeten er niet aan denken voor zo’n papiertje op en neer naar Moskou te rijden en in die stad naar dat visumbureau te moeten zoeken. Zijn we dan zo verkeerd voorgelicht toen we de grens passeerden?

Misschien ligt het aan onze teleurgestelde gezichten, maar de eerst zo norse beambte van kamer 2 pakt haar telefoon, legt de situatie in het Russisch aan ‘iemand’ uit en geeft dan de telefoon aan ons.

Aan de andere kant van de lijn ligt de vloeiend Engels sprekende Lena. Ligt inderdaad, want ze is haar bed nog niet uit. Ze hoort ons verhaal aan, zegt ons graag te willen helpen en we spreken af haar met een half uurtje te treffen bij de KFC, waar onze busjes geparkeerd staan. ‘En’, voegt ze er aan toe, ‘ik kom niet alleen. Ik neem Jorn mee, dat is een Deen die al vierentwintig jaar in Rusland woont.’
Lena blijkt een pittige tante, Jorn lijkt weggelopen uit een van de boeken van Astrid Lindgren. Ik schat hem in als een houthakker of een woudloper. We gaan de KFC binnen, bestellen koffie en beginnen meteen te handelen om een oplossing voor ons probleem te zoeken. Lena googelt het visumkantoor in Moskou, zoals dat vermeld staat op ons visum. Het internet vermeldt geen adres, wel een telefoonnummer. Bellen naar dat nummer heeft geen resultaat: er wordt niet opgenomen. Jorn vermoedt dat het een ‘papieren’ bedrijfje is, dat in een kantoorpand een paar vierkante meter huurt. Zelf heeft deze Jorn -en Lena onderschrijft dat- het nodige te maken gehad met de bureaucratie van de Russische overheid. ‘Je hebt te maken met een stel ambtenaren die nog vasthouden aan het oude Sovjetregime. Ze zijn op hun stoel blijven zitten, maar eigenlijk al vijftien jaar geleden overleden. Ze zijn alleen vergeten op de grond te gaan liggen!’.

Wij bellen met onze klacht naar Visumplus in Naaldwijk, die voor ons de visa heeft geregeld. Onze klacht wordt niet begrepen en vanuit Nederland wordt de verbinding midden in het gesprek abrupt verbroken…

Vele telefoontjes en even zo vele teleurstellingen later komen Lena en Jorn (die zakenpartners blijken te zijn) met een mogelijke oplossing, nu zij in Moskou en wij bij Visumplus in Naaldwijk bot vangen. We kunnen een advocaat inschakelen, die onze registratie vandaag nog voor ons kan regelen. Dat doet hij niet voor niks. Dat kost 5000 roebel per persoon. We besluiten vrijwel onmiddellijk op dat voorstel in te gaan. Immers: heen en weer naar Moskou rijden is beslist duurder en kost meer tijd. Als Lena de advocaat belt, blijkt die vanuit Moskou onderweg te zijn. Rond twee uur kan hij terug in Shakhovskaya zijn.
We nemen (tijdelijk) afscheid van Lena en Jorn en omdat het inmiddels al tegen twaalven loopt, duiken we de KFC weer in voor een West-Europese hamburger en patat.

Om twee uur verschijnt Lena weer ten tonele. Ze rijdt voor ons uit naar het kantoor van de advocaat, die zich voorstelt als Valerie. Hij maakt kopieën van onze paspoorten, stapt in zijn auto en rijdt naar het postkantoor (daar waren wij dus vanmorgen om negen uur al) om de registratie in orde te maken. Dat kan een uurtje duren.
Gedurende die tijd rijden we een stukje door naar het bedrijfspand van Lena en Jorn. Daar worden we enthousiast rondgeleid, schudden handen met het personeel, gooien onze tanks vol vers drinkwater en krijgen toestemming om na afloop van de papierwinkel voor de deur te overnachten.
Na het bevrijdende telefoontje van Valerie dat we naar het postkantoor kunnen komen om alles af te ronden, zijn we eindelijk om half vijf in het bezit van onze registratiepapieren. We nemen afscheid van ‘onze’ advocaat en rijden met Lena terug naar het bedrijfspand.

Een verloren dag komt toch nog tot een goed einde, dankzij de enorme inzet van Lena en Jorn, twee doodgoeie, behulpzame en supervriendelijke Russen, die uren voor ons in de weer zijn geweest zodat wij onze geplande reis kunnen voortzetten. Die weliswaar onze dank accepteren, maar de door ons aangeboden fles wijn beslist overdreven vinden. Maar zonder hun onbaatzuchtige hulp hadden we op en neer naar Moskou moeten rijden of binnen zeven dagen (inmiddels vier) Rusland weer moeten verlaten.

Tot slot: Visumplus uit Naaldwijk meldt zich -na het onfatsoenlijke eerste gesprek- telefonisch nog twee keer. De eerste keer poeslief met de mededeling dat ze het adres van het bureau in Moskou niet bij de hand hebben, maar dat ze hun best gaan doen dat te achterhalen zodat wij erheen kunnen rijden. Overigens zijn wij de eersten die problemen ondervinden, zijn ze van mening dat registratie in ons geval niet nodig is en wensen ze ons succes met de afhandeling. Bij een tweede telefoontje krijgen we het adres in Moskou, maar dat is aan het eind van de middag als we al in het postkantoor staan om de registratieformulieren in ontvangst te nemen. We laten weten niet naar de hoofdstad te gaan omdat we zelf al iets geregeld hebben. We raden ze ook aan zich in de toekomst beter te verdiepen in de regelgeving rond de visa en toekomstige klanten beter voor te lichten. Visumplus uit Naaldwijk wenst ons een prettige voortzetting van onze reis. Dank je wel, Visumplus uit Naaldwijk

OVERNACHTING #10

Moskou!

Wat een geruststellend gevoel om vanmorgen de motor te starten in de wetenschap dat mijn registratie in Rusland geregeld is. En hoe bekend lijkt het al, dat eerste stukje op weg: Ach kijk, hier heb je dat pleintje bij het postkantoor. En daar links het Registratie Kantoor. En de KFC. Alsof ik er al jaren kom, hier in Shakhovskaya.

Om in Sergiev Possad te geraken (voor ons het begin van de Gouden Ring nabij Moskou) vervolgen we de saaie M9 en komen terecht op de zuidelijke ringweg van de hoofdstad. Net als in ons eigen land stroopt het verkeer zo’n vijf kilometer voor een grote stad op en staan we in de file om Moskou te bereiken. Maar -zegt Frits- wat een belevenis op eigen wielen door die stad te rijden, al is het dan slechts over de ringweg langs de buitenwijken. Wat geweldig -doet Frits nog een duit in het zakje- om langs de brede Moskwa-rivier te rijden. Wat vreselijk -zegt campervrind Harrie- die het rijden door Tilburg (of all places) al een bezoeking vindt.
Als het verkeer zich weer in beweging zet en we met een stevig vaartje over de M8 rijden, krijgen mijn campervrinden de schrik van hun leven als bij het inhalen van een vrachtauto deze een klapband krijgt. Van pure schrik rollen er een paar zeer onkerkelijke verwensingen door de Vogelwaardse cabine. Drie keer diep ademhalen en weer verder, je gelukkig prijzend dat die vrachtwagen niet begon te slingeren…

Een uurtje rijden buiten Moskou begint het landelijke Rusland. Daar komt het traditionele beeld voor uw ogen van braakliggende vlaktes en dichte bossen met naaldbomen en berken. Daartussen liggen dorpen met houten huisjes en uivormige kerktorens.

Op basis van deze beschrijving uit een reisgids heb ik een bepaald beeld van dit ‘landelijke Rusland’. Sergiev Possad beantwoordt daar totaal niet aan. Wat een grote stad, wat een drukte, wat een verkeer! Maar hier staat dan weer wel een van de belangrijkste kloosters van Rusland: het Troitse-Sergijeva Lavra. Morgen…

OVERNACHTING #11

Berisping

Als ik in de grote supermarkt fluitend brood sta uit te zoeken, komt een wat oudere dame van het winkelpersoneel met driftige passen op me af. Ze begint in het Russisch op me te mopperen en gebaart me onmiddellijk te stoppen met fluiten. In plaats van nijdig te reageren waar ze zich in vredesnaam mee bemoeit, maak ik een klein buiginkje en biedt mijn excuses aan. Da’s waar ook. Was me tijdens een van mijn vorige reizen naar Rusland al eens streng op gewezen. Niet bij stilgestaan. Helemaal vergeten.

Uit: Rondreis Rusland, Estland, Letland en Litouwen (2009)
‘Niet fluiten! Mag niet!’ Onze lerares Duits/gids Galina sist me toe als ik in de hal van een Moskous museum loop te fluiten. ‘Mag je in Rusland niet in het openbaar fluiten?’ ‘Niet fluiten!’, herhaalt ze alleen. Ik haal m’n schouders op en houd mijn mond verder dicht.

Vier dagen later zit ik in het busje van het station naar ons hotel in Sint-Petersburg. Ik fluit een deuntje en corrigeer mezelf lacherig: ‘Oh nee, dat mag niet in Rusland.’ Aan onze Sint-Petersburgse gids vertel ik het verhaal van strenge Galina in Moskou. ‘Zo gek is dat niet van die Galina‘, zegt onze nieuwe gids, ‘binnenshuis fluiten betekent in Rusland, dat je het geld de deur uitfluit.’

Illegale wodka?

Het enorme restaurant is sovjet-sober, schaars verlicht, maar vooral compleet uitgestorven. Achterin de enorme zaal hangt een bovenbemeten televisiescherm. Ik loop erheen en zie vanuit mijn ooghoek iets bewegen rechts van me. Een vrouw hijst zich moeizaam omhoog vanaf de bank waarop ze televisie lag te kijken. In het Russisch vraagt ze waarschijnlijk of ik iets wil eten. Voor de gok antwoord ik bevestigend en na mijn Da, da haast ze zich om wat lichten aan te doen en wijst daarna uitnodigend op de ruim zestig lege tafels.

Even later komt ze naar me toe met de menukaart. Die is in het Russisch en ik besluit eerst maar mijn gebruikelijke (hoor mij nou!) bier met wodka te bestellen. Ze begint een heel verhaal af te steken, waarvan ik de woorden njet en licentie opvang. ‘Ruska? Njet wodka?’, vraag ik, me bewust van het kleuterniveau waarop ik praat. Ze geeft me een vette knipoog, verdwijnt naar achteren en komt even later terug met een dienblad waarop een glaasje wodka staat en een limonadeglas met een rode vloeistof. ‘Njetto piva?’, vraag ik. Ze legt me uit (denk ik), dat Russen geen bier drinken bij hun wodka, maar mors (als ik het goed verstaan heb). Ik sla de wodka achterover, waarna ze op het limonadeglas wijst. ‘Alcohol?‘, vraag ik kleuterig. Ze maakt met haar hand een gebaar, dat ‘een klein beetje’ betekent en ik neem een voorzichtige slok. Ik weet niet wat ik drink, maar het smaakt lekker en dat maak ik haar duidelijk. Goedkeurend mompelend verdwijnt ze weer naar de keuken om even later terug te komen met nog een glas wodka. Dat sla ik af.

Mijn aanwijswoordenboekje voor op reis*) staat vol foto’s en plaatjes. We komen er niet uit. De vrouw zegt soep te hebben en bij de naam borscht ben ik verkocht. In mijn boekje wijs ik op de plaatjes van tomaten, komkommers en brood. Dat wordt me even later voorgezet. Omstandig begint de vrouw uit te leggen hoe ik een en ander moet eten. Als ik het niet begrijp, schudt ze haar hoofd, pakt een boterham uit het mandje, belegt die met een smeerseltje uit het potje dat naast de borscht staat en geeft dat aan me. ‘Eet‘, gebaart ze. Ik neem een hap, proef en maak daarna met m’n hand naast mijn hoofd het internationale lekker-lekker-gebaar.

Desserts hebben ze niet, maar de kokkin kan wel een paar blini’s voor me bakken. Borscht en pannenkoeken toe? Voor de tweede keer vanavond ben ik verkocht! Ik kijk wel vreemd op als er even later naast het bord met drie dubbelgevouwen dunne pannenkoekjes een potje kaviaar wordt neergezet. Kaviaar? Ik had jam en zure room verwacht. Nou ja: ’s lands wijs, ’s lands eer nietwaar? Ik verdeel de kaviaar over twee blini’s. Bij mijn dubbele espresso heeft de vrouw ook zo’n ouderwetse, glazen strooipot met suiker gebracht. Als de kokkin en de behulpzame vrouw achter de bar druk met elkaar in gesprek zijn en even geen oog voor mij hebben, pak ik snel de suikerpot en bestrooi mijn laatste blini uitgebreid met suiker. Oprollen en -lekker Hollands- dat pannenkoekje wegsmikkelen!

Ik trek mijn jas aan, zet m’n pet op en loop naar de bar om af te rekenen. Ik schud dank-jullie-wel-handen, betaal een tientje (…) en verlaat het restaurant. Achter me gaat de helft van de verlichting alweer uit.

*) Handig hoor, zo’n beeldwoordenboekje als je de taal niet spreekt, maar ik geef toch de voorkeur aan het ouderwetse handen- en voetenwerk.

Sergijeva Lavra

Het zal er deels mee te maken hebben dat dit het eerste klooster is, dat ik bezoek tijdens deze reis, maar ik ben diep onder de indruk van het Troitse-Sergijeva Lavra in Sergiev Possad. Wat een schitterend complex. Wat veel toezichthoudende mannen en vrouwen, die mij verbieden te fotograferen en te filmen. En wat veel Chinese toeristen…

Niet voor niets is dit in 1340 gestichte klooster -door veel Russen het Vaticaan van Rusland genoemd- een van de belangrijkste van Rusland. In de speciale kapel staan gelovigen geduldig in de rij om de kist van de heilige Servej van Radonezj, die zich hier ooit in de bossen terugtrok, te kussen. En ze -die gelovigen en al die Chinezen- vullen flessen met water uit de heilige bron.

De toegang tot de Sergej-kathedraal wordt ons geweigerd, omdat er een dienst wordt gehouden. Pas om elf uur mogen de vele toeristen de kathedraal weer betreden. Als we na een kopje koffie even voor elven terugkeren naar de kathedraal zien we, dat de dienst zich voor een kwartiertje naar buiten verplaatst. We sluiten eenvoudigweg aan bij de lange rij gelovigen, worden net niet ondergespetterd door de voorganger die op de trappen van de kathedraal overenthousiast met zijn wijwaterkwast in de weer gaat en schuifelen mee naar binnen voor het laatste stukje van de dienst. Vlak achter ons wordt een groep Chinezen tegen gehouden en gaat de deur dicht…

Uien

Het zal mij benieuwen hoe lang het nog duurt voor mijn bewondering voor de kerken en kathedralen begint af te nemen. We rijden de Gouden Ring en werkelijk ieder dorpje en iedere stad heeft vaak meerdere kathedralen, kerken of een kremlin. Rijdend over de M8  zie ik links en rechts steeds weer van de ‘uienkerken’ opdoemen.

Zo ook in Rostov.
Zo’n kremlin heeft minstens één kerk en een klokkentoren. En natuurlijk een heilige bron. Die kerken staan en hangen vol met schitterende kerkschatten. Jammer genoeg mag je binnen nergens foto’s maken. Pak je je camera, dan snelt er meteen een ‘kerkcipier’ op je af met een overduidelijk njet of hij houdt zijn hand voor de lens.

Naast de pracht en praal van zo’n kerk valt me vooral de devotie van de Russen op. Er hangen talloze ingelijste afbeeldingen van heiligen in de kerk. Bij iedere afbeelding (achter glas) of iedere tombe staat de gelovige stil, slaat een kruis en kust dan de glazen plaat. Schoonmaaksters zijn de hele dag doende die glazen platen met een doekje ‘schoon’ te vegen. Indrukwekkend allemaal hoor. Fraai. Prachtige bouwstijl ook. Maar zoals gezegd: het zal mij benieuwen…

OVERNACHTING #12

De weg kwijt

Zo goed en uitgebreid kan de voorbereiding niet zijn of we rijden verkeerd. Noch het thuis opgezochte waypoint, noch de coördinaten brengen ons bij Plyos, een ‘pittoresk dorpje aan de oever van de Wolga’, onze eindbestemming van vandaag. Aan het einde van een doodlopende (hobbel)weg stranden we op een pleintje met een bushokje. Links en rechts staat een hotel en Claire-mijn-Garminnetje meldt doodleuk: ‘Bestemming bereikt aan linkerzijde’.

Bestemming bereikt? Deze in-the-middle-nowhere-plek is nauwelijks pittoresk te noemen. We zijn dan ook niet in Plyos, maakt een jonge moeder met kinderwagen ons duidelijk, maar in Molodezhni Volga. Plyos ligt hier zo’n zeventig kilometer vandaan. Ik probeer met hulp van het jonge moedertje de juiste locatie bij Clair-mijn-Garminnetje te vinden, maar zonder resultaat. Het moedertje doet haar best me daarbij (in het Russisch) te helpen en op een gegeven moment gebaart ze zelfs dat ik beter even kan uitstappen. Zelf kruipt ze parmantig achter het stuur en begint op Claire-mijn-Garminnetje te typen. Ook dat heeft geen resultaat. Met de telefoon en tablet komen we er uiteindelijk uit, maar ja, zeventig kilometer hier vandaan dus. Met de staat waarin de wegen zich bevinden, gaat ons dat nog anderhalf uur kosten. Daar hebben we geen zin in en we overwegen dan maar op dit pleintje te overnachten.

Links van ons verspert een grote slagboom de toegang tot Hotel Grand (het hotel voor de aristocraten had het moedertje uitgelegd). De man van de security heeft ons al een tijdje gadegeslagen en voegt zich nu bij ons. Parkeren en slapen op het pleintje? Njet! Maar we kunnen wel naar het hotel rijden en daar parkeren. Hij regelt dat wel met de manager. We maken duidelijk dat we ons eigen ‘hotel’ bij ons hebben en beslist geen kamer willen. De veiligheidsman zegt het te begrijpen (denken we), hij stapt bij mij in m’n bussie en we rijden naar een grote, sneeuwvrij gemaakte parkeerplaats voor een kanjer van een hotel.

De redelijk Engels sprekende manager is een meer dan vriendelijke vrouw, die zich voorstelt als Tatjana (‘Buurman, wat doet u nu?’, denk ik onwillekeurig). Nadat we uitgelegd hebben wat de bedoeling is, verontschuldigt ze zich door te zeggen dat ze geen buitenstroomaansluiting heeft. Als we vertellen zelfvoorzienend te zijn, geeft ze ons een rondleiding door het hotel: door de enorme hal met kroonluchters en roodpluchen banken, waar je met gemak wel zes Fiat Ducato’s kan parkeren en dan de luifels nog kan uitdraaien ook, naar het zwembad met sauna en Turkse massage en via de brede, marmeren trap naar een van de twee restaurants met schitterend gedekte tafels. Zijn we terecht gekomen bij een vijf sterren wellness hotel!

We danken Tatjana vriendelijk voor de rondleiding, haar bereidheid ons ‘voor de deur’ te laten overnachten en spreken af, dat we om een uur of zes weer binnen komen om in het restaurant een hapje te komen eten. Een hapje eten? Dat is te gewoontjes voor deze locatie, nee, we gaan uitgebreid dineren. ‘Enne, Tatjana, vanaf hoe laat is morgenochtend het ontbijt? Acht uur? Mooi, we zullen er zijn…’
Soms kan verkeerd rijden zo zijn voordeel hebben.

OVERNACHTING #13

Vrijdag de dertiende

Eén van de vele bezienswaardigheden op uw tocht door de Gouden Ring is ongetwijfeld het schattige stadje Plyos. Dit ingedommelde plaatsje, pittoresk gelegen aan de machtige Wolga verdient beslist uw bezoek.
Ingedommeld? Pittoresk? Uit welk jaar dateert die reisbeschrijving? Plyos is tegenwoordig een soort Valkenburg aan de Geul, met hotels, motels, souvenirwinkels en restaurants.

Maar laat ik bij het begin beginnen. We nuttigen een meer dan voortreffelijk en uitgebreid ontbijtbuffet in Grand Hotel Aristokrat. Daar moet je dan wel omgerekend per persoon Є 2,50 voor op tafel leggen, maar wat kun je verwachten in een vijf-sterren-hotel? Volgevreten gaan we op weg naar Plyos, een afstand van zo’n zeventig kilometer.

Claire-mijn-Garminnetje en Truus-bij-de-buren raken danig in de war als er een wegomleiding is. We worden een pietepeuterig zijweggetje ingestuurd, waar we door diepe sporen en kuilen moeten ploeteren, vol gesmolten ijswater. Het wordt ons te gortig en we keren terug naar het asfalt. Niet veel verder -twintig kilometer, da’s niks voor Russische begrippen-, slaan we op aanraden van Claire-mijn-Garminnetje weer linksaf. Truus-bij-de-buren heeft er inmiddels helemaal de brui aan gegeven. Die afslag is beter, nou ja minder drassig, maar het ‘wegdek’ noodzaakt tot een veilige snelheid tussen de 15 en 25 kilometer per uur, wil je niet helemaal uit elkaar rammelen. Gelukkig is dat weggetje maar dertig kilometer lang…

Zeventig kilometer naar Plyos dus. In ons geval komen we na 135 kilometer pas in de namiddag in dat ‘schattige stadje’ aan. En was het die overwegend barre rit waard? Konden we het onszelf beloofde overnachtingsplekje vinden, met de neus naar de Wolga?
Nee dus. Er zijn nauwelijks parkeerplekken langs het water en we worden onvriendelijk weggestuurd bij een parking en bij de aanlegsteiger van een rondvaartboot. Iets de heuvel op staat een kerk -natuurlijk staat er een kerk- en achter die kerk parkeren we voor de nacht. Links beneden ons stroomt de Wolga, rechts is een straatje met wat ooit het pittoreske Plyos moet zijn geweest.

Ik ben niet bijgelovig, maar je zou toch bijna denken, dat zo’n dag als vandaag iets met de datum te maken heeft: het is vrijdag de dertiende… Morgen gauw weg hier.

Foto´s van de Gouden Ring

OVERNACHTING #14

Lakwerk

Palekh heeft geen rijke geschiedenis zoals andere stadjes in de Gouden Ring, maar is in heel Rusland bekend om zijn schilderwerk. Waren dat eerst voornamelijk iconen, later legden de schilders zich toe op het minutieus beschilderen van papier-machédoosjes. In het stadje is dan ook een groot aantal musea en werkplaatsen te vinden.

Een uurtje lijkt ons meer dan genoeg om die lakkunst te bekijken, maar het kost wat moeite om de weg naar die musea te vinden. Zoekend rondrijdend, zie ik een vrouw naar haar geparkeerde auto toelopen. Ik stap uit, spreek haar aan en vraag haar de weg naar het art craft centre. Dasha spreekt maar een paar woorden Engels en nodigt ons daarom uit met haar mee naar de school te lopen een eindje verderop, waar haar man Alex leraar Engels is. En daarmee begint de zoveelste wonderlijke dag in Rusland.

Want voor we het weten, worden we welkom geheten door teacher Alex, die ons meeneemt naar een klaslokaal met vijf leerlingen die daar Engelse les krijgen van Katja, een vriendelijke jonge lerares. We vertellen de leerlingen wie we zijn, waar we vandaan komen en wat onze plannen zijn. De leerlingen stellen ons vragen tot de les is afgelopen. Alex verschijnt weer ten tonele en heeft tot onze stomme verbazing een heel programma voor ons samengesteld. Eerst gaan we met twee van zijn oudere leerlingen een wandeling maken langs de highlights van Palekh, inclusief een bezoek aan het museum, waarvoor hij gratis toegang heeft geregeld. Ook heeft hij bij een restaurant een parkeerplek gevonden, waar we kunnen overnachten. En de leerlingen van het klasje gaan (vrijwillig) ook gezellig met ons mee op stap.

Als we na het museumbezoek te kennen geven eerst onze busjes naar de overnachtingsplek te willen brengen en even willen pauzeren voordat we de rest van het ‘programma’ afwerken, spreken we af elkaar om vier uur weer bij de kerk te treffen. Dan zal ook ene Helen zich bij het gezelschap voegen, bij wie ik aan het einde van de dag kan douchen.

Om vier uur maken we kennis met Helen en vervolgens loodsen onze twee gidsen ons naar nog twee musea, met schitterende voorbeelden van de beroemde lakkunst. Eén van onze twee jonge gidsen heeft tussendoor inmiddels zijn ouders gebeld, die beiden kunstenaar zijn (de helft van de inwoners van Palekh blijkt artist te zijn) en een ‘huisbezoek’ geregeld. We rijden naar een sovjet-groezelige buitenwijk, klimmen -zonder de vettige leuning aan te raken- naar de vierde verdieping van een grauw flatgebouw en worden uitgenodigd aan tafel plaats te nemen voor een kop thee. Er komt brood, kaas, worst, tomaten, chocola, koekjes en honing op tafel en Marian, de kunstenares-moeder, kletst honderduit over haar werk. Reuze gezellig en interessant, en het kost dan ook moeite afscheid te nemen van dit hartelijke gezelschap, die in hun enthousiasme blijven vertellen en vragen stellen.

Bij het afscheid wacht ons nog een laatste verassing: Alex en Dasha nodigen ons bij monde van Helen graag uit in het restaurant, waar wij voor de deur zullen overnachten, samen met wat vrienden de dag af te sluiten. Het alcoholvrije bier komt daar uit een koelkast die niet aan staat en wat het eten betreft, is de keuze beperkt tot een salade van witte kool, brood en een stoofpotje met varkensvlees of dumplins (wat een soort uit de kluiten gewassen ravioli blijkt te zijn). Maar wat is het gezellig, wat genieten we van deze maaltijd met deze aardige mensen. En gelukkig heeft Helen -de schat- voor het dessert een heerlijke schuimtaart van huis meegenomen. Dat schijnt trouwens in Rusland normaal te zijn om je eigen (aanvullende) etenswaren mee naar een restaurant te nemen. Helen dus, met haar schuimtaart, maar als blijkt dat het restaurant geen vergunning heeft om alcohol te schenken, stelt Alex voor dat Dasha thuis even die halve fles wodka gaat halen die daar in de koelkast staat.

Het afscheid aan het eind van de avond is meer dan hartelijk: er worden handen geschud, er wordt bedankt en nog eens bedankt en er wordt (door Frits uiteraard) uitgebreid gezoend. Terug in de busjes verbazen we ons voor de zoveelste keer over de hulpvaardigheid en de hartelijkheid van de/deze Russen. Die vijf meisjes uit de klas die de halve middag mee op sjouw gaan. Die twee gidsen die belangeloos hun dorp en de kunstschatten laten zien. Die Helen die zich als tolk bij het gezelschap voegt. En niet te vergeten Alex die het allemaal op touw heeft gezet. Die zich nota bene aan het eind van de avond nog verontschuldigt omdat door hem ons bezoek aan Palekh langer heeft geduurd dan het door ons geplande uurtje! We weten hem er gelukkig van te overtuigen, dat we genoten hebben, dat we deze dag zullen koesteren in onze herinnering. Zijn aanbod de volgende dag nog even de kerk te bezoeken om de fresco’s te bewonderen, slaan we beleefd, maar beslist af. We moeten en willen verder. Het is immers nog een heel eind tot Irkoetsk

OVERNACHTING #15

Hoofdstad Palekh?

Als we aan het eind van het dagje-Palekh met Alex en Dasha in hun auto op weg zijn naar het restaurant vraagt Alex ons hoe we de wegen ervaren in Rusland. Hij wacht ons antwoord nauwelijks af, immers, stelt hij vast: ‘Palekh is Russian’s capital of bad roads’. De inwoners zelf schijnen daar minder last van te hebben, getuige de rijstijl van Dasha, die met een gangetje van rond de negentig kilometer per uur over de stikdonkere kuilen-, bulten- en puttenweg rijdt.

‘En jouw bus is nog geen twee maanden oud?’, vraagt Alex verwonderd. ‘En daar ga je deze reis mee maken? Moedig van jullie beiden om zo’n reis te ondernemen over zulke slechte wegen. En dan nog wel in het voorjaar als de wegen hier op z’n slechts zijn, vanwege de smeltende sneeuw. Weet je, een kennis van mij had eens tegen het eind van de winter een splinternieuwe auto gekocht, maar hij heeft er geen meter mee gereden tot na het voorjaar de wegen weer een beetje begaanbaar waren. En jullie… tsja, ik heb nog nooit meegemaakt dat toeristen… nou ja, je moet maar zo denken dat je straks nog gaat genieten van de heerlijke gladde wegen in de Gobiwoestijn. Jammer dan wel weer, dat je tegen die tijd last gaat krijgen van de vele muskieten…’

Even niet

Suzdal is een historisch museumdorp met veel bezienswaardigheden: het schitterende Kremlin, de beroemde handelsarcaden, het Rizopolozjenski Monastir, het Jefimijefski Monastir, de Preobrazjenski Sobor, het Pokorovski Monastir, het Aleksandrovski Monastir en een openluchtmuseum.

Misschien -zeker weten- ben ik nog wel een paar bezienswaardigheden vergeten, maar dat maakt niet uit, want geen van deze historische plaatsen ‘vereer’ ik met een bezoek.

Vandaag even wat anders. Lekker slenteren door de hoofdstraat Lenina. Over de markt dreutelen en jam proeven bij een kraampje. Ook leuk en minstens zo ontspannend.

OVERNACHTING #16

Biertje?

Twee agenten stappen de weg op en gebaren me te stoppen.
‘Nog lang geduurd’, denk ik, ‘al een dikke week in Rusland en nu pas de eerste aanhouding.’ Ook het busje van de Vogelwaardse campervrinden wordt naar de kant gedirigeerd. Door mijn openstaande raam open ik het gesprek met een piepjong agentje met een maatje-te-grote-pet: ‘Do you speak English, officer, and what seems to be the problem?‘ Natuurlijk spreekt hij alleen Ruska en hulpeloos kijkt hij me aan. Tot zijn geluk komt zijn collega -een wat oudere agent met overgewicht- naderbij en schiet hem te hulp. ‘Beer?’, vraagt de nieuw aangekomene. Met een duidelijk njet geef ik aan geen bier bij me te hebben. Klopt ook: ik heb toevallig een paar dagen geleden mijn blikjes bier aan mijn campervrinden gegeven. De lijvige agent haalt zijn schouders op, geeft wat instructies aan het collega-melkmuiltje en stapt op het busje van de campervrinden af. Ik pak snel mijn Motorola en meldt mijn reisgenoten dat de agenten alleen op bier uit zijn. Daarna kijk ik het agentje dat naast mijn raampje staat vragend aan. ‘Eh… dokuments‘, zegt-ie aarzelend. ‘Why?‘, vraag ik hem. Hulpeloos kijkt hij naar zijn collega die inmiddels bij het andere busje bezig is. ‘Dokuments‘, herhaalt-ie. Ik haal met een niet-begrijpen-gebaar mijn schouders op. Hij geeft het op -de lieverd- en maakt met zijn wapenstok een teken dat ik kan doorrijden.

Zo ver is het bij het Vogelwaardse bussie nog niet. Na ook daar de biervraag te hebben gesteld, sommeert de agent de schuifdeur te openen. Als hij naar binnen stapt en om zich heen kijkt, valt zijn blik op de spulletjes onder het bed. ‘Chaos’, is zijn conclusie. Hij heeft geen oog voor de koelkast (waar de biertjes liggen), stapt weer naar buiten en wuift ons de weg weer op.

De weg op, de M7 in dit geval.
Die M-wegen zijn over het algemeen redelijk tot goed te berijden. Rond de grote steden –Moskou bijvoorbeeld- zelfs heel goed met drie tot vier banen  glad asfalt. De overige M-wegen zijn veelal tweebaans, soms bij inhaalstukken driebaans. Afgezien van de vele scheuren in het asfalt, soms diepe putten en rare hobbels van ‘gerepareerde’ stukken is het goed te doen (of ik ben inmiddels gewend aan de staat van deze wegen; in Nederland zouden ze er ’s nachts een noodreparatieploeg op af sturen). En je moet ook niet verbaasd zijn als je na kilometers redelijk asfalt op zo’n M-weg plotseling terecht komt in een kuilen-, putten- en bultenparadijs met de breedte van onze smalste provinciale wegen, waar je er wel voor waakt er met grote snelheid overheen te denderen. Dat Bussie 2.0 krijgt toch al ongenadig op haar donder tijdens haar maidentrip.

En verlaat je die M-wegen, rijd je een middelgrote stad binnen (om van de dorpen maar te zwijgen), dan is het helemaal oppassen geblazen! Gelukkig word je altijd bijtijds gewaarschuwd met grote gele borden. Dat denk ik tenminste, want begrijpen doe ik ze voor geen meter. In het algemeen let ik op het rijgedrag van de Russen, die de weg beter kennen dan ik.

Dat rijgedrag van de Russen is niet altijd om een voorbeeld aan te nemen. Regelmatig razen ze me voorbij met snelheden die ver boven de maximum toegestane liggen. Op tweebaanswegen doen ze dat bij voorkeur links en rechts, gebruikmakend van de uit- en invoegstroken… Die racekanonnen houden zich wel braafjes aan de toegestane snelheid bij de spoorwegovergangen, maar die zijn dan ook zo slecht, dat ze er bijna stapvoets, heel voorzichtig overheen gaan. Om er daarna weer met een forse dot gas vandoor te gaan. Dat kan lijden hoor, zo’n dot gas, want tanken is voor ons West-Europeanen een klein feestje: 45 tot 50 cent betaal ik hier voor een liter diesel…

OVERNACHTING #17

(Hans) Kazan

Op de grote parkeerplaats van het voetbalstadion (F.C. Kazan?) parkeer ik voor de nacht, op een steenworp afstand van de grootste attractie van de stad: het Kremlin, dat in 2000 tot werelderfgoed werd uitgeroepen.
En ik heb het allemaal gezien, gefotografeerd en gefilmd hoor: de Maria Boodschap Kathedraal, de scheve Söyembikä toren en de in 2005 herbouwde Qolşärif Moskee, de grootste moskee van Rusland.

En wat ik ook gezien en ervaren heb (minstens zo belangrijk) is het restaurant Chak-Chak in de Baumana Street, waar ik uit kon rusten van de Kremlintour onder het genot van een ‘eenvoudige, doch voedzame maaltijd’.

OVERNACHTING #18

Brood-nodig #1

We hebben geen brood meer (en niks lekkers bij de koffie straks, misschien nog wel belangrijker). Geen zin om in de ochtendspits van Kazan naar een supermarkt of een bakker te zoeken, vragen we Truus-van-de-buren ons naar de dichtsbijzijnde winkel te sturen.

Geen punt: over twee kilometer moeten we rechtsaf de M7 verlaten en dan is het nog maar een klein stukje. Dat kleine stukje is geen weg meer, maar een ‘verenkrommende’ modder- en kuilenpoel, waar wij -en ook de Russische mede’weg’gebruikers alleen maar stapvoets doorheen ploeteren.

Het piepkleine Novoe Chigaleevo telt maar liefst drie winkeltjes. In het eerste krijgen we een onvriendelijk njet als we om хлеб vragen. Ook als we op de broden wijzen, die in het schap liggen, blijft  het antwoord ontkennend. Meer geluk hebben we in het tweede winkeltje. De vriendelijke en goedlachse vrouw heeft brood en koek. We glipmodderen het dorp weer uit, terug naar de M7. Koffie!

OVERNACHTING #19

Mila Kalashnikov

Als je Izhewsk bezoekt, kun je niet om de kalashnikov heen: in een van de wapenfabrieken hier wordt dit automatische wapen gemaakt en er zijn zelfs twee musea aan gewijd. Het Kalashnikov Museum laten we links liggen, want dat is vandaag gesloten, maar in het Izhmash Museum zijn ook de nodige wapens te zien.

Samen met een gezelschap van vier personen stap ik het museum binnen. Ik schat in, dat een van die vier personen familie of kennissen op bezoek heeft, want zij weet duidelijk de weg in het museum en legt de andere drie omstandig uit wat er allemaal te zien is.

Als zij ons ontdekt, richt zij haar aandacht steeds vaker op ‘die drie Hollanders’. Ze troont ons mee naar vitrines en houdt een enthousiast verhaal over wat er te zien is. Geheel in het Russisch, want een andere taal spreekt ze niet. We knikken beleefd, zeggen lukraak ‘da, da’, waarna ze ons verder meeneemt naar nog meer bezienswaardigheden.
‘My name is Mila’ (spreekt ze toch een paar woorden Engels), lispelzegt ze als ze mij even apart neemt. Nadat ik me heb voorgesteld, trekt ze me een beetje samenzweerderig mee naar een andere ruimte van de tentoonstelling. Daar toont ze me haar linkerhand en wijst op een zwarte ring. Ze doet de ring af en slaat haar ogen ten hemel. Als ik niet begrijpend mijn wenkbrauwen optrek, zegt ze: ‘Me. No husband’ en met haar vingers geeft ze aan dat haar man vierentwintig jaar geleden is overleden. Dan pakt ze mijn handen om vast te stellen, dat ik geen (trouw)ring draag.

Ze bemoeit zich steeds vaker alleen met mij, wil je me allerlei wapens, kostuums en sieraden laten zien en wordt bij iedere nieuwe vitrine een stukje aanhaliger. ‘Telephone?’, zegt ze op een gegeven moment en voor ik kan reageren, stapt ze naar de kassa, vraagt daar pen en papier en duwt me even later een briefje in mijn hand met haar telefoonnummer en haar adres hier in Izhewsk. Ik bedank haar vriendelijk, stop het briefje zorgvuldig in mijn cameratas en zoek snel mijn campervrinden op, waarmee ik vanaf dat moment druk en geïnteresseerd in gesprek ben…

Knuffels

Parkeer ik op de overnachtingsplek.
Stap ik uit met m’n Marietje en m’n smiley-kussen.
Kijk ik zoekend om me heen naar een goede plek om de dagelijkse overnachtingsfoto te maken.
Ga ik met mijn camera vanuit verschillende hoeken door de knieën.
Loop ik tevreden terug naar m’n bussie.
Zie ik op sommige dagen de Russen raar naar me kijken.
Snap dat niet.
Wat is er nou zo gek aan een ouwe kerel met twee knuffels onder z’n armen?
Zijn niks gewend, die Russen.

OVERNACHTING #20

Rusland? Oei, oei!

Als ik thuis antwoord gaf op de vraag van sommige thuisfronten waar mijn volgende reis heen zou gaan en ik o.a. Rusland noemde, waren de  reacties vaak bezorgd: ‘Rusland? Nou, nou, je durft. En je maakt je geen zorgen over wat je onderweg allemaal kan overkomen? Want je weet, die Russen…’

Ik kan die thuisfronten voorlopig geruststellen. Voorlopig, zeg ik, want ik weet natuurlijk niet hoe de rest van de reis zal verlopen. Maar in die drie weken dat ik nu onderweg ben (waarvan nog maar veertien dagen in Rusland), heb ik niet anders dan positieve ervaringen met ‘de Russen’.*)

Want neem nou vanmorgen weer. We hebben overnacht voor de kerk in Vozneseniya Gospodnya. Campervrinden en ik hebben het ontbijt al achter de kiezen en we zitten even bij elkaar voor het ‘ochtendoverleg’ als de koster van de kerk zich bij de schuifdeur van de camper meldt met een thermoskan heet water ‘om thee van te zetten’. En als we startklaar zijn om te vertrekken, komt-ie weer even naar buiten en overhandigt voor beide busjes een bidprentje. Zo aardig, zo innemend, daar hebben we nauwelijks woorden voor.

Drie weken

Vandaag precies drie weken geleden vertrok ik uit Nederland.
Het voelt alsof ik al veel langer onderweg ben.
Drie weken dus en inmiddels drie tijdzones verder.
Dik vijfduizend kilometer rolden er al onder de wielen van Bussie 2.0 door.
Vijfduizend kilometer. Nog 14.000 te gaan tot de grens met Mongolië…

Op slot

Het Khokhlovka openluchtmuseum, gelegen op een heuvel omringd door de Kama rivier, herbergt een collectie van originele houten gebouwen, zoals huisjes, een boerderijtje met stal, een zoutfabriek, kerken en een windmolen (zonder wieken…). De originele gebouwen zijn -inclusief de inventaris- uit verschillende plaatsen uit de provincie Perm naar hier gebracht en ter plekke gerenoveerd.

Het museum gaat om tien uur open en op dat tijdstip staan de drie Hollanders al te trappelen van ongeduld om alles te bekijken. Letterlijk te trappelen, want het is en blijft nog steeds behoorlijk koud. Vannacht vroor het zes graden…
Het eerste het beste huisje zit op slot. Het tweede ook. En het derde. Ik vraag aan een ‘gidsen-echtpaar’ dat voor een van de huisjes staat te wachten, waarom de boel op slot zit. Ze weten het niet. ‘Should be open at ten’. Er komt ons een grote groep achterop met een gids. Verschillende gebouwtjes worden nu geopend, maar er blijven er nog genoeg dicht.

Hoewel een aanzienlijk deel van het terrein voorzien is van plankieren en trappen*), zijn er ook hele stukken waar de paden soppend modderig zijn door de smeltende sneeuw. Soms moeten we voetje voor voetje heel behoedzaam over een pad waar nog een laag ijs ligt. Terug bij m’n bussie zitten mijn schoenen tot halverwege onder de drek en de onderkant van mijn broekspijpen vol modder. Maar wat wil je: het is nog maar april. Het zonnetje schijnt weliswaar, maar lang niet zo fel als in Nederland, waar de temperatuur -horen we van de thuisfronten- deze dagen oploopt tot zo’n dertig graden. Maar hier gaat het over een  poosje ongetwijfeld ook warmer worden. Toch? Hoewel, we gaan de komende tijd wel dieper Siberië in…

*) Plankieren en trappen, jawel.
Bij een van die trappen zie ik het laatste, kleine treetje over het hoofd, struikel en maak een behoorlijke schuiver. Er lopen nogal wat fors bemeten honden los op het terrein en mijn eerste gedachte is: ‘Laat er alsjeblieft niet zo’n hond op me afkomen om me, al dan niet kwijllikkend, te besnuffelen!’. Mijn tweede gedachte betreft mijn foto- en videocamera. Hebben die de val overleefd? Pas daarna voel ik de pijn van mijn onvrijwillige landing. Gelukkig zijn mijn camera’s nog in orde en komt er ook geen blafbeest op me af. Wel campervriendin Anne Marie en een eveneens geschrokken Russische vrouw. Ze helpen me overeind. De Russin begint omstandig het stof van mijn jas te kloppen en diept uit haar tas een vochtig doekje op om mijn handen schoon te maken en het bloed te stelpen, dat uit een wond op mijn hand komt. Nadat ik iedereen gerustgesteld heb, ‘dat het allemaal gelukkig meevalt’, vervolg ik de bezichtiging, nu extra voorzichtig bij al die ongelijke treetjes.
Als ik ’s avonds naar bed ga, ontdek ik nog twee schrijnende schaafwonden op allebei mijn knieën. Ik slaap slecht vanwege die verwondingen en de spierpijn. Eigen schuld, dikke bult!

OVERNACHTING #21

Perm-36

Het ‘reformatiekamp’ PERM-36, dat in 1946 werd gebouwd onder Stalin, werd in 1972 omgebouwd tot de belangrijkste plaats voor gevangenen die veroordeeld waren tot politieke misdaden. Het kamp, dat in vele opzichten lijkt op een nazikamp, onderscheidde zich in vele opzichten van de meeste andere kampen in de USSR vanwege zijn extreem strenge regime en behoorde daarmee tot de beruchtste kampen van de goelags.
Vandaag de dag is PERM-36 het enige kamp van zijn soort dat bewaard is gebleven; andere kampen werden zorgvuldig vernietigd vlak voor de val van het communistische regime.

Om negen uur gaat de voormalige goelag open voor het publiek. Om negen uur stappen wij naar binnen.
Tatjana is nog druk doende de vloer te moppen, Irina kijkt verbaasd op als zij de drie bezoekers ziet. Alleen Russisch sprekend maken zij ons duidelijk -wijzend op de klok- dat we pas om tien uur het kamp kunnen betreden. Ik neem Irina mee naar buiten, waar ik haar op de openingstijden wijs, die toch duidelijk van negen tot zes aangeven. Tatjana pakt haar telefoon en begint druk te bellen. Daarna haalt ze uit de printer een velletje papier en tekent een grote bus. In die bus zitten de personeelsleden en gidsen van het kamp en die bus komt pas tegen tienen aan. Ik neem het potlood van haar over en al tekenend leg ik haar uit, dat die drie mensen die hier vannacht voor de deur hebben geslapen liever niet een uur wachten, maar meteen naar binnen willen. Weer pakt Tatjana haar telefoon. Waarschijnlijk heeft ze groen licht gekregen, want ze pakt een sleutelbos en wenkt ons haar te volgen.

Alle gebouwen zitten nog op slot (waar hebben we dat eerder meegemaakt?), maar de kleine Tatjana is zo lief en aardig ieder gebouw voor ons te ontsluiten, de lichten aan te knippen en ons uitleg te geven. Een privé-rondleiding over de goelag. Wie heeft dat? En dat allemaal door een A4-tje vol te krabbelen met tekeningetjes en er een beetje aardig bij te babbelen. Waarschijnlijk -gokken wij- zijn beide vrouwen schoonmaaksters die een uurtje voor de officiële gidsen al aanwezig zijn. En ons dan toch helpen. Had ik al gezegd, dat de Russen aardig en hulpvaardig zijn?

OVERNACHTING #22

Aprilletje zoet

Al tijdens het bezoek aan de goelag was het licht gaan sneeuwen, maar gaandeweg werd het erger.
Eenmaal op weg werd het ronduit onaangenaam: de ruitenwissers hadden moeite de ramen schoon te houden en van de weg was niets meer te zien. Reed ik op een rijbaan? Zat ik over de streep die zich ergens onder het sneeuwdek moest bevinden? Tot twee keer toe glibberde ik de rand van de berm in en raakte in een slip. Door de dichte sneeuwnevel was ook het zicht minimaal. Ik had er schoon genoeg van en vond het bovendien op het randje van onverantwoord.
Via de mobilofoon zochten we contact met elkaar. Ook de campervrinden vonden het niet verstandig onder deze omstandigheden nog langer door te rijden en besloten werd bij de eerste de beste parkeergelegenheid in de ‘bewoonde wereld’ het voor gezien te houden.

En dan zit je uitgerekend op een weg waar je kilometers lang geen stukje bewoonde wereld tegenkomt. Tot DPS, een gemeenschapje met nota bene een motel, een restaurant en een politiebureau. We glibberparkeren voor dat politiebureau, (kan het veiliger?), trekken de handrem aan en zetten de kachel een graadje hoger. ’s Avonds doen we ons tegoed aan een lekkere maaltijd in het naastgelegen restaurant.

Geen kilometers gemaakt vandaag, nou ja vijfenzestig, het mag geen naam hebben. Maar wel voor ons gevoel op tijd gestopt. En morgen zien we wel verder: of we zijn compleet ingesneeuwd of de wegen zijn weer begaanbaar. Tijdens de maaltijd kijken we op internet even naar het weer in Nederland. Zonnig. Vierentwintig graden.

OVERNACHTING #23

Naar Brussel?

16 juli 1918.
In Yekaterinburg worden tsaar Nicolaas II, zijn vrouw en hun vijf kinderen op gruwelijke wijze door de bolsjewisten vermoord. Hun lijken worden naar een plek in het bos zo’n vijftien kilometer buiten Yekaterinburg gebracht en daar in een twaalf meter diepe kuil gegooid. Later zijn die lichamen opgegraven en een stuk dieper het bos in begraven.

23 april 2018.
Bij Ganina Yama -de plek in het bos van de eerste ‘teraardebestelling’- schiet ik een Russische gids aan en vraag haar of de kuil, waarnaar zij wijst en uitleg geeft aan twee bezoekers, inderdaad de kuil is waar… Ze spreekt geen woord Engels deze gids, maar gelukkig is een van de twee bezoekers de Engelse taal machtig en ‘vertolkt’ haar verhaal.

‘Zeven lichamen vanuit Yekaterinburg naar hier gebracht? Mooi niet! De lichamen van de Romanovs werden na de moord in stukken gehakt. Die stukken (250 lichaamsdelen, mijnheer!) werden inderdaad hier, precies op deze plek in een kuil gegooid en met aarde bedekt. Maar later opgegraven en verderop opnieuw begraven? Een fabeltje! Die lichaamsdelen en sieraden zijn in de jaren negentig wel teruggevonden en toen heeft DNA-onderzoek aangetoond dat het inderdaad om de Romanovs gaat.’
‘En die gevonden restanten’, vragen wij, ‘wat is daarmee gebeurd?’
‘Die zijn niet meer in Rusland, maar worden bewaard in Brussel.’
Brussel! Rijden we bijna 5800 kilometer om deze historische plek te bezoeken, hadden we ook naar de Belgische hoofdstad kunnen gaan!

Terug in m’n bussie google ik het verhaal van de vermoorde tsarenfamilie. Ik kan niets vinden over Brussel. Wel kom ik allerlei varianten tegen van dit historische feit. Vermoord, dat zeker. Gedumpt in het bos? Of verbrand? Of in stukken gehakt? Herbegraven in Sint Petersburg? Of verderop in het bos? Vijf kinderen vermoord? Of drie? Van wie zijn dan de lichaamsresten van twee andere lijken verderop in dat bos? Allerlei complottheorieën komen voorbij. Ik weet het gewoon niet. Moet me er meer en beter in verdiepen. Later. Thuis.
Wel een mooi verhaal trouwens van die gids, maar er zijn talloze verhalen.
Maar die kuil in Ganina Yama was wel een echte kuil: ik stond erbij en keek ernaar…

OVERNACHTING #24

Waar gebeurd

Maar dit is dan wel echt. Waar gebeurd en bewezen.
Precies op deze plek in Yekaterinburg, waar nu de Bloedkathedraal staat, werd het tsarengezin vermoord.
De executie vond plaats in de kelder van een plaatselijke ingenieur. Tijdens de Sovjetperiode huisvestte dit gebouw het Museum van Atheïsme (…). In 1977 werd het pand op bevel van de toenmalige gouverneur Boris Jeltsin met de grond gelijk gemaakt, omdat men vreesde dat het koningsgezinde sympathisanten zou aantrekken.
Vele jaren lag deze plek braak, met alleen een kleine, houten kapel en een eenvoudig kruis.

Dat kruis staat er nog. Het houten kapelletje ook. Maar er verrees een schitterende kathedraal en kerk, tot meerdere eer en glorie van de Romanovs en het vermoorde tsarengezin in het bijzonder.

Bedenkend welke gruweldaden uit naam van Nicolaas II zijn gepleegd, bedenkend in welke weelde de Romanovs leefden, vergeleken met de schrijnende armoede van het gewone volk, laat de gedachte mij niet los, dat we hier te maken hebben met een overduidelijk gevalletje persoonsverheerlijking.
Onvoorstelbaar hoeveel gewone Russen ik op dit vroege morgenuur al in de kathedraal aantref. Niet te geloven de talrijke zalen vol portretten, foto’s en verhalen. In beide gebouwen bevindt zich uiteraard ook een meer dan uitgebreide souvenirwinkel.
En Jeltsin vreesde ooit koningsgezinde sympathisanten?

Oost, west…

Oost west, thuis best? Dat dacht ik niet.

Bijna zesduizend kilometer na ons vertrek uit Nederland hebben we vandaag letterlijk Europa achter ons gelaten en zijn Azië ingereden. Twee kilometer buiten Pervouralsk staat een dertig meter hoge zuil van rood marmer, met op de top de bronzen Russische tweekoppige adelaar. Rechts van die zuil staat in gouden letters het woord Azië en links Europa. Een toeristische attractie, voor ons een reden om naar die zuil te rijden en op de foto te gaan.

Natuurlijk was het niet echt een wedstrijd, welke van de twee Hollandse busjes als eerste Azië zou binnenrijden, maar Frits -getuige zijn triomfantelijke houding op de foto- kwam wel als eerste over de streep. Kinderachtig, dat wel, maar hij genoot van de lachende kiespijngezichten van de nog in Europa staande agrariërs…*)

Veel pasgetrouwde stellen laten bij dit monument hun trouwfoto maken. Die bruidjes en gommen waren vandaag niet aanwezig, want wie -behalve wij- trotseert dit barre winterweer? Het sneeuwt stevig door, de wegen zijn weer glad en modderig en het zicht is allerbelabberdst. Vrachtwagens staan met knipperlichten stil op de vluchtstrook, waar geen asfalt is, maar sompige blubber. Personenauto’s stoppen met panne of om de ruitenwisserbladen ijsvrij te maken. En wij dus naar Pervouralsk voor die foto waar we alle drie op willen staan.

We staan al een tijdje te wachten en hebben net besloten dan maar geen ‘drielingfoto’ te maken, als er een auto stopt en Nathalia uitstapt. En natuurlijk wil zij -de sneeuw trotserend- ons op de foto zetten. Spasiba, Nathalia!

*) Wat een uit de duim gezogen, beter gezegd: gelogen verhaal!
Wegrijdend bij het tankstation was het nog maar een paar kilometer naar die zuil. Frits -vooroprijdend- gaat na vijfhonderd meter rechtdoor, Harrie en Anne Marie slaan flauw linksaf. Harrie en Annemarie zijn na tien minuutjes bij het monument, Frits moet, want geen afslagen, dik veertig kilometer omrijden en komt pas bijna drie kwartier later in Azië aan. Gelukkig maar, dat het geen wedstrijd was…

Trouwens, over de waarheid gesproken: de oplettende, geografisch onderlegde lezertjes, zouden kunnen opmerken, dat wij niet vandaag, maar gisteren al in een ander werelddeel zijn aangekomen. Immers: Yekaterinburg ligt overduidelijk in Azië. Klopt. Terecht opgemerkt. Compliment voor je opmerkingsgave. Maar ja, die zuil dan? Maakt het verhaaltje toch leuker?

Winterpret

Langs de doorgaande wegen in Rusland zijn er regelmatig parkeer/overnachtingsplaatsen voor vrachtwagens. Op de grootste staan wel honderden trucks, is er een tankstation, een restaurant en soms een winkel. Een enkele keer komt er ’s avonds een mannetje aan de deur kloppen om geld op te halen. Daar ga ik niet failliet van: tot nu betaal ik tussen de 100 en 250 roebel per nacht (Google de koers maar…).

Ik draai zo’n gigantische parkeerplaats op en zoek een goed plaatsje. Mijn plekje voor de nacht wordt tussen twee grote broers: lekker beschut tegen de sneeuwbuien en de vlagerige wind. En een prima buffer tegen ‘collega’s’ die het terrein op- en afrijden. Zo parkeren noem ik liefkozend ‘een broodje Ducato’. Ik maak een kop koffie, klap mijn laptop open, steek een verse pijp op en werk mijn website bij. ’s Avonds eet ik in het truckersrestaurant voor een habbekrats mijn buikje rond (kan dat nog ronder dan?).

Als ik ’s morgens opsta, is het een kleine wereld: mijn voorruit is ondergesneeuwd en stijf bevroren. Geen nood: lang leve mijn prima werkende standkachel. Met een half uurtje is het ijs verdwenen als sneeuw voor de zon. De zon?
‘Ik vind het wel mooi allemaal hoor, dat winterlandschap met die bomen vol sneeuw’, merkt campervriendin Anne Marie op, ‘maar voor mij mag het zo langzamerhand wel een graadje of twintig worden.’

Die Russische vrachtwagenchauffeurs zijn kennelijk beter bestand tegen lage temperaturen.
’s Middags zie ik zo’n trucker met ontbloot bovenlijf uit zijn cabine stappen, zijn gulp open ritsen, zijn Sovjet jongeheer tevoorschijn grabbelen en tussen twee vrachtwagens een stukje sneeuw ontdooien.
En ’s avonds in het restaurant staan we bij het buffet naast een chauffeur, die gekleed is in een T-shirt en korte broek. Zij zijn die lage temperaturen gewend, want ja, we zijn in Siberië nietwaar?

OVERNACHTING #25 + #26

Kilometers vreten

Dus dit is Siberië.
Ik rijd nu alweer zo’n anderhalf uur op de R402-Tyumen-Omsk, een nagenoeg kaarsrechte, goed berijdbare tweebaansweg (soms een paar kilometer vierbaans), die door het landschap snijdt. Ik ben op weg naar Novosibirks. Ik tik mijn cruisecontrol op net iets meer dan honderd, leg mijn handen losjes op het stuur en begin aan de eerste kilometers van de 1400 die ik moet afleggen om in Novosibirks te komen. Links en rechts zie ik afwisselend zwarte, omgeploegde velden, bomenrijen en bos (vooral berken), braakliggend land en akkers met een groene waas van opkomend graan.

Er is nauwelijks bebouwing. Er staan aanwijsborden bij kruisingen naar dorpen verderop. Er zijn kruisingen zonder borden, waar afslaande wegen na zo’n driehonderd meter domweg doodlopen in het bos of in het land. Waar die stukjes asfalt voor dienen is me een raadsel. Misschien als parkeerplaats voor vrachtwagens? Ik zie er tenminste genoeg staan. Dat doorbreekt de eentonigheid, evenals de bushaltes en tankstations. Ik volg hun voorbeeld en maak op een van die plekken een urine-, nicotine- en cafeïnestop, uiteraard met een lekker caloriestootje dat ik gisteren in de supermarkt kocht. Ik ben de eerste niet die hier stopt: de plek ligt bezaaid met afval.

Toen ik vanmorgen vertrok vanaf mijn overnachtingsplek gaf Claire-mijn-Garminnetje aan, dat ik de R402 moet volgen en na 220 kilometer de eerste afslag moet nemen naar de… R402. En bij die de rotonde meldt mijn navigatievriendinnetje, dat lang is stil geweest, mijn volgende aanwijzing: ‘Neem over 514 kilometer op de rotonde de derde afslag naar de R402′.
Nog 1049 kilometer naar Novosibirks
Dat zijn nog eens afstanden. In Nederland ben ik met vijfhonderd kilometer van mijn huis in hartje Parijs. Hier is dat aantal kilometers de afstand naar mijn volgende aanwijzing. En gek hoor: toen ik een krappe drie weken geleden vanuit Letland Rusland binnen reed, zat ik me stierlijk te vervelen op die saaie M9 richting Moskou.*) En vandaag? Ik vind het heerlijk. Ik geniet. Heb ik de Nederlandse ‘wegenmaat’ losgelaten en ben ik inmiddels gewend aan de afstanden in dit gigantisch grote Rusland?

Uren later rijd ik in Omsk over de Irtysj, de grootste zijrivier van de kruiswoordpuzzel-opgave: ‘Rivier in Rusland’ (twee letters). Trouwens, maar goed dat ik alleen op stap ben en bijvoorbeeld mijn (klein)kinderen niet bij me heb. Had ik ze hier op de R402, bij nadering van Omsk, zonder pardon uit m’n bussie moeten smijten als prooi voor de hongerige wolven…**)
De weg naar Omsk is inderdaad lang. Zo lang, dat ik inmiddels een andere tijdzone ben ingereden. In Nederland is het nu vier uur vroeger. Zo lang ook, dat Bussie 2.0 de eerste 10.000 kilometer op de teller heeft staan. En zo lang, dat ik vandaag met twee keer tanken 130 liter diesel in de tank liet lopen.

Bij Gruzovaya Moika draai ik de grote vrachtwagenparkeerplaats op. In het badhuis neem ik een lange, hete douche en spoel de vele kilometers van vandaag uitgebreid van me af.

*) (her) lees: Gaap…

**) Snap je die opmerking niet? Luister dan naar De Dodenrit van Drs. P

OVERNACHTING #27

Propere Russen?

Vanaf het moment dat ik in Rusland ben, zie ik regelmatig borden langs de weg staan met de aansporing het afval in de daartoe bestemde bakken te gooien. Dat verzoek wordt -dacht ik- massaal genegeerd. De eerste dagen in dit land ergerde ik me aan de vele vuilniszakken die in de berm lagen. ‘Asociale Russen’, dacht ik toen, ‘zijn te bedonderd hun afval netjes in de bakken te doen. Smijten dat gewoon onderweg in de berm!’ Het bevreemde me wel, dat die volle vuilniszakken zo keurig om een aantal tientallen meters waren neergegooid.

Het werd me helemaal duidelijk toen ik regelmatig ploegjes van een stuk of zes geelgehesde ‘mannen-in-de-werkverschaffing’ aan beide kanten van de weg bezig zag. Met een prikstok in de ene en een vuilniszak in de andere hand vulden ze die zak met het losliggende afval langs de weg. De volle zakken werden keurig in de berm gelegd om later door een vuilniswagen te worden opgehaald. Te vroeg geoordeeld dus over die ‘asociale’ Russen…

Geklutst eitje

Hè lekker, een geklutst eitje. Niet gebakken met kruiden en op een boterham, verre van dat.

Toen ik geparkeerd stond op mijn overnachtingsplek, zag ik een rare, geelachtige streep van boven naar beneden over de kastdeur onder mijn koelkast lopen. ‘Da’s de zon’, dacht ik nog naïef, maar toen ik met mijn vinger over die streep ‘zonlicht’ veegde, voelde die kleverig aan. Getverdemme, een geklutst eitje!

Drie kwartier ben ik bezig geweest alles schoon te krijgen: het eitje lag op de bovenste plank en de inhoud was lekker naar beneden gedropen.
Dat betekent: de koelkast helemaal leeg halen en alle potjes en verpakkingen met een sopje stuk voor stuk schoonmaken. De plankjes en het laatje uitsoppen. De wanden reinigen. De binnenwanden schoonmaken en een soplapje over de deur van de kledingkast.

Lekker, zo’n geklutst eitje. Lekker, die hobbels in de wegen.
Zes eieren had ik thuis gekocht. Vijf pasten in het speciale eiervakje.
‘Ach’, had ik gedacht, ‘leg ik dat zesde eitje toch gewoon -goed ingepakt, dat dan weer wel- op de bovenste plank? Wat kan er gebeuren?’
Nou, dit dus. Leermomentje!

OVERNACHTING #28 + #29

Drinkwaterhulp

Ik heb overnacht op de eigen parkeerplaats van een hotel in Ob. Nadat ik daar ’s morgens een heerlijk ontbijt heb genuttigd en een bruin souvenirtje heb achtergelaten, vraag ik Valentina-van-de-receptie of ik drinkwater kan tanken. Ze neemt me mee een gangetje in en wijst in het schoonmaakhok naar een wasbak met kraan. Jammer genoeg past daar geen van mijn aansluitingen op. Ik bedank haar vriendelijk en besluit eerst maar diesel te tanken bij het naastgelegen station.

Als ik daar ook naar een buitenkraan vraag, is het antwoord njet. Een aanwezige vrachtwagenchauffeur bemoeit zich ermee. Eerst laat hij me op zijn telefoon trots de foto’s zien die hij van mijn machina op de parkeerplaats heeft gemaakt. ‘Good! Good!’, doet hij enthousiast. Dan wil hij me graag helpen met het tanken van drinkwater. ‘One minute’, zegt-ie en gaat op weg naar het hotel. Ik doe nog een poging hem uit te leggen, dat ik het daar al geprobeerd heb en dat het niet kan, maar zijn Engels is te beperkt om me te begrijpen.

Maar kijk: even later stapt Dimitri met Valentina naar buiten en wijst trots op een buitenkraan, vlak naast de ingang. Voor deze kraan heb ik wel de juiste koppeling. Ik rijd m’n bussie tot voor de deur en pak mijn slang. Inmiddels is ook Pasha, een andere chauffeur, erbij gekomen. Hij rolt mijn slang uit en zet de kraan open. Als de tank vol is, koppelt hij de slang los, rolt hem netjes voor me op en stopt hem ook nog terug in de krat.
Ik sta erbij en kijk er naar. Na het tanken willen ze nog graag met mij op de foto.
‘Good! Good!’, zegt Dimitri nog maar eens.

Gepeld eitje

Ik pak een rustdag in Ob.
Uit frustratie en boosheid over mijn domheid met dat druipende koelkasteitje *), haal ik de doos met paaseitjes uit de kast die een lieve thuisfront-vriendin me meegaf voor mijn reis.

Ik ga op mijn gemak aan tafel zitten en ontdoe die kilo Leonidasjes van hun irritante papiertjes. Ik tel er keurig gesorteerd precies tien af en vreet ze achter elkaar op. De rest gaat netjes terug in de kast. Ben op mijn manier nog trots ook dat ik het maar bij tien ‘frustratie-eitjes’ heb gelaten…

*) (her)lees: Geklutst eitje

Smikkelduo

Ik hou’ van lekker snoepen, maar campervriendin Anne Marie is er ook niet vies van. De ochtendkoffiestop rond een uur of tien is nooit ‘kaal’, maar altijd met iets-lekkers-erbij.

Staan we na de koffie met z’n drieën nog even buiten van het zonnetje te genieten, zegt ze: ‘Zullen we maar weer gaan rijden, want anders begin ik alweer trek te krijgen…’

Mooi toch? Ik heb voor deze maanden mijn smikkel-evenknie gevonden!

OVERNACHTING #30

‘Grensovergang’

We zijn in Rusland tot nu toe al een paar keer eerder een autonome regio binnen gereden, maar daar merkten we nauwelijks iets van. Het zal wel op die borden langs de weg hebben gestaan, die we toch niet kunnen lezen.

Nee, dan de autonome Kraj Altaj, die maakt er tenminste werk van.
Niet te missen, deze binnenkomst: een groot monument met uitleg in vele talen op een gigantische parkeerplaats, twee zuilen, een ‘hunebed’ aan de rivier en een touw tussen twee palen met wenslintjes. En een restaurant. Maar dat is gesloten.
Kortom, een grensovergang, die niet te missen is en uitnodigt te stoppen en foto’s te maken. Doen we dan ook.

Warme maaltijd

Ik ben voor de nacht terechtgekomen op de parkeerplaats van Gorno Altaysk Airport. Aan het begin van de avond besluit ik op de luchthaven een hapje te gaan eten. Omdat ik op mijn Huawei al drie dagen zonder nieuwe bundel zit en dus geen internet heb, gooi ik mijn laptoptas over mijn schouder met als doel in het restaurant mijn website bij te werken.
Ik loop de paar honderd meter naar de ingang van de terminal. Zo ver kom ik niet eens, want bovenaan de trap staat een bewaker, die me duidelijk maakt, dat het vliegveld gesloten is (…). Met handen- en voetenwerk probeer ik er achter te komen of er ergens een restaurant in de buurt is. Dat is er, een stukje terug langs de R256. Hoe lang dat stukje is, handvoetvraag ik de man. ‘Ongeveer een kilometer’, maakt-ie me duidelijk.
Ik kijk naar m’n bussie even verderop op de parkeerplaats. Even overweeg ik met de auto te gaan, maar dat idee verwerp ik. ‘Kom op, Frits, niet zo kinderachtig. Een kilometertje. Dat moet zelfs jij kunnen halen.’

De afgelopen dagen heb ik me vaak afgevraagd, waar al die voetgangers naar op weg zijn, die op het smalle stukje modderzand-met-grind naast de snelweg lopen, terwijl het verkeer voorbijraast. Nou, in ieder geval niet naar ‘een restaurant, een kilometertje verderop’.
Het is vandaag voor het eerst lekker warm en zelfs nu -tegen zeven uur ’s avonds- is het nog dik twintig graden. Ik had nog overwogen me om te kleden voor ik wat ging eten en een shirt met korte mouwen aan te trekken. ‘Komt morgen wel’, had ik besloten. ‘Dat shirt met lange mouwen hou’ ik vanavond nog aan.’
Wat een onwijs besluit. Binnen de kortste keren loop ik langs die R256 te zweten als een otter. En ook die laptoptas wordt steeds zwaarder.

Drie keer vraag ik in een dorpje en bij een benzinepomp voor de zekerheid de weg. Drie keer krijg ik als antwoord, dat ik –priamo, priamo– in de goede richting loop. Drie keer krijg ik ook te horen, dat het restaurant nog een kilometertje of zo verderop zit.

Helemaal niet gewend te lopen (en al helemaal niet over van de hobbelige keitjes) kom ik eindelijk bij dat restaurant aan. Moet ik ook nog twee trappen op!
Met die belabberde conditie van mij maak ik -mijn voorhoofd deppend met een servetje- bij het buffet mijn keuze. Een kom borscht, een bakje salade, aardappelpuree, een flinke moot gebakken vis, wat brood en blini’s toe.
‘Doet u er een biertje bij’, zeg ik. Daar hebben ze geen licentie voor. Een kopje thee dan maar, doe ik net als bijna alle Russen.
‘Enne… heeft u hier internet en heb ik een code nodig?’
‘Njetta wifi’, is het korte, maar duidelijke antwoord. Ik zucht. Heb ik daarvoor met die laptoptas lopen zweten langs de snelweg? Een kilometertje of zo?
Ik laat er mijn eetlust niet door bederven (het moet wel heel raar lopen wil ik mijn eetlust kwijtraken) en werk met smaak mijn maaltijd van vijf euro (…) naar binnen.

Al eerder vandaag en ook nu weer in het restaurant valt het me op, dat ik steeds minder typische Russische gezichten zie, maar veel vaker Aziatische types. Logisch, want op sommige stukken van de route die ik nu rijd, zit ik op een honderd kilometer van de grens met Mongolië.

Al onder het eten had ik me voorgenomen, dat ik niet van plan was dat ‘kilometertje-of-zo’ terug te lópen. Daar ging ik mijn zo vaak beproefde liftersduim voor inzetten. Het zal wel te maken hebben met mijn betrouwbare voorkomen (…), maar auto nummer drie gaat al in de remmen en zet me (wat een kippeneindje eigenlijk) keurig netjes bij m’n bussie af. Ik bedank het jonge stel, waarvan zij met een nijdig naar me kijkend grommend keffertje op schoot zit.
Ze willen nog een selfie maken van ons drieën en na een laatste spasiba stap ik m’n vertrouwde bussie in. Dakluik open, klapraam omhoog en koffie. Met wat lekkers uiteraard.

OVERNACHTING #31

Kort-weg

Taalbarrière
De pinautomaat kent meer Engelse woorden dan de caissière.

Uit-Aan
Na vier weken vanmorgen voor het eerst de kachel kunnen uit laten en de koelkast moeten aanzetten.

Onbegrip
Die overwegend goed onderhouden R256 voert soms door steden en dorpen heen. Onvoorstelbaar dat het wegdek daar dan soms zo slecht is, dat zelfs de toegestane 40 km/uur een regelrechte aanslag op de vering van Bussie 2.0 is.

Pas op de plaats

Ik ben inmiddels een behoorlijk eindje de Altaj ingereden en rijd over de oude Chuyski Trakt naar het hoogste punt, de Seminskii-pas, 1739 meter boven de zeespiegel.
Zo historisch als gisteren de ‘grensovergang’ was, zo toeristisch is deze pas. Er staat weliswaar een zuil ter aanduiding, maar verder staan links en rechts van de weg rijen kramen met souvenirs, kleding, kruiden, flessen vloeistof (geen idee wat er in zit) en schoeisel. En alles, want vlakbij de grens, Made in Mongolia. Toeristisch weliswaar, maar toch een reden om te stoppen en langs de kraampjes te struinen.

 

En laat ik nou -kan het toeval zijn?- geparkeerd staan pal naast een houtskoolvuurtje, waarop uitnodigende spiesen vlees liggen. Met een oink-oink-geluid maakt de man me duidelijk om wat voor vlees het gaat. Ziet er goed uit. Tikkeltje zanderig vanwege het opwaaiende stof hier boven op de pas, maar -zei mijn moeder al- dat schuurt de maag.
‘Doe mij maar zo’n spies’, maak ik de man duidelijk. Uitjes erbij? Tuurlijk! Een stuk brood? Prima!
Terug in m’n bussie geniet ik van deze warme lunch.
Fijn hoor, zo’n pas.

Amai Altaj!

60.551 hectare. Zo groot is het ethno-park Uch-Enmeck in de kraj Altaj. Het park is verdeeld in drie gebieden: een volledig gereserveerd gedeelte, een beschermd deel en een recreatief gedeelte. In dat laatste deel toer ik vandaag rond over de R256.

En wat is het hier prachtig. Wat is het hier mooi. Bergen met besneeuwde toppen rondom. Kleine dorpjes en nederzettingen. Paarden, koeien, schapen. Maar ook zomaar in een of ander gehucht een bronzen standbeeld van Lenin op een verblindend witte sokkel.

Iedere beschrijving die ik aan dit schitterende natuurgebied wijd, zou tekort schieten in vergelijking met de werkelijkheid. Bekijk de foto’s maar (en dan nog is het maar een magere afspiegeling). Je moet er geweest zijn om het te ervaren. En dat heb ik vandaag, kilometers van huis.

OVERNACHTING #32

Ver weg, toch thuis

Bijna 8500 kilometer van de Hoeksewaard verwijderd en toch zo dicht bij huis…

 

 

 

 

 

OVERNACHTING #33

Oponthoud?

Mijn Huawei heeft de geest gegeven. Nou ja, hij doet het nog wel, maar ik heb geen internet meer. Mijn bundel is verlopen. Noch vanaf hier, noch vanuit het thuisfront in Nederland, lukt het mijn simcard op te waarderen. Dan maar op de manier zoals ik dat vroeger deed: koop ik gewoon in het land zelf een dongle en een simcard met voldoende tegoed. Heb ik tenminste weer internet.

In Kosh-Agach, stap ik een telefoonwinkel binnen. Er zitten twee jonge vrouwen achter de balie. Een van die twee is met een klant bezig, de ander kijkt me aan, maar reageert niet op mijn binnenkomst. Ze is druk bezig met haar mobiele telefoon. Ongetwijfeld een belangrijk gesprek. Na een minuut of vijf spreek ik haar toch maar aan. Nee, ze spreekt geen Engels, daar moet ik voor bij haar collega zijn.

Ik neem plaats op een stoel. Het verkoopgesprek van de Engels sprekende verkoopster duurt en duurt en duurt. Haar collegaatje loopt met haar mobieltje naar buiten en gaat voor de deur van de winkel aan het bellen.
Als zij weer terug achter de balie is, opent zij behoedzaam een zakje chips. Ze haalt er voorzichtig eentje uit, breekt die zorgvuldig doormidden, schuift haar hygiënische mondkapje even opzij en stopt het mini-chipje in haar mond. Met keurige gebaartjes veegt zij het zout van haar keurige vingertjes en doet haar mondkapje weer voor. Dat herhaalt zich zo’n beetje ieder kwartier. Ieder kwartier? Ja hoor, want zoals ik al zei: het gesprek van haar collega duurt en duurt en duurt.

Na ruim drie kwartier (en dus drie chipjes verder) verlaat een tevreden klant met een nieuwe telefoon de winkel en ben ik aan de beurt. Ik begin uit te leggen, wat ik nodig heb, maar al halverwege mijn derde zin onderbreekt de verkoopster me met de mededeling, dat haar kennis van de Engelse taal maar so and so is… Dat so and so blijkt dus in de praktijk praktisch niets te zijn en -voor de zoveelste keer deze reis- moet de vertaal-app uitkomst brengen. Maar dan ben ik ook snel klaar, want een simcard voor Rusland heeft ze wel, alleen mag ze die niet aan buitenlanders verkopen.
‘Pardon?’, doe ik verbluft. Ze toont me de app op haar telefoon: ‘Simcard strictly for Russian inhabitants. No foreigners.‘ En ze is onverbiddelijk. Nou ja, dat snap ik wel. Regels zijn immers regels.
Maar ik heb daar dus mooi al die tijd voor Jan-xep op mijn beurt zitten wachten. Inwendig ontplof ik, maar die meiden kunnen er ook niks aan doen, dus ik grrr..oet vriendelijk en verlaat de winkel.

Door dat krappe uur oponthoud is het inmiddels wel lunchtijd geworden. Elk nadeel…, nietwaar?
In de drukke winkelstraat is een restaurantje snel gevonden.
Het is van een hoog formicagehalte. Er zijn drie tafeltjes bezet. Aan twee ervan zit een stelletje, aan de derde tafel een man alleen.
Ik loop naar de ‘bar’ en zie dat de menukaart in het Russisch is. De man aan de andere kant van het buffet spreekt geen woord buiten de deur. Ik wend me tot de drie tafeltjes: ‘Is there anyone here who speaks English?’, vraag ik. Tot mijn opluchting antwoordt de man-alleen in perfect Engels, dat hij me wel kan helpen met mijn bestelling. Met een gebaar nodigt hij me uit bij hem aan tafel te komen zitten. Ik stel me voor en tot mijn stomme verbazing zegt hij: ‘Ik weet wel wie u bent hoor. U bent van die Hollandse camper die een stukje verderop geparkeerd staat. U bent mij de afgelopen dagen al een paar keer gepasseerd’. Ik kijk de man nog eens goed aan en dan herken ik hem. ‘Wacht eens even’, zeg ik, ‘u bent de fietser! Nu zie ik het.’
We -mijn campervrinden en ik- hadden deze man inderdaad een paar keer ingehaald. Hadden bewondering voor hem gehad hoe hij de hellingen van de Altaj bedwong. Hadden de laatste keer -een paar kilometer voor Kosh-Agach- nog tegen elkaar gezegd, dat we hem eigenlijk wel een kopje koffie konden aanbieden. ‘Dat kopje koffie zou ik erg gewaardeerd hebben’, zegt Gunther, als ik hem dat vertel.

Hij komt uit Duitsland, werkt aan de universiteit in Berlijn, waar hij ‘atomen splitst’ en houdt een fietsvakantie van drie weken.
‘Da’s kort’, zegt-ie, ‘en ik hoop het allemaal te halen. Precies een week geleden ben ik geland in Novosibirsk, dus ik heb nog twee weken om in Ulaan Baatar mijn vliegtuig terug naar Duitsland te halen. Eind van de middag hoop ik aan de Mongoolse grens te zijn. Dat moet ik makkelijk halen, want dat is nog geen zestig kilometer hier vandaan.’

We wisselen wat reiservaringen uit. Hij slaapt onderweg in hotelletjes, soms in een tentje en gaat dagelijks uit eten in een restaurant.
‘Ik weet niet wat u voor uw maaltijd heeft betaald’, zegt-ie, ‘maar ik snap niet hoe ze het voor elkaar krijgen. In de winkel zijn de ingrediënten duurder dan wat u en ik hier op ons bord hebben.’
Ik kan het alleen maar beamen, want ik betaalde hier zojuist de tot nu toe absolute buiten-de-deur-eten-bodemprijs van 170 roebel. Є 2,38 voor een salade, aardappelpuree, een kotelet en brood…

‘En de visa?’, vraag ik Gunther, ‘heb je die allemaal geregeld?’
‘Voor Mongolië heb je geen visum meer nodig hoor. En geen letter of invitation. En je hoeft je ook niet meer te registreren.’
Dat is nieuw voor mij en ik vertel hem, dat ik een visum heb en de verplichting me binnen een week te registreren.
‘Ik hoop dat je ongelijk hebt’, zegt Gunther, ‘want anders heb ik een probleem. Terug Rusland weer in kan ik niet, want ik heb een single entry en als ik Mongolië niet in mag zonder visum… Dat wordt dan overnachten in niemandsland en de ambassade bellen.’

Hij kijkt naar buiten.
‘Het weer is wat opgeklaard. Als je het niet erg vindt, stap ik weer op de fiets.’
We lopen naar buiten. Hij bergt zijn spulletjes in zijn fietstassen en we nemen -elkaar een goede reis wensend- hartelijk afscheid. Hij zwaait zijn been over het zadel en laveert tussen het verkeer door de straat uit. Op weg naar de grens van Mongolië. Ik hoop voor hem, dat-ie het land binnenkomt.

Keerpunt

Had ik het thuis zo mooi bedacht: vanaf Novosibirks naar het zuiden afzakken, dwars door het Altaj-gebergte en vanaf Kosh-Agach ‘het hoekje om’ en weer noordwaarts, richting Tomsk. Maar die weg terug naar het noorden vanaf Kosh-Agach blijkt een track te zijn. Ongeschikt voor mijn bussie.

Er zit niets anders op dan in Kosh-Agach te keren, dezelfde weg ‘terug omhoog’ te rijden, bij Novosibirks rechtsaf te slaan en dan naar Tomsk.
Mijn thuis geplande rondje was berekend op 2400 kilometer. Zo’n zelfde aantal kilometers ga ik nu ook maken. Heen en weer naar Kosh-Agach dus. Geen probleem: ook voor de tweede keer diezelfde weg rijden, blijft prachtig en is genieten!

Oponthoud!

Dat verwarming-uit, koelkast-aan van een paar dagen geleden, heeft welgeteld één dag geduurd. Niet dat het slecht weer is, maar ’s morgens staat mijn kachel toch weer ouderwets de kilte weg te blazen.

En het verschilt nogal van dag tot dag. Zaten we gisteren nog lekker buiten in het zonnetje (met de truien aan weliswaar), vandaag in Kosh-Agach moest ik mijn pet stevig vasthouden vanwege de stormachtige, venijnig koude wind. En later -op weg naar het noorden- sneeuwde het regelmatig of waren er buien met striemende regen, die het zicht beperkten.

 

Er staat een hes op de weg met een rood spiegelei. Hij wacht tot ik gestopt ben en gaat dan in zijn auto zitten. Even verderop zijn ze aan de weg bezig. Ik zie grote bulldozers puin van de helling verwijderen.

Meestal is zo’n oponthoud redelijk kort, maar deze keer duurt het beduidend langer. Pas na drie halve chipjes *) passeert mij eerst een lange sliert tegenliggers en dan krijg ik vrij baan. Op naar Tomsk!

*) (her)lees: Oponthoud?

Politiebezoek #1

Of ik naast het oorlogsmonument mag parkeren en daar in mijn machina overnachten, had ik de patrouillerende agenten gevraagd. Na hun da, da had ik m’n bussie op het grasveldje gezet.

Na zo’n anderhalf uur -ik zat met koffie en pijp lekker aan mijn website te werken- stopt er een politieauto naast me. Twee agenten stappen uit en beginnen in het Russisch tegen me te praten. Ik begrijp dat ze mijn paspoort willen zien. Met zijn mobieltje maakt de ene agent er een foto van, evenals van mijn registratiedocument en het formuliertje waarmee ik Rusland weer kan verlaten. Ze overleggen even met elkaar en dan krijg ik -in meer dan gebroken Engels- een heel verhaal te horen.
Ik vang wat woorden op waar ik niet vrolijk van word: Man… drink… criminal… you sleep… night… man come… knife… not here… Ik meen het allemaal wel te begrijpen, maar pak voor de zekerheid mijn grote broodmes uit de la, loop ermee naar een van de wielen en doe of ik een band lek steek. Beide agenten knikken: You go. Not safe in night. Man drunk.
Een van beide agenten pakt zijn telefoon en begint te bellen. Nadat hij zijn telefoon heeft opgeborgen, wendt hij zich weer tot mij: we drive… you drive… you follow… safe place… you sleep…

Ik zet snel mijn spulletjes in de gootsteen, leg mijn laptop op bed en rijd een kilometer of tien achter de politieauto aan. Ze slaan af naar een dorpje en loodsen me een parkeerterreintje op. Here you sleep… safe… look… police… Sta ik op het eigen parkeerterrein van het politiebureau! Have safe night and nice trip…
Koffie willen ze niet, want on duty en op de foto mogen ze niet in uniform. Spasiba, policia!

OVERNACHTING #34

Kleine wasjes, grote wasjes

Het allermooist is natuurlijk een overnachting in de vrije natuur op een mooi plekje, ver van de ‘bewoonde wereld’. Maar soms moet ik praktisch zijn. Als ik langs de R256 een groot gebouw zie met de nodige geparkeerde vrachtwagens en wat gewoon volk, draai ik m’n bussie het parkeerterrein op.

Goed gegokt. Het gebouw huisvest een megarestaurant en er zijn toiletten en douches. Of er ook wasmachines zijn, vraag ik aan de vrouw in een lang schort, die met een stapel handdoeken uit de doucheruimte komt. Ze mist twee voortanden en slissend maakt ze me duidelijk dat ze alleen Russisch spreekt. Ik gebruik mijn pantomimetalenten om haar duidelijk te maken wat ik bedoel: trek zogenaamd mijn kleren uit, zet met m’n handen een wasmachine neer, open de deur, graai mijn kleren bij elkaar, doe ze in de machine en druk op de knop. Ze begrijpt het, maar er zijn jammer genoeg geen wasmachines voor de klanten. Ik hef mijn handen ten hemel en trek mijn meest teleurgestelde gezicht. Het helpt. Ze maakt een betaalgebaar met haar vingers en wijst op zichzelf. Begrijp ik het goed, dat zij wel een wasje voor me wil draaien? Na haar da, da, komen we een prijs overeen.

In m’n bussie vul ik twee vuilniszakken met wasgoed, pak mijn portemonnee en ga terug naar het gebouw. Ik zet de zakken voor haar neer en graai er een spijkerbroek en een licht shirt uit. Dat alles bij elkaar in één was mag, maak ik haar duidelijk. In de vakantie neem ik het niet zo nauw: ik hou’ wel van een grauwsluiertje… Mijn ‘wasvrouw’ wil daar echter niets van weten. Nee hoor, ze gaat twee wassen voor me draaien, een lichte en een donkere. Over twee uurtjes kan ik mijn schone, droge was komen ophalen enne… ze maakt een betaalgebaar. Ik geef haar de afgesproken 150 roebel (…) en zeg tegen zessen terug te komen. Dan is het -strakke planning- ook zo’n beetje etenstijd. Nu had ik onderweg al warm gegeten, maar een blik op het uitgebreide buffet had me al doen besluiten vandaag maar twee keer warm te eten.*) Weliswaar een forse aanslag van Є 12,50 uit mijn vakantiebudget (én die was én een douche én weer een restaurantmaaltijd), maar ja, zoals ik altijd zeg: failliet ga ik toch…

Helemaal ideaal is dit overnachtingsplekje trouwens niet. Op vijftig meter afstand dendert het drukke verkeer van de R256 voorbij en om me heen rijdt het af en aan met vrachtwagens en particulieren die even een snelle hap komen nuttigen. Dat verkeer gaat vanavond wel rustiger worden. Ik hoop dat dat ook voor de keiharde muziek geldt, die uit talloze luidsprekers uit het gebouw schalt. Maar ja: alle was weer schoon, haren gewassen en een lekkere maaltijd is ook wat waard. Morgen de natuur weer in. Denk ik. Hoewel: Tomsk?

*) Ik ga niet weer opsommen wat ik allemaal naar binnen heb gewerkt. Volgens mij doe ik dat al veel te vaak.

OVERNACHTING #35

Russische ‘snelweg’

Ik rijd op de Siberia Highway (R255).
Highway, dan verwacht je toch wat, nietwaar? Nou, deze Highway is tweebaans. Overwegend redelijk tot goed geasfalteerd*), maar ook hele stukken waar de vering van Bussie 2.0 weer zwaar op de proef wordt gesteld. Slierten vrachtwagens maken van deze weg gebruik om in Tomsk te komen. Dat schiet niet op.

Nu werkt het weer daar ook niet aan mee: het is rond het vriespunt en ik zit vanaf mijn vertrek vanmorgen nu al uren tegen zwiepende ruitenwissers aan te kijken. Het is erg mistig, het regent, maar nog vaker valt er natte sneeuw. En niks zoab op die Highway. Bij iedere mij tegemoetkomende vrachtwagen krijg m’n bussie een plens modderwater over zich heen. Twee keer moet ik stoppen om mijn zijramen, mijn spiegels en mijn achteruitrijdcamera schoon te maken.

Het landschap is heuvelachtig en menige vrachtauto heeft moeite met de hellingen: met vijftig, zestig, zeventig kreunen ze omhoog. Inhalen is nauwelijks een optie vanwege het slechte zicht en de vele tegenliggers. Nog 120 kilometer tot Tomsk. Ik kijk uit naar het moment dat Claire-mijn-Garminnetje een restaurant op haar schermpje laat zien…

*) Ach, alles is relatief, want ik wen er aan, maar de polderdijk naar mijn huis thuis in Nederland is beter geasfalteerd dan deze Highway

Met stomheid geslagen

Zo’n tien kilometer voor Tomks rijd ik een piepklein dorpje binnen. Bij het moskeetje van Dom Kul’ Tun zet ik m’n bussie op de parkeerplaats binnen het hek. Een paar uurtjes later voegen mijn campervrinden zich bij me.
In de tussentijd heb ik in het winkeltje/restaurant toestemming gevraagd om bij de moskee te mogen overnachten. ‘Geen probleem’, krijg ik als antwoord.
Als ik later in het winkeltje brood ga kopen, vraag ik waar het restaurant is. Vijf vrouwen beginnen in het Russisch te ratelen. Eén van hen pakt me bij de arm en duwt me met een priamo priamo een onverlicht gangetje door. Ik passeer de keuken en aan het einde van het gangetje kom ik terecht in een duistere, grote ruimte. Ik ontwaar tafels, zie vaag een toneel en een bar. Rosa stapt achter me de ruimte binnen en maakt licht. Ik zie nu een uitgestorven lege eetzaal, met een sobere, ouderwetse sovjet-inrichting.
‘Enne’, begin ik, ‘hier kunnen we dus eten? Mijn twee vrienden en ik? Over een uurtje? Om zes uur?’ Er moet een schrift en een balpen aan te pas komen om duidelijk te maken wat ik bedoel. Ik maak wat tekeningetjes deze vakantie…
Door mijn getekende klok van zes uur wordt resoluut een kruis gezet. Rosa tekent een nieuwe klok, die op vijf uur staat. Ik haast me terug naar de bussies om mijn vrienden te vragen haast te maken: om zes uur gaat het restaurant dicht (was het open dan?) en ze zijn de tafel al aan het dekken…

We zitten nog maar net en zijn benieuwd naar de menukaart, als er drie borden vol eten op tafel worden gezet. Juist ja, geen keus dus. Eten wat de pot schaft. Dat geldt ook voor de vele andere gerechten die binnen de kortste keren de tafel vullen tot en met de koffie toe. Die dus behoorlijk lauw is als we er na de maaltijd aan toe zijn.
Bier moet in het winkeltje gekocht worden, maar als ik om wodka vraag, wenkt een van de vrouwen me mee te gaan naar de keuken. Daar vult ze uit een grote fles zonder etiket een karaf en pakt drie borrelglaasjes. Ik maak haar duidelijk dat alleen ik wodka wil. Ze kijkt verbaasd en vult een glaasje. Als ik dat ad fundum achterover sla, krijg ik een goedkeurende duim en de karaf mee.

Het is veel, veel te veel, het eten dat ons is voorgezet. We moeten halve borden laten staan. En we eten inderdaad wat de pot schaft, want tijdens mijn wodka-onderonsje in de keuken zag ik dezelfde gerechten ook op hun tafel daar staan.

Speciaal voor ons wordt de televisie aangezet. Die zet ik uit.
Maar kort daarna knalt er keiharde muziek door de lege eetzaal. Met wat moeite weet ik de vrouwen te bewegen het geluid zachter te zetten. Maar tegen het eind van onze maaltijd wordt de muziek weer op volle sterkte gezet. Twee van de vrouwen beginnen in het midden van de zaal te dansen. Anne Marie en ik doen -zeker in vergelijking met de twee vrouwen- een paar houterige pasjes mee.

Het wordt tijd om op te stappen en ik stap de keuken in om de rekening te vragen. Dat komt er even niet van, want ik moet vooral bij de twee vrouwen aan tafel komen zitten en proosten -met wodka uiteraard- op de leuke kennismaking. En meteen na het in een teug legen van het glaasje een kwart tomaat met zout bestrooien en opeten. In een kwartiertje werk ik een hele tomaat naar binnen… Plus dat inmiddels lege karafje bij de maaltijd.
‘Ik wil nu weg’, zeg ik tegen mijn vrinden als ik terugkeer in de eetzaal. ‘Ze zijn in de keuken bezig me onder tafel te drinken. Ik ben de tel kwijt en wil dat niet laten gebeuren. En oh ja, we hoeven onze maaltijd niet te betalen. Die is gratis.’
?????
We kunnen onze oren niet geloven, maar Rosa pakt het schrift erbij en tekent een ingepakt cadeautje met een strik er omheen. ‘Surprise‘, zegt ze er ter verduidelijking nog bij, wijzend op de tekening en de borden en schalen op tafel. We weten niet wat we zeggen moeten (vooral van verbazing, maar ook omdat we de taal niet machtig zijn). We schudden heel wat keren handen, zeggen heel wat keren spasiba en gaan samen op de foto.

We zijn met stomheid geslagen. Hebben het -teruglopend naar onze campers- over zoveel vriendelijkheid, zoveel hartelijkheid. Het gaat ons niet eens om het geld dat we uitgespaard hebben. We eten toch bijna voor niks buiten de deur. Nee, de onbaatzuchtige gastvrijheid, daar worden we helemaal stil van.

Tegen zeven uur rijdt er een auto ‘ons’ parkeerterreintje op. Het blijkt de imam te zijn. Natuurlijk is het goed dat we hier overnachten en hij nodigt ons uit binnen te komen. Dat doen we en even later wonen we het avondgebed bij.
Na het gebed nodigt de imam ons uit in een kamertje plaats te nemen. Of we koffie of thee lusten? Hij gaat omstandig aan de slag met het (twee keer) wassen van de kopjes, presenteert er een koekje bij en luistert naar onze reisverhalen. Luisteren is het niet echt: we maken weer gebruik van tekeningetjes. Als de kopjes leeg zijn, wast hij ze af, ruimt alles netjes op en gaat dan (speciaal voor ons?) over tot een zangerig gebed.

Het wordt tijd om afscheid te nemen.
Met geen enkele bijbedoeling toon ik hem -bijna bij de voordeur- mijn pet die ik tijdens het bezoek heb afgezet en wijs op zijn hoofddeksel. Waarschijnlijk vat hij het verkeerd op, want uit een kamertje pakt hij zo’n moslimmutsje (het zal wel een naam hebben) en geeft dat aan mij. Blij verrast zet ik het meteen op mijn hoofd. Als ik het terug wil geven, maakt hij me duidelijk dat ik het mag houden. Trots gaan we samen op de foto.

Zomaar op een zaterdagmiddag -bijna tienduizend kilometer van huis- in een dorpje verzeild raken. Zomaar in contact komen met mensen die ons niet kennen. Zomaar twee keer met stomheid geslagen zijn. Zomaar stil vallen. Zomaar een dag met een gouden randje.

OVERNACHTING #36

Nina

In het Memorial Museum in Tomsk vraag ik aan de vrouw die mij zojuist een kaartje heeft verkocht waar ik een kop koffie kan kopen. De cellengang, de cellen zelf en de uitgebreide tentoonstelling over de verschrikkingen in de goelags in dit voormalige KGB-gebouw kunnen wel even wachten. Ik heb het koud. Het is net twee graden boven nul, het waait en af en toe sneeuwt het. Dus een kop koffie…

Nina sluit de kluis bij haar balie af en wenkt me met haar mee te lopen. Ze sloft voor me uit door de cellengang. Aan het einde is een soort kantoortje. Ze pakt een pot Nescafé uit een la en een kopje van de plank. Hoeveel schepjes koffie ik wil. En suiker? En melk? Als ik haar duidelijk maak zwarte koffie te willen, knikt ze goedkeurend. Dankbaar –spasiba, Nina– neem ik de koffie van haar aan en warm mijn ijskoude handen aan de mok. Maar eh… heeft ze er misschien ook een koekje bij?

Glimlachend gaat ze me weer voor, terug naar haar balie. Van onderuit een kastje tovert ze een bord tevoorschijn met een grote stapel blini’s. De campervrinden worden erbij geroepen en Nina presenteert trots voor allemaal drie heerlijke pannenkoeken. We laten het ons smaken.

Oh ja, de stad Tomsk en die tentoonstelling? Nou eh… indrukwekkend.

Meidenbezoek

Alles is er te koop in de winkel-van-Sinkel in Poperetsnoe: van sokken, ondergoed en een rol vloerbedekking tot kaas en worst toe. Maar zoiets simpels als een pakje boter krijg ik ze niet aan het verstand gepeuterd. Niemand van de klanten en ook de wachtenden buiten bij de bushalte voor de winkeldeur spreken ook maar een woordje buiten de deur. Uiteindelijk koop ik een kuipje boter, dat terug in m’n bussie smeerkaas blijkt te zijn.

Ik word uit de brand geholpen door een latere ontmoeting met drie meiden, die redelijk Duits en Engels spreken: ‘Ik ben veertien, zij ook en zij daar is overmorgen jarig en wordt dan ook veertien.’ Ik vraag of ze me in de winkel kunnen helpen met het kopen van boter. Met z’n vieren stappen we het winkeltje weer binnen. Twee tellen later sta ik met een pakje boter weer buiten.

Als ik na de avondmaaltijd achter m’n laptop zit, komen de meiden nog even gezellig buurten. We kletsen wat af. Over mijn reis, over hun school, over van alles. We hebben het reuze gezellig. Ondertussen werpen ze nieuwsgierige en bewonderende blikken in m’n bussie. ‘Zo groot!’, verzuchten ze. Uit een zakje Russische minizoutjes krijg ik rijkelijk gepresenteerd en natuurlijk willen ze -voor ze naar huis gaan om te eten- samen op de foto. ‘Auf wiedersehn! Goodbye!’ Het zakje chipjes mag ik houden.

Zo’n anderhalf uur later klopt het drietal weer op mijn deur. Als ik open doe, krijg ik giechelend een klein notitieblokje en een pen in mijn handen gedrukt. ‘Für Sie. A present.’ Ik maak een klein buiginkje en bedank hartelijk. Op een holletje lopen ze weg.

Als ik ’s avonds tegen tienen in bed kruip en net mijn tablet heb aangezet om nog wat te lezen, hoor ik de stemmen van de meiden naderen. Niet zo aardig van me, maar ik heb er nu even geen zin meer in. Ik knip mijn lampje uit en hou’ me stil. Ze kloppen op mijn deur. Ze kloppen op de ramen. Ik reageer niet. Na zo’n vijf minuten geven ze het op. Leuke meiden hoor, maar voor een keer gedraag ik me a-sociaal.

OVERNACHTING #37

Ochtendbeeld

Wakker worden.

Uit bed stappen.

Door de voorruit kijken.

7 mei 2018.

Siberië.

 

OVERNACHTING #38

9 mei

Het is vandaag nationale feestdag in Rusland. Vieren wij in Nederland op 5 mei Bevrijdingsdag, de Russen herdenken het einde van de Tweede Wereldoorlog vier dagen later op 9 mei. Herdenken is het juiste woord. Wordt onze Bevrijdingsdag gekenmerkt door feestelijkheden, in Rusland gaat het er heel wat serieuzer aan toe. Daarentegen kennen de Russen niet -zoals wij- een nationale dodenherdenking.

We rijden op de R257 en zien rechts een klein dorpje waar zojuist een 9-mei-viering aan de gang is. We slaan meteen af, parkeren onze busjes en voegen ons bij de toeschouwers. ‘Bij de toeschouwers voegen’ is zwak uitgedrukt: we worden door de plaatselijke bevolking onmiddellijk gastvrij opgenomen. Zijn we het eigenlijk in Rusland anders gewend?
‘Wat leuk dat jullie hier stoppen om onze plechtigheid bij te wonen’, zegt een vrouw met een hummeltje op haar arm. ‘Dank jullie wel, dat je ons dorp bezoekt.’ Ons bedanken? Het is eerder andersom! Ik schreef het al eerder en vaker: de vriendelijkheid en gastvrijheid van de Russen verrast ons iedere keer weer. Zo ook hier.

Er wordt ons het hemd van het lijf gevraagd. Er worden door iedereen die maar een camera of telefoon heeft talloze foto’s gemaakt. Ene Marina werpt zich op als een soort regisseuse: ze zet ons -soms wat hardhandig, maar goed bedoeld- bij steeds een ander groepje mensen neer. Ze staat op sommige momenten met drie camera’s te ‘knippen’. Of we hier ook nog even willen poseren. Of we bij die mensen willen gaan staan. We laten het allemaal welwillend over ons heen komen.

Als de plechtigheid buiten bij het monument is afgelopen, gaat de viering verder in een soort dorpshuis even verderop. Het zaaltje zit al behoorlijk vol, maar natuurlijk (…) krijgen we ereplaatsen op de eerste rij. Een tikkeltje ongemakkelijk omdat we met onze grote lijven het zicht belemmeren van de mensen die achter ons zitten, nemen we plaats op de ouderwetse schoolstoeltjes.

Wat we te zien krijgen, is een nationalistisch getinte voorstelling met zang van kinderen en volwassenen, dans en voordrachten. Het gezang is niet altijd even zuiver, de dansjes gaan niet altijd mooi synchroon, de voordrachten hebben te kampen met een rondzingende microfoon, maar het is zo uit het hart gegrepen en zo vertederend.

En na de voorstelling moeten we uiteraard met alle aanwezigen een hapje mee-eten. Buiten staan op een aanhanger van een trekker twee grote ‘gaarkeukenpotten’. We krijgen een bord met een linzengerecht, een beker thee en brood. Het kost ons moeite afscheid te nemen. Nog een paar laatste selfies, nog een paar keer poseren en dan schudden we handen. ‘Spasiba dat jullie onze gasten wilden zijn’, zegt de vrouw met het hummeltje nog maar eens…

OVERNACHTING #39

Auto-elektronica

Met een enorme knal klapt m’n bussie in een groot gat in het asfalt. Dat had ik even te laat gezien. Onmiddellijk slaat de motor af en gaan de alarmlichten knipperen. Ik kan nog maar net uitrollen naar de berm, een groot woord voor het stukje grind en modder naast de weg. Nog net binnen het bereik van ons ‘lulijzertje’ meld ik mijn campervrinden, dat ik een foutmelding heb en stil sta. ‘Rijd maar door naar het einddoel van vandaag, da’s toch nog maar vijftig kilometer. Ik kom wel later’, voeg ik er aan toe.

Als ik probeer te starten, verschijnt er een mededeling op de display, dat de brandstoftoevoer is afgesloten. Ik pak het instructieboek en zoek op hoe ik moet handelen. ‘Druk op knop A fig. 81 om de brandstoftoevoer weer in te schakelen’ staat er. Het plaatje laat aan duidelijkheid niets te wensen over. Dat is dus snel en eenvoudig op te lossen.
Dacht ik. Ik kijk onder het dashboard, maar zie geen knopje. Ik ga zoekend met mijn hand langs de onderkant van het dashboard, maar voel niks. Ik schijn met mijn zaklantaarn in alle hoeken en gaten, maar geen knopje. Tegen beter weten in blijf ik proberen dat knopje te vinden, maar zonder resultaat. Hoe moeilijk kan het zijn? Ik haal geërgerd mijn schouders op. Maak me druk om zoveel Fritsige dommigheid. Testikelzooi! Vaginaknopje!

Ik glibberglijd van het talud af en bel aan bij nummer 44 onderaan de weg. Een vrouw doet open. Ik leg haar uit dat mijn machina daar boven aan de weg panne heeft. Ze begrijpt me en roept haar man. We klauteren -tussen vier verontwaardigd mekkerende geiten- naar boven en ik probeer uit te leggen wat er gebeurd is: ‘Vroem, vroem, kaboenk!, machina stop, diesel njet’ (mijn God, op welk niveau sta ik hier te kletsen). Ter verduidelijking laat ik hem het plaatje uit het instructieboek zien. De man begrijpt me gelukkig, bekijkt het plaatje nog eens goed en werpt dan een blik onder het dashboard. En voelt onder het dashboard. En schijnt bij onder het dashboard. ‘Gelukkig’, denk ik, ‘het ligt niet aan mij. Hij kan het ook niet vinden. Stom instructieboek!’

De man begint een verhaal over voldoende diesel, over de accumulator, laat me de motorkap open maken, kijkt speurend in de motorruimte, maar haalt uiteindelijk zijn schouders op. Het probleem is, maakt-ie me duidelijk, dat het vandaag nationale herdenkingsdag is en dat er geen garages open zijn of een monteur beschikbaar. Toch wil hij even verderop wel kijken of hij iemand kan vinden. Hij loopt weg en komt tien minuten later terug met de mededeling dat het niet gelukt is. Morgen…
Inmiddels is zijn vrouw er ook bijgekomen. Ze gaat bellen, geeft me haar telefoon en ik krijg contact met een prima Engels sprekende vrouw, die mij uitlegt wat ik al begrepen had: herdenkingsdag, garage dicht, morgen hulp. Dat wordt dus overnachten aan de kant van de weg. Met mijn alarmlichten aan en een open raampje, want niets doet het meer. Alles is geblokkeerd. Ik bedank het echtpaar voor hun hulp.

Ik schat in, dat mijn campervrinden inmiddels wel op de plaats van bestemming zijn en breng ze telefonisch op de hoogte van mijn situatie. Harrie, de voor-alles-een-oplossing-hebbende-Harrie, leidt me telefonisch de weg naar dat knopje: je rechterportier open, Frits (dat wist ik al), met je hand langs de wielkast naar beneden, langs de wielkast over het vloertje naar boven en helemaal doorschuiven in de richting van de motor (had ik al talloze keren gedaan). En helemaal doorschuiven, doorschuiven naar de motor. Daar zit dat knopske. Het is niet te geloven: met twee vingers (zo nauw is de opening) voel ik inderdaad de knop A fig. 81. ‘Gevonden?’, vraagt Harrie. ‘Druk er dan op en probeer dan nu te starten’. Tot mijn opluchting start de motor en kan ik weer op weg. ‘Op ’t gemakske hè?’, beëindigt Harrie -mij kennende- het ‘instructiegesprek’. ‘Doe voorzichtig!’

Drie kwartier later parkeer ik bij mijn campervrinden in Shushenskoye. Harrie komt naar m’n bussie gelopen. Ik bedank hem voor zijn hulp, laat hem de bladzijde uit het instructieboek zien en mopper op mezelf over zoveel dommigheid, dat ik dat f*cking knopje niet kon vinden. ‘Ach’, zegt Harrie, ‘ik kan me voorstellen dat het je niet lukte hoor, want het plaatje is ook niet echt duidelijk hè?’ Waarmee hij mijn zelfvertrouwen weer enigszins opkrikt, de schat!

Auto-elektronica? Dat is me eerder overkomen met Bussie 1.0
Lees: Rondje Zwarte Zee > Drie maal scheepsrecht

Shuskenskoye

Dus hier, in dit Siberische dorpje van het etnografische museum in Shushenskoye heeft Vladimir Lenin in 1897 en 1898 gewoond? Hier heeft-ie twee jaar en negen maanden doorgebracht? Vrijwillig of verbannen door tsaar Nicolaas II?
Zeker is, dat hij hier in de plaatselijke kerk in het huwelijk is getreden. Zeker is ook, dat hij zich later voor dat kerkelijk huwelijk schaamde, immers een waardige volgeling van Karl Marx deed zoiets niet. Was godsdienst niet de opium voor het volk?

In 1970 werd dit museumdorp ter ere van de viering van de honderdste geboortedag van Lenin gebouwd en Nadia, onze voortreffelijke gids laat de groep (die uit drie personen bestaat…) alles zien en vertelt er over. De gevangenis, de boerenhuizen, de winkel, de taverne en nog veel meer. De uitgebreide rondleiding van anderhalf uur verveelt -dankzij Nadia– geen moment en eindigt (uiteraard) in de souvenirwinkel.

Tevreden over deze ochtend en blij met mijn gekochte gevederde vriendje loop ik terug naar m’n bussie.

OVERNACHTING #40 + #41

Siberische lente

11 mei 2018
Eindelijk: ook in Siberië begint het lente te worden! Voorzichtig weliswaar en mondjesmaat, maar de tekenen zijn duidelijk. De temperatuur blijft nog wat achter. Zo heel af en toe kan de trui uit, maar daaronder draag ik altijd nog een shirt met lange mouwen. ‘Wanneer gaat het eindelijk een beetje warmer worden?’, vragen we aan een Siberiaan. ‘Dit is de normale temperatuur hier in het voorjaar’, is het enigszins verbaasde antwoord.
Goed om te weten. Kleed ik me daarop. Die shirtjes met korte mouwen zullen de komende maanden eens nog wel uit de kast komen. Toch?

Trouwens: dat uitlopen van de natuur viel samen met het rijden over de meest vreselijke weg die ik tot nu toe in Rusland ben tegengekomen. Gaten, gleuven, brokken steen, modderpoelen, waterplassen, stuifzand, los grind, bruggetjes met rijplanken en grote brokken omhoog gevroren, kapot wegdek middenop, onderbroken door flarden asfalt. Dus slalommend rijden, het hoort er allemaal bij op deze 04K-751. Natuurlijk heb ik eerder dit soort ‘wegen’ gereden in dit land, maar nog nooit over een afstand van een dikke honderd kilometer. Dit is dus Oost-Siberië: een schier eindeloze, bar slechte weg met over een afstand van honderden kilometers heel zelden een dorpje, een buurtschap of een treinstation. En bossen links en rechts.

Campervrind Harrie zit achter zijn stuur te genieten en tuft met een gangetje van 20, 30 kilometer over die 04K-751. Ik vind het ook wel wat hebben, maar na zo’n dertig kilometer gehots en geklots word ik het zat. Ik meld de voor mij rijdende genieter, dat ik mijn eigen tempo ga bepalen en dat ik zal wachten zodra er weer asfalt onder m’n wielen is.
In ruim een uur leg ik de laatste zeventig kilometer van de weg af, draai -eenmaal op asfalt- een zijweggetje in en hobbel naar een weiland, waar ik overnacht.
Een groen weiland zonder sneeuw. Sneeuw had ik al genoeg gezien vandaag aan weerskanten op hele stukken van die 04K-751. Ook dat hoort bij de Siberische lente.

OVERNACHTING #42

Modderpartijtje in het weitje

Niet veel kilometers gemaakt vandaag: de dagtripteller staat aan het eind van de dag maar op een schamele 116 kilometer. En toch startte ik vanmorgen even na acht uur de motor al en parkeerde ik rond half vier op de overnachtingsplek. En dan de hele dag nog niet eens onderweg gestopt voor een kop koffie en een lunch. Het verhaal wil, dat we over de eerste tweehonderd meter van vandaag maar liefst vierenhalf uur hebben gedaan. Tsja, dat beïnvloedt de lengte van je dagtrip natuurlijk behoorlijk. Een heel verhaal wel, die eerste tweehonderd meter, maar laat ik bij het begin beginnen.

Toen gisteren mijn campervrinden zich aan het eind van de dag weer bij me voegden, had ik de ‘wachttijd’ benut om het plekje waar ik stond te verkennen op geschiktheid om er te overnachten. Er liep een pad naar beneden, eindigend in een groot weiland. Leek me een mooie, rustige plek. Vriend Harrie keek wat bedenkelijk toen ik voorstelde op het weiland te overnachten, maar vriend Harrie kijkt wel vaker bedenkelijk. Of het niet te drassig was. Of we morgenochtend wel weg konden komen. Of we in de nacht niet dieper in de drassige grond zouden zakken met onze drie-en-een-halve ton. ‘Wat nou drassig. Wat nou wegzakken. Prima weitje toch?’, deed ik wegwuiverig. ‘Nou’, zei Harrie, ‘as ge maar weet dat ik vannacht als het gaat regenen, de bus start en naar boven rijd…’

Het bleef de hele nacht droog en met een gerust hart draai ik dan ook ’s morgens de contactsleutel om. Ik geef rustig gas en -zie je wel- daar zet m’n bussie zich keurig in beweging. Zo niet de bus van mijn campervrinden. Na een paar meter beginnen hun voorwielen te slippen en werkt hun bus zich diep in de modder.

‘Wat een geluk, dat ik die mooie nieuwe grote krik heb meegenomen’, zegt Harrie. ‘Ik had gehoopt hem deze reis niet nodig te hebben, maar nu komt hij mooi van pas.’ In plaats van -zoals op andere ochtenden- rustigjes de weg op te draaien en onze reis voort te zetten, moeten we nu aan het werk: rechter voorwiel omhoog krikken, grond voor het wiel wegscheppen, rijplaten eronder, krik laten zakken en dezelfde werkzaamheden bij het linker voorwiel. Instappen, starten en wegrijden. Wegrijden jawel, dat is toch wel gauw zo’n meter of drie. Dan ploegen de voorwielen zich weer in de bodem. Jammer, maar geen probleem. Gewoon nog een keer een voor een de voorwielen opkrikken, gewoon nog een keer grond wegscheppen, gewoon nog een keer die rijplaten eronder en dan wel wegrijden. Daar gaat-ie! En deze keer maar liefst vier meter!

Om een lang verhaal kort te maken: zeven (7) keer krikken en twee manuren zijn er nodig om vrij te komen van het drassige weiland en de vaste grond te bereiken van het stevige bospad een paar honderd meter verderop. De materialen worden uit de modder verzameld en in mijn bussie gelegd, Anne Marie stapt bij mij in, opgelucht dat hun bus eindelijk ‘vrij’ is en ik geef voorzichtig gas om naar Harrie te rijden die op het veilige pad staat.
‘Ik hoop niet dat jij nu ook nog eens vast komt te zitten’. Anne Marie heeft de woorden nog niet uit haar mond of mijn voorwielen beginnen te slippen en na zo’n twintig meter werk ook ik me vast in de modder…

Bij de bouw en aftimmering van Bussie 2.0 had ik nog in dubio gestaan of ik dat E&P Levelsystem zou laten monteren. Uiteindelijk koos ik ervoor die vier hydraulische poten toch maar onder mijn bus te laten zetten. Kon ik tenminste bij iedere overnachting als dat nodig was mijn huis-op-wielen (automatisch) waterpas zetten. Pure luxe, maar ja.
Niks pure luxe! Niks met z’n tweeën aan die hefboom van de megakrik hangen! Gewoon op het juiste knopje van de afstandsbediening drukken en beide voorwielen vrij van de bodem liften. Rijplaten eronder en wegrijden! Anne Marie maakt een mini-fotoreportage van het hele modderfeest en houdt ook (onpartijdig?) de stand bij. Je moet wat. Veertien keer had ik dat levelsysteem al moeten bedienen en was iedere keer een klein stukje opgeschoven in de richting van het veilige bospad. Pas bij de vijftiende keer houden mijn wielen voldoende grip en kan ik bij het busje van mijn campervrinden aansluiten. Het enige wat nu nog rest, is het ontmodderen en opruimen van de busjes en de gereedschappen, maar toen was het inmiddels al half een geworden. Koffie!

Voor we vertrekken van deze overnachtingsplek werpen we nog een laatste blik achterom naar het weiland.
Wat een ravage. Wat een diepe voren. Wat een omgeploegd stuk weiland. Zal die boer blij mee zijn,
‘Een ding is zeker’, zegt Anne Marie, ‘we gaan dus deze reis nooit meer op een weitje staan!’
Harrie doet er het zwijgen toe…

Komt je misschien bekend voor zo’n modderavontuur met deze campervrinden?
Lees: IJsland > Stuck in the mud

OVERNACHTING #43

Vuurtje?

Koop ik in zo’n dorpswinkeltje lucifers.
Zo’n doosje is vrij snel leeg.
Van iedere drie lucifers breekt er namelijk  gemiddeld één, geeft er één een walmend kringeltje rook en vat er één daadwerkelijk vlam.

Nog een voorraadje oude Sovjet-zwavelstokjes?
Die fletse, verbleekte kleuren ook van zo’n doosje.
Nog een geluk dat ik twee pakjes heb gekocht.

 

Het bloed kruipt…

Om kwart voor zeven ’s morgens (…) wordt er op mijn deur geklopt. Gelukkig heb ik me al gewassen en ben ik aangekleed, want voor het raam aan de bestuurderskant staat een vrouw, die nieuwsgierig naar binnen kijkt. Ik laat het raampje zakken en begroet haar met een hartelijk, maar ook enigszins verwonderd ‘dobre outro‘.
Good morning‘, beantwoord de vrouw mijn groet in perfect Engels, ‘bent u verdwaald?’
‘Verdwaald? Welnee. Ik ben hier gisterenmiddag aangekomen en heb hier geslapen.’
‘Geslapen? Hier? Op deze plek? In ons dorp? Wat bijzonder. Er komen hier nooit toeristen.’
We schudden door het open raampje handen en stellen ons voor. Irena blijkt lerares Engels te zijn op de school waar ik bijna naast sta. De lessen op school beginnen om acht uur, maar zij is graag ruim op tijd. En als ik zin en tijd heb, wil ze me graag een rondleiding door de school geven, want ja, toeristen… het is me wat in hun dorp. ‘Dus eh… zie ik u om acht uur?’ Of mijn twee campervrinden van de buren-bus ook mogen komen, vraag ik haar, het antwoord eigenlijk al wetend. ‘Nog twee? Wat leuk! Wat zullen onze leerlingen dat spannend vinden. Drie buitenlanders in onze school!’

Klokslag acht uur stappen we de school binnen, waar Irena ons al staat op te wachten. Ze stelt de overige personeelsleden aan ons voor en nodigt ons vervolgens uit met de rondleiding te beginnen. Ze opent een deur van een klaslokaal. Prompt staan alle leerlingen keurig op en staan -bijna stram- achter hun tafel. Als de begroeting achter de rug is, krijgen de leerlingen een teken dat ze weer kunnen zitten. De lerares wijst een leerling aan. Die staat onmiddellijk op: ‘My name is Valentin’, zegt hij in aarzelend Engels. Nog enkele leerlingen krijgen een beurt en daarna verlaten we het lokaal en gaan de gang weer op.

In sommige klassen kunnen we wat meer met de leerlingen in contact komen. Zij stellen (minimaal) vragen, wij vertellen over onze reis. Ze zijn giebelig, beduusd en vooral onder de indruk, die meisjes in hun keurige schooluniformen en de jongens overwegend in een donker kostuum. ‘Niet zo verwonderlijk’, vertrouwt Irena ons toe, ‘we hebben zevenhonderd inwoners in ons dorp en niemand heeft ooit een buitenlander gezien. Die komen hier nooit en zeker niet overnachten’.

Zo worden we de hele school rondgeleid en -na ook nog kennis te hebben gemaakt met de directrice- eindigen we in het lokaal van Irena. Daar krijgen we een ingelijste foto als herinnering aan ons bezoek, waar we buitengewoon dankbaar voor zijn en waarmee we uiteraard op de foto moeten. Foto’s worden er trouwens weer heel veel van ons gemaakt: we poseren wat af voor de zoveelste groepsfoto, voor de niet te tellen selfies. Zelfs als we terug zijn in onze busjes en het op school inmiddels pauze is, komt er nog een viertal meiden naar ons toe om de nodige selfies te maken.

Nog in het lokaal van Irena stapt er een man het lokaal binnen. Het blijkt de piepjonge burgemeester van het dorp te zijn, oud-leerling van de school, vertelt Irena er trots bij. Waarschijnlijk is de man ingeseind, dat er drie Hollanders in de school zijn en die komt hij dan ook even hartelijk welkom heten. En mee op de foto…

Als we met een groepje leerkrachten nog wat staan te praten, durf ik Irena te vragen wat een leerkracht in Rusland maandelijks verdient. Dertigduizend roebel is haar antwoord, omgerekend Є 420. Wij eten bijna dagelijks een volwaardige maaltijd in een restaurant voor om en nabij zes euro, een heel brood kost ons dertig cent, een liter diesel zo’n halve euro…

‘En waar ga je volgend jaar studeren’, is de vraag aan een van de oudere meisjes.
‘In Krasnojarsk.’
Krasnojarsk? Dat is hier toch ver vandaan?’
‘Welnee’, is het antwoord, ‘dat is nog geen vierhonderdenvijftig kilometer hoor.’ Russische afstanden…

Tijdens de koffie blikken we terug op dit onverwachte schoolfeestje. ‘Alweer een pareltje aan de Russische ketting’, merkt Anne Marie terecht op.

OVERNACHTING #44

Drie mijlpalen

Vijfenveertig dagen onderweg en vandaag drie mijlpalen gezet:

We hebben de 12.000 kilometer vanaf thuis overschreden.
We zijn de 100e lengtegraad gepasseerd.
We zitten op zes uur tijdsverschil (later) met Nederland.

Don’t hurry, be Harrie

Evgenia, alweer een lerares Engels van alweer een Russische school (met van die leuke speledingetjes in de tuin) komt een praatje maken op onze overnachtingsplek vlak voor ‘haar’ schooltje in Azei. We stellen ons aan elkaar voor.

‘My name is Evgenia.’
‘My name is Harrie.’
‘Harrie?’
In English: Herrie.’
‘Ah, Herrie. Like in Hurry Up?’

Ik schiet in de lach en haast me Evgenia uit te leggen, wat de lijfspreuk van Harrie is: Op Het Gemakske. En dan koppelt de English teacher als geheugensteuntje om zijn naam te onthouden hem aan Hurry Up? Een groter contrast is niet denkbaar.

OVERNACHTING #45

OVERNACHTING #46

Irkutsk

Uit de reisgids:

In de afgelopen jaren heeft Irkutsk heel veel ondernomen om het toerisme te bevorderen, onder andere door het opzetten van het 130 Kvartal: een wijk met houten gebouwen in de originele architectuur van Siberië, deels origineel en getransporteerd van andere locaties, deels namaak. Het is een aangename plek om te wandelen, met veel restaurants, cafés, musea en het enige echte 21e eeuwse indrukwekkende winkelcentrum van Oost-Siberië.

Ik heb het gezien hoor, dat 130 Kvartal. Ik heb er gewandeld. De restaurants, cafés en musea gezien. Ik ben in dat grote winkelcentrum geweest. En ik heb mijn ogen uitgekeken. Niet vanwege bewondering, maar verwondering. Verwondering over de West-Europese vercommercialisering. Dit is Siberië niet meer. Dit is zo on-Russisch! Voor mij hoeft dit niet.
Irkutsk? Irquats!

De eerlijkheid gebiedt me te zeggen, dat mijn mening over Irkutsk alleen gebaseerd is op het bezoek aan dat 130 Kvartal. Van de rest van de stad heb ik niets bezocht. Had ik dat wel gedaan, zou mijn idee over deze stad wellicht genuanceerder en positiever uitpakken en meer de omschrijving in de reisgids benaderen: een aangenaam historische stad en de meest populaire halte op de Trans-Siberische Spoorweg.

Dimitri

Op zoek naar een overnachtingsplekje rijd ik kilometers door bossen of langs huizen met hoge schuttingen. Tot ik een aantal mensen aan een gedekte tafel zie zitten bij een walmende barbecue.

En natuurlijk willen ze hun auto’s wel even zo verplaatsen, dat er twee machinas op het erf kunnen staan. En natuurlijk moeten we meteen aanschuiven voor piva en wodka. En natuurlijk gaat de vrouw des huizes even snel extra boodschappen doen voor de extra gasten bij het avondeten. En natuurlijk zitten we dan even later met z’n allen rond de tafel, met salade, soep, brood en gegrilde worsten. En natuurlijk zijn het (de zoveelste) hartelijke Russen…

Nadat wij –spasiba, spasiba– afscheid hebben genomen en ons teruggetrokken hebben in onze busjes blijven Dimitri, de heer des huizes, en zijn buurvriend nog gezellig tot laat in de avond buiten zitten. Uit de steeds luider wordende gesprekken valt op te maken, dat de voorraad bier en wodka stevig wordt aangesproken. Zelf had ik me tijdens de maaltijd niet onbetuigd gelaten en samen met Dimitri een niet meer precies te tellen aantal kleine glaasjes achterover geslagen. Je wilt de mensen niet ontrieven, zeg ik altijd maar.

Rond half één wordt het stil op het terras. Om kwart voor één wordt er op de deur van m’n bussie geklopt en hoor ik Dimitri -behoorlijk onvast- mijn naam roepen. Ik houd me stil. Het kloppen gaat door: op mijn deur, op de ramen en op mijn voorruit. Na een dik kwartier geeft Dimitri het op en val ik in slaap. Tsja, er zijn grenzen en soms zijn er momenten dat ik de mensen juist wel kan ontrieven…

 

OVERNACHTING #47

Voorseizoen

Je gaat een bocht om en daar is het dan: het Baikal Meer!
Diepblauw, helder water onder een strakblauwe lucht. En dat blauw is in werkelijkheid net zo als op de foto’s.

Listvianka is de meest bekende plaats aan het meer, jaarlijks bezocht door tienduizenden toeristen. We bezoeken eerst het Retropark, dat vol staat met excentrieke sculpturen die gemaakt zijn van onderdelen van oude Sovjetauto’s en -motorfietsen. We zijn er de drie enige bezoekers…

We slenteren over het Mongoolse marktje. We zijn de enige drie slenteraars…

We lopen over de boulevard. Het is er tamelijk leeg en rustig. Wat zal het hier druk zijn in het hoogseizoen. Waarschijnlijk kun je dan over de hoofden lopen. In dit hele rustige voorseizoen lunchen we op een terras aan het meer. Er is welgeteld nog één ander tafeltje bezet met één andere gast…

Aardig detail: 12.000 kilometer van huis hebben de tafels op het terras een print van Amsterdamse grachtenpanden, drinkt die ene vrouw aan dat ene tafeltje een flesje Heineken en is het bakje met peper, zout en servetten bedrukt met de tekst Amstel.

Retropark

Listvianka

OVERNACHTING #48

Gezegend ritje

Omdat zowel Claire-mijn-Garminnetje als Truus-van-de-buren onze bestemming (het eiland Olchron in het Baikal Meer) niet kunnen berekenen, gaan we ouderwets aan de slag met de wegenatlas, de info-map en de Lonely Planet. We komen er voor een groot deel wel uit, maar besluiten toch onderweg te informeren of we op de goede route zitten.

Dat doen we bij een tankstation. Hij is heel hulpvaardig hoor, de chauffeur van de auto, maar met onze beperkte kennis van een gemeenschappelijke taal komen we er niet echt uit. Hij wijst, hij gebaart, maar echt duidelijk is het niet. Uiteindelijk besluit hij ons een eind op weg te helpen. Of we achter hem aan willen rijden.

Regelmatig staan er langs de weg bouwseltjes van drie palen, waaraan lintjes zijn geknoopt, soms met een spierwit standbeeld erbij. Bij een van zo’n drietal palen stopt onze gids. Hij komt naar mijn raampje gelopen, geeft de laatste aanwijzingen voor de rest van de route en vraagt dan of ik de betekenis van die palen ken.  ‘Ja’, zeg ik, ‘dat is om voorspoed te vragen aan jullie god.’ De gids knikt tevreden en wijst dan op het flesje sinaasappelsap in mijn cabine.
Ik heb gelezen over deze traditie en weet wat er nu gaat gebeuren.
Hij maakt het flesje open, sprenkelt wat sap op de grond, neemt daarna zijn pet af en neemt een slokje. Met een uitnodigend gebaar geeft hij het flesje aan mij terug. Ik herhaal de ‘ceremonie’: paar druppeltjes op de grond, pet af en slokje. We hebben er klaarblijkelijk beiden vrede mee, dat het sinaasappelsap eigenlijk een alcoholisch drankje hoort te zijn.
Later weer op weg bedenk ik dat ik straks de flesopening met een alcoholdoekje moet reinigen. Vrijwel meteen verwerp ik die gedachte. Wat een overdreven, oer-Hollands, hygiënisch-calvinistisch idee!

Om te lunchen stoppen we een paar kilometer verderop weer bij zo’n palentrio. Na een poosje stopt er een auto.
Nicht Erina en tante Tania stappen uit om foto’s te maken. Erina heeft vanmorgen haar geblondeerde tante opgehaald in Irkutsk om een paar daagjes in haar huis op Olchron te komen logeren.
‘Olchron? Wat leuk. Daarheen zijn wij ook op weg!’
‘Maar dan zien we elkaar misschien nog een keer’, reageert Erina enthousiast (en kirrende tante niet minder). ‘Ik woon in het ronde, witte huis. Kan niet missen, want het is het enige witte huis in Khuzhir.’
Alsof we elkaar al jaren kennen, nemen we afscheid met een ‘tot ziens’.

OVERNACHTING #49

Erina?

Tot ziens? Kan niet missen?
Zo eenvoudig als nicht Erina het had voorgesteld, pakt in de praktijk anders uit. En hoe moeilijk kan het feitelijk zijn? Olchron is een eiland van zestig kilometer lang. Er loopt één hoofdweg over het eiland van zuid naar noord, met een paar zanderige afslagen door een duinengebied. Die hoofdweg (hierover later meer) leidt naar het enige dorp van het eiland: Khuzhir. Het merendeel van de zevenhonderd inwoners woont in dat plaatsje, de overigen in wat kleine nederzettingen of eenzame boerderijen.

We eten eerst een hapje in mainstreet en gaan dan op zoek naar het huis van Erina. Behalve een hernieuwde kennismaking hoop ik bij haar ook te kunnen douchen, een wasje te draaien en drinkwater te tanken. Een brutaal mens, nietwaar?

Nu zou je toch denken, dat in een zo kleine gemeenschap iedereen elkaar kent. Maar wie we ook vragen, niemand heeft van Erina gehoord. En dat witte, ronde huis? Nergens te bekennen. We rijden zoekend rond. De campervrinden komen als eerste aan op een heuveltop met een fenomenaal uitzicht en besluiten ter plekke daar te overnachten. Ik wil nog niet opgeven, keer om en rijd speurend verder.

‘Erina? Wit rond huis?’ De man die ik aanspreek denkt diep na en verwijst me dan zuidwaarts terug het dorp uit. Da’s maar goed ook, want ten noorden van Khuzhir is de weg (zoals gezegd: hierover later meer) alleen nog maar begaanbaar met terreinvoertuigen. Ik verlaat het dorp, zoals de man me heeft uitgelegd en rijd -links en rechts speurend- bijna stapvoets over de 25K-003 (ja, ja, stil maar; ik kom daar heus nog op terug). Geen wit huis te bekennen. Ik rijd verder tot waar ik op de heenweg wat nederzettingen heb gezien, maar helaas.
Ik heb geen zin om het stuk terug naar Khuzhir te rijden (later echt meer) en besluit uit te kijken naar een overnachtingsplekje. Er zijn wel zandweggetjes die door de duinen naar het water leiden, maar die afslagen hebben allemaal zo’n hoog buikschuifgehalte, dat ik het niet aandurf er in te gaan, bang dat ik met het middenrif van m’n bussie kom vast te zitten.
Dan nog maar een stukje door. En nog een stukje. En weer verder. Tot ik zo vaak afslagjes heb afgewezen, dat ik voor de veerboot naar het vasteland sta, waar ik vanmorgen het eiland ben opgereden. De mannen wenken me snel op te rijden en nog voor ik de handrem heb aangetrokken, zet het veer zich in beweging. Op het vasteland -pal achter de veerboot- parkeer ik m’n bussie voor de nacht. Ik kijk uit op het water, voor me ligt met wat fantasie een strandje. Wie doet me wat? Perfecte plek. Zeker na zo’n dag waarop ik heen en terug die 25K-003 heb gereden.

Nou, vooruit, eindelijk: meer over die hoofdweg op Olchron. Beloofd is beloofd.
Schreef ik: hoofdweg? Het woord weg is veel te veel eer voor wat er onder mijn wielen doorrolt. Schreef ik: doorrolt? Da’s wel heel erg bezijden de waarheid. Doordendert, doorhobbelt, doordreunt zijn betere omschrijvingen.
Olchron is een asfaltloos eiland. Vanaf de veerboot is het ruim dertig kilometer rijden naar Khuzhir. En die dikke dertig kilometer beweeg ik me voort (rijden kan ik dit niet noemen) over een wegdek dat zich het beste laat omschrijven als over de volle breedte neergelegde rupsbanden, maar dan niet soepel, maar keihard. Een beetje te vergelijken met het ‘wegdek’ van de veerboot, maar dan ook nog eens kwistig bestrooid met brokken steen. Ik probeer zoveel mogelijk in de sporen van voorgangers te rijden, maar dat neemt niet weg, dat een snelheid van 30 km/uur bijna onverantwoord is. Vaak rijd ik noodgedwongen veel langzamer.

En toch, ondanks die lage snelheid: valt Claire-mijn-Garminnetje tot twee maal toe van haar voetstuk, zijn mijn schoenen die achter de bijrijdersstoel staan spontaan in de richting van het gaspedaal gedribbeld, vliegt de wc-deur ‘zomaar’ uit het slot, valt de batterij-oplader uit het stopcontact en rollen de batterijtjes over de vloer en is het rekje van de apothekerskast van de haakjes gevallen.

Ik zal je de rest besparen. Op en neer 72 kilometer. Wat een KTPTK-rit! Vul zelf bij iedere hoofdletter maar een forse krachtterm in…*)

*) Hulp nodig?
Mannelijk lichaamsdeel+ziekte+ziekte+ziekte+vrouwelijk lichaamsdeel.

OVERNACHTING #50

Feestelijk

Het is vandaag 20 mei. Het is Eerste Pinksterdag en ik ben jarig. Een dubbele reden voor een klein feestje.
Jammer genoeg werkt het weer niet mee: het is zwaar bewolkt en de regen komt met bakken uit de hemel. Geen reden om de vlag uit te steken. En ik had het me gisteren zo anders voorgesteld, toen ik met stralend weer voor de nacht parkeerde op dat schitterende plekje aan het Baikal Meer. Mijn campervrinden zijn op het eiland Olchron achtergebleven om vandaag met ‘een broodje’*) een tochtje te maken naar de noordpunt van het eiland en ik zag mezelf al genieten van een rustig dagje aan het meer. In mijn luie stoel, lekker in het zonnetje. Nee dus.

Omdat ik hier gisteren half in het gras, half in het zand heb geparkeerd, durf ik het niet aan op deze plek de hele dag te blijven staan. Ik moet er niet aan denken morgenochtend niet weg te kunnen vanwege de vele plassen die zich nu al om m’n bussie heen vormen. Eén keer een modderfiguur slaan is voorlopig wel genoeg.**)
Dus ruim ik op, start de motor en draai de 25K-003 op -ruwweg terug richting Irkutsk- door het desolate heuvellandschap, op zoek naar vaste grond onder mijn voeten en -als het even kan- een plek met wifi-internet.
In Elantsi, een van de weinige dorpjes onderweg, stop ik bij een magazin. De keuze in de winkel is enorm. Ze verkopen brood, legpuzzels, worsten, tuingereedschap, koek, pluchen beesten, kaas, kroonluchters, melk, pantoffels, macaroni en vishengels om maar een paar dingen te noemen, maar of ze ook wifi hebben?
Lena, de hulpvaardige verkoopster met twee kleuren haar, heeft vanmorgen een goedbedoelde, maar mislukte poging gedaan er nog jong uit te zien en spreekt alleen Russisch. Ik vraag haar mee naar buiten te lopen (Lena trippelt) en wijs op mijn voor de deur geparkeerde machina. Ik doe de achterdeuren open en laat haar mijn bed en laptop zien. Ze begrijpt het (denk ik), begint druk in het Russisch tegen me te praten en stapt dan haar winkel weer binnen. Twee tellen later is ze terug met haar telefoon. Ze loopt naar m’n bussie toe en laat me de sterkte van het wifi-signaal zien. Njetto!
Kijkend op haar telefoon lopen we samen door de zijtuin (njetto) en vervolgens langs de pui van de winkel. Bijna aan het eind van die muur blijft ze staan en toont me trots het signaal. Of het voldoende is om binnen in de bus te kunnen internetten moet ik nog uitzoeken, maar geen enkel probleem: als het nodig is, mag ik ook bij haar binnen komen zitten… En als ik hier voor de deur wil blijven slapen, is dat ook goed.

OVERNACHTING #51

Het is vandaag 20 mei. Het is Eerste Pinksterdag en ik ben jarig.
Ik sta voor de winkel van Lena en heb internet. Een klein stukje verderop is een restaurant. En als ik mijn laptop aanzet, begint er een aarzelend zonnetje te schijnen. Heel even maar, dan betrekt het alweer. Maar toch.

In het restaurant denk ik bij ‘de Mongool’ terecht gekomen te zijn, zoals wij in Nederland naar ‘de Chinees’ gaan. Ik besluit me tegoed te doen aan een verjaardag-feestmaal. De menukaart is alleen in het Russisch, maar ik krijg hulp van een Engelssprekende gids die met een groepje op stap is. Omdat ik aangeef veel vlees te willen eten, raadt ze me aan te beginnen met buchulor (de lokale soep) en vervolgens een portie dumplins te nemen. Zelf voeg ik daar nog blini’s en glep (brood) aan toe.
De grote kom baggervette soep bevat inderdaad grote brokken koe en een bleek worstje. Die stukken vlees ontdoe ik van het bot en hark ze met een vork (een mes krijg ik er niet bij) in stukken. De gedeeltes die ik zelfs na lang kauwen niet weg krijg, leg ik op het schoteltje van mijn koffie. Met diezelfde vork wurm ik het bleke velletje van het worstje en eet de inhoud op. Vet.
Als de dumplins worden geserveerd, vraag ik daar een mes en vork bij. De serveerster maakt me duidelijk, dat ik met mijn handen moet eten. Het omhullende deeg is bleek en ziet er niet echt gaar uit. Dat is het ook niet, merk ik als ik een voorzichtig klein hapje neem. Wel spuit het vet er uit. Snel houd ik de dumplin schuin, zodat het vet er uit kan lopen.
Bij de blini’s (ook geen mes en vork) krijg ik een potje crema. Dat dacht ik tenminste. Daar had ik ook om gevraagd, maar het blijkt een soort paardenvet te zijn, nauwelijks te smeren. Als ik met mijn pannenkoekjes bezig ben, komt de gids nog even langs mijn tafeltje en vraagt of ik alles -wat zij voor me heeft uitgekozen- lekker vind. Wat kan ik anders dan het -letterlijk volmondig- beamen? Ik hef mijn glas met de dubbele wodka en proost op haar hulpvaardigheid.

Het is vandaag 20 mei. Het is Eerste Pinksterdag en ik ben jarig.
Als ik halverwege die dikke kilometer wandelen van het restaurant terug naar m’n bussie ben, begint het weer te regenen. Feestelijk te regenen, dat dan weer wel.

*) Ik heb het hier over de UAZ Bukhanka, een hoog op de poten staand busje, dat door de Russen vanwege de vorm liefkozend ‘een broodje’ wordt genoemd.

**) (her)lees: Modderpartijtje in het weitje

Vakantieweer

Heb ik dat: gaat het op mijn verjaardag aan het begin van de avond sneeuwen! Gelukkig blijft het niet liggen, want de temperatuur is maar liefst vijf graden boven nul (…).

Ik ben niet echt gevoelig voor de weersomstandigheden tijdens mijn reizen, maar ik ben nu ruim zeven weken onderweg en zou zo langzamerhand m’n warme fleece wel eens willen opbergen. Zou zo langzamerhand wat vaker dan die ene middag mijn korte broek aan willen trekken. En de keren dat ik buiten kon rondlopen in een shirt met korte mouwen zijn op de vingers van één hand te tellen.

Op kou kun je je kleden. Regen is al minder leuk. Maar sneeuw op 20 mei… Maar niet zeuren: this is Siberia, man! (hoewel de lokale bevolking ook zegt dat het langer koud blijft dan normaal).

En wat ben ik blij met de keuze van mijn kachel, die tot nu toe bijna dagelijks ’s morgens en ’s avonds aangaat. En wat goed dat ik voor een dieselkachel heb gekozen: met die gaskachel in Bussie 1.0 zou ik er minstens al een volle fles gas doorheen gejaagd hebben.

Wacht maar, straks in Mongolië en Kazachstan. Ga waarschijnlijk nog terug verlangen naar een beetje lagere temperaturen. Toch?

Lena

’s Morgens om negen uur doet Lena dagelijks haar winkel open.*)
Zo ook vandaag op zondag, Eerste Pinksterdag.**)
Dat is niet abnormaal, want de meeste winkels in Rusland zijn gewoon iedere zondag open.

Ik ‘logeer’ de hele dag bij haar voor de deur. Gedurende die dag zie ik -behalve drie langsloeiende koeien- een stuk of vijf, zes auto’s bij haar winkel stoppen om even snel een klein boodschapje te doen. Ik zie geen mens met een uitpuilende boodschappentas naar buiten komen.
’s Avonds om negen uur draait Lena haar winkeldeur op slot, Waar leeft zo’n vrouw in vredesnaam van?

*) (her)lees: Feestelijk

**)  Die Eerste Pinksterdag geldt voor West-Europa. In Rusland vieren ze orthodox Pinksteren dit jaar een week later, op 27 en 28 mei.

Kleine aanpassing

Vanmorgen met een viltstift mijn Frits-70-mok bijgewerkt.
Het moet natuurlijk allemaal wel kloppen, hè?
Anders raken die Russen in de war.

 

 

 

Drinkwater aan huis

In de veronderstelling, dat ik geparkeerd sta bij een magazin, stap ik het houten gebouw in om te informeren of ik drinkwater kan tanken in mijn machina. Ik blijk er naast te zitten: het is geen winkel, maar het administratiekantoor van de gemeente Bayanday.

Ik klop aan bij een openstaande kantoordeur. Drie ambtenaren kijken verbaasd op vanachter hun bureau. Eén van de drie buigt zich onmiddellijk weer over haar papieren en keurt me verder geen blik waardig. Oksana en Nadezda horen mijn verhaal aan, deels in het Engels, deels met behulp van Google Translate. Als ik over drinkwater begin, moeten ze me jammer genoeg teleurstellen. ‘We kunnen je helaas niet helpen’, vertaalt Google, ‘maar we hebben geen kraan. We hebben hier ook geen waterleiding. Our water is imported.’ Dat is dan jammer, maar helaas. Mijn halve tank zit nog vol, dus zo erg is het niet, maar het was te proberen.
Nadezda ontpopt zich echter als een volhoudstertje. Ze gaat druk aan het bellen. Tussen de telefoontjes door legt ze me uit, dat de mensen hier het water moeten bestellen en dat er dan een tankwagen naar hun doma komt om het water -tegen betaling- af te leveren. Hoeveel liter ik nodig heb, vraagt ze me. Ze schrikt als ik als antwoord ‘about 50 litres’ geef. Ze pakt pen en papier en schrijft op: 5000? Ik schiet in de lach, neem de pen van haar over en schrap de twee laatste nullen weg. Opgelucht zegt Oksana dat wel te kunnen regelen en voor zo’n klein beetje water -voegt Nadezda er aan toe- hoeven we niet te betalen. Na nog een telefoontje zegt ze dat de tankauto onderweg is.

Eigenlijk meer voor de vorm nodig ik haar uit de komst van die tankwagen bij m’n bussie af te wachten en daar een borreltje te drinken voor haar hulp en op de goede afloop. Een beetje tot mijn verbazing trekt ze meteen haar jas aan, geeft me buiten een arm en stapt even later m’n bussie binnen. Wodka hoeft ze niet, maar ze kijkt wel nieuwsgierig naar de drie kleine flesjes whisky die een lief thuisfront me heeft meegegeven voor mijn reis. Whisky? Nog nooit gedronken. Dat wil ze wel eens proberen. Ze kiest lukraak een flesje uit (de duurste…), we delen de inhoud en proosten. Haar glimlach verandert in een grimas. Alleen voor de foto later buiten bij de tankwagen wil ze nog wel even lachen, maar daarna geeft ze het glaasje aan mij terug.
Als mijn watertank -onder het goedkeurende oog van Nadezda– vol is, geef ik de chauffeur een fooi en bedank Nadezda hartelijk voor haar hulp. ‘Spasiba, spasiba, Nadezda. Mag ik je kussen?’ Het mag.

Als de volgende morgen rond half negen ‘mijn’ ambtenaren op het werk verschijnen, pak ik mijn laptop, krijg in het administratiekantoor een bureau toegewezen en upload mijn website.

Voor ik Bayanday verlaat, koop ik in een onooglijk winkeltje een taartje en rijd nog even terug naar het administratiekantoor. Met een weids gebaar zet ik dat taartje op het bureau van Nadezda, wijs in het rond naar de andere collega’s en bedank iedereen voor het wada, de overnachting en het gebruik van hun wifi. En ach, die vertederde gezichten als ik daarna hun kamer uitloop…

OVERNACHTING #52

Bell Day

23 mei -hadden we op een van de vorige scholen gehoord- is een feestelijke schooldag in Rusland. Dan krijgen de schoolverlaters hun getuigschrift en de geslaagden hun diploma. En voor alle scholieren is het de laatste dag van het schooljaar; de schoolbel wordt tot half september niet geluid. 23 mei is het begin van de zomervakantie.

Op hun paasbest zie ik kinderen ’s morgens richting school lopen. Ik parkeer achter het schoolgebouw. Het is prachtig weer dus vindt de ceremonie van Bell Day buiten plaats. Met officiële en plechtige toespraken vanaf het ‘bordes’ van de schoolingang. Helemaal volgens de Sovjet-Russische cultuur.
De gediplomeerden -te herkennen aan hun sjerp- nemen hun diploma in ontvangst en krijgen ieder een toespraakje en applaus. De verzamelde ouders zijn druk in de weer om foto’s te maken. Om onbegrijpelijke redenen wordt ons het fotograferen niet toegestaan. Twee leerkrachten spreken mij nors en afgemeten hierop aan. Antwoord op mijn vraag waarom wij niet en de ouders wel foto’s mogen maken, krijg ik niet. Een onaangenaam sfeertje. Dat zijn wij tot nu toe anders gewend tijdens deze reis.

Dat sfeertje verandert als het officiële gedeelte is afgelopen en de adjunct-directeur ons opzoekt voor een praatje. De twee onvriendelijke leerkrachten worden danig in hun hemd gezet, als hij ons uitnodigt binnen te komen en we zoveel foto’s mogen maken als we willen (en uiteraard moeten we zelf ook weer de nodige keren poseren met vooral de geslaagden en hun trotse ouders) .
En daar staan we weer voor een klas, waarvan de leerlingen bij onze binnenkomst stram in de houding gaan staan, en vertellen we weer waar we vandaan komen en wat onze reisplannen zijn.

Als ik -vele foto’s en verhalen later- weer in m’n bussie stap om me gereed te maken weer verder te rijden, komt een van de leerkrachten op een drafje naar me toe. Of we trek hebben in een kopje chai voor we vertrekken? Nu had ik eerlijk gezegd bij de rondleiding door de school al een (niet zo’n toevallige) blik in de keuken geworpen, waar ik potten en pannen op het fornuis had zien staan borrelen en me stiekem al een beetje verheugd op een uitnodiging voor de lunch, maar die vlieger gaat dus kennelijk niet op. Nou ja, dan alleen een kopje thee. Ook lekker.
Maar kijk: we worden de lerarenkamer ingeloodst en zijn stomverbaasd daar een rijkelijk gedekte tafel te zien voor de warme en koude lunch met hartige en zoete gerechten. Ga zitten! Tast toe!

Er lopen nog behoorlijk wat kinderen in en om de school als we na de lunch op het punt staan te vertrekken. Ze drommen rond de twee busjes en als we ze toestaan om binnen te kijken, verdringen ze zich voor de schuifdeur. Ze kijken hun ogen uit: een bed, een echte wc, een koelkast en -kijk nou, kijk nou- een keuken! En de kraan doet het nog ook! Die hebben wat te vertellen als ze straks thuiskomen. Wij trouwens ook.

Overigens: die norse, onvriendelijke lerares van njetto fotografia, die ook later zo schrok toen ze de lerarenkamer binnen kwam en ons met de collega’s aan de lunch zag zitten (en zich dan ook abrupt omdraaide en de ruimte verliet), die lerares dus, kon haar nieuwsgierigheid toch niet bedwingen en stapte -nadat de leerlingen hun bezichtiging van m’n bussie hadden beëindigd- ook naar binnen. Even had ik de neiging haar de toegang te weigeren, maar ik ben niet zo’n oog om oog, tand om tand type.
Ongevraagd deed ze alle deuren open, liet de kraan lopen en stapte weer naar buiten zonder bedankje of groet. Vol verbazing keek ik haar na toen ze door het hek terug naar school liep. Vreemd volkje hoor, sommige van die onderwijsexemplaren…

OVERNACHTING #53

Aan de rol

Even buiten een dorpje staat een kleine, ommuurde stupa. Ik zal er nog heel veel gaan tegenkomen deze reis, maar bij zo’n eerste stop je toch even. Het is ook een markering, dat ik zo langzamerhand in een ander ‘geloofsgebied’ ben beland. Ik merk steeds meer hoe dicht we bij de grens met Mongolië zitten, niet alleen aan het uiterlijk van de bewoners van deze streek, maar ook aan dit soort heilige plaatsen.

Centraal in het midden staat een fraai gedecoreerde zuil, er omheen een drietal bouwwerkjes met gebedsrollen..

En wie kan er natuurlijk weer niet van die rollen afblijven en moet ze even aan het draaien maken? Juist.

Buddha op de markt

In de Kyngyrga-vallei bij het (supertoeristische) dorp Arshan is een Mongoolse markt. Van over de naburige grens brengen Mongoolse handelaren hier hun kruiden, specerijen, kleding, lederwaren en -niet te vergeten- de nodige prullaria naar deze markt die een paar honderd meter lang is. Aan het einde van de markt staat een mini-tempeltje met een beeld van Buddha, versierd met talloze ‘wenslinten’.

Ik loop die hele markt af tot aan het Buddha-beeld. Ik stel onderweg vast, dat zeker de helft van de kramen onbezet is. Ik constateer dat in alle kraampjes praktisch hetzelfde wordt verkocht. Allemaal dezelfde sjaaltjes, dezelfde schoenen, dezelfde pantoffels, dezelfde kruiden, dezelfde snuisterijen. Ik had op een derde van die markt al rechtsomkeert kunnen maken. Maar ja, dan was ik op het eind niet gevraagd bij Buddha op de foto te gaan.

Het leukst is nog die marktvrouw bij het kraampje met kruiden, die geen woord buiten de deur spreekt, maar een prachtig toneelstukje opvoert met bijbehorende geluiden om uit te leggen, dat de kruiden in die ene zak helpen bij diarree en die in de andere zak tegen menstruatiepijnen. Goed uitgebeeld weliswaar en genoten van haar acteertalent, maar toch niks gekocht en doorgelopen.
Immers, voor diarree vertrouw ik op mijn doosje van huis meegenomen immodium en van menstruatiepijnen heb ik al jaren geen last meer. Wel krijgt ze voor haar optreden een klein applausje en ga ik met haar op de foto natuurlijk.

OVERNACHTING #54

Lunch onder escorte

Alweer -net als de afgelopen dagen- weinig kilometers gemaakt vandaag. Zeker in vergelijking met voorgaande weken in Rusland zijn de dagritten ‘olienootjes’. Dat heeft alles te maken met ons visum voor Mongolië. Ik mag niet later dan 11 juni het land in, maar -berichtte nog thuis in Nederland de Mongoolse ambassade in Brussel aan Anne Marie- ook niet eerder dan 1 juni.

Afgelopen Tweede Pinksterdag (21 mei) stond eigenlijk alleen een bezoek aan Ulan-Ude nog op het programma. Vanaf die stad is het nog zo’n 240 kilometer naar de Mongoolse grens. Nog elf dagen ‘verplicht’ Rusland om dat relatieve kippeneindje naar de grens af te leggen! Dat wordt rekken…

Dus vertrekken we ’s morgens later, rijden niet zoveel kilometers en stoppen ’s middags bijtijds. We zoeken activiteiten in de buurt en rijden (rekken…) het Tunkinsky National Park in en tuffen met een gangetje van 70, 75 kilometer over de enige weg door dit park, de A-333 Tunki Road. Toegegeven: schitterende weg, prachtige natuur, mooie bergen en -niet onbelangrijk- een heerlijk zonnetje aan een stralend blauwe hemel. Maar na zo’n twintig kilometer heb ik al dat moois wel gezien en begin me stierlijk te vervelen. Zoek op de radio naar een leuke zender, neem nog maar een snoepje, steek nog maar een sigaartje op. Heb ik aan het begin nog wat afleiding omdat ik door kleine dorpjes en een stad rijd, de laatste tachtig kilometer heb ik geen levende ziel gezien, behalve een paar chauffeurs in mij tegemoetkomende auto’s en wat overstekende koeien. Saaiheid kent geen tijd en ik veer op uit mijn gedachteloos rijden als er een wegopbreking is. Ha, er gebeurt wat!
Die A-333 heeft voor mij -in tegenstelling tot mijn campervrinden- een heel hoog gaapgehalte. En diezelfde weg moet ik ook weer helemaal terug rijden. Ik kijk er nu al naar uit!

Er staat een groot, blauw bord langs de weg, waarop (ook in het Engels!) staat, dat verder rijden niet is toegestaan zonder geldig identiteitsbewijs of paspoort. Nou, dat heb ik, dus vort met de geit.
Jawel, maar niet lang daarna verspert een draaibaar hek de weg. Uit een hokje naast dat hek komt een geüniformeerde vrouw met aanzienlijk overgewicht, vergezeld van een iel grensbewakertje, met een groot mes op zijn heup. Ik moet mijn paspoort afgeven, waarmee beiden in het hokje verdwijnen. Weglopend maakt het mannetje een gebaar dat ze de gegevens in de computer gaan natrekken.
Of het aan de traagheid van de computer ligt, weet ik niet, maar het duurt een behoorlijke tijd. Ondertussen wordt voor andere automobilisten het hek wel geopend. Anne Marie met haar tablet en ik met gebaren en tekeningetjes in het zand maken de douanebeambte (?) duidelijk, dat we alleen even willen lunchen in het dorp dat we hiervandaan zien liggen om daarna weer terug te keren. Het helpt niet. We blijven voor dat hek staan.

Er komt een auto aanrijden vanuit het dorp. Er stappen twee militairen uit, die op de busjes afstappen, zich -in het Engels- netjes voorstellen en informeren naar onze bedoelingen. Wat blijkt? Op de plek waar wij staan, zijn we in Rusland, maar als we het hek zouden passeren zijn we in… Rusland!
‘U bent vijfentwintig kilometer van Mongolië verwijderd’, legt de luitenant-eerste-klasse uit, ‘en die vijfentwintig kilometer tot aan de grens is een bufferzone. Maar u wilt alleen maar even lunchen in dat dorpje daar en dan weer terug? Dat kan hoor. Rijdt u maar achter ons aan dan brengen wij u erheen.’
‘Ja maar, onze paspoorten dan? Die zijn nog in het kantoortje.’
‘Die krijgt u terug als we na de lunch weer hier zijn’, is het antwoord. We maken duidelijk dat niet te willen, krijgen onze paspoorten zonder morren terug en rijden achter de militairen aan het dorp in.

Bij het restaurant parkeren we en stappen naar binnen. En wij niet alleen. Ook beide soldaten gaan mee, sterker nog: ze wijken geen moment van onze zijde. Ze helpen met de keuze uit het menu, bestellen zelf ook hun maaltijd en we nemen met z’n vijven plaats aan een van de tafels. ‘Er zijn twee restaurant in dit dorp’, vertrouwt de luitenant ons toe, ‘maar dit is het beste.’ Ik kijk om me heen naar de kale en meer dan sobere inrichting. Als die maatgevend is voor wat ik straks op mijn bord krijg, verwacht ik niet veel. Of wordt de keuze van dit restaurant bepaald omdat het aan de rand van het dorp ligt, zodat we zo min mogelijk van dit gehuchtje te zien krijgen?

Ze zijn beslist niet onaardig hoor, die twee militairen en we hebben het reuze gezellig met elkaar, maar oplettend zijn ze wel. Als ik zeg even mijn camera uit m’n bussie te willen halen, staat een van de twee meteen op en loopt met me mee naar buiten.

Wat mijn menu betreft, heb ik voor het vleesgedeelte hetzelfde besteld als de twee soldaten: het lokale gerecht. Als de borden worden geserveerd, blijkt dat gerecht dumplins te zijn, hetzelfde dat ik eerder at bij ‘de Mongool’.*)

Na de lunch (en de bezichtiging van de busjes) worden we door de militairen weer terug naar de ‘grenspost’ geëscorteerd. Uiteraard (…) moeten de paspoorten weer worden gecontroleerd en dan gaat het hek voor ons open.

Wat een heerlijke onderbreking van deze dag. Gelukkig maar, want tot aan het grenshek had ik deze donderdag de 24e mei al bestempeld als supersaai. Dat pakte gelukkig anders uit.

En die soldaten hebben me vandaag geleerd hoe ik die dumplins moet eten. Niks mes en vork, gewoon met je handen. Hield ik een paar dagen geleden zo’n bleke bol-met-vlees nog schuin om het vet op mijn bord te laten druipen, helemaal fout! Ik weet nu hoe het wel moet: neem de dumplin tussen duim en wijsvinger, hap een heel klein stukje van het deegomhulsel, houdt de dumplin dan snel omhoog en slurp het vet er uit. ’s Lands wijs, nietwaar?

*) (her)lees: Feestelijk

OVERNACHTING #55

Brood-nodig #2

Wat een schitterende, mooie, prachtige, super-de-luxe overnachtingsplek hadden we gisteren gevonden: op een soort ‘Alpenweitje’ met een goede, harde ondergrond en uitzicht op een gletsjer. Ik had m’n bussie zo dicht mogelijk langs de rand geparkeerd. Een tikkeltje schuin, maar daar had ik mijn hydraulische pootjes voor.

’s Nachts begon het te waaien en te regenen. En niet zo’n beetje. Onrustig lag ik in mijn bed en hoorde de regen op het dak kletteren.
‘Als het nou maar niet harder gaat regenen, want dan vind ik het niet leuk meer’, dacht ik.
‘Het regent nog steeds’, doemdacht ik een half uur later, ‘als het nou maar niet te drassig wordt.’
‘Gelukkig’, woelde ik een uurtje later, ‘het is gestopt met regenen. Het zal mij benieuwen hoe het terrein er uitziet als het licht wordt.’
‘Waarom moest ik eigenlijk zo dicht bij dat randje gaan staan?’, stompte ik mijn kussen, ‘straks is het zo glad en glibberig geworden, dat ik dat bussie van me niet kan houden en glijd ik zo de diepte in.’
‘Lig nou niet zo te piekeren’, suste ik mezelf in onrustige slaap, ‘je zal zien, straks als het ochtend is…’

Maar wat ik vanmorgen zag, deed me huiveren. Ik zag namelijk helemaal niks. Het was in de loop van de vroege morgen weliswaar gestopt met regenen, maar die regen was overgegaan in sneeuw.
Onvoorstelbaar: toen ik hier gisteren aankwam, liep ik heerlijk in het zonnetje op blote voeten en een dito bovenlijf rond m’n bussie te genieten van het prachtige weer. En nu, de volgende morgen? Ik word er niet geruster op dat ik hier makkelijk wegkom.

‘We gaan het proberen’, melden de campervrinden.
Door mijn zijraampje zie ik de Vogelwaarders -die iets hoger hadden geparkeerd- gerieflijk naar boven rijden. Dat geeft de burger moed en ook ik zet m’n bussie in beweging. Het gaat goed tot zo’n metertje voor ik de wat vastere grond zou bereiken. Dan beginnen mijn wielen te slippen. Einde oefening. Ik wurm nog wat voor- en achteruit, maar blijf uiteindelijk bijna bovenaan het hellinkje steken.

Er zit niks anders op dan boven naar de weg te lopen en daar een passerende auto aan te houden, die bereid is mij uit de prut te slepen of hulp te gaan halen. Een passerende auto? Op zo’n zes kilometer van dat ‘grenshek’? Op de A-333, waar maar heel sporadisch verkeer langs komt? Gemiddeld een keer per kwartier passeert er een auto, maar die zijn ongeschikt om mij te slepen of rijden de verkeerde (=onbewoonde) kant op.

Tot -na een krap uurtje- er een ‘broodje’ door de bocht komt aanzetten. Hevig met mijn armen zwaaiend verzoek ik hem te stoppen en leg de mannen mijn benarde situatie uit. En natuurlijk (Russen, nietwaar?) zijn ze meteen bereid mij te helpen en binnen de kortste keren hebben ze me richting asfalt gesleept.

Het meeste oponthoud tijdens deze manoeuvre wordt nog door mezelf veroorzaakt. Want (nieuwe bus), waar ligt in vredesnaam dat sleepoog? En waar heb ik ook alweer mijn sleepkabel opgeborgen? Dat sleepoog zit natuurlijk gewoon in het gereedschapspakket van de Fiat en de sleepkabel hebben de twee broodjes tijdens mijn zoeken al gemaakt door van een grote rol gevlochten ijzerdraad een flink stuk af te knippen.

Ik kan weer on the move. Vanavond maar op vastere grond slapen…

Slimme Rus

Tanken gaat in Rusland anders dan in ons land. Ik moet inschatten hoeveel liter diesel er in de tank kan. Dan meld ik me bij de kassa, soms binnen bij een groter station, maar veelal bij een (getralied) loketje. Als ik geluk heb, zie ik iemand achter dat loketje zitten, soms is het glas dusdanig behandeld, dat je niet ziet wie er aan de andere kant zit.

Het vaste antwoord op mijn vraag of de lokettiste Engels spreekt, is njet.
Onder het kleine raampje komt dan een schuiflade naar me toe met een pen en een stukje papier. Daarop schrijf ik het aantal gewenste liters en wijs op m’n bussie bij de pomp. Samen met mijn pinpas schuif ik dat briefje en die pen terug naar binnen. Na enige tijd komt dat laatje weer naar me toe en moet ik mijn code intoetsen. Daarna ontvang ik mijn pinpas terug en een bonnetje en kan ik gaan tanken.*)

Ik heb 75 liter op het briefje geschreven en laat mijn tank vollopen. Bij 68,3 liter stopt de toevoer. Volle tank. Verkeerd ingeschat. Aan de andere kant van mijn pomp staat een Russisch vrachtautootje, afgeladen vol met stukken boomstam. De chauffeur heeft de dop al van zijn tank gehaald en als mijn meter stopt, maakt-ie naar mij een gebaar van ‘geef maar hier’. Ik geef hem mijn slang, hij stopt die in zijn vulopening en laat mijn resterende dikke zes liter in zijn tank lopen. Daarna hangt hij de slang op en loopt naar de kassa om zijn eigen aantal liters te gaan bestellen.
Het duurt even voor ik het door heb, maar als het tot me doordringt wat hij heeft gedaan, roep ik keihard ‘Vuile dief!’ naar hem. Hij is al halverwege de kassa, draait zich om en steekt grijnzend zijn hand op.

Weer op weg word ik een half uurtje later door hem ingehaald. In het voorbijgaan toetert hij vrolijk.
En weer wat later zie ik zijn vrachtwagentje geparkeerd staan bij een van de vele restaurants langs de weg. ‘Die zit daar natuurlijk lekker te lunchen van mijn tientje’, kan ik niet nalaten te denken. Nou ja, hij blij, ik voor een tientje opgelicht. Eigenlijk reuze slim van die kerel en ik kan er niet van wakker liggen.

*) Een eerlijk systeem wel hoor, deze manier van tanken. Heb ik -zoals in dit geval- voor 75 liter gepind en blijkt er minder in de tank te gaan, dan wordt dat verschil netjes op mijn rekening teruggestort.

OVERNACHTING #56

Ochtendgedachte

Zolang ik ’s morgens bij het opstaan nog steeds kleine stoomwolkjes uitadem, is het nog  niet echt lente in Oost-Siberië.

OVERNACHTING #57

Nepcadeautje

Wat waren ze blij, die inwoners van Ulan-Ude, toen Stalin hen -als dank voor hun loyaliteit en de vele offers die ze hadden gebracht tijdens de Tweede Wereldoorlog- toestemming gaf voor de bouw van een Boeddhistisch klooster.
En wat keken ze op hun neus, toen ze laten de voorwaarden onder ogen kregen. Vooral de toegewezen locatie leidde tot irritatie: het ‘klooster van Ulan-Ude‘ stond op papier zo’n veertig kilometer buiten hun stad…

De laatste twee decennia werd en wordt er druk gebouwd aan dit complex, wat resulteert in busladingen toeristen.
En die overwegend Mongoolse dagjesmensen willen natuurlijk met die Hollanders op de foto.

OVERNACHTING #58

Schoon, schoner…

Dat treetje van mij gaat al sinds het Modderpartijtje in het weitje, dus inmiddels twee weken geleden, geen centimeter meer in of uit. Niet echt erg of onoverkomelijk, maar wel een stuk minder comfortabel. ’t Is best een hoge stap om in en uit dat bussie te komen, zeker met dat stramme, dik zeventig jaar ouwe lijf van me. Ik vermoed, dat gedurende twee maanden slechte wegen, dat treetje helemaal vast gezand-modderd zit. Kwestie van -denk ik dan- de trommel losmaken en de bak legen.

Omdat ik toch ‘een paar dagen over heb’, laat ik Claire-mijn-Garminnetje me naar een garage in Ulan-Ude brengen. Om aan de monteur alles helder uit te kunnen leggen, pak ik uit mijn documentatiemap de installatie-instructies van die slide out. Ze begrijpen er niks van, de vier ketelpakken die door de handleiding bladeren. Zelfs een analfabetische dyslecticus kan toch plaatjes lezen? Of vergis ik me nou?

Om er beter bij te kunnen, draai ik mijn hydraulische pootjes uit. Een van de monteurs haalt een supermarktkarretje met gereedschap en begint het een en ander los te schroeven. Dat gaat traag. Eer hij de juiste maat sleutel gevonden heeft… Maar de bak komt niet los. De bouten worden weer gemonteerd en hij maakt me duidelijk, dat hij het met luchtdruk gaat proberen. Ook goed, als het maar werkt.
En het werkt. Weliswaar niet echt soepel, maar het treetje zet zich krakend en piepend in beweging. Ik opper om wat WD40 op de bewegende delen te spuiten en pak de bus achter uit mijn gereedschapskrat (of ik ook voorbereid op reis ga…). Geleidelijk aan beweegt het treetje steeds soepeler, nog niet ideaal, maar daar kan ik mee leven. Een dik uur is hij bezig geweest, die monteur. Ik betaal hem -zonder bonnetje- 500 roebel (omgerekend Є 7,–) en rijd fluitend de ochtendspits van Ulan-Ude in.

Nu dat treetje weer lekker schoon is, besluit ik er een heel schoonmaakdagje van te maken. Ik heb een uitpuilende zak met vuil wasgoed (dus op zoek naar een wasmachine), ik moet nodig eens uitgebreid mijn haren wassen en douchen en -als het even kan- mag m’n bussie zelf na twee maanden ook wel eens onder de hoge-druk-douche. Net na de middag stop ik dan ook bij zo’n grote truckers parkeerplaats met alles erop en eraan.

In het restaurant wijzen ze me na de maaltijd de weg naar het toiletgebouwtje.  Als ik de propere sanitaire ruimte binnen stap, loop ik bijna tegen een draaiende wasmachine op. Bingo! Uit een hokje waggelt een belegen vrouw op mij af en begint in het Russisch tegen me te kletsen. Ik stel me voor en vast dat we elkaar niet begrijpen en vraag een stukje papier en een pen.

‘Kijk, Natasja‘, leg ik al tekenend uit, ‘dat is mijn machina, die daar buiten staat. Ik blijf hier vannacht slapen, zie je wel, en morgenochtend kom ik hier douchen en daarna draai jij een of twee wasjes voor me. Snap je?’
Ze snapt het. Uit haar hokje -waar ook haar bed staat- haalt ze een dubbelgevouwen kaft van een schrift. Op de witte binnenkant heeft ze de tarieven genoteerd: 15 roebel voor het gebruik van het toilet, 150 roebel om te douchen en 150 roebel voor een was.
Ik vind het helemaal prima, geef haar een hand, ‘zeg’ dat ik morgenochtend terug kom voor de douche en de was en zoek een plekje tussen de ‘grote jongens’.

Links van me raast het verkeer over de drukke Baikal Higway. Daarachter dendert meer dan regelmatig een lange trein voorbij over de Transsiberian Railway. Rechts van me staan regelmatig grote vrachtwagens te dieselen, die hier even een hapje komen eten om daarna -net als ik- te overnachten. Achter me staat een voor mij onduidelijk, religieus gebouwtje, waarvan de deur op slot is. Ik heb rustiger gestaan, maar ben dik tevreden met deze plek en deze dag. Treetje schoon en weer werkend, morgen douchen en wassen, wat wil een man nog meer? Nou ja, die wasbeurt van m’n bussie is niet gelukt, maar dat regel ik de komende dagen nog wel. Schoon, schoner, schoonst, zo wil ik straks Mongolië in.

OVERNACHTING #59

Koele Mongool

Moest ik drie dagen geleden nog door een ‘brood’ uit de sneeuw worden getrokken*), vanmiddag liep de temperatuur op tot maar liefst 28 graden. Raar land, dat Siberië.

Dus zit ik ’s avonds nog lekker met de schuifdeur wagenwijd open te lezen als er een grote jongen naast me parkeert. Ik kijk op en lees: H.M. Tuls Transport Benschop-Hoogeveen-Holland. Nieuwsgierig als ik ben, stap ik uit en loop om die vrachtwagen heen. Ik had het kunnen weten: achterop staat het landkenteken MGL, de zoveelste geïmporteerde Hollandse vrachtwagen, waarvan ik er onderweg al talloze heb gezien. Overspuiten van de Nederlandse tekst is waarschijnlijk duurder dan het bedrag dat voor zo’n auto is betaald.

Ik spreek de chauffeur aan, die bezig is een lamp van zijn remlicht te vervangen. ‘Wat leuk, een vrachtwagen uit Holland! Weet u: ik kom uit Nederland. Kijk, daar staat mijn busje. Hiernaast. Grappig hè?’ Hij verstaat me niet, die kleine Mongool en grijnst wat naar me.
Met het rustgevende geluid van zijn eentonig dieselende koelaggregaat, acht meter naast mijn hoofdkussen, val ik ’s avonds tevreden in slaap.

*) (her)lees: Brood-nodig #2

Bijna acht meter

Ik ging al eens eerder tijdens deze reis samen met Lenin op de foto (zie links).
Dat was -weken geleden- in Poperetsnoe*). Vond ik destijds dat beeld in de voortuin van de school al enorm, het haalt het niet bij het grootste Lenin-hoofd ter wereld in Ulan-Ude.

Daar moest ik dan wel ruim 14.000 kilometer voor afleggen, maar dan heb je ook een foto… Dit bronzen hoofd is (zonder sokkel) 7,7 meter hoog, staat op het Sovetovplein in Ulan-Ude en werd daar in 1970 neergezet om de honderdste verjaardag van Lenin te vieren.
Het beeld ziet er puntgaaf uit. Geen vogel uit Ulan-Ude haalt het in zijn (beperkte) hersens op dat hoofd te gaan zitten en het te vervuilen met een uitwerpsel. ‘Dat is nogal logisch’, zeggen de verstokte communisten,  ‘zelfs de vogels hebben respect voor onze Grote Leider.’ ‘Hmm’, merken de (realistische) tegenstanders op, ‘zou het er misschien ook mee te maken kunnen hebben dat het hele beeld vol zit met ontelbare, nauwelijks zichtbare anti-vogelspijkers?’

*) (her)lees: Meidenbezoek

Sasha

Op zoek naar een plek om te overnachten, heb ik de hoofdweg verlaten. Na een kilometer of tien rijd ik door een zeer langgerekt dorp, daarna gaat het asfalt over in een onverharde weg en tenslotte houdt de weg op aan de rand van een bos. Einde van de wereld. Althans voor m’n bussie.
Op een grasveld met stapels boomstammen bij één van de laatste huizen parkeer ik. Ik kijk om me heen: prima rustige plek, tenminste als de bewoners van dat huis geen bezwaar maken. Ik loop er naartoe, klop op deuren en ramen, maar er komt geen reactie. Ik sta nog een beetje bij dat huis te dralen als er achter me een auto stopt en toetert. Ik loop er heen.

Wat ik hier doe, of er iets aan de hand is en of ze kan helpen, vraagt de vrouw, die zich voorstelt als Sasha. Tenminste, ik vermoed  dat ze dat vraagt, want mijn Russisch is na zeven weken nog steeds ontoereikend om een gesprek te voeren en het Engels van Sasha is wel heel erg malinka en haar Duits nog veel minder. Met Google Translate komen we er uit.
Als het haar duidelijk is, dat ik een plekje zoek om te overnachten, trekt ze een bedenkelijk gezicht. ‘Hier? Overnachten? Da’s niks hoor. Rijd maar achter mij aan, eh… Friets’, gebaarzegt ze. Tsja, wat moet ik? Eigenlijk was ik wel tevreden over dit plekje, maar -braaf als ik ben- volg ik Sasha, die met een behoorlijk gangetje terug rijdt naar het dorp, daar kris-kras wat onverharde weggetjes inslaat en uiteindelijk stopt naast een huis.

‘Dit is mijn doma‘, maakt ze me duidelijk, ‘en als je wilt kun je vannacht binnen op de bank slapen.’ Ik haast me haar duidelijk te maken, dat ik mijn eigen ‘huis’ bij me heb en laat haar mijn interieur zien. Had ze het toch niet helemaal begrepen daar aan die bosrand.
Ze staat me net te vertellen, dat die twee meisjes, die verlegen-nieuwsgierig komen kijken, haar dochters zijn en dat haar man nu arbeitet, maar straks thuis komt, als de buurman van schuin tegenover zich bij ons voegt. Hij zet zijn spa tegen de schutting, geeft me een vuile hand en stelt zich voor, waarna Sasha hem uitlegt (vermoed ik maar weer), dat ik bij haar voor de deur overnacht.
Dat bevalt hem niks. Veel te gevaarlijk. Nee, ik kan beter bij hem op het erf komen staan, veilig achter een schutting. Ik had net een kop koffie gemaakt, geef die aan Sasha met de mededeling dat ik mijn mok straks bij haar kom ophalen en dat ik dan ook -als zij het goed vindt- een foto van haar wil maken voor bij het verhaal op mijn website.

Veilig op het rommelige erf van Roma stel ik vast dat hier vijf honden rondscharrelen, waarvan één (maatje Sint Bernhard) gelukkig aan de ketting ligt. Bij Sasha waren dat er maar drie…

Als ik op mijn nieuwe plek sta en weer heb ‘ingericht’, loop ik -zoals beloofd- nog even terug naar het huis van Sasha om mijn mok op te halen, een foto te maken en haar vooral te bedanken voor haar hulp. Op mijn geklop op de deur van de schutting komt ze naar buiten. En kijk nou: in die tien minuten dat ik naar de overburen ben gegaan, heeft ze zich opgemaakt en heur haar geborsteld en opgestoken. Unbeschreiblich weiblich… (maar wel weer een lief pareltje aan de Russische ketting).

Roma is zo’n ander pareltje. Als ik hem ’s avonds vraag of ik drinkwater bij hem kan tanken –drink-water, Roma, benadruk ik- zegt-ie me de vulopening van slot te doen. Op de zanderige grond van het erf ligt een dikke zwarte slang. Hij trekt die slang door het zand en het onkruid naar zich toe, steekt hem in de vulopening en loopt dan naar de muur van de schuur. Daar zit een half-open, kapot stopcontact. Als hij de stekker er in steekt, vonkt het en hoor ik binnen een pomp aanslaan. Het gaat allemaal zo snel, dat ik geen tijd heb om in te grijpen. Als de tank langzaam volloopt, realiseer ik me dat die zwarte slang hier natuurlijk altijd de hele dag gewoon op dat erf ligt. Ook vandaag was het weer 28 graden… En maak ik niet -als ik zelf tank- het laatste stuk van de slang zorgvuldig schoon? En laat ik dan ook niet een paar minuten het water doorlopen voor ik zo’n ‘vreemde’ slang in de vulopening steek? En waar komt dat water eigenlijk vandaan, dat Roma oppompt? Natuurlijk had ik kunnen ingrijpen en na een liter of tien kunnen zeggen, dat het voldoende is. Weet hij veel? Aan de andere kant: ik tank nu al zeven weken Russisch water en ben nog maar één keer ‘aan de race’ geweest. Mijn voorraadje immodium is nog onaangeroerd en zelfs van de vijf flesjes desinfecterend middel is nog geen druppel aan mijn drinkwatertank toegevoegd. Spasiba, Roma, dat ik weer een volle tank wada heb. En of het gevolgen heeft, merken we overmorgen wel.

‘Waarom kom je eigenlijk helemaal naar ons dorp?’, had Sasha eerder die middag verbaasd aan me gevraagd. Ik moest het antwoord schuldig blijven. Deels door de taalbarrière, maar ook als we elkaar goed zouden verstaan, zou ik het niet kunnen uitleggen. Gewoon een afslagje genomen, gewoon een eind het binnenland ingereden, niks gepland en dat leidt dan tot een ongewone overnachting. Waarom? Geen idee. Zo werkt dat bij mij als ik on the move ben.

OVERNACHTING #60

Schoonst!

Wat een uitgebreide schoonmaakbeurt was dat een paar dagen geleden*).
Alleen m’n bussie was er toen bij ingeschoten. Dat heb ik vandaag ingehaald.

*) (her)lees: Schoon, schoner…

OVERNACHTING #61

Vastgelopen verhuizing

Na een paar gescheiden solodagen zouden de campervrinden en ik elkaar weer treffen ‘op een plek dicht tegen de Mongoolse grens’. Met het doorgeven van de coördinaten zouden we elkaar op de hoogte brengen van dit meeting point.

Iets meer dan honderd kilometer voor de grensovergang zie ik een prachtige locatie: een schitterend, klein boeddhistisch tempeltje midden in het verder bijna verlaten landschap. Als ik op mijn overnachtingsplek ben ‘ingericht’ (staat duur, maar stelt niks voor) sms ik de coördinaten naar de campervrinden. Jammer genoeg kan het bericht niet verzonden worden omdat ik nauwelijks bereik heb. Heel af en toe verschijnt er één balkje op mijn telefoon. Ik besluit het even aan te kijken en desnoods een stukje terug te rijden tot ik weer voldoende signaal heb. Ik werk mijn website bij, ontdek dat er in één van de huisjes bij de tempel een restaurantje zit en ga op m’n gemak een hapje eten.

Terug bij m’n bussie zie ik, dat het bericht nog steeds niet is verzonden. Vervelend, maar ergerlijker zijn de vier mannen die bij de tempel aan het werk zijn en om de haverklap naast m’n bussie staan voor een praatje. En niet -zoals ik dat al twee maanden meemaak- uit nieuwsgierigheid, maar een tikkeltje agressief. Als ik ze niet tegenhoud, staan ze ongevraagd in m’n bussie. En ze blijven op een nare manier om m’n bussie draaien en om sigaren vragen, ook al heb ik daar al meerdere keren een duidelijk njetto op geantwoord. Mede door het niet kunnen verzenden van het bericht, besluit ik die mannen letterlijk de rug toe te keren en vertrek. Jammer wel van dat prachtige plekje (zie Overnachting #61).

Zeventien kilometer verderop sla ik direct na de brug over de Selenge een landweggetje in. Een plekje langs de rivier, dat lijkt me wel wat. Het weggetje is slecht, maar te doen en als ik links een mooie open plek zie, draai ik daarin. Ik dacht te parkeren op een harde, stenen ondergrond, maar het blijken losliggende stenen en grind te zijn. Daar kom ik net iets te laat achter en voor ik het goed en wel besef, sta ik tot aan mijn velgen vast in dat stenenveldje.

De inmiddels gearriveerde campervrinden blijven -na mijn waarschuwing- aan het begin van het pad staan. Samen met Harrie, die naar me toe is komen lopen, proberen we m’n bussie los te krijgen met behulp van de hydraulische poten en rijplaten, maar zonder succes. Ik besluit naar de weg te lopen en een auto aan te houden, die me los wil slepen.

Om een lang verhaal niet nog langer te maken: dat lukt niet. Nou ja, er stopt wel een bedrijfsautootje, waarvan de inzittenden me willen helpen, maar na diverse pogingen me los te trekken, loopt zijn motor warm, moet er water (uit de rivier) in de radiator en geeft ook zijn accu de geest. Me uit de kiezel trekken lukt niet, wel krijgt hij zijn eigen motor weer aan de praat.
Voor de mannen vertrekken, regelen zij een kraanwagen voor me. Ik krijg een Engels sprekende man aan de telefoon, die behoorlijk traag van begrip is. Als ik opdracht heb gegeven voor een kraanwagen en vraag wanneer die hier kan zijn, moet hij dat navragen. Ik schrijf zijn telefoonnummer op (ik bel met de telefoon van de hulpmannen) en zeg hem over een half uurtje terug te bellen. De mannen van het hulp-bedrijfsbusje rijden stuifwolkend weg, Harrie gaat terug naar zijn eigen bus en ik ruim de rommel op.

‘Het nummer dat u heeft gekozen is niet beschikbaar.’
Drie, vier keer probeer ik met allerlei varianten het aan mij doorgegeven nummer van die kraanwagen te bellen, maar de boodschap blijft hetzelfde.

‘Het spijt me Frits, maar onze zorg reikt maar tot aan de Oeral. Succes verder!’ Eén telefoontje naar de ANWB maakt me duidelijk dat ik uit die hoek ook geen ondersteuning hoef te verwachten.

En de polis en bijbehorende papieren van mijn aan de grens afgesloten autoverzekering is helemaal in het Russisch.

Het loopt inmiddels tegen half tien en het begint donker te worden. Die kraanwagen verwacht ik vanavond niet meer. Ik verzoen me ermee hier een vastgelopen nacht te moeten doorbrengen. Schreef ik gisteren niet iets over een ongewone overnachting? Nou, ik word op mijn wenken bediend. Het is in ieder geval lekker rustig hier enne… morgen weer een nieuwe dag met nieuwe kansen.

OVERNACHTING #61a

Als ik die nieuwe dag wakker word, overdenk ik serieus die nieuwe kansen. Eerlijk gezegd heb ik er weinig vertrouwen in, dat die kraanwagen nog naar me toe komt. Ik besluit ze het voordeel van de twijfel te gunnen en uiterlijk tot twaalf uur te wachten. Komen ze niet opdagen, dan loop ik naar de weg, lift terug naar die grote stad waar ik m’n bus heb laten wassen en regel daar zelf wel iets.

Zover komt het niet, want nog voor achten meldt vrind Harrie zich bij mijn schuifdeur. Hij had er in bed nog eens goed over nagedacht en vindt dat we nog één keer moeten proberen op eigen kracht los te komen. Ik heb er geen vertrouwen in, maar draai de pootjes uit. We schoppen grind en stenen onder de vrijstaande voorwielen en laten de bus weer zakken.
‘Proberen maar’, zegt Harrie. ‘Nee vrind, het is jouw idee, kruip jij dan ook maar achter het stuur!’ Harrie start, zet m’n bussie in de versnelling, geeft gas en -verdomd- hij rijdt weg!
Ik loop naar hem toe: ‘Goede vrind, je snapt dat ik het haast niet uit mijn strot krijg, maar compliment voor je vasthoudendheid en dat je m’n bussie hebt weten vlot te trekken!’

Een (flink) stuk verderop keren we (op een postzegel volgens Harrie) en niet veel later voegen we ons bij Anne Marie aan het begin van het pad. Koffie!

Poedelen in het park

Poedelen, zo noemde Nel het vroeger aan boord als ze een paar kleine kledingstukken op de hand waste.

Ik sta in het grensstadje Kyakhta tegenover een oorlogsmonument. In het bijbehorende parkje zijn drie vrouwen en een man bezig emmers te vullen om de planten en jonge boompjes water te geven.
Een paar dagen geleden heb ik twee wassen laten draaien en al mijn kleren zijn weer schoon en aangevuld zoals ik twee maanden geleden van huis vertrok. Eigenlijk belachelijk om die paar kledingstukken die nu vuil zijn ook perse schoon te willen hebben, maar het idee lokt en niet veel later klim ik met een emmertje over het hek en voeg me bij het waterende gezelschap.

‘Ik kom even poedelen’, zeg ik en hou’ mijn emmer bij de slang. Als zich een sopje vormt en ze mijn kledingstukken zien, snappen ze wat ik kom doen. Ik krijg complimentjes dat ik als man de was doe, ze tappen hun eigen emmers vol water om te zorgen dat ik lekker kan spoelen en ze helpen met uitwringen. En maar kletsen. En maar niks verstaan.

Omdat het allemachtig warm is, vraag ik één van de vrouwen de slang boven mijn hoofd te houden om wat af te koelen. Hilarisch! En het wordt nog hilarischer als ze ‘per ongeluk uitschiet’ en het water over mijn rug mijn broek inloopt.

Of het drinkwater is, had ik de vrouw gevraagd. ‘Nee, nee’, had ze heel beslist geantwoord, ‘geen drinkwater. Alleen voor de planten. Drinkwater is verderop.’
Op de hoek van het plein staat een stalletje waar ze thee en een soort limonadesiroop verkopen. Veel mensen stoppen er om even wat te drinken. De man van het stalletje haalt regelmatig een emmer water bij de slang van de plantjesverzorgsters…

OVERNACHTING #62

Rusland

Ik kan natuurlijk alleen maar een voorlopige indruk geven van Rusland, want ik ben hier pas krap twee maanden (…), heb nog maar zo’n dikke twaalfduizend kilometer (…) door dit land gereden en zal daar op de ‘terugweg’ nog een aantal weken en kilometers aan toevoegen, maar toch: een eerste terugblik. Ook al om het nodige tegengas te geven bij al die negatieve, waarschuwende, overdreven en soms aan hysterie grenzende verhalen in reisbeschrijvingen, op internet en van (goedbedoelde) adviseurs van het thuisfront.

Grensovergangen
Tsja, dat weet je: daar moet je de tijd voor nemen. Daar zijn strenge controles. Daar krijg je te maken met een in onze ogen overdreven en meer dan uitvoerige administratieve rompslomp. Daar zijn de douanebeambten niet altijd even vriendelijk en mededeelzaam (ook omdat ze vaak de Engelse taal niet machtig zijn). Zie je daar tegenop, blijf dan vooral in de Europese Unie en maak lekker een camperreis naar -ik noem maar wat- Zwitserland…

Afstanden
Rusland is gigantisch groot. Gewend aan onze betrekkelijk kleine afstanden tussen plaatsen is dat even een omschakeling, maar dat went snel.

Wegennet
Net als de grote afstanden is dat een omschakeling. Verwacht geen vier-, vijf- of zesbaans wegen (met uitzondering rond sommige grote steden). Verwacht ook geen strak geasfalteerde wegen. Over het algemeen zijn de doorgaande wegen prima te berijden, maar er zijn kilometers lange stukken met gaten, putten en hobbels. Er wordt hard gewerkt aan het herstel, zodat je soms hele stukken door puin en stof moet rijden. En afslagen naar kleinere steden of dorpen? Bereid je voor op een hobbelige rit: twintig, dertig meter na de afslag stopt het asfalt.
Hoe de staat van de (doorgaande) wegen ook is: overal zijn zebrapaden, zelfs als er links of rechts van de weg in de verste verten geen bebouwing te zien is.

Automobilisten
Niks mis mee. In ieder land ter wereld zijn er idioten op de weg. Rusland maakt daarop geen uitzondering. Maar om nu te beweren dat de Russen als gekken rijden, gaat me te ver. Over het algemeen houden ze zich aan de geldende maximum snelheid, over het algemeen houden ze zich aan de regels. In de steden is het een wirwar, moet je goed opletten en word je links en rechts ingehaald. Maar rijd eens met je bus door Amsterdam? Of -ik noem maar weer wat- door Milaan? Kom op zeg!

Brandstof
Oei, oei, oei, die Russische diesel! Wat een slechte kwaliteit! Als je thuis met die opmerkingen om je oren geslagen wordt, neem je maatregelen. Vijf van die flesjes DieselPlus toevoeging nam ik van huis mee. Ik heb er welgeteld één gebruikt en dan alleen nog maar omdat mijn uitlaat een keer blauw rookte. Achteraf heb ik me afgevraagd of dat toegevoegde flesje nou echt noodzakelijk was.
En dan nog zo’n fout thuisfrontverhaal: tank altijd als je een pomp ziet, want -zeker in Siberië- zijn de pompen schaars. Soms kun je honderden kilometers rijden zonder te kunnen tanken. Nou, ze concurreren elkaar dood (ook in Siberië) en ik heb geen moment meegemaakt, dat ik zenuwachtig naar mijn brandstofmetertje zat te kijken. Tankstations volop dus. Cowboyverhaal…

Dieren
Volop: koeien, paarden en schapen. En dan niet keurig in een omheind weitje, maar gewoon overal waar die beesten zin hebben om te lopen, dus ook de weg oversteken. En dat dan niet schrikkerig snel doen, maar er gewoon rustig de tijd voor nemen.
En honden: overal en heel veel, waar ik ook kwam. Niet aangelijnd (hebben ze eigenlijk wel een eigenaar?), maar loslopend, vaak in twee- of drietallen. Vaak ook bij m’n bussie snuffelend om te kijken of er iets te snaaien valt. Of met van die smekende ogen -die op mij al helemaal geen vat hebben- bij mij voor de deur liggen.

Mensen
Waar zijn ze, die norse, onvriendelijke, agressieve, misdadige Russen? Ongetwijfeld lopen ze hier rond. Net als die norse, onvriendelijke, agressieve en misdadige mensen in -ik noem maar weer eens wat- New York of eh… Zwijndrecht. Misschien is het toeval geweest, misschien heb ik geluk gehad, maar de Russen met wie ik contact heb gehad de afgelopen zeven weken, nou ja, al mijn verhalen vertellen het tegenovergestelde van dit West-Europese vooroordeel.

Ik hoor het mijn omgeving/thuisfronten al zeggen: ‘Wacht maar jongetje. Je bent er nog niet! Je hebt nog behoorlijk wat kilometers voor de boeg. Ik mag hopen dat je zo positief blijft.’
Ik ook. En als het anders uitpakt, ben ik de eerste dat toe te geven en hier te melden, maar so far, so good.

MONGOLIË HEEN
juni/juli

Mongolië

Wat zei hij ook alweer, die man van het Mongoolse gezelschap in het Verkhnyaya Monastir in de buurt van Ulan-Ude? ‘De grenspassage gaat je drie tot vier uur kosten. Welcome to Mongolia!’

Drie tot vier uur? Dat valt dan weer dik mee in mijn geval. Kwart over acht meld ik me bij de eerste controle aan de Russische kant, vijf over elf rijd ik Mongolië binnen. Keurig toch? Snappen doe ik het allemaal niet: waarom m’n bussie Rusland-uit drie keer van binnen en van buiten ‘doorgelicht’ wordt, waarom dat Mongolië-in ook een paar keer moet. Waarom ik mijn paspoort en kentekenbewijs vele keren bij weer een ander loket moet laten zien en vooral waar al die papieren toe dienen, waarvoor ik aan de Mongoolse kant in de buidel moet tasten. Maar binnen de tijd, dus mij hoor je niet klagen en ik heb het wel naar mijn zin met de meeste douanebeambten.

Klein minpuntje toch: wat ben ik op de overnachtingsplek een poos bezig om die vele (herders)hondenharen uit mijn cabinemat te krijgen! Bestaat er geen kaal hondenras, dat getraind kan worden tot drugshond?

OVERNACHTING #63

Kloostergang

Het Amarbayasgalant Khiir, schrijft de Lonely Planet, wordt beschouwd als een van de top drie boeddhistische, meest aantrekkelijke religieuze complexen in Mongolië. Het is te bereiken over goed begaanbare wegen. Ik neem aan, dat de Lonely Planet met de kwalificatie ‘goed begaanbaar’ de Mongoolse maatstaven hanteert, want de weg naar het kloostercomplex is abominabel slecht.

Goed begaanbaar? Veertig kilometer voor het klooster verlaat ik het asfalt en kom terecht op een overwegend smal, rood-zanderig karrenspoor met uithollingen, putten, diepe richels, stenen en keien. Soms moet er gestopt worden om te voet te verkennen hoe een ‘hobbel’ genomen kan worden zonder schade aan m’n bussie te veroorzaken. Soms is de gang er helemaal uit en moet er stapvoets gereden worden. Soms -vlakbij het complex- wordt de onderkant van m’n bussie schoongespoeld als ik een klein stroompje moet oversteken.

Goed begaanbaar, jawel. Daarom doe ik over die veertig kilometer ruim zes uur. Maar het heuvelachtige landschap is ruig en schitterend met schaapskuddes, paarden, her en der een yurt en eindeloze vergezichten. Maar dat heb ik na een uurtje wel gezien. Waar blijft dat klooster?

Kloosterneergang

Waarschijnlijk zijn mijn verwachtingen te hoog gespannen bij het Amarbayasgalant Khiir. Misschien komt het door de beschrijving in de Lonely Planet, dat ik hier bij een van de top drie boeddhistische kloosters van Mongolië ben. Of denk ik te veel aan eerdere imposante religieuze complexen die ik bezocht, zoals bijvoorbeeld het Sergijeva Lavra in Sergiev Possad*) of het Kremlin in Kazan*). Hoe dan ook: het valt me wat tegen dit klooster hier.

Eigenlijk is het relatief klein. En het verkeert in een belabberd slechte staat: veel daklijsten zijn rijkelijk besmeurd met vogelstront, in de dakgoten tiert het onkruid welig en de winterschilder zou hier zo’n grote klus kunnen binnen halen, dat hij er een riante villa in Benidorm van kan laten bouwen. En dan heeft de Unesco hier nog wel uitgebreid gerestaureerd…

Kortom, ik had er meer van verwacht en wat mij betreft staat het in geen enkele verhouding tot de inspanning dit complex te bereiken: die bij elkaar vijfenzeventig kilometer heen en terug over dat testikelpad. ‘Als je naar Mongolië gaat, dan moet je dit complex ab-so-luut in je reisprogramma opnemen!’ Mwah…

*) (her)lees: Sergijeva Lavra en/of (Hans) Kazan

OVERNACHTING #64

Kloosterafgang

Wat jammer nou: die ‘weg’ op en neer naar het klooster is ten koste gegaan van mijn apothekerskast. Die superhandige, praktische kast, waar ik zo blij mee was, is helemaal naar de ratsmodee gerammeld. De onderdelen, bevestigingen en het slotje vlogen -kapot- door m’n bussie. Dus op de overnachtingsplek alle inhoud er uit, de deur met een touwtje provisorisch vastbinden en noteren als klus-voor-thuis in het najaar.

En dat heeft niks te maken met mijn oordeel over het klooster. Laat daar geen misverstand over bestaan.

OVERNACHTING #65

Een gotspe

Waarschuwing: het onderstaande stukje tekst bevat humor!

Hoe durven ze op de Mongoolse wegen regelmatig een gebouwtje midden op de weg te zetten met aan weerskanten een slagboom en me daar tol te laten betalen! Wat doen ze met die inkomsten? Het wordt in ieder geval niet besteed aan de verbetering van het wegdek, want de smalle rijstroken vertonen een massa diepe putten en gaten, die -als er geen tegenliggers zijn- me noodzaken slalommend de allerergste gaten te ontwijken. En daar betaal ik dan regelmatig omgerekend zo’n zeventig eurocent voor bij elke slagboom (…). Een gotspe!

Trouwens, het geld vliegt toch mijn portemonnee al uit hier in Mongolië. Zo tankte ik vanmiddag voor maar liefst 135.760 tugrik. Omgerekend Є 46,16. Daar kreeg ik dan wel bijna 69 liter diesel voor. Dat is dus maar liefst Є 0,67 per liter. Dure grap! In Rusland betaalde ik bij het duurste tankstation maar vijftig cent. Moet nog oppassen dat ik uitkom met mijn vakantiebudget…

OVERNACHTING #66

Pantomime-bijscholing?

Ik loop me suf te zoeken in die megagrote supermarkt in Ulaan-Baatar. Kon ik me de afgelopen twee maanden in Rusland nog wel een beetje redden, hier in Mongolië is het een stuk lastiger. Mijn karretje vult zich maar langzaam. Op mijn ‘boodschappenlijstje’ staat ook citronella. Niet echt nodig, maar als ik nu toch in zo’n grote supermarkt ben…

Ik heb al een paar keer de hulp ingeroepen van het winkelpersoneel, maar die wuiven vaagjes een richting op. Tot ik iemand tref, die me begrijpt. Niet in het Engels, maar met uitbeelden van wat ik zoek. Midden in die drukke zaak maak ik met een ronddraaiende vinger vliegbewegingen in de lucht, vergezeld van een irritant muggengeluid. Ik laat die vinger op mijn arm landen, maak een prikbeweging en wrijf met een pijnlijk gezicht over het plekje. Daarna ‘pak’ ik een flesje, sprenkel wat druppeltjes op mijn arm en beëindig mijn ‘optreden’ met een opgelucht: ‘Njetto moskito!’
Het gezicht van het meisje klaart op, logisch, want als het op uitbeelden aankomt, sta ik mijn mannetje.

Ze wenkt me haar te volgen, dribbelt voor me uit en houdt stil bij een vak op de kop van een pad. Trots wijst ze met een weids gebaar op een verzameling schoenpoetsmiddelen. Moet ik toch nog eens goed oefenen op dat uitbeelden van me…

UB

Zo, dus dit is Ulaanbaatar, de hoofdstad van Mongolië.
Het land heeft 3 miljoen inwoners, 1 miljoen daarvan (soms oplopend tot 1,4 miljoen) woont in deze hoofdstad. En dat merk je. Oorspronkelijk gebouwd om 200.000 inwoners te huisvesten, kraakt Ulaanbaatar in al zijn voegen.

Dat ervoer ik gisteren al toen ik na mijn registratie en visumverlenging vanaf het Immigration Office naar het overlander compound Oasis reed. Wat een overweldigend gekkenhuis, met vier, vijf rijen langzaam vooruitkruipende auto’s, gillende ambulances en politiewagens, veel, heel veel getoeter om me heen, snerpende fluitjes van politieagenten en links en rechts van me invoegende auto’s. Als ik me niet had aangepast en net zo assertief was gaan rijden als al die andere Ulaanbatarezen (?), had ik nu nog in dat verkeersinfarct gestaan.

Dus (…) pak ik vandaag de bus om me naar het centrum te brengen. Je hebt eigenlijk een soort OV-kaart nodig, maar -had de beheerster van de camping gezegd- als toerist kun je gewoon aan de chauffeur betalen. Dat kost duizend tugrik. Ik stap maar gewoon in en laat me door de achter me duwende medereizigers langs de chauffeur duwen. Weet ik veel? Snap ik toch allemaal niet als domme buitenlander? Overigens vertelde een aardige Mongool me op de terugreis in de bus, dat een los kaartje 300 tugrik kost…

En wat had ik op papier een mooi plannetje gemaakt voor dit dagje-Ulaanbaatar. Eerst natuurlijk naar hét plein van de stad: Sükhbaatar, officieel Chinggis Khaan Square. Dan een bezoek aan het Zanabazar Museum of Fine Arts, met een schitterende verzameling beelden, maskers, wandkleden en muziekinstrumenten. Vervolgens naar de grootste markt van de stad, de Narantuul Market en afsluitend naar de winkelwijk Khoroolol.

Maar als ik na mijn museumbezoek de weg vraag naar die markt, wordt me uit de informatie die ik krijg duidelijk dat ik me een soort Beverwijkse Zwarte Markt moet voorstellen. En als ik ook nog te horen krijg, dat die markt een behoorlijk eind uit de buurt is, ben ik eigenlijk al geweest. En die winkelwijk? Hmm.

Oh ja, er is hier ook nog een Beatle Square. Nou, daar wil ik dan nog wel even naar toe, al was het alleen maar om een foto te maken.*)

Ik laat mijn verdere plannen voor wat ze zijn, slenter gewoon nog lekker wat door de stad. Inhaleer de sfeer, die eerder westers dan Aziatisch is. Eet in een van de vele restaurantjes een bord ondefinieerbare vleesballen met noedels. Praat met mensen. Absorbeer de stad. Plannen zijn er om bijgesteld te worden en hier geniet ik met volle teugen van.

*)  Niks van waar hoor: gewoon dat fotootje van internet geplukt. Ja, ik ga me daar een beetje voor zijn monument de halve stad afsjouwen…
Inconsequent wel, want op een eerdere reis ging ik zelfs met een Beatle op de foto.
Kijk maar: Cuba > John Lennon

OVERNACHTING #67 + #68

Stadsprobleem

Vandaag is er in het gedeelte van Ulaanbaatar, waar ik overnacht, geen elektriciteit tussen elf uur ’s morgens en vijf uur ’s middags. Vanwege onderhoudswerkzaamheden, wordt me uitgelegd, die alleen in de zomer kunnen plaatsvinden omdat het hier ’s winters te hard vriest.
Wereldstad…

CK

Voor ons westerlingen is Chinggis Khaan, Dzjengiz Khan zo je wilt, de wrede, angstaanjagende Mongoolse strijder die in de 13e eeuw de Mongoolse stammen verenigde en de grondlegger was van het grootste imperium in de wereldgeschiedenis. Dat strekte zich uit van Estland in het westen, via Iran en Rusland tot het zuidoosten van China. Dat ging niet zonder slag of stoot (of juist wel), want de wreedheden en vernietigingen in de veroverde gebieden kostten veertig miljoen mensen het leven.

In Mongolië is deze Chinggis Khaan echter een nationale held van de eerste orde en het symbool van de Mongoolse cultuur. Er is een groot aantal monumenten en instellingen ter nagedachtenis aan Chinggis Khaan, de luchthaven bij Ulaanbaatar heet Chinggis Khaan International Airport, studeren doe je aan de Chinggis Khaan University en je kunt een kamer boeken in het Chinggis Khaan Hotel.

Maar het grootste en meest indrukwekkende voorbeeld van deze persoonsverheerlijking staat zo’n vijftig kilometer ten oosten van de hoofdstad op de plek waar Chinggis Khaan volgens de legende een gouden zweep vond. Prominent aanwezig in het landschap staat daar sinds 2008 het grootste ruiterstandbeeld ter wereld van roestvrij staal. Niet te missen, want maar liefst veertig meter hoog en een gewicht van 250 ton. Het beeld staat bovenop het bezoekerscentrum, waarin onder andere een reusachtige Mongoolse laars staat, uiteraard de grootste ter wereld.

Hoe ik ook denk over dit soort massa-slagers (denk Hitler, denk Stalin en nog wel een paar meer), als je door Mongolië rijdt, kun je -bijna letterlijk- niet om dit monument heen. Dus beklim ik de tien meter hoge trappen, dus bekijk ik de tentoonstelling, dus ga ik met de lift naar de kont van het paard en klauter de resterende trappen op naar het paardenhoofd, waar ik op het platform een foto laat maken. Net als iedere andere bezoeker hier. En dus eet ik in het restaurant op de tweede verdieping het historische, traditionele Mongoolse gerecht van aardappelen, wortelen en uien met rund- en paardenvlees en schapenhart.

Trouwens: vertrekkend uit Ulaanbaatar op weg naar het standbeeld, merk ik al snel dat ik op de goede route zit. Stuiter ik de eerste kilometers de stad nog uit, de laatste twintig kilometer tot aan het monument rijd ik over een schitterende asfaltweg. Nog niet eerder op zo’n goede weg gereden sinds ik in Mongolië ben. Maar ja, wat wil je? Op weg naar Chinggis Khaan

OVERNACHTING #69

A19

Stel je de A19 voor in Nederland. Bestaat die eigenlijk wel? Weet ik niet. Nou goed: stel je een A-weg-met-een-nummer voor in Nederland. Heb je een beeld?

Stel je dan nu de A19 voor in Oost-Mongolië.
Geen idee?
Misschien helpt de foto hiernaast?
Inderdaad, dat is ‘m: de A19, die zich over honderden kilometers uitstrekt door het dunst bevolkte gebied van Mongolië.
Door het desolate, nauwelijks begroeide, dorre landschap, waar koeien, schapen, geiten en paarden op zoek zijn naar wat schaarse grassprieten. Waar het eentonige, maar ronduit schitterende landschap regelmatig wordt onderbroken door een afgelegen ger, waarin de (zomer)nomaden verblijven. Waar kadavers langs de weg liggen, maar ook en vooral veel petflessen, drankflessen, jerrycans van motorolie en meer los afval.
Wat is het er mooi. Wat is het uitgestorven. Zo stelde ik me thuis tijdens de voorbereidingen dit deel van Mongolië voor. De werkelijkheid is nog imposanter.

En dan -als uit het niet- doemt er zomaar een dorp op. Berkh ligt hemelsbreed op zo’n goeie 150 kilometer van de Russische grens. Komt er daarom een soldaat haastig naar m’n bussie gesneld als ik tijdens mijn ‘rondje dorp’ even stop bij een groot gebouw? In vergelijking met de overige bebouwing is het opvallend goed onderhouden. Ik sta op de parkeerplaats van een kazerne, maakt de soldaat me duidelijk en hij gebaart me weg te wezen.

En dan blijkt er in dat drie-keer-niks-dorpje ook nog een zes-keer-niks-pompstationnetje te zijn, waar het eigenaarskoppel (?) binnen de kortste keren in m’n bussie staat om alles te bewonderen en waar ik -onvoorstelbaar- gewoon met m’n visacard kan betalen.

OVERNACHTING #70

Naar huis!

Als ik aan het eind van de dag de wegenkaart en mijn laptop erbij pak om te zien waar ik vandaag precies ben beland, kom ik er achter, dat ik het meest oostelijke punt van mijn Euraziëtrip heb bereikt.

Ik overnacht hier -bijna 16.000 kilometer van huis- op 48 04.604 noorderbreedte en 111 33.092 oosterlengte, hemelsbreed 147 kilometer vanaf de grens met Rusland en 300 vanaf die met China. Oostelijker ga ik niet. Met wat fantasie zou je dus kunnen zeggen, dat ik na deze overnachting aan de terugweg begin. Na precies tien weken onderweg te zijn geweest, is dit mijn ‘keerpunt’. Naar huis dus!

Maar eh… voor de goede orde: we gaan nog niet naar huis, nog lange niet, nog lange niet!

OVERNACHTING #71

Vroeg slokje?

Ik overnacht off road in the middle of nowhere in het verlaten Oost-Mongolië, een paar honderd meter van de A19 af. Het is nog geen half acht in de morgen. Samen met de campervrinden sta ik buiten van het vroege zonnetje en de stilte om ons heen te genieten.

Er nadert een vrachtwagen op de A19. Ter hoogte van onze overnachtingsplek stopt hij. We vragen ons af waarom. Dat wordt snel duidelijk: de chauffeur stapt uit en loopt in onze richting.
Hij begroet ons hartelijk, we schudden handen en hij kletst honderduit. In het Mongools. Wij kletsen terug. In het Engels. We hadden net zo goed Nederlands kunnen praten, want hij verstaat ons toch niet. En wij hem niet, maar we begrijpen uit zijn gebaren, dat hij ons zag staan en dat hij ons een slokje komt aanbieden. We hadden al gezien, dat hij een halfvolle, anderhalve literfles-van-ooit-frisdrank bij zich had. Hadden gedacht dat hij om water kwam vragen, maar hij draait de dop los en houdt de fles uitnodigend in onze richting. We ruiken voorzichtig. Da’s beslist geen water (eau de cologne merkt Anne Marie op) en we slaan zijn aanbod dan ook vriendelijk, maar beslist af. Half acht en dan al aan de drank? We maken gebaren dat we nog moeten rijden. Die logica ontgaat hem…

Ontzanden

We hebben besloten het desolate, schitterende Oost-Mongolië verder voor gezien te houden en terug te keren naar het asfalt -hoe slecht dan ook- van de bewoonde wereld. Mijn plan is om dat solo te doen en we spreken af elkaar over een dag of wat weer te treffen op een van de volgende waypoints.

Ik ben -zoals alle dagen- vroeg uit de veren, neem tijdelijk afscheid van mijn campervrinden en stuif weg. Stuif weg inderdaad. Enerzijds omdat mijn rijsnelheid beduidend hoger ligt dan die van vrind Harrie, anderzijds omdat de door en door droge onverharde ‘wegen’ hier een enorme wolk van stof en zand achter me doen opwaaien.

Eenmaal ‘op asfalt’ lunch ik eerst ‘buiten de deur’, daarbij geholpen door (alweer) an English teacher, die me helpt met de Mongoolse menukaart en me uitnodigt de maaltijd samen met haar en haar zoon te gebruiken.

Niet lang daarna stop ik voor de nacht. Nu had ik tijdens het rijden al gezien, dat mijn dashboard behoorlijk stoffig was (de displays van de radio en Claire-mijn-Garminnetje waren nauwelijks nog leesbaar), maar eenmaal gestopt, blijkt mijn hele interieur dik onder het roodachtige stuifstofzand te zitten. En niet zo’n beetje! Door alle kieren en gaten heeft dat zand tot in de kleinste hoekjes en gaatjes bezit genomen van het interieur. Ik moet mijn dekbed uitkloppen. Zelfs het kussen onder het dekbed heeft een roodbruinig laagje stof. En alle kastjes en laatjes zitten van binnen onder het zand (en dus ook alle spulletjes die er in liggen). De kratten en materialen onder het bed: idem dito.

Anderhalf uur ben ik in de weer om m’n bussie zoveel mogelijk te ontzanden en weer een beetje toonbaar te maken. Dat gaat straks thuis nog een hele klus worden. Enne… waar heb ik ook alweer afgesproken mijn campervrinden weer te treffen? In Ikh Gazriin Chuluu toch? En dat ligt waar? In de Gobi woestijn. Juist ja.

OVERNACHTING #72

Huishoudboekje

Het is tijd voor koffie, dus ik stop bij een onooglijk klein gebouwtje langs de weg. De ‘gelagkamer’ is leeg. Ik loop naar de bar en wacht of er iemand komt. Ik loop naar de opening in de muur, waarachter ik de keuken vermoed. Niemand. Wel ligt er een vormeloze hoop dekens op een bank in de hoek. Ik roep ‘hallo’. De berg dekens beweegt en er komt een man onder vandaan. Mompelend gaat hij me voor naar de bar. Als ik hem duidelijk maak koffie te willen, legt hij een zakje instant coffee op de toonbank en kijkt me vragend aan. Als ik bevestig, dat dit inderdaad de bedoeling is, stapt hij naar buiten, geeft een schreeuw naar de naast het café staande ger, komt weer naar binnen en beduidt me even geduld te hebben.

Niet veel later dribbelt een (zijn?) vrouw haastig de keuken binnen, haar hagelwitte schort van achter nog strikkend. Ze maakt een kop mierzoete koffie met melk en zet die op de bar. De berg dekens pakt zijn sigaretten en wenkt me mee naar buiten te gaan. Daar wordt hem vanuit het keukenraam een klapstoeltje aangereikt met stoffen bekleding. Die bekleding is nog vele malen viezer dan de spijkerbroek die ik nu al twee weken aanheb, maar als de man zelf op een steen gaat zitten en mij aanbiedt in dat gare stoeltje te gaan zitten, wie ben ik dan om te weigeren?
Hij biedt me een sigaret aan en rokend zitten we in  het zonnetje wat te kletsen. Nou ja, kletsen: om beurten tekenen we met een stokje in het zand om elkaar duidelijk te maken wat we bedoelen. Als sigaret en koffie op zijn, geef ik hem een hand en vertrek weer.

Dat treetje van mij zit alweer een poosje muurvast. Ik verlaat de weg en stop in het bij iedereen bekende Bagakhangai bij een gammele loods, waar wat autospullen buiten liggen. Als ik de monteur het treetje laat zien en demonstreer dat het geen centimeter meer voor- of achteruit kan, knikt hij begrijpend. Hij haalt van binnen het luchtpistool en begint de kleine steentjes en het stof tussen de kieren van het treetje weg te blazen. Het heeft geen resultaat. Hij wisselt het luchtpistool om voor de hogedrukspuit, maar ook met water blijft het treetje muurvast zitten. Zijn collega komt erbij, gaat op de grond liggen en kijkt eens goed naar de onderkant. Zonder iets te zeggen, stapt hij de ‘garage’ in en komt terug met een breekijzer (…). Hij wrikt een paar keer onder het treetje en beduidt me dan te proberen of het werkt. En dat doet het! Hij raapt een stevige steen van de grond en ‘legt me uit’ dat zo’n stuk steen de oorzaak was. Zelf zou het nooit bij me zijn opgekomen een breekijzer tussen zo’n aluminium trapje te zetten, maar dat zien we thuis dan wel weer.

De hogedrukspuit ligt nog naast m’n bussie en op mijn verzoek wordt meteen maar even mijn hele huis-op-wielen ontdaan van de modder en het Oost-Mongoolse zand. Bij een eventuele volgende autowasbeurt moet ik er trouwens wel aan denken, dat ik ze tegenhoud om m’n bussie droog te wrijven. Of ze moeten die doek regelmatig uitspoelen. Dat gebeurt hier dus duidelijk niet. Het ziet er fraai uit hoor als ik wegrijd, maar bij een volgende stop zit m’n bussie vol met ‘afdroog-zandvegen’.

Het loopt inmiddels tegen twaalven. Als ik de monteur vraag of er ook een restaurant is in Bagakhangai biedt hij aan me de weg te wijzen. Hij stapt bij me in de bus en laat me driehonderd meter (…) verderop bij een gebouwtje stoppen. Overdreven misschien, maar ik ben wel blij met zijn hulp, want zelf zou ik het pandje niet als restaurant herkend hebben. We moeten door een hek, een buitentrap op en eenmaal binnen rechtsaf een steile trap af. Dan staan we in een soort kantine met meer dan sober Sovjet-design. De monteur wijst op mij, legt uit dat ik kom eten, geeft me een hand en wandelt terug naar zijn loods.
Met mijn beeldwoordenboekje, maar nog veel meer met handen- en voetenwerk stel ik een warme maaltijd samen. En wat zijn ze vriendelijk en behulpzaam die twee vrouwen in de open keuken, waar allerlei potten en pannen op diverse aftandse gasfornuizen staan te pruttelen. Ze laten me van alles zien, laten me hapjes proeven en gaan zelfs even snel een zakje koffie van buiten halen als ik om een kop koffie vraag. En laat ze nu ook nog wifi hebben! Kan ik eindelijk mijn website weer eens uploaden.
Als de twee andere gasten zijn vertrokken, komen de keukenprinsessen-op-jaren ongevraagd bij mij aan tafel zitten en kijken nieuwsgierig geïnteresseerd mee met wat ik op mijn laptop aan het doen ben. Ze herkennen Facebook en kijken gezellig mee. Heel even moet ik denken aan de privacy-line in Nederland, maar ja: this is Mongolia, man…

Mensen die mij een beetje kennen, weten hoe zorgvuldig ik met mijn geld omga. Zo ook in de vakantie, waar ik al mijn uitgaven keurig bijhoud in een soort huishoudboekje. Weet ik altijd waar ik aan toe ben. Dat geloof je niet? Hier dan als bewijs mijn huishoudboekje van vandaag:

tugrik euro
koffie 500 0,18
reparatie treetje 20.000 7,–
auto wassen 30.000 10,50
lunch 10.000 3,50
totaal 65.000 21,18

 

Voor de deur

De buurtschap is zo klein, dat het op de wegenkaart en de computer niet eens een naam heeft. Een kilometertje of tien voor de grotere stad Bayantal ben ik erheen gereden en rijd er wat rond, op zoek naar een geschikte overnachtingsplek.

Op het eind loopt het buurtschapje dood op een speelterrein voor kinderen. Het laatste huis is er zo’n dertig meter vandaan. De eigenaar staat voor de deur zijn auto te wassen.
‘Hier zou ik mooi kunnen staan’, denk ik, ‘maar laat ik het voor de zekerheid even aan die man vragen.’ Hij begroet me vriendelijk en ik maak hem duidelijk dat ik bij het speelterrein wil overnachten. Of hij daar bezwaar tegen heeft? Zijn vrouw verschijnt in de deuropening. Twee kinderen kijken -half weggekropen achter haar benen- nieuwsgierig naar de vreemdeling die hier met z’n bussie is gestopt. ‘Daar bij de speelplaats?’, gebaart ze, ‘welnee. Zet je auto maar bij ons voor de deur, naast de andere auto’s!’ Ze geeft me aanwijzingen hoe ik moet draaien en dirigeert me pal naast de voordeur.

Als ik even later bezig ben mijn overnachtingsfoto te maken, verschijnt ze weer in de deuropening. Ze heeft een kop thee in haar handen en wenkt me binnen te komen. Tussen de onbeschrijflijke armoede*) door gaat ze me voor naar de keuken, waar we aan de tafel gaan zitten. Terwijl ze druk in de weer is de vele vliegen dood te meppen (en die op de grond laat liggen), zet ze ondertussen schalen met zelfgebakken koeken en andere zoetigheden op tafel. ‘Tast toe’, gebaart ze. Ik pak een forse koek van de schaal, maar krijg met geen mogelijkheid er een hapje van afgebeten. Dat doe ik ook helemaal fout, volgens de vrouw, want die koek moet ik soppen in de thee (en als ik nou ergens een hekel aan heb…). Ik sop die harde koek dus in de (mierzoete) thee en sabbel er een stukje van af. Ook de koek is mierzoet, evenals alle andere lekkernijen die op tafel staan en die ik van de vrouw natuurlijk allemaal moet proeven. Nog een wonder dat ik zo slank blijf…

Van geboortebeperking hebben ze in deze buurtschap waarschijnlijk nog nooit gehoord, want het wemelt hier van de kinderen. En die komen natuurlijk allemaal om beurten of in groepjes even buurten bij die grijsaard met zijn huis op wielen. ‘Hello, my name is  Noyan’, is het enige zinnetje Engels dat ze hebben opgepikt en hoeveel keer ik dat aan mijn schuifdeur heb gehoord, heb ik niet kunnen bijhouden.

En wie staat er ’s avonds met een grote kom soep voor mijn schuifdeur? De soppende koekenmoeder. ‘Eet vlug op, want nu is het nog warm’, gebaarzegt ze.

Als ik die afgewassen kom en lepel ga terugbrengen, moet ik vooral even binnenkomen. We ‘kletsen’ wat, ik mag foto’s maken, tot de vrouw opstaat omdat de koeien gemolken moeten worden. ‘Loop je mee?’, vraagt ze uitnodigend.

En de volgende morgen staat mijn gastvrouw alweer bij de schuifdeur van m’n bussie. ‘Kom mee’, wenkt ze. We lopen naar een kotje naast het huis, waar een allesbrander staat te snorren. Ze gooit een paar stukken droge koeienstront op het vuur, veegt haar handen een beetje af en maakt twee thermoskannen thee van de gisteren gemolken koe. Haar man komt ook naar het ‘kookhuisje’ en met z’n drieën ontbijten we daar: melkthee, soep en brood. Ik geniet van hun hartelijkheid. Jammer dat we geen woord van elkaar verstaan. Wat zou ik allemaal niet willen vragen. In plaats daarvan slurp ik (ik pas me aan) mijn thee naar binnen en eet mijn soep.

*) Is uiteraard  mijn mening, gebaseerd op onze westerse normen van armoede. Maar er staat wel een blinkende 4×4 Toyota voor de deur, goed onderhouden en zonder ook maar een schrammetje schade. In de huiskamer hangt een megagroot televisiescherm. Als ze hun eigen foto’s willen zien op mijn website, komt er een supermoderne, razendsnelle Acer laptop tevoorschijn. Hun kleding is schoon. Ze zien er goed verzorgd uit. Maar hun huis is niet westers: de muren zijn van ongevoegde kalkzandstenen, raamdorpels ontbreken, het dak is niet netjes afgewerkt. Hun tuintje en het pad naar de voordeur zien er niet uit. Alle houtwerk schreeuwt om een lik verf. Zouden wij westerlingen meteen in orde maken. Maar misschien hebben deze mensen er vrede mee. Geven ze er minder om. Moet ik mijn definitie over armoede zo langzamerhand niet eens bijstellen?

OVERNACHTING #73

Zanderig dagje

Ik stop even om mijn bril schoon te maken. Het helpt niet: het landschap voor me blijft wazig. Het duurt even voor het tot me doordringt, dat het niet mijn vuile bril is, maar de ragfijne stoffige lucht om me heen. Logisch ook, want ik heb al een paar keer links en rechts van me in de verte zandtornado’s omhoog zien draaien. En met die enorme stuifwolken achter me als ik over het weggetje (zeg maar track) stuiter, had ik beter kunnen weten.

Het zicht is beperkt: ik houd voortdurend Claire-mijn-Garminnetje scherp in de gaten om te controleren of ik nog wel de goede richting opga en tegelijkertijd heb ik al mijn aandacht nodig om in het spoor te blijven en de ergste hindernissen te ontwijken. Vooral op stukken waar ik de wind van achteren heb, is het lastig manoeuvreren omdat ik ‘ingehaald’ word door de door mezelf veroorzaakte stofwolk. Regelmatig stop ik dan even tot het stuifzand is neergedaald en ik weer kan zien hoe ik verder moet over de op sommige stukken nauwelijks zichtbare sporen van mijn voorgangers. Desondanks rijd ik een paar keer verkeerd en zoek ik off road de track weer op. Ik hoop dan maar (…) dat de ondergrond hard genoeg is en dat ik niet in het zand vastloop. Moet er niet aan denken (doe ik toch) hier te stranden. Uren rijd ik namelijk al helemaal alleen door deze verlaten streek zonder enig ander verkeer. Af en toe passeer ik op afstand een eenzame ger. De enige levende wezens om me heen zijn kuddes schapen en paarden. Het is inspannend en geconcentreerd rijden en eerlijk gezegd is deze route niet bepaald geschikt voor mijn keurige stads-Ducatootje, maar ja, ik moest toch zo nodig naar de Gobi woestijn? Niet zeuren dan en doorzetten. Maar onder deze omstandigheden is het wel een heel eind, die 120 kilometer vanaf het moment dat ik het asfalt achter me liet tot aan de eindbestemming Ikh Gazriin Chuluu.

Halverwege de route ligt het woestijndorp Bayanjargalan. Ik overweeg hier te overnachten en de resterende zestig kilometer morgen te rijden. Maar de sfeer in dat dorp bevalt me niet. Als ik stop bij een groot gebouw, waar een tiental mannen buiten op de stoep een sigaretje rookt, nemen ze nauwelijks de moeite met me in contact te komen. Ze stoten elkaar aan, wijzen op mij, maken opmerkingen tegen elkaar en moeten daar vooral heel erg om lachen. Ze ‘zeggen’ dat het grote gebouw een school is. Aan hun tronies te zien -vooroordeel ik- zou het ook een gevangenis kunnen zijn. Ik haal mijn schouders op, groet hen nog netjes, draai me om en loop terug naar m’n bussie. Een van de mannen komt me achterna en vraagt me lacherig en naar zijn vrienden omkijkend of ik toerist ben. ‘Nee hoor, beste man’, denk ik, ‘ik heb hier om drie uur een afspraak bij de tandarts, nou goed?’ Hij praat nog even door. Mijn brillenglazen beslaan bijna van de drankkegel die hij uitbraakt. Als ik vervolgens nog een rondje door het dorp rijd, raak ik dat unheimische gevoel niet kwijt. Door dus.

Het vervolg van mijn route is net zo inspannend. Hoewel ik mijn uiterste best doe zo goed mogelijk op de hoge kant van de diepe voren te rijden, schraap ik toch regelmatig met mijn onderkantje over de zanderige bodem. Ook het zicht blijft stofzanderig slecht. En ik word moe. Zit ik me boos te maken op een paar schapen, die even verderop midden op de track liggen en niet van plan lijken een poot te verzetten, blijken het bij nadering grote pollen dor gras te zijn. En wat lopen die kilometertjes tot aan mijn bestemming traag terug op Claire-mijn-Garminnetje. Eindeloos traag!

Doodmoe en versleten kom ik dan ook aan het einde van de middag bij mijn einddoel aan: het Ikh Gazriin Stone, sinds 2003 een beschermd natuurreservaat en daarom verboden er vrij te overnachten. Er wordt streng gecontroleerd en bij overtreding volgt een fikse boete. Dat zegt tenminste een Duitssprekende vrouw op het Töv Borjigin Ger Camp. De enige legale overnachtingsplek is dit kamp. Met m’n bussie mag ik het terrein niet op, want dat is verboden voor auto’s. Ik krijg nog wel met pijn en moeite toestemming om even naar de watertank te rijden, maar moet daarna voor de nacht op de naast het kamp gelegen parkeerplaats gaan staan. Dat kost 20.000 tugrik per nacht ‘en als u ook de maaltijd bij ons gebruikt, is dat 15.000 extra. Verder kunt u natuurlijk gebruik maken van onze toiletten en de douches.’

Ik vind het allemaal best, gooi mijn watertank vol, parkeer met uitzicht op de rotsformatie, fris me lekker op en maak bij de maaltijd kennis met een paar andere woestijnrijders. En wat fijn om weer eens in woorden en zinnen te kunnen communiceren: de vrouw van het gezelschap (je raadt het al) is an English teacher.

Ik kom er achter, dat ik geen bereik heb op mijn telefoon (snap je toch niet: zou je juist wél verwachten, zo midden in de woestijn…). Vervelend, omdat ik met de campervrinden afgesproken heb de coördinaten door te geven van de plek waar wij elkaar weer zouden treffen. Maar ja, aan de andere kant: hoeveel tracks leiden naar dit afgesproken eindpunt? Die zien me vast wel staan bij dit kamp. Ja toch?

En dan nog even dit: wat ben ik een paar dagen geleden in de weer geweest om het interieur van m’n bussie te ontdoen van het Oost-Mongoolse zand*). Kansloze actie. Na de rit van vandaag is het nog een graadje erger en kan ik overnieuw beginnen. En wat was ik blij dat ik eergisteren m’n bussie kon laten wassen**). Nog zo’n kansloze actie. Ik geef het op.

*) (her)lees: Ontzanden **) (her)lees: Huishoudboekje

OVERNACHTING #74 + #75

Schuddend avondeten

Ik sta helemaal alleen op mijn overnachtingsplek midden in de weidse en desolate Gobi woestijn. Correctie: helemaal alleen is relatief, want mijn medecampergenoten staan op een paar meter afstand. En midden in die verlaten woestijn? Als ik nog een krappe acht kilometer de track had gevolgd, zou ik in de plaats Bayanzag zijn geweest. Maar het bekt wel lekker: helemaal alleen midden in de desolate woestijn.

Ik zit nog rustig in de schaduw, want bloedheet in de zon, met tijdschrift, sigaar en koffie als de lucht betrekt, de zon wordt versluierd en het begint te waaien. Ik moet me haasten om alle wijd openstaande ramen te sluiten, mijn dakluiken dicht te doen en de schuifdeur een zwiep te geven voordat het opwaaiende stuifzand van m’n bussie een nog grotere zandbak maakt dan het nu al is. Mijn stoel, waarin ik net nog even -heel even- de oogjes had geloken, waait om.

Eenmaal binnen in die bloedhete bus barst de storm pas echt los. Met de wetenschap dat er op een kwartiertje rijden in Bayanzag ongetwijfeld een restaurant(je) zal zijn, open ik het kastje met noodvoorraad-van-thuis. Nog nauwelijks aangesproken in de voorbije tien weken, is dit het moment om een graai te doen. Ik ga voor het Unilever-menu: maak met de waterkoker heet water om in een kom de inhoud van een pakje Unox Good Noodles met groente (…) drie minuten te weken en zet de Unox gehaktballetjes in satésaus tegelijkertijd drie minuten in de magnetron.*)
Het heeft wel een bepaalde charme om in een in de zandstorm heen en weer schuddende bus deze ‘eenvoudige, doch voedzame maaltijd’ naar binnen te werken. Moet je meegemaakt hebben. Ik top de maaltijd af met een kuipje hexchbin uit de Mongoolse supermarkt: vruchtenyoghurt van Campina, zodat ik -16.000 kilometer van huis- de Hollandse merken trouw blijf.

Lekker avontuurlijk! Correctie: lekker behoudend (en dus eigenlijk helemaal niet bij mij passend als ik on-the-move ben). Maar ja: helemaal alleen, midden in de Gobi. Correctie…

*) Leermomentje: de omvormer geeft een waarschuwend overbelastingsignaal als ik de waterkoker en de magnetron tegelijkertijd gebruik. Moet bij een volgende zandstorm dus na elkaar.

OVERNACHTING #76

Eén letter…

Ken je de uitdrukking: Ik voel me als een ‘roepende in de woestijn’?
Verander in die uitdrukking één letter en je weet precies wat ik vanmorgen om half zeven aan het doen was, gehurkt zittend naast mijn rechtervoorwiel in de Gobi woestijn.
Bah? Vieze, oude man? Hoezo? De schapen, geiten, paarden en kamelen doen hier niet anders…

Opgelucht

Ik ontvang een appje van broer Rob. Hij heeft het verhaal over het rode zand gelezen*), en raadt me aan voor ik aan de terugreis naar Nederland begin bij een Fiat-garage langs te gaan om mijn luchtfilter en aircofilter te laten reinigen of vervangen. Nu heb ik een reserve luchtfilter bij me, dus ik beloof hem daar een dezer dagen naar te (laten) kijken.

Nou, dat luchtfilter moet maar even wachten, want als ik vanmorgen na het tanken bij de pomp wil wegrijden, begint er een alarm te piepen en meldt de boordcomputer: ‘Versnellingsbak niet beschikbaar’. Klopt: ik kan schakelen wat ik wil, maar de bak blijft in de neutrale N staan. Geluk bij een ongeluk trouwens, want een kwartiertje geleden stond ik nog in de woestijn, waar de bak gelukkig nog wel schakelde.

En dan nu dus bij die benzinepomp, waar ik weer eens geconfronteerd wordt met het onvermogen met Mongolen te praten, die alleen hun eigen taal spreken. De pomphouder snapt wel dat m’n bussie niet meer wil starten en dat wordt weliswaar bij de pomp weggeduwd, maar als hij na een telefoontje in zijn auto stapt en vertelt wat hij gaat doen, heb ik geen flauw idee van zijn bedoelingen.
Zijn vrouw haalt intussen uit het kantoor snoepjes en deelt gezellig uit. Dan begint ze te bellen en geeft haar telefoon aan mij. Ik krijg een prima Engels sprekende vrouw van het hoofdkantoor van de oliemaatschappij aan de lijn, die me uitlegt, dat de pomphouder een monteur gaat ophalen, die met een diagnosecomputer gaat proberen mijn probleem op te lossen.

Die monteur prikt zijn computertje aan m’n bussie en komt -na wat verkeerde output over merk en bouwjaar- tot de conclusie dat er een temperatuursensor kapot is. Geen probleem: die kan hij eenvoudig vervangen. Wel een probleem: die sensor moet uit Ulaan-Baatar komen…

Tot stomme verbazing van Harrie (mij zegt het allemaal niks) begint die monteur de kap van het luchtfilter te verwijderen. ‘Het probleem is de versnellingsbak hoor’, probeert Harrie nog te gooogle-translaten, ‘en niet het luchtfilter’, maar de monteur haalt het zwaar vervuilde filter er toch uit. Daar moet een nieuwe voor komen en ook die moet in UB besteld worden. Ik haal mijn reservefilter tevoorschijn, dat wordt geplaatst en ik krijg een seintje te motor te starten. En verdraaid: ik kan weer schakelen!

Snappen doe ik het allemaal niet en van zo’n boordcomputer wordt een leek als ik ook niet echt wijzer. Harrie -die toch in vergelijking met mij technisch in de eredevisie speelt- trouwens ook niet. ‘Handig hoor’, zegt-ie, ‘zo’n alarmmelding. De versnellingsbak werkt niet, dus (…) moet je het luchtfilter vervangen! Stel je voor: je hebt thuis een lekkende kraan en dat verhelp je door de deurbel te vervangen!’ Ik ben allang blij dat het probleem is opgelost, betaal de monteur een ton tugrik en rijd opgelucht de weg weer op.

*) (her)lees: Ontzanden

OVERNACHTING #77

Welkom, maar dan anders

We zijn gestopt bij een kleine oase en hebben voor de nacht geparkeerd op enige afstand van een ger. We staan nog maar net of er wordt druk naar ons gezwaaid en gewenkt dat we naar de ger moeten komen.

We schudden handen, stellen ons voor en worden uitgenodigd naar binnen te komen. Ik doe mijn schoenen uit, buk om door het lage deurtje te kunnen en krijg een plaatsje aangeboden op een plastic Blokker-krukje.
Oma pakt meteen de altijd gevulde thermoskan met hete yakmelk en schenkt drie dampende kommen vol. Eigenlijk vier kommen, want de eerste kom lobbert vol brokjes. Snel wordt een nieuwe kom gevuld. Dankbaar pak ik de kom met beide handen aan. Dat hoort: of alleen met je rechterhand, maar nog beter met beide handen. Zo ben ik ook keurig aan de linkerkant van de deur de ger binnen gestapt.

Kleinzoon spreekt minimaal Engels en we kletsen wat moeizaam, tot -als we de melk op hebben- de superaardige jongen opstaat, zonder groeten naar buiten loopt, op zijn brommer stapt en wegrijdt. Oma pakt haar telefoon en loopt daarmee al bellend naar buiten, waar zij zich van de ger verwijderd en spoedig uit het zicht is verdwenen.

We kijken elkaar aan: daar zitten we nou met zijn drietjes in een ger van wildvreemde mensen, die zomaar verdwijnen. Wat zou de bedoeling nu zijn? We weten het niet. We wachten nog een poosje en lopen dan maar terug naar onze eigen ger-op-wielen. Ik maak een mok sterke koffie, want, nou ja, yakmelk (lief hoor en reuze gastvrij om me dat aan te bieden), maar het is en blijft toch eh… anders. Net zo anders als het zonder uitleg verdwijnen van onze gastvrouw en haar kleinkind. Zal wel zo horen hier.

OVERNACHTING #78

Brandend zand

Mijn campervrinden leggen me uit dat de naam Flaming Cliffs bij Bayanzag te maken  heeft met de lichtval op de kliffen, die de kleur steeds doet veranderen. ‘Kijk dan!’, roepen ze enthousiast, ‘daarnet was die plek nog lichtbruin en nu helemaal groen en gelig!’ Het zal wel, maar deels kleurenblinde Frits kan er de schoonheid niet van ontdekken.

We zitten na een wandeling door het ronduit schitterende gebied voor onze bussies aan de rand van de klif te genieten van dit wonderschone landschap. Jammer wel, dat dit genot behoorlijk wordt getemperd door de straffe wind. Sta ik op, waait mijn stoel weg. Stap ik in m’n bussie en laat ik mijn crocks even buiten staan, liggen ze binnen een paar tellen flink wat meters verderop.

Halverwege de middag besluiten we dan ook een paar kilometer terug te rijden naar het Gobi Tour Ger Camp. Wellicht waait het daar wat minder hard, maar -minstens zo belangrijk- dat kamp heeft een restaurant, we kunnen er douchen en de watertank vullen.

Minder hard waaien? Vergeet het maar. De wind wakkert eerder aan en groeit uit tot een storm. De Gobi woestijn is mooi hoor, er zou alleen niet zoveel zand moeten liggen. Sinds een paar dagen heb ik voor de garage onder het bed een (vuile) dekbedhoes gehangen, die het stofzand op alle kratten en losse spullen wat tegen houdt. Bij aankomst in het kamp heb ik mijn vloertje geveegd, maar al na een half uurtje bulderende storm kan ik weer met het vloerverken in de weer om opnieuw te vegen. En dan heb ik alle ramen en deuren potdicht gedaan, waardoor het tropenkas-benauwd wordt in m’n bussie, maar dat fijne, roodbruine zand komt door alle kieren naar binnen. Maak ik een kop koffie, moet ik eerst mijn mok omspoelen. Mijn dekbedhoes heeft een ragfijne, roodbruine tint gekregen, de cabinestoelen doen gezellig mee met die trend en als ik mijn medicijnen inneem, knarst de Gobi tussen mijn tanden. Pak ik een schone onderbroek uit de la (…), moet ik die eerst uitkloppen. Doe ik mijn laptop open -die nota bene in een tas onder mijn dekbed ligt- kan ik eerst het toetsenbord ontzanden en terwijl ik dit schrijf moet ik de tafel tussendoor twee keer schoon vegen. Dat tot in de kleinste hoekjes en gaten doordringende zand lijkt me ook niet bevorderlijk voor mijn foto- en videocamera trouwens. En als ik mijn neus moet snuiten…, nou ja, laat maar.
Letterlijk knarsetandend geef ik de ongelijke strijd tegen het zand op. Vraag me wel serieus af hoeveel Gobi er de afgelopen week is verzameld op al die plekken in m’n bussie waar ik niet bij kan met de veger of een doekje. Hoezeer de bekleding is verzandzadigd. Dat zie ik straks thuis wel weer. Als ik me omdraai in mijn schurende bed, zie ik mezelf in gedachten al in de weer met de stofzuiger op de hoogste stand. Misschien zelfs met een compressor met een luchtpistool?

Eerlijk gezegd ben ik er wel klaar mee met dat woestijnrijden. Dat binnendringende, alles bedekkende zand maakt het oncomfortabel. Ik ben niet op reis gegaan om dagelijks te poetsen en het komt me zo langzamerhand behoorlijk de strot uit. Maar ook het rijden in dit gebied begint zijn charme te verliezen. Prachtig hoor en een unieke ervaring (nooit eerder in mijn leven moest ik even inhouden voor een stel houterig overstekende kamelen), maar ik heb het inmiddels wel gezien op die soms loszanderige tracks. Ik wil wel weer asfalt onder de wielen. De helft van de campervrinden denkt er net zo over*). Vanaf morgen dus weer richting de ‘bewoonde’ wereld. Nog fors wat woestijnkilometertjes te gaan. Nog wel een paar dagen tot het asfalt.

Ach, later blijft er een mooi verhaal over, want -laten we eerlijk zijn- op eigen wielen door de Gobi, da’s toch uniek. En niet al te veel klagen, dan had ik maar naar de Beekse Bergen moeten gaan…

*) Oplettende lezertjes kunnen wel bedenken welke helft dat is.

OVERNACHTING #79

Van A naar Beter?

Even letten we niet op, even kijken we niet op de Garmin en de tablet en we rijden verkeerd. Hebben bij een nauwelijks zichtbare splitsing van een track klaarblijkelijk de verkeerde kant gekozen. En dan rijd je dus door de Gobi, waar verkeersborden ontbreken (…) en je op gevoel de juiste richting op moet rijden. Claire-mijn-Garminnetje en Truus-van-de-buren rekenen zich constant suf, maar komen iedere keer niet verder dan de mededeling: ‘Ga naar track’. Het is moeilijk je te oriënteren in dit landschap. Alles lijkt op elkaar. Markeringspunten zijn er niet. Gaan we in de juiste richting? Rijden we rondjes? Met meer geluk dan wijsheid bereiken we rond koffietijd het dorpje Bulgar.

We tanken, doen wat minimale boodschappen in het minimale winkeltje, ik neem geld op en we gaan weer verder, op weg naar Kharkorin en het nabijgelegen Erdene Zuu Chiid, de overblijfselen van een zestiende eeuws klooster.

En weer rijden we verkeerd en als ik bovendien vast kom te zitten in het rulle zand en er uit moet worden getrokken, vinden we het welletjes. We besluiten terug te keren naar Bulgar en vanaf daar een nieuwe poging te ondernemen. Na de ochtendkoffie vertrokken we uit dat plaatsje, tegen half drie zijn we er terug: een afstand heen en weer van nog geen veertig kilometer!
We parkeren voor het restaurantje, waar we een prima maaltijd krijgen voorgeschoteld en ik voor het eerst van mijn leven kamelenvlees eet.
Tijdens de maaltijd besluiten we het voor vandaag voor gezien te houden en hier in Bulgar te overnachten. Tuttelen we vanmiddag een beetje en kunnen we ons beraden over de verdere plannen. Gaan we naar dat klooster via de ruim tweehonderd kilometer Gobi-puzzelroute of gaan we zo’n negentig kilometer terug over tracks naar het asfalt? Die laatste optie is een heel eind om, maar we kiezen er toch voor. Blij met dit besluit bestel ik een biertje, want vandaag rijd ik geen kilometer meer.

OVERNACHTING #80

.

Eigentijds

Dat beeld hè, van die stoere Mongoolse ruiter, die in zijn lange jas, hoge bontgevoerde laarzen en zo’n ronde, typisch Mongoolse hoed op zijn hoofd rondom zijn kudde paarden galoppeert, dat beeld. Nou vergeet het. Die hoedt nu de kudde, gezeten op zijn (Chinese) brommer of motor.

Politiebezoek #2

Na het avondeten komt er een politiebusje en een motor het terrein opgereden waar ik voor de nacht geparkeerd sta. ‘Ach, paspoortcontrole’, denk ik en wil al opstaan om mijn papieren te pakken. Maar niets is minder waar: oom agent en zijn motorvriendje zijn alleen maar stiknieuwsgierig naar m’n bussie en bewonderen het interieur.

En ik veins bewondering voor hun motor en heb oprechte interesse in dat politiebusje van Russische makelij. Het resultaat is, dat ik ‘tussenin’ een ritje door de omgeving maak op de motor, maar -en dat is pas stoer- dat ik een rondje mag rijden in zo’n super basic, no nonsense Russisch ‘broodje’.

Voor hun komst zat ik met een kop koffie mijn e-book lezen. Best wel saai in vergelijking met deze leuke, onverwachte onderbreking!

OVERNACHTING #81

OVERNACHTING #82

Je mag zoveel niet

Erdene Zuu Chiid wordt door velen beschouwd als het belangrijkste boeddhistische klooster van Mongolië. Toch is het maar een flauwe afspiegeling van wat het ooit geweest moet zijn, met tussen de 60 en 100 tempels, 300 gers en tot wel 1000 monniken. Maar ja, toen kwam mijnheer Stalin en werd alles vernietigd, op drie tempels na. Die staan dan ook in het middelpunt van het herbouwde klooster. Maar zoals gezegd: een afspiegeling van wat het in 1586 voorstelde.

Je mag vrij rondlopen over het gigantische terrein, omgeven door een muur met 108 stupa’s, maar je moet je wel aan de regels houden:

niet eten en drinken

niets aanraken

niet rennen

niet schreeuwen

geen camera gebruiken

je mobiel uitzetten

geen pen gebruiken

niet roken

Dat van die pen snap ik gewoon niet, de werknemers van het klooster zitten zelf met een mobieltje in de hand en het verbod om (op sommige plekken) foto’s te maken… ach…

OVERNACHTING #83 + #84

OVERNACHTING #85

Wodka-zondag

Het is zondagmiddag. Ik trek de handrem aan langs de oever van de Chuluut en kijk om me heen. Verspreid langs de rivier zitten hier en daar wat groepjes mensen. Een stukje verderop zie ik kinderen bibberend het water ingaan. Het is nog vroeg in de middag, maar dit plekje bevalt me wel om te overnachten. Bovendien is het stralend weer, niet te vergelijken met gisteren toen het -bij uitzondering- de hele dag regende, en binnen de kortste keren zit ik buiten in m’n luie stoel met koffie en sigaar.

Niet helemaal toevallig slenter ik niet veel later naar een groep mensen waar ik een vuurtje zie roken en waar ze in een slordige kring op een groot kleed zitten. Ik word begroet als een oude bekende, schud handen en word op mijn schouder geklopt. Onmiddellijk komt er een vrouw naar me toe met een fles Mongoolse wodka en een borrelglaasje. Ik zie verder geen ander glaswerk, dus hier zullen ze allemaal wel uit drinken. Geen probleem: alcohol zuivert, nietwaar, en ik sla de inhoud achterover. Er gaat een goedkeurend gemompel door de groep en mijn glaasje wordt meteen weer gevuld. Ook dat gaat ad fundum. Niet zo’n prestatie trouwens, want die Mongoolse wodka is qua sterkte niet te vergelijken met de Russische: het is net water, met op de achtergrond in de verte een wodkasmaak.

Ik moet vooral gaan zitten en krijg een schaaltje vlees-met-bot aangeboden, waarvan me ‘verteld’ wordt dat het van een schaap is. Ook de grote homp lillend vet, die ik daarna krijg, is schapenvlees. Van de bil, legt de vrouw naast me uit door een ferme klap op haar achterwerk te geven en haar ogen verlekkerend ten hemel te slaan. Het zal allemaal wel en ik laat het me smaken, terwijl het wodkaglaasje meer dan regelmatig rond gaat. Ik laat me niet onbetuigd, want rijden doe ik vandaag niet meer, m’n bussie staat vijftig meter verderop en dan: dat Mongoolse alcoholpercentage, bijna te verwaarlozen…

’s Avonds begin ik toch wel weer trek te krijgen.*) Langs de weg had ik die middag een paar restaurantjes gezien. Dat is maar een klein stukje lopen, dus daarheen ga ik op weg. Als ik bijna bij de top van de heuvel ben, kom ik langs een huis waarnaast een groep mensen een ger aan het bouwen is. Ze roepen me en wenken me naderbij te komen. Rond het dak van de ger staan drie mensen het ‘dakkleed’ strak te trekken en ik begrijp dat ze willen dat ik een handje help. Als dat klaar is, gebaar ik dat ik op weg ben naar een van de restaurantjes. Komt niks van in: ik word bijna hun huisje ingeduwd, want ‘hier kun je ook eten’.

Ik kom in een groot, kaal vertrek waar een blind paard geen kwaad kan doen. Langs de korte kant staat een bed van wand tot wand, daarvoor een tafeltje van de kringloop en langs de lange muur een kastje met een spelende televisie. In een hoek staat een langzaamwasser. Verder is de ruimte leeg. Er hangt niks aan de muur, er staan geen spulletjes-voor-de-leuk.

Het vertrek ernaast is de keuken. Wat ik wil eten, vraagt de volwassen dochter des huizes, terwijl ze uitnodigend de vrieskist opent. Als ze een voor een de vele plastic zakken met vlees omhoog tilt en bij een ervan zegt dat het yakvlees is, ben ik verkocht. Yakvlees! Dat heb ik nou nog nooit gegeten, dus: gooi maar in de wok, fruit er een uitje bij en meng het maar door de mie! En wat moet dat dan kosten, maak ik het internationale betaalgebaar. Moeder en dochter overleggen even en tonen me dan op hun mobiel het bedrag: 5000 tugrik. Nou vooruit, doe ik grootmoedig: voor Є 1,75 mag ze aan het eten beginnen…

Als ik vragend rondkijk waar ik straks mijn maaltijd kan opeten, troont moeders me mee naar het grote bed. Ik zie inderdaad geen enkele stoel, dus plof ik achter het tafeltje op dat bed neer. Op een partij houten planken moet ik zeggen met een kleed er overheen. Terwijl ik wacht tot mijn eten klaar is, vraag ik om yakthee. Of ik ook Mongoolse wodka wil. Natuurlijk wil ik dat. Een mens moet in zijn ritme blijven nietwaar?

In plaats van met een borrelglaasje komt moeders met een volwassen maatje theeglas aanzetten, tot de rand gevuld, dat ze uitnodigend voor me op tafel zet en afwachtend blijft staan tot ik een slokje neem. Met een kleine afleidingsmanoeuvre draai ik het glas -zonder dat zij het merkt- een halve slag rond, zodat de opgedroogde smurrie aan de achterkant zit. Ik neem een slok en knik goedkeurend. Waterig, wat ik al verwachtte.

Even later komt mijn eten op tafel, samen met de afstandsbediening van de televisie, zodat ik zelf kan kiezen uit de 54 kanalen. Dan gaan moeder en dochter naar buiten om verder te helpen met de bouw van de ger. Op het harde randje van het bed eet ik mijn schaaltje met smaak leeg, neem buiten bij de ger afscheid van het gezelschap en wandel terug naar m’n bussie.

Sommige campervrinden, die toevallig ook door Mongolië reizen (nee, ik noem geen namen!), gruwgriezelen als ik verslag uitbreng van mijn ‘barbecue’-belevenis en mijn avondeten. Ik ben juist niet vies van dergelijke hapjes-buiten-de-deur. Sterker nog: ik geniet met volle (waterige wodka)teugen!

*) Oplettende lezertjes begrijpen dit volkomen: er moet wel heel wat gebeuren, wil Frits eens geen trek hebben…

OVERNACHTING #86

Oost-west

Wat een tegenstelling, dit westelijke deel van Mongolië met het oosten.
Kenmerkte Oost-Mongolië zich door een onbarmhartige, keiharde leegheid en kaalheid met nauwelijks vegetatie, hier in het westen is het bijna het tegenovergestelde. Schitterende landschappen, hier en daar sneeuw op de bergtoppen, groene, grazige weiden en prachtige vergezichten. Het doet me af en toe aan Oostenrijk denken. Lieflijk is misschien het woord dat het best bij dit deel van Mongolië past. Ik geniet dan ook volop, mede door de goede asfaltwegen en het feit dat m’n bussie niet verzandt en ik niet vastloop.

Gastvrij

Lees en hoor je toch altijd dat die bewoners van zo’n ger zo hartelijk en gastvrij zijn? Klopt helemaal!

Ik speur de omgeving af voor een plekje voor de nacht en zie rechts van de A0602 een zestal gers staan. Ik hobbel erheen. De bewoners zijn net de geiten aan het melken, die bijeengedreven zijn in een omheining. Ik stop, maak duidelijk dat ik hier zou willen overnachten en vraag hun toestemming. Die krijg ik, sterker nog: ik word uitgenodigd over het hek te klimmen en mee te helpen met melken. Ik weiger beleefd. Twee jongens te paard bieden me een ritje aan. Ik weiger nog beleefder. Een van de oudere vrouwen die niet meehelpt met melken wijst uitnodigend naar haar ger en wenkt me mee te komen.
Kijk, en die uitnodiging neem ik dan weer graag aan, want eenmaal binnen, gezeten op zo’n ongemakkelijk, laag houten krukje, krijg ik meteen een kom warme yakmelk. En ze presenteert er harde knabbelkoeken bij. Ook zet ze een soort bakplaat op de grond voor me neer, gevuld met gelige, grote en kleine kruimels (gestremde melk?). Haar man (?) die bij binnenkomst lag te slapen, legt uit wat het is. Dat doet-ie in het Mongools, dus begrijpen doe ik het niet. Ter ondersteuning van zijn verhaal, graait-ie met zijn vuile handen met rouwrandnagels door de kruimels. Zijn kleindochter, die zojuist nog een geit zat te melken, graait gezellig mee. Ik heb niet gezien dat ze na het melken haar handen waste. ‘Neem gerust’, gebaart de rouwrand, ‘het is lekker hoor!’

Inmiddels zijn de anderen klaar met melken en eigenlijk ben ik ook wel klaar met oma en opa Gers. Met name opa wordt steeds handtastelijker en ik vind het onaangenaam worden als-ie met zijn drankkegel steeds dichterbij me komt staan. Als hij ook nog vertelt, dat hij vroeger worstelaar is geweest en met mij een partijtje wil ‘stoeien’, vind ik het tijd om op te staan en naar m’n bussie te gaan.

Dat gaat niet een-twee-drie, want bij nog twee andere gers word ik in het voorbijlopen binnen gevraagd. En weer drink ik yakmelk. En weer knabbel ik harde koeken. En natuurlijk komt de hele goegemeenschap later die middag naar de bussies kijken. En allemaal naar binnen. En allemaal vol verbazing en bewondering rondkijken. Vooral de vele kinderen zijn niet bij mijn rijdende ger weg te slaan. Na een uurtje doorlopend bezoek doe ik mijn schuifdeur maar dicht. In tegenstelling tot ‘de’ Mongolen heb ik op een gegeven moment mijn (oer-Hollandse) grens van gastvrijheid bereikt.

OVERNACHTING #87 t/m #89

Naadam

Ik had haar al gezien, speurend naar m’n bussie of ik al op was, Shinebayar, de vriendelijke jonge vrouw, die met haar anderhalf woordje Engels zo’n beetje mijn gids was geworden in het gerkamp. Het is nog voor zevenen als ze mijn schuifdeur opent. Ik ben gewassen, aangekleed en heb mijn ontbijt al achter de kiezen. ‘Come‘, zegt ze met haar ontwapenende, enigszins verlegen glimlach, ‘Come. My home. Mongolian coffee‘.

Als ik haar ger binnenstap, ligt haar man daar nog met zijn kleren aan in diepe slaap op de grond, samen met een peutermeisje, dat haar slaperige hoofdje opricht en half vanonder de deken mij nieuwsgierig bekijkt, terwijl ik plaats neem op het mij aangeboden lage, houten krukje. De Mongolian coffee blijkt warme yakmelk te zijn en natuurlijk wordt er ook een schaal met harde ‘koekjes’ en een klont boter voor me neergezet. Er druppelen gaandeweg nog vier vrouwen de ger binnen, die gezellig in de kring rond de kachel gaan zitten en belangstellend toekijken hoe ik van mijn yakmelk drink: altijd aanpakken, had ik geleerd, en nooit neerzetten om af te laten koelen, maar meteen een slokje slurpen.
Het peutertje is inmiddels onder de deken uitgekropen en krijgt een tuimelbeker melk. Vader gromt wat in zijn slaap, trekt de deken verder over zich heen en draait zich om.

‘Als je nou nog een nachtje hier bij ons blijft slapen in je machina‘, zegt Shinebayar, ‘kun je morgen bij ons het naadamfeest meemaken.’ De andere vrouwen in de kring knikken enthousiast. Mijn ‘gids’ maakt paardrijgebaren, doet een worstelaar na en wijst naar buiten. ‘Hier? Bij jullie? Naadam?’, vraag ik voor de zekerheid.

Natuurlijk had ik bij mijn voorbereidingen over dit Naadam gelezen, het twee tot drie dagen durende jaarlijkse festival met paardenraces, worstelwedstrijden en boogschieten. Het meest spectaculaire feest wordt gehouden in de hoofdstad Ulaanbaatar en bezocht door duizenden toeristen. Maar -had ik ook gelezen- wil je minder toeristisch, minder commercieel, maar vooral authentieker, bezoek dan een van de vele feesten in the countrysite. Wat mij nu niet duidelijk is, heeft te maken met de datum: in reisgidsen wordt vermeld, dat Naadam officieel van start gaat op de elfde juli, maar morgen is het pas 27 juni. Shinebayar is echter zeer beslist: ‘Sleep. Tomorrow. Naadam‘. De kring vrouwen knikt bevestigend en klapt enthousiast in de handen. Niet te geloven eigenlijk: beland ik zonder plan hier toevallig voor een overnachting bij een gerkamp, wordt dit me in de schoot geworpen!

‘Natuurlijk blijf ik nog een extra nachtje bij jullie om morgen het feest mee te maken’, zeg ik. Shinebayar staat op om mijn mok nog eens te vullen met yakmelk. ‘Drink. Eat‘, zegt ze.

Ach, en wat is het die volgende dag een lief, klein Naadammetje, om beurten georganiseerd door de ‘gerfamilies’ uit deze omgeving. Er is inderdaad een paardenrace met kinderjockeys, er is worstelen en je kunt schieten op een roos als bij ons op de kermis. Er staat een feesttent, een vrachtwagentje van waaruit ze snoep en ijs verkopen en in een ger worden de traditioneel bij Naadam horende khuushuurs gebakken (deegflapjes gevuld met schapenvlees). Kleinschaliger kan het niet. Een dorpsfeest. Maar wat is het gezellig en wat zijn alle mensen aardig. En wat lopen de programma-onderdelen heerlijk uit (ook zo dorps).

Brandweerwater

Het is niet echt eenvoudig in Mongolië drinkwater te tanken. Kon ik op eerdere reizen over het algemeen goed terecht bij brandstofstations, restaurants of particulieren, hier ligt dat een stuk lastiger. Buitenkranen zijn dun gezaaid. Veel mensen hebben niet eens waterleiding en lopen te zeulen met een karretje met jerrycans. Maar waar kun je beter terecht om je watertank te vullen dan bij de brandweer?

Dus als we in Ulastay een brandweerkazerne zien, prikken we onze twee busjes pal naast zo’n grote rooie bluswagen. Gelukkig spreekt een van de brandweerlieden een paar woordjes Engels en is hij best bereid onze tanks te vullen. Een collega kruipt bovenop de bluswagen, een ander komt met een slang en een dompelpomp aanlopen en ze beduiden ons de dop van onze tankinlaat te halen. Voor de zekerheid vragen we maar even of het drinkwater is, dat uit de bluswagen geheveld gaat worden. Het blijkt rivierwater te zijn, maar ‘prima te drinken hoor!’ Dat hebben we toch liever niet en we vragen om water uit de kraan (weten we veel wat voor water we bij voorgaande gelegenheden allemaal hebben getankt…).

Voor die kraanaansluiting moeten we aan de achterkant van de kazerne zijn. Daar is de keuken en via het raam kan mijn slang naar binnen. Jammer genoeg zit dat raam op slot, maar geen probleem, beweren de brandweerlieden en soldaten wier aantal nieuwsgierigen inmiddels is opgelopen tot een groep van een man of tien, vijftien, geen probleem. Even geduld en het raam zal worden opengemaakt. Dat ‘even geduld’ duurt behoorlijk lang. Ondertussen bekijkt de groep mannen in alle rust de binnen- en buitenkant van de twee campers. Ook de ‘kolonel’ met zijn Mao-kapsel komt even een kijkje nemen.

En als dan eindelijk het raam open kan, blijkt geen van mijn koppelingen op de keukenkraan te passen. De slang moet tegen de uitloop worden geduwd, de kraan kan daardoor niet voluit open, wat resulteert in een pisstraaltje water dat mijn tank inloopt. Dat duurt dus even voordat ik honderd liter water heb ingenomen. Als ook de tank van de campervrinden is gevuld, kunnen we vertrekken.

We schudden iedereen dankbaar de hand en rijden het parkeerterrein van de brandweer af, anderhalf uur (!) nadat we datzelfde parkeerterrein opdraaiden. Maar we hebben weer volop water!

Waarheen leidt de weg?

Op de wegenkaart staat de hoofdweg van Ulastay naar Altaj met rood ingetekend. Andere wegen tussen die twee plaatsen zijn geel of wit. Daar beginnen we niet aan, want we zijn in de Zuidelijke Gobi van West-Mongolië en moeten er niet aan denken tracks te rijden met die stads-Ducatootjes. Dat hebben we eerder en vaker gedaan. Nee hoor, we volgen lekker de A1103.

Lekker? Ja, tot zo’n vijf kilometer buiten Ulastay. Daar houdt het asfalt op en hobbelen we weer over onverharde wegen, waar we venijnige kuilen, hellingen en gemeen puntige keien zoveel mogelijk proberen te ontwijken. Als het enigszins beter wordt en je denkt wat gas te kunnen geven, zit je vaak op een ‘wasbordweg’ met van die irritante kleine ribbeltjes die m’n bussie alle kanten op doen rammelen. Soms ploeg ik door los woestijnzand en moet een stevig dotje gas geven om niet vast te lopen. Ach, het is maar zo’n krappe tweehonderd kilometer naar Altaj en misschien heb ik geluk en zit er een aantal kilometers asfalt tussen, net als gisteren. Kilometers maken is er niet bij op deze paden, die de Mongolen zelf een weg blijven noemen. We zijn vandaag om half tien vertrokken*), zijn twee keer kort gestopt voor koffie en lunch en trekken rond drie uur de handrem aan op de overnachtingsplek. Een wonderschone rit weer en een unieke belevenis, zo helemaal alleen midden in de woestijn te overnachten, maar de dagteller geeft 67 afgelegde kilometers aan…

En alles wat ik vroeger op school over woestijnen heb geleerd en later aan mijn leerlingen heb verteld, klopt helemaal. Het is heet, zinderend heet. Alle ramen dicht en de airco op de hoogste stand. Niet alleen vanwege de temperatuur heb ik die ramen dicht, ook vanwege het stuifzand. Maar heel zelden komt me een tegenligger tegemoet en door het opstuivende stof en zand zie ik dan honderden meters nauwelijks iets van de ‘weg’. En ook het cliché van een fata morgana onderga ik. Neem ik een bocht, zie ik even verderop een grote, witte parasol staan. Daaronder -ik kan het nauwelijks geloven- een bakbeest van een koelkist!

En midden in die onafzienbare eenzaamheid en leegte is er dan een brug kapot, maar word je gelukkig omgeleid door een paar verkeersborden (…). Of er staat bij een splitsing van paden zomaar een heus verkeersbord. Jammer dan weer dat Altaj er niet op staat. Dus volg ik Claire-mijn-Garminnetje maar braaf, die me trouwens (bijna) feilloos door dit gebied loodst. Of er is een brug over een van de weinige rivieren, zo gammel, dat we er niet met twee busjes tegelijk overheen durven. Of er is helemaal geen brug en moet je door de rivierbedding heen. Hoe diep zou het zijn? Wat ligt er op de bodem?

Uniek, een ander woord kan ik er niet voor bedenken, deze schitterende tocht door dit landschap. Ik geniet dan ook volop. Een once in a lifetime experience. Aan de andere kant: ik heb het nu wel meegemaakt, heb het wel gezien. Wil wel weer asfalt onder de wielen. Desnoods met putten en gaten. Kilometers maken. Ach, morgen nog maar 130 kilometer te gaan naar Altaj over die rode A1103

OVERNACHTING #92

Asfaltweelde

De 04 Southern Road loopt van Altaj naar Khovd, een afstand van vierhonderd kilometer en is helemaal geasfalteerd. Sterker nog: de eerste tweehonderd kilometer is het wegdek hageltjenieuw. Geen kuil, geen scheur te bekennen. Praktisch kaarsrecht snijdt die weg door het weidse, verlaten landschap met links en rechts onafzienbare, nauwelijks begroeide steppe met in de verte in nevelen gehulde bergketens. Er is op dat eerste stuk geen bebouwing, geen stad of dorp, zelfs geen ger, alleen een piepkleine nederzetting. En één parkeerplaats, één splinternieuwe picknickplaats (nog zonder voorzieningen), één ingestorte brug en twee zebrapaden (die dus domweg de steppe links en rechts verbinden en nergens toe leiden).
Maar het is asfalt. As-falt! Dat had ik wel verdiend na dagen over tracks door de woestijn hobbelen. Na dagen achtereen veel uren maken en weinig kilometers afleggen. Asfalt! Vierhonderd kilometer ongestoord asfalt. M’n bussie snort er met een stevig vaartje overheen. Niks rammelt. Niks valt op de vloer. Pure weelde. Kan het zijn dat m’n bussie net zo geniet als ik nu zij weer eens in de zesde versnelling kan rijden?

Hoezeer ik ook geniet, tegelijkertijd vraag ik me af met welke reden deze weg is aangelegd. Niet vanwege het drukke verkeer dat er gebruik van kan maken. Hoeveel auto’s heb ik gezien op die eerste tweehonderd kilometer? Als het er een stuk of twaalf zijn geweest, is dat veel. Je hoort mij niet klagen hoor, verre van dat, maar ik begrijp ook wel waarom veel ‘wegen’ in Mongolië nog onverharde paden zijn.

OVERNACHTING #93

OVERNACHTING #94

Khovd: Gandan Puntsag Choilon Khid

Van het padje #1

Zo gerieflijk als gisteren de asfaltweelde, zo woestijnerig zijn vandaag de ruim tweehonderd kilometer van Khovd naar Ulaangom. En hoe goed we Claire-mijn-Garminnetje en Truus-van-de-buren ook in de gaten houden, plotseling -vraag niet hoe het kan- zijn we van de route af. Op het schermpje ligt de A1701 een behoorlijk eindje links van de track waarop we rijden en dat pad wijkt steeds meer van de route af.

We besluiten off road de juiste weg weer op te zoeken. Puur op de schermafbeelding rijden we dwars over in de richting van de A1701. Ik rijd iets rechtstreekser dan de campervrinden en dat zal me bezuren. Op een paar honderd meter van de weg verwijderd, loop ik vast en draaien mijn wielen binnen de kortste keren vier kuilen in het losse zand. Shit! In het zicht van de haven…
Er hangt een dreigende onweersbui boven de woestijn en ik wil de campervrinden op de hoogte brengen van mijn ongemak. Ze zijn kennelijk net iets te ver van mij verwijderd, want de Motorola heeft geen bereik. Dan maar via de telefoon. Jammer, geen netwerk.

Terwijl de lucht boven me steeds donkerder wordt, level ik de voorwielen vrij van het zand met mijn hydrauliek en vul de gaten op met stenen. Ik schuif de rijplaten onder de wielen, laat m’n bussie weer zakken, geef gas en… kom geen centimeter vooruit.
Dat herhaal ik een paar keer, maar steeds met hetzelfde resultaat. Mooi is dat! Daar sta ik dan, midden in de woestijn, van Buddha en iedereen verlaten en zonder bereik. Als de eerste dikke regendruppels naar beneden komen, laat ik de boel de boel. Dan niet. Overnacht ik hier gewoon. Morgen weer een dag. Jammer wel dat ik zo scheef sta, want dat slaapt straks wat minder comfortabel, maar ja, als dat het ergste is…

Ik heb net een kop koffie gemaakt en een verse sigaar opgestoken, als bovenaan de heuvel het bussie van de campervrinden verschijnt. Of, zoals Anne Marie het zo vrolijk meldt: ‘Hier zijn je redders in nood om je los te slepen.’ Van slepen is echter geen sprake, want Harrie is bang zelf ook vast te lopen, dus -het is inmiddels droog geworden- gaat m’n bussie weer een paar keer omhoog, vullen we even zovele keren de gaten met stenen en… komen we geen decimeter voor of achteruit.

Als we nog een keer de voorwielen hydraulisch willen opkrikken, gebeurt er iets geks: de vier stempels komen keurig naar beneden en binnen de kortste keren staat m’n bussie met vier wielen volledig vrij van de grond. Geen gezicht: een kip op hoge poten. Maar wat we ook proberen, die stempels willen geen centimeter meer omlaag. Storing? De gebruiksaanwijzing van het levelsysteem geeft geen uitsluitsel en als het dan ook weer begint te regenen geven we het op. Morgen. Zul je zien hoe soepeltjes ik hier weg kom.

En kijk een uurtje later breekt de zon weer flauwtjes door en beschijnt mijn onvrijwillige overnachtingsplek. Niks om me zorgen over te maken toch? Maar eh… wat te denken van dat zinnetje uit de handleiding van E&P Hydraulics bij het hoofdstuk Veiligheid?

‘Het voertuig nooit volledig optillen. Als de banden de grond niet meer raken dan kan dit onstabiele en gevaarlijke situaties tot gevolg hebben en bestaat er direct gevaar voor letsel of ongevallen.’

Tsja, misschien wordt het toch wel een beetje onrustig nachtje? En nu begint het nog hard te waaien ook…

OVERNACHTING #95

En wat is het de volgende morgen dan betrekkelijk eenvoudig.
Tenminste als we -ken uw bussie!- de plaats hebben gevonden waar de pomp en de bedieningsunit van de E&P zijn ingebouwd.
Als we olie hebben bijgevuld.
Als we ontdekt hebben waar het vaste bedieningspaneel zich bevindt, zodat we de storing kunnen uitschakelen.
En als we met drie keer liften m’n bussie uit het zand hebben en ik weer vaste grond onder de wielen heb. Naast de bus van de campervrinden. Koffie dus. En op naar de volgende vastloper?

Onderweg #1

OVERNACHTING #96

Van het padje #2

In juli begint in Mongolië het regenseizoen. Wat mij betreft, is dat vannacht begonnen. Wat een onweersbuien, wat een regen is er op m’n bussie neergekletterd. En natuurlijk niet alleen op dat bussie van me, ook op de paden die leiden naar het einddoel van vandaag: Ulaangom. ‘Het zal mij benieuwen of de route een beetje begaanbaar is gebleven’, denk ik als ik opsta.

Dat valt reuze mee: het is weliswaar hier en daar wat glibberig en soms moet ik door diepe plassen, maar het is te doen. Al na vijf minuten worden we staande gehouden bij een ger, waar drie vrachtwagens staan. Een van die drie heeft een kapotte slang en campervrind Harrie is zo behulpzaam even te helpen met zijn rol tape.
We zijn nog maar een klein stukje verder na deze pech-onderweg-hulp als we stranden bij een plek waar de A1701 (!) is veranderd van een weg in een riviertje. Hier houdt de weg dus op.
We rijden terug naar de ger-met-vrachtwagens, waar een van de chauffeurs die ook naar Ulaangom moet, aanbiedt voorop te rijden en ons om de versperring heen te leiden. Dankbaar accepteren we zijn aanbod aan en tuffen achter hem aan de woestijnheuvels in. Tuffen inderdaad, maar de vrachtwagen maakt snelheid en na een poosje zijn we hem kwijt.

Daar staan we dan: Claire-mijn-Garminnetje en Truus-van-de-buren herberekenen zich suf, maar komen niet verder dan de mededeling, dat we naar de A1701 moeten gaan. Die zien we op het schermpje wel liggen en op goed geluk gaan we daar off road op af. Bij stom toeval komen we net die ene andere auto tegen die ook naar Ulaangom op weg is en voor de tweede maal die dag wordt ons aangeboden achter hem aan te rijden. En voor de tweede maal die dag kunnen we ook onze tweede gids niet bijhouden…

Dankzij de tablet van de campervrinden komen we uiteindelijk uit de woestijn en rijden in de bewoonde wereld (en op het asfalt) van Ulaangom.

Hemelsbreed nog zo’n krappe tweehonderd kilometer tot de grens met Rusland. Ik hoop vurig dat die weg erheen geasfalteerd is!

OVERNACHTING #97

Hotelontbijt

We gebruiken een overheerlijke verjaardagslunch in het Grand Hotel Restaurant in Ulaangom en krijgen toestemming op de parkeerplaats voor de deur te overnachten. Omdat de lunch zo voortreffelijk en van hoge kwaliteit was, besluiten we ook de volgende morgen in het hotel te ontbijten.

Als ik wakker word, verdring ik bewust het woord ‘ontbijtbuffet’ dat bij me opborrelt, om al te hoge verwachtingen de kop in te drukken. Maar als ik de trap oploop naar het restaurant meen ik toch de geur van gebakken eieren op te vangen. Het zal me gebeuren: uitgebakken spek, gekruide worstjes, geroosterd witbrood, desnoods -als ze geen spiegeleieren hebben- een paar scheppen scrambled egg. En koffie natuurlijk, liefst een dubbele espresso en het geheel aftoppen met een bakje yoghurt met vers fruit en serials. En nog maar een kop koffie.

Op de twee andere tafels waar hotelgasten aan het ontbijt zitten, zie ik minimaal servies staan. Als mijn ontbijt wordt geserveerd, bestaat dat uit een kom zoete rijst, in melk gekookt, een paar driehoekjes tweehaps witbrood en een kop thee. That’s all folks!  Ik probeer er nog een kop koffie bij te scoren, maar als ik dat na vijf minuten nog niet heb omdat het nog even duurt voor ze heet water hebben (…), bestel ik dat af en vraag de rekening.
‘Mag toch nooit veel kosten’, zeg ik tegen de campervrinden, ‘zo’n kommetje rijstepap, wat droog brood en een kop thee?’ Klopt. In het Grand Hotel Restaurant betaal ik Є 0,70 voor het ontbijt.

Meerontbijt

Ik heb overnacht bij het Meer van Uureg.
’s Morgens om kwart voor zeven (…) komen twee herders te paard nieuwsgierig naar m’n bussie gereden. Enthousiast bekijken ze de twee Hollandse stads-Ducatootjes die geparkeerd staan in hun territorium. En ze kletsen wat af. In het Mongools uiteraard, dus geen idee waar ze het over hebben. Ze blijven maar om de bussies heen draaien; logisch want waarschijnlijk hebben ze dit nog nooit eerder meegemaakt. Ik vind het op een gegeven moment wel mooi geweest en schud vader en zoon (?) bij wijze van afscheid de hand. Ze slingeren zich weer op hun paard en verdwijnen, richting hun kudde.

Niet voor lang, want nadat zoonlief een tweehonderd meter verderop even de broek heeft laten zakken om op zijn gemak te poepen, komen zij terug. Met gebaren vragen zij iets te roken, maar daar begin ik niet meer aan: mijn voorraad sigaren is al danig geslonken, ook al omdat er een heleboel lek zijn gerammeld. Ik moet nodig vloeitjes kopen, anders kan ik de meeste weggooien.
Niks te roken dus, maar ze kunnen wel een bekertje koffie krijgen en een broodje. Daarmee gaan ze op hun gemak naast de bussies zitten. Als ze het eten en drinken achter de kiezen hebben, vertrekken ze. Ik geef deze keer geen hand. Heb die poepende zoon gezien. Er zijn grenzen.

OVERNACHTING #98

Moedig?

Het enige andere voertuig dat we vandaag tegenkomen gedurende onze zesennegentig kilometer op de Northern Route is een Duitse toerist. Hij haalt ons in en stopt voor een praatje. Vier weken is hij onderweg geweest in Mongolië en nu op weg naar de Russische grens en vandaar terug naar de Heimat.
‘Moedig hoor’, zegt-ie, wijzend op onze bussies, ‘moedig om de noordelijke route te rijden, want de wegen zijn schrecklich slecht, oder?
Nou, dat hadden we zelf al ontdekt, de afgelopen kilometers. We hadden gebalanceerd over diepe voren, extra gas gegeven op zanderige stukken, geslipt in losse steenslag, hele stukken noodgedwongen off road gereden omdat de track vol water stond, de gok gewaagd als het niet anders kon en een riviertje ‘genomen’ en over een wankel bruggetje gereden.

Aan het einde van de middag zijn we van plan te overnachten in de enige plaats langs deze route: Bukmurun, ook al omdat ik nodig mijn drinkwatertank moet vullen. Die lekt en ik kan maar niet ontdekken waar. Regelmatig (afhankelijk van de hotsebots-factor van de weg, dus zeg maar vaak), vaak dus loopt er een gezellig straaltje water over de vloer van mijn interieur.

Het venijn zit ‘m vandaag in de staart, want in werkelijk de laatste kilometer voor Bukmurun hoor ik onder m’n bussie een klap en sleept er daarna iets over de bodem. De bak met daarin de pomp en bediening van de hydraulische poten is losgeschoten en hangt nu aan de leidingen onder de bus. En ik had bij  de bouw nog gesuggereerd die bak binnen onder het bed te plaatsen, maar dat was niet nodig. Op de Hoge Veluwe voldoet dat waarschijnlijk, maar niet op de Mongoolse wegen.
Eerlijk gezegd word ik die mankementen die veroorzaakt worden door de slechte wegen behoorlijk zat. Hier gaat iets stuk, daar laat iets los en ik heb zo langzamerhand een A4-tje vol gevalletjes-nazorg voor als ik straks terug ben in Nederland. Schreef ik: ‘behoorlijk zat’? Eigenlijk word ik er schijtziek van. Excusez le mot. Hoe zouden de wegen zijn in Kazachstan? Veel erger dan hier kan het niet worden.

Samen met campervrind Harrie zetten we die bak provisorisch met tie wraps vast onder de auto. Zowel bij mijn bussie als bij dat van de buren heeft ook de uitstaptrede een dusdanige opdonder gekregen, dat-ie ontzet is en niet meer heen en weer kan. Kunnen we naar kijken in Bukmurun, bedenken we en misschien bij een garage de bak van de hydrauliek goed bevestigen.

Een garage? In Bukmurun? Vergeet het! Sterker nog: het hele dorp lijkt uitgestorven. Het winkeltje heeft luiken voor de ramen en er hangt een slot aan de deur. Andere gebouwen zien er onbewoond en ongebruikt uit. Er is geen levende ziel te bekennen. Een spookstadje.
Er komt een auto aangereden. Ik ren naar de weg, gebaar hem te stoppen en vraag waar ik drinkwater kan tanken. De man -met een slapend kindje op schoot- spreekt geen Engels. Zijn vrouw die achter het stuur zit een paar woordjes en ze maken me duidelijk hen te volgen naar hun Mongolian house, waar ze water voor me hebben.
Dat Mongolian house is een ger, die samen met drie andere achter een omheining staat. Middenop is een put met een elektrische pomp en een waterslang. Als ik mijn tank heb gevuld, suggereert de man ook even m’n bussie schoon te spuiten. Dat doe ik maar niet. Kansloze actie…

Natuurlijk moet ik na het tanken even binnen komen en binnen de kortste keren zit ik weer op zo’n wankel krukje te slurpen van mijn Mongolian coffee (zoute thee) en te knabbelen van die harde koeken. De vrouw laat me foto-albums zien, de man haalt trots zijn geweer voor de dag en hun drie kinderen kijken me vanaf het bed verlegen en met grote ogen aan. Ik bied ze real Dutch coffee aan (gekocht in Rusland…) en trakteer er koekjes bij. De man ‘vertelt’ dat-ie elektricien is en alle klussen in het hele dorp voor zijn rekening neemt. Trots toont hij me al zijn gereedschap: een heuptasje met een combinatietang en drie schroevendraaiers. Ik steek bewonderend mijn duim op.
Dan pakt hij vanachter de enorme kleurentelevisie waarop een soort telekids wordt uitgezonden, een snaarinstrument met strijkstok. Hij gaat op een bed zitten, stemt het instrument en begint te spelen. Als-ie klaar is, geef ik hem een waarderend applausje. De drie kinderen gaan voor hem op de grond zitten als hij een tweede melodie inzet. Hij zingt er bij en tot mijn stomme verbazing gaat hij bij het tweede couplet over in onvervalst khöömii (het beroemde Mongoolse keelzingen). Eerlijk gezegd niet om aan te horen, maar zo traditioneel oer-Mongools, dat ik blij ben het hier mee te maken.*) Net zo blij als ik ben met de ontmoeting met dit gastvrije gezin. Het maakt het ongemak en de trammelorem van de laatste uren goed. Ik knap er van op. Precies wat ik even nodig had, aan het einde van deze ‘moedige’ dag.

*) Benieuwd hoe dat klinkt, dat keelzingen?

OVERNACHTING #99

Excursie

SCHRIJF NU IN VOOR DEZE FANTASTISCHE EXCURSIE

Op zondag 8 juli organiseert NORTHERN ROUTE TRAVEL AGENCY een boeiende, avontuurlijke rit door de desolate steenwoestijn van Noordwest Mongolië. De route start in het gezellige Bukmurun en voert ons eerst naar Ölgii, schitterend gelegen aan de oevers van de Khovd Gol. Hier gebruiken wij de lunch en kunt u op eigen gelegenheid het stadje bekijken. Na de lunch rijden wij door naar Tsagaannuur, bij veel westerse toeristen bekend als de grensplaats met Rusland.

Bij voldoende deelname zal deze excursie worden uitgevoerd met twee mini-busjes van het Italiaanse merk Fiat Ducato. Onze ervaren Hollandse chauffeurs staan garant voor uw veiligheid en de meereizende Nederlands sprekende gids zal u onderweg van de nodige informatie voorzien. Beide busjes zijn niet optimaal geschikt voor de wegen in deze streek, maar dat is een bewuste keuze: het maakt uw unieke reis alleen maar avontuurlijker! Schrikt u dus niet als er losse stenen tegen de onderkant van uw voertuig bonken. Kijk er niet van op als uw chauffeur regelmatig moet uitstappen om de grootste stukken rots uit de weg te halen. Vanwege de slechte staat van de paden op onze route zal de maximum te rijden snelheid tussen twaalf en vijftien kilometer per uur bedragen. Soms wordt er stapvoets gereden. Allemaal voor het behoud van ons wagenpark en natuurlijk voor uw veiligheid. Het hoort er allemaal bij. En u, als avontuurlijke pionier, houdt beslist droge voeten als uw chauffeur zijn bus door diepe plassen rijdt. Denkt u er ook aan beschermende kleding aan te trekken tegen de vele muggen en steekvliegen die in dit gebied talrijk voorkomen. Ondanks de hoge temperaturen raden wij u aan een lange broek, sokken en een shirt met lange mouwen aan te trekken. Een hoofddeksel met muskietengaas is zeker geen overbodige luxe!

Aan het einde van deze fantastische excursie zult u terugkijken op een boeiende, maar tevens barre tocht, vol ontberingen. Kortom: een unieke ervaring die u beslist niet mag missen!

BELANGRIJK
Om Ölgii te bereiken, moeten wij een rivier oversteken. Mocht de waterstand dermate hoog zijn, dat onze chauffeurs het niet verantwoord vinden de oversteek te maken, dan wordt van de directe route afgeweken en gezocht naar een beter doorwaadbare plaats. Om praktische redenen is met de reisleiding afgesproken, dat na vier pogingen het programma zal worden aangepast. Het alternatief is een tocht naar Ulaangom. Hiervoor worden geen extra kosten berekend.

BOEK SNEL WANT VOL IS VOL – VRAAG NAAR ONZE GEZINSKORTING

INFORMATIE

Excursie Waterkering (code FM200547)
datum: eenmalig op 8 juli 2018
start: 07:45 vanaf het stadsplein van Bukmurun (opstapplaat t.o. de bank)
eindbestemming: Tsagaannuur/Ulaangom

Mijlpaal

Vandaag -8 juli 2018- een dubbele mijlpaal in mijn trip door Eurazië:

Ik heb meer dan 20.000 kilometer gereden sinds mijn vertrek uit Nederland.
Ik maak mijn honderdste overnachting van deze reis

Dat van die 20.000 kilometer was eigenlijk gisteren al, maar een kniesoor die daar op let, nietwaar?

OVERNACHTING HONDERD

Scheidende wegen

Even ter informatie.
Mongolië en Kazachstan grenzen niet aan elkaar, daar zit een klein stukje Rusland tussen. Er zijn talrijke grensovergangen tussen Mongolië en Rusland, maar voor ons westerlingen zijn er maar twee toegestaan: één bij Ulan-Ude in het westen en één bij Tsagaannuur in het oosten. Bij onze voorbereidingen voor deze reis hadden we bedacht vanuit Rusland bij Ulan-Ude Mongolië in te reizen, Mongolië uitgebreid ‘te doen’ en dan bij Tsagaannuur even naar Rusland te wippen om vervolgens de grens naar Kazachstan te passeren. Het liep anders.

Want wat een barre tocht is er onder de wielen van m’n bussie doorgestuiterd om Tsagaannuur te bereiken. En dan is het ook allemaal nog voor niets geweest, want op de route naar Tsagaannuur stuiten we herhaalde malen op een niet doorwaadbare rivier. Er zit niets anders op dan dezelfde weg terug door de steenwoestijn naar Ulaangom te rijden.

Bij het Grand Hotel Restaurant (van dat ontbijt een paar dagen geleden) vindt overleg plaats. De campervrinden willen terug naar Ulaan-Bataar en daar via de grensovergang waar we Mongolië zijn binnengekomen het land weer verlaten. Ik ben eigenwijs, wil het nog niet opgeven en stap morgen naar de plaatselijke VVV (da’s lachen!) om te informeren of er een begaanbare route voor m’n bussie is naar het geplande Tsagaannuur. Ook wil ik proberen uit te vogelen of ik via een andere grensovergang Rusland kan bereiken en last but not least wil ik een garage opzoeken waar ze mijn hydrauliekbak (die er vandaag weer afdonderde) beter kunnen bevestigen.
Tot mijn verbazing (maar ook weer niet helemaal) hoor ik dat Anne Marie helemaal niet meer naar Kazachstan wil en via Rusland ‘op het gemakske’ richting Vogelwaarde wil reizen. Dat gaat me te ver.
Kazachstan overslaan? Na alle voorbereidingen en voorpret? Een land overslaan waar ik van mijn lang zal ze leven nooit meer op eigen wielen zal rondrijden? ‘Jammer dan, gemiste kans’, beëindig ik het overleg, ‘maar dan scheiden hier onze wegen, na zo’n veertien weken en nog maar net over de helft van onze zo zorgvuldig voorbereide reis. Ik respecteer het besluit, maar laat me Kazachstan niet ontnemen.’ Ik lever de Motorola in. Vanaf morgen dus gescheiden verder. Jammer.

Jammer ook dat er geen andere grensovergangen blijken te zijn dan de twee eerder genoemde. Noodgedwongen moet ik dus zo’n 1800 kilometer terug door Mongolië om de grens over te steken waar ik bijna zes weken geleden het land ben binnengekomen. En om dan mijn route in Kazachstan weer op te pikken, zal ik daarna nog zo’n slordige 3000 kilometer terug westwaarts moeten rijden. Leuk bedacht thuis, maar door die hoge waterstand  moet ik mijn plannen wijzigen. Geen probleem, wel een overbodig ‘ommetje’. Dat wordt dus dagen maken en kilometers draaien.

OVERNACHTING #101

Kietelen

Na de barre tocht door de steenwoestijn*), vraag ik bij de receptie van Grand Hotel Restaurant in Ulaangom wat een kamer kost en of ik die even kan zien. De receptioniste neemt me mee naar kamer 402, waar twee ruim bemeten eenpersoons bedden staan met frisse, schone lakens. Ze toont me de ruime badkamer met toilet, douche, shampoo, tandenborstel en tandpasta. Ze wijst op een bureau en zegt dat er gratis wifi is.
Allemaal mooi, allemaal prachtig, maar wat kost zo’n overnachting wel niet? Ze pakt haar rekenmachientje en tikt 40.000 tugrik in. Snel reken ik uit, dat ik me hier dus voor Є 14,00 kan laten verwennen!
De keuze is snel gemaakt: voor dat bedrag (het had ook het meervoudige mogen zijn) ga ik mezelf na de ontberingen van de laatste dagen eens lekker kietelen. Ben ik m’n bussie (niks mis mee hoor) voor één nacht ontrouw. Even bijtanken.

*) (her)lees: Scheidende wegen en/of Excursie

OVERNACHTING #102

Verloren testikeldag

Dagen maken en kilometers draaien? Start ik daarom vanmorgen om zes uur de motor al? Slaat natuurlijk nergens op, want ik heb alle tijd van de wereld, maar dat ‘overbodige’ ommetje wil ik zo snel mogelijk achter de rug hebben. En vroeg wakker ben ik toch altijd al, dus: on the move!

Voorlopig is het nauwelijks moven, want mijn route oostwaarts voert over een flink stuk onverharde weg. Na een uurtje begin ik me zorgen te maken. Claire-mijn-Garminnetje heeft al een paar keer een herberekening gemaakt, maar dat gebeurt wel vaker, zeker in gebieden waar ze bezig zijn een nieuwe weg aan te leggen, die soms enigszins afwijkt van de oude. Toch krijg ik steeds meer het gevoel fout te zitten. Ik rijd naar het zuidoosten en dat wil ik helemaal niet. Ik wil oostwaarts! Ik pak de ouderwetse wegenkaart erbij en stel vast dat mijn gevoel juist is. Ik wijzig een paar keer de eindbestemming richting ‘asfalt’, maar blijf onverhard verder stuiteren. Het zou wel erg makkelijk zijn Claire-mijn-Garminnetje hiervan de schuld te geven. Nee, gewoon mijn eigen stomme schuld! Afslagje gemist? Geen idee.

Allemaal leuk en aardig hoor, dat aanleggen van een nieuwe weg en ze zijn er ook volop aan bezig, maar gerieflijk rijden is het niet. Er ligt alleen nog maar een deklaag en hele stukken zijn nog ‘wasbord’. Daar kun je geen snelheid maken. Niet dat ik op de naastgelegen oude weg wel kan doorrijden, want daar heb ik weer te maken met putten, kuilen, hobbels en diepe voren. Bovendien wordt dat rijden op ‘wasbord’ zeer regelmatig onderbroken door wegwerkzaamheden. Soms staat dat met een bord aangegeven en wijst een pijl je de weg, soms ligt er gewoon ineens een hoge berg stenen of zand dwars over de weg en moet ik noodgedwongen keren en kilometers terug rijden om de alternatieve afslag te zoeken. Het schiet niet op dus.
Het landschap is en blijft prachtig, daar niet van, maar behalve dat ik naar mijn idee het gevoel heb verkeerd oostwaarts te rijden, ben ik dat onverhard rijden spuugzat. Dat constant en geconcentreerd uiterst alert moeten zijn op de weg. Dat onafgebroken bonken, trillen, schudden. Dat heen en weer geslingerd worden in mijn stoel, hoe langzaam ik ook rijd. Stop ik voor een kop koffie, ligt mijn bed bezaaid met alle kleding uit een kastje. Is het deurtje open gesprongen. Hoor ik achter me een vreemd geluid, is er een la spontaan open gegaan. En ’s avonds op mijn overnachtingsplek kom ik er achter dat er een stukje van de rand van mijn keramische kookplaat is gesprongen. Is er een potje uit het ‘kruidenrek’ op gevallen. Het beschermende matje dat altijd op die plaat ligt, raap ik van de vloer.
Ik kan me nog herinneren hoe slecht ik de wegen in Rusland op bepaalde stukken vond. Nu kan ik bijna niet wachten tot ik daar weer ben. Maar ja, zoals ik nu rijd -verkeerd en onverhard- kan dat nog wel even duren.

Ik word ingehaald. Hij stuift me letterlijk voorbij en even word ik verblind door de wolk stof die me het uitzicht op de weg ontneemt. Gas los, remmen, maar te laat: midden in die zandmist duik ik een dalletje in en begint mijn boordcomputer te piepen. Storing in de Traction Plus. ´Ga naar de dichtstbijzijnde dealer om het systeem te resetten´, staat er op de display. Dichtstbijzijnde dealer? Hier? Laat me niet lachen! Dat wordt dan Ulaan-Baatar, waar ik toch al van plan was naar een garage te gaan om mijn hydrauliekbak te laten vastzetten, steviger dan nu met bindbandjes, sjorband en touwtjes. Hoop trouwens dat die bak blijft zitten onder deze omstandigheden. Dat die Traction Plus uitvalt is trouwens wel vervelend. Juist op dit soort wegen heb ik dat altijd aanstaan voor meer grip op weg. Jammer dan. Nog voorzichtiger rijden dus. Gelukkig werkt de UP nog wel. Scheelt weer wat.

’s Middags begint het te regenen. Waarom zakt dat water niet onmiddellijk weg in die gortdroge grond? Waarom lopen alle ribbels van het wasbord vol water? Waarom komen er nu overal plassen op die toch al beroerde weg? Het wordt glibberig en onaangenamer.
Op een smal stukje weg komt me een witte personenauto tegemoet. Normaal gesproken wijken we dan allebei een beetje en kunnen elkaar dan stapvoets passeren, maar hij blijft stug midden op de weg rijden, met als gevolg dat ik teveel moet uitwijken en mijn rechter voorwiel vastdraai in de modder. Kan er ook nog wel bij! Gelukkig komen er even later drie auto’s met dagje-uit-gezinnetjes me tegemoet. Ze stoppen, zien mijn probleem en gaan me helpen. Met uitzondering van de kinderen stapt iedereen uit en bekijken we -in de stromende regen- mijn situatie. Zonder iets te vragen, gaat een van de mannen bij mij achter het stuur zitten, start de motor en gebaart de anderen te duwen. Met vereende krachten en twee keer voor en achteruit duwen, krijgen we m’n bussie weer op het pad. Dank jullie wel allemaal en een fijne dag verder!

En kon ik nu maar schrijven dat bij alle ongemakken die hydrauliekbak is blijven zitten, maar niets blijft me vandaag bespaard.
Bij passage van het dorp Tosontengel begeeft de provisorische ophanging het. Nog een geluk dat het in een bebouwde kom gebeurt. Waar ze zo snel vandaan komen weet ik niet, maar nog voor ik ben uitgestapt, staan er drie mannen bij m’n bussie. Als ik mijn achterkant omhoog heb gezet, kruipen ze onder de auto, zetten de bak zo’n beetje vast en wijzen en gebaren dan op een soort garage, zo’n vierhonderd meter verderop.
De man daar bekijkt het probleem en komt met de suggestie de bak met twee beugels vast te zetten. Van mij mag-ie. Scheelt me in Ulaan-Baatar weer. Hij snijdt stroken ijzer, buigt ze op maat, boort er gaten in, last het een en ander, zoekt in een blik langdurig naar de juiste (oude) bouten en moeren, maar kruipt uiteindelijk met een tevreden gezicht onder m’n bussie vandaan en steekt zijn duim omhoog. Snel verteld weliswaar, maar ik strandde hier om half vier en rijd om zeven uur weg, uitgezwaaid door een koppeltje mannen dat al die uren rond m’n bussie had gehangen in wisselende samenstelling. Ik schat dat bij elkaar zo’n mannetje of dertig voor korte of langere tijd even kwam aanwippen, waarbij de fles wodka meer dan regelmatig rond ging. En allemaal m’n bussie in en alles bekijken. En overal aanzitten. En deurtjes openen (waar ik een stokje voor stak; er zijn grenzen, nietwaar?). Met elkaar roken ze een heel pakje sigaretten van me op, vervuilen m’n bussie, de monteur gaat zo onder de auto vandaan met zijn grondkorrelige rug op de bestuurdersstoel zitten (au!), maar de klus is geklaard en dat is me heel wat waard. Honderdduizend tugrik om precies te zijn, omgerekend Є 35,–.

Ach, soms zit het mee, soms zit het tegen. Dacht ik vandaag lekker te kunnen opschieten, ben ik volgens mijn triplog met een gemiddelde snelheid van maar liefst 23 kilometer per uur in negen gereden uren toch maar even 203 kilometer opgeschoten. Opgeschoten? Toen ik vanmorgen startte, was het nog minder dan duizend kilometer naar Ulaan-Baatar. En nu nog maar 1100… Ik kan er niet van wakker liggen als ik doodmoe mijn bed inrol. Morgen weer een dag.

OVERNACHTING #103

Herendag

44 kilometer heb ik nog te gaan vanaf de weg waar ik overnacht heb voor ik weer op asfalt zit. ‘Volg Weg’, meldt Claire-mijn-Garminnetje dan braafjes. Dat ‘Weg’ bevalt me al niet. Niet eens een Weg met een nummer? Zal wat zijn! Zie er best wel tegenop na gisteren.

Maar wat valt dat 100%, wat zeg ik, 200% mee! Wat een prachtige route. Nog niet veel eerder in het overwegend kale Mongolië zoveel bomen en groen gezien. Ik rijd hele stukken dwars door een bos. Het pad slingert langs de Ider River. Langs de oever (vakantie?)gerskampen. Natuurlijk zijn er ook stukken waar het uitkijken geblazen is met losse stenen, modderplassen en loszanderige steile hellingen, maar op een kleine uitzondering na*), is het prima te doen.
En wat een geluk bij een ongeluk, dat mijn hydrauliekbak gisteren stevig gerepareerd is. Die had op dit pad binnen de kortste keren op de grond gelegen. En dan had ik een probleem gehad, hier in the middle of nature, met beslist geen garage in de buurt.

En dan -na 44 kilometer- de kers op de taart: asfalt! En hoor dat motortje van m’n bussie lekker tevreden snorren. De afgelopen anderhalve dag is-ie niet hoger gekomen dan in zijn tweede versnelling, nu mag-ie eindelijk weer eens in z’n zes. Hoort ‘m genieten! Vindt-ie ook fijn hoor, dat Ducatootje: asfalt.

Twee raadsels uit de praktijk van vandaag.

Vraag: Er staan drie koeien aan de rechterkant van het pad. Waarom lopen ze niet naar rechts het land in als ik nader, maar steken ze vlak voor m’n bussie langs over naar de linkerkant?
Antwoord: Geen flauw idee. Dommigheid? Eigenwijs? Levensmoe?

Vraag: Een groepje koeien ligt midden op het pad lekker in het zonnetje. Als ik het groepje nader, krabbelen ze op en vluchten houterig het land in. Waarom blijft dat kalfje liggen?
Antwoord: Omdat het dood is.

*) Pas een half uurtje onderweg en ik loop vast in zo’n stuk los zand. Ik doe wat voor de hand ligt: ik stap uit, bekijk de situatie en besluit eerst maar eens een lekkere mok koffie te maken. Daarna doe ik welgeteld één (mislukte) poging met wat graafwerk en stenen onder het wiel om los te komen. In plaats van mijn hydrauliek pak ik vervolgens mijn sleepoog en -kabel en leg alles klaar op het pad voor m’n bussie. Tijdens mijn bakkie troost had ik namelijk even verderop een viertal gers zien staan.

Dus zit ik niet veel later gezellig met een kom yakthee en wat te knabbelen erbij bij een familie in hun Mongolian house om daarna door de heer des tentes los te worden getrokken. Hij geeft me nog een tip op het hoger gelegen pad te gaan rijden en wenst me een plezierige verdere dag.

OVERNACHTING #104

Vloeitje

Door al dat gehossebos zijn al mijn sigaren lek. Om zo’n lekke sigaar te repareren, gebruik ik vloeitjes die ik van thuis had meegenomen. Maar die gaan hard als ik elke sigaar moet plakken. En nu is m’n boekie vloei op.

In een winkeltje zie ik shag liggen. ‘Dan moeten ze ook vloeitjes verkopen’, denk ik. Omdat mijn Mongools nog steeds niet vlekkeloos is, heb ik de lege verpakking Rizla in mijn portemonnee zitten.
‘Hebbie vloei?’, vraag ik de vrouw achter de toonbank. Niet begrijpend kijkt ze naar het kartonnetje Rizla. Ik maak een beweging een shaggie te rollen. De man die naast me staat, begrijpt het en legt de vrouw uit wat ik moet hebben. Van een stapel naast de pakjes shag pakt ze een groot, wit vel papier (ik dacht dat het een stapel papieren tafelkleedjes was).
‘Eh, is dat vloei voor sigaretten?’, vraag ik verbaasd. De man naast me knikt. ‘Zo roken ze in Mongolië hun tabak. Je moet het zelf op maat knippen. En weet je? Now you can smoke like a Mongolian!’  ‘Doe maar drie van die vellen dan’, zeg ik.

Recept

Ik heb even geen zin in an original Mongolian dish.
Het meisje bij de bar van het een-blind-paard-kan-er-geen-kwaad-doen-huiskamer-restaurantje spreekt een paar woordjes Engels. Er staan eieren op de bar en dat brengt me op een idee.

‘Ik zie dat je eieren hebt’, spreek-gebaar ik. ‘Heb je ook uien? Ja? En tomaten? Ok. Een paprika misschien? Nee? Laat maar zitten dan. En vlees. Wat voor vlees heb je? Rund en schaap? Doe maar schaap. Nou, let op: je snippert een halve ui en snijdt die tomaat in stukjes. Wil je hele dunne plakjes  schapenvlees voor me snijden en dat dan weer in reepjes? Dan bak je dat vlees even aan en dan de uitjes erbij. Snap je? Dan de tomaat in de pan en drie eieren. En dan lekker roeren en bakken. Boterham op een bord en daar de hussel overheen. Lekker hoor!’

Ze kijkt me aan alsof ze het in Ulaan-Baatar hoort donderen, maar ze zal het doorgeven aan de keuken, samen met mijn briefje vol tekeningetjes waarop ik het recept heb verduidelijkt.
‘Enne, wat gaat me dat kosten?’ Dat moet ze even met de kok overleggen, want zo’n gerecht, tsja… Als ze even later terugkomt, kijkt ze me wat verlegen aan en schrijft het bedrag op een papiertje. Drie kwartjes. Nou, dat valt niet tegen. ‘Heb je ook koffie? Oh, zo’n zakje Nescafé. Ja prima. Doe maar. Hoeveel is dat dan meer? Achttien cent? Ok.’

‘Thuis zou ik zo’n husseltje in vijf, tien minuten op tafel hebben’, denk ik na een half uur, maar dan gaat de lichtblauwe lap plastic opzij die de keuken scheidt van de eetkamer. Ach gut, wat hebben ze hun best gedaan: mijn eten wordt geserveerd op een ovale houten plank, met daarop een gietijzeren bord in de vorm van een koe (zoals je bij onze Chinees de ti pan krijgt opgediend). Wat aardig, want de drie andere gasten eten van een doordeweeks bord of uit een papiertje. En kijk dit nou voor me staan, samen met die metalen koffiemok, die nog zo nieuw is dat de lijm van het prijsstickertje nog aan de onderkant zit.

Maar -niet onbelangrijk- smaakt het ook? Het meisje blijft afwachtend bij mijn tafel staan tot ik een eerste hap heb genomen. Heerlijk! Precies wat ik bedoelde. Ik maak het meisje duidelijk, dat het prima smaakt. Ze zucht hoorbaar opgelucht en verdwijnt naar de keuken. Ik smikkel met smaak van mijn warme lunch. Lekker hoor en zijn geld dubbel en dwars waard!

Hieperdepiep

Naadam is hét jaarlijkse nationale feest in Mongolië. Hoewel het door het hele land op verschillende dagen kan worden gevierd, maar altijd in juli, is de Naadamviering in Ulaan-Baatar het grootste en meest indrukwekkende. Dat merk ik als ik de hoofdstad nader: aan weerszijden van de weg zie ik regelmatig feestterreinen, met grote tenten, versierd met vlaggen en eet- en drinktentjes. Wegen zijn afgesloten en hoe dichter ik bij UB kom, hoe drukker het verkeer. Veel auto’s rijden met een wapperende Mongoolse vlag en op een gegeven moment sta ik zelfs in de file. Denk je dat even in: Mongolië + file. Ik wist niet dat het mogelijk was.
Dat hele Naadam is qua sfeer het beste te vergelijken met onze Koningsdag, alleen beperkt het zich hier niet tot één dag, maar hebben ze een hele week vrij. Vandaar ook die vele families die ik in het land langs de weg zie picknicken of in tenten bivakkeren.

Een hele week vakantie dus. Als ik bij een tankstation mijn dorstige bussie weer eens vol diesel laat gooien, vraag ik voor de zekerheid of die vrije dagen ook voor het bedrijfsleven gelden. Mijn vermoeden klopt: het bedrijfsleven ligt helemaal plat. En ik wilde in Ulaan-Baatar nog wel naar de Fiat-garage. Leuk bedacht, Frits, maar wel een kansloze actie. Ik wijzig mijn plannen en zet koers naar de grens met Rusland. Dat resetten van mijn Traction Plus komt later wel.

Rechts van de weg zie ik een groot, geel gebouw met enkele gers en huizen er omheen. Het blijkt een hotel te zijn, dat eind deze maand zijn deuren opent, maar de gers en vakantiehuizen zijn al bezet. Ik krijg toestemming op de parkeerplaats te overnachten.

Als ik ’s avonds voor een hapje eten naar het hotel loop, komt de muziek me buiten al tegemoet. Naadamfeestje? Nee, een dansschool, die haar eigen gezellige avond hier in de eetzaal belegt.
Bij binnenkomst word ik hartelijk begroet, maak met iedereen kennis en moet natuurlijk de nodige Mongoolse dansjes mee huppelen. En ik ben al zo gek op dansen… Ik acteer weliswaar enthousiast, maar ben blij dat mijn eten redelijk snel wordt geserveerd.

Twee gesprekjes

Er steekt weer eens een kudde schapen over en ik moet stoppen. Gewoonste zaak van de wereld hier in Mongolië: schapen, koeien, geiten, paarden en kamelen steken hier de weg over als ze daar zin in hebben of als de herder zijn kudde naar de overkant leidt. Het hoort er bij in Mongolië.
Links aan de overkant is een auto gestopt. Twee keurige vrouwen, gekleed in nette vakantiekleding waar de kofferkreukels nog inzitten, zijn uitgestapt en nemen dolenthousiast talloze foto’s van elkaar met de overstekende schapen op de achtergrond. Ik draai mijn raampje omlaag.
Good afternoon‘, roep ik, ‘your first day in Mongolia, I suppose?
‘Ja, ja’, antwoorden ze enthousiast, ‘is het niet geweldig, die beesten zomaar op de weg?’

 

Op zoek naar een plekje voor de nacht rijd ik aan het eind van de oprijlaan door het openstaande hek, waarnaast met grote letters China Shipping staat geschreven. Ik vermoed bij een of andere handelsmaatschappij te zijn beland. Er komt een vrouw de trappen van de hoofdingang af. Als ik haar de hand schud, denk ik een goede beurt te maken door haar te begroeten met een hartelijk: ‘Good afternoon, madam, or should I say Ni Hau?‘ (de enige woordjes Chinees die ik ken). Ze kijkt me bevreemd aan en legt me uit dat het gebouw een hotel is. Pas als ik op mijn overnachtingsplekje sta, zie ik, dat dat China Shipping op een oude container staat geschilderd, die gebruikt wordt als werkplaats en opslagruimte. Had ik even niet gezien.

OVERNACHTING #105

Exit Mongolië

Na zes weken door het land te hebben getoerd, meen ik recht van spreken te hebben op een reisadvies: ga niet naar Mongolië! Tenminste, niet zoals ik heb gedaan, met een stads-Ducatootje. Totaal ongeschikt! Natuurlijk had ik bij mijn voorbereidingen thuis gelezen, dat de wegen hier slecht zouden zijn, maar zo slecht, dat tart iedere beschrijving.
Nee, koop maar een vliegticket naar Ulaan-Baatar. Huur daar een dikke 4WD en trek daarmee het land in. Dender door de Gobi, rijd naar afgelegen, verlaten streken, hobbel over tracks, verbaas je over de magnifieke natuur, ontmoet gastvrije en behulpzame Mongolen, bezoek schitterende kloosters, dwaal rond door imposante musea en steden, kortom: onderneem alles wat ik ook heb gedaan en geniet -net als ik- van dit geweldige land. Absoluut meer dan de moeite waard. Een once in a lifetime experience. Maar -zoals gezegd- niet met een doordeweekse Ducato.

Ach, mijn arme, kleine Ducato-baby’tje. Nog maar net geboren en nu al in een razende sneltreinvaart alle kinderziektes doorlopen. En lelijk gevallen. En weer opgestaan. Armpje uit de kom. Blauwe plekken. Schaafwonden. Dat wordt een snelle gang naar het consultatiebureau, straks terug in Nederland.

Opgelicht

Bij een van de laatste tolpoortjes in Mongolië moet ik 2000 tugrik betalen. Ik geef de vrouw een briefje van 5000. Ze geeft me een dikke bundel bankbiljetten en het bonnetje terug en zegt erbij: ‘Drie’.
Als ik even later een korte stop maak, tel ik dat bundeltje geld na. Wat ik al vermoedde: allemaal briefjes van 100 en 50, samen precies 1000 tugrik.

Ben ik dus voor 2000 tugrik genaaid. Ik haal mijn schouders op. Kan me er niet druk om maken. Ik voor 70 cent ‘het schip in’, en als zij vandaag nog zo’n domme toerist bij haar slagboom kan ‘tillen’, kan ze ervan buiten de deur gaan eten. Ik bedoel maar: wat zou zo’n vrouw verdienen per maand?

RUSLAND TERUG
juli

Back in the USSR

Zo, na welgeteld 1803 kilometer oostwaarts ben ik bij de grensovergang van Mongolië naar Rusland. Precies daar waar ik zeven weken geleden Mongolië ben binnen gekomen: in Kyakhta. Bij het invullen van de formulieren geef ik aan een transit te willen naar Kazachstan, dat scheelt me het opsommen van Russische plaatsnamen.
Vergeleken met de inreis gaat de controle en het invullen van formulieren lekker snel. Hoewel: de grensbeambte aan de Mongoolse kant is druk bezig mijn gegevens in zijn computer te zetten. Hij onderbreekt die werkzaamheden als er iemand anders zijn kantoortje binnenkomt, die hij eerst afhandelt. Daarna gaat hij weer verder met mijn administratie. Even later gebeurt hetzelfde.
‘Zeg, vriendelijke man’, spreek ik hem in het Nederlands aan, ‘als je iedereen die na mij binnenkomt eerst helpt, gaat het wel erg lang duren voor ik over de grens ben.’ ‘They were first’, laat de beambte me met Google Translate op zijn computer zien. Nu kwam ik hier tien minuten geleden als enige aan bij een verder lege overgang, sta dus helemaal vooraan in de rij, met intussen vier wachtende auto’s achter me. ‘They were first? Dat dacht ik toch niet. Kijk even naar de rij buiten dan’, zeg ik, wijzend op het raam. Hij kijkt niet op of om, maar waarschijnlijk heeft hij aan mijn toon begrepen wat ik bedoel, want mijn papieren worden nu verder in orde gemaakt en de na mij binnenkomenden moeten netjes op hun beurt wachten. Als alles klaar is, moet ik nog 20.000 tugrik ‘belasting’ betalen. Ik vraag maar niet waarom en geef hem het geld. Als ik om een bonnetje vraag, begrijpt hij me niet…

Hoe anders gaat het aan de Russische kant. Het begint weliswaar met een piepklein incidentje als de man in uniform aan het begin van de controle van m’n bussie eigenhandig mijn portier opent. Ik stap er op af, doe de deur voor zijn neus dicht en zeg hem, dat hij mij moet vragen die te openen. Zo ben ik dat -keurig, keurig- bij alle vorige grensovergangen gewend en zo zijn ook de regels. Hij kijkt me nors aan, viert de riem van zijn aangelijnde herdershond wat in mijn richting en zegt dan afgemeten: ‘Open’. Uiterst vriendelijk doe ik het portier uitnodigend voor hem open en herhaal dat bij iedere deur, kastje, laatje of krat die hij aanwijst.

Nee, dan die twee hulpvaardige, vriendelijke vrouwen bij twee achtereenvolgende loketten. Er moeten formulieren worden ingevuld, uiteraard in tweevoud (waar is het kopieerapparaat?). Maar kijk nou: ze vragen om mijn paspoort en kentekenbewijs, stellen me -in perfect Engels- wat vragen en vullen daarna die papieren voor me in!  ‘Ach mijnheer’, zegt ze, ‘het gaat sneller als ik het invul, dan dat ik het u uitleg en u het misschien toch nog fout doet. Dan moet alles over en dat schiet niet op’.

Als ik de hele procedure vergelijk met de tijd die ik hier drie maanden geleden kwijt was toen ik de eerste keer Rusland binnen kwam, gaat het vandaag lekker vlotjes en na anderhalf uur krijg ik groen licht en mag ik het land van Vadertje Vladimir inrijden.

Eigenlijk vind ik dat hele grensgedoe in dit soort landen op een bepaalde manier wel amusant: ik moet altijd een beetje glimlachen om al die dikdoenerij, al dat vertoon van macht. En zo’n controle? Stelt in wezen ook niet veel voor. Echt grondig doen ze hun werk nu ook weer niet. Gelukkig maar: ik heb niets te verbergen, maar de hele procedure zou dan wel heel lang gaan duren.

Vanaf morgen dus weer zo’n dikke drieduizend kilometer terug westwaarts om de geplande route door Kazachstan op te pikken. Ik laat Kyakhta links liggen, want geen zin om weer in de schaduw van die bomen te overnachten*) en sla een paar kilometer buiten het stadje een bospaadje in. Lang genoeg in de weer geweest vandaag. Ik ben in ieder geval terug in de USSR.

*) (her)bekijk: Poedelen in het park

OVERNACHTING #106

Halt! Politie! #2

Anderhalve politieagent heb ik gezien in die zeven weken dat ik door Mongolië toerde. En niet één keer aangehouden. Ik ben nog geen honderd kilometer op Russische bodem of er staat al een fors bemeten agent langs de weg, die me met zijn stok naar de kant dirigeert. Ik had ze wel gezien hoor, die elkaar snel opvolgende borden 90-70-50 voor het zebrapad, maar er zijn zo veel oversteekplaatsen, dat ik steeds vaker ‘vergat’ wat gas terug te nemen. ‘Zal wel een vette prent worden’, denk ik terwijl ik mijn raampje laat zakken en de agent vriendelijk begroet. Hij wil mijn rijbewijs en kentekenbewijs zien. Als ik mijn mapje pak, vraagt-ie waar ik vandaan kom.
‘Niederland? Ah, Goellit! Van Basten! Weet u wat? Laat die papieren maar. U rookt? Eh…’
Ik laat hem mijn pakje sigaretten zien. Minachtend trekt hij zijn neus er voor op. Mongoolse sigaretten! Of ik geen Hollandse sigaretten heb? Of Hollands snoep? Of anders gewoon een souvenirtje uit Holland? Ik leg hem uit, dat ik al dik drie maanden geleden uit Nederland ben vertrokken en niets, maar dan ook niets Hollands meer in m’n bussie heb, anders zou ik hem graag wat geven natuurlijk!
‘Rijd dan maar door. Goede reis verder’, zegt-ie.
Als ik wegrijd, schiet hem nog een voetballer te binnen. ‘Kroe-ief! Dobre! Dobre!’, roept hij me na.

OVERNACHTING #107

OVERNACHTING #108

‘Tragisch’ bussie

Als ik ’s morgens start, gaat het motorbloklampje weer eens branden, samen met de tekst: ‘Laat controleren motor’. Dat gebeurt min of meer regelmatig en eigenlijk zou ik volgens het instructieboekje naar een dealer moeten, maar campervrind Harrie had me eerder gerustgesteld bij de eerste keer dat die melding verscheen. ‘Gebeurt bij mij ook, Frits’, had-ie gezegd, ‘hoef je je geen zorgen over te maken (en als Harrie dat niet doet…) Hooguit lever je wat prestatie in en vervuil je wat meer, maar dat is nauwelijks te merken. Wel in de gaten houden, natuurlijk!’

Dat van die vervuiling zal ik inderdaad niet merken, maar mindere prestatie des te meer. Tenminste, vanmorgen. Wat is er met m’n bussie aan de hand? Last van een ochtendhumeur? Beledigd omdat ik gisteren een tuttelmiddag heb gehouden en bijtijds ben gestopt ondanks dit onverwachte lange eind omrijden dat ik heb te gaan? De automaat wil niet hoger dan in zijn drie, de snelheid blijft onder de zeventig kilometer en die motor maar loeien! En accelereren, ho maar! Ik ga over op handgeschakeld en dat doet het wel. Maar boven de tachtig komt mijn snelheid niet. Ik heb ook nog eens de pech in een glooiend landschap te rijden. Hellinkjes tussen de vier en tien procent, dus dat stelt niet veel voor, maar heuveltje-op gaat het -wat ik ook probeer- tragisch traag. Plankgas en in zijn drie en dan terugvallen tot snelheden van zo’n 40, 50 kilometer per uur. Hellinkje-af maak ik uiteraard wel snelheid, maar dat heeft meer te maken met de massa van m’n bussie dan met de werking van de versnellingsbak.

Ik ben weer eens supervroeg op pad gegaan. Er is dan nog nauwelijks verkeer op de weg, dus ik ben met mijn trage snelheid niemand tot last op deze tweebaansweg. Jammer vind ik het wel, dat dit ongemak me juist nu moet overkomen, want de 255 Siberian Highway, die ik nog ken van de heenreis, snijdt hard, strak en bijna genadeloos door het landschap. Kilometers lang spiegeltje glad asfalt, zo nieuw dat de middenmarkering nog ontbreekt. Natuurlijk wordt er regelmatig aan de weg gewerkt en dan gaat de snelheid beduidend omlaag, maar over het algemeen kan ik lekker doorkachelen. Zo’n weg, zonder bulten of gaten is ideaal om lekker op te schieten en flink wat kilometers te maken. Had ik gisteren dan ook gedaan. Wilde ik vandaag weer doen, vandaar die vroege start. Ik krijg er dan ook danig de pee over in, dat uitgerekend nu dat motortje weigert snelheid te maken.

Tot mijn stomme verbazing gedraagt de motor van m’n bussie zich weer helemaal normaal als ik na een koffiestop de weg weer oprijd. Begrijp er niks van, maar ben wel blij dat ik nu snelheid kan maken. Het motorlampje brandt nog wel, maar -zoals gezegd- daar hoef ik me niet druk om te maken. Dat doe ik na deze tragische start van vanmorgen toch wel.

Ik kom er achter, dat er op mijn route in Solontsi, een voorstad van Krasnoyarskii een Fiat Prof dealer zit. Beter kan ik het niet treffen. Jammer wel, dat ik om die dealer te bereiken me dwars door de middagspits van Krasnoyarskii moet wringen. Anderhalf uur stoppen, optrekken, in- en uitvoegen later meld ik me bij de Fiat-receptie en leg mijn probleem voor.

De monteur vraagt om de sleuteltjes en gaat een proefrit maken. Als hij terug komt, wordt het linker voorwiel opgekrikt en kijkt hij bedenkelijk. Er worden collega’s bijgehaald. Het blijkt toch ingewikkelder te zijn, dan ik in mijn onschuld dacht: even simpel de ‘boordcomputer’ resetten en alles is opgelost. Fluitje van een kopeke, toch? Vergeet het!

Om te beginnen wrikken ze een fikse steen tussen mijn stuurinrichting los. Daarna gaat mijn wiel er af en stellen ze vast dat er een relais, een remleiding en ‘nog iets’ kapot of bijna kapot is. Tenminste als ik het allemaal goed heb begrepen, want slechts één man hier spreekt Engels en dan nog: die technische woorden zeggen me al heel weinig. Gelukkig krijg ik bij het afrekenen een uitgebreide lijst van de werkzaamheden en de vervangen onderdelen. Geheel in het Russisch uiteraard, dus dat schiet lekker op.
Dik drie uur zijn ze met een paar man bezig: er wordt een leiding vervangen, er wordt iets met een smeltkousje gedaan en na de proefrit door de Engelssprekende Fiatter krijg ik het sein: alles weer veilig, alles opgelost.

Met een brede glimlach parkeert hij m’n bussie op de parkeerplaats voor de deur van het gebouw. ‘Je vroeg toch of je hier mocht overnachten?’, zegt-ie, ‘nou dit lijkt me een prima plek!’ Eigenlijk wilde ik aan de achterkant van het gebouw gaan staan. Nu lig ik straks in mijn bed op vijf meter afstand van het drukke voorbijrazende verkeer. Ik vind het wel prima. Ben in ieder geval geholpen en gerustgesteld. Door naar Kazachstan dus maar weer.

OVERNACHTING #109