2018 Camper Eurazië Rusland

Aan de rol

Even buiten een dorpje staat een kleine, ommuurde stupa. Ik zal er nog heel veel gaan tegenkomen deze reis, maar bij zo’n eerste stop je toch even. Het is ook een markering, dat ik zo langzamerhand in een ander ‘geloofsgebied’ ben beland. Ik merk steeds meer hoe dicht we bij de grens met Mongolië zitten, niet alleen aan het uiterlijk van de bewoners van deze streek, maar ook aan dit soort heilige plaatsen.

Centraal in het midden staat een fraai gedecoreerde zuil, er omheen een drietal bouwwerkjes met gebedsrollen..

En wie kan er natuurlijk weer niet van die rollen afblijven en moet ze even aan het draaien maken? Juist.

Drinkwater aan huis

In de veronderstelling, dat ik geparkeerd sta bij een magazin, stap ik het houten gebouw in om te informeren of ik drinkwater kan tanken in mijn machina. Ik blijk er naast te zitten: het is geen winkel, maar het administratiekantoor van de gemeente Bayanday.

Ik klop aan bij een openstaande kantoordeur. Drie ambtenaren kijken verbaasd op vanachter hun bureau. Eén van de drie buigt zich onmiddellijk weer over haar papieren en keurt me verder geen blik waardig. Oksana en Nadezda horen mijn verhaal aan, deels in het Engels, deels met behulp van Google Translate. Als ik over drinkwater begin, moeten ze me jammer genoeg teleurstellen. ‘We kunnen je helaas niet helpen’, vertaalt Google, ‘maar we hebben geen kraan. We hebben hier ook geen waterleiding. Our water is imported.’ Dat is dan jammer, maar helaas. Mijn halve tank zit nog vol, dus zo erg is het niet, maar het was te proberen.
Nadezda ontpopt zich echter als een volhoudstertje. Ze gaat druk aan het bellen. Tussen de telefoontjes door legt ze me uit, dat de mensen hier het water moeten bestellen en dat er dan een tankwagen naar hun doma komt om het water -tegen betaling- af te leveren. Hoeveel liter ik nodig heb, vraagt ze me. Ze schrikt als ik als antwoord ‘about 50 litres’ geef. Ze pakt pen en papier en schrijft op: 5000? Ik schiet in de lach, neem de pen van haar over en schrap de twee laatste nullen weg. Opgelucht zegt Oksana dat wel te kunnen regelen en voor zo’n klein beetje water -voegt Nadezda er aan toe- hoeven we niet te betalen. Na nog een telefoontje zegt ze dat de tankauto onderweg is.

Eigenlijk meer voor de vorm nodig ik haar uit de komst van die tankwagen bij m’n bussie af te wachten en daar een borreltje te drinken voor haar hulp en op de goede afloop. Een beetje tot mijn verbazing trekt ze meteen haar jas aan, geeft me buiten een arm en stapt even later m’n bussie binnen. Wodka hoeft ze niet, maar ze kijkt wel nieuwsgierig naar de drie kleine flesjes whisky die een lief thuisfront me heeft meegegeven voor mijn reis. Whisky? Nog nooit gedronken. Dat wil ze wel eens proberen. Ze kiest lukraak een flesje uit (de duurste…), we delen de inhoud en proosten. Haar glimlach verandert in een grimas. Alleen voor de foto later buiten bij de tankwagen wil ze nog wel even lachen, maar daarna geeft ze het glaasje aan mij terug.
Als mijn watertank -onder het goedkeurende oog van Nadezda– vol is, geef ik de chauffeur een fooi en bedank Nadezda hartelijk voor haar hulp. ‘Spasiba, spasiba, Nadezda. Mag ik je kussen?’ Het mag.

Als de volgende morgen rond half negen ‘mijn’ ambtenaren op het werk verschijnen, pak ik mijn laptop, krijg in het administratiekantoor een bureau toegewezen en upload mijn website.

Voor ik Bayanday verlaat, koop ik in een onooglijk winkeltje een taartje en rijd nog even terug naar het administratiekantoor. Met een weids gebaar zet ik dat taartje op het bureau van Nadezda, wijs in het rond naar de andere collega’s en bedank iedereen voor het wada, de overnachting en het gebruik van hun wifi. En ach, die vertederde gezichten als ik daarna hun kamer uitloop…

OVERNACHTING #52

Vakantieweer

Heb ik dat: gaat het op mijn verjaardag aan het begin van de avond sneeuwen! Gelukkig blijft het niet liggen, want de temperatuur is maar liefst vijf graden boven nul (…).

Ik ben niet echt gevoelig voor de weersomstandigheden tijdens mijn reizen, maar ik ben nu ruim zeven weken onderweg en zou zo langzamerhand m’n warme fleece wel eens willen opbergen. Zou zo langzamerhand wat vaker dan die ene middag mijn korte broek aan willen trekken. En de keren dat ik buiten kon rondlopen in een shirt met korte mouwen zijn op de vingers van één hand te tellen.

Op kou kun je je kleden. Regen is al minder leuk. Maar sneeuw op 20 mei… Maar niet zeuren: this is Siberia, man! (hoewel de lokale bevolking ook zegt dat het langer koud blijft dan normaal).

En wat ben ik blij met de keuze van mijn kachel, die tot nu toe bijna dagelijks ’s morgens en ’s avonds aangaat. En wat goed dat ik voor een dieselkachel heb gekozen: met die gaskachel in Bussie 1.0 zou ik er minstens al een volle fles gas doorheen gejaagd hebben.

Wacht maar, straks in Mongolië en Kazachstan. Ga waarschijnlijk nog terug verlangen naar een beetje lagere temperaturen. Toch?

Vuurtje?

Koop ik in zo’n dorpswinkeltje lucifers.
Zo’n doosje is vrij snel leeg.
Van iedere drie lucifers breekt er namelijk  gemiddeld één, geeft er één een walmend kringeltje rook en vat er één daadwerkelijk vlam.

Nog een voorraadje oude Sovjet-zwavelstokjes?
Die fletse, verbleekte kleuren ook van zo’n doosje.
Nog een geluk dat ik twee pakjes heb gekocht.

 

 

OVERNACHTING #43

Kleine wasjes, grote wasjes

Het allermooist is natuurlijk een overnachting in de vrije natuur op een mooi plekje, ver van de ‘bewoonde wereld’. Maar soms moet ik praktisch zijn. Als ik langs de R256 een groot gebouw zie met de nodige geparkeerde vrachtwagens en wat gewoon volk, draai ik m’n bussie het parkeerterrein op.

Goed gegokt. Het gebouw huisvest een megarestaurant en er zijn toiletten en douches. Of er ook wasmachines zijn, vraag ik aan de vrouw in een lang schort, die met een stapel handdoeken uit de doucheruimte komt. Ze mist twee voortanden en slissend maakt ze me duidelijk dat ze alleen Russisch spreekt. Ik gebruik mijn pantomimetalenten om haar duidelijk te maken wat ik bedoel: trek zogenaamd mijn kleren uit, zet met m’n handen een wasmachine neer, open de deur, graai mijn kleren bij elkaar, doe ze in de machine en druk op de knop. Ze begrijpt het, maar er zijn jammer genoeg geen wasmachines voor de klanten. Ik hef mijn handen ten hemel en trek mijn meest teleurgestelde gezicht. Het helpt. Ze maakt een betaalgebaar met haar vingers en wijst op zichzelf. Begrijp ik het goed, dat zij wel een wasje voor me wil draaien? Na haar da, da, komen we een prijs overeen.

In m’n bussie vul ik twee vuilniszakken met wasgoed, pak mijn portemonnee en ga terug naar het gebouw. Ik zet de zakken voor haar neer en graai er een spijkerbroek en een licht shirt uit. Dat alles bij elkaar in één was mag, maak ik haar duidelijk. In de vakantie neem ik het niet zo nauw: ik hou’ wel van een grauwsluiertje… Mijn ‘wasvrouw’ wil daar echter niets van weten. Nee hoor, ze gaat twee wassen voor me draaien, een lichte en een donkere. Over twee uurtjes kan ik mijn schone, droge was komen ophalen enne… ze maakt een betaalgebaar. Ik geef haar de afgesproken 150 roebel (…) en zeg tegen zessen terug te komen. Dan is het -strakke planning- ook zo’n beetje etenstijd. Nu had ik onderweg al warm gegeten, maar een blik op het uitgebreide buffet had me al doen besluiten vandaag maar twee keer warm te eten.*) Weliswaar een forse aanslag van Є 12,50 uit mijn vakantiebudget (én die was én een douche én weer een restaurantmaaltijd), maar ja, zoals ik altijd zeg: failliet ga ik toch…

Helemaal ideaal is dit overnachtingsplekje trouwens niet. Op vijftig meter afstand dendert het drukke verkeer van de R256 voorbij en om me heen rijdt het af en aan met vrachtwagens en particulieren die even een snelle hap komen nuttigen. Dat verkeer gaat vanavond wel rustiger worden. Ik hoop dat dat ook voor de keiharde muziek geldt, die uit talloze luidsprekers uit het gebouw schalt. Maar ja: alle was weer schoon, haren gewassen en een lekkere maaltijd is ook wat waard. Morgen de natuur weer in. Denk ik. Hoewel: Tomsk?

*) Ik ga niet weer opsommen wat ik allemaal naar binnen heb gewerkt. Volgens mij doe ik dat al veel te vaak.

OVERNACHTING #35

Oponthoud?

Mijn Huawei heeft de geest gegeven. Nou ja, hij doet het nog wel, maar ik heb geen internet meer. Mijn bundel is verlopen. Noch vanaf hier, noch vanuit het thuisfront in Nederland, lukt het mijn simcard op te waarderen. Dan maar op de manier zoals ik dat vroeger deed: koop ik gewoon in het land zelf een dongle en een simcard met voldoende tegoed. Heb ik tenminste weer internet.

In Kosh-Agach, stap ik een telefoonwinkel binnen. Er zitten twee jonge vrouwen achter de balie. Een van die twee is met een klant bezig, de ander kijkt me aan, maar reageert niet op mijn binnenkomst. Ze is druk bezig met haar mobiele telefoon. Ongetwijfeld een belangrijk gesprek. Na een minuut of vijf spreek ik haar toch maar aan. Nee, ze spreekt geen Engels, daar moet ik voor bij haar collega zijn.

Ik neem plaats op een stoel. Het verkoopgesprek van de Engels sprekende verkoopster duurt en duurt en duurt. Haar collegaatje loopt met haar mobieltje naar buiten en gaat voor de deur van de winkel aan het bellen.
Als zij weer terug achter de balie is, opent zij behoedzaam een zakje chips. Ze haalt er voorzichtig eentje uit, breekt die zorgvuldig doormidden, schuift haar hygiënische mondkapje even opzij en stopt het mini-chipje in haar mond. Met keurige gebaartjes veegt zij het zout van haar keurige vingertjes en doet haar mondkapje weer voor. Dat herhaalt zich zo’n beetje ieder kwartier. Ieder kwartier? Ja hoor, want zoals ik al zei: het gesprek van haar collega duurt en duurt en duurt.

Na ruim drie kwartier (en dus drie chipjes verder) verlaat een tevreden klant met een nieuwe telefoon de winkel en ben ik aan de beurt. Ik begin uit te leggen, wat ik nodig heb, maar al halverwege mijn derde zin onderbreekt de verkoopster me met de mededeling, dat haar kennis van de Engelse taal maar so and so is… Dat so and so blijkt dus in de praktijk praktisch niets te zijn en -voor de zoveelste keer deze reis- moet de vertaal-app uitkomst brengen. Maar dan ben ik ook snel klaar, want een simcard voor Rusland heeft ze wel, alleen mag ze die niet aan buitenlanders verkopen.
‘Pardon?’, doe ik verbluft. Ze toont me de app op haar telefoon: ‘Simcard strictly for Russian inhabitants. No foreigners.‘ En ze is onverbiddelijk. Nou ja, dat snap ik wel. Regels zijn immers regels.
Maar ik heb daar dus mooi al die tijd voor Jan-xep op mijn beurt zitten wachten. Inwendig ontplof ik, maar die meiden kunnen er ook niks aan doen, dus ik grrr..oet vriendelijk en verlaat de winkel.

Door dat krappe uur oponthoud is het inmiddels wel lunchtijd geworden. Elk nadeel…, nietwaar?
In de drukke winkelstraat is een restaurantje snel gevonden.
Het is van een hoog formicagehalte. Er zijn drie tafeltjes bezet. Aan twee ervan zit een stelletje, aan de derde tafel een man alleen.
Ik loop naar de ‘bar’ en zie dat de menukaart in het Russisch is. De man aan de andere kant van het buffet spreekt geen woord buiten de deur. Ik wend me tot de drie tafeltjes: ‘Is there anyone here who speaks English?’, vraag ik. Tot mijn opluchting antwoordt de man-alleen in perfect Engels, dat hij me wel kan helpen met mijn bestelling. Met een gebaar nodigt hij me uit bij hem aan tafel te komen zitten. Ik stel me voor en tot mijn stomme verbazing zegt hij: ‘Ik weet wel wie u bent hoor. U bent van die Hollandse camper die een stukje verderop geparkeerd staat. U bent mij de afgelopen dagen al een paar keer gepasseerd’. Ik kijk de man nog eens goed aan en dan herken ik hem. ‘Wacht eens even’, zeg ik, ‘u bent de fietser! Nu zie ik het.’
We -mijn campervrinden en ik- hadden deze man inderdaad een paar keer ingehaald. Hadden bewondering voor hem gehad hoe hij de hellingen van de Altaj bedwong. Hadden de laatste keer -een paar kilometer voor Kosh-Agach- nog tegen elkaar gezegd, dat we hem eigenlijk wel een kopje koffie konden aanbieden. ‘Dat kopje koffie zou ik erg gewaardeerd hebben’, zegt Gunther, als ik hem dat vertel.

Hij komt uit Duitsland, werkt aan de universiteit in Berlijn, waar hij ‘atomen splitst’ en houdt een fietsvakantie van drie weken.
‘Da’s kort’, zegt-ie, ‘en ik hoop het allemaal te halen. Precies een week geleden ben ik geland in Novosibirsk, dus ik heb nog twee weken om mijn vliegtuig terug naar Duitsland in Ulaan Baatar te halen. Eind van de middag hoop ik aan de Mongoolse grens te zijn. Dat moet ik makkelijk halen, want dat is nog geen zestig kilometer hier vandaan.’

We wisselen wat reiservaringen uit. Hij slaapt onderweg in hotelletjes, soms in een tentje en gaat dagelijks uit eten in een restaurant.
‘Ik weet niet wat u voor uw maaltijd heeft betaald’, zegt-ie, ‘maar ik snap niet hoe ze het voor elkaar krijgen. In de winkel zijn de ingrediënten duurder dan wat u en ik hier op ons bord hebben.’
Ik kan het alleen maar beamen, want ik betaalde hier zojuist de tot nu toe absolute buiten-de-deur-eten-bodemprijs van 170 roebel. Є 2,38 voor een salade, aardappelpuree, een kotelet en brood…

‘En de visa?’, vraag ik Gunther, ‘heb je die allemaal geregeld?’
‘Voor Mongolië heb je geen visum meer nodig hoor. En geen letter of invitation. En je hoeft je ook niet meer te registreren.’
Dat is nieuw voor mij en ik vertel hem, dat ik een visum heb en de verplichting me binnen een week te registreren.
‘Ik hoop dat je ongelijk hebt’, zegt Gunther, ‘want anders heb ik een probleem. Terug Rusland weer in kan ik niet, want ik heb een single entry en als ik Mongolië niet in mag zonder visum… Dat wordt dan overnachten in niemandsland en de ambassade bellen.’

Hij kijkt naar buiten.
‘Het weer is wat opgeklaard. Als je het niet erg vindt, stap ik weer op de fiets.’
We lopen naar buiten. Hij bergt zijn spulletjes in zijn fietstassen en we nemen -elkaar een goede reis wensend- hartelijk afscheid. Hij zwaait zijn been over het zadel en laveert tussen het verkeer door de straat uit. Op weg naar de grens van Mongolië. Ik hoop voor hem, dat-ie het land binnenkomt.

Smikkelduo

Ik hou’ van lekker snoepen, maar campervriendin Anne Marie is er ook niet vies van. De ochtendkoffiestop rond een uur of tien is nooit ‘kaal’, maar altijd met iets-lekkers-erbij.

Staan we na de koffie met z’n drieën nog even buiten van het zonnetje te genieten, zegt ze: ‘Zullen we maar weer gaan rijden, want anders begin ik alweer trek te krijgen…’

Mooi toch? Ik heb voor deze maanden mijn smikkel-evenknie gevonden!

OVERNACHTING #30

Geklutst eitje

Hè lekker, een geklutst eitje. Niet gebakken met kruiden en op een boterham, verre van dat.

Toen ik geparkeerd stond op mijn overnachtingsplek, zag ik een rare, geelachtige streep van boven naar beneden over de kastdeur onder mijn koelkast lopen. ‘Da’s de zon’, dacht ik nog naïef, maar toen ik met mijn vinger over die streep ‘zonlicht’ veegde, voelde die kleverig aan. Getverdemme, een geklutst eitje!

Drie kwartier ben ik bezig geweest alles schoon te krijgen: het eitje lag op de bovenste plank en de inhoud was lekker naar beneden gedropen.
Dat betekent: de koelkast helemaal leeg halen en alle potjes en verpakkingen met een sopje stuk voor stuk schoonmaken. De plankjes en het laatje uitsoppen. De wanden reinigen. De binnenwanden schoonmaken en een soplapje over de deur van de kledingkast.

Lekker, zo’n geklutst eitje. Lekker, die hobbels in de wegen.
Zes eieren had ik thuis gekocht. Vijf pasten in het speciale eiervakje.
‘Ach’, had ik gedacht, ‘leg ik dat zesde eitje toch gewoon -goed ingepakt, dat dan weer wel- op de bovenste plank? Wat kan er gebeuren?’
Nou, dit dus. Leermomentje!

OVERNACHTING #28+29

Knuffels

Parkeer ik op de overnachtingsplek.
Stap ik uit met m’n Marietje en m’n smiley-kussen.
Kijk ik zoekend om me heen naar een goede plek om de dagelijkse overnachtingsfoto te maken.
Ga ik met mijn camera vanuit verschillende hoeken door de knieën.
Loop ik tevreden terug naar m’n bussie.
Zie ik op sommige dagen de Russen raar naar me kijken.
Snap dat niet.
Wat is er nou zo gek aan een ouwe kerel met twee knuffels onder z’n armen?
Zijn niks gewend, die Russen.

 

OVERNACHTING #20

De weg kwijt

Zo goed en uitgebreid kan de voorbereiding niet zijn of we rijden verkeerd. Noch het thuis opgezochte waypoint, noch de coördinaten brengen ons bij Plyos, een ‘pittoresk dorpje aan de oever van de Wolga’, onze eindbestemming van vandaag. Aan het einde van een doodlopende (hobbel)weg stranden we op een pleintje met een bushokje. Links en rechts staat een hotel en Claire-mijn-Garminnetje meldt doodleuk: ‘Bestemming bereikt aan linkerzijde’.

Bestemming bereikt? Deze in-the-middle-nowhere-plek is nauwelijks pittoresk te noemen. We zijn dan ook niet in Plyos, maakt een jonge moeder met kinderwagen ons duidelijk, maar in Molodezhni Volga. Plyos ligt hier zo’n zeventig kilometer vandaan. Ik probeer met hulp van het jonge moedertje de juiste locatie bij Clair-mijn-Garminnetje te vinden, maar zonder resultaat. Het moedertje doet haar best me daarbij (in het Russisch) te helpen en op een gegeven moment gebaart ze zelfs dat ik beter even kan uitstappen. Zelf kruipt ze parmantig achter het stuur en begint op Claire-mijn-Garminnetje te typen. Ook dat heeft geen resultaat. Met de telefoon en tablet komen we er uiteindelijk uit, maar ja, zeventig kilometer hier vandaan dus. Met de staat waarin de wegen zich bevinden, gaat ons dat nog anderhalf uur kosten. Daar hebben we geen zin in en we overwegen dan maar op dit pleintje te overnachten.

Links van ons verspert een grote slagboom de toegang tot Hotel Grand (het hotel voor de aristocraten had het moedertje uitgelegd). De man van de security heeft ons al een tijdje gadegeslagen en voegt zich nu bij ons. Parkeren en slapen op het pleintje? Njet! Maar we kunnen wel naar het hotel rijden en daar parkeren. Hij regelt dat wel met de manager. We maken duidelijk dat we ons eigen ‘hotel’ bij ons hebben en beslist geen kamer willen. De veiligheidsman zegt het te begrijpen (denken we), hij stapt bij mij in m’n bussie en we rijden naar een grote, sneeuwvrij gemaakte parkeerplaats voor een kanjer van een hotel.

De redelijk Engels sprekende manager is een meer dan vriendelijke vrouw, die zich voorstelt als Tatjana (‘Buurman, wat doet u nu?’, denk ik onwillekeurig). Nadat we uitgelegd hebben wat de bedoeling is, verontschuldigt ze zich door te zeggen dat ze geen buitenstroomaansluiting heeft. Als we vertellen zelfvoorzienend te zijn, geeft ze ons een rondleiding door het hotel: door de enorme hal met kroonluchters en rood pluchen banken, waar je met gemak wel zes Fiat Ducato’s kan parkeren en dan de luifels nog kan uitdraaien ook, naar het zwembad met sauna en Turkse massage en via de brede, marmeren trap naar een van de twee restaurants met schitterend gedekte tafels. Zijn we terecht gekomen bij een vijf sterren wellness hotel!

We danken Tatjana vriendelijk voor de rondleiding, haar bereidheid ons ‘voor de deur’ te laten overnachten en spreken af, dat we om een uur of zes weer binnen komen om in het restaurant een hapje te komen eten. Een hapje eten? Dat is te gewoontjes voor deze locatie, nee, we gaan uitgebreid dineren. ‘Enne, Tatjana, vanaf hoe laat is morgenochtend het ontbijt? Acht uur? Mooi, we zullen er zijn…’
Soms kan verkeerd rijden zo zijn voordeel hebben.

 

 

 

 

 

OVERNACHTING #13