2018 Camper Eurazië Mongolië

Vloeitje

Door al dat gehossebos zijn al mijn sigaren lek. Om zo’n lekke sigaar te repareren, gebruik ik vloeitjes die ik van thuis had meegenomen. Maar die gaan hard als ik elke sigaar moet plakken. En nu is m’n boekie vloei op.

In een winkeltje zie ik shag liggen. ‘Dan moeten ze ook vloeitjes verkopen’, denk ik. Omdat mijn Mongools nog steeds niet vlekkeloos is, heb ik de lege verpakking Rizla in mijn portemonnee zitten.
‘Hebbie vloei?’, vraag ik de vrouw achter de toonbank. Niet begrijpend kijkt ze naar het kartonnetje Rizla. Ik maak een beweging een shaggie te rollen. De man die naast me staat, begrijpt het en legt de vrouw uit wat ik moet hebben. Van een stapel naast de pakjes shag pakt ze een groot, wit vel papier (ik dacht dat het een stapel papieren tafelkleedjes was).
‘Eh, is dat vloei voor sigaretten?’, vraag ik verbaasd. De man naast me knikt. ‘Zo roken ze in Mongolië hun tabak. Je moet het zelf op maat knippen. En weet je? Now you can smoke like a Mongolian!’  ‘Doe maar drie van die vellen dan’, zeg ik.

Van het padje #1

Zo gerieflijk als gisteren de asfaltweelde, zo woestijnerig zijn vandaag de ruim tweehonderd kilometer van Khovd naar Ulaangom. En hoe goed we Claire-mijn-Garminnetje en Truus-van-de-buren ook in de gaten houden, plotseling -vraag niet hoe het kan- zijn we van de route af. Op het schermpje ligt de A1701 een behoorlijk eindje links van de track waarop we rijden en dat pad wijkt steeds meer van de route af.

We besluiten off road de juiste weg weer op te zoeken. Puur op de schermafbeelding rijden we dwars over in de richting van de A1701. Ik rijd iets rechtstreekser dan de campervrinden en dat zal me bezuren. Op een paar honderd meter van de weg verwijderd, loop ik vast en draaien mijn wielen binnen de kortste keren vier kuilen in het losse zand. Shit! In het zicht van de haven…
Er hangt een dreigende onweersbui boven de woestijn en ik wil de campervrinden op de hoogte brengen van mijn ongemak. Ze zijn kennelijk net iets te ver van mij verwijderd, want de Motorola heeft geen bereik. Dan maar via de telefoon. Jammer, geen netwerk.

Terwijl de lucht boven me steeds donkerder wordt, level ik de voorwielen vrij van het zand met mijn hydrauliek en vul de gaten op met stenen. Ik schuif de rijplaten onder de wielen, laat m’n bussie weer zakken, geef gas en… kom geen centimeter vooruit.
Dat herhaal ik een paar keer, maar steeds met hetzelfde resultaat. Mooi is dat! Daar sta ik dan, midden in de woestijn, van Buddha en iedereen verlaten en zonder bereik. Als de eerste dikke regendruppels naar beneden komen, laat ik de boel de boel. Dan niet. Overnacht ik hier gewoon. Morgen weer een dag. Jammer wel dat ik zo scheef sta, want dat slaapt straks wat minder comfortabel, maar ja, als dat het ergste is…

Ik heb net een kop koffie gemaakt en een verse sigaar opgestoken, als bovenaan de heuvel het bussie van de campervrinden verschijnt. Of, zoals Anne Marie het zo vrolijk meldt: ‘Hier zijn je redders in nood om je los te slepen.’ Van slepen is echter geen sprake, want Harrie is bang zelf ook vast te lopen, dus -het is inmiddels droog geworden- gaat m’n bussie weer een paar keer omhoog, vullen we even zovele keren de gaten met stenen en… komen we geen decimeter voor of achteruit.

Als we nog een keer de voorwielen hydraulisch willen opkrikken, gebeurt er iets geks: de vier stempels komen keurig naar beneden en binnen de kortste keren staat m’n bussie met vier wielen volledig vrij van de grond. Geen gezicht: een kip op hoge poten. Maar wat we ook proberen, die stempels willen geen centimeter meer omlaag. Storing? De gebruiksaanwijzing van het levelsysteem geeft geen uitsluitsel en als het dan ook weer begint te regenen geven we het op. Morgen. Zul je zien hoe soepeltjes ik hier weg kom.

En kijk een uurtje later breekt de zon weer flauwtjes door en beschijnt mijn onvrijwillige overnachtingsplek. Niks om me zorgen over te maken toch? Maar eh… wat te denken van dat zinnetje uit de handleiding van E&P Hydraulics bij het hoofdstuk Veiligheid?

‘Het voertuig nooit volledig optillen. Als de banden de grond niet meer raken dan kan dit onstabiele en gevaarlijke situaties tot gevolg hebben en bestaat er direct gevaar voor letsel of ongevallen.’

Tsja, misschien wordt het toch wel een beetje onrustig nachtje? En nu begint het nog hard te waaien ook…

En wat is het de volgende morgen dan betrekkelijk eenvoudig.
Tenminste als we -ken uw bussie!- de plaats hebben gevonden waar de pomp en de bedieningsunit van de E&P zijn ingebouwd.
Als we olie hebben bijgevuld.
Als we ontdekt hebben waar het vaste bedieningspaneel zich bevindt, zodat we de storing kunnen uitschakelen.
En als we met drie keer liften m’n bussie uit het zand hebben en ik weer vaste grond onder de wielen heb. Naast de bus van de campervrinden. Koffie dus. En op naar de volgende vastloper?

OVERNACHTING #95

A19

Stel je de A19 voor in Nederland. Bestaat die eigenlijk wel? Weet ik niet. Nou goed: stel je een A-weg-met-een-nummer voor in Nederland. Heb je een beeld?

Stel je dan nu de A19 voor in Oost-Mongolië.
Geen idee?
Misschien helpt de foto hiernaast?
Inderdaad, dat is ‘m: de A19, die zich over honderden kilometers uitstrekt door het dunst bevolkte gebied van Mongolië.
Door het desolate, nauwelijks begroeide, dorre landschap, waar koeien, schapen, geiten en paarden op zoek zijn naar wat schaarse grassprieten. Waar het eentonige, maar ronduit schitterende landschap regelmatig wordt onderbroken door een afgelegen ger, waarin de (zomer)nomaden verblijven. Waar kadavers langs de weg liggen, maar ook en vooral veel petflessen, drankflessen, jerrycans van motorolie en meer los afval.
Wat is het er mooi. Wat is het uitgestorven. Zo stelde ik me thuis tijdens de voorbereidingen dit deel van Mongolië voor. De werkelijkheid is nog imposanter.

En dan -als uit het niet- doemt er zomaar een dorp op. Berkh ligt hemelsbreed op zo’n goeie 150 kilometer van de Russische grens. Komt er daarom een soldaat haastig naar m’n bussie gesneld als ik tijdens mijn ‘rondje dorp’ even stop bij een groot gebouw? In vergelijking met de overige bebouwing is het opvallend goed onderhouden. Ik sta op de parkeerplaats van een kazerne, maakt de soldaat me duidelijk en hij gebaart me weg te wezen.

En dan blijkt er in dat drie-keer-niks-dorpje ook nog een zes-keer-niks-pompstationnetje te zijn, waar het eigenaarskoppel (?) binnen de kortste keren in m’n bussie staat om alles te bewonderen en waar ik -onvoorstelbaar- gewoon met m’n visacard kan betalen.

Kloosterafgang

Wat jammer nou: die ‘weg’ op en neer naar het klooster is ten koste gegaan van mijn apothekerskast. Die superhandige, praktische kast, waar ik zo blij mee was, is helemaal naar de ratsmodee gerammeld. De onderdelen, bevestigingen en het slotje vlogen -kapot- door m’n bussie. Dus op de overnachtingsplek alle Inhoud er uit, de deur met een touwtje provisorisch vastbinden en noteren als klus-voor-thuis in het najaar.

En dat heeft niks te maken met mijn oordeel over het klooster. Laat daar geen misverstand over bestaan.

OVERNACHTING #65

Recept

Ik heb even geen zin in an original Mongolian dish.
Het meisje bij de bar van het een-blind-paard-kan-er-geen-kwaad-doen-huiskamer-restaurantje spreekt een paar woordjes Engels. Er staan eieren op de bar en dat brengt me op een idee.

‘Ik zie dat je eieren hebt’, spreek-gebaar ik. ‘Heb je ook uien? Ja? En tomaten? Ok. Een paprika misschien? Nee? Laat maar zitten dan. En vlees. Wat voor vlees heb je? Rund en schaap? Doe maar schaap. Nou, let op: je snippert een halve ui en snijdt die tomaat in stukjes. Wil je hele dunne plakjes  schapenvlees voor me snijden en dat dan weer in reepjes? Dan bak je dat vlees even aan en dan de uitjes erbij. Snap je? Dan de tomaat in de pan en drie eieren. En dan lekker roeren en bakken. Boterham op een bord en daar de hussel overheen. Lekker hoor!’

Ze kijkt me aan alsof ze het in Ulaan-Baatar hoort donderen, maar ze zal het doorgeven aan de keuken, samen met mijn briefje vol tekeningetjes waarop ik het recept heb verduidelijkt.
‘Enne, wat gaat me dat kosten?’ Dat moet ze even met de kok overleggen, want zo’n gerecht, tsja… Als ze even later terugkomt, kijkt ze me wat verlegen aan en schrijft het bedrag op een papiertje. Drie kwartjes. Nou, dat valt niet tegen. ‘Heb je ook koffie? Oh, zo’n zakje Nescafé. Ja prima. Doe maar. Hoeveel is dat dan meer? Achttien cent? Ok.’

‘Thuis zou ik zo’n husseltje in vijf, tien minuten op tafel hebben’, denk ik na een half uur, maar dan gaat de lichtblauwe lap plastic opzij die de keuken scheidt van de eetkamer. Ach gut, wat hebben ze hun best gedaan: mijn eten wordt geserveerd op een ovale houten plank, met daarop een gietijzeren bord in de vorm van een koe (zoals je bij onze Chinees de ti pan krijgt opgediend). Wat aardig, want de drie andere gasten eten van een doordeweeks bord of uit een papiertje. En kijk dit nou voor me staan, samen met die metalen koffiemok, die nog zo nieuw is dat de lijm van het prijsstickertje nog aan de onderkant zit.

Maar -niet onbelangrijk- smaakt het ook? Het meisje blijft afwachtend bij mijn tafel staan tot ik een eerste hap heb genomen. Heerlijk! Precies wat ik bedoelde. Ik maak het meisje duidelijk, dat het prima smaakt. Ze zucht hoorbaar opgelucht en verdwijnt naar de keuken. Ik smikkel met smaak van mijn warme lunch. Lekker hoor en zijn geld dubbel en dwars waard!

Verloren testikeldag

Dagen maken en kilometers draaien? Start ik daarom vanmorgen om zes uur de motor al? Slaat natuurlijk nergens op, want ik heb alle tijd van de wereld, maar dat ‘overbodige’ ommetje wil ik zo snel mogelijk achter de rug hebben. En vroeg wakker ben ik toch altijd al, dus: on the move!

Voorlopig is het nauwelijks moven, want mijn route oostwaarts voert over een flink stuk onverharde weg. Na een uurtje begin ik me zorgen te maken. Claire-mijn-Garminnetje heeft al een paar keer een herberekening gemaakt, maar dat gebeurt wel vaker, zeker in gebieden waar ze bezig zijn een nieuwe weg aan te leggen, die soms enigszins afwijkt van de oude. Toch krijg ik steeds meer het gevoel fout te zitten. Ik rijd naar het zuidoosten en dat wil ik helemaal niet. Ik wil oostwaarts! Ik pak de ouderwetse wegenkaart erbij en stel vast dat mijn gevoel juist is. Ik wijzig een paar keer de eindbestemming richting ‘asfalt’, maar blijf onverhard verder stuiteren. Het zou wel erg makkelijk zijn Claire-mijn-Garminnetje hiervan de schuld te geven. Nee, gewoon mijn eigen stomme schuld! Afslagje gemist? Geen idee.

Allemaal leuk en aardig hoor, dat aanleggen van een nieuwe weg en ze zijn er ook volop aan bezig, maar gerieflijk rijden is het niet. Er ligt alleen nog maar een deklaag en hele stukken zijn nog ‘wasbord’. Daar kun je geen snelheid maken. Niet dat ik op de naastgelegen oude weg wel kan doorrijden, want daar heb ik weer te maken met putten, kuilen, hobbels en diepe voren. Bovendien wordt dat rijden op ‘wasbord’ zeer regelmatig onderbroken door wegwerkzaamheden. Soms staat dat met een bord aangegeven en wijst een pijl je de weg, soms ligt er gewoon ineens een hoge berg stenen of zand dwars over de weg en moet ik noodgedwongen keren en kilometers terug rijden om de alternatieve afslag te zoeken. Het schiet niet op dus.
Het landschap is en blijft prachtig, daar niet van, maar behalve dat ik naar mijn idee het gevoel heb verkeerd oostwaarts te rijden, ben ik dat onverhard rijden spuugzat. Dat constant en geconcentreerd uiterst alert moeten zijn op de weg. Dat onafgebroken bonken, trillen, schudden. Dat heen en weer geslingerd worden in mijn stoel, hoe langzaam ik ook rijd. Stop ik voor een kop koffie, ligt mijn bed bezaaid met alle kleding uit een kastje. Is het deurtje open gesprongen. Hoor ik achter me een vreemd geluid, is er een la spontaan open gegaan. En ’s avonds op mijn overnachtingsplek kom ik er achter dat er een stukje van de rand van mijn keramische kookplaat is gesprongen. Is er een potje uit het ‘kruidenrek’ op gevallen. Het beschermende matje dat altijd op die plaat ligt, raap ik van de vloer.
Ik kan me nog herinneren hoe slecht ik de wegen in Rusland op bepaalde stukken vond. Nu kan ik bijna niet wachten tot ik daar weer ben. Maar ja, zoals ik nu rijd -verkeerd en onverhard- kan dat nog wel even duren.

Ik word ingehaald. Hij stuift me letterlijk voorbij en even word ik verblind door de wolk stof die me het uitzicht op de weg ontneemt. Gas los, remmen, maar te laat: midden in die zandmist duik ik een dalletje in en begint mijn boordcomputer te piepen. Storing in de Traction Plus. ´Ga naar de dichtstbijzijnde dealer om het systeem te resetten´, staat er op de display. Dichtstbijzijnde dealer? Hier? Laat me niet lachen! Dat wordt dan Ulaan-Baatar, waar ik toch al van plan was naar een garage te gaan om mijn hydrauliekbak te laten vastzetten, steviger dan nu met bindbandjes, sjorband en touwtjes. Hoop trouwens dat die bak blijft zitten onder deze omstandigheden. Dat die Traction Plus uitvalt is trouwens wel vervelend. Juist op dit soort wegen heb ik dat altijd aanstaan voor meer grip op weg. Jammer dan. Nog voorzichtiger rijden dus. Gelukkig werkt de UP nog wel. Scheelt weer wat.

’s Middags begint het te regenen. Waarom zakt dat water niet onmiddellijk weg in die gortdroge grond? Waarom lopen alle ribbels van het wasbord vol water? Waarom komen er nu overal plassen op die toch al beroerde weg? Het wordt glibberig en onaangenamer.
Op een smal stukje weg komt me een witte personenauto tegemoet. Normaal gesproken wijken we dan allebei een beetje en kunnen elkaar dan stapvoets passeren, maar hij blijft stug midden op de weg rijden, met als gevolg dat ik teveel moet uitwijken en mijn rechter voorwiel vastdraai in de modder. Kan er ook nog wel bij! Gelukkig komen er even later drie auto’s met dagje-uit-gezinnetjes me tegemoet. Ze stoppen, zien mijn probleem en gaan me helpen. Met uitzondering van de kinderen stapt iedereen uit en bekijken we -in de stromende regen- mijn situatie. Zonder iets te vragen, gaat een van de mannen bij mij achter het stuur zitten, start de motor en gebaart de anderen te duwen. Met vereende krachten en twee keer voor en achteruit duwen, krijgen we m’n bussie weer op het pad. Dank jullie wel allemaal en een fijne dag verder!

En kon ik nu maar schrijven dat bij alle ongemakken die hydrauliekbak is blijven zitten, maar niets blijft me vandaag bespaard.
Bij passage van het dorp Tosontengel begeeft de provisorische ophanging het. Nog een geluk dat het in een bebouwde kom gebeurt. Waar ze zo snel vandaan komen weet ik niet, maar nog voor ik ben uitgestapt, staan er drie mannen bij m’n bussie. Als ik mijn achterkant omhoog heb gezet, kruipen ze onder de auto, zetten de bak zo’n beetje vast en wijzen en gebaren dan op een soort garage, zo’n vierhonderd meter verderop.
De man daar bekijkt het probleem en komt met de suggestie de bak met twee beugels vast te zetten. Van mij mag-ie. Scheelt me in Ulaan-Baatar weer. Hij snijdt stroken ijzer, buigt ze op maat, boort er gaten in, last het een en ander, zoekt in een blik langdurig naar de juiste (oude) bouten en moeren, maar kruipt uiteindelijk met een tevreden gezicht onder m’n bussie vandaan en steekt zijn duim omhoog. Snel verteld weliswaar, maar ik strandde hier om half vier en rijd om zeven uur weg, uitgezwaaid door een koppeltje mannen dat al die uren rond m’n bussie had gehangen in wisselende samenstelling. Ik schat dat bij elkaar zo’n mannetje of dertig voor korte of langere tijd even kwam aanwippen, waarbij de fles wodka meer dan regelmatig rond ging. En allemaal m’n bussie in en alles bekijken. En overal aanzitten. En deurtjes openen (waar ik een stokje voor stak; er zijn grenzen, nietwaar?). Met elkaar roken ze een heel pakje sigaretten van me op, vervuilen m’n bussie, de monteur gaat zo onder de auto vandaan met zijn grondkorrelige rug op de bestuurdersstoel zitten (au!), maar de klus is geklaard en dat is me heel wat waard. Honderdduizend tugrik om precies te zijn, omgerekend Є 35,–.

Ach, soms zit het mee, soms zit het tegen. Dacht ik vandaag lekker te kunnen opschieten, ben ik volgens mijn triplog met een gemiddelde snelheid van maar liefst 23 kilometer per uur in negen gereden uren toch maar even 203 kilometer opgeschoten. Opgeschoten? Toen ik vanmorgen startte, was het nog minder dan duizend kilometer naar Ulaan-Baatar. En nu nog maar 1100… Ik kan er niet van wakker liggen als ik doodmoe mijn bed inrol. Morgen weer een dag.

OVERNACHTING #103

Wodka-zondag

Het is zondagmiddag. Ik trek de handrem aan langs de oever van de Chuluut en kijk om me heen. Verspreid langs de rivier zitten hier en daar wat groepjes mensen. Een stukje verderop zie ik kinderen bibberend het water ingaan. Het is nog vroeg in de middag, maar dit plekje bevalt me wel om te overnachten. Bovendien is het stralend weer, niet te vergelijken met gisteren toen het -bij uitzondering- de hele dag regende, en binnen de kortste keren zit ik buiten in m’n luie stoel met koffie en sigaar.

Niet helemaal toevallig slenter ik niet veel later naar een groep mensen waar ik een vuurtje zie roken en waar ze in een slordige kring op een groot kleed zitten. Ik word begroet als een oude bekende, schud handen en word op mijn schouder geklopt. Onmiddellijk komt er een vrouw naar me toe met een fles Mongoolse wodka en een borrelglaasje. Ik zie verder geen ander glaswerk, dus hier zullen ze allemaal wel uit drinken. Geen probleem: alcohol zuivert, nietwaar, en ik sla de inhoud achterover. Er gaat een goedkeurend gemompel door de groep en mijn glaasje wordt meteen weer gevuld. Ook dat gaat ad fundum. Niet zo’n prestatie trouwens, want die Mongoolse wodka is qua sterkte niet te vergelijken met de Russische: het is net water, met op de achtergrond in de verte een wodkasmaak.

Ik moet vooral gaan zitten en krijg een schaaltje vlees-met-bot aangeboden, waarvan me ‘verteld’ wordt dat het van een schaap is. Ook de grote homp lillend vet, die ik daarna krijg, is schapenvlees. Van de bil, legt de vrouw naast me uit door een ferme klap op haar achterwerk te geven en haar ogen verlekkerend ten hemel te slaan. Het zal allemaal wel en ik laat het me smaken, terwijl het wodkaglaasje meer dan regelmatig rond gaat. Ik laat me niet onbetuigd, want rijden doe ik vandaag niet meer, m’n bussie staat vijftig meter verderop en dan: dat Mongoolse alcoholpercentage, bijna te verwaarlozen…

’s Avonds begin ik toch wel weer trek te krijgen.*) Langs de weg had ik die middag een paar restaurantjes gezien. Dat is maar een klein stukje lopen, dus daarheen ga ik op weg. Als ik bijna bij de top van de heuvel ben, kom ik langs een huis waarnaast een groep mensen een ger aan het bouwen is. Ze roepen me en wenken me naderbij te komen. Rond het dak van de ger staan drie mensen het ‘dakkleed’ strak te trekken en ik begrijp dat ze willen dat ik een handje help. Als dat klaar is, gebaar ik dat ik op weg ben naar een van de restaurantjes. Komt niks van in: ik word bijna hun huisje ingeduwd, want ‘hier kun je ook eten’.

Ik kom in een groot, kaal vertrek waar een blind paard geen kwaad kan doen. Langs de korte kant staat een bed van wand tot wand, daarvoor een tafeltje van de kringloop en langs de lange muur een kastje met een spelende televisie. In een hoek staat een langzaamwasser. Verder is de ruimte leeg. Er hangt niks aan de muur, er staan geen spulletjes-voor-de-leuk.

Het vertrek ernaast is de keuken. Wat ik wil eten, vraagt de volwassen dochter des huizes, terwijl ze uitnodigend de vrieskist opent. Als ze een voor een de vele plastic zakken met vlees omhoog tilt en bij een ervan zegt dat het yakvlees is, ben ik verkocht. Yakvlees! Dat heb ik nou nog nooit gegeten, dus: gooi maar in de wok, fruit er een uitje bij en meng het maar door de mie! En wat moet dat dan kosten, maak ik het internationale betaalgebaar. Moeder en dochter overleggen even en tonen me dan op hun mobiel het bedrag: 5000 tugrik. Nou vooruit, doe ik grootmoedig: voor Є 1,75 mag ze aan het eten beginnen…

Als ik vragend rondkijk waar ik straks mijn maaltijd kan opeten, troont moeders me mee naar het grote bed. Ik zie inderdaad geen enkele stoel, dus plof ik achter het tafeltje op dat bed neer. Op een partij houten planken moet ik zeggen met een kleed er overheen. Terwijl ik wacht tot mijn eten klaar is, vraag ik om yakthee. Of ik ook Mongoolse wodka wil. Natuurlijk wil ik dat. Een mens moet in zijn ritme blijven nietwaar?

In plaats van met een borrelglaasje komt moeders met een volwassen maatje theeglas aanzetten, tot de rand gevuld, dat ze uitnodigend voor me op tafel zet en afwachtend blijft staan tot ik een slokje neem. Met een kleine afleidingsmanoeuvre draai ik het glas -zonder dat zij het merkt- een halve slag rond, zodat de opgedroogde smurrie aan de achterkant zit. Ik neem een slok en knik goedkeurend. Waterig, wat ik al verwachtte.

Even later komt mijn eten op tafel, samen met de afstandsbediening van de televisie, zodat ik zelf kan kiezen uit de 54 kanalen. Dan gaan moeder en dochter naar buiten om verder te helpen met de bouw van de ger. Op het harde randje van het bed eet ik mijn schaaltje met smaak leeg, neem buiten bij de ger afscheid van het gezelschap en wandel terug naar m’n bussie.

Sommige campervrinden, die toevallig ook door Mongolië reizen (nee, ik noem geen namen!), gruwgriezelen als ik verslag uitbreng van mijn ‘barbecue’-belevenis en mijn avondeten. Ik ben juist niet vies van dergelijke hapjes-buiten-de-deur. Sterker nog: ik geniet met volle (waterige wodka)teugen!

*) Oplettende lezertjes begrijpen dit volkomen: er moet wel heel wat gebeuren, wil Frits eens geen trek hebben…

OVERNACHTING #86

Opgelucht

Ik ontvang een appje van broer Rob. Hij heeft het verhaal over het rode zand gelezen*), en raadt me aan voor ik aan de terugreis naar Nederland begin bij een Fiat-garage langs te gaan om mijn luchtfilter en aircofilter te laten reinigen of vervangen. Nu heb ik een reserve luchtfilter bij me, dus ik beloof hem daar een dezer dagen naar te (laten) kijken.

Nou, dat luchtfilter moet maar even wachten, want als ik vanmorgen na het tanken bij de pomp wil wegrijden, begint er een alarm te piepen en meldt de boordcomputer: ‘Versnellingsbak niet beschikbaar’. Klopt: ik kan schakelen wat ik wil, maar de bak blijft in de neutrale N staan. Geluk bij een ongeluk trouwens, want een kwartiertje geleden stond ik nog in de woestijn, waar de bak gelukkig nog wel schakelde.

En dan nu dus bij die benzinepomp, waar ik weer eens geconfronteerd wordt met het onvermogen met Mongolen te praten, die alleen hun eigen taal spreken. De pomphouder snapt wel dat m’n bussie niet meer wil starten en dat wordt weliswaar bij de pomp weggeduwd, maar als hij na een telefoontje in zijn auto stapt en vertelt wat hij gaat doen, heb ik geen flauw idee van zijn bedoelingen.
Zijn vrouw haalt intussen uit het kantoor snoepjes en deelt gezellig uit. Dan begint ze te bellen en geeft haar telefoon aan mij. Ik krijg een prima Engels sprekende vrouw van het hoofdkantoor van de oliemaatschappij aan de lijn, die me uitlegt, dat de pomphouder een monteur gaat ophalen, die met een diagnosecomputer gaat proberen mijn probleem op te lossen.

Die monteur prikt zijn computertje aan m’n bussie en komt -na wat verkeerde output over merk en bouwjaar- tot de conclusie dat er een temperatuursensor kapot is. Geen probleem: die kan hij eenvoudig vervangen. Wel een probleem: die sensor moet uit Ulaan-Baatar komen…

Tot stomme verbazing van Harrie (mij zegt het allemaal niks) begint die monteur de kap van het luchtfilter te verwijderen. ‘Het probleem is de versnellingsbak hoor’, probeert Harrie nog te gooogle-translaten, ‘en niet het luchtfilter’, maar de monteur haalt het zwaar vervuilde filter er toch uit. Daar moet een nieuwe voor komen en ook die moet in UB besteld worden. Ik haal mijn reservefilter tevoorschijn, dat wordt geplaatst en ik krijg een seintje te motor te starten. En verdraaid: ik kan weer schakelen!

Snappen doe ik het allemaal niet en van zo’n boordcomputer wordt een leek als ik ook niet echt wijzer. Harrie -die toch in vergelijking met mij technisch in de eredevisie speelt- trouwens ook niet. ‘Handig hoor’, zegt-ie, ‘zo’n alarmmelding. De versnellingsbak werkt niet, dus (…) moet je het luchtfilter vervangen! Stel je voor: je hebt thuis een lekkende kraan en dat verhelp je door de deurbel te vervangen!’ Ik ben allang blij dat het probleem is opgelost, betaal de monteur een ton tugrik en rijd opgelucht de weg weer op.

*) (her)lees: Ontzanden

OVERNACHTING #77

Voor de deur

De buurtschap is zo klein, dat het op de wegenkaart en de computer niet eens een naam heeft. Een kilometertje of tien voor de grotere stad Bayantal ben ik erheen gereden en rijd er wat rond, op zoek naar een geschikte overnachtingsplek.

Op het eind loopt het buurtschapje dood op een speelterrein voor kinderen. Het laatste huis is er zo’n dertig meter vandaan. De eigenaar staat voor de deur zijn auto te wassen.
‘Hier zou ik mooi kunnen staan’, denk ik, ‘maar laat ik het voor de zekerheid even aan die man vragen.’ Hij begroet me vriendelijk en ik maak hem duidelijk dat ik bij het speelterrein wil overnachten. Of hij daar bezwaar tegen heeft? Zijn vrouw verschijnt in de deuropening. Twee kinderen kijken -half weggekropen achter haar benen- nieuwsgierig naar de vreemdeling die hier met z’n bussie is gestopt. ‘Daar bij de speelplaats?’, gebaart ze, ‘welnee. Zet je auto maar bij ons voor de deur, naast de andere auto’s!’ Ze geeft me aanwijzingen hoe ik moet draaien en dirigeert me pal naast de voordeur.

Als ik even later bezig ben mijn overnachtingsfoto te maken, verschijnt ze weer in de deuropening. Ze heeft een kop thee in haar handen en wenkt me binnen te komen. Tussen de onbeschrijflijke armoede*) door gaat ze me voor naar de keuken, waar we aan de tafel gaan zitten. Terwijl ze druk in de weer is de vele vliegen dood te meppen (en die op de grond laat liggen), zet ze ondertussen schalen met zelfgebakken koeken en andere zoetigheden op tafel. ‘Tast toe’, gebaart ze. Ik pak een forse koek van de schaal, maar krijg met geen mogelijkheid er een hapje van afgebeten. Dat doe ik ook helemaal fout, volgens de vrouw, want die koek moet ik soppen in de thee (en als ik nou ergens een hekel aan heb…). Ik sop die harde koek dus in de (mierzoete) thee en sabbel er een stukje van af. Ook de koek is mierzoet, evenals alle andere lekkernijen die op tafel staan en die ik van de vrouw natuurlijk allemaal moet proeven. Nog een wonder dat ik zo slank blijf…

Van geboortebeperking hebben ze in deze buurtschap waarschijnlijk nog nooit gehoord, want het wemelt hier van de kinderen. En die komen natuurlijk allemaal om beurten of in groepjes even buurten bij die grijsaard met zijn huis op wielen. ‘Hello, my name is  Noyan’, is het enige zinnetje Engels dat ze hebben opgepikt en hoeveel keer ik dat aan mijn schuifdeur heb gehoord, heb ik niet kunnen bijhouden.

En wie staat er ’s avonds met een grote kom soep voor mijn schuifdeur? De soppende koekenmoeder. ‘Eet vlug op, want nu is het nog warm’, gebaarzegt ze.

Als ik die afgewassen kom en lepel ga terugbrengen, moet ik vooral even binnenkomen. We ‘kletsen’ wat, ik mag foto’s maken, tot de vrouw opstaat omdat de koeien gemolken moeten worden. ‘Loop je mee?’, vraagt ze uitnodigend.

En de volgende morgen staat mijn gastvrouw alweer bij de schuifdeur van m’n bussie. ‘Kom mee’, wenkt ze. We lopen naar een kotje naast het huis, waar een allesbrander staat te snorren. Ze gooit een paar stukken droge koeienstront op het vuur, veegt haar handen een beetje af en maakt twee thermoskannen thee van de gisteren gemolken koe. Haar man komt ook naar het ‘kookhuisje’ en met z’n drieën ontbijten we daar: melkthee, soep en brood. Ik geniet van hun hartelijkheid. Jammer dat we geen woord van elkaar verstaan. Wat zou ik allemaal niet willen vragen. In plaats daarvan slurp ik (ik pas me aan) mijn thee naar binnen en eet mijn soep.

*) Is uiteraard  mijn mening, gebaseerd op onze westerse normen van armoede. Maar er staat wel een blinkende 4×4 Toyota voor de deur, goed onderhouden en zonder ook maar een schrammetje schade. In de huiskamer hangt een megagroot televisiescherm. Als ze hun eigen foto’s willen zien op mijn website, komt er een supermoderne, razendsnelle Acer laptop tevoorschijn. Hun kleding is schoon. Ze zien er goed verzorgd uit. Maar hun huis is niet westers: de muren zijn van ongevoegde kalkzandstenen, raamdorpels ontbreken, het dak is niet netjes afgewerkt. Hun tuintje en het pad naar de voordeur zien er niet uit. Alle houtwerk schreeuwt om een lik verf. Zouden wij westerlingen meteen in orde maken. Maar misschien hebben deze mensen er vrede mee. Geven ze er minder om. Moet ik mijn definitie over armoede zo langzamerhand niet eens bijstellen?