2018 Camper Eurazië Mongolië

Twee gesprekjes

Er steekt weer eens een kudde schapen over en ik moet stoppen. Gewoonste zaak van de wereld hier in Mongolië: schapen, koeien, geiten, paarden en kamelen steken hier de weg over als ze daar zin in hebben of als de herder zijn kudde naar de overkant leidt. Het hoort er bij in Mongolië.
Links aan de overkant is een auto gestopt. Twee keurige vrouwen, gekleed in nette vakantiekleding waar de kofferkreukels nog inzitten, zijn uitgestapt en nemen dolenthousiast talloze foto’s van elkaar met de overstekende schapen op de achtergrond. Ik draai mijn raampje omlaag.
Good afternoon‘, roep ik, ‘your first day in Mongolia, I suppose?
‘Ja, ja’, antwoorden ze enthousiast, ‘is het niet geweldig, die beesten zomaar op de weg?’

 

Op zoek naar een plekje voor de nacht rijd ik aan het eind van de oprijlaan door het openstaande hek, waarnaast met grote letters China Shipping staat geschreven. Ik vermoed bij een of andere handelsmaatschappij te zijn beland. Er komt een vrouw de trappen van de hoofdingang af. Als ik haar de hand schud, denk ik een goede beurt te maken door haar te begroeten met een hartelijk: ‘Good afternoon, madam, or should I say Ni Hau?‘ (de enige woordjes Chinees die ik ken). Ze kijkt me bevreemd aan en legt me uit dat het gebouw een hotel is. Pas als ik op mijn overnachtingsplekje sta, zie ik, dat dat China Shipping op een oude container staat geschilderd, die gebruikt wordt als werkplaats en opslagruimte. Had ik even niet gezien.

Gastvrij

Lees en hoor je toch altijd dat die bewoners van zo’n ger zo hartelijk en gastvrij zijn? Klopt helemaal!

Ik speur de omgeving af voor een plekje voor de nacht en zie rechts van de A0602 een zestal gers staan. Ik hobbel erheen. De bewoners zijn net de geiten aan het melken, die bijeengedreven zijn in een omheining. Ik stop, maak duidelijk dat ik hier zou willen overnachten en vraag hun toestemming. Die krijg ik, sterker nog: ik word uitgenodigd over het hek te klimmen en mee te helpen met melken. Ik weiger beleefd. Twee jongens te paard bieden me een ritje aan. Ik weiger nog beleefder. Een van de oudere vrouwen die niet meehelpt met melken wijst uitnodigend naar haar ger en wenkt me mee te komen.
Kijk, en die uitnodiging neem ik dan weer graag aan, want eenmaal binnen, gezeten op zo’n ongemakkelijk, laag houten krukje, krijg ik meteen een kom warme yakmelk. En ze presenteert er harde knabbelkoeken bij. Ook zet ze een soort bakplaat op de grond voor me neer, gevuld met gelige, grote en kleine kruimels (gestremde melk?). Haar man (?) die bij binnenkomst lag te slapen, legt uit wat het is. Dat doet-ie in het Mongools, dus begrijpen doe ik het niet. Ter ondersteuning van zijn verhaal, graait-ie met zijn vuile handen met rouwrandnagels door de kruimels. Zijn kleindochter, die zojuist nog een geit zat te melken, graait gezellig mee. Ik heb niet gezien dat ze na het melken haar handen waste. ‘Neem gerust’, gebaart de rouwrand, ‘het is lekker hoor!’

Inmiddels zijn de anderen klaar met melken en eigenlijk ben ik ook wel klaar met oma en opa Gers. Met name opa wordt steeds handtastelijker en ik vind het onaangenaam worden als-ie met zijn drankkegel steeds dichterbij me komt staan. Als hij ook nog vertelt, dat hij vroeger worstelaar is geweest en met mij een partijtje wil ‘stoeien’, vind ik het tijd om op te staan en naar m’n bussie te gaan.

Dat gaat niet een-twee-drie, want bij nog twee andere gers word ik in het voorbijlopen binnen gevraagd. En weer drink ik yakmelk. En weer knabbel ik harde koeken. En natuurlijk komt de hele goegemeenschap later die middag naar de bussies kijken. En allemaal naar binnen. En allemaal vol verbazing en bewondering rondkijken. Vooral de vele kinderen zijn niet bij mijn rijdende ger weg te slaan. Na een uurtje doorlopend bezoek doe ik mijn schuifdeur maar dicht. In tegenstelling tot ‘de’ Mongolen heb ik op een gegeven moment mijn (oer-Hollandse) grens van gastvrijheid bereikt.

OVERNACHTING #87 t/m 89

Politiebezoek #2

Na het avondeten komt er een politiebusje en een motor het terrein opgereden waar ik voor de nacht geparkeerd sta. ‘Ach, paspoortcontrole’, denk ik en wil al opstaan om mijn papieren te pakken. Maar niets is minder waar: oom agent en zijn motorvriendje zijn alleen maar stiknieuwsgierig naar m’n bussie en bewonderen het interieur.

En ik veins bewondering voor hun motor en heb oprechte interesse in dat politiebusje van Russische makelij. Het resultaat is, dat ik ‘tussenin’ een ritje door de omgeving maak op de motor, maar -en dat is pas stoer- dat ik een rondje mag rijden in zo’n super basic, no nonsense Russisch ‘broodje’.

Voor hun komst zat ik met een kop koffie mijn e-book lezen. Best wel saai in vergelijking met deze leuke, onverwachte onderbreking!

OVERNACHTING #81

Eigentijds

Dat beeld hè, van die stoere Mongoolse ruiter, die in zijn lange jas, hoge bontgevoerde laarzen en zo’n ronde, typisch Mongoolse hoed op zijn hoofd rondom zijn kudde paarden galoppeert, dat beeld. Nou vergeet het. Die hoedt nu de kudde, gezeten op zijn (Chinese) brommer of motor.

Van A naar Beter?

Even letten we niet op, even kijken we niet op de Garmin en de tablet en we rijden verkeerd. Hebben bij een nauwelijks zichtbare splitsing van een track klaarblijkelijk de verkeerde kant gekozen. En dan rijd je dus door de Gobi, waar verkeersborden ontbreken (…) en je op gevoel de juiste richting op moet rijden. Claire-mijn-Garminnetje en Truus-van-de-buren rekenen zich constant suf, maar komen iedere keer niet verder dan de mededeling: ‘Ga naar track’. Het is moeilijk je te oriënteren in dit landschap. Alles lijkt op elkaar. Markeringspunten zijn er niet. Gaan we in de juiste richting? Rijden we rondjes? Met meer geluk dan wijsheid bereiken we rond koffietijd het dorpje Bulgar.

We tanken, doen wat minimale boodschappen in het minimale winkeltje, ik neem geld op en we gaan weer verder, op weg naar Kharkorin en het nabijgelegen Erdene Zuu Chiid, de overblijfselen van een zestiende eeuws klooster.

En weer rijden we verkeerd en als ik bovendien vast kom te zitten in het rulle zand en er uit moet worden getrokken, vinden we het welletjes. We besluiten terug te keren naar Bulgar en vanaf daar een nieuwe poging te ondernemen. Na de ochtendkoffie vertrokken we uit dat plaatsje, tegen half drie zijn we er terug: een afstand heen en weer van nog geen veertig kilometer!
We parkeren voor het restaurantje, waar we een prima maaltijd krijgen voorgeschoteld en ik voor het eerst van mijn leven kamelenvlees eet.
Tijdens de maaltijd besluiten we het voor vandaag voor gezien te houden en hier in Bulgar te overnachten. Tuttelen we vanmiddag een beetje en kunnen we ons beraden over de verdere plannen. Gaan we naar dat klooster via de ruim tweehonderd kilometer Gobi-puzzelroute of gaan we zo’n negentig kilometer terug over tracks naar het asfalt? Die laatste optie is een heel eind om, maar we kiezen er toch voor. Blij met dit besluit bestel ik een biertje, want vandaag rijd ik geen kilometer meer.

OVERNACHTING #80

Opgelucht

Ik ontvang een appje van broer Rob. Hij heeft het verhaal over het rode zand gelezen*), en raadt me aan voor ik aan de terugreis naar Nederland begin bij een Fiat-garage langs te gaan om mijn luchtfilter en aircofilter te laten reinigen of vervangen. Nu heb ik een reserve luchtfilter bij me, dus ik beloof hem daar een dezer dagen naar te (laten) kijken.

Nou, dat luchtfilter moet maar even wachten, want als ik vanmorgen na het tanken bij de pomp wil wegrijden, begint er een alarm te piepen en meldt de boordcomputer: ‘Versnellingsbak niet beschikbaar’. Klopt: ik kan schakelen wat ik wil, maar de bak blijft in de neutrale N staan. Geluk bij een ongeluk trouwens, want een kwartiertje geleden stond ik nog in de woestijn, waar de bak gelukkig nog wel schakelde.

En dan nu dus bij die benzinepomp, waar ik weer eens geconfronteerd wordt met het onvermogen met Mongolen te praten, die alleen hun eigen taal spreken. De pomphouder snapt wel dat m’n bussie niet meer wil starten en dat wordt weliswaar bij de pomp weggeduwd, maar als hij na een telefoontje in zijn auto stapt en vertelt wat hij gaat doen, heb ik geen flauw idee van zijn bedoelingen.
Zijn vrouw haalt intussen uit het kantoor snoepjes en deelt gezellig uit. Dan begint ze te bellen en geeft haar telefoon aan mij. Ik krijg een prima Engels sprekende vrouw van het hoofdkantoor van de oliemaatschappij aan de lijn, die me uitlegt, dat de pomphouder een monteur gaat ophalen, die met een diagnosecomputer gaat proberen mijn probleem op te lossen.

Die monteur prikt zijn computertje aan m’n bussie en komt -na wat verkeerde output over merk en bouwjaar- tot de conclusie dat er een temperatuursensor kapot is. Geen probleem: die kan hij eenvoudig vervangen. Wel een probleem: die sensor moet uit Ulaan-Baatar komen…

Tot stomme verbazing van Harrie (mij zegt het allemaal niks) begint die monteur de kap van het luchtfilter te verwijderen. ‘Het probleem is de versnellingsbak hoor’, probeert Harrie nog te gooogle-translaten, ‘en niet het luchtfilter’, maar de monteur haalt het zwaar vervuilde filter er toch uit. Daar moet een nieuwe voor komen en ook die moet in UB besteld worden. Ik haal mijn reservefilter tevoorschijn, dat wordt geplaatst en ik krijg een seintje te motor te starten. En verdraaid: ik kan weer schakelen!

Snappen doe ik het allemaal niet en van zo’n boordcomputer wordt een leek als ik ook niet echt wijzer. Harrie -die toch in vergelijking met mij technisch in de eredevisie speelt- trouwens ook niet. ‘Handig hoor’, zegt-ie, ‘zo’n alarmmelding. De versnellingsbak werkt niet, dus (…) moet je het luchtfilter vervangen! Stel je voor: je hebt thuis een lekkende kraan en dat verhelp je door de deurbel te vervangen!’ Ik ben allang blij dat het probleem is opgelost, betaal de monteur een ton tugrik en rijd opgelucht de weg weer op.

*) (her)lees: Ontzanden

OVERNACHTING #77

Zanderig dagje

Ik stop even om mijn bril schoon te maken. Het helpt niet: het landschap voor me blijft wazig. Het duurt even voor het tot me doordringt, dat het niet mijn vuile bril is, maar de ragfijne stoffige lucht om me heen. Logisch ook, want ik heb al een paar keer links en rechts van me in de verte zandtornado’s omhoog zien draaien. En met die enorme stuifwolken achter me als ik over het weggetje (zeg maar track) stuiter, had ik beter kunnen weten.

Het zicht is beperkt: ik houd voortdurend Claire-mijn-Garminnetje scherp in de gaten om te controleren of ik nog wel de goede richting opga en tegelijkertijd heb ik al mijn aandacht nodig om in het spoor te blijven en de ergste hindernissen te ontwijken. Vooral op stukken waar ik de wind van achteren heb, is het lastig manoeuvreren omdat ik ‘ingehaald’ word door de door mezelf veroorzaakte stofwolk. Regelmatig stop ik dan even tot het stuifzand is neergedaald en ik weer kan zien hoe ik verder moet over de op sommige stukken nauwelijks zichtbare sporen van mijn voorgangers. Desondanks rijd ik een paar keer verkeerd en zoek ik off road de track weer op. Ik hoop dan maar (…) dat de ondergrond hard genoeg is en dat ik niet in het zand vastloop. Moet er niet aan denken (doe ik toch) hier te stranden. Uren rijd ik namelijk al helemaal alleen door deze verlaten streek zonder enig ander verkeer. Af en toe passeer ik op afstand een eenzame ger. De enige levende wezens om me heen zijn kuddes schapen en paarden. Het is inspannend en geconcentreerd rijden en eerlijk gezegd is deze route niet bepaald geschikt voor mijn keurige stads-Ducatootje, maar ja, ik moest toch zo nodig naar de Gobi woestijn? Niet zeuren dan en doorzetten. Maar onder deze omstandigheden is het wel een heel eind, die 120 kilometer vanaf het moment dat ik het asfalt achter me liet tot aan de eindbestemming Ikh Gazriin Chuluu.

Halverwege de route ligt het woestijndorp Bayanjargalan. Ik overweeg hier te overnachten en de resterende zestig kilometer morgen te rijden. Maar de sfeer in dat dorp bevalt me niet. Als ik stop bij een groot gebouw, waar een tiental mannen buiten op de stoep een sigaretje rookt, nemen ze nauwelijks de moeite met me in contact te komen. Ze stoten elkaar aan, wijzen op mij, maken opmerkingen tegen elkaar en moeten daar vooral heel erg om lachen. Ze ‘zeggen’ dat het grote gebouw een school is. Aan hun tronies te zien -vooroordeel ik- zou het ook een gevangenis kunnen zijn. Ik haal mijn schouders op, groet hen nog netjes, draai me om en loop terug naar m’n bussie. Een van de mannen komt me achterna en vraagt me lacherig en naar zijn vrienden omkijkend of ik toerist ben. ‘Nee hoor, beste man’, denk ik, ‘ik heb hier om drie uur een afspraak bij de tandarts, nou goed?’ Hij praat nog even door. Mijn brillenglazen beslaan bijna van de drankkegel die hij uitbraakt. Als ik vervolgens nog een rondje door het dorp rijd, raak ik dat unheimische gevoel niet kwijt. Door dus.

Het vervolg van mijn route is net zo inspannend. Hoewel ik mijn uiterste best doe zo goed mogelijk op de hoge kant van de diepe voren te rijden, schraap ik toch regelmatig met mijn onderkantje over de zanderige bodem. Ook het zicht blijft stofzanderig slecht. En ik word moe. Zit ik me boos te maken op een paar schapen, die even verderop midden op de track liggen en niet van plan lijken een poot te verzetten, blijken het bij nadering grote pollen dor gras te zijn. En wat lopen die kilometertjes tot aan mijn bestemming traag terug op Claire-mijn-Garminnetje. Eindeloos traag!

Doodmoe en versleten kom ik dan ook aan het einde van de middag bij mijn einddoel aan: het Ikh Gazriin Stone, sinds 2003 een beschermd natuurreservaat en daarom verboden er vrij te overnachten. Er wordt streng gecontroleerd en bij overtreding volgt een fikse boete. Dat zegt tenminste een Duitssprekende vrouw op het Töv Borjigin Ger Camp. De enige legale overnachtingsplek is dit kamp. Met m’n bussie mag ik het terrein niet op, want dat is verboden voor auto’s. Ik krijg nog wel met pijn en moeite toestemming om even naar de watertank te rijden, maar moet daarna voor de nacht op de naast het kamp gelegen parkeerplaats gaan staan. Dat kost 20.000 tugrik per nacht ‘en als u ook de maaltijd bij ons gebruikt, is dat 15.000 extra. Verder kunt u natuurlijk gebruik maken van onze toiletten en de douches.’

Ik vind het allemaal best, gooi mijn watertank vol, parkeer met uitzicht op de rotsformatie, fris me lekker op en maak bij de maaltijd kennis met een paar andere woestijnrijders. En wat fijn om weer eens in woorden en zinnen te kunnen communiceren: de vrouw van het gezelschap (je raadt het al) is an English teacher.

Ik kom er achter, dat ik geen bereik heb op mijn telefoon (snap je toch niet: zou je juist wél verwachten, zo midden in de woestijn…). Vervelend, omdat ik met de campervrinden afgesproken heb de coördinaten door te geven van de plek waar wij elkaar weer zouden treffen. Maar ja, aan de andere kant: hoeveel tracks leiden naar dit afgesproken eindpunt? Die zien me vast wel staan bij dit kamp. Ja toch?

En dan nog even dit: wat ben ik een paar dagen geleden in de weer geweest om het interieur van m’n bussie te ontdoen van het Oost-Mongoolse zand*). Kansloze actie. Na de rit van vandaag is het nog een graadje erger en kan ik overnieuw beginnen. En wat was ik blij dat ik eergisteren m’n bussie kon laten wassen**). Nog zo’n kansloze actie. Ik geef het op.

*) (her)lees: Ontzanden **) (her)lees: Huishoudboekje

OVERNACHTING #74+75

UB

Zo, dus dit is Ulaanbaatar, de hoofdstad van Mongolië.
Het land heeft 3 miljoen inwoners, 1 miljoen daarvan (soms oplopend tot 1,4 miljoen) woont in deze hoofdstad. En dat merk je. Oorspronkelijk gebouwd om 200.000 inwoners te huisvesten, kraakt Ulaanbaatar in al zijn voegen.

Dat ervoer ik gisteren al toen ik na mijn registratie en visumverlenging vanaf het Immigration Office naar het overlander compound Oasis reed. Wat een overweldigend gekkenhuis, met vier, vijf rijen langzaam vooruitkruipende auto’s, gillende ambulances en politiewagens, veel, heel veel getoeter om me heen, snerpende fluitjes van politieagenten en links en rechts van me invoegende auto’s. Als ik me niet had aangepast en net zo assertief was gaan rijden als al die andere Ulaanbatarezen (?), had ik nu nog in dat verkeersinfarct gestaan.

Dus (…) pak ik vandaag de bus om me naar het centrum te brengen. Je hebt eigenlijk een soort OV-kaart nodig, maar -had de beheerster van de camping gezegd- als toerist kun je gewoon aan de chauffeur betalen. Dat kost duizend tugrik. Ik stap maar gewoon in en laat me door de achter me duwende medereizigers langs de chauffeur duwen. Weet ik veel? Snap ik toch allemaal niet als domme buitenlander? Overigens vertelde een aardige Mongool me op de terugreis in de bus, dat een los kaartje 300 tugrik kost…

En wat had ik op papier een mooi plannetje gemaakt voor dit dagje-Ulaanbaatar. Eerst natuurlijk naar hét plein van de stad: Sükhbaatar, officieel Chinggis Khaan Square. Dan een bezoek aan het Zanabazar Museum of Fine Arts, met een schitterende verzameling beelden, maskers, wandkleden en muziekinstrumenten. Vervolgens naar de grootste markt van de stad, de Narantuul Market en afsluitend naar de winkelwijk Khoroolol.

Maar als ik na mijn museumbezoek de weg vraag naar die markt, wordt me uit de informatie die ik krijg duidelijk dat ik me een soort Beverwijkse Zwarte Markt moet voorstellen. En als ik ook nog te horen krijg, dat die markt een behoorlijk eind uit de buurt is, ben ik eigenlijk al geweest. En die winkelwijk? Hmm.

Oh ja, er is hier ook nog een Beatle Square. Nou, daar wil ik dan nog wel even naar toe, al was het alleen maar om een foto te maken.*)

Ik laat mijn verdere plannen voor wat ze zijn, slenter gewoon nog lekker wat door de stad. Inhaleer de sfeer, die eerder westers dan Aziatisch is. Eet in een van de vele restaurantjes een bord ondefinieerbare vleesballen met noedels. Praat met mensen. Absorbeer de stad. Plannen zijn er om bijgesteld te worden en hier geniet ik met volle teugen van.

*)  Niks van waar hoor: gewoon dat fotootje van internet geplukt. Ja, ik ga me daar een beetje voor zijn monument de halve stad afsjouwen…

OVERNACHTING #67+68

Exit Mongolië

Na zes weken door het land te hebben getoerd, meen ik recht van spreken te hebben op een reisadvies: ga niet naar Mongolië! Tenminste, niet zoals ik heb gedaan, met een stads-Ducatootje. Totaal ongeschikt! Natuurlijk had ik bij mijn voorbereidingen thuis gelezen, dat de wegen hier slecht zouden zijn, maar zo slecht, dat tart iedere beschrijving.
Nee, koop maar een vliegticket naar Ulaan-Baatar. Huur daar een dikke 4WD en trek daarmee het land in. Dender door de Gobi, rijd naar afgelegen, verlaten streken, hobbel over tracks, verbaas je over de magnifieke natuur, ontmoet gastvrije en behulpzame Mongolen, bezoek schitterende kloosters, dwaal rond door imposante musea en steden, kortom: onderneem alles wat ik ook heb gedaan en geniet -net als ik- van dit geweldige land. Absoluut meer dan de moeite waard. Een once in a lifetime experience. Maar -zoals gezegd- niet met een doordeweekse Ducato.

Ach, mijn arme, kleine Ducato-baby’tje. Nog maar net geboren en nu al in een razende sneltreinvaart alle kinderziektes doorlopen. En lelijk gevallen. En weer opgestaan. Armpje uit de kom. Blauwe plekken. Schaafwonden. Dat wordt een snelle gang naar het consultatiebureau, straks terug in Nederland.

(more or less) Translate »