2018 Camper Eurazië Kazachstan

Domme koe

Staat er aan de rechterkant van de weg een koebeest tussen de verdorde grassprieten naarstig te zoeken naar nog een beetje sappig hapje. Aan de linkerkant van de weg staan vier soortgenoten. Kijkt die ene koe op, bedenkt dat ze toch liever bij haar vier uiergenoten wil grazen en steekt de weg over. Prima hoor, maar moet dat stomme koebeest dat uitgerekend doen als ik er aan kom? Vol in de remmen!

Leermomentje

Er staat zo’n blauw verkeersbord met een tentje langs de weg, dat aanduidt dat er over 300 meter een camping is. Als ik stop en om me heen kijk, vraag ik me af waar in vredesnaam die camping is. Toch staat het met grote letters op de gevel: кемпинг. Het is ook een restaurant en aan de eigenaresse, die ook lerares Duits is, vraag ik waar de camping is. Ze wijst naar boven en zegt tien kamers te hebben.
‘U dacht dat hier een camping was met tenten en zo, zoals in Europa? Nee hoor, hier in Kazachstan bedoelen we met кемпинг een eenvoudig hotel. Dus u wilt een salat met pommodores, gurki en look en een bord plov. Wilt u er ook glep bij? En koffie of thee?’

Evil thinking?

Voor het eerst sinds ik op 31 maart uit Nederland vertrok, voel ik me ongemakkelijk op mijn overnachtingsplaats. Ik sta in the middle of nowhere op een weg in aanleg naast de eigenlijke rijbaan in een totaal verlaten steppe. Nergens een huis in de buurt, geen levende ziel te bekennen op een paar verdwaalde kamelen na. Heel af en toe komt er op de parallelweg een auto voorbij.

Ik zit aan mijn laptop te werken als er een auto achter m’n bussie stopt. Er stappen zes jongelui uit. Eén van hen loopt naar mijn cabinedeur en opent die. Ik maak hem duidelijk daar niet van gediend te zijn en trek de deur voor zijn neus dicht. Ze komen alle zes naar de schuifdeur, doen heel jolig, vragen van alles en nog wat en willen (selfie, selfie!) met mij op de foto. Ik stap naar buiten en ga midden voor de open schuifdeur staan. Ze dringen om me heen en zijn druk in de weer met van plaats te wisselen voor steeds een andere foto. Plotseling hoor ik een blikken sigarendoosje op de grond vallen. Gek hoor, dat had ik een paar minuten geleden in de vuilniszak gegooid die aan de bijrijdersstoel hangt.
Ze nemen lachend en stoeiend afscheid. Ik doe de deur dicht (en op slot) en ga weer achter mijn laptop zitten. Eén van de jongens komt nog even terug naar m’n bussie, klopt op de deur en houdt mijn beeldwoordenboekje omhoog. Hè? Dat zit in een open vak van mijn handtas! Ik pak het boekje aan, de jongen stapt in en ze vertrekken.
Als ik mijn nog maar voor de helft opgerookte sigaar weer wil aansteken, is de asbak leeg. Ik kijk op de grond, maar zie die sigaar nergens. Het zal toch niet zo zijn, dat ze met al hun gedrang en van plaats wisselen…

Ik heb er geen goed gevoel bij. Heb het idee dat die knapen, die vertelden op weg te zijn naar een feest, in de loop van de avond of nacht nog vrolijker en joliger terug zullen komen. Slaat nergens op natuurlijk, maar als zo’n idee eenmaal bij me heeft postgevat, weet ik dat ik een onrustige nacht tegemoet ga. Daar heb ik geen zin in. Na het eten ruim ik dan ook de boel op en rijd naar de dichtstbijzijnde stad, zo’n kleine twee uur verderop. Daar parkeer ik bij een pleintje met moeders en spelende kinderen. Lekker veilig!

In het laatste kwartier van dat ritje naar de stad geeft een signaaltje op mijn dashboard aan dat mijn rechter achterband te weinig lucht heeft. Ik stop, controleer de band, geef er een schop tegen (slaat echt nergens op), maar kan niks ontdekken. Dat doe ik ook nog een keer bij mijn slaappleintje. Niks dus.

De volgende morgen is de situatie wel even anders: de band staat vrijwel leeg. Nu heb ik voor noodgevallen zo’n spuitbus bij me. Het zal wel aan mij liggen hoor, maar er komt meer schuim uit het knopje waarop je moet duwen, dan uit het slangetje dat op het ventiel zit. Nog wel genoeg om met een heel kalm gangetje naar een van de vele bandenreparateurs hier te rijden. Daar wordt die band gevulkaniseerd. De monteur laat me de oorzaak van het leeglopen zien: een kromme, roestige spijker. Toeval natuurlijk, dat zo’n bandengeintje uitgerekend moet gebeuren op een avond dat die zes jongens even aanwipten. Of zouden ze…? Nee, zo moet je niet denken, Frits. Da’s evil thinking. Ligt gewoon aan die slechte wegen hier. Nog lang geduurd trouwens: dik vier maanden op stap en nu pas mijn eerste lekke band.

OVERNACHTING #134

Spookstad

Veel Kazachstanen zelf weten niet eens waar de stad Zhanatas ligt, zelfs niet degenen die vlak in de buurt wonen. Het verbaast me niet: het gebied waar ik doorheen rijd om deze stad te bereiken is in het begin nog schitterend bergachtig en bebost, maar hoe dichter ik het waypoint nader, hoe naargeestiger het wordt. Er komt me een enkele auto tegemoet; het zijn oude, afgetrapte modellen. Ik begin te twijfelen of ik de coördinaten wel goed heb ingevoerd, als het droevige landschap na een bocht plotseling overgaat in bebouwing.

En wat voor bebouwing. Naargeestiger kan het niet. Er wonen weliswaar nog zo’n 20.000 mensen hier, maar die leven tussen leegstaande, totaal verlaten flatgebouwen. En het was zo’n schoolvoorbeeld van een welvarende Sovjetstad toen dit Zhanatas in 1969 op de kaart werd gezet. Een etalage naar het westen. Het centrum en de trots van de chemische (fosfor)industrie, die uit het hele land werknemers aantrok. Het ontbrak er aan niets: prima woningen voor de vele werknemers, een ziekenhuis, een Cultuur Paleis, sportaccommodaties, goed onderwijs, kortom de stad had alles waarop een sovjetstad trots kon zijn. Tot de USSR uit elkaar begon te vallen en Zhanatas in rap tempo zijn fabrieken moest sluiten en de werkloze arbeiders vertrokken. De mensen die er nu nog wonen, ontbreekt het aan geld om ook te vertrekken uit deze spookstad.

Ik rijd wat rond door de straten, parkeer dan m’n bussie op een pleintje en wandel letterlijk één blokje om. Bekijk met verbazing en afgrijzen dit verval. Meer hoef ik niet te zien.

OVERNACHTING #123

Cultuur happen

Twee keer cultuur op één dag, het moet niet gekker worden.
Eerst maak ik ’s morgens een uitgebreide koffiestop-met-wandeling in (een piepklein stukje) Altyn Emel National Park, beroemd om zijn zingende duinen. Niks van gehoord trouwens, van dat in de reisgids geroemde geluid van een vliegtuigmotor, wel een schitterende omgeving.

Daarna reis ik door naar Tanbaly, om preciezer te zijn naar de Unesco World Heritage Site, waar drie geen Engels sprekende oude mannetjes me de mogelijkheid bieden in een yurt te overnachten. Als ik ze vertel mijn eigen yurt-op-wielen bij me te hebben, mag ik een plekje op het terrein innemen. Keuze genoeg, want ik ben de enige bezoeker hier.

Het oudste van de drie mannetjes neemt me mee naar een bord met de kaart van de omgeving. In het Kazachs/Russisch legt-ie uit, dat er -alleen onder leiding van een gids- een wandeling gemaakt kan worden langs de vier plekken waar rotsgraveringen te bewonderen zijn.
‘Enne… hoe lang duurt zo’n wandeling?’, vraag ik wat bezorgd, ‘eh… ik bedoel hoeveel kilometer?’ Het mannetje begrijpt het woord kilometer en schrijft met zijn vinger een 1 en een 5 op het stoffige bord. ‘Vijftien kilometer?’ Dat zie ik mezelf niet doen. Dan maar cultuurbarbaar. De man begrijpt mijn verbazing en zet een duidelijke komma tussen de 1 en de 5. Anderhalve kilometer dus, maar -gebaart-ie- vanmiddag niet meer. Veel te warm. Blij toe. Moet er eerlijk gezegd toch nog serieus over nadenken of dat gekras in de rotsen van ver voor Christus me genoeg boeit om samen met die man de heuvels in te klauteren. 27.000 kilometer heb ik gereden tot aan deze Heritage Site. Wereldberoemde rotstekeningen. En dan nadenken of ik ze al dan niet ga bekijken? Dan ben je pas een ware cultuurbarbaar!
Aan de andere kant: ik ben hier naartoe gereden op basis van wervende teksten uit reisgidsen. Maar als het allemaal zo fenomenaal is hier, waarom ben ik hier dan de enige toerist?

OVERNACHTING #118

Halt! Alweer politie!

Bij het verlaten van de stad Semey ligt er een schitterende vierbaansweg voor me. Op de uitvalsweg trap ik -samen met het verkeer om me heen- het gaspedaal in. Blijkbaar iets te vroeg, want binnen een paar tellen komt me een politiewagen met gillende sirene achterop, die me beduidt aan de kant te gaan.

Hij wil mijn rijbewijs en kentekenkaart zien, het piepjonge agentje, en vraagt me uit te stappen en in de politieauto plaats te nemen. Zijn wat oudere collega wijst op de monitor naar de opgenomen beelden van m’n bussie. Omdat ze beiden geen woord Engels spreken en ik ‘het maar niet begrijp’, moet Google Translate er aan te pas komen. Het gesprek verloopt meer dan traag, omdat we allebei steeds een zinnetje moeten intypen. Dat Google-gesprek ging letterlijk als volgt:

-U reed 90. U mocht daar maar 60.
-Dat wist ik niet. Ik heb geen enkel bord gezien.
-Dat is de regel in Kazachstan: in de steden 60 kilometer per uur. Waar komt u vandaan?
(Hij heeft net mijn rijbewijs en kentekenbewijs gecontroleerd, maar ik antwoord braaf: Uit Nederland.)
-Nederland? Amsterdam?
-Nee.
-Rotterdam?
-Mja.
-Voetbal? Ajax of Feyenoord?
(Ik gok -op basis van eerdere ervaringen in deze buitenlanden- op Ajax.)
-Ajax! Goed! Twente!
-Nou, fijn voor u.
-Ik ben geen fan van Twente, maar u moet wel een boete betalen.
-Ja, dat snap ik. Schrijf maar een bekeuring uit. Het is niet anders.
-Ik houd van Engels voetbal.
-Leuk!
-Liverpool.
-Goeie keus.
-En nu de boete.
(Het jonge agentje op de achterbank maakt een betaalgebaar en beduidt dat ik daarna mag doorrijden.)
-Maar heren, ik ben gisteren in jullie prachtige land aangekomen. Ik heb nog geen geld kunnen wisselen. Ik kan alleen met een creditcard betalen. (Het achterbankmannetje zegt in het Kazachs iets tegen zijn collega naast me en ik vang het woord dollar op)
-Oh nee! Ik heb geen dollars en ook geen euro’s.
-Dan moet u terug naar Semey en daar geld opnemen.
-Ik denk niet dat ik daar zin in heb.
-Niet? Dan moet u terug naar de grens en daar de boete betalen.
-Terug naar de grens? Da’s honderd kilometer! Ik pieker er niet over!
-Hoe lang blijft u in Kazachstan?
-Een maand of twee.
-Ok. Dan betaalt u de boete aan de grens als u het land weer verlaat.

Ze geven me allebei een hand, beduiden me dat ik door mag rijden en nog voor ik in m’n bussie zit, schieten ze de weg alweer op.

Kazachstan!

Bijna zesduizend kilometer (5701 om precies te zijn) heb ik een ommetje gereden om vanuit Mongolië via Rusland de grens met Kazachstan te bereiken. In termen van grootte van deze landen drie keer niks, maar voor mij waren het behoorlijk wat kilometers. Na twaalf dagen ‘omrijden’ ben ik dan eindelijk in Kazachstan, hemelsbreed zo’n driehonderd kilometer van de plaats waar ik volgens plan Mongolië zou verlaten, maar waar ik werd tegengehouden door een rivier met te hoge waterstand.

Drieënhalf uur nemen de grensformaliteiten in beslag, maar dat weet je en daar stel je je op in. Eigenlijk gaat alles van een leien dakje, tot de Kazachstaanse militair-met-spiegeltje-en-hond voor de derde keer met interesse mijn pakje sigaretten oppakt. Ik neem het hem af, zeg ‘njetto’ en leg het terug op zijn plek.
Later vraagt-ie me in moeilijk Engels of ik wapens, medicijnen of drugs bij me heb. Ik laat hem mijn voorraad medicijnen zien en de brief van mijn huisarts. Het kan zijn goedkeuring wegdragen, maar als hij vervolgens in een lade mijn melkpoeder ontdekt, wil hij daar het fijne van weten. Die melkpoeder heb ik uit de grote verpakking in een leeg, glazen conservenpotje gedaan. En of ik hem nou de halve zak melkpoeder laat zien die in het kastje staat, hij wil toch voor de zekerheid even een likje uit het potje proeven. Had ik hem misschien toch beter een sigaretje kunnen aanbieden…

Om 13:00 uur meldde ik me met mijn paspoort aan de Russische kant. Tegen half vijf gaat de laatste slagboom voor me open en met een ‘Welcome in Kazakhstan‘ mag ik het land binnenrijden.

Geen zin om nog ver te rijden, stop ik vlakbij Gomyak bij een tankstationnetje in aanbouw om daar te overnachten. Ik heb op leukere plaatsen gestaan, maar… ik ben in Kazachstan! Eindelijk.

Overnachting #124

Niet alleen in Zhanatas staan lege vervallen huizen, bijna overal in voormalige Sovjetgebieden heb ik inmiddels de nodige bebouwing uit de USSR-periode gezien die ‘in staat van ontbinding’ is. Gesloopt worden die panden niet. Ze worden min of meer dichtgetimmerd en storten na jaren vanzelf in (en het puin blijft vaak liggen).

Ook in de nederzetting Bozoi, waar ik bij het postkantoor mag overnachten, is het niet anders. Niet echt uitzonderlijk dus. Wat die overnachting wel uniek maakt, is het voorbijkomen van een herder te paard, die ’s avonds zijn twee kamelen naar de stal brengt. Lopen dus gewoon langs m’n bussie! Bizar!

Wegindruk #3

De wegen rond de grote steden: perfect.
De minder belangrijke wegen: goed te doen, maar uitkijken.
De binnendoor-wegen: tsja, bij voorkeur niet, maar soms kan het niet anders om een bepaalde bezienswaardigheid te bereiken. Dan doe ik over een luttele 60 kilometer bijna twee uur. Maar er is altijd een einde aan zo’n weg en dan is er een mok koffie als beloning.

En -dat moet ik ze nageven- als het al te gek wordt op zo’n weggetje geven ze dat duidelijk aan. Kan niet missen toch?