2018 Camper Eurazië Kazachstan

Kazachstan!

Bijna zesduizend kilometer (5701 om precies te zijn) heb ik een ommetje gereden om vanuit Mongolië via Rusland de grens met Kazachstan te bereiken. In termen van grootte van deze landen drie keer niks, maar voor mij waren het behoorlijk wat kilometers. Na twaalf dagen ‘omrijden’ ben ik dan eindelijk in Kazachstan, hemelsbreed zo’n driehonderd kilometer van de plaats waar ik volgens plan Mongolië zou verlaten, maar waar ik werd tegengehouden door een rivier met te hoge waterstand.

Drieënhalf uur nemen de grensformaliteiten in beslag, maar dat weet je en daar stel je je op in. Eigenlijk gaat alles van een leien dakje, tot de Kazachstaanse militair-met-spiegeltje-en-hond voor de derde keer met interesse mijn pakje sigaretten oppakt. Ik neem het hem af, zeg ‘njetto’ en leg het terug op zijn plek.
Later vraagt-ie me in moeilijk Engels of ik wapens, medicijnen of drugs bij me heb. Ik laat hem mijn voorraad medicijnen zien en de brief van mijn huisarts. Het kan zijn goedkeuring wegdragen, maar als hij vervolgens in een lade mijn melkpoeder ontdekt, wil hij daar het fijne van weten. Die melkpoeder heb ik uit de grote verpakking in een leeg, glazen conservenpotje gedaan. En of ik hem nou de halve zak melkpoeder laat zien die in het kastje staat, hij wil toch voor de zekerheid even een likje uit het potje proeven. Had ik hem misschien toch beter een sigaretje kunnen aanbieden…

Om 13:00 uur meldde ik me met mijn paspoort aan de Russische kant. Tegen half vijf gaat de laatste slagboom voor me open en met een ‘Welcome in Kazakhstan‘ mag ik het land binnenrijden.

Geen zin om nog ver te rijden, stop ik vlakbij Gomyak bij een tankstationnetje in aanbouw om daar te overnachten. Ik heb op leukere plaatsen gestaan, maar… ik ben in Kazachstan! Eindelijk.

Wegindruk #1

De kaarsrechte M38 is goed berijdbaar die eerste honderd kilometer na de Russisch-Kazachstaanse grens. Nou ja, ik ben tegenwoordig al snel tevreden. Vrij smal, tweebaans en heel veel stukken opgelapt asfalt, is voor mij al prima. Er is weinig ander verkeer op de weg, af en toe een enkele tegenligger.

Saai is het wel. Links en rechts uitgestrekte graanvelden met aan de verre horizon bomen en bossen. Soms een perceel zonnebloemen ter onderbreking van al dat graan. Nauwelijks bebouwing, heel af en toe een kleine nederzetting of een groot, vervallen landbouwcomplex (sovchozen?). Het komt allemaal wat triest en troosteloos op me over, maar het kan er ook mee te maken hebben, dat het zwaar bewolkt is en af en toe motregent. Er gebeurt niks. Het enige leven in de brouwerij zijn zwermen vogels die verschrikt vanuit de berm opvliegen.

Na zo’n tachtig kilometer komen er wat meer bochten, gaat het graanlandschap over in bebossing en wordt het heuvelachtiger. Dat blijft zo tot ik Semey inrijd, een grote stad met -net als in Rusland- twee gezichten. Aan de ene kant de grauwe, in slechte staat verkerende Sovjetflats en -gebouwen, aan de andere kant supermoderne, prachtige gebouwen van een eigentijdse architectuur. En aan de randen van de stad natuurlijk de bekende wijken met kleine houten doma’s, met een eigen moestuintje, een roestige auto voor de deur en een stapel brandhout in de voortuin. Eenmaal de stad weer uit, rijd ik weer verder door een saai landschap.

Halt! Alweer politie!

Bij het verlaten van de stad Semey ligt er een schitterende vierbaansweg voor me. Op de uitvalsweg trap ik -samen met het verkeer om me heen- het gaspedaal in. Blijkbaar iets te vroeg, want binnen een paar tellen komt me een politiewagen met gillende sirene achterop, die me beduidt aan de kant te gaan.

Hij wil mijn rijbewijs en kentekenkaart zien, het piepjonge agentje, en vraagt me uit te stappen en in de politieauto plaats te nemen. Zijn wat oudere collega wijst op de monitor naar de opgenomen beelden van m’n bussie. Omdat ze beiden geen woord Engels spreken en ik ‘het maar niet begrijp’, moet Google Translate er aan te pas komen. Het gesprek verloopt meer dan traag, omdat we allebei steeds een zinnetje moeten intypen. Dat Google-gesprek ging letterlijk als volgt:

-U reed 90. U mocht daar maar 60.
-Dat wist ik niet. Ik heb geen enkel bord gezien.
-Dat is de regel in Kazachstan: in de steden 60 kilometer per uur. Waar komt u vandaan?
(Hij heeft net mijn rijbewijs en kentekenbewijs gecontroleerd, maar ik antwoord braaf: Uit Nederland.)
-Nederland? Amsterdam?
-Nee.
-Rotterdam?
-Mja.
-Voetbal? Ajax of Feyenoord?
(Ik gok -op basis van eerdere ervaringen in deze buitenlanden- op Ajax.)
-Ajax! Goed! Twente!
-Nou, fijn voor u.
-Ik ben geen fan van Twente, maar u moet wel een boete betalen.
-Ja, dat snap ik. Schrijf maar een bekeuring uit. Het is niet anders.
-Ik houd van Engels voetbal.
-Leuk!
-Liverpool.
-Goeie keus.
-En nu de boete.
(Het jonge agentje op de achterbank maakt een betaalgebaar en beduidt dat ik daarna mag doorrijden.)
-Maar heren, ik ben gisteren in jullie prachtige land aangekomen. Ik heb nog geen geld kunnen wisselen. Ik kan alleen met een creditcard betalen. (Het achterbankmannetje zegt in het Kazachs iets tegen zijn collega naast me en ik vang het woord dollar op)
-Oh nee! Ik heb geen dollars en ook geen euro’s.
-Dan moet u terug naar Semey en daar geld opnemen.
-Ik denk niet dat ik daar zin in heb.
-Niet? Dan moet u terug naar de grens en daar de boete betalen.
-Terug naar de grens? Da’s honderd kilometer! Ik pieker er niet over!
-Hoe lang blijft u in Kazachstan?
-Een maand of twee.
-Ok. Dan betaalt u de boete aan de grens als u het land weer verlaat.

Ze geven me allebei een hand, beduiden me dat ik door mag rijden en nog voor ik in m’n bussie zit, schieten ze de weg alweer op.

Duidelijk zo?

Koop ik een pakje sigaretten. Kijk ik naar het plaatje op de verpakking.
Hoe zeggen ze dat ook alweer? Eén plaatje zegt meer dan honderd woorden?

 

 

 

 

 

 

Balen op de A3

Als ik de A3 opdraai, staat daar een waarschuwingsbord voor uithollingen overdwars over een lengte van 10 kilometer. Ik kijk op mijn teller, zodat ik weet hoelang ik nog moet hobbelen. De weg is smal; een snelheid van -bij uitzondering- ten hoogste 60 km/uur is verantwoord, vaak minder. Er zitten diepe putten in de ook nog eens bolle weg, waarvan ik de ergste laverend zoveel mogelijk probeer te ontwijken. En het is druk. Vooral als me vrachtwagens of bussen tegemoet komen, moeten we beiden de rafelige asfaltrand van de weg opzoeken of met twee rechter wielen door de ‘berm’ van zand rijden. Als het wegdek al te erg is, gaan we in een langzame file noodgedwongen in de zanderige grindberm rijden. Maar ach, tien kilometer is te overzien en daarna…

Na die tien kilometer staat er een waarschuwingsbord voor uithollingen overdwars over een lengte van 10 kilometer… Ik moet er om glimlachen. Die Kazachstanezen, hadden zeker geen onderbord met 20 kilometer? Het glimlachen vergaat me als dat geintje nog eens zeven keer herhaald wordt.
Zit ik dus al 90 kilometer met een slakkengangetje te stuiteren in mijn stoel, trilt alles in m’n bussie en ontwijk ik geconcentreerd de ergste gaten in de weg! Ik heb geen zin meer. Het is pas half twee, maar bij de eerste de beste parkeerplaats stop ik. Even bijkomen.

Er staat nog een auto op de parkeerplaats. Op de motorkap ligt een kleed, met daarop een lunch uitgestald. Ze wenken me naderbij te komen en bieden me meteen een bekertje thee aan. En een kippenpoot. En later nog aardappelen. En gevulde tomaten. En een stuk rundvlees. En nog een kom thee. Nu had ik een uurtje daarvoor in een restaurant een uitgebreide warme lunch gegeten, maar ach, zoveel vriendelijkheid kun je toch niet weigeren? Dus pak ik ook nog dankbaar een perzik uit het mij voorgehouden mandje (eet ik nog eens een stukje fruit op m’n ouwe dag!).
Ze spreken bijna allemaal Engels en zijn op weg naar hun vakantiehotel ‘ergens aan een meer’. Onder het eten vertellen we elkaar verhalen en nadat ze natuurlijk ook allemaal m’n bussie hebben bewonderd, gaan ze weer verder, want nog vijfhonderd kilometer te gaan. Toeterend en zwaaiend nemen ze afscheid.

Ik besluit van deze ‘effe-bijkomen-stop’ mijn overnachtingsplek te maken. Ga lekker tuttelen de rest van de middag. Ben trouwens benieuwd of ik nog last ga krijgen van die perzik. Zijn ze niet gewend hoor, die darmen van mij: fruit!

 

Ze moeten wel overuren hebben gemaakt in die fabriek van die uithollingsbordjes, want de volgende dag is de staat van de weg niet beter, met dit verschil dat er nu ook nog eens lengtescheuren bijkomen.
Ik tel de negentig kilometers af tot het punt waar ik van Claire-mijn-Garminnetje linksaf moet, in de hoop op een beter stuk weg terecht te komen. Tergend langzaam nader ik dat punt, maar na ‘linksaf’ verandert er niets. Negentig kilometer dus en daar doe ik tweeënhalf uur over. Schiet lekker op!
Op naar de volgende afslag dan maar. Da’s over 108 kilometer.. Halverwege geniet ik bij de passage van een stad van de zes kilometer vierbaans glad asfalt, maar daarna gaat het weer op dezelfde (hompel)voet verder. En -voor alle duidelijkheid- ik rijd dus al twee dagen op de A3, de belangrijkste weg naar Almaty, de hoofdstad van zuidelijk Kazachstan. Als deze (hoofd)weg model staat voor de staat van de wegen in dit land is het maar goed dat ik een autoverzekering heb afgesloten voor twee maanden. Zal er dan nog om houden of ik dat haal. Nog 834 kilometer naar mijn volgende waypoint…

OVERNACHTING #114

Wegindruk #2

Ik neem alles, nou ja, bijna alles, terug wat ik een paar dagen geleden over de wegen in Kazachstan heb geschreven! Ik rijd op de harde, strakke en genadeloze vierbaans A3, op weg naar Almaty. Maar liefst tweehonderd kilometer asfalt zonder een scheurtje, een hobbeltje of een gat in de weg. Er is nauwelijks verkeer, niks trilt, schudt of rammelt in m’n bussie en ik glijd soepeltjes de kilometers weg. Wat een weelde. Eén handje aan het stuur, linker voetje steunend in een vakje van het dashboard en de cruisecontrol op 120. Zo’n weg schreeuwt er om!

Alle tijd om van het schitterende landschap om me heen te genieten. Van de steppeachtige vlaktes, van de zandduinen, van de heuvels en sneeuwbetopte bergen. Het kost wat litertjes diesel, met deze snelheid op Almaty afrijdend, maar -al zou me dat al boeien- daar lach ik om. Zojuist mijn tank weer vrolijk vol laten gooien voor 46 eurocent per liter. Dat scheelt toch maar weer behoorlijk met het dure Rusland, waar ik maar liefst 70 eurocent per liter betaalde…

Ik rijd door twee middelgrote steden. Weet niet wat ik om me heen zie: mondain, supermodern, werelds. Geen in vervallen staat verkerende sovjetgebouwen, maar casino’s, hotels en wellnesscentra. Zo westers, dat ik bijna vergeet door Kazachstan te toeren.

Slaapplaatsen #3

OVERNACHTING #115

Tussen in beslag genomen auto s bij het politiebureau. Kan het veiliger?

 

OVERNACHTING #116

Nierdialyse

Ik besluit in of rond Almaty naar een camping te rijden en vandaaruit deze hoofdstad van zuidelijk Kazachstan te verkennen. Claire-mijn-Garminnetje brengt me feilloos naar een camping. Nou ja, feilloos. Bij een groot gebouw meldt ze dat de bestemming is bereikt, maar ik zie niets dat op een camping lijkt. Ik stap het gebouw binnen. Verrek, een ziekenhuis! Vanuit een soort kantine steekt een aardige, Engelssprekende verpleegster haar hoofd om de hoek van de deur en vraagt me binnen te komen. Ik krijg koffie en doe mijn verhaal. Over de camping (die er dus helemaal niet is, dank je wel Claire), over mijn afgelopen reis, over mijn verdere route en -want dat had ik in de gauwigheid bij mijn aankomst hier gezien- of ik misschien hier op de parkeerplaats kan overnachten. Het blijkt geen enkel probleem te zijn. ‘Ga maar lekker daar op het einde staan’, zegt zuster Aran, ‘die vleugel wordt toch niet meer gebruikt en daar sta je lekker in de schaduw.’
Ik bedank voor de toestemming en, nadat ik kennis heb gemaakt met de nodige verpleegsters en doktoren, parkeer ik m’n bussie op de aangewezen plek. In de gesprekken tijdens de koffie hebben ze me uitgelegd, dat ik hier bij een nierdialyse-ziekenhuis ben aangekomen. In de loop van mijn verblijf hier komt dan ook menige patiënt even buurten omdat ze hebben gehoord, dat hier een Nederlander in zijn machina overnacht.

‘Je mag je machina wel eens wassen’, zegt er een, wijzend op m’n door en door vuile bussie. ‘Alle kans dat de politie je aanhoudt en je daarvoor een bekeuring wil geven. Nou ja, bekeuring, ze willen gewoon geld van je, want ze zijn corrupt hoor, onze agenten!’

‘Je moet beslist mijn heerlijke appels proeven’, zegt een van de andere aanwaaiers. Ze haalt er twee uit haar boodschappentas, wrijft ze glimmend en geeft ze aan me. Ik bedank haar natuurlijk vriendelijk, maar maak me tegelijkertijd een beetje zorgen. Een paar dagen geleden heb ik al een perzik gegeten en dan nu weer twee appels? Het zal me toch niet gebeuren dat die Kazachstanezen me bekeren en me van mijn fruit-afkeer afhelpen?

‘Als je naar de Bazar wil’, adviseert Aran, ‘kun je het beste naar de weg lopen en daar bus 91 of 29 nemen. Die brengt je in een uurtje naar de Green Market. Ik kan natuurlijk ook een taxi voor je bellen. Dat ritje kost dan wel 800 tenge.’ Voor die twee euro pak ik lekker de taxi, koop op de markt voor € 2,50 een shirt, eet voor een euro kebab en pak na een poosje een taxi terug naar ‘mijn’ ziekenhuis. Jammer wel, dat ze hier de was uitbesteden, want ik had alweer een leuk plukje kleding. Maar misschien kan ik hier morgenochtend wel lekker douchen.

 

Ik heb op de markt een vissalade gekocht. Als ik die ’s avonds op heb, loop ik -voor ik die appeltjes als dessert opeet- met een rol chocoladecake nog even naar de zusterspost. Als bedankje zeg maar voor de hartelijke ontvangst, hun hulp en de toestemming hier te mogen overnachten. Bij binnenkomst word ik weer hartelijk ontvangen: ‘Ga zitten. Wil je thee? Je hebt vast nog niet warm gegeten. Kijk, we hebben frikandel met rijst. Mayonaise erbij?’ Ach, weigeren is ook weer zo onbeleefd. Eet ik toch gewoon twee keer? Zoveel stelde die salade nou ook weer niet voor. En die appeltjes neem ik morgen als ontbijt.

OVERNACHTING #117

Illegale douche?

’s Morgens om zeven uur staat er een groepje verpleegsters en schoonmaaksters op het stoepje bij de achterdeur hun sigaretje te roken. Ik pak mijn beeldwoordenboekje, loop naar het viertal toe en laat een plaatje van een douche zien. Nee, maken ze me duidelijk, die hebben ze hier niet. Dan beginnen ze onderling wat te smoezen. Ik versta er geen woord van, maar uit hun gebaren en toon lijkt het erop dat ze het er over hebben dat er toch wél een douche is, dat het hoofd van de afdeling (ik gok maar wat) er toch nog niet is en dat die man toch best wel even…

Kort en goed: ze maken naar mij het gebaar van vlug mijn spullen te halen en snel, snel, snel terug te komen. Ze fluisteren erbij. Als ik met mijn handdoek en shampoo terugkom, trekt een van de verpleegsters haar lichtblauwe plastic jas uit. Een schoonmaakster sjort me er in en gebaart me fluisterend haar te volgen. Ik loop door een gang met links allemaal kamertjes waar de patiënten al aan de dialyse liggen. Ze opent -om zich heen kijkend- rechts een deur. Het is een voorraadkamertje, maar met een toilet en een douche. Ze zet wat spullen opzij, trekt het gordijn voor het raam naar beneden en beduidt me op te schieten. Nog nooit van mijn leven heb ik zo snel gedoucht, maar wat is het heerlijk!

‘Mijn’ schoonmaakster staat voor de deur op wacht als ik het hok uitstap. Ze neemt me bij de arm en loodst me de gang weer door. Ik trek het schort uit, bedankt haar met een kus en stap tevreden en schoon m’n bussie in.