2018 Camper Eurazië Kazachstan

A27

Claire-mijn-Garminnetje heeft het weer moeilijk hoor als ik haar de opdracht geef me van het Kazachstaanse Atyrau naar het Russische Astrakan te brengen. Grensoverschrijdend rekenen in deze gebieden is niet haar sterkste kant, want na erg lang puzzelen wil ze me op pad sturen om na 5775 kilometer Astrakan te bereiken. Nu had ik op de kaart uitgevlooid, dat het maar 300 kilometer is van Atyrau naar Astrakan over de A27. Ik negeer Claire, ga die A27 op en volg de borden.

Zo tevreden als ik was over de eerder door mij gereden A28*), zo ontevreden ben ik over de A27. Wat een takke-tering-pleuris-tyfusweg is dat! Hij is tweebaans, maar dan wel zo breed als bij ons in Nederland anderhalve rijstrook op een provinciale weg. Geen probleem, die breedte, maar hij is slecht, met geen pen te beschrijven zo slecht. Ik heb in de voorbije 36.000 kilometer op heel wat slechte wegen gereden, maar deze A27 staat absoluut in de top 3. De gaten in de weg zijn zo talrijk, zo groot en zo diep, dat ik er met een snelheid van ten hoogste 20 km/uur (maar dat is top en rijd ik zelden) overheen kan. Samen met mijn medeweggebruikers zwabber ik over die weg om de ergste putten te ontwijken. Samen met mijn medeweggebruikers rijd ik stapvoets door een dorpje, omdat daar het wegdek helemaal ontbreekt. Vaak is het door het verkeer in het verleden gevormde zandpad naast de weg nog beter te berijden. Ook de vele vrachtwagens slingeren met een bijna stapvoets gangetje over die A27 en dwingen me regelmatig (zij zijn groot en ik ben klein) flink uit te wijken. En dan knal ik -hoe zacht en voorzichtig ik ook rijd en afrem- in een put. En dan sta ik weer stil langs de kant van de weg met knipperende lichten omdat de brandstoftoevoer is onderbroken. Ik kan me nog goed herinneren hoe ik, maanden geleden, bij de eerste keer dat me dat overkwam, moeite had dat resetknopje te vinden.**) Inmiddels ben ik ervaringsdeskundige geworden: achttien keer heb ik vandaag knipperend langs de weg gestaan!

Ik begin me te ergeren, rook te veel en snoep te veel. Claire-mijn-Garminnetje dondert uit haar steun (kan ik daar weer voor stoppen) en de ster in mijn voorruit wordt bij weer zo’n dreun een lange scheur. En geen levende ziel te bekennen langs die weg, dus ook geen stopplaats, laat staan een restaurantje. Uit pure frustratie vreet ik twee pakjes Tuc op. Ik kan je verzekeren, dat 300 kilometer verschrikkelijk lang is als je op zo’n manier moet rijden

Ik ben dan ook als een kind zo blij als ik het grote blauwe bord langs de kant van de weg zie staan met de mededeling dat ik de Border Zone binnenrijd. Bij een van de vele tankstations gooi ik meteen mijn tank vol. Scheelt toch dertig cent per liter als ik hier nog tank in vergelijking met Rusland (ja, Frits gaat nog op de centjes letten op z’n ouwe dag…). Bij het tankstation vraag ik hoe ver het nog is tot de grens. Vijftig kilometer, krijg ik als antwoord. Ik meen het verkeerd te hebben verstaan (ze bedoelen natuurlijk 15 kilometer), maar het meisje bij de kassa laat het op haar rekenmachientje zien: 50 kilometer!

Was die eerste 250 kilometer op de A27 al bar slecht en zou je denken, dat het niet slechter kan, dan heb je het mis. Die laatste 50 kilometer bestaat het ‘wegdek’ uit aangereden puin en zand met hier en daar een flard asfalt. En er lijkt geen einde aan te komen.
Doodmoe van dat zwabberend kuilen ontwijken en het geconcentreerd rijden, bereik ik de grenspost en rijd na twee uurtjes formaliteiten Rusland binnen.

Ik hoor het je zeggen: ‘Als het allemaal zo slecht was, waarom ben je dan niet gestopt? Waarom heb je over die verschrikkelijke A27 dan geen twee, voor mijn part drie dagen gedaan? Alle tijd toch?’
Een terechte opmerking. Heb ik ook meerdere malen serieus overwogen. Maar er waren domweg geen stopplaatsen voor een overnachting of ik had aan de kant van de weg moeten gaan staan. En bovendien, bedacht ik: ‘Dit barre wegdek kan toch geen 300 kilometer zo blijven? Je zal zien: straks wordt het beter. Het bestaat toch niet, de A27, de hoofdweg Kazachstan uit, dat dit zo blijft?’ Nou, het bestaat dus wel.
Maar -ondanks die vaginaweg en dus die vermoeiende testikeldag- ben ik weer in Rusland. En in Europa.

*) (her)lees: A28            **) (her)lees: Auto-elektronica

OVERNACHTING #139

Eurazië

De laatste stad die ik in Kazachstan bezoek, nou ja, waar ik doorheen rijd, is Atyrau. Veel visindustrie, maar vooral raffinaderijen, opslagtanks en hele velden vol ja-knikkers. Geen stad om even gezellig aan te doen.

Toch stop ik er voor een kop koffie. Ik parkeer m’n bussie bewust aan de oever van de Ural River. Atyrau ligt namelijk voor de helft in Azië en voor de helft in Europa. De Ural, die hier in de Kaspische Zee uitmondt, wordt beschouwd als de scheiding tussen de twee werelddelen. Ik drink mijn koffie dus nog in Azië. Straks de brug over en ik rijd Europa weer binnen. Gek hoor: ik rijd natuurlijk al weken weer westwaarts, maar ik heb hier pas het gevoel aan de thuisreis te zijn begonnen.

Grote stad

Het heeft natuurlijk wel wat, boodschappen doen in van die kleine dorpswinkeltjes. Met planken aan de muur, waarop de weinige artikelen staan uitgestald. Met een vrouw achter de toonbank die pakt wat je vraagt of aanwijst. Die de helft van mijn boodschappenbriefje niet in de schappen heeft staan.

Maar ben ik een keer in een echte grote stad, Karaganda in dit geval, dan rijd ik naar de grootste supermarkt die er is, pak bij Norman een megagrote winkelwagen en sla behoorlijk in.

Daarvoor heb ik uitgebreid geluncht aan de rand van de stad, zoals dagelijks met een salat van tomaat, komkommer en ui, wat brood, een vleesgerecht en black coffee toe. Ik ben weer eens de enige in het restaurant. De televisie staat natuurlijk aan, maar om nu ook de lichten nog aan te doen in die donkere ruimte gaat ze waarschijnlijk te ver.

Ik rijd nog even langs het monument van Yuri Gagarin, de eerste man in de ruimte die in de steppe rond Karaganda op aarde terug keerde, stop even bij het Sovjet-heroïsche monument ter ere van de mijnwerkers die in het verleden de stad tot bloei hebben gebracht, gooi m’n tank vol diesel en priegel door de drukte de stad weer uit.

Koeien en kamelen

Ik rijd op de A2. Vierbaansweg. Je mag hier 120. Doen de meesten ook.
Er is geen vluchtstrook of berm. Staat er bij een helling omhoog op de rechter rijstrook gewoon een minibusje, zodat iedereen er omheen moet. Zijn er zes toeristen/dagjesmensen uitgestapt, die -terwijl het verkeer boos toeterend voorbijraast- op hun gemak foto’s staan te maken. En wat is er dan wel zo bijzonder? Een kudde zwart-witte Hollandse koeien!

Ach, hoe was ik zelf een paar weken geleden niet onder de indruk van de eerste kamelen die ik zag? Ben ik toch ook gestopt?

OVERNACHTING #120

Claire?

Claire-mijn-Garminnetje doet raar vandaag. Meldt ze dat het snoertje waarmee ze gevoed wordt niet geschikt is om op te laden. Dat snoertje heeft 27.000 kilometer geen problemen gegeven…
Gaat ze over op de spaarstand en wordt haar schermpje duister. Schakelt ze zichzelf uit. Gaat ze na een minuutje weer aan. En dat herhaalt ze keer op keer.

Ik hoop dat het kuren zijn en dat het tijdelijk is. Moet er toch niet aan denken, dat ze de geest geeft. Midden in Kazachstan. En ik moet nog door een onbekend stuk Rusland naar huis. En Estland. En Polen. Moet ik weer ouderwets kaart gaan lezen.
Alsjeblieft Claire, laat me niet in de steek!

OVERNACHTING #119

Wegindruk #2

Ik neem alles, nou ja, bijna alles, terug wat ik een paar dagen geleden over de wegen in Kazachstan heb geschreven! Ik rijd op de harde, strakke en genadeloze vierbaans A3, op weg naar Almaty. Maar liefst tweehonderd kilometer asfalt zonder een scheurtje, een hobbeltje of een gat in de weg. Er is nauwelijks verkeer, niks trilt, schudt of rammelt in m’n bussie en ik glijd soepeltjes de kilometers weg. Wat een weelde. Eén handje aan het stuur, linker voetje steunend in een vakje van het dashboard en de cruisecontrol op 120. Zo’n weg schreeuwt er om!

Alle tijd om van het schitterende landschap om me heen te genieten. Van de steppeachtige vlaktes, van de zandduinen, van de heuvels en sneeuwbetopte bergen. Het kost wat litertjes diesel, met deze snelheid op Almaty afrijdend, maar -al zou me dat al boeien- daar lach ik om. Zojuist mijn tank weer vrolijk vol laten gooien voor 46 eurocent per liter. Dat scheelt toch maar weer behoorlijk met het dure Rusland, waar ik maar liefst 70 eurocent per liter betaalde…

Ik rijd door twee middelgrote steden. Weet niet wat ik om me heen zie: mondain, supermodern, werelds. Geen in vervallen staat verkerende sovjetgebouwen, maar casino’s, hotels en wellnesscentra. Zo westers, dat ik bijna vergeet door Kazachstan te toeren.

Duidelijk zo?

Koop ik een pakje sigaretten. Kijk ik naar het plaatje op de verpakking.
Hoe zeggen ze dat ook alweer? Eén plaatje zegt meer dan honderd woorden?

 

 

 

 

 

 

Halt! Alweer politie!

Bij het verlaten van de stad Semey ligt er een schitterende vierbaansweg voor me. Op de uitvalsweg trap ik -samen met het verkeer om me heen- het gaspedaal in. Blijkbaar iets te vroeg, want binnen een paar tellen komt me een politiewagen met gillende sirene achterop, die me beduidt aan de kant te gaan.

Hij wil mijn rijbewijs en kentekenkaart zien, het piepjonge agentje, en vraagt me uit te stappen en in de politieauto plaats te nemen. Zijn wat oudere collega wijst op de monitor naar de opgenomen beelden van m’n bussie. Omdat ze beiden geen woord Engels spreken en ik ‘het maar niet begrijp’, moet Google Translate er aan te pas komen. Het gesprek verloopt meer dan traag, omdat we allebei steeds een zinnetje moeten intypen. Dat Google-gesprek ging letterlijk als volgt:

-U reed 90. U mocht daar maar 60.
-Dat wist ik niet. Ik heb geen enkel bord gezien.
-Dat is de regel in Kazachstan: in de steden 60 kilometer per uur. Waar komt u vandaan?
(Hij heeft net mijn rijbewijs en kentekenbewijs gecontroleerd, maar ik antwoord braaf: Uit Nederland.)
-Nederland? Amsterdam?
-Nee.
-Rotterdam?
-Mja.
-Voetbal? Ajax of Feyenoord?
(Ik gok -op basis van eerdere ervaringen in deze buitenlanden- op Ajax.)
-Ajax! Goed! Twente!
-Nou, fijn voor u.
-Ik ben geen fan van Twente, maar u moet wel een boete betalen.
-Ja, dat snap ik. Schrijf maar een bekeuring uit. Het is niet anders.
-Ik houd van Engels voetbal.
-Leuk!
-Liverpool.
-Goeie keus.
-En nu de boete.
(Het jonge agentje op de achterbank maakt een betaalgebaar en beduidt dat ik daarna mag doorrijden.)
-Maar heren, ik ben gisteren in jullie prachtige land aangekomen. Ik heb nog geen geld kunnen wisselen. Ik kan alleen met een creditcard betalen. (Het achterbankmannetje zegt in het Kazachs iets tegen zijn collega naast me en ik vang het woord dollar op)
-Oh nee! Ik heb geen dollars en ook geen euro’s.
-Dan moet u terug naar Semey en daar geld opnemen.
-Ik denk niet dat ik daar zin in heb.
-Niet? Dan moet u terug naar de grens en daar de boete betalen.
-Terug naar de grens? Da’s honderd kilometer! Ik pieker er niet over!
-Hoe lang blijft u in Kazachstan?
-Een maand of twee.
-Ok. Dan betaalt u de boete aan de grens als u het land weer verlaat.

Ze geven me allebei een hand, beduiden me dat ik door mag rijden en nog voor ik in m’n bussie zit, schieten ze de weg alweer op.

Uitgestorven?

Als ik op de M32 de afslag naar Karakuduk neem op zoek naar een plekje om te overnachten, kom ik na zes kilometer in het dorp aan. Nou ja, dorp, het is meer een nederzetting. Nou ja, nederzetting: er is één straat met aan weerszijden -hoeveel zullen het er zijn?- hooguit bij elkaar een twintigtal huizen. Het ziet er allemaal bepaald niet welvarend uit.
Die ‘hoofdstraat’ loopt dood in het land, zo’n zeventig meter na het laatste huis. Op het allerlaatste stukje asfalt parkeer ik m’n bussie. Ik stap uit en kijk rond. Het is uitgestorven stil. Toen ik hier arriveerde, waren halverwege de straat twee jongens een balletje aan het trappen. Ze keken even op en knikten. Ik zie dat ze nog steeds aan het voetballen zijn. En verder? Verder niks eigenlijk. In de loop van de komende uren rijdt er twee keer een trekker door het land, rijdt er één keer een knul op een brommer voorbij en tegen de avond brengen drie jongetjes hun koeien naar de stal. Ze kijken even naar m’n bussie.

‘Normaal’ gesproken heb ik aan aanspraak niet te klagen als ik ergens in de bewoonde wereld overnacht. Er zijn altijd op z’n minst wel wat kinderen die nieuwsgierig even komen buurten of volwassenen die een praatje aan de deur komen maken. Hier gebeurt er niks. Ik zie geen mens, ook verderop in de straat niet. Ik twijfel -mede gelet op de staat van de huizen- of dit Karakuduk nog wel bewoond is. Maar er hangt bij diverse huizen wel wasgoed aan de lijn. En er staan auto’s bij de voortuinen geparkeerd. Een vreemde gewaarwording. Wel lekker rustig, dat dan weer wel.

Ook de volgende morgen blijft het opvallend stil. Moeten er geen koeien naar de wei zoals ik in andere dorpen gewend ben? Moeten er geen mensen naar hun werk? Als ik vertrek en de straat uitrijd om weer op de M32 te komen, steekt er een hond de straat over. Toch nog een levende ziel.

OVERNACHTING #137

(more or less) Translate »