2017 Camper Corsica en Sardinië

Keuzemoment

OVERNACHTING #1

N57 – Aire d’Échenoz – Échenoz-le-Sec Entre Pierre et Rivières -Frankrijk
697 kilometer vanaf start

Ik heb koers gezet naar Nice. De enige reden is eigenlijk dat vanuit die mondaine badplaats de veerdienst van Corsica Ferries naar het Ile de Beauté vertrekt. Ik kies er bewust voor de Franse tolwegen te vermijden (want oersaai), maar halverwege de tweede reisdag begin ik te twijfelen. Leuk hoor, die N- en D-wegen, maar het begint me tegen te staan. Die trekkers waar we op tweebaanswegen in een sliert achter hangen. Die leuke stadjes en dorpjes waar je vijftig kilometer per uur mag (of dertig als het tegenzit). Die ontelbare rotondes. Die verkeerslichten. Die vrachtwagens die steunend tegen de heuvel optuffen. Op een gegeven moment zie ik om me heen ook nog eens allerlei punten en verwijzingen naar bezienswaardigheden die me erg bekend voorkomen. Rijd ik notabene over de RN7. Die trip heb ik drie jaar geleden uitgebreid gereden. Vandaar dat het me zo bekend voorkomt.*)
Ik gebruik een koffiestop om Claire-mijn-Garminnetje een berekening te laten maken als ik de laatste vierhonderd kilometer naar Nice de tolwegen zou gebruiken. Dat scheelt drie uur reistijd. De keuze is snel gemaakt: hield ik het toch al voor gezien op die Franse ‘binnendoorwegen’ (foei Frits, tegen je principe!), door nu de snelle route te nemen, ben ik om half vijf in Nice en kan ik op m’n gemak de ferry naar Corsica boeken. Ik gooi er een kleine zestig euro péage tegenaan (failliet ga ik toch…), tik de cruisecontrole op 120 en rijd tegen half vijf Nice binnen
Jammer wel, dat ik de stad aan de westzijde binnenkom en dat de terminal van Corsica Ferries aan de noordkant ligt. Dus moet ik dwars door de stad heen. Om half vijf is het daar druk, bijzonder druk. Ik sta om de haverklap stil, rechts en links, voor en achter schieten auto’s langs m’n bussie en halen motorrijders en scooters de meest idiote capriolen uit om een stukje sneller op te schieten dan de langzame rij auto’s. Gekkenhuis! Maar ja, is dat typisch voor het mediterrane Nice? In Rotterdam -om maar iets te noemen- toer ik probleemloos door de drukke spits. Maar daar weet ik de weg. Buitenlandse toeristen zullen hoogstwaarschijnlijk Rotterdam een gekkenhuis vinden.

*) (her)lees: Langzaam door Frankrijk

Bonjour monsieur. U wilt naar Corsica? Mag ik dan uw reserveringspapieren s’il vous plaît?
Reserveringspapieren? Die heb ik (natuurlijk) niet. ‘Ik rijd gewoon naar Nice‘, had ik thuis bedacht, ‘en dan koop ik daar een ticket voor de overtocht.’
‘Dat wordt dan lastig, monsieur. Vandaag gaat zeker niet meer lukken en morgen… wat zijn de maten van uw camper? Juist ja. De eerste overtocht waarop ik u kan plaatsen is eh… even zien… dat is overmorgen, donderdag om half negen ’s morgens.’
Geen punt toch? Het had natuurlijk leuker geweest als ik een overtocht eerder had kunnen boeken, maar ik heb de tijd aan mezelf. Ik boek de ferry, informeer waar ik op het parkeerterrein in m’n bussie tot overmorgen kan overnachten (impossible monsieur) of misschien alvast op de terminal kan parkeren (interdit monsieur) en moet dus noodgedwongen naar een camping.
Die is volgens Claire-mijn-Garminnetje hier ruim negentien kilometer vandaan. Het loopt inmiddels tegen zessen. Had ik het eerder over het verkeersgekkenhuis van Nice? Negentien kilometer naar die camping dus. Ik kruip -driebaans- praktisch stilstaand over de beroemde palmenboulevard van Nice. Ik rijd in een bloedvernakende hitte stapvoets door voorsteden. Negentien kilometer jawel. Na anderhalf uur (…) rijd ik Caravana-Camping ‘Magali’ op…

En morgen? Morgen doe ik helemaal niks. Slaap lekker uit (mocht ik willen) en houd een loom tutteldagje hier op de camping. Pak m’n rust na die dikke veertienhonderd kilometer om hier te komen. Ben ik overmorgen weer fris en fruitig om naar Corsica te varen.

Heet, heter, heetst

OVERNACHTING #2 + 3

Het is heet, afgelazerd heet op de camping. Leuk en aardig hoor die driemanshoge crematoriumbomen waarmee de laantjes hier van elkaar worden gescheiden , maar ze houden ieder zuchtje wind -zo dat er al is- helemaal tegen. Als ik ’s morgens opgefrist van een verkwikkende douche vijf minuten in m’n bussie ben, staan er alweer dikke zweetdruppels op mijn voorhoofd. Als ik tussen de middag een boterhammetje smeer, slaat mijn rug klam uit. En de druppels vallen uit mijn baard als ik voor de zoveelste keer mijn stoel verplaats op zoek naar een plekje schaduw. Ik overweeg niet eens naar Nice te gaan. Trekt me totaal niet om met 35, 40 graden daar door de stad te slenteren. Alleen voor het hoognodige vele drinken (de voorraad water vliegt er doorheen) stap ik heel even m’n bussie binnen om zo snel mogelijk de binnentemperatuur van 43,7 graden te ontvluchten. Ik doe er alles aan om het binnen minder warm te krijgen. Heb zelfs mijn luifel uitgedraaid. Die had jaren geleden voor het laatst uitgestaan. De waterpomptang en de spuitbus siliconenspray moesten er aan te pas komen om alles weer draaibaar te krijgen. En waar stond ik thuis vlak voor mijn vertrek mee in mijn handen? De ventilator. Toch maar niet meegenomen. Spijt! Ik plof weer op mijn stoel in de schaduw neer. Ik sluit even mijn ogen…

Ik schrik op uit mijn middaguiltje door het geluid van een telefoongesprek. Hoewel de man met zijn caravan zo’n honderdvijftig meter bij mij vandaan staat, kan ik het gesprek woordelijk volgen. Waarschijnlijk meent hij de vijftienhonderd kilometer die hem van het thuisfront scheidt te moeten overbruggen door zo hard mogelijk in zijn telefoon te toeteren:
‘Hoe is het bij jullie? Hier is het godsvernakend heet. Niet te harden (…) Nee jòh, helemaal niks. Niks niemandal. Was net effe in de voortent. Kijk ik op dat thermometertje dat we van jullie hebben gekregen, weet je wel? (…) Dat thermometertje voor m’n verjaardag. (…) O, was dat van je broer? Nou ja, doet-er niet toe. Kijk ik op dat thermometertje, is het in de tent vijfenveertig graden! Nou vraag ik je! (…) Jawel. Eergisteren zijn we nog naar Cannes geweest. Was het ook al zo heet. Maar ja, je moeder zei: dat hangen voor die tent de hele dag, da’s niks. Word je maar lui van. Laten we naar Cannes gaan, zegt ze. Wij naar Cannes. Loopt ze daar  te puffen en te klagen dat ze het zo warm heb. Zeg ik: jij wilde naar Cannes ik niet, dan mot je niet klagen over de hitte. Heeft je moeder toch al eerder last van met al dat vet an d’r  lijf. (…) Nee natuurlijk heb ik dat niet gezegd. Zeg ik alleen tegen jou. Je moeder is toch al zo overgevoelig voor die extra kilo’s. (…) Ja, ’s morgens vroeg als het nog niet zo heet is. Effe op en neer naar de supermarkt. Weet je hoe ze dat noemen hier in Frankrijk? (…) O, dat wist je al. Afijn, wij dus naar die alliemenstation. We slepen wat bier die caravan in, dat wil je niet weten. Je mot veel drinken met die hitte hoor. Anders verdorst je. (…) Heb ik je toch verteld? Nog anderhalve week, dan mogen we gelukkig weer naar huis. Kijk d’r nou al naar uit. Je moeder niet hoor. Die zou nog wel langer willen blijven. En volgende jaar wil ze weer naar de warmte toe. (…) Spanje! Ik zeg, daar is het nog heter als hier, zeg ik. Spanje! En dan met al die bosbranden (…) O, is dat in Portugal? Dat legt toch daar in de buurt? Nou ja, in ieder geval, zei ik tegen je moeder, in ieder geval krijg je mij voorlopig niet meer naar van die tropische gebieden. (…) Oostenrijk of zo. Of Duitsland. Da’s toch ook prima? (…) Dat we het daar nog wel over hebben as we weer thuis zijn, zei ze. Nou, dan weet je hoe dat gaat. Zit ik dus zeker weten volgende jaar drie weken met het zweet in me bilnaad weer in een tropisch zwemparadijs (…) Ja, da’s goed meid. Ik spreek je weer. (…) Nee, maak je geen zorgen. Ik heb het best wel naar me zin hier. En je moeder ook. ’t Is alleen een beetje te heet. (…) Afgesproken. Zien we jullie over een dag of veertien. Leuk. Doe de groeten aan Henri. Dag meidje!

Eh…

Na een dagje warm oponthoud zit ik aan boord van de veerboot van Nice naar Île Rousse op Corsica (korsie kaas zeiden mijn Rotterdamse straatboeffies en ik vroeger). Lekker een dikke maand island hoppen. Ik kijk er naar uit.

‘Wij gaan heerlijk vier dagen naar een wedding party in Calvi. Tachtig gasten zijn er uitgenodigd. Kijken er zo naar uit! En u? Hoe lang blijft u op Corsica?’ Eh…

‘We hebben een huis gehuurd op vijfhonderd meter hoogte in de bergen. Gaan we lekker een weekje genieten van het eiland. We zouden wel langer willen, maar ja… En u? Wat zijn uw plannen?’ Eh…

Observatie

OVERNACHTING #4

Camping de la Plage – RN 197 – Algajola – Corsica
1677 kilometer vanaf start

Als ik op de camping zo rond acht uur aan het ontbijt zit, kijk ik om me heen. Op een enkele uitzondering na -even verderop zit een grijs echtpaar voor hun camper koffie te drinken- op die uitzondering na zie ik alleen maar mannen. Geen vrouw te bekennen. En wat doen die mannen? Terwijl ik een beschuitje smeer en ondertussen naar het kwek-kwek-kwek van Radio France 1 luister (het lijkt mijn eigenste Radio Rijnmond wel), noteer ik een overzichtje:

Ze voelen of de was droog is, halen die van de lijn en vouwen het netjes op. Ze lopen met wat wijnglazen-van-de-avond-ervoor naar het sanitairgebouwtje en spoelen die glazen schoon. Ze lopen -handdoek over de schouder- met hun toilettasje naar de douches. Ze zetten de stoelen netjes bij de buitentafel. Ze lopen in en uit de camper en dekken de tafel voor het ontbijt. Ze tappen een emmertje water en sponzen hun voorruit schoon. Ze kijken naar de strakblauwe lucht. Ze pakken hun telefoon uit de zak van hun driekwart broek. En ze zitten. Staan soms op, lopen rond de caravan en gaan weer zitten. Soms maken er twee op gedempte toon een praatje.
Als ik klaar ben met ontbijten, de boel heb opgeruimd, m’n bussie reisklaar heb gemaakt en de motor start, kijken ze even op, die mannen. Op weg naar de uitgang van de camping zie ik de eerste vrouw. Waar hebben die al die tijd gezeten?

De berg op

Kilometers lange zandstranden. Schitterende baaien. Een meer dan fraaie kustweg. Prachtige bougainville aan weerszijden. En palmen. En heel veel andere bloeiende struiken en bomen waarvan ik de naam niet weet. Prachtig allemaal. Maar ook: campings die zich aaneenrijgen en een sliert rustig toerende (toeristen)auto’s die -van het uitzicht genietend- deze kustweg volgen.

Na een halve dag heb ik het allemaal wel gezien. Het is mooi hoor, helemaal zoals in de folders staat beschreven, maar niet bepaald mijn tasse de thé. Zodra het kan, sla ik linksaf een zijweg in. Weg van die mooie kust. De bergen in. En kijk, daar houd ik meer van: smalle, slingerende bergweggetjes, kleine slaperige dorpjes en nauwelijks verkeer op de weg. Regelmatig zet ik m’n bussie aan de kant om te genieten van het uitzicht. Ik ontdek een schitterend kerkhof en slenter daar wat rond en als ik even later weer ietsje dichter bij de ‘bewoonde’ wereld ben, zie ik een grote ELeClerc, waar ik (lekker koel binnen) wat boodschappen doe. Om daarna weer snel de bergen op te zoeken. Ik geniet.

En panne #1

Voor de zoveelste keer ben ik even langs de kant van de weg gaan staan om op m’n gemak van het uitzicht te genieten en foto’s te maken. Als ik weer ben ingestapt en wil starten, hoor ik wel de startmotor draaien, maar tegelijkertijd ook een hoog ratelend piepend geluid. Op het dashboard gaat een lampje branden: een rood hangslotje. Zegt me niks. Ik merk alleen dat de motor niet start. Ik onderdruk een milde verwensing (zal zo erg toch niet zijn) en haal het instructieboekje tevoorschijn.

Dat slotje betekent, dat de transponder niet werkt. Nu weet ik toevallig wat dat is. Da’s geen wijsheid, maar ervaring omdat ik zoiets al eens eerder heb meegemaakt *). Het komt er op neer, dat de sleutel specifiek bij deze auto hoort met een ‘ingebakken’ code, maar dat m’n bussie mij nu niet meer herkent als de eigenaar.
Vervelend is het allemaal wel. Ik sta ‘ergens langs een bergweggetje’ in de richting van ‘ik wou dat ik het wist’. Tegen beter weten in (zal nu wel afgekoeld zijn…) probeer ik nog een keer te starten, maar zonder resultaat. Hier moet een mécanicien bij komen en dus moet ik op zoek naar een garage. Ik noteer de coördinaten van de plek waar ik gestrand ben, ga langs de kant van de weg staan en steek mijn liftersduim omhoog.
Nu heeft die duim me mijn hele leven nog nooit in de steek gelaten en ook deze keer stopt er al snel een auto. Aan het echtpaar van mijn leeftijd leg ik uit wat er aan de hand is en (natuurlijk) mag ik instappen en (natuurlijk) gaan ze mij helpen. De achterbank wordt ontdaan van de nodige jasjes en vestjes, de lege waterflessen en blikjes worden van de vloer opgeraapt en ik mag met opgetrokken knieën plaats nemen op de achterbank. Het echtpaar is ook op vakantie hier en zit aan het einde van hun eerste week. De man spreekt Engels, de vrouw niet. Hij legt uit dat hij tot zijn pensionering leraar Engels is geweest. Ik stel vast dat zijn kennis van de Engelse taal in die zes jaar dat hij nu retired is behoorlijk is weggezakt, maar het scheelt al een stuk dat ik niet in het Frans hoef te converseren.
Drie, vier keer stopt de man bij een benzinepomp om de weg te vragen naar een garage. Drie, vier keer worden we een andere kant opgestuurd. We rijden zeker zo’n drie kwartier min of meer heen en weer op dezelfde weg tot we uiteindelijk bij Garage Magnosi zijn aangekomen. Ik bedank het echtpaar mille fois en zeg me behoorlijk opgelaten te voelen dat ze zo met mij hebben moeten rondtoeren op hun vakantiedag. Beiden beweren om het hardst, dat ik daar niet mee moet zitten. Ze zijn blij me geholpen te hebben en, voegt de vrouw er aan toe: ‘het was ook goed voor mijn man; kon hij zijn Engels tenminste weer in de praktijk brengen…’

Inmiddels is het half twee geworden: siësta. Ik moet een half uurtje wachten tot de garage weer open gaat. Bij het naastgelegen benzinestation koop ik mijn lunch: twee van die in een plastic doosje verpakte, schuin doormidden gesneden laffe, kleffe benzinepompboterhammen en een blikje Liptonice.

Als hij om twee uur mijn verhaal heeft aangehoord, reageert de garagist heel kort en gedecideerd: hij kan me niet helpen. Ik moet absoluut naar een Citroëngarage toe. Hij loopt zijn kantoortje binnen en schrijft het adres voor me op. Dat is in Calvi. Daar was ik een uurtje geleden met de leraar Engels… Whatever.

En dus sta ik voor de tweede keer die dag weer te liftduimen. Er stopt een taxi. Ik leg uit waar ik heen moet en de chauffeur wijst met zijn duim naar de achterbank ten teken dat ik kan instappen. Hij is niet alleen: naast hem zit een man met wie hij druk in gesprek is, ondertussen losjes met een hand sturend, af en toe telefonerend, veel toeterend naar de medeweggebruikers en bekenden onderweg en bovenal constant de hier geldende maximum snelheid negerend. Geen woord wisselen ze met mij op de achterbank. Het valt me wel op, dat de taximeter op nul blijft staan. Geeft deze taxichauffeur mij echt een gratis lift voor een rit van zo’n dikke twintig kilometer? Dat doet-ie inderdaad. In Calvi draait hij het terrein van de Citroëngarage op, zegt vriendelijk dat we er zijn, wenst me nog een fijne dag en rijdt alweer (losjes en soepel uiteraard) het terrein af. Hij geeft een klap op de claxon ten afscheid.

De man in de garage kijkt me wel aan, maar neemt verder geen notie van me. Als ik wat heen en weer drentel en een paar keer kuch, vraagt-ie wat hij voor me kan doen. Als ik hem mijn probleem voorleg, kijkt-ie bedenkelijk. ‘Een Jumper, hè? Een campingcar? Nee, die kan ik hier niet hebben. Die kan hier niet naar binnen. U zult naar de grote Citroëngarage in Bastia moeten. Daar kunnen ze u wel helpen.’
Onwil? Het is vrijdagmiddag drie uur. Geen zin meer in zo’n klus? Zijn collega loopt de vloer al te vegen.

Ik loop naar buiten, besluit dat ik nu wel voldoende eigen initiatief heb getoond en bel de ANWB-Travelcare. Misschien had ik dat beter eerder kunnen doen op dat weggetje waar ik vanmorgen gestrand ben in the middle of nowhere, wie zal het zeggen? Het wordt een moeizaam gesprek. Ik hang geruime tijd met een irritant muziekje in de wacht, Ziggo meldt ondertussen dat mijn beltegoed op is en dat ik vanaf nu per minuut ga betalen (boeiend) en als ik eindelijk wordt doorverbonden, tref ik niet bepaald het meest heldere licht van Travelcare. Tot drie keer toe moet ik gedurende het gesprek mijn kenteken herhalen: ‘Wat is uw kenteken ook alweer?’ en als ik haar uitleg met m’n camper gestrand te zijn, wil ze -logisch- weten waar m’n bussie staat: ‘Heeft u een straatnaam? Een wegnummer?’. Dat heb ik niet, maar ik geef haar wel -trots op mezelf dat ik daaraan gedacht heb- de coördinaten door. Ze zucht, moet een ander programma openen (‘de computer is erg traag vandaag’), maar kan het niet invoeren. Pas bij de vierde poging (‘kunt u nog één keer de coördinaten dicteren?’) hoor ik een opgeluchte zucht, gevolgd door de teleurstellende mededeling, dat ‘die coördinaten niet kloppen, want dan zou uw camper midden in zee staan, mijnheer.’ Het spijt haar bijzonder, maar zonder deze gegevens kan ze mij niet helpen. Ik laat mijn mobiele nummer bij haar achter, zeg haar terug te keren naar m’n bussie en haar vanaf daar weer te bellen.

Ik sta in een industriewijk van Calvi. Onwaarschijnlijk dat ik hier liftend wegkom en bovendien wie wil mij dan de bergen inbrengen? Ik stap de garage weer binnen en vraag de eigenaar een taxi voor me te bellen. Als die er met een half uurtje is (…) geef ik de chauffeur mijn coördinaten. Die kan hij niet invoeren in zijn navigatiesysteem. Daar kan hij dus niks mee. We gaan op weg en terugrijdend herken ik punten waar ik ben langs gekomen. Op een gegeven moment -vraag me niet hoe- heeft de chauffeur het door. ‘Ik denk dat ik weet waar je staat’, zegt-ie en slaat een zijweg in. Na een tiental kilometer bergopwaarts komen we inderdaad bij m’n camion verte aan. Ik heb niet eens een meter gezien in deze ‘taxi’, moet de chauffeur contant vijfenvijftig euro betalen, vraag wel een bonnetje ‘pour l’assurance’ en stap daarna -dolgelukkig dat ik weer bij m’n vertrouwde bussie ben- in mijn huis op wielen.
Tegen beter weten in probeer ik toch nog maar eens te starten en verrek! de motor slaat aan! Ik kan weer en route!
Ik rijd een paar kilometer bergopwaarts tot ik in een piepklein dorpje kom. Op de parking municipal zet ik m’n bussie neer. Tijd voor een boterhammetje en een kop koffie. Toch wat nauwlettender dan normaal houd ik na de maaltijd de getalletjes van mijn accuwacht goed in de gaten. Het bevalt me niks dat mijn startaccu op 11.8 staat. Als ik mijn cabineraampjes dicht wil doen, gaat dat hortend en stotend. Als ik probeer te starten, gebeurt er niets, behalve dat hoge, irritante geluid.
Ik bel Travelcare, leg uit wat er aan de hand is en geef het exacte adres door waar ik voor de tweede keer vandaag gestrand ben. Morgenochtend (zaterdag) om acht uur zullen zij een actie starten om mij daar weggesleept te krijgen: ‘Probeert u lekker te slapen, mijnheer. Er komt hulp aan.’

*) (her)lees: 2009 – Frakrijk en Italië

OVERNACHTING #5

P Lieu-dit Querci – Cateri – Corsica
1725 kilometer vanaf start

En panne #2

Ik ontvang om tien over acht een sms van Travelcare. De hulpdienst is onderweg en kan over zo’n drie kwartier in Cateri zijn. Prima geregeld, want inderdaad: tegen negen uur rijdt er een auto van de dépannage het parkeerterrein op.
De chauffeur probeert m’n bussie te starten, hoort het nare geluid, zet onmiddellijk het contact weer uit en concludeert: ‘Batterie. Kaput.’ Hij zet zijn auto naast m’n bussie, pakt startkabels, verbindt zijn accu met de mijne en start vervolgens de motor.
‘Ik hoef je nu niet op mijn auto te zetten’, zegt-ie, ‘want je motortje loopt. Rijd maar achter mij aan, dan rijden we naar mijn garage. Daar zet ik er een nieuwe accu in.’
Wat volgt is een doldrieste rit door de bergen. Mijn mécanicien kent natuurlijk de weg op z’n duimpje, weet iedere bocht nauwkeurig en dendert met zijn logge sleepwagen de berg af en door dorpen. Ik heb moeite hem bij te houden, ben hem zelfs vijf minuten helemaal kwijt en dolblij als ik weer achter hem zit. ‘Bonne route!’, zeg ik zuchtend als we uitstappen bij zijn garage. Hij glimlacht verontschuldigend, steekt een sigaret op en gebaart me de motorkap open te maken.

Fluitje van een cent hoor, dat vervangen van een accu. Met een half uurtje is de klus geklaard. ‘Ik moet straks eerst geld opnemen’, bedenk ik als ik (contant, pas de carte) even later in zijn kantoortje tweehonderd euro moet betalen. Da’s dan alleen voor de accu legt de man uit. De sleep wordt verrekend met de verzekering.
Wat maakt het uit? Ik ben allang blij, dat ik weer op weg kan. Met een nieuwe accu. Probleem opgelost.

Tot zover…

Zo weinig verhalen over deze campertrip?
Nee hoor: er is veel meer te vertellen.
Die verhalen volgen allemaal nog.
Later…