2016 Camper IJsland

Verantwoording

© Foto’s
Frits Mahn, Harrie Roozen en speciale dank aan Anne Marie van Overmeire van wie ik uit haar vierduizend (4000!) opnamen een ruime keuze mocht maken.

© Video
Frits Mahn

Stau

‘Wegwerkzaamheden gemeld op de A7.
Eenentwintig minuten vertraging toegevoegd aan uw route.’
Is het suggestie of klinkt zelfs de stem van Claire-mijn-Garminnetje steeds moedelozer? Ik zou het me kunnen voorstellen, want aan de Stau vanwege wegwerkzaamheden en ongevallen op de Duitse wegen lijkt geen einde te komen. Lekker doorrijden en kilometers maken -zoals je vroeger op de Autobahnen kon ‘blazen’- is er dan ook niet bij vandaag.
Als ik even na Hamburg aansluit bij de zoveelste stilstaande file besluit ik het voor gezien te houden. Over de vijfhonderdachtenvijftig kilometer die ik vanaf huis over alleen maar snelwegen heb afgelegd, heb ik ruim acht uur gedaan. Het is mooi geweest. Ik ben dan ook de enige niet die over de vluchtstrook de file passeert op weg naar de afslag naar Quickbom (wie kent het niet?).

In het clubgebouw van de Red Golf snack ik een ‘avondmaaltijd’ en ontdek tegenover die golfbaan een voormalig parkeerterreintje, waar het onkruid langzaam bezit neemt van het asfalt. Stil en verlaten: een prima, rustige overnachtingsplek na zo’n inspannend dagje Stau fahren.

18 juli 2016
P Harksheiderweg Quickbom – N 53 43.487 E 09 56.031
558 km

 

19 juli 2016
P Stokkebrovej Hønsnap – N 54 52.690 E 09 26.037
171 km

In het restaurant van Museum Jorn in Silkeborg hangt een groot bord. Velkommen smukke mennesker staat er bovenaan. Daar kom ik met mijn zeer beperkte kennis van het Deens nog wel uit. Zal wel zoiets zijn als: Welkom beste mensen. Maar van het menu zelf kan ik geen chocola maken: grib? mad? kærlighed? hensynsløs? løssluppenhed? Geen idee welke gerechten daarmee bedoeld worden, vraag ik de vriendelijke serveerster achter de bar de tekst op het bord voor mij te vertalen.
Glimlachend begint ze: ‘Welkom lieve mensen’ (zie je wel, dat had ik goed). Maar als ze vervolgt met ‘Voedsel en liefde..’ onderbreek ik haar. Voedsel en liefde? Staat dat op het menu? De behulpzame serveerster wijst fijntjes op de onderkant van het bord. Daar staat -half uitgeveegd- een naam. Wat ik voor de menukaart heb aangezien, blijkt een spreuk van de Daila Lama te zijn. Juist ja.
De serveerster schiet in de lach en overhandigt me de echte menukaart…

 

20 juli 2016
P Strandvejen Ebeltoft – N 56 11.730 E 10 40.277
290 km

Ikea

De omgeving is schitterend hoor op de camperplek midden in de duinen bij het meest noordelijke puntje van Denemarken, maar daar heb je het dan ook wel mee gehad. Misschien is het gewoon pech, dat op de dag dat ik er overnacht er uitgerekend twee campers staan, waarvan de eigenaren van twee hondjes gezellig met elkaar staan te kletsen, maar moet dat nou zo luidruchtig? Klaarblijkelijk wel, want anders komen ze niet boven het driftige gekef van hun zenuwachtige viervoetertjes uit. Maar is er dan geen andere plek dan pal voor mijn voorbumper? En hebben ze niet in de gaten dat het nog voor zevenen in de ochtend is?

Misschien is het ook pech, dat om kwart over zeven een gele hes de campers die overnacht hebben op de voor touringbussen gereserveerde plaatsen naar een ander plekje dirigeert. En dat de eigenaren van die campers dan maar meteen de gelegenheid aangrijpen om matjes uit te kloppen, ondertussen gezellig met elkaar kletsend. Of dat er om half acht al acht bussen vol toeristen het terrein oprijden, die reutelend een poosje staan na te dieselen?

Toegegeven: het is hier geen officiële camperplek, maar een parkeerterrein dus eigenlijk mag ik niet klagen. Maar ik vind wel, dat mensen bij hun matineuze activiteiten rekening moeten houden met de andere overnachters. Het verschil met mijn voorgaande overnachtingen waar ik altijd zocht naar rustige, eenzame plekjes ‘in het wild’ is dan ook levensgroot. Ik zie overeenkomsten met een parkeerterrein bij Ikea. Een camperplek dus. Ik heb het ervaren. Ben er nu twee keer geweest: de eerste en de laatste…

21 juli 2016
P Akandevej Grenen – N 57 44.324 E 10 38.015
238 km

Landtong en strand bij Grenen

 

22 juli 2016
P Rabjergmille – N 57 39.256 E 10 24.531
27 km

 

23 juli 2016
Veerboot Hirtshals-Torshavn – N 59 33.573 E 00 17.162
1116 km


 

24 juli 2016
P Torshavn – N 62 00.822 W 06 46.420

BEWEGENDE BEELDEN
EK voetbal 2016: IJsland!

Bisschopszetel

Een voormalige bisschopszetel, een wit kerkje en een eeuwenoude boerderij. Best veel te zien in Kirkjubøur. Drie culturele bezienswaardigheden op slechts tweeënzeventig inwoners. Een behoorlijk gemiddelde.
Het oudst is de Ólavskirkjan, gebouwd in 1111 en de enige Middeleeuwse kerk op de Faeröer die nog in gebruik is. De Kirkjobømúrurin, de kathedraal van de bisschop, staat er vlak achter en ingepakt in plastic lappen om het zandsteen uit 1290 te beschermen. En dan is er nog de Kirkjubø, de boerderij die zeventien generaties door dezelfde familie werd bewoond en waarvan de roykstova (de rookkamer) tegenwoordig een museum is. Drie bezienswaardigheden dus in een dorpje waar je met een kwartiertje doorheen loopt.
Maar het mooist is de plek aan de baai waar twee Hollandse campers op deze regenachtige ochtend hebben geparkeerd. Schitterend. Een prachtige start van de mini-driedaagse op de Faeröer.

Tafeltje dekje

Als ik op de dinettetafel leun, zegt die ‘krak’. Van de plastic strip waarmee de tafel aan de wand wordt geschoven hebben vier bevestigingsschroeven het opgegeven. En dat is de tweede keer al deze reis. Op de allereerste reisdag schoten diezelfde schroeven al uit het hout. Toen, op een parkeerplaats langs de Duitse autoweg, loste ik dat op door er zwaardere en dikkere schroeven in te draaien.
Dat zal deze keer niet meer lukken. De schroefgaten zijn dermate uitgelubberd, dat er iets anders bedacht moet worden, wil de tafel de rest van deze vakantie nog te gebruiken zijn. Ik bedenk, dat de beste oplossing is om een smal randje van het blad af te zagen. Nu heb ik best wel wat gereedschap aan boord, maar een zaag…

Zesendertig (…) inwoners, waaronder twee kinderen, telt het afgelegen dorpje Tjørnuvík. Een van die vierendertig volwassenen is bereid te helpen met de tafel. Uit zijn huis haalt hij een zaag, tekent met zijn timmermanspotlood een strookje af en zet de zaag in het blad. Dan haalt hij van thuis zijn elektrische schroeftol, zet de plastic strip vast en concludeert: ‘Zo, je kan weer eten.’
Als ik hem vraag wat hij krijgt voor zijn arbeid, wimpelt hij dat resoluut af. Een hand is meer dan genoeg. Die krijgt hij dan ook, samen met de uitgebreide takk voor zijn hulp. Met een ‘goede reis verder’ pakt hij zijn gereedschap bij elkaar en loopt terug naar zijn huis.

Tjørnuvík


25 juli 2016
P Tjørnuvík – N 62 17.339 W 07 08.793
83 km

Het bankje van Marie

Toen de Australische Mary Donaldson in 2004 trouwde met de Deense kroonprins Frederik begon ze aan een kennismakingsrondje door het Deense koninkrijk. Ook de eilanden van de Faeröer stonden op het lijstje en ter ere van haar komst werd in Gjógv een eenvoudig, ruwhouten bankje in elkaar getimmerd, vanwaar de kroonprinses een mooi uitzicht had op het dorp en de fjord.

Twee Hollandse campers parkeren naast de enige fabriek op de Faeröer (zes werknemers…) en lopen het pad op naar de top van de heuvel om het beroemde bankje te bekijken. Dat pad is smal en glibberig, het laatste vanwege de overvloedige regenval van de afgelopen dagen. Gelukkig is de klim niet al te hoog en steil, want -eerlijk gezegd- Mary’s Bænk stelt niet veel voor: twee steunpalen en een ruwe plank, waarop de kroonprinses in 2005 met haar Royal Bottom plaats nam. Links en rechts staat een pot margrieten, in de linker bovenhoek zijn twee tekstplaatjes bevestigd. Het bankje is wel -dat moet toegegeven worden- helemaal in overeenstemming met het rauwe, ongepolijste landschap van het eiland Eysturoy. De kroonprinsesselijke plank is te nat en te vies om er zelf even op plaats te nemen en het prachtige uitzicht over de fjord gaat schuil achter motregen en laaghangende flarden mist. De verregende Hollanders glibberen het pad naar het dorp weer af en lopen huiverig tussen de vijftig huizen van Gjógv terug naar hun campers. De motor wordt gestart, de verwarming gaat een standje hoger en dankzij de gestaag zwiepende ruitenwissers kan toch van het landschap worden genoten. Fraai, maar een zonnetje erbij had het allemaal nog mooier gemaakt.

Gjógv

BEWEGENDE BEELDEN

 

26 juli 2016
Haven Oyndafjørður – N 62 16.446 W 06 51.135
72 km

Trots

Trots zijn ze, die bewoners van de Faeröereilanden. En meer dan trots op hun brug, die de eilanden Eysturoy en Streymoy met elkaar verbindt. Want, zeggen ze: ‘Wij van de Faeröer hebben als enig land ter wereld een brug over de Atlantische Oceaan.’

Finland?

‘Finland?’
De Britse medecamperaar met wie ik een praatje maak op de parkeerplaats snuift verachtelijk. ‘Finland. Nou, ik ben er geweest hoor. Het land van duizend meren zeggen ze dan. Zal best waar zijn, maar persoonlijk heb ik daar niet één meer gezien. D’r stonden allemaal bomen voor!’

‘Enne’, vraag ik later in het gesprek, ‘wat heeft u bij het laatste referendum gestemd?’
‘Brexit natuurlijk! Engeland kan Europa missen als kiespijn. Terug naar de splendid isolation van vroeger. Dus: brexit of course!’
Of course…

27 juli 2016
Veerboot Torshavn-Seyðisfjörður – N 63 30.279 W 10 38.807
675 km

Modderig mooi

IJsland, eindelijk IJsland.
Dus vrijwel onmiddellijk na het afrijden van de ferry stoppen bij de eerste de beste supermarkt, boodschappen doen, geld opnemen en dan de ringweg 1 op. En dus natuurlijk meteen stoppen bij de eerste-de-beste waterval. Foto’s maken.
Maar het wordt nog mooier als m’n bussie de ringweg verlaat en over een kuilerige gravelweg langs de Lagarfljótriver rijdt en halverwege via de nodige haarspeldbochten de 664 meter hoge pas bereikt. Schitterend. Prachtig. Maar wat zou het -net als op de Faeröer– nog mooier zijn geweest als het niet zo zwaar bewolkt was geweest en het niet zo had gemotregend.

 

28 juli 2016
Baai Norðausturvegur – N 65 44.096 W 14 51.454
122 km

Útsýnispallur

Wat een weg! Ik had bij mijn voorbereidingen al gelezen, dat de wegen die naar het binnenland leiden niet geasfalteerd zijn en uit gravel bestaan.
Mijn eerste vuurdoop met dit soort ‘wegen’ krijg ik op het noordelijk gelegen schiereiland Langanes. Vanuit het dorpje þórshöfn rijd ik een dikke dertig hobbelige, glibberige, stenen en kuilen ontwijkende kilometers langs een schier eindeloze rij vogelrotsen, drijfhout en verlaten nederzettingen. Bij Stóra Karl is een uitkijkpunt over de kliffen en rotsen. Daar bevindt zich de grootste jan-van-gentenkolonie van Noord IJsland. Mooi en (weer) indrukwekkend. Maar waarom die gevleugelde vrienden nu uitgerekend daar allemaal op een kluitje moeten zitten, terwijl ze overal langs de kust kunnen nestelen, is me een raadsel. Dat moet een bioloog me maar eens uitleggen.

BEWEGENDE BEELDEN

 

29 juli 2016
camperplaats þórshöfn – N 66 11.919 W 15 19.568
144 km

Spartaans

Op camperplaats þórshöfn sta ik eigenwijs niet op het veld voor campers, maar op het veldje ernaast, pal naast het sanitairgebouwtje. Zes stappen en ik ben op de verwarmde wc. Gemak dient de mens nietwaar en het is al koud genoeg.

Ik verheug me al op morgenochtend. Ben van plan een hele uitgebreide, lange douche te nemen, zodat ook mijn langzamerhand verkilde botten weer eens lekker warm worden. Dus zet ik de kraan wagenwijd open, stap onder de heerlijk hete straal water en zeep mijn haar uitgebreid in met shampoo. Ook de rest van mijn lijf krijgt een grote schoonmaakbeurt. Maar terwijl ik daar nog mee bezig ben, wordt het water een tikkeltje kouder. Geen nood: ik draai de kraan wat warmer. Mis! Het water in de boiler blijkt op te zijn. Ik draai de kraan helemaal dicht en hoor de boiler zoemen. Met mijn hoofd vol shampoo en mijn lijf glimmend van het schuim sta ik -tegen beter weten in- een behoorlijk poosje te wachten tot er weer warm water is. Dat is er na enige tijd ook, maar in twee tellen is het weer ijskoud. Er zit niets anders op dan een Spartaanse douche te nemen. Zo snel als ik kan, spoel ik me huiverig af. Rillend loop ik terug naar m’n bussie.
Land: IJsland. Datum: 30 juli. Tijd: 6:30 uur. Buitentemperatuur: 6 graden Celsius.

Struikelend paard

Wat precies de oorzaak is geweest, weet niemand, maar toen de Vikinggod Óðin boven het noorden van IJsland op zijn achtbenige paard Sleipnir door het zwerk reisde, struikelde dat paard. Door met een van zijn hoeven op het land af te zetten, kon Sleipnir zich nog net in evenwicht houden, maar die hoef maakte in IJsland een letterlijk onuitwisbare afdruk: de Ásbyrgikloof, een vier kilometer lange kloof in de vorm van een hoefijzer (…), met steile, tot honderd meter hoge rotswanden.
In en langs die kloof zijn diverse wandelpaden uitgezet met onderweg uitkijkplatforms. Ik kies voor het pad naar het dichtstbijzijnde platform. Vierhonderd meter. Inspannend genoeg…

BEWEGENDE BEELDEN

Vort in de fjord

Vijf van de 4000 foto’s van Anne Marie van Overmeire

Water all over

Vijf miljoen kilo klei wordt er jaarlijks door de Jökulsá gletsjerrivier naar zee gevoerd. Honderddrieënnegentig kubieke meter water stort er per seconde bij de honderd meter brede Dettifoss waterval naar beneden.

Op het parkeerterrein kunnen eindelijk de ruitenwissers uit. Toeristen in regenpakken dalen voorzichtig het steile en glibberige pad naar de waterval af. Daar waar het rivierwater vierenveertig meter naar beneden stort, hangt een grote wolk waternevel. En het waait stevig. En het regent. Water. Van voor, van achter, van opzij en van boven.
En op de lens van mijn camera. Niet droog te houden. Mislukte foto’s dus? Welnee: artistieke opnamen!

 

30 juli 2016
P Hafragilfoss – N 65 50.169 W 16 23.971
143 km

Mooi toch, daar bij die waterval? En ruig en verlaten. Bij de pijl staan twee Hollandse campers op hun overnachtingsplaats.

Gas!

Dat ‘bussie-gasprobleem’ blijft me toch hinderlijk achtervolgen. Dacht ik van alle gemakken te zijn voorzien door een LPG-fles met vaste vulaansluiting te laten installeren, ging dat niet op in Denemarken, waar het zoeken was naar de tankstations die LPG leverden. En nu in IJsland? In het hele land geen LPG te krijgen. Kennen ze hier gewoon niet.

Dus vertrok ik twee weken geleden met een volle tank LPG uit Nederland. Normaal gesproken doe ik een heel kampeerseizoen met zo’n tank, maar doordat in de eerste week vanwege het warme weer de koelkast nogal veel gebruikt werd en in de koude week twee de kachel regelmatig aan moest en dat er meer gekookt wordt dan op mijn andere reizen, zag ik met lede ogen de ledjes van de gasmeter gestaag minder worden.
In overleg met technische en praktische kampeervriend Harrie werd besloten een extra fles propaan aan te schaffen in Reykjahlíð. Het kostte wat moeite die tweede fles op zijn plek te krijgen. Het bed moest dubbel gevouwen, de LPG-fles gedemonteerd, de propaanfles geplaatst, de LPG-fles weer gemonteerd, alles weer netjes worden aangesloten en de gaskast heringericht. Alles bij elkaar best wel een klusje, maar door eendrachtige samenwerking van Harrie en mij (nou ja, ik keek toe en reikte gereedschap aan) waren we met een klein uurtje klaar. ‘Blij, dat we weer genoeg gas hebben’, verzuchtte Harrie opgelucht.

Bubbels en stoom

Sta ik geparkeerd bij de Námaskarð solfataren, stopt er een auto naast me: vader stuurs achter het stuur, moeder achterin en zoonlief -ik schat hem een jaar of veertien- met een verveeld gezicht op de bijrijderstoel. Moeder stapt uit, trekt rillend de rits van haar jack omhoog en opent uitnodigend de deur voor haar zoon. Die kijkt haar alleen maar aan. Moeder doet het portier nog verder open en gebaart de jongen uit te stappen. Met frisse tegenzin steekt hij één voet naar buiten en knijpt onmiddellijk met een vies gezicht zijn neus dicht vanwege de doordringende zwavellucht die hier hangt. Vader en moeder lopen enthousiast in de richting van het borrelende en stomende zwavelveld. De zoon slentert er berustend achteraan: capuchon over z’n hoofd, schouders omlaag en de handen diep in zijn zakken. Vader beent driftig door naar de eerste stoompluim en begint foto’s te maken. Moeder kijkt nog even over haar schouder en stelt tot haar geruststelling vast, dat haar puberende en onwillige zoon hen op gepaste afstand volgt.
‘Leuk toch’, zullen ze thuis tegen hun zoon gezegd hebben, ‘nog één keer met z’n drietjes gezellig op vakantie.’

BEWEGENDE BEELDEN

Gratis stroom

Bij de Kraflavulkaan is een geothermische krachtcentrale gebouwd. Waar wij in Nederland de ‘gratis’ stroom met windmolens opwekken, doen ze dat in IJsland door gebruik te maken van de hete, onderaardse lava.
De reisgids vermeldt dat er in de centrale een bezoekerscentrum is, waar aan de hand van een filmpje de werking van de stroomopwekking wordt uitgelegd. In de betrekkelijk kleine tentoonstellingsruimte hangen ook nog diverse uitlegborden. Of dat de hele tentoonstelling is, vraag ik aan gastvrouw Helga.
‘Nee’, zegt ze, ‘u kunt ook nog naar boven, tachtig treetjes op, en daar kunt u vanaf de balustrade de turbinehal zien.’
Susi, de andere gastvrouw, maakt het kettinkje open dat de toegang tot de trap afsluit en het groepje belangstellenden klimt naar boven. Ik kijk neer op een grote turbine. Dat is alles. Valt me een beetje tegen, want ik had een rondleiding door de centrale verwacht en zag mezelf al in een stofjas en met een helm op door de centrale worden rondgeleid. Jammer.

Kraterklauteren

De Hverfjall (hete-bronnen-berg) is een kegelvulkaan en ongeveer 2500 jaar geleden in een aantal dagen ontstaan. De uitgestoten lava koelde door water vrijwel onmiddellijk af waardoor de ringvormige vulkaan vrijwel geheel uit tefra, as en fijn gruis is opgebouwd.
De vulkaan is 312 meter hoog, heeft een krater met een diameter van ongeveer 1 kilometer en is 140 meter diep. In het midden van de krater ligt een kleine asheuvel. De kraterwand is via twee niet al te moeilijke wegen te beklimmen en een wandeling rondom levert fraaie vergezichten over het Mývatn meer op. Om de tere structuur van de vulkaan niet te beschadigen mogen de wandelpaden niet verlaten worden.

Een pad van een kilometer rondom de krater, te beklimmen via twee niet al te moeilijke wegen? Goed te doen, denk ik dan als ik het informatiebord onderaan de krater lees. Moet je gedaan hebben. Maar ik ben kapot als ik dat rondje gelopen heb. Blij dat het er op zit, bekijk ik terug in m’n bussie de foto’s en videobeelden. Indrukwekkend mooi, inderdaad, maar ook confronterend. Wat een onconditie. Wat een ouwe kerel…

BEWEGENDE BEELDEN

Douche onderweg

Het gebied rond het Mývatnmeer is vulkanisch en daar rondrijdend zie ik her en der hete, borrelende bronnen, waaruit dikke pluimen stoom komen. En er hangt een penetrante zwavellucht.
Zomaar langs de weg staat een werkende douche en een wastafel. Het water van de douche is lekker warm. Leuk idee om op zo’n natuurlijke bron een douche aan te sluiten, die dag en nacht water spuit!
Maar schijn bedriegt, want later krijg ik van een insider te horen, dat die douche een geintje is van een werknemer van de Kraflacentrale. Is dus gewoon aangesloten op het waterleidingnet. Maar iedere toerist stopt er even en neemt een foto van dit geothermische fenomeen…

 

31 juli 2016
Skútustaðahreppur Tjaldsvæði Voga – N 65 37.490 W 16 55.016
199 km

Trollenlabyrint

‘Jolasveinn!’
Tegen beter weten in heb ik het toch geprobeerd. Ik ben midden op het pad gaan staan in het Dimmuborgir labyrint en heb heel hard Jolasveinn geroepen. Tegen beter weten in, inderdaad, want het is nu augustus, maar had ik die kreet in december geslaakt, dan was de kans groot geweest, dat een van de Yule trollen tevoorschijn zou zijn gekomen. Had ik Lepel-likker, Skyr-smakker of Deuren-smijter misschien in het echt gezien. Nu slapen de dertien zonen van Gryla en Leppaludi (de vader van de kerstmannen) in de grotten van het labyrint, maar in december zijn ze druk bezig met de voorbereidingen voor kerstmis.
Ik probeer het nog één keer: Jolasveinn!
Niks. Nou ja, dan moet ik maar tevreden zijn met de foto’s…

 

1 augustus 2016
Másvatnmeer – N 65 41.783 W 16 38.147
98 km

See Willy!

Húsavík, in het noorden van IJsland, is het centrum voor de walvissafari’s. Langs de kade staan de ticket offices gebroederlijk naast elkaar.
Ik stap aan boord van een kleine tweemaster voor een vier uur durende whale watching, die eerst een stop zal maken bij een eiland vol papegaaiduikers om vervolgens verderop in de baai op zoek te gaan naar walvissen.
Het zijn jonkies die regelmatig aan de oppervlakte komen om na een poosje met een sierlijke, balletachtige beweging van hun staart weer onder water te verdwijnen. De grotere exemplaren zijn buiten de baai te vinden, maar daar is ons schip niet zeewaardig genoeg voor. Regelmatig roepen en wijzen de schipper en de gids in de richting waar een walvis boven komt. Alle opvarenden gaan dan als een speer naar de juiste kant van de boot en leggen alles digitaal vast. En wat een schitterende foto’s en filmpjes kunnen ze straks thuis laten zien!
Niet bij mij thuis. Ik concentreerde me op de fotograferende passagiers. En was dik tevreden toen ik op de terugweg naar de haven een uurtje aan het roer mocht staan.

BEWEGENDE BEELDEN

Bij de beesten af

Nog drie van de 4000 foto’s van Anne Marie van Overmeire

Schuurfeest

Ondanks het bordje ziet het er niet uit als een camping bij Tjaldsvæði Hjarðarholti in Þingeyjarsveit. Ik stop voor een huis waarvan ik vermoed dat het de receptie is. Door een glazen deur zie ik twee wasmachines en een droger staan. Precies wat ik zoek, want er moet nodig gewassen worden. Als ik om het huis heen loop, ontdek ik de voordeur. Ik klop aan.
‘Een camping?’, zegt de vrouw die open doet, ‘die hebben we niet meer. Er is alleen nog een guesthouse. Maar ik kan u wel het adres geven van een andere camping, een stukje verderop.’
Het loopt al tegen het eind van de middag en veel zin om nog verder te rijden heb ik niet. Ik trek mijn meest vermoeide en teleurgestelde gezicht en vertel de vrouw dat ik hier -na een lange en inspannende rit- met m’n camper ben aangekomen, dat ik de wasmachines al heb gezien, dat ik hoognodig moet wassen en dat ik, nou ja, tsja, als het geen camping meer is…
‘Weet u wat?’, zegt de vrouw, ‘ik maak een deal met u. Gaat u hier maar aan de zijkant van ons huis op het weggetje staan. Staat u lekker uit de wind. En dan brengt u straks uw vuile was maar naar hier.’
Ik bedank haar allerhartelijkst en loop het paadje af om een goed plekje te zoeken. Aan het eind van het pad staan de deuren naar een grote schuur uitnodigend open. Binnen is het een onbeschrijflijke rotzooi: keukenkastjes, diepvrieskisten, oude computers, vitrines, een verroeste boiler, een aanhangwagen, een buggy, lege plastic emmers, een doos houten hangers, elektra-onderdelen, overal waar ik kijk staat troep. Ik kijk rond: het regent al de hele dag pijpenstelen en de deuren van die schuur zijn breed genoeg om naar binnen te rijden. Als ik dan ook nog wat spulletjes uit de weg zet, zou m’n bussie hier keurig een nachtje droog kunnen staan.
Ik loop terug naar de vrouw en vraag haar of ik in de barn mag overnachten. Enigszins verwonderd geeft ze haar toestemming. Als ze dan ook nog vertelt, dat er in het guesthouse momenteel een Duitse groep verblijft die net aan de maaltijd zit en waar ik kan aanschuiven, is mijn geluk compleet. Ik rijd m’n bussie naar binnen, zoek een stopcontact en sluit de stroom aan. Ik haal een borstel door m’n haar en kuier naar het guesthouse.

Na de maaltijd breng ik drie volle tassen vuil wasgoed naar het huis. De vrouw heeft de machines al gevuld met wasmiddel en geprogrammeerd. Na haar uitleg over de werking van de machines en de droger (‘de deur is kapot, maar die kunt u met dit steeksleuteltje open maken’) vraag ik haar wat de kosten zijn van mijn verblijf.
‘Kosten?’, doet ze verbaasd, ‘ik ga toch geen geld vragen als u in uw eigen auto in mijn schuur overnacht?’
‘Maar ik maak in die schuur ook gebruik van uw stroom’, werp ik tegen, ‘en die twee wasmachines dan en die droger?’
Ze wil van geen betalen weten, meldt nog dat het wasprogramma een uurtje duurt en dat van de droger bij elkaar drie uur. Dat wordt dus een latertje en dan ligt ze al in bed, maar geen probleem: ze laat de deur gewoon open.

Terwijl in de deuropening drie geiten nieuwsgierig naar de tijdelijke bewoner van de schuur komen kijken, vind ik tussen alle troep een tafel en een stoel en richt ik naast m’n bussie mijn ‘kantoor’ in.

Wild kamperen wil ik dit niet noemen. Vrij kamperen dan? Ook niet. Maar een bijzondere, niet alledaagse plek om de nacht door te brengen is het zeker En het ontbijt in het guesthouse is morgen van zeven tot tien uur….

 

2 augustus 2016
Þingeyjarsveit Tjaldsvæði Hjarðarholti – N 65 48.825 W 16 54.604
130 km

 

3 augustus 2016
P langs de 76 aan de Atlandshaf – N 66 11.136 W 18 55.693
117 km

Haringmuseum

Siglufjörður: Haringmuseum

Kerkepad

Drie kerken op een dag. Het moet niet religieuzer worden.
Het Grafarkirkja, het kleinste en architectonisch oudste turfkerkje van IJsland staat in Gröf bij Höfdaströnd.

In Hólar bevindt zich de in 1763 ingewijde voormalige bisschopskerk.

En bij Glaumbær tenslotte nog een kerk naast het beroemde turf-boerderijmuseum.


Drie kerken (en een museum) bezichtigd op een en dezelfde dag. En om dat te volbrengen maar liefst 133 kilometer gereden. Het moet niet gekker worden…

Blauw blauw

‘De temperaturen zijn lager dan normaal voor deze tijd van het jaar’, zegt het meisje achter de balie. ‘En het regent ook meer dan normaal.’
Heb ik dat: ga ik in de zomermaanden naar IJsland, ben ik al blij met een middagtemperatuur van een graad of zeven, een hele dag droog weer en zo af en toe een klein stukje blauw in de lucht. Soms valt het mee (ik zit nu in ieder geval met het raampje op een klein kiertje te genieten van een prachtige zonsondergang), maar vaak denk ik: ‘Het enige blauw dat ik zie, is dat van mijn spijkerbroek.’

4 augustus 2016
P Glaumbær – N 65 36.682 W 19 30.327
133 km

 

5 + 6 augustus 2016
F35 – N 64 56.121 W 19 31.128
128 km

Afgebluft

Op mijn heerlijk-helemaal-alleen-midden-in-de-natuur-overnachtingsplekje parkeert tegen het einde van de middag een dikke huurcamper. Nadat het echtpaar zich heeft geïnstalleerd voor de nacht, zie ik de man het deurtje van zijn chemisch toilet openen en zijn cassette er uit halen. Ik verbaas me daarover, want er is hier geen officiële stortplaats. Dat maakt de man kennelijk niet uit: hij kijkt om zich heen, loopt met zijn volle ‘koffer met poep’ naar een hoopje stenen even verderop en leegt achter die stenen de inhoud. Stomverbaasd en geërgerd bekijk ik vanuit m’n bussie die actie en kan het niet laten (natuurlijk kan ik het niet laten) even naar buiten te stappen en de man -als hij terug is bij zijn camper- aan te spreken op zijn gedrag.
‘Excuse me, sir’
‘Bitte?’
Ach, een Duitser in een IJslandse huurcamper. In mijn beste Duits wijs ik hem erop, dat het niet netjes is (ik weet het Duitse woord voor asociaal niet) zijn toiletcassette zomaar in de natuur te legen. Hij kijkt me even aan. ‘Niet zo netjes?’, zegt hij, ‘wilt u dat dan ook even aan die schapen daar verderop gaan vertellen? En aan die paarden? En al die vogels? Die poepen en piesen toch ook allemaal in de vrije natuur? En niemand die daar iets van zegt. Iedereen vindt dat normaal. En ik doe gewoon hetzelfde. Dus eh… wat is nou precies uw bezwaar?’ Hij haalt zijn schouders op en kijkt me een tikkeltje triomfantelijk aan.
‘Ja maar, u stort toch gewoon chemicaliën in de vrije natuur?’
‘Ik gebruik geen chemicaliën, mijnheer. Nooit. Dit is ja alles puur natuur. Net zoals alle beesten dat doen. Dus nogmaals: wat is nou precies uw bezwaar?’
‘Eh…’

Paardeninvasie

Sta je op de tot nu toe meest desolate overnachtingsplek van IJsland, besluit je vanwege het fraaie weer (!) nog een extra nachtje te blijven en er een lekkere tutteldag*) van te maken, komt er halverwege de middag vanuit de verte een kudde paarden aan, bijeengedreven door een zestal ruiters. Uitgerekend op het naast de busjes omheinde stukje rotsgrond (vonden we al vreemd bij aankomst), moeten de paarden hier een half uurtje rusten alvorens zij verder trekken.

Het wordt reuze gezellig met wederzijdse verhalen, ik mag proeven van hun koffie-met-IJslandse-schnaps en voor ze weer verder trekken, wordt de Kerstman uitgenodigd een stukje paard te rijden. De Kerstman heeft zo zijn twijfels, want nog nooit op een paard gezeten, maar de situatie is te uniek om deze kans voorbij te laten gaan. En bovendien -belangrijke overweging- zijn die IJslandse paarden een stuk kleiner dan onze Hollandse knollen. Hilariteit bij de hele groep natuurlijk als Frits op- en afstijgt met z’n ouwe, stramme lijf. Lichte schrik bij de Kerstman zelf als zijn begeleidende ruiter-te-voet voorstelt even in draf te gaan, wat gelukkig IJslandse humor blijkt te zijn.

Verse paarden worden opgezadeld, handen worden geschud en zwaaiend neemt de groep afscheid. De Hollanders zakken weer terug in de kampeerstoelen (jawel, ze zitten de hele dag gewoon buiten!), maken koffie en tomatensoep en prijzen zich gelukkig met zo’n gezellige onderbreking van een rustig dagje.

*)
Nou ja, tutteldag. Op ons gemak ontbeten, gelezen, (bijna) allemaal de haren gewassen (in het riviertje of met de warmwaterzak of uit de boiler), gasflessenklusje afgemaakt, geluncht, gelezen, website bijgewerkt, koffie gedronken, oliepeil gecontroleerd, gelezen en warm gegeten. Noem dat maar tuttelen. Doodvermoeiend. Staan ze niet bij stil hoor, dat thuisfront…

Polonaise aan m’n Leif

Door een smalle deuropening stap ik in Haukadalur de gereconstrueerde Vikingboerderij binnen. Het is aardedonker en ik zie geen hand voor ogen. Op de tast vind ik aan mijn linkerhand een deur, waarachter ik op de vloer een vuurtje zie branden.
‘Enter, my friends and don’t be afraid’, hoor ik een stem achterin de ruimte zeggen. Als ik aan het weinige licht gewend ben, zie ik dat de stem toebehoort aan een jongeman, gekleed in een Vikingachtige outfit. Hij nodigt ons uit aan weerszijden van het (door gas gestookte) vuurtje plaats te nemen op bedden en huiden en begint in gebrekkig Engels uitleg te geven over het leven van de Vikingen in het algemeen en Leif Eiriksson in het bijzonder. Dat de beroemde Leif Groenland en later Amerika ontdekte, hoe hij en de zijnen hier op IJsland leefden, waar zij sliepen, wat zij aten, dat zij hun slaven onderweg van Noorwegen, Zweden en Denemarken even oppikten in Ierland en dat zij -als zij op rooftocht gingen- elkaar toeschreeuwden: ‘Let’s go viking!’.
In een hoek van de schaars verlichte ruimte staan wat attributen. Mij –waarom ik?- wordt gevraagd naar het midden van de ruimte te komen. Daar krijg ik een Vikinghelm op m’n kop, er wordt me een zwaard in de ene en een schild in de andere hand gedrukt en tot slot krijg ik een soort berenvelletje over mijn schouders gedrapeerd. Zo’n kledingstuk waar ik me altijd met afgrijzen van afvraag hoeveel toeristen voor mij dit al hebben gedragen en hoeveel oud zweet, bacteriën en huidschilfers het bevat.
‘En eh… waartoe dient dit allemaal?’, vraag ik de gids.
‘Zodat de anderen een mooie foto van u kunnen maken.’
Juist ja. Mag dat bontvelletje dan nu weer van mijn schouders?

 

7 augustus 2016
Haukadalur P Eriksstadir – N 65 03.513 W 21 32.180
293 km

Onzichtbaar

Onzichtbaar zijn. Willen we dat stiekem allemaal niet bij tijd en wijle?
In het Museum of Islandic Sorcery & Witchcraft in Hólmavik vind ik het antwoord. Het enige wat ik heb te doen is het magisch teken Hulinhjálmur in een stuk surturbrandur (bruinkool) kerven met een speciale ‘inkt’. Het maken van die ‘inkt’ is misschien wat lastig, maar gelukkig heeft het Heksenmuseum daar het recept voor. Moet toch te doen zijn als ik weer thuis ben:

Neem drie druppels bloed uit de wijsvinger van de linkerhand, drie uit de ringvinger van je rechterhand, twee uit je rechtertepel en één uit je linkertepel. Meng dat bloed met zes druppels bloed uit het hart van een levende raaf en los er dan de hersenen van een raaf en stukken menselijke maag in op. Kerf met deze inkt het Hulinhjálmur-teken in de bruinkool met behulp van magnetisch staal dat drie keer is gehard in menselijk bloed.

 

8 augustus 2016
in de buurt van Kaldrananeshreppur aan de oever van de Húnaflói
N 65 45.114 W 21 23.581
141 km

 

9 augustus 2016
Guduvatnmeer – N 65 41.086 W 21 43.543
45 km

Waarheen leidt de weg?

En nog zes van de 4000 foto’s van Anne Marie van Overmeire

Vissers van vroeger

Bolungarvik: Ósvör (Vikingvissersdorpje)

 

10 augustus 2016
P Bolungarvik: Ósvör Vikingvissersdorpje
N 66 09.036 W 23 12.841
240 km

Zoekplaatje #1

Best een behoorlijk eind omhoog klauteren vanaf de overnachtingsplaats langs de zes onderliggende watervallen helemaal naar de grootste van de zeven: de Dynjandi. Het motregent zachtjes en dat maakt het ‘pad’ alleen maar glibberiger.
Maar eh… waar staan die twee bussies eigenlijk?

Eerst zelf goed zoeken natuurlijk, pas daarna op de foto klikken!

11 augustus 2016
P Dynjandi watervallen – N 65 44.199 W 23 12.571
124 km

 

12 augustus 2016
in de buurt van Patreksfjörður – N 65 35.185 W 23 57.046
92 km

Weer en verkeer

En hoe is het weer nou zo’n beetje in dat IJsland?
Eh… koud, bewolkt en miezerig.

En die gravel binnenwegen. Valt dat een beetje mee?
Eh… gaat wel. Nogal wat kuilen en ribbels. En modderig natuurlijk.

Ik zie het. Je kunt niet eens meer door de achterraampjes heen kijken! Maar hoe komt dat Frits-on-the-move-bordje dan zo wit?

Dat maak ik natuurlijk regelmatig schoon.
Hoe kunnen ze anders weten dat ik door IJsland toer?

Látrabjarg

Látrabjarg is een landtong, klif en het meest westelijke deel van IJsland en wordt ook gezien als het meest westelijke deel van Europa (enkele eilanden van de Azoren negerend). De kliffen worden bewoond door miljoenen vogels, waaronder papegaaiduikers, jan-van-genten, zeekoeten en alken. Het is van vitaal belang voor hun voortbestaan, omdat van sommige soorten hier tot 40% van de wereldbevolking huisvest zoals de alk. Het is Europa’s grootste vogelklif, 14 kilometer lang en tot 440 meter hoog.

Schitterend! Prachtig! Miljoenen vogels dus. Kijk er naar uit.
Vooral die papegaaiduikers, waar IJsland zo beroemd om is.
Maar ja, dan moet het niet zwaarbewolkt zijn en motregenen.
Dan rijd je namelijk helemaal voor jan-van-gent bijna honderd kilometer heen en hetzelfde aantal kilometers terug over zo’n hobbelige, mistige binnendoor-kuilenweg naar die beroemde klif om… niks te zien!

 

13 augustus 2016
P aan de Atlantshaf – N 65 31.000 W 23 50.215
198 km

14 augustus 2016
Tjaldsvæði Stykkishólmi – N 65 04.216 W 22 43.892
115 km

Haai? Haai!

‘Hier, in Bjarnarhöfn hebben wij het grootste bedrijf van IJsland dat haaienvlees verwerkt’, legt de eigenaresse/gids van het Haaienmuseum uit. ‘Jaarlijks worden er zo’n vijftig Groenlandse haaien gevangen en bewerkt voor consumptie. Na de vangst wordt het vlees in grote stukken gesneden. Die stukken worden gedurende zes weken in een kist onder de grond bewaard. Daar fermenteert het vlees en daarna worden de stukken vlees vier tot zes maanden in de droogschuur in de open lucht te drogen gehangen.’

Ze vertelt nog veel meer interessante dingen. Laat ook nog een filmpje zien van 7:49 minuten, maar daar is het me allemaal niet om begonnen. Haaienvlees wil ik proeven!
Aan het einde van haar verhaal nodigt ze de groep uit naar een tafel te komen. Daarop staan twee plastic bakjes: een gevuld met stukjes haaienvlees, het andere met brokjes bruin brood. Ik pak een prikkertje en stop zo’n stukje vlees in mijn mond. Zes weken onder de grond liggen ‘rotten’, vier maanden aan de buitenlucht gedroogd dus. Niet gezouten, niks aan toegevoegd.
En smaakt het?
Apart. Zo ongeveer moet een drijfnatte babyluier smaken. De sterke ammoniaksmaak verdwijnt pas als ik even later bij de koffie een chocolademuffin naar binnen werk. ‘Haaienvlees is een typische IJslandse snack-bij-de-borrel’, had de gids gezegd. Nou. geef mij maar een kaasbolletje…

Twee hoogtepuntjes

Twee hoogtepunten zijn er te zien bij de Balalind klif in het Nationaal Park Snæfellsjökull.Alle reden dus om daar een stop te maken.
Ondanks de regen en harde wind loop ik de paar honderd meter van de parkeerplaats tot de rand van de klif. Daar bevindt zich namelijk de natuurlijke bron, die in 1227 door Guđmundur de Goede, bisschop van Hólar, werd gezegend en waaruit sindsdien water met heilige krachten opborrelt. Tot op de dag van vandaag vullen mensen flesjes met dit heilzame water uit deze bron. En -mooi meegenomen- niet ver van deze bron vandaan bevindt zich een majestueus in zee uitstekende rotspartij, waar duizenden vogels verblijven.

Mijn vanmorgen schoon aangetrokken spijkerbroek is tot mijn knieën drijfnat van de regen en het hoge gras. Mijn schoenen zitten vol blubber.
Die beroemde bron is in geen velden of wegen te bekennen. Ik neem uit nijd een foto van van een klein putje in een bazaltblok, gevuld met regenwater. Maak ik mijn eigen bron wel.
En die klif? Mooi hoor. Door mijn beregende bril zie ik anderhalve vogel vliegen.

Ik draai me om en ga terug naar m’n bussie. Ik hang mijn natte jas te drogen, start de motor, zet de ruitenwissers aan en de kachel op de hoogste stand.

15 augustus 2016
Þjóðgarðurinn Snæfellsjökull kraterberg Saxhöll
N 64 51.088 W 23 55.430
127 km

 

16 augustus 2016
P Brákarbraut Borgarnes – N 64 32.108 W 21 55.418
153 km

Eitje!

Deildartunguhver (probeer het maar drie keer achter elkaar vlotjes uit te spreken), Deildartunguhver dus is de plek waar ’s werelds belangrijkste warmwaterbron per seconde zo’n 180 liter kokend heet water opborrelt. Door middel van pompen en leidingen wordt dit hete water naar de plaatsen  Akranes, Borganes en Hvanneiry geperst. Daar kan men alle huizen met dit bronwater verwarmen. De langste pijpleiding is 74 kilometer lang en aan het eind van die pijp heeft het water nog altijd een temperatuur van 80 graden Celsius.

Leuk en aardig allemaal en ook reuze interessant, maar veel leuker en aardiger is de actie van de rondtoerende Hollanders bij deze bron. Men neme een washandje, stopt daar een rauw ei in, bindt dat washandje met een stukje vliegertouw dicht, gaat op het hekje rond de bron zitten, laat het washandje in het hete water zakken, houdt de ‘kooktijd’ in de gaten, haalt het touwtje op, pelt het eitje en smullen maar!
Tijdens de actie van deze Hollandse kookgekken stopt er een bus vol Poolse toeristen, even later gevolgd door een kudde Japanners. Fototoestellen klikken, videocamera’s snorren. Beelden van die eitjekokende Hollanders gaan de hele wereld over.

Terug in m’n bussie bedenk ik, dat ik hier een aardige aanvulling op mijn vakantiepotje had kunnen verdienen. Die Polen en Japanners waren zo enthousiast over dat eitje-koken, dat ik in de supermarkt een paar pallets eieren, wegwerpwashandjes en een bolletje vliegertouw had moeten kopen. Zou ik hier voor grof geld aan die toeristen kunnen verkopen. Gemiste kans…

 

17 augustus 2016
langs de 52 Uxahryggjavegur – N 64 31.090 W 21 18.311
141 km

Mooi, mooier, mooist

Wederom negen van de 4000 foto’s van Anne Marie van Overmeire

Catshuis in Phingvellir?

Voor de eerste keer moeten we betalen om te mogen parkeren. En ondanks dat staan de grote parkeerplaatsen P1 t/m P5 stampvol. Maar dit is dan ook het Nationale Park Phingvellir, waar in 930 het eerste parlement werd opgericht, waar de rots van de wetten is (de Lögberg), waar bij Drekkingarhylur overspelige vrouwen en heksen in een zak werden gestopt, verdronken en daarna in de kloof gegooid, waar de Penningagjá is, de plek waar muntjes in het water werden gegooid en je een wens mocht doen als je dat muntje tot op de bodem kon volgen en waar -naast het eerste staatskerkje van IJsland- het buitenverblijf van de minister-president in een adembenemend mooie omgeving staat. Kom daar eens om in Nederland, waar ons parlement zich moet behelpen met het Catshuis.

Trouwens dat in het water gooien van muntjes is sinds een paar jaar verboden. Zal wel met het milieu te maken hebben, maar wel vreemd voor een land als IJsland, waar het geld je portemonnee uit vliegt, zo duur is alles hier.

Maar Phingvellir is ook de plek waar de Mid-Atlantische breuk goed zichtbaar is, de geologische grens tussen het Noord-Amerikaanse en Europese continent. Sta je dus op een gegeven moment boven op de Allmannagjá, midden in IJsland, op de Noord-Amerikaanse aardkorst. Vroeger was deze breuklijn een pas, maar na instorting heeft men er een houten wandelpad gemaakt. En daar wandelen al die toeristen van P1 t/m P5 dus overheen, kilometers lang, van de ene bezienswaardigheid naar de andere. En de camperende Hollanders? Die hobbelen braafjes mee.

 

18 augustus 2016
Tjaldsvæði Phingvellir – N 64 16.791 W 21 05.206
143 km

Zoekplaatje #2

En weer -we zijn in IJsland nietwaar?- weer een waterval.
De beroemde Gullfoss in dit geval, die uit twee delen bestaat: de bovenste 11 meter hoog, de val eronder 20 meter. 109 kubieke meter water stort hier per seconde omlaag, maar er zijn momenten dat dit kan oplopen tot 2000 kubieke meter per seconde.
Dat zegt me niet zo veel. Ik kan me er pas een voorstelling van maken als ik op een informatiebord lees, dat 2000 kubieke meter gelijk is aan de inhoud van zestig zeecontainers. Zestig zeecontainers. In één tel gevuld met een plons water van twee miljoen literflessen bronwater. Indrukwekkend.

Minstens zo indrukwekkend is de overweldigende grootsheid van dit natuurverschijnsel. Of -anders gezegd- de nietigheid van de mens. Want eh… waar op de foto staan die twee Hollandse campers nou precies geparkeerd?

 

19 augustus 2016
P kerkje en kerkhof Haukadalskirkja – N 64 19.643 W 20 16.679
89 km

Uitgestoomd

Stoomwolken en ’s nachts de muziek van donderende Geysir-erupties begeleiden de kampeerders hier door de nacht. Een van de meest ongewone campings in de wereld is te vinden in Haukadalur in IJsland. Gelegen naast het warmwaterbronnengebied Strokkur exploiteert het Geysir Centre hier een camping voor campers, caravans en tenten. Het is een bijzondere ervaring om op een IJslandse zomeravond een middernachtelijke ‘date’ te hebben met de borrelende, hete onderwereld. Vooral bij koud weer stoomt het hele terrein uit talloze scheuren en spleten. Met gerommel vormt zich iedere tien minuten een turkooizen zeepbel op de geysir, gevolgd door een bijna menselijke zucht voordat met donderend geweld het kokende water omhoog spuit. Het is een speciaal gevoel hier te overnachten met deze geluiden als slaapliedje.

Klopt dus he-le-maal niets van, deze tekst uit de reisgids.
Op Tjaldsvæði Geysir Center geen muziek van donderende erupties, geen turkooizen zeepbel en niets gehoord van een bijna menselijke zucht, wel de geluiden van de talloze bussen vol toeristen op de naast de camping gelegen weg. Af en aan rijden die bussen. Het parkeerterrein -tevens restaurant en souvenirwinkel- staat tjokvol als bij Ikea op zaterdag. Een schier eindeloze stroom dagjesmensen steekt de weg over om de beroemde Geysir te bewonderen.

En ook dat hele verhaal van de bekendste springbron van IJsland in Geysir klopt letterlijk van geen meter meer. Vroeger spoot deze bron ieder half uur een waterstraal van 40 tot 60 meter hoog, nu -na twee aardbevingen in 2000- spuit hij hooguit een tot twee keer per dag en komt die eens zo machtige straal niet hoger dan een paar meter. Een simpel rotsblok met daarin de naam aan de voet van een miezerig, slap stomend heuveltje is het enige dat over is van deze wereldberoemde springbron, naamgever van alle geisers in de wereld, ook de warmwatertoestellen in de keuken.

Gelukkig -ook voor de toeristenindustrie hier- ligt dertig meter voorbij de Geysir de Strokkur, die elke zes tot tien minuten een machtige straal water omhoog spuit. Kokend heet. Vandaar ook de waarschuwing op het informatiebord aan het begin van dit uitgebreide ‘heetwaterveld’ om niet buiten de paden te lopen, omdat het opspuitende en overal opborrelende water tussen de 80 en 100 graden Celsius is. Gelukkig vermeldt hetzelfde bord ook dat het dichtstbijzijnde ziekenhuis 62 kilometer verderop is…

Goedgelovig

Er komt me een groepje opvarenden van de Holland Amerika Lijn tegemoet op het pad naar de Strokkur. Keurig gekapte dames in keurige vrijetijdskleding met keurige tasjes, keurige heren in nette pantalons en even zo keurige windjacks. Allemaal herkenbaar aan de HAL-sticker op hun borst.

Even later komt er nog zo’n plukje Hallers aan. Zelfde outfit, zelfde sticker. ‘U blijft een beetje achter bij de groep, dames en heren’, begin ik. ‘De gids loopt al een flink eindje verderop. Ik neem aan dat u naar de Strokkur gaat?’ Als het groepje het beaamt, kijk ik op mijn horloge. Het is tien voor zes.
‘Dan mag u wel opschieten’, doe ik bezorgd. ‘Het is best nog een stukje lopen en over tien minuten, om zes uur, draaien ze de kraan van de geiser dicht.’ Om mijn woorden kracht bij te zetten, maak ik draaiende bewegingen met mijn handen alsof ik een grote afsluitkraan dichtdraai. Het groepje kijkt geschrokken, bedankt me voor de tip en zet er vervolgens stevig de pas in, richting de geiser.

 

20 augustus 2016
Tjaldsvæði Geysir Center – N 64 18.591 W 20 18.077
3 km

Het regent…

…dus bezoek ik het graf van Bobby Fischer in een buurtschap bij Selfoss
(en ik kan niet eens schaken!)

…dus maak ik de achterkant van m’n bussie schoon tijdens een koffiestop
(alleen het on-the-move-bordje uiteraard)

…dus bekijk ik de replica van een Vikingschip in het Vikingaheimar in Reykjanesbær
(en ik hou’ al niet van al die uitlegborden lezen)

21 augustus 2016
P Vikingaheimar Reykjanesbær – N 63 58.539 W 22 31.710
183 km

Een brug te ver

Niet alleen bij Phingvellir is de geologische grens tussen het Noord-Amerikaanse en Europese continent -de Mid-Atlantische breuk- goed zichtbaar, ook bij Reykjanesviti kan men die breuk goed waarnemen. Minder spectaculair als natuurverschijnsel weliswaar, maar wel met de bijzonderheid, dat er een voetgangersbrug is tussen de twee continenten.

Menig toerist gaat hier -net als bij de toren van Pisa– ‘grappig’ op de foto. En dat valt nog niet mee om de goede positie in te nemen om het gewenste effect te bereiken. Zes pogingen gedaan, niet één gelukt…

IJslandse douche

Vijf sterren heeft de Tjaldsvæði Laugardal in Reykjavik. Klopt. Tenminste als je backpacker bent en met je kleine tentje op het grote veld staat. Tentjes, net groot genoeg om in te slapen. Koken, eten en (af)wassen doe je in de centrale ruimte, waar alle faciliteiten ruim voorhanden zijn. Daar treffen zij elkaar dan ook. Maken contact, eten samen, wisselen verhalen uit of zitten te internetten. Dat het wachtwoord voor het internet ‘greentravelling‘ is, geeft aan op welke doelgroep deze vijfsterrencamping zich richt.

Voor het veld met de vele campers gaan die vijf sterren niet op. Die staan voor hun bijna dertig euro per nacht op z’n parkeerplaats-Ikea’s, naast elkaar opgesteld (maar dat is logisch op de enige stadscamping van de stad). Die hebben weliswaar een stroomaansluiting voor een extra zeven euro per nacht en ergens op het veld ligt ook een slang in het gras waar je drinkwater kunt tanken, maar een camper-verzorgingsplek, waar je je vuilwatertank kunt legen boven een afvoerput en waar je de inhoud van je chemische toilet kunt afvoeren, is er niet. Sterker nog: bij navraag bij de receptie over de plek waar het chemisch toilet geleegd kan worden, wordt op een plattegrond aangegeven waar dat kan: buiten de camping, bijna een kilometer verderop. Geen haar op m’n hoofd die eraan denkt zo’n eind te lopen met m’n koffertje stront. Dan zijn er andere manieren, die ik hier uit hygiënische en sociale overwegingen niet vermeld…

Maar de toilet- en doucheruimten zijn toereikend. Wat reinheid betreft hooguit anderhalf sterretje, maar dat is logisch (?) als je zes douches moet delen met 630 andere gasten. Om half zes ’s morgens is het al een drukte van belang: op weg naar het sanitairgebouw zie ik al tentjes worden afgebroken en zitten er in de centrale ruimte reeds de nodige kampeerders op hun eigen gaspitje een eitje te bakken of hun telefoon te raadplegen. Ik stap de enige nog vrije douche in, kleed me uit en draai de kraan wijd open. Een gore stank van zwavel vult de doucheruimte. Logisch, want het meeste warme water in IJsland wordt vrijwel rechtstreeks uit de vulkanische grond opgepompt. Maar als ik onder de heerlijk warme straal ga staan, is het alsof er een vrachtwagen met rotte eieren over mijn hoofd wordt leeggekieperd. De lekkere frisse geur van mijn shampoo kan er niet tegenop. Ondanks dat douche ik lang en uitgebreid (je bent in IJsland nietwaar?). Schoon gewassen terug in m’n bussie gebruik ik extra kwistig de deoroller en de after shave, maar de zwavelige lijflucht die er om me heen hangt, is pas verdwenen -of wen ik er aan?- als ik halverwege de ochtend aan de koffie zit.

22+23+24 augustus 2016
Tjaldsvæði Laugardal Reykjavik – N 64 08.770 W 21 52.553
103 km

Reykjavik

Het is weer zo ver

‘Het spijt me, mijnheer’, zegt de man achter de balie bij garage Grimborg in Reykjavik, ‘maar dat onderdeel hebben wij niet op voorraad.’
Hij heeft al diverse andere garages gebeld, maar overal bot gevangen. ‘Weet u’, vervolgt hij, ‘ons bedrijf bestaat inmiddels vanaf 2001 en in al die jaren hebben we welgeteld vijf Citroën Jumpers verkocht. Als u een Ford had gehad, was het anders geweest, maar nu -spijtig hoor- moet ik het onderdeel uit Frankrijk laten komen en dat gaat vijf werkdagen duren.’

Ik gooi -in samenspraak met de Vogelwaardse kampeervrienden- het reisschema om. We vermaken ons de komende dagen in de omgeving van Reykjavik en ik maak een afspraak met de garage, dat ik over vijf dagen terug ben om de roller van mijn schuifdeur te laten vervangen, die op de hobbelige, kuilerige ‘wasbord-gravelweggetjes’ een wieltje heeft verloren.

Mijn afspraak is om tien uur, dus (…) meld ik me vijf dagen later om kwart voor tien aan de balie. Wat vervelend nou. De ‘beste monteur die we hebben’ is nog met een andere auto bezig. En een andere monteur kan mijn reparatie niet uitvoeren, want het is de eerste keer dat ze zo’n klusje gaan uitvoeren en hij (de beste monteur die ze hebben dus) heeft via een instructiefilmpje van Citroën zich voorbereid op de werkzaamheden. Met een uurtje ben ik aan de beurt. Ik verbijt mijn boosheid (lukt niet helemaal/helemaal niet), trek een bekertje chocolademelk uit de automaat en open mijn e-reader.

Om elf uur wordt m’n bussie inderdaad weggereden naar de achterkant van het gebouw. Ik loop erheen en zie dat mijn huis op wielen niet naar binnen is gereden, maar nog gewoon buiten staat.
Een man in een keurig gestreept overhemd (de chef?) komt op me af. Hij heeft een doosje in zijn hand en vraagt me wat er nu precies aan de hand is (…). Hij maakt het doosje open en laat me de inhoud zien. ‘Is dit het juiste onderdeel? En dat is dus eh… voor de schuifdeur?’ Ik leg hem uit (waar haal ik het geduld vandaan?) wat het probleem is en hij knikt begrijpend. ‘Gaat u de reparatie uitvoeren?’ vraag ik hem. ‘Nee, dat doet Gunnar‘, zegt de chef-werkplaats, naar binnen wijzend, waar een monteur bezig is met een auto die op de brug staat. Ik kijk op mijn horloge. Het is inmiddels half twaalf geworden. ‘Enne, wanneer is die Gunnar klaar met die andere auto en ben ik aan de beurt?’ ‘Dat kan nog wel een drie kwartier duren’, is het antwoord, ‘en dan gaan we eerste lunchen…’
Met nauwelijks ingehouden woede meld ik me weer bij de balie, zeg dat ik het geen stijl vind en dat ik de indruk heb aan het lijntje te worden gehouden. Drie minuten later komt de baliemedewerker melden, dat ik het helemaal verkeerd begrepen heb en dat ze al aan mijn deur bezig zijn. En als ik -zoals ik gevraagd had- foto’s wil maken van de reparatie, ik gerust even binnendoor naar de garage mag lopen. Daar aangekomen staat m’n bussie nog steeds buiten. Gunnar is van zijn klus gehaald en samen met een collega aan mijn schuifdeur bezig. Anderhalf uur zou de reparatie duren (als er niks tegen zit), maar tot mijn stomme verbazing is de nieuwe roller al gemonteerd. En de deur rolt weer als vanouds. Alleen van binnenuit moet het sluiten nog met een stevige dreun en ik doe Gunnar de suggestie aan de hand rechts bovenin de binnenkant een strap te monteren, waarmee ik de deur van binnenuit kan aantrekken. Ik leg hem uit hoe dat eenvoudig te monteren is. Gunnar loopt naar binnen, komt terug met een stukje band (de echte Citroën colours) en monteert de lus. Perfect!
Nadat hij ook mijn banden nog op spanning heeft gebracht, tik ik aan de balie ruim 46.000 ISK af (bijna 350 euro) en verlaat met een weer goed rollende deur garage Brimborg en Reykjavik. Gelukkig heb ik twee jaar garantie op het onderdeel en een jaar garantie op de werkzaamheden, Dus mocht er binnen een jaar iets niet in orde blijken te zijn…

 

25 augustus 2016
P Stöng – N 64 08.982 W 19 45.416
197 km

 

26 augustus 2016
P bij veerboot Hvolsvöllur – N 63 31.905 W 20 07.167
169 km

 

27 augustus 2016
P Selfoss – N 63 56.171 W 20 59.242
341 km

Trollen

Bij de plaats Vik ligt een gitzwart strand met ten westen ervan de Reynisdrangar: zwarte, 66 meter hoge basaltzuilen in zee. Wetenschappers beweren, dat dit restanten van vulkanen zijn, maar de bewoners van deze streek weten wel beter.|
Lang geleden namelijk -in de tijd van ‘er waren eens…’- trokken drie trollen ’s nachts een schip vanaf de onstuimige zee naar de veilige wal. Zij waren daar zo druk mee bezig, dat ze de tijd vergaten en verrast werden door de eerste warme stralen van de opkomende zon. En iedereen weet -behalve die betweterige wetenschappers dan- dat trollen niet tegen zonnestralen kunnen en onmiddellijk in rotsen veranderen…

 

28 augustus 2016
gletsjer Solheimajökul – N 63 31.967 W 19 22.153
219 km

29 augustus 2016
Kálfafellskirkja – N 63 56.693 W 17 41.224
147 km

30 augustus 2016
Sveitarfélagið Hornafjörður Hofskirkja
N 63 54.416 W 16 42.356
81 km
Het in 1884 gebouwde Hofskirkja in Sveitarfélagið Hornafjörður is een van de zes nog bestaande turfkerkjes in IJsland. Het is het laatste turfkerkje dat nog in de oude stijl is gebouwd.

Water-gletsjer-vlakte

Tweelingwaterval Hjálparfoss

 

Solheimajökulgletsjer

 

Myrdalssandurvlakte

IJs en weder dienende

4000 foto’s maakte Anne Marie van Overmeire; hier zijn er weer vijf

Iceland Calendar 2017

31 augustus 2016
Jökulsárlón gletsjer – N 64 02.536 W 16 12.171
38 km

Wat adembenemend mooi, het gletsjermeer van de Jökulsarlon.
’s Morgens om half zeven sta ik -helemaal alleen- aan de rand van dat meer. De zon is net op. Grote brokken gletsjerijs drijven in het water. Sprookjesachtig.

Ik fotografeer. Ik blijf fotograferen. Meer dan genoeg foto’s om een rek met aangezichtskaarten te vullen in een souvenirwinkel. Of een wervende folder mee samen te stellen. Of een IJslandkalender voor 2017 te maken…

JANUARI

MAART

MEI

JULI

SEPTEMBER

NOVEMBER

FEBRUARI

APRIL

JUNI

AUGUSTUS

OKTOBER

DECEMBER

Meer zuilen

Eén van de meest indrukwekkende rotsformaties op IJsland is te vinden op ongeveer 15 km ten oosten van het dorp Kirkjubæjarklaustur: Dverghamrar (dwerg kliffen). Deze basaltzuilen worden, volgens een flink aantal IJslanders, bewoond door dwergen en elfen.
Dit buitengewone landschap is gevormd tijdens de ijstijd. In die periode was de zeespiegel hier hoger. Nadat de lava was afgekoeld hebben de golven er hun vorm aan gegeven. Dverghamrar is een beschermd natuurmonument.

 

Svínafellsjökull gletsjermeer

 

1 september 2016
P Almannaskarð – N 64 17.048 W 15 02.190
106 km

Freevilli

Djúpivogur is een klein, lieflijk vissersplaatsje zoals er zoveel zijn in IJsland. Wat het dorpje aantrekkelijk maakt voor veel toeristen zijn de zesendertig stenen eieren op sokkels die bij het industrieterrein langs de baai staan. Van iedere op IJsland voorkomende vogel staat daar zo’n levensgroot ei. Gemaakt door Sígurđur Guđmundsson, volgens het informatiebord ‘wereldwijd bekend beeldend kunstenaar’. Het zal allemaal wel.
En die toeristen brengen dan ook meteen maar een bezoekje aan de een paar honderd meter verderop gelegen Gallery Freevilli, met onder andere een Natureart collection, wat inhoudt dat er poppetjes en scheepjes staan, gemaakt van aan elkaar gelijmde stenen. Er staan, liggen en hangen ook botten en geraamtes van dieren en tegen een heuveltje staan twee ‘levensechte’ rendieren, van takken in elkaar getimmerd. En natuurlijk worden er handcraft souvenirs verkocht: stenen en kristallen, al dan niet bewerkt, maar vooral de nodige kitsch met een hoog Blokker/Marskramer/Xenos-gehalte.

En wat is mijn beste herinnering aan dit vissersdorpje?
De fish & chips in het plaatselijke restaurant en het prachtige overnachtingsplekje bij een waterval een tiental kilometer verderop. Djúpivogur: je moet het gezien hebben. Toch?

2 + 3 september 2016
Berufjörður P wandelpad Fossá – N 64 45.188 W 14 28.709
114 km

Puinhoop

Doen ze dus (bijna) allemaal, die toeristen die door IJsland trekken: maken van de leuke torentjes van stenen en stukken rotsblok. Ter herinnering of ten bewijze dat ze dit land hebben bezocht. Leuk, maar weinig origineel.
Naar het bewijshoopje van Frits hoef je dan ook niet te zoeken. Dat is er namelijk niet.

 

4 september 2016
Stöðvarfjörður  P haven – N 64 50.059 W 13 52.813
84 km

Geen kleur te bekennen

De laatste keuze van negen foto’s uit de 4000 afbeeldingen van Anne Marie van Overmeire

Verse vis

Het miezert een beetje. Ik trek mijn jas aan en slenter op mijn gemakkie langs de haven van Stöðvarfjörður. In een hoekje van de haven zijn ze druk bezig twee vissersboten te lossen. Grote kratten vol vis worden uit het ruim gehesen, bedekt met een paar scheppen ijs en door een vorkheftruck naar een vrachtwagen gereden. Als ik even blijf staan, wendt een van de vissermannen zich tot mij.
‘Mooie vis hè?’, begint-ie, ‘vannacht hebben we de lijnen uitgezet. Dan wachten we tien uur en halen de vangst binnen. En kijk eens waarmee we dan binnen varen. Is dat mooi of niet? En verser dan vers hè? Verser en lekkerder vind je ze in heel IJsland niet.’
‘En waar gaat die vis eigenlijk naar toe’, vraag ik, ‘is dat voor de binnenlandse markt van IJsland?’
‘Nee’, zegt-ie, ‘deze cods gaan allemaal naar Engeland. Trouwens, houd je van vis?’
‘Of ik van vis houd? Man ik ben er gek op!’
‘Wil je wat hebben dan?’
Eerlijk gezegd moet ik er niet aan denken met zo’n kanjer van een glibberige, slijmerige vis terug naar m’n bussie te lopen. Ik bedenk een uitvlucht. ‘Zou ik graag willen, maar eh… ik heb helemaal geen geld bij me. Mijn portemonnee ligt in mijn camper.’
‘Geld?’, zegt de visserman, terwijl hij twee scheppen ijs over een volle krat vis gooit, ‘geld? Je hoeft niet te betalen hoor. Je kunt ze krijgen.’
Tsja, en zeg dan maar eens nee als je eerst beweerd hebt dol op vis te zijn. Je wilt zo’n man niet ontrieven, nietwaar?
Hij pakt twee mooie vissen voor me uit een krat en legt ze apart. Ik draal nog wat, hopend dat-ie misschien nog iets geeft waar ik die vissen in kan doen. Een tasje bijvoorbeeld. Of een krant. Dat gebeurt niet, dus bedank ik hem vriendelijk, pak een vis bij de staart, die meteen uit mijn handen glibbert en op de kade valt. ‘Je moet ze bij de kop pakken hè?’, zegt de visserman een beetje meewarig.

En zo meld ik me vijf minuten later bij de deur van mijn Vogelwaardse reisgenoten met die twee glibberige beesten in mijn handen. Onderweg had ik al bedacht ze buiten op de basaltblokken te leggen. Als ze dan morgenochtend niet door de meeuwen zouden zijn opgevreten, was ik van plan ze in het water te kieperen, maar mijn ‘vangst’ wordt met gepast gejuich ontvangen. De warme maaltijd van vandaag is al gedeeltelijk achter de kiezen, maar morgen eten we beslist vis! Zondag visdag dus. Lunchen met vis. Vis bij de avondmaaltijd. Verser dan vers. En de lekkerste van heel IJsland.

Waterballet

Terwijl het Vogelwaardse kampeerduo zich vergaapt aan de stenenverzameling van Petra Sveinsdóttir in Stöðvarfjörður rijd ik een stukje door naar een even verderop gelegen benzinepomp. Daar zijn -zoals bij veel benzinestations in IJsland- meestal drie plekken waar je je auto kunt wassen, compleet met lange slang en borstel. M’n bussie wassen komt niet eens bij me op, want dat is water naar de Atlantische Oceaan dragen met die vele, door de nodige regenval modderig geworden binnendoorweggetjes. Maar mijn drinkwatertank wil ik wel bijvullen en ook de toiletcassette legen en doorspoelen.

Meestal ligt er -naast de drie slangen met borstels- ook een losse slang om drinkwater te tanken. Deze keer ook, maar die slang heeft zo’n grote diameter, dat ik hem maar net en met moeite in de vulopening kan stoppen. Omdat de slang zo dik is, draai ik de kraan maar voor de helft open. Voorzichtigheid is de moeder van de porseleinkast, nietwaar? Terwijl de drinkwatertank langzaam volloopt, trek ik de toiletcassette uit het luik en begin die schoon te spoelen. Als ik daar mee bezig ben, hoor ik een harde knal van binnenuit m’n bussie. Ik schrik en draai de kraan van de drinkwaterslang zo snel mogelijk dicht. Als ik om m’n bussie heen loop, zie ik het water vanonder de schuifdeur naar buiten sijpelen. ‘Da’s mis’, denk ik, maar het wordt nog veel misser als ik de deur open schuif. De vloer is tot aan het bed kleddernat, het kussen van de dinettebank staat nat en bol omhoog, de erboven hangende hoofdsteuntjes zijn van hun haakje geblazen en overal waar ik kijk, zie ik water. Het druipt van het aanrecht af, de cabinemat glinstert van de druppeltjes, van de voorruit en zijruiten lopen stroompjes water naar beneden, het hele dashboard zit onder, de reisgidsen in het cabinebakje zijn ondergespetterd en alle wanden en deuren zitten vol druppels. Ik haal het dinettekussen van zijn plek. De onderkant is nat, het luik eronder is kleddernat en als ik dat luik omhoog trek, zie ik wat er is gebeurd: omdat de vulslang zo nauw in de opening paste, kon er geen lucht naar buiten ontsnappen, waardoor de druk in de watertank dusdanig is opgelopen, dat een van de twee schroefdeksels bovenop die tank eraf is gesprongen. Op de bodem van de watertankkast staat -rondom mijn omvormer (oeps!)- een klein laagje water. Ik pak een dweil en begin met droogmaken. Met de nodige stukken keukenrol dep ik ook de omvormer zo goed mogelijk droog (..). Daarna ben ik nog zeker een half uur bezig het interieur van m’n bussie droog te maken. Het is wel meteen mooi schoon, maar liever had ik dat onder andere omstandigheden gedaan. Als laatste gooi ik ook nog het asbakje van het dashboard leeg. Het verbaast me niet, dat er een laagje water in staat…

Als ik mijn kampeervrienden een uurtje later weer tref bij het stenenmuseum, vraag ik hun hoe het binnen was. ‘Prachtig’, zeggen ze, ‘we hebben genoten. En jij? Alles gelukt met watertanken?’ Ach, wat zal ik zeggen? Het zoveelste leermomentje. En waarschijnlijk weer niks geleerd…

5 september 2016
Dalatangaviti (Suðurfjarðavegur) bij vuurtoren aan het einde van de 953
N 65 16.203 – W 13 34.500
154 km

Stuck in the mud #1

Het heeft de hele middag, avond en nacht hard geregend. Bij vertrek vanaf de vuurtoren bij Dalatangaviti is dat goed te merken: het onverharde bergweggetje met hier en daar hellingen tot achttien procent is behoorlijk glibberig.
Met een slakkengangetje van hooguit twintig kilometer per uur kruipen de twee Hollandse busjes bergje op en bergje af. De camper van de Vogelwaardse kampeervrienden stopt langs de kant van de weg. Omdat ik over het algemeen met een wat hogere snelheid over de onverharde wegen rijd, denk ik dat zij mij voorbij willen laten gaan, zodat ik -wat we vaker doen op dit soort wegen- voorop kan rijden.
Fout 1: Verkeerd gedacht; zij zijn gestopt om een foto te maken van het landschap.
Fout 2: Ik passeer voorzichtig en langzaam.
Fout 3: Mijn linker voorwiel zakt weg in de door de overvloedige regenval boterzacht geworden ‘berm’.
Fout 4: Ik geef een meer dan stevige dot gas vooruit en achteruit om los te komen.
En ja hoor: voor de zoveelste keer in mijn ‘campercarrière’ rijd ik dat bussie van me tot aan de bumper muurvast in de modder.*)

Ik kijk uit mijn portierraam naar beneden. ‘Oeps’, stel ik vast, ‘het gaat hier wel heel erg steil naar beneden. Ik denk dat ik maar door het bijrijdersportier uitstap.’
De Vogelwaardse kampeervrienden komen geschrokken naar m’n bussie. Of ik een sleepkabel heb. Natuurlijk heb ik een sleepkabel. Splinternieuw en nog nooit gebruikt! De Vogelwaarders manoeuvreren voorzichtig hun camper achter mijn bussie en we maken de sleepkabel vast. Ik krijg van Harrie instructies: ‘Stap maar in, Frits, laat het motortje rustig stationair draaien, zet je wielen recht en de versnelling in zijn achteruit. Geen gas geven. Ik probeer je langzaam achteruit te trekken. Wacht tot je voelt dat je weer op de weg bent en geef dan rustig een bietje gas.’
Prima plan. Moet lukken. Maar bij het eerste beetje gas van mijn redder in nood scheurt de sleepkabel met een forse knal kapot. Splinternieuw dus en nog nooit gebruikt.

Plan twee treedt in werking. Ik stap in bij de Vogelwaarders en rijd terug naar de vuurtoren. Daar is een boerderij en hebben we een trekker zien staan. Hopelijk is de boer thuis en wil hij ons helpen. Overal in het huis zie ik licht branden, maar ondanks mijn geklop op de deur is er geen teken van leven. Dan komt er vanuit een naastgelegen stal een vrouw aangelopen met om haar heen twaalf springende en blaffende honden. Ik verstijf te plekke, Vogelwaardse kampeervriendin rent -nog net niet gillend- zo snel als ze kan terug naar haar veilige camper en trekt de deur met een klap dicht. Terwijl de honden me aanblaffen en tegen me op springen, komt de vrouw naderbij. Ik stel me voor en leg uit wat er aan de hand is. Natuurlijk -IJsland nietwaar?- is ze onmiddellijk bereid te helpen, maar ze wil eerst de situatie ter plekke bekijken en beoordelen of haar trekker sterk genoeg is om m’n bussie los te trekken.

‘We nemen de sixwheeler’, zegt de vrouw, die zich heeft voorgesteld als Heiđa, ‘zin om mee te rijden of ga je liever met je vrienden terug?’ Liever met mijn vrienden terug? En de kans laten lopen met een sixwheeler door de bergen te crossen? Aan mijn glinsterende ogen ziet Heiđa het antwoord al. ‘Kom op dan. De sixwheeler staat in de vuurtoren.’
Op weg naar de vuurtoren vertelt ze me dat ze honden, schapen, paarden, kippen en konijnen houdt, tevens vuurtorenwachter is en ook de weerssituatie ter plekke doorgeeft aan, zeg maar, het IJslandse KIJMI. ‘Enne’, vraag ik, ‘woon je hier helemaal alleen. Ben je niet getrouwd?’ Ze snuift verachtelijk. ‘Getrouwd? Ik ben een independent woman en daar geniet ik van. Ik woon hier samen met mijn moeder op dit afgelegen puntje van de fjord. Die is er momenteel even niet en daarom logeert mijn tante een paar dagen bij me. Ha, getrouwd, ik moet er niet aan denken. Kom, ga achter me zitten.’
Ze start de sixwheeler en met wapperende haren scheuren we de anderhalve kilometer terug naar m’n bussie. Voor mij had het ritje langer mogen duren. Wat een ervaring, alsof ik in een kermisattractie zit. Maar mijn enthousiasme wordt enigszins getemperd als Heiđa ziet hoever ik m’n bussie in de modder heb gewerkt. Dat gaat niet lukken met haar trekker, maar ze regelt telefonisch iemand uit een naburig dorp, die een zware shovel heeft. Hij kan met een uurtje ter plekke zijn. Misschien hebben we zin mee terug te rijden naar haar huis en daar koffie te drinken?

En ach, wat is het na de gezellige koffie betrekkelijk snel opgelost, dat stuck in the mud. Als we bij m’n bussie terugkomen, staat de boer daar al met zijn shovel. Op mijn laffe verzoek kruipt Heiđa achter het stuur (die stoere bergmeid draait nergens haar hand voor om) en overleggend met de boer wordt m’n bussie de weg weer opgetrokken. Als ik daarna de shovel-boer vraag wat de kosten voor zijn werkzaamheden zijn, wordt dat weggewimpeld. Dat doe je toch gewoon, elkaar helpen als je problemen hebt? Natuurlijk doe je dat: twaalf kilometer vanaf je boerderij met zo’n gevaarte de bergen in en diezelfde twaalf kilometer weer terug naar moeder de vrouw, nadat je een domme Hollandse toerist uit de modder hebt getrokken. Respect. Petje af. Er worden handen geschud, er wordt meer dan hartelijk bedankt, er wordt geknuffeld en gekust en met een brede armzwaai nemen we afscheid van deze aardige, behulpzame mensen.

Als ik rustig de berg aftuf, vraag ik me af of ik door dit voorval nu eindelijk wijzer ben geworden. Ben bang van niet. Hoe lang zal het duren voor ik weer eens ergens tijdens mijn toekomstige reizen uit de modder moet worden getrokken? Net als de nodige garagebezoekjes begint het een beetje traditie te worden. Rare traditie, dat wel, maar dit soort leermomentjes willen bij mij maar niet beklijven.

*)
Hoeveel keer eerder heb ik dat nou al geflikt? Het is ondoenlijk hier naar eerdere stuck-in-the-muds te verwijzen.

Twee jaar na deze reis kijk ik thuis naar een aflevering van Reizen Waes over IJsland. Vol verbazing herken ik tijdens die uitzending het bergweggetje waar mijn ‘stuck-in-the-mud-story’ zich afspeelde. Sterker nog: de man die me met zijn shovel te hulp kwam, komt uitgebreid aan het woord. Kom ik er achter, dat ik destijds door de burgemeester zelf uit de modder ben getrokken!
En Heiđathe independent woman– wordt door Tom Waes geïnterviewd. Heiđa. Waarmee ik achterop haar sixwheeler over het bergweggetje stoof. Bij wie ik in de serre koffie dronk. Die achter het stuur van m’n bussie kroop. Heiđa. De vuurtoren. De burgemeester. Het feest der herkenning!

BEWEGENDE BEELDEN
fragmenten uit Reizen Waes – IJsland

6 september 2016
‘ergens’ langs de 953 – N 65 11.225 W 14 02.706
29 km

Postnatale mudstuck

‘Ik vertrouw het toch niet helemaal, Frits. Ik bedoel, je hebt gisteren behoorlijk diep in de modder vastgezeten en het zou kunnen, dat de hoes van de homogenetische koppeling daardoor beschadigd is. Luister goed hè, ik zeg niet dat het zo is, maar misschien moeten we daar even naar laten kijken. En de wang van de band. Als je busje toch op de brug staat, laat ze die dan ook meteen controleren. Je zou me een groot plezier doen als ge straks in Egilsstađir even langs een garage rijd. Ben ik tenminste gerust, want ja, ge weet het maar nooit hè en veiligheid gaat voor alles. Rijd straks maar voorop. Als ge dan een klapband krijgt, daar in de bergen… Ik wil je niet ongerust maken en ik zeg niet dat het zo is, maar ge kunt nooit weten. Oh ja, en weet je dat je treetje nog naar buiten staat onder het rijden? Da’s niet goed, hè. Ook meteen effe naar laten kijken.’

Ach, hij is zo bezorgd, Vogelwaardse Harrie. En zo zorgzaam. Ziet ook veel meer leeuwen en beren op de weg dan ik ooit gezien heb. Is ook secuurder, voorzichtiger en zuiniger op zijn bussie dan ik ooit zal worden. Hij neemt me dan ook graag onder zijn technische hoede. Ik laat het me allemaal gerieflijk aanleunen en volg ook deze keer zijn goede raad om naar een garage te gaan.

Gelukkig blijkt alles prima in orde met die hoes en die wang (heb ik vandaag toch twee nieuwe onderdeeltjes van m’n bussie geleerd) en als de monteur bij mijn treetje de steentjes en de modder heeft weggehaald, kan ik weer boven de put vandaan.

Natuurlijk (…) zijn Vogelwaardse Harrie en ik ook even in die put afgedaald. Ik om foto’s te maken en te zien, dat een opspringend stuk steen een behoorlijk gat in de kunststof beschermkap van de motor heeft geslagen, Vogelwaardse Harrie controleert toch nog even speurend de onderkant van m’n bussie. ‘Ge hebt een butske in de uitlaat en hier aan de andere kant zit ook nog een holleke. Kan voor nu geen kwaad, maar wel in de gaten houden hoor. Maar gelukkig is er met het wiel en de band niks aan het handje. Ben ik toch een stuk geruster.’ Ja hoor, Harrie. Graag gedaan, Harrie. Dankjewel Harrie, dat je over me waakt.

Hengifoss waterval

 

7 september 2016
P Hengifoss waterval – N 65 04.393 W 14 52.767
72 km

8 september 2016
Fljótsdalshérað P Kárahnjúkar stuwdam
N 64 56.969 W 15 47.890
66 km

9 september 2016
Fljótsdalshérað Kárahnjúkar – N 65 27.544 W 14 19.928
130 km

Stuck in the mud #2

‘We kunnen hier natuurlijk voor de nacht gaan staan, ’t is een mooi plekske, als het maar niet te veul gaat regenen, want dan zouden we morgenochtend misschien wel eens problemen kunnen hebben…’
Vogelwaardse Harrie kijkt enigszins bedenkelijk naar de dreigende hemel. Ik kijk ook, maar voor mij is er geen vuiltje aan de lucht. ‘Dat zien we morgen dan wel weer’, stel ik mijn campervrind (niet) gerust.

En wie rijdt er -na een zeer regenachtige nacht- vanmorgen zonder problemen van het ‘mooie plekske’? Ik dus. Toegegeven: meer geluk dan wijsheid, maar dat geluk heeft Vogelwaardse Harrie nou net niet. Rechtsvoor en linksachter werkt hij zich behoorlijk in de zachte grond. Daar moet een schop aan te pas komen. En rijplaten.

Simpel natuurlijk, maar niet voor iemand als mijn campervrind. Allemachtig, wat heeft die man zijn rijplaten met alle mogelijke bevestigingsmiddelen vastgezet. Touwwerk, zo veel en en stevig, alsof hij de Titanic moet afmeren, RVS M12 bouten voor de horizontale borging en nog een dingetje dat los moet. ‘Het mag er niet afwaaien, hè’, is het antwoord als ik voorzichtig vraag of het allemaal niet teveel van het goede is. Ach, goede campervrind Harrie: het is een beste kerel, maar secuur, zo heb ik het nog niet vaak meegemaakt. Volgens mij zou-ie op de Noordpool nog voorzichtig op het ijs stampen om te kijken of het wel verantwoord is er overheen te lopen.

Maar hij heeft wel alle materialen en gereedschappen aan boord. Zo ook voor deze tweede mudstuckklus in onze IJslandvakantie. Met min of meer vereende krachten komt hij uit de modder los. Op naar Stuck-in-the-mud #3?

10 september 2016
Tjaldsvæði Bakkagerði – N 65 31.447 W 13 48.518
53 km

11 september 2016
Aan de Ytri-Galtasstađavegur (926) langs de Jökulsa á Dalrivier
N 65 38.327 W 14 19.574
78 km

12 september 2016
P Skálanes – N 65 17.091 W 13 46.510
93 km

13 september 2016
aan de 951 even buiten Seyðisfjörður
N 65 17.026 W 13 58.469
18 km

14 t/m 17 september 2016
aan boord veerboot Seyðisfjörður – Hirtshals
N 57 35.777 E 9 58.242
1791 km

18 en 19 september 2016
Hirtshals – Goudswaard
N 51 47.614 E 4 16.473
1071 km

Tot slot

Niet -zoals bij mij gebruikelijk aan het einde van een trip-  bespiegelingen over de bezienswaardigheden, de natuur, de wegen, de accommodaties, de bijna achtduizend kilometer die onder m’n bussie doorrolden gedurende de afgelopen twee maanden Duitsland, Denemarken en kris-kras door IJsland.
Geen mening over het -voor mij nieuwe- samen optrekken met campervrinden. Gewoon. Simpel: IJsland is het absolute einde.

(more or less) Translate »