2015 Camper Mahnreise

Ljouwert

Mahndorf, leuk en aardig, maar eerst naar Leeuwarden voor mijn jaarlijkse bezoekje aan de Caravana. Zoals ik dat al jaren doe, overnacht ik op de grote parkeerplaats van het WTC-Expo in het hoekje van de Nederlandse Kampeerauto Club. Met mijn lidmaatschap van die club heb ik daar voor Є 17 een overnachting-met-stroom, een entreekaart voor de beurs en een parkeeruitrijkaart. Ik ben de enige niet die gebruik maakt van dit arrangement, getuige de vele campers die er op de eerste beursdag al geparkeerd staan.

Als ik ’s middags op mijn fietsje stap om in het centrum van Leeuwarden wat boodschapjes te doen, merk ik pas goed hoe koud het is: weliswaar slechts vier graden onder nul, maar er staat een venijnige wind, die dwars door mijn luxe leren handschoenen waait. Dikke, warme handschoenen staan dan ook bovenaan mijn lijstje als ik mijn fiets op slot zet voor de winkel van Zeeman. Voor vier euro ‘investeer’ ik in warme handen. Ze zien er natuurlijk niet uit, die handschoenen, maar zijn wel lekker warm, net als die foeilelijke oudemannenpantoffels die ik even verderop bij de Schoenenreus koop.*)
Nadat ik mezelf getrakteerd heb op een Ljouwerse kapsalon (de snack uiteraard, moet er niet aan denken naar de kapper te gaan!), trap ik mezelf warm, terug naar m’n bussie. Daar staat mijn kacheltje dag en nacht probleemloos te snorren, dankzij mijn vlak voor deze trip aangeschafte gasflesverwarmingsdeken.**)

En heb ik nog iets gekocht op de beurs? Reken maar!
Een levensecht bord, dat normaal gesproken bij een officiële camperplaats staat. Lijkt me reuze handig om altijd bij me te hebben. Overnacht ik dan in de toekomst ‘wild’, zet ik simpelweg dat bord neer, waar ik ook ben. Handig toch?

 

 

 

*) Beter mee verlegen, dan om verlegen, zei mijn moeder altijd. Horen dan ook bij de standaarduitrusting van m’n bussie en komen altijd van pas.

**) Heb ik dus vorig jaar mijn twee flessen propaangas laten vervangen door een LPG-fles met een buitenvulaansluiting, merk ik, dat die LPG niet brandt bij lage temperaturen. LPG is namelijk een mengsel van propaan en butaan. Propaan vergast (bijna) altijd, maar laat nou dat butaan onder de vijf graden niet willen branden. De oplossing: een (voet)verwarmingsdekentje, dat met twee elastieken om de gasfles wordt bevestigd. Het werkt op 220V, houdt de gasfles op temperatuur en m’n gassie doet het altijd…

Uit-zicht

De route van Leeuwarden naar Bremen (waar Mahndorf ligt) loopt via Groningen. En wat stippelt Claire-mijn-nieuwe-Camper-Garminnetje een prachtige binnendoorroute voor me uit!
Geniet ik al domweg van afslagen met verwijzingen naar Garyp, Tytsjerksteradeel, Ureterp en Swichem (zal m’n bootverleden wel zijn), het Friese landschap doet daar nog eens een schepje bovenop. Het is eind januari en het vriest. Ik rijd door een winters landschap met besneeuwde akkers. Rijp zit op alle bomen en struiken. Op de slootjes ligt een dun laagje ijs.
Schitterend. Tenminste, wat ik ervan meekrijg, want eerlijk gezegd: ik zie er weinig van. Wat een mist!

Grotegaste

Eén van de verbeteringen in de nieuwe Claire-mijn-Camper-Garminnetje is de grote database met (ASCI-)campings en camperplaatsen. Ik weet wel, dat ik zo’n database ook op mijn tablet heb, maar geïntegreerd in mijn routeplanner lijkt me een hele vooruitgang. Net over de grens in Duitsland, besluit ik die nieuwe feature uit te proberen.
En het werkt. Wat een keuze in campings en camperplaatsen krijg ik voorgeschoteld en wat word ik er probleemloos naar toe geloodst! Maar wat een teleurstelling als de een na de andere camping gesloten blijkt te zijn of de camperplaatsen me niet bevallen. Ik heb geen zin meer nog langer kilometers rond te rijden en stop (ouderwets dan maar) bij een boer op een trekker aan de kant van de weg.
‘Een camping? Eentje die open is? Daar bent u vlakbij hoor. Het eerste weggetje gaat u links en dan für etwa zwei Kilometer nach oben. Dan bent u in Grotegaste en daar is een camping.’

Grotegaste dus. En die camping staat nou net niet in Claire-mijn-Garminnetje. Stomme Claire! ‘Het eerste weggetje links’ is een doodlopende weg. Als ik aan het eind van die weg ben, staan daar een kerk en een brandweerkazerne. Tegenover de kazerne is een parkeerplaatsje en een veldje met wat speeltoestellen. Geen camping te bekennen. Zo stom was Claire dus niet…

Tegen beter weten in, bel ik aan bij het huis naast de kazerne.
Een vrouw met een lange lap om haar middel (is het een rok?) en een groezelig shirt doet open. Ze veegt met een vermoeid gebaar haar vettige haar uit haar gezicht en kijkt me nors vragend aan. Of hier ook een camping is, vraag ik in mijn beste Duits. Ze kijkt me verwonderd aan, neemt niet de moeite de sigaret uit haar mondhoek te halen en zegt: ‘Een camping? Hier? In Grotegaste? Dan bent u echt verkeerd.’
Geen zin om nog verder naar een overnachtingsplek te zoeken, wijs ik op het parkeerterreintje tegenover haar huis en vraag ik of daar mag overnachten. ‘Dat maakt me helemaal niks uit’, zegt de slonzige sigaret, onverschillig haar schouders ophalend, ‘dat terreintje is van de Gemeinde. Dus als u wilt…’
Dat wil ik wel. Ik bedank de vrouw. Ze haalt de sigaret uit haar mond en piekt de peuk met een zwiep rakelings langs me heen de straat op. Dan mompelt ze iets dat op gute Nacht lijkt en sluit resoluut de deur. Ik denk er het mijne van, parkeer m’n bussie, zet de kachel aan en maak een kop koffie. Prima plekkie wel. Lekker stil. Rustig ook met het kerkhof schuin tegenover…

Oeps!

Onrustig geslapen vannacht.
Om een beetje beschut te staan tegen de kou heb ik gisteren naast een blokhutachtig huisje geparkeerd op mijn overnachtingsplek.
’s Nachts steekt de wind op. M’n bussie staat zachtjes te schudden, maar dat is het ergste niet. Aan dat blokhutje zit een luik en door de storm staat dat te klapperen. Nog niet erg, ware het niet dat het ijzeren scharnier daarbij een naargeestig piepend geluid maakt. Ik word er regelmatig wakker van, geef mijn kussen een stomp en dommel-doezel de nacht door.

Maar wat een verrassing als ik ’s morgens de rollo’s open doe! Het heeft niet alleen gestormd vannacht, maar ook gesneeuwd en ik sta in een schitterende winterwereld. Prachtig! Als ik de (Nederlandse) radio aanzet, hoor ik dat het in ons landje bar en boos is. De ANWB waarschuwt voor sneeuw en ijzel en raadt automobilisten aan thuis te blijven of hun snelheid aan te passen. Er wordt volop gestrooid en de treinen rijden (uiteraard…) een aangepaste dienstregeling. Maar ja, dat is Nederland. Hoe de situatie in Duitsland is, kan ik niet zien, want het is nog te donker buiten. Ik zoek op de radio een Duitse zender: vijf centimeter sneeuw is er gevallen, maar geen verkeersmeldingen. Geen paniek dus. Nu had ik daar al geen last van, dus zodra het licht is, ga ik op weg. Op naar Mahndorf!
Terwijl ik dit schrijf, bedenk ik me ineens, dat het in Duitsland verplicht is winterbanden te hebben. Oeps, die heb ik dus niet. Nou ja, zal zo’n vaart niet lopen toch? En dan: hoe moet ik dat allemaal weten…

En nog een verrassing.
Als ik bijna klaar ben om te vertrekken (de motor draait al een tijdje warm), zie ik mijn overbuurvrouw diep in haar jas gedoken en met een capuchon op door de sneeuw in de richting van m’n bussie schuifelen. Komt waarschijnlijk klagen over het langdurig stationair draaien van mijn motor, denk ik, indachtig haar afstandelijke houding van gisterenmiddag. Op voorhand geef ik haar al gelijk, want eerlijk gezegd, is het best a-sociaal wat ik doe.
Ik schuif de deur open en wens haar een goede morgen. ‘Gute Morgen‘, beantwoordt ze mijn groet vriendelijk. Of ik misschien trek heb in eine heiße Tasse Kaffee, want ik zal het wel koud hebben gehad vannacht in mijn Wohnmobil en ze heeft de koffie klaar, dus als ik wil…
En zo zit ik even later bij haar in de keuken. Terwijl ik met kleine slokjes van mijn hete koffie drink en naar haar verhalen luister, bedenk ik me, dat ik gisteren weer eens te snel heb geoordeeld. Wat een netter Frau is dit! Wat kan een mens zich vergissen. Of ik nog een twee kopje wil? Aber gerne!

Schuiver

Wat ziet het landschap er fantastisch uit als ik wegrijd van mijn overnachtingsplekje in the middle of nowhere op weg naar Bremen.
Er ligt inmiddels een dikke laag sneeuw en de weggetjes -voor zover die te zien zijn- liggen er ongerept bij. Er is nog niet gestrooid. Er zijn nog geen schuivers voorbij gekomen. Mijn bussie is vanmorgen het eerste voertuig dat sporen trekt in deze witte wereld. Twintig kilometer per uur rijd ik, soms nog langzamer. Harder rijden is niet verantwoord. Maar wat is het mooi. Heel af en toe zie ik iemand het pad voor zijn boerderij schoonvegen. Ik word gegroet en nagekeken. Tuffend door deze oogverblindende witte schoonheid geniet ik van elke kilometer die onder mijn wielen doorknarst.

Tot m’n bussie plotseling, zonder enige aanleiding, op een kaarsrecht stuk weg een schuiver maakt. Langzaam, tergend langzaam glijd ik naar de linkerkant van het weggetje. Ik laat mijn gas los, stuur bij en weet m’n bussie uit de berm te krijgen. Maar nu slip ik naar de rechterberm. Wat ik precies gedaan heb, weet ik niet, maar tot mijn geluk krijg ik m’n bussie weer op het rechte spoor en op de weg. Ik haal even diep adem en prijs mezelf gelukkig dat het zo goed afgelopen is. Ik stap uit en bekijk wat ik heb ‘aangericht’: achter me staan dikke, zwarte slipsporen in beide bermen en er ligt een hectometerpaaltje op één oor. Dat paaltje heeft een veeg op m’n deur gemaakt, maar die is er wel uit te poetsen. Lekker belangrijk trouwens. Ik kan er niet mee zitten. Ben allang blij dat ik met dat bussie van me nog op vier wielen sta in plaats van op z’n kant langs de sloot. Mijn uitstaptreetje, dat vanmorgen bij het wegrijden al vastgevroren zat en niet meer naar binnen wilde, zit inmiddels muurvast met aangekoekt ijs.

Als ik van de schrik ben bekomen, besluit ik letterlijk het roer om te gooien. Mijn route naar Bremen via ‘kortste weg binnendoor’ lijkt me niet langer verantwoord en ik laat Claire-mijn-Garminnetje een snelle route over hoofdwegen berekenen. Maar eer ik die grote weg bereik, moet ik zeker nog dertig kilometer binnendoor. Het weer verslechterd met de minuut: het gaat harder sneeuwen en het wordt ook mistig. Van het schitterende landschap zie ik niet veel meer. Ik krijg pijn in mijn handen van het krampachtig sturen en mijn ogen beginnen te branden van het getuur door de voorruit. Gelukkig past het overige verkeer zich ook aan de omstandigheden aan, maar het is vermoeiend rijden en vooral veel glibberen. Ik tel de kilometers af naar de A27. Nog 24, nog 18, nog 12… eindelijk, daar is de oprit. Nooit kunnen denken, dat ik -gek op de kleinste binnendoorweggetjes en gehuchtjes- tijdens een campertrip zo zou uitkijken naar een snelweg. Maar het is een stuk gerieflijker rijden, ook al is er maar één rijstrook goed berijdbaar en ligt de snelheid van het verkeer op zo’n tachtig kilometer per uur. Hard zat. Bremen loopt niet weg.

Mahndorf

En daar is-ie dan: de afslag Mahndorf!
Ik voeg uit en rijd dit voorstadje van Bremen binnen.
Niks bijzonders eigenlijk en een behoorlijk doorsnee-Duits-plaatsje. Als ik een andere achternaam zou hebben gehad, was ik nooit op het idee gekomen hier naartoe te rijden, maar nu: ach, het heeft wel wat.

Ik rijd via de Mahndorfer Heerstraße naar het station en vraag aan een wachtende reiziger of hij me op de foto wil zetten. Hij reageert wat verbaasd op mijn verzoek, maar als ik me voorstel en hem wijs op het bord met www.mahn.tv op de achterkant van m’n bussie wordt alles hem duidelijk. ‘Aber selbstverständlich! Herr Mahn. Ja, ja. Mahndorf! Alles klar…’

En eigenlijk was dat het wel. Niet wereldschokkend. Wel leuk om er geweest te zijn.

Blöder Unsinn

Het is hartje winter en dan kun je verwachten, dat het merendeel van de campings gesloten is. Thuis had ik dan ook al een camping in of nabij Bremen gezocht en gevonden, die het hele jaar geopend is.
Claire-mijn-Garminnetje brengt me keurig tot aan de ingang van deze Camping am Stadtwaldsee aan de Hochschulring in Bremen. Maar als ik bij de deur van de Anmeldung kom, is die op slot. Er hangt een briefje, dat de receptie alle werkdagen geopend is. Zaterdag en zondag is er niemand aanwezig. En wat voor dag is het vandaag? Juist: zaterdag! Wat een onzin: een stadscamping die in de maanden januari en februari in het weekeinde een onbemande receptie heeft! Een weekendje Bremen? Leuk. Maar dan niet op de camping… Ik probeer nog bij de slagboom wat binnenkomende kampeerders over te halen me te helpen, maar zonder resultaat.
Gelukkig is het bijbehorende restaurant, dat niets met de camping te maken heeft, wel open en daar knabbel ik mijn ergernis weg met een pizza tonno.

Terug in m’n bussie vindt Claire-mijn-Garminnetje een camperplaats aan de andere kant van Bremen. Ik negeer de waarschuwing, dat ik, om die plek te bereiken, door een Umweltzone moet rijden en ga op weg. Na een krap half uurtje bereik ik de camperplaats. En wat voor een. Tweehonderd campers kunnen er staan. Er zijn elektrazuilen. Er is internet. En het kost me Є 13 per nacht. ‘Ik moet u wel zeggen, dat de toiletten niet beschikbaar zijn met deze vorst’, zegt de beheerder, ‘maar als u dat geen probleem vindt, zoekt u dan maar zelf een plekje uit en kom straks even met me af rekenen. Geef ik u meteen de code voor het internet.’

Er staat maar een tiental campers op het immense terrein. Ik parkeer m’n bussie, sluit de stroom aan en maak een kop koffie.
Wie doet me wat? Niet in Bremen, toch in Bremen.

Mahlzeit!

‘Klopt’, zegt de beheerder van de camperplaats, ‘daar verderop, etwa driehunderd Meter von hier, waar u die lichtjes ziet, is een restaurant. Goed eten en niet duur. Hun specialiteit is kool met allerlei vlees. Ik kan het u aanraden.’

Het is warm en druk als ik restaurant Der Kuhhirte binnenstap. Veel gezelschappen, waarvan het ene regelmatig in meerstemming gezang uitbarst en er bij het andere al de nodige alcohol heeft gevloeid, getuige de decibellen die zij produceren. En kool is inderdaad de specialiteit hier. Sterker nog: er staat nauwelijks iets anders op de eenvoudige kaart. Groene kool, witte kool, bloemkool, bruine kool (?). Dampende schalen vol zie ik de serveersters naar de tafels brengen.
Ik bestel een Weizenkorn en een grote Becks en besluit het er van te nemen. ‘Doet u mij maar het Grünkohlmenu‘, zeg ik tegen de serveerster, ‘tenminste als u me eerst even uitlegt wat het woordje satt betekent, dat bij het menu staat.’
Satt wil zeggen, dat u onbeperkt kunt eten, mijnheer. En wilt u er dan gebakken aardappelen bij of Salzkartoffeln?’
Ik ben verkocht en laat het allemaal aanrukken: Hühnersuppen vooraf en dan de Braunkohl satt mit Bratkartoffeln, Pinkel, Kochwurst, Bauchspeck und Kassler.

Van dat ene portie eten zit ik al meer dan vol, dus die satt laat ik voorbij gaan. Maar goed ook, want ik kom er achter dat ‘eten zoveel je wilt’ alleen opgaat voor de kool en niet voor het vlees. Schaal na schaal zie ik bij de andere tafels aangevuld worden. Niet voor mij: van die enorme kwak groen heb ik de helft al laten staan.
Ik ben wel benieuwd naar het nagerecht. Rote Grütze staat er op de kaart. Geen flauw idee. Ook niet naar gevraagd. Verras me maar.
Nou, verrast word ik. Voor mijn neus staat een grote ijscoupe vol Rote Grütze: allemaal rood fruit dus. Besjes, framboosjes en weet ik al niet wat, met één duidelijke overeenkomst: allemaal bekkentrekkend zuur. Gelukkig is het overgoten met een Vanillesauce, maar om nu te zeggen dat ik zit te smikkelen. Nou ja, ik heb in ieder geval vers fruit gegeten…

Bremen

Eintausend zweihundert Meter is het vanaf Reisemobil Stellplatz Am Kurhirten naar het oude centrum van Bremen. Prima aan te lopen, volgens de beheerder van de camperplaats en -als ik dat wil- kan hij ook een taxi voor me regelen die me voor Є 5,50 naar de Altstadt brengt. Lopen? Een taxi? Ik heb toch niet voor niks mijn fietsje meegenomen? Even twijfel ik: als mein Fahrrad onderweg maar niet wordt afgepikt. Per slot van rekening ben ik in Duitsland…*)

Het is koud, er liggen nog resten sneeuw van gisteren en af en toe valt er een spatje regen. Niet bepaald omstandigheden om een stad te bezoeken, maar in mijn geval ideaal. Het is elf uur en er zijn nauwelijks mensen op straat. Wel de nodige groepen grijze duiven, die met een Reiseführer door het centrum worden geloodst.
Af en toe blijf ik even bij zo’n groep staan om wat informatie op te vangen. Over de Schnoor bijvoorbeeld, de oudste wijk van Bremen met kronkelige steegjes en 15e en 16e eeuwse huisjes.
Natuurlijk bekijk ik in de Altstadt de St. Petri Dom en sta ik stil bij Roland, het ‘vrijheidsbeeld’ van Bremen op het Marktplein (het grootste standbeeld van deze ridder in Duitsland, hoor ik een gids zeggen). Ik loop langs het Rathaus, sla de hoek om en sta oog in oog met het beroemde standbeeld van die Bremer Stadtmusikanten uit het sprookje van de gebroeders Grimm. Nou ja, oog in oog: mijn uitzicht op het beeld wordt behoorlijk belemmerd door de zoveelste groep gecapuchoneerde senioren. Ik wacht even om een foto-zonder-toeristen te kunnen nemen en luister ondertussen naar het verhaal van de gids.
Grappig wel: als u een wens wil doen, dames en heren, gaat u recht voor het beeld staan en kijkt naar de kop van de ezel. Pak dan met beide handen de voorpoten van de ezel stevig vast (en niet de snuit, niet de staart, waarschuwt de gids). Knijp nu uw beide ogen stevig dicht en doe uw wens. Laat de poten los, kijk de ezel nog even aan, draai u om en loop weg naar het westen (de gids wijst de richting aan). Om de wens werkelijk te laten uitkomen, mag men vierentwintig uur niet omkijken in de richting waar de Stadtmusikanten staan. En denk erom, dames en heren, beëindigt de gids zijn verhaal: u moet de ezel met twee handen vastpakken anders is het of de ene ezel de andere de hand schudt! (Lachen…)
Voor me in de groep staat een stijf gearmd echtpaar. Al tijdens de uitleg van de gids begint de vrouw haar man in zijn zij te porren. Zo’n wens, dat is wel wat voor hem, laat ze hem weten. De man reageert stoïcijns. Als de gids klaar is met zijn verhaal, duwt de vrouw haar man in de richting van de beeldengroep. Hij kijkt haar van opzij ongelovig aan, haalt zijn wenkbrauwen op en trekt haar bij de groep vandaan. Andere leden van het gezelschap doen wel een wens: een beetje lacherig pakken ze de glimmende bronzen poten vast en sluiten hun ogen. Op een afstandje bekijkt ‘mijn’ echtpaar dit ritueel. Aan haar houding zie ik, dat de vrouw nog een laatste poging doet, maar de man schudt gedecideerd zijn hoofd en kijkt neutraal een andere kant uit.

Ook bij een putdeksel op het Marktplein staat een groepje senioren. Ze verdringen zich om een muntje in een gleuf te gooien en hebben de grootste lol als er dan vanuit de put het slecht ingeblikte geluid van een ezel, een kat, een hond of een haan opklinkt. ‘Ein Mal noch, ein Mal noch’, jutten ze elkaar op en iedere keer schieten ze weer in de lach als er zo’n dierengeluidje klinkt. Ik heb oogcontact met de gids die terzijde van de groep het gebeuren welwillend glimlachend bekijkt. Nauwelijks merkbaar trekt ze even haar schouders op. ‘Tsja’, zeggen haar ogen…
Niks voor mij, dat wensen doen en muntjes gooien. Kinderachtig.
Nee, dan die Kerstman die ik in een straatje zie staan. Daar wil ik wel mee op de foto. Da’s tenminste een volwassen actie. Toch?

*) Flauwe opmerking, moet ik niet meer doen, zeventig jaar na de oorlog. Zal wel komen doordat die gedachte me met de paplepel is ingegeven.

Mahnbrück

Het wegwijzerbordje naar Mahnbrück wijst naar rechts. Daaronder hangt een bordje, dat de breedte van de weg aangeeft: twee meter.
Na negenhonderd meter over dat smalle, opgelapte asfaltweggetje bereik ik de gemeentegrens van Mahnbrück.
Ik stap uit en kijk om me heen: een weg, een paar verspreid liggende huizen en wat onverharde zijweggetjes. Ik rijd drie van die zijweggetjes in, maar ze eindigen allemaal bij een boerderij. Ik draai op het erf. Bij een van die boerderijen komt net een man naar buiten, die vraagt of ik iets zoek.
Mahnbrück‘, antwoord ik.
‘Daar bent u, maar u staat nu op een privat weg.’
‘Dus, als ik het goed begrijp’, zeg ik, ‘is Mahnbrück dat geasfalteerde weggetje. En verderop? Ga ik daar het dorp weer uit?’
‘Verderop is niks meer, alleen een paar huizen. U kunt niet verder, u moet dezelfde weg terug.’
Dat is het dus, Mahnbrück, een doodlopende, slecht verharde weg met wat huizen. Ik moet wel heel langzaam rijden om er niet binnen twee minuten doorheen te zijn.

Ik stop onderaan de heuvel van Mahnbrück in het dorpje Veitenhäuser bij het gelijknamige Landgasthof voor een kop koffie. De waardin (want zo’n Gasthof is het) kan me meer vertellen over ‘dat gehuchtje hier hoch’. Terwijl er een luid krijsende papegaai door de gelagkamer vliegt, waarvan ik bang ben dat-ie op mijn hoofd poept, begint ze haar uitleg.
‘Vroeger’, zegt ze, ‘heette het Mohnbrück en was het een tolplaats. Er was een klein bruggetje en daar moest je betalen om er overheen te mogen. Dat Mohn veranderde door de jaren heen in Mahn.’
‘En wat is de betekenis van Mohn dan?’ vraag ik.
‘Dat is een bloem. Wacht, ik pak even een briefje en schrijf het voor u op.’ Voor de duidelijkheid tekent ze de bloem erbij. Ik vermoed, dat het een klaproos is en dat klopt ook als ik het later op internet opzoek.

Een Brücke dus, waar veel klaprozen groeiden en waar je tol moest betalen. Toch wat geleerd vandaag. ‘Dank u wel voor de uitleg en doet u nog maar een kopje koffie.’