2014 Camper Frankrijk

Video & Boek

Frits maakte een video over deze reis.
Klik op de afbeelding om naar de videopagina te gaan.

De verhalen van Frits in Frankrijk zijn ook in boekvorm verschenen.
Klik op de afbeelding om naar de boekpagina te gaan.

Verantwoording

Bij mijn voorbereidingen voor het gedeelte van deze reis over de Route Nationale 7 heb ik dankbaar gebruik gemaakt van het door Peter Jacobs en Erwin de Decker geschreven inspirerende boek ‘Langzaam door Frankrijk’, uitgegeven bij Lannoo.

Route Nationale 7

Voor de autosnelweg werd aangelegd, was de legendarische Nationale 7 dé route om met de Citroën 2CV of de DS van Parijs naar de Côte d’Azur te rijden. De N7 is meer dan een weg: hij is in de twintigste eeuw het symbool geworden van een welverdiende zomervakantie, de ontsnappingsroute voor vakantiegangers uit het grijze noorden. Het is ook de weg van de eerste vakantiefiles, van het massatoerisme in de kinderschoenen en de vele ongelukken, vaak met dodelijke afloop.
Is de Route 66 in Amerika de mainstreet, in Frankrijk geldt dat voor de Route Nationale 7, ook wel bekend als de route des vacances of -minder vleiend- berucht als de route des morts.

Veel historische, nostalgische  punten langs de N7 zijn inmiddels verdwenen of aangevreten door de tand des tijds. Hoogste tijd dus voor Frits om in z’n bussie te stappen en langzaam door Frankrijk te toeren met als motto: de reis is belangrijker dan de bestemming.

Lekker langzaam?

Lekker langzaam door Frankrijk, jawel.
Maar op de allereerste dag -vlak na de Nederlands-Belgische grens- sluit ik aan bij een enorme file. Claire-mijn-Garminnetje had me al gewaarschuwd: ‘Verkeersinformatie vooruit’ en op haar schermpje staat een vertraging van vijfenvijftig minuten. De radio meldt een dodelijk ongeval op de Ring van Antwerpen, waardoor de weg volledig is geblokkeerd. Het verkeer moet van de weg af en wordt binnendoor omgeleid.

Als ik eindelijk via via door Antwerpen heen ben en weer kan rijden, stop ik bij het eerste de beste pompstation om te tanken en te lunchen. En hoe heet dat station? Waarloos. Wat mij betreft hadden ze daar de letters D en E tussen mogen plakken…

Vierentwintig linden

De Kathedraal van de Wederopstanding in Evry -naast het moderne gemeentehuis- is architectonisch al een bijzonderheid met haar ‘verminkte’ cilinder met een doorsnede van  achtendertig meter. Maar als ik m’n bussie heb geparkeerd, zie ik boven de omringende bebouwing uit als eerste het meest opvallende van deze kathedraal: op vierendertig meter hoogte, bovenop de ‘toren’ zijn vierentwintig linden geplant. Een bizar gezicht, deze symbolen van het leven. Nog nooit eerder zoiets gezien.

Ook het interieur is afwijkend van wat men bij het woord kathedraal voor ogen heeft. Hard, strak en genadeloos, bijna sober. Bakstenen (800.000 om precies te zijn), zwart graniet en versteend hout. Schitterend in al zijn eenvoud.

Cathédral de la Résurrection

BEWEGENDE BEELDEN

Overgeslagen #1

Ik heb me behoorlijk voorbereid op deze trip. Veel gelezen, veel op internet opgezocht. Aan of langs de route van Parijs naar Menton en terug heb ik de nodige bezienswaardigheden en bijzonderheden op een rijtje gezet. Honderdvierenzestig waypoints om precies te zijn. Ondoenlijk (?) om die allemaal te bezoeken. Per reisdag maak ik keuzes.
Tot nu toe heb ik er al een paar overgeslagen:

Parijs: point zero
Villejuif: piramide van Cassini
Athis-Mons: Musée Delta Athis
Juvisy-sur-Orge: pont des Belles Fontaines
Juvisy-sur-Orge: observatorium Camille Flammariom

Gemiste kansen? Misschien.

Ferm, fermer, fermé #1

Milly-la-Forêt heeft twee verrassende bezienswaardigheden.
Aan de rand van het stadje, midden in het bos, staat een wonderlijke, monsterachtige schroothoop van hedendaagse kunst: le Cyclop, 22,5 meter hoog, met een gewicht van 350 ton. In vijfentwintig jaar gebouwd door de Zwitserse kunstenaar Jean Tinguely, samen met vijftien vrienden.
Ik negeer het bord ‘fietspad’ en tuf (er is toch geen verkeer) het bos in tot aan de ingang van het complex. Daar stuit ik op een hek. Dat hek is dicht. Op een bord staat te lezen, dat de cyclop tot eind oktober te bezoeken is. Het is 10 oktober. Er is geen mens te bekennen. Le cyclop est fermé…

Een andere bezienswaardigheid in Milly-la-Forêt is de Saint Blaise des Simples. Een eenvoudig kapelletje zoals er zovele zijn. Maar wat dit kapelletje zo bijzonder maakt, zijn de aangebrachte glasramen en muurschilderingen van Jean Cocteau. In een hoek, tussen de poten van een door hem geschilderde kat, zette hij zijn handtekening en bij zijn dood werd Cocteau ook begraven in ‘zijn’ kapel.
Ik parkeer voor de kapel, pak mijn video- en fotocamera en steek de weg over. Ik loop om de kapel heen en vind een gesloten deur. De bijbehorende bezoekersruimte ziet er verlaten uit.
In de tuin zijn wat mannen aan het werk. ‘Wij snoeien alleen de tuin, mijnheer. We zijn niet van de kapel. We weten alleen dat-ie fermé is…’

Alle waar naar zijn geld

Mijn eerste overnachting is aan de rand van Parijs op camping Paris l’Est. Voor mijn fourgonette (da’s Frans voor een camper) betaal ik Є 15, inclusief stroom. Of er ook wifi internet is, vraag ik. Dat is er: voor een extra Є 9 krijg ik een code voor vierentwintig uur internet.*) Ik krijg plaats 305 toegewezen op een camperveld, waar de plekjes zijn afgebakend met rijen paaltjes. Verspreid over dat ‘parkeerterrein’ staan nog vier andere campers. Het toiletgebouw heeft zijn beste tijd gehad. De toiletten zijn aftands, vies en shabby. Het internetsignaal is ‘matig’.

De tweede dag eindig ik in Montargis op Camping de la Forêt.
Een bereidwillige medekampeerder doet de slagboom voor me open en vertelt, dat de beheerder om een uur of zes aanwezig zal zijn. Ik mag zelf een plaatsje uitzoeken en ik parkeer voor de nacht op een schitterend bosveld met vrije plekken zonder nummers. Er staan nog een stuk of wat andere kampeerders, verspreid tussen de bomen van het bos. Het toiletgebouw is hageltjenieuw en schoon.
‘Het is naseizoen, mijnheer’, zegt de beheerder, ‘dus ik krijg voor één nacht Є 8,05 van u.’
‘Is dat inclusief stroom?’, vraag ik, ‘en is hier ook internet?’
Het stroomgebruik zit inderdaad in die acht euro, evenals tien uur gratis gebruik van (razendsnel) internet. Ach ja, Parijs-Montargis, verschil moet er zijn.

*) Voor de prijs van die negen euro internet heb ik de volgende dag in Evry een lunch, bestaande uit een pizza, een drankje en een dessert…

Schietgebedje

In 1954 liet de pastoor van Fontenay-sur-Loing langs de N7 een klein kapelletje bouwen voor de N7-vrezende weggebruikers, want behalve als de Routes des Vacances stond de N7 ook bekend als de Route de la Mort, vanwege de vele ongevallen met dodelijke afloop. In de hoogtijdagen van de N7 stonden hier (ongeveer honderd kilometer van Parijs) vaak tientallen auto’s om nog even een kaarsje te branden.

Ik stop aan de overkant en stap even later het kapelletje binnen. Het is primitief, met glasramen waarin de schilden van Lyon en Avignon afgebeeld zijn. Ik bekijk het gastenboek en wandel terug naar mijn fourgonette. Ook zonder een kaarsje te hebben aangestoken zal ik de Middellandse Zee toch wel veilig bereiken?

Ferm, fermer, fermé #2

Met wat zoeken vind ik even buiten Mormant-sur-Vernisson het Musée de la Nationale 7, waar de vereniging Les Amis de la Route Blue bij een ouderwets pompstation een collectie voorwerpen en oude automobielen heeft uitgestald, die verband houden met la route des vacances.
Geen wonder dat ik het Musée lastig kon vinden: het is gesloten en er wordt op die plek een groot hotel en een restaurant gebouwd. Ik had al gelezen, dat veel nostalgische punten en gebouwen langs de RN7 aan het verdwijnen zijn of gemoderniseerd worden.
Ben ik al te laat met mijn jeugdsentimententrip? Ga ik dit nog vaker meemaken?

Michelinmannetjes

De naam Michelin is onlosmakelijk verbonden met reisgidsen en wegenkaarten.
In 1889 richten de broers André en Édouard Michelin in Clermont-Ferrand een bedrijf op, waar zij begonnen met het vervaardigen van rubberen banden voor fietsen, later ook voor auto’s. Édouard stond voor de technische ontwikkelingen en André hield zich bezig met het imago van het bedrijf.
André Michelin zocht manieren om mensen aan te zetten tot reizen, of -beter gezegd- tot rijden en dus tot het verslijten van banden. Hij kwam op het idee gratis gidsen uit te geven met informatie over hotels, garages en andere praktische zaken voor de automobilist. Die zogenaamde rode gids verscheen al in 1900.
Tien jaar later kwam de eerste Michelin wegenkaart uit en begon de bandenfabrikant gratis plaatsnaamborden uit te delen en te plaatsen, met daarop niet alleen de gemeentenaam, het nummer van de weg en een aanmaning tot voorzichtigheid, maar ook de (subtiele) vermelding van het merk Michelin.
Michelin werd een begrip en het bandenbedrijf draaide op volle toeren, dankzij André, die met zijn gidsen en wegenkaarten meer en meer mensen in de auto wist te krijgen, opdat zij meer en meer banden versleten…

Met de N7 hebben de Michelins altijd een bijzondere band gehad. Logisch, omdat zij een groot stuk van die weg moesten afleggen om van Parijs naar de fabrieken in Clermont-Ferrant te rijden. Het verhaal gaat, dat zij de N7 ook als testparcours gebruikten voor nieuwe banden.
Maar de N7 heeft de Michelins ook narigheid bezorgd.
Pierre, een zoon van Édouard, verongelukte in 1937 bij een botsing in Mormant. En Jean-Luc, een kleinzoon van André, kwam in 1949 op de N7 om, samen met zijn twee dochtertjes en de gouvernante. In Les Bézards vloog zijn auto uit de bocht en botste tegen een vrachtwagen. Op het kruispunt staat nog steeds een sober, betonnen gedenkteken met drie kruisen.

Hoezo, binnendoor?

Claire-mijn-Garminnetje staat op de kortste route, tol- en snelwegen vermijdend.
Zo tuf ik –slow travelling– van Parijs naar Menton. Volgens plan zoveel mogelijk over de Route Nationale 7, maar soms laat Claire me een stukje afsnijden en rijd ik over D-wegen. Geen enkel probleem. Ben ik niet gek op binnendoorweggetjes? En mag ik hier 90? Nou 60 à 70 vind ik weer eens hard zat. Ik geniet!

Bouw een burcht

Ik ben aangekomen in het schitterende stroomgebied van de Loire, bekend om zijn vele prachtige kastelen. Ik laat ze allemaal links liggen en zet koers naar de burcht van Guédelon. Gelegen midden in de bossen bij Treigny leidt daar ene Michel Guyot de bouw van een authentieke 13e eeuwse burcht.

De werklui zijn al sinds 1997 met dit project bezig en ze worden begeleid door architecten en specialisten van monumentenzorg. Het aardige is, dat zij leven en werken zoals hun ‘collega’s’ in de middeleeuwen. Ze bouwen met de middelen en technieken uit die tijd en ze maken zelfs hun eigen werktuigen. Leuk detail: als ik na de bezichtiging voor een kop koffie naar het cafetaria slenter, is dat een middeleeuwse kantine.

De werkzaamheden zijn inmiddels een behoorlijk commerciële topattractie in deze streek. Dat blijkt als ik het aparte parkeerterrein voor campers oprijd en nog maar net een plekje kan vinden voor mijn fourgonnette.

Les 200 bornes

Wat zijn het een stel lieve, hartelijk mensen, het echtpaar van Les 200 bornes!
Als ik tegen vijven bij hun hotel-restaurant-bar-pompstation stop, krijg ik zonder omwegen toestemming op hun parkeerterrein te overnachten. Of het restaurant vandaag open is, vraag ik, rondkijkend in de bar waar welgeteld één gast zit. Vanaf zeven uur kan ik terecht.

Omdat ik niet zo uitgesproken Hollands wil doen door om klokslag zeven uur voor de deur te staan, stap ik tegen half negen het restaurant binnen. Het is zaterdagavond, maar ik ben de enige gast. Ook in de bar is niemand te bekennen. Vriendelijk wordt me een tafeltje gewezen en ik geniet van een vorstelijke maaltijd en een prettig gesprek.
Tweeënhalf jaar geleden hebben zij dit, bij de routenationalisten beroemde etablissement overgenomen, vertelt de vrouw. Haar man was slager en werkt nu full time in het bedrijf, zij werkt nog vier dagen op een kantoor vanwege de ‘financiële zekerheid’. Ze hebben hun restaurant bewust in de oorspronkelijke staat gehouden.

Als ik na de uitgebreide maaltijd met mijn dubbele espresso aan de bar ga zitten, worden de lichten in het restaurant al uitgedaan.
‘Verwachten jullie geen gasten meer?’, vraag ik.
‘Nee mijnheer, het is zaterdag en dan hebben we altijd weinig gasten. Doordeweeks is het veel drukker. Als u de koffie op heeft, gaan we sluiten, maar doet u vooral kalmpjes aan, neem de tijd!’.
Nadat ik afgerekend heb, laat de gastvrouw me uit. Als ik richting m’n bussie loop, hoor ik achter me de deur in het slot draaien. Ik kijk om en zie de lichten binnen een voor een uitgaan.

En wat overnacht ik op een heerlijke nostalgische plek!
Les 200 bornes -zo genoemd omdat hier het tweehonderdste kilometerpaaltje staat vanaf point zero in Parijs– ziet er nog net zo uit als in de hoogtijdagen van de Nationale 7. Alleen de benzinepomp is van merk veranderd: wat eens Shell was, is nu Avia geworden. Maar dat is dan ook het enige verschil. En die hartelijke mensen natuurlijk…

Overgeslagen #2

En alweer aan een flinke rij bezienswaardigheden voorbijgereden.
Tsja, het blijven keuzes.

Chailly-en-Bière: Angelus
Barbizon: schildersdorp
Noisy-sur-Ecole: Conservatoire
Fontaineblue: kasteel en park
Bourron-Marlotte: Château de Bourron
Nemours: Château de Nemours
Nemours: Musée de Préhistoire
Montargis: Musée Girodet
La Bussière: Château des Pêcheurs
Briare: Musée de la Mosaïque
Briare: Musée des deux Marines
Saint-Fargeau: kasteel van Saint-Fargeau
Cosne-Cours-sur-Loire: Musée Municipal
Cosne-Cours-sur-Loire: Musée du Facteur

Pauze voor de paus

We schrijven 19 juni 1812.
Op die dag stond een jongen in Tronsanges -samen met vele dorpsgenoten- langs de kant van de RN7 toen daar paus Pius VII en zijn gevolg voorbij kwam. De paus reisde onder druk van Napoleon naar Fontaineblue en besloot in Tronsanges even uit te rusten onder een kersenboom. De jongen bedacht zich geen moment, maakte zich los uit de menigte en bood de vermoeide paus een ‘sobere’ verfrissing aan.

Vijftig jaar later liet een nakomeling van deze jongeman op die plek een gedenkzuil plaatsen. Waarin een klein dorp groot kan zijn…

Inhaalfoto

Hoe lang is het nu alweer geleden, dat Nel en ik door Frankrijk zwierven? En hoe vaak hebben we toen in de buurt van Nevers niet tegen elkaar gezegd, dat het leuk zou zijn als Nel (meisjesnaam Evers) bij een richtingbord naar Nevers zou poseren voor een leuke foto? Het is er toentertijd nooit van gekomen. Spijt hadden we achteraf.

Nu -vele jaren later- komt dat verhaal weer bij me op als ik Nevers op de borden zie staan. Ik zet m’n bussie abrupt aan de kant en vraag een vriendelijke voorbijganger een foto van me te maken. Hij kijkt wat verwonderd als ik hem uitleg hoe ik precies op de foto wil. Weet hij veel. Maar de foto is gemaakt. Jaren te laat weliswaar. En zo anders dan ik het me toen had voorgesteld…

Nostalgie sur la Nationale 7

‘Ga je richting het zuiden?’, had de eigenaresse van Les 200 bornes gevraagd. ‘Dan moet je morgen beslist naar Lapalisse, want daar is het groot feest. Het is hier zo’n honderd kilometer vandaan, dus dat is goed te doen.’
Wat een geweldige tip, want maar een keer in de twee jaar staat Lapalisse op z’n kop en herleven de vijftiger en zestiger jaren. En laat dat nu uitgerekend dit weekeinde zijn!.
Embouteillage wordt dit festijn genoemd. Vrij vertaald: verkeersopstopping (bottleneck). Die naam verwijst naar de dagen dat de Route Nationale 7 nog dé vakantieroute was naar het zuiden. En ieder jaar in het hoogseizoen stroopte het verkeer op in de dorpen en steden waar de 7 doorheen voer.

Ik laat Claire-mijn-Garminnetje me naar de camping van Lapalisse brengen. Als ik daar tegen enen aankom, is de slagboom gesloten en de beheerder pas weer om vier uur aanwezig. Ik ‘klop’ aan bij een caravan vlak naast de ingang, waar (da’s genieten!) twee prachtige oude Citroëns staan. De vrouw is zo aardig met haar code de slagboom voor me te openen.
‘Zoek maar zelf een geschikt plekje’, zegt ze, ‘en het is maar voor één nacht? Dat komt goed uit, want morgen om twaalf uur sluit de camping. Dan moeten we allemaal vertrekken.’
Als ik -zoekend naar een plaatsje- over de camping rijd, zie ik her en der ‘oldtimers’ geparkeerd staan. Allemaal naar hier gekomen om het feest mee te vieren.

Als ik ben ‘ingericht’, pak ik mijn fietsje en rijd naar het kasteel van Lapalisse. Daar wordt muziek gemaakt, daar zingt een koor de longen uit het lijf, daar zijn eet- en drinkkraampjes en –last but not least– daar staan talloze voertuigen uit de vorige eeuw. Sommige bezoekers hebben zich in kleding uit de jaren vijftig en zestig gestoken. Ik film, ik fotografeer, ik geniet!

Fourgonnette?

‘Hoe noemen jullie dat eigenlijk in het Frans, zo’n camper als waar ik in rijd?’, vroeg ik in Parijs bij de receptie van de camping. Ze keek even naar buiten waar m’n bussie geparkeerd stond. ‘Een fourgon, monsieur, maar omdat die van u klein is: een fourgonnette.’
Fourgonnette, wat een heerlijk woord en sindsdien gebruik ik het dan ook, overal waar ik kom.

Tot de camping in Lapalisse, waar ik de beheerder een plekje voor ma fourgonnette vraag . Hij trekt zijn wenkbrauwen op: ‘Een fourgonnette? Non, monsieur, dat is niet helemaal correct. Een fourgonnette is een klein soort bestelautootje. Als u het goed wilt zeggen, heeft u een fourgonnette camping car.
Ik vind dat maar niks, die toevoeging camping car. Zoals ik het in Nederland altijd liefkozend over m’n bussie heb, zo blijf ik het in Frankrijk (eigenwijs) ma fourgonnette noemen. ’t Is fout, ik weet het, maar het klinkt toch veel liever en gezelliger?

Ferm, fermer, fermé #3

De Loire is fermé. Nou ja, afgesloten met een stuwdam om precies te zijn. Ik noem het voor het gemak fermé. Vlakbij de dam, in Comelle-Vernay rijdt een treintje, dat in een dik uur helemaal langs het stuwmeer rijdt. Lijkt me leuk.
Maar als ik met m’n bussie het verder geheel verlaten parkeerterrein oprijd, krijg ik al zo’n donkerbruin vermoeden. Het zal toch niet weer zo zijn, dat… Maar ik heb te vroeg gemopperd: open van Pasen tot Halloween staat er op het bordje bij het stationnetje. Het is vandaag 13 oktober, Halloween is op de 31e, dus… Dus niks: de boel is gesloten en er is geen mens te zien. Op het perron staat alleen een frisdrankautomaat te brommen en verder is het doodstil. Nou ja, rijd ik dat ‘rondje stuwmeer’ wel op eigen wielen. Ook leuk.

De tand des tijds

De Route Nationale 7 is al lang niet meer wat hij vroeger was.
Dat komt omdat het beheer en het onderhoud van deze weg sinds 2006 niet meer ‘nationaal’ is, maar overgedragen aan de afzonderlijke departementen. Dat betekent in de praktijk van 2014: veel omleggingen buiten steden en dorpen om, wegverbredingen en modernisering. De N7 is in mootjes gehakt en heeft in sommige departementen ook een andere wegnummering gekregen. Het kost me soms moeite de oude, originele route te vinden.

Die modernisering en vooral de omleidingen hebben ook tot verval geleid op de oorspronkelijke N7. Dat is te zien aan afgebladderde muurreclames en verlaten pompstations. Met name veel garages en horecaondernemingen zagen hun inkomsten drastisch dalen na 2006. Zij sloten hun deuren of verhuisden naar de nieuw aangelegde weg, een paar kilometer verderop.

Lang leve de vooruitgang natuurlijk. De Franse automobilisten zullen blij zijn met alle verbeteringen. Maar ik -als jeugdsentimentele toerist- rijd hier dus eigenlijk zo’n jaartje of acht te laat.

Peur de Lyon

Hoe oud zal ik geweest zijn? Veertien, vijftien, zestien? Ik weet het niet meer precies. We gingen voor de eerste keer naar het buitenland op vakantie. Naar het buitenland! De familie verklaarde mijn ouders voor gek. Waaghalzerij was het. En dan nog wel helemaal naar Zuid-Frankrijk! Of we dan niet wisten, dat die Fransen als gekken rijden? En of we niet gehoord hadden van die levensgevaarlijke twee, soms driebaans wegen met al die dodelijke ongelukken? Of er soms iets mis was aan Nederland?
Natuurlijk was er niets mis aan ons eigen landje, maar mijn ouders trokken toch de -toen nog- stoute schoenen aan en bereidden zich terdege voor op dat buitenlandse avontuur. Wegenkaarten moesten er komen natuurlijk en je werd lid van de ANWB, want daar kon je van die mooie routebeschrijvingen aanvragen. Ik zie hem nog voor me: zo’n langwerpig boekje, aan de bovenkant geniet (?), zodat je blaadje voor blaadje kon omklappen met op iedere bladzijde uitgebreide en gedetailleerde routebeschrijvingen. Die moest je bestellen, die werd ‘persoonlijk voor jou’ samengesteld en kon je na een paar dagen komen ophalen. Samen met de internationale reis- en kredietbrief, want die had je nodig om in het buitenland financiële zekerheid te hebben, ‘mocht er iets gebeuren’. En je kocht bij diezelfde ANWB travellercheques, waarmee je in het buitenland bij een bank of postkantoor geld kon opnemen.
Naar dat postkantoor moest je sowieso als je -eenmaal op je bestemming gearriveerd- het thuisfront wilde laten weten, dat je goed was aangekomen. Dan moest je je melden bij een loket en een gesprek aanvragen naar een Nederlands telefoonnummer. Daarna nam je plaats op een bankje in afwachting van het moment dat ze de verbinding tot stand hadden gebracht. En als het zover was (in mijn herinnering duurde dat een eeuwigheid), werd je een hokje aangewezen waar je kon bellen. Via een krakende, ruisende en piepende lijn riep je dan alleen maar ‘Goed aangekomen’ (want wat kostte dat wel niet zo’n belletje) om daarna het ‘gesprek’ bij het loket af te rekenen.
Ach, nostalgie. Kijk me nu eens door alle mogelijke buitenlanden rijden. De juiste route? Geen enkel probleem met Claire-mijn-Garminnetje. En rijd ik toch fout, geen paniek: binnen luttele seconden herberekent Claire de route. Geld wisselen en prijzen omrekenen? Heel eenvoudig: pinnen kun je bijna overal en omrekenen in Europa is er bijna niet meer bij met de komst van de euro. Contact met het thuisfront? Kraakheldere en storingsvrije gesprekken voer ik met mijn mobieltje waar ter wereld ik ook ben. Of je stuurt een sms. Of je twittert. Of je gebruikt Facebook.

Aldus minutieus voorbereid (dat kon je aan mijn vader overlaten) vertrokken we dus die eerste keer op avontuur naar de ‘Méditerranee, zo blauw, zo blauw’. In een afgeladen Renaultje 4, dat zo’n prima autootje was om veel, heel veel bagage mee te nemen, want had dat model niet van die fijne, open ‘eendstoelen’ waar je van alles onder kon stoppen? Met ook nog de nodige bagage op de vloer bij de achterbank (knietjes de hele weg hoog opgetrokken dus) reden we richting het zuiden. Alles ging voorspoedig tot we Parijs naderden, want was daar niet de beruchte en gevreesde Boulevard Phériphérique? Mijn vader stak nerveus nog maar eens de zoveelste sigaret op, mijn moeder kreeg opdracht goed op de borden te letten, zodat we vooral de juiste afslag niet zouden missen. Kenden we niet allemaal de verhalen van argeloze Hollanders die de Boulevard twee, drie keer waren rondgereden? De spanning was te snijden in dat kleine autootje en met meer dan een zucht van verlichting sloegen we (in één keer goed, hoera!) bij Pont d’Italie de RN7 op.

De eerste hobbel was genomen, maar er was nog zo’n verschrikkelijk punt: Lyon.
Dwars door de stad ging de RN7, gek werd je daar van het om je heen razende verkeer. Vier strak gespannen gezichten in een van de sigarettenrook blauw staande auto*) tuurden naar de borden, gaven mijn vader tegenstrijdige aanwijzingen (hier links, nee toch niet) en veegden regelmatig de condens van de beslagen ramen. Ik heb herinneringen aan een hele, hele lange doodenge tunnel**), dwars door de stad. Als we die nou maar gehad hadden, nee, sterker nog: als we voorlopig Lyon maar weer uit waren!
En eenmaal door die verschrikkelijke stad heen, zochten we dan -ook in latere jaren vaste prik- in Vienne de camping op, waar we bij konden komen van de verschrikkingen van Lyon en trots vast stelden, dat we het toch maar weer gefikst hadden.

Altijd dus door die stad gereden. Later via de péage er omheen. En dan vandaag -na zoveel jaren- eindelijk Lyon zelf bekeken. Het zal tijd worden…

*) 1500 kilometer in een auto waar vier man zaten te paffen. Wat was er nou gevaarlijker: de weg met dodelijke ongevallen of…
**) Ik heb hem vandaag in de bus van het openbaar vervoer gereden: stelt niets voor, tunnel van niks dus…

BEWEGENDE BELDEN

Ferm, fermer, fermé #4

Nou ja, fermé is misschien een te groot woord.
De kathedraal van Saint Jean in Lyon wás echt wel open voor het publiek. Maar aan het altaar werd groot onderhoud gepleegd. Geen nood, moet het kerkbestuur gedacht hebben, spannen we daar gewoon een groot wit doek voor. En dan vertonen we op dat saaie doek mooie dia’s van de kathedraal. Hebben de bezoekers toch nog wat.

Voor aap…

Regelmatig, zeg maar gerust vaak, raak ik onderweg in gesprek met mensen. En bijna altijd wordt me de vraag gesteld waar ik vandaan kom. Ik heb er aardigheid in de mensen daarnaar te laten raden. Vaak is het antwoord Engeland, Amerika of Scandinavië. Een enkele keer zitten ze goed en noemen Nederland.

Ik krijg op het terrasje die vraag weer eens gesteld.
Guess‘, zeg ik gewoontegetrouw.
Gibraltar‘, is het onmiddellijke antwoord.
Gibraltar? Dat heb ik nou nog nooit gehoord. Hoe komen ze daar nou bij? Lijk ik zo op een aap dan?

Rokersfilosofie

‘Nee’, zegt mijn kampeerbuurman, ‘ik ben beslist niet gestopt met roken. Ik heb alleen al sinds een jaar geen sigaar meer opgestoken. Dus mocht ik eventueel in de verleiding komen, hoef ik mezelf geen verwijten te maken of me een slappeling te voelen, want ik was dus niet gestopt hè?’

Leermomentje

Het is nog vroeg (zeven uur) en donker. Ik pak mijn tasje met toiletspulletjes en doe -om mijn medekampeerders niet wakker te maken- zo zachtjes mogelijk de schuifdeur van m’n bussie dicht. Als ik een half uurtje later fris gedoucht en met natte haren weer terug ben bij mijn fourgonnette, krijg ik de schuifdeur niet open. Is die met dat zachtjes aanduwen in het slot gesprongen. Ook mijn portieren en achterdeur zitten nog op het ‘nachtslot’.
Daar sta ik dan bij mijn potdichte bussie: met blote voeten in mijn slippers, in mijn dunne, wapperende pyjamabroek en een jas over mijn blote bovenlijf. Ik mor (tegen beter weten in) aan alle deuren. Gelukkig staan mijn raampjes op het ventilatiekiertje, maar die zijn van binnen met vier haakjes vergrendeld. Ik grabbel mijn tandenborstel uit mijn tasje en wrik die tussen het kiertje van het deurraam. Op de tast, want in het donker, zijn die haakjes nauwelijks te zien. Een kwartier sta ik zo te tobben, vellen hangen aan mijn vingers, als ik het raam open heb en van buiten uit mijn schuifdeur kan ontgrendelen.

Leermomentje dus: voortaan niet alleen mijn handdoek, shampoo, zeep, tandenborstel, tandpasta en een washand meenemen als ik ga douchen, maar ook mijn sleutels. Ach, ik was wel meteen klaar wakker (en behoorlijk afgekoeld) en ja, lach maar!

Autodag

Henri Malartre is een verwoed verzamelaar van oude voertuigen en –prettige bijkomstigheid- eigenaar van het kasteel van Rochetaillé-sur-Saône. In het kasteel zelf staan de bolides gewoon in de historische kamers en zalen en in een apart gebouw staan beroemde automobielen, waaronder een gepantserde Mercedes van Hitler, een pausmobiel en een statieauto van De Gaulle.

Claire-mijn-Garminnetje laat me in de steek: al een paar keer heeft ze aangegeven, dat ‘de bestemming is bereikt’, maar ik zie geen spoor van een kasteel. Dat zie ik wel als ik beneden in het dorp op de parkeerplaats van de Intermarché de weg vraag aan een pompbediende.
‘Klopt’, zegt-ie, ‘het museum is daar haut, maar (hij kijkt even bedenkelijk naar m’n bussie) het is daar heel erg taillé. Zo smal, dat uw caravan car daar niet past. Het beste kunt u hier parkeren en het voetpad naar boven nemen hier tegenover.’ Of het ver lopen is, vraag ik hem. ‘Valt wel mee’, zegt-ie.

Het valt dus niet mee, tenminste niet voor mij met mijn belabberde conditie. Hijgend en puffend als een oud karrenpaard bereik ik het kasteel. Het eerste wat ik zie, is een enorme parkeerplaats. Er zijn tuinlieden aan het werk. Er staan bestelbusjes en zelfs een grote kraanwagen. Taillé? Taillé mijn neus! Inwendig verwens ik de pompbediende en loop richting het loket.
Het eerste dat me opvalt, is een briefje aan het raam van het loket.
‘Het zal niet waar zijn’, denk ik, ‘is dit het zoveelste gevalletje ‘ferm, fermer, fermé’? En heb ik daar die klim voor naar boven gemaakt?’
Het valt mee. De vrouw achter het loket legt uit, dat het kasteel weliswaar een paar maanden gesloten is, maar dat de hal even verderop gewoon te bezoeken is.
Ik ben de enige bezoeker en neem alle tijd de tentoongestelde voertuigen te bekijken. Jammer van het kasteel. Dat vinden de twee poetsvrouwen ook als ze gewillig voor me poseren.

Claire-mijn-Garminnetje heeft haar dag niet. Ook de Garage du Meridien in Charbonnières-les-Bains kan ze niet vinden. Ik heb het gevoel er vlak bij te zijn en stop bij een Citroëndealer aan de Rue de Paris (zo heet de Nationale 7 hier) om ouderwets de weg te vragen.
Ik ben inderdaad vlakbij en er al twee keer voorbij gereden, maar daar is-ie dan: een prachtige art-decogarage, nog helemaal intact. Is toch niet alles verdwenen, dat herinnert aan de hoogtijdagen van de Route Nationale.

Nou ja, schijnt bedriegt.
Zoals ze me bij de Citroëndealer al hadden verteld: een garage is het al jaren niet meer en ook het latere verhuurbedrijf van Amerikaanse campers dat er gehuisvest was, is al een poosje verdwenen. ‘Alleen de façade staat er nog, monsieur, verder is het pand leeg en verlaten…’ *)

 

*) Oeps: rectificatie! Ik moet mijn uitspraken over deze garage herzien. Drie maanden na publicatie op mijn site, ontvang ik een boze e-mail van Garage du Meridien:

Monsieur,
Je lis sur votre blog un commentaire très desobligeant, mensonger et insultant. Il vous aurait suffit de nous contacter que pour constater que depuis 2000 le Garage du Meridien est utilisé entretenu et n’est donc pas à l’abandon. Je vous serais tres reconnaissant de bien vouloir immediatement corriger vos propos ou a défaut ne pas utiliser les photos de notre garage. Pensez vous que nous aurions cette année repeint la façade du batiment s’il etait desert ???? Soyez serieux !!!! Bon weekend à vous a vous !
Phil Muller

Wat kan ik anders, dan zeggen: Monsieur Muller, je m’excuse…

Overgeslagen #3

En weer ben ik aan heel wat waypoints voorbij gereden. Maar er is ook zoveel te zien en… ben ik nog maar niet halverwege? En reis ik niet elke dag en zie ik heel veel? Ik herhaal het nog maar even: de reis is belangrijker dan de bestemmingen.

Pouilly-sur-Loire: Pavillon du Milieu
La Charité-sur-Loire: Priorijkerk
Pouges-les-Eaux: kuurpark
Nevers: Palais Ducal
Villeneuve-sur-Allier: kasteel Le Riau
Moulins: Centre National du Costume
Saint-Gérand-le-Puy: James Joyce Museum
Lapalisse: Musée Centre d’Art
La Pacaudière: Le Petit Louvre
Le Crozet
Troisgros
L’Arbresie: Le couvent de la Tourette
Vienne: La Pyramide

Op de helft #1

Mooie anekdote.
De burgemeester van Tassin-la-Demi-Lune was zo jaloers op de plaatselijke pastoor met zijn mooie hoge kerktoren dat hij rond 1907 opdracht gaf op de rotonde van Tassin een horloge te plaatsen van 13 meter 50 hoog, met vier wijzerplaten en flink wat bladgoud. Dat zou de pastoor leren!
‘En’, zei diezelfde burgemeester, ‘mijn horloge heeft ook een symbolische betekenis: ‘Hoe laat je ook over deze rotonde rijdt, je bent hier -op de Route Nationale 7– precies halverwege Parijs en Menton!’

Trouwens, dat ‘halverwege’ nemen ze in deze streek met een Franse korrel zout. Zo’n tachtig kilometer voorbij het Horloge staat het Relais 500, precies -zo vermeldt de brochure van dit hotel/restaurant- halverwege Parijs en Menton. Vijfhonderd kilometer van de Notre Dame, nog vijfhonderd kilometer te gaan naar Menton.

Nou ja, misschien is het wel typisch linealig Hollands om op de kilometer precies te bepalen waar ik de halve Route Nationale 7 heb gereden. Laten we het er op houden dat ik zo’n beetje, ongeveer, pak ‘m beet, halverwege ben…

Pas halverwege Parijs-Menton?
Een krappe week ben ik nu onderweg.
Ik mag wel eens gaan opschieten…

Nieuwe bril nodig?

Ik rijd door Creux-de-la-Thine en kijk speurend om me heen.
Hier ergens moet toch een muurschildering staan? Het liefst zou ik stapvoets door dit stadje rijden, maar ik wil het overige verkeer op de RN7 niet tot last zijn. Maar ik wil ook die schildering niet missen.

Ik besluit het aan iemand te vragen en zodra ik in het dorp ergens een plekje zie, parkeer ik m’n fourgonnette. Als ik het kleine barretje binnenstap, zit daar een man met een kop koffie en een krant. Ik laat hem mijn boek met de foto zien en vraag of hij weet waar die peinture mural is. De man kijkt me wat vreemd aan, staat op van zijn kruk en neemt me mee naar buiten. ‘Je bent er vlakbij’, zegt-ie, ‘want kijk, zie je dat groene busje daar staan? Nou, dat staat precies geparkeerd onder die tekening.’

Ik dank de man hartelijk, loop de twintig meter terug naar m’n bussie en neem een foto…

Thierry Dubois

Thierry Dubois is een Franse striptekenaar die zich heeft gespecialiseerd in het tekenen van auto’s, motoren en het (nostalgische) verkeer. In Frankrijk wordt hij gezien als dé man van Nationale 7, vanwege zijn liefdevolle tekeningen en zijn goed gedocumenteerde website. In talloze albums, gidsen en kaarten toont hij zijn passie voor deze weg. Bij het binnenrijden van Tain-l’Hermitage kun je niet om het levensgrote bord heen met een tekening van Dubois. Ooit stond dit bij een garage, maar die is er allang niet meer. Een bakker heeft zich in het pand gevestigd, maar heeft –vive le boulanger– de hommage aan de RN7 laten staan.

Aardige opmerking trouwens van Thierry Dubois over het ‘verval’ van de RN7:
Vergeet niet dat al die afgebladderde reclames die iedereen nu heel nostalgisch op de foto zet in de tijd dat ze werden aangebracht een doorn in het oog waren van de bewoners. Horizonvervuiling van hun fraaie, landschappelijke N7 noemden ze dat!

Postbode Cheval

Hoeveel kastelen en paleizen heb ik inmiddels overgeslagen? Niet te tellen zoveel. Nu is het ook wel zo, dat ik bij het binnenrijden van welke klein stadje of dorpje altijd minstens één bord zie staan met de aanduiding van een bezienswaardigheid. Overslaan wordt bijna een must…
Maar voor het ‘ideale paleis’ maak ik beslist een uitzondering. Daarvoor wijk ik graag even van de Route Nationale 7 af om een klein omweggetje te maken naar Hauterives.
Daar liep facteur Ferdinand Cheval (1836-1924) dagelijks zijn ronde van 33 kilometer om de post te bezorgen. Onderweg verzamelde hij materiaal en daarmee werkte hij in zijn achtertuin meer dan dertig jaar aan een meesterwerk van naïeve kunst. Naïef inderdaad, want onze postbode had geen enkele kunst- of architectuuropleiding. Hij bouwde met ongebreidelde fantasie simpelweg wat hij mooi vond en noemde het zijn Palais Idéal. Die uit de hand gelopen hobby trekt nu bezoekers uit de hele wereld. Later is naast het Palais nog een gebouw geplaatst, waar wisselende tentoonstellingen worden gehouden van art brut.

Een echt gelukkig leven -lees ik in de folder- had Cheval niet, want hij verloor twee echtgenotes en drie kinderen. Zijn bouwwerk in de achtertuin was eigenlijk bedoeld als mausoleum (overleden dierbaren genoeg…), maar daar kreeg hij van het gemeentebestuur geen toestemming voor. Dus toog Cheval aan het werk op het kerkhof aan de rand van het dorp en bouwde daar in tien jaar tijd zijn eigen familiegraf.

Hauterives: Palais Idéal

Op de helft #2

En weer ben ik halverwege.
In Pont-de-l’Isère staat aan de rand van de brug een standbeeld. Ici commence le Midi staat er op de sokkel. Als het goed is (maar hoe nauwkeurig zijn die Fransen) loopt hier de 45e breedtegraad.

Leuk hoor: twee dagen achter elkaar op de helft.
Gisteren halverwege Parijs en Menton, vandaag halverwege de Noordpool en de evenaar. Mijn reisdoel verandert er niet door: ik houd het maar op Menton, want ja, die evenaar, da’s wel een heel eind weg…

1 x bellen

‘Bel aan en wacht een minuut’, staat er op het bordje van de deur van het Musée de l’Insolite in Loriol-sur-Drôme. Na inderdaad een minuut wordt er op de derde verdieping een raam open geschoven. Een oudere dame buigt zich naar buiten en vraagt wat ik wil.
‘Het museum bezoeken’, roep ik terug, ‘het is toch niet fermé? Op het bordje staat dat het alle dagen open is.’ ‘Klopt’, wordt me vanuit het raam toegeroepen. ‘Klopt. Maar vandaag heb ik geen zin om open te doen. En op dat bordje staat ook dat u een afspraak moet maken. Komt u morgen maar terug!’
Dat van ‘bezichtiging op afspraak’ had ik al gelezen bij mijn reisvoorbereiding en het bordje naast de deur bevestigt dat alleen maar. Ik trek mijn allerzieligste gezicht, kijk vertwijfeld naar de vrouw uit het raam boven en roep: ‘Ja maar, ik ben Frits (slaat natuurlijk nergens op…) en ik ben speciaal helemaal uit Holland voor dit museum hier naartoe gekomen. Ik heb er bijna vijftienhonderd kilometer voor gereden en dan kan ik er nu niet in?’
‘Nee’, wordt me vanaf boven toegeroepen, ‘ik heb geen zin, moet ook nog eten, dus morgen.’
‘Jammer van de reis die ik gemaakt heb’, roep ik terug, ‘maar als u niet wilt, dan houdt het op…’.
Overdreven teleurgesteld begin ik mijn foto- en videocamera op te bergen en maak aanstalten naar m’n bussie terug te gaan. ‘Wacht u even’, roept de vrouw, ‘ik kom naar beneden…’

Het duurt lang en ik begin al te twijfelen of ik de vrouw wel goed verstaan heb, maar dan gaat de voordeur open en sta ik oog in oog met Max Manent, kunstenaar, schilder, beeldhouwer en ontwerper van zijn eigen museum. Die vrouw van drie-hoog-boven blijkt dus Max zelf te zijn! Ik krijg een omstandig verhaal, dat dit eigenlijk de bedoeling niet is, dat hij net aan de lunch zou beginnen, dat hij er geen gewoonte van wil maken, dat hij graag zijn vrijheid wil bewaren, maar vooruit. Ik krijg een hand. Hij houdt die wat langer vast dan normaal en trekt me over de drempel naar binnen.

Zesentwintig kamers telt het huis van Manent en in die kamers heeft hij meer dan tienduizend verbazingwekkende voorwerpen bij elkaar gebracht. En daar tussendoor hangen zijn schilderijen (vrouwen, vrouwen en nog eens vrouwen), gemaakt in allerlei technieken.
Het wordt een bliksembezoek.
Ik heb nauwelijks tijd te filmen of te fotograferen, want Max voert me de ene na de andere kamer in. Hij doet het licht aan, vertelt wat er te zien is en loopt alweer naar een volgende ruimte. Het is bizar. Het is idioot. Het is indrukwekkend. Een hele kamer vol pijpen, een andere kamer met pakjes sigaretten en sigaren. ‘Kijk’, zegt-ie, wijzend op een doormidden gebroken enorme sigaar, ‘deze was van De Gaulle.’
Luciferdoosjes, oude medische instrumenten, foto’s, krantenartikelen, een ruimte vol kepies, fototoestellen, een Japanse kamer, een Afrikaanse kamer, een ruimte met aan alle wanden crucifixen, sigarenbandje en in alle gangen schilderijen en beeldhouwwerken van hemzelf (en weer vrouwen).
‘En hier’, zegt-ie, en hij opent alweer een volgende deur, ‘hier is mijn verzameling bidets en op deze hier in de hoek ben ik heel trots: een bidet voor lesbiennes. Uniek in Frankrijk! Er is nog een tweede en derde verdieping, maar daar heb ik nu geen zin meer in en ook geen tijd. Ik vind het al heel wat, dat ik u heb binnen gelaten’, besluit hij zijn rondleiding als we de trap naar beneden nemen. ‘Komt u gerust nog eens terug en als u zelf bijzondere dingen heeft voor mijn verzameling, neemt u ze dan mee.’
Bij de deur nemen we afscheid. Ik bedank hem heel hartelijk. ‘Ja, ja, ja het is goed. Maar gaat u nou maar, want dan kan ik gaan lunchen.’
Wat een bijzonder mens! Ik had al gelezen over zijn wispelturigheid, maar ook over zijn trots op zijn Musée Privé. Met mijn gebrekkige school-Frans heb ik maar de helft begrepen van wat hij allemaal verteld heeft, maar wat ben ik blij dit ‘museum van het ongebruikelijke’ gezien te hebben en hem te hebben ontmoet.

Ik loop terug naar het dorpspleintje waar m’n bussie geparkeerd staat.
Er is ook een klein marktje en ik besluit -net als Max– eerst maar te lunchen. Bij het kraampje van de poelier draaien kippen aan het spit. Of de mevrouw zo vriendelijk wil zijn zo’n kip doormidden te snijden, is mijn vraag. Dat kan niet, maar ze heeft wel stukken lapin. Dan ga ik toch voor konijn? ‘En doet u er ook maar wat van die aardappeltjes bij’, zeg ik, ‘en een schepje gebakken uien.’
Met het zakje baggervette lunch loop ik terug naar ma fourgonnette.
Met de deur wagenwijd open zit ik even daarna heerlijk te eten. Niks geen bestek, gewoon lekker met mijn handen, zo uit de open gescheurde zak.
Ik heb het museum van Max Manent bezocht, het is schitterend zonnig weer, het pleintje is omzoomd met platanen (kan het Franser?) en het vet druipt uit mijn baard. Deze ochtend kan niet meer stuk! Zal ik vanmiddag een zwarte alpinopet kopen?

’t Is een keuze…

Zeg je Montélimar, dan denk je aan nougat.
Zeker in de hoogtijdagen van de Route Nationale 7 was Montélimar een vaste stop voor de duizenden vakantiegangers op weg naar het zuiden. De nougatfabrieken draaiden in die tijd dag en nacht om de vraag bij te kunnen houden. Op de allerdrukste vakantiedagen stapten de toeristen niet eens uit hun auto, bang als ze waren hun plekje in de file kwijt te raken, maar kwamen de verkopers bij de auto’s langs.
Montélimar is nog steeds de stad van de nougat. Je hebt er het Palais des Bonbons et du Nougat, met een oppervlakte van 11.000 vierkante meter, met natuurlijk het ‘paleis’ zelf, maar ook de nougatfabriek, de Wereld van de Chocolade, de Limonaderie 1920 en het Huis van Speelgoed (met Mickey Mouse, Van Gogh en de Mona Lisa in snoep). Je kunt er een kilometerpaaltje vol nougat kopen, je kunt een rondleiding door de fabriek krijgen, je kunt er… tenminste als je er bent tijdens de openingsuren. Als ik uitstap, is het half twee. Om twee uur gaat het hele spul open. Zal ik een half uurtje wachten? Eerlijk gezegd, zit ik niet zo te wachten op dit hele snoepgebeuren*). Nee, dan weet ik -even verderop- nog wel iets leukers om een stop te maken!

*) Snoepgebeuren?
Nougat is een van de traditionele dertien desserts die de Provençalen met kerstavond tegelijkertijd serveren en stuk voor stuk moeten proeven, een verwijzing naar Christus en zijn twaalf apostelen.

 

Enkele enthousiastelingen richtten in 1990 de vereniging Mémoire de la Nationale 7 op, met de bedoeling alles over de Route Nationale 7 en het stadje Piolenc te bevorderen. Ze verzamelden auto’s, motoren, bromfietsen en allerlei materialen, die meestal door de plaatselijke bevolking werden geschonken. Dat brachten ze allemaal bij elkaar in het museum, gehuisvest in een pand langs de N7 even voorbij Piolenc. Het museum draait helemaal op vrijwilligers en dat is -hoe zal ik het zeggen?- duidelijk te merken. Als ik mijn vier euro entree heb betaald, kijk ik om me heen en zie inderdaad allerlei oud materiaal, dat met de N7 te maken heeft. Leuk hoor, vertederend ook wel, maar na een paar minuten zoek ik al naar een deur die naar een volgende tentoonstellingsruimte leidt. Die is er niet.
‘C’est tout?’, vraag ik aan het vier-euro-meisje.
‘C’est tout, monsieur.’
Ik heb het gezien en loop terug naar m’n bussie.
Mijn oordeel? De buitenkant van dit museum is het mooist. Hmm, word ik een beetje blasé? Heb ik inmiddels al zoveel nostalgie van de RN7 gezien, dat dit museum me minder boeit? Had ik me toch beter kunnen onderdompelen in het nougatgebeuren?

Piolenc: La Musée Mémoire de la RN7

Op de camping

#1
Ik sta met mijn tasje met toiletspulletjes bij de deur van de sanitaire ruimte. Die kan alleen maar open met een code. Omdat ik vaak mijn bril in de douche vergeet, neem ik die tegenwoordig niet meer mee. Maar… zonder bril kan ik die f*cking cijfertjes op dat f*cking slot niet lezen. Ik zie wel knopjes, maar niet wat er op staat. Er komt een man aanlopen. ‘Zal ik u even uit uw lijden verlossen mijnheer?’, vraagt-ie in keurig Nederlands. Hij toetst de code in en houdt de deur uitnodigend voor me open. Ik bedank hem, maar vraag ook hoe hij kon weten dat ik een Hollander ben. ‘Niet zo moeilijk toch?’, zegt-ie glimlachend, ‘u staat hier met een tasje van de Zeeman. Leek me nogal duidelijk…’

#2
Prachtige camping hoor vlakbij de Pont d’Avignon: mooi bosrijk, ruime plaatsen en goed onderhouden. Het is stralend weer, dus zodra m’n bussie op zijn plek staat, gaat de korte broek aan en loop ik in mijn blote bast ‘in te richten’. Waarschijnlijk hebben alle insecten van Avignon op dat moment gewacht, want binnen de kortste keren word ik overal geprikt en gestoken. Als een haas pak ik de muggenmelkroller en kwabber mezelf helemaal onder. Te laat: ’s avonds stap ik -van top tot teen onder de bulten- mijn bed in…

#3
Dit moet mee, dat moet mee, volgens mij heb ik alles.
Dacht ik niks vergeten te zijn deze reis. Heb ik er helemaal niet bij stilgestaan, dat het wel eens warm kon worden als ik eenmaal zuidelijker ben. ‘Ach wat’, had ik thuis gedacht, ‘hoe warm kan het worden? Het is oktober.’ Jawel, maar ik zit inmiddels in de Midi en als ik niet rijd, loopt de temperatuur in m’n bussie toch leuk op naar de dertig graden. En wat mis ik dan die bewust thuisgelaten ventilator…

Foei!

Orange, een van de zes steden van de Unie van Oranjesteden. Een monument getuigt ervan.
Orange, met le théatre Antique de Orange, het best bewaard gebleven Romeinse amfitheater van Frankrijk.
Orange, met de Arc de Triomphe, sinds 1981 op de Werelderfgoedlijst van Unesco.
Ik heb het allemaal -en meer- gezien en bewonderd. Door de voorruit van m’n bussie.
En niet even stoppen hoor.
En niet uitstappen.
Nee, doorrijden en gaan.
De Route Nationale 7 roept.
Foei, cultuurbarbaar!

Geef me een uurtje…

Hoewel het nog vroeg is op deze zaterdagmorgen in Avignon is er al druk verkeer en kom ik ogen en handen tekort op zoek naar een parkeerplaats voor m’n bussie. Ik rijd al zeker twintig minuten bij het Palais des Papes in de rondte. Kom iedere keer weer op hetzelfde punt uit. Er zijn wel parkeerterreinen, maar daar hangt een hoogtebalk, waar ik met ma fourgonnette niet onderdoor kan. En in de straten rond het Palais geldt overal een parkeerverbod.
Ik ben het zoeken zat en rijd een baan voor touringcars op. Dat mag eigenlijk niet, want het onderbord laat aan duidelijkheid geen twijfel: sauf bus. Bovendien staat er ook nog eens een blauw busbord. Maar ik bén toch een bus en dat gele bord met ‘verboden voor auto’s en campers’ begrijp ik voor het gemak maar even niet. Er geldt hier -snap ik dan weer wel- ook een wegsleepregeling, maar op dat bordje staat duidelijk een auto die wordt weggesleept en geen camper…
Voor de zekerheid loop ik even naar een al geparkeerde touringcar. ‘Nee, absoluut verboden voor campers hier’, zegt de chauffeur, ‘en ze zijn streng hoor, want ze slepen je zo weg!’
‘Ik wil alleen maar het Palais bezoeken’, zeg ik, ‘langer dan een uurtje zal dat niet duren.’
De chauffeur kijkt op zijn horloge. Het is tien voor negen. ‘Een uurtje, hè. Tsja, dat zou je kunnen wagen. Maar vanaf tien uur staat het hier vol met bussen hoor en dan komt de politie ook controleren. Maar ga dan wel helemaal achteraan staan.’ Ik pak mijn spullen, sluit m’n bussie en loop -toch sneller dan normaal- in de richting van het Palais.

Dat gaat om negen uur open en klokslag negen stap ik het plein op voor het Palais. Het is mistig vanmorgen en een deel van het gebouw is in nevelen gehuld. Eigen schuld, dikke bult: moet ik maar niet zo allemachtig vroeg op pad gaan. Ik besluit eerst maar naar binnen te gaan en na de rondleiding buiten wat foto’s te maken als -hoop ik- de mist is opgetrokken.
Het Palais is groot, erg groot. ‘Wat hebben die verbannen pausen hier tussen 1309 en 1376 allemachtig veel moeten lopen’, denk ik. ‘En ook die latere tegenpausen Clemens VII en Benedictus XIII moesten al die trappen op en af met hun wapperende mantel!’ Dat dacht ik natuurlijk niet echt, maar het leek me nou eens een aardige manier om wat informatie uit mijn reisgids te spuien…

Als ik weer buiten sta, zie ik dat de dagelijkse toeristenstroom al flink op gang begint te komen. Talloze Duitse groepen staan klaar om het Palais binnen te gaan. Ik kijk op mijn horloge en besluit naar m’n bussie terug te keren. Echt ongerust ben ik niet, maar toch wel opgelucht als ik mijn groene huis-op-wielen nog op dezelfde plek zie staan.

Avignon: Le Palais des Papes

BEWEGENDE BEELDEN

 

De Pont Bénézet, beter bekend als de Pont d’Avignon (inderdaad van het bekende liedje) is slechts tweehonderd meter van mijn parkeerplek vandaan. Toch durf ik het niet aan die brug nog te bezoeken, bang als ik ben het noodlot te tarten en alsnog te worden weggesleept. Bovendien is de mist nog niet opgetrokken en wat is er eigenlijk te zien? Vernietigd bij veldslagen, beschadigd door overstromingen en vanaf de 17e eeuw al niet meer hersteld. De Pont d’Avignon is niet meer dan een ruïne, met nog maar vier bogen van de oorspronkelijke tweeëntwintig. Als ik er later aan voorbij rijd, zie ik drommen mensen op de restanten van de brug staan. Ik dus niet. Ik trek verder zuidwaarts.

Geef me vijf minuten…

En weer zoek ik me suf naar een parkeerplek voor m’n bussie. Deze keer in Aix-en-Provence waar ik het Atelier Paul Cézanne wil bezoeken. En weer geldt overal een parkeerverbod. Uiteindelijk kan ik ma fourgonnette kwijt, weliswaar een aardig eindje van het atelier verwijderd, maar alles liever dan een bekeuring riskeren (…).

Puffend van de hitte loop ik een dikke tien minuten de steile Avenue Paul Cézanne naar beneden om bij nummer 9 het poortje door te gaan en een kaartje te kopen. Ik sta al even bij de balie, hoor ook wel stemmen in een naastgelegen kamer, maar niemand schijnt mijn aanwezigheid te hebben opgemerkt. ‘Bonjour!’, roep ik maar eens.
Twee vrouwen met verschrikte gezichten verschijnen in de deuropening. In rap Frans en ook nog eens door elkaar heen leggen ze me omstandig uit, dat het atelier om half een sluit. Ik kijk op mijn horloge: het is vijf voor half een…
‘U mag nog wel even kijken, monsieur, en dan hoeft u niet te betalen. Mijn collega hier loopt alvast naar boven. Gaat u maar snel de trap op. U heeft vijf minuten!’

Dus hier heeft Cézanne gewoond en gewerkt.
Hier heeft hij zijn meesterwerken geschilderd.
Ik kijk rond en zie een ezel staan, potten met kwasten en voorwerpen voor de vele stillevens die Cézanne schilderde als het weer te slecht was om naar buiten te gaan. In een hoek van het atelier hangen twee jassen en hoeden. Het stelt alles bij elkaar eigenlijk niet zo veel voor, maar het maakt wel indruk op me. Zoals me dat wel vaker overkomt op historische plaatsen raakt het me: te staan op dezelfde plek als waar de kunstenaar heeft gelopen. Misschien wel ijsberend bij gebrek aan inspiratie, denk ik er dan romantisch-sentimenteel bij.

Een bescheiden kuchje van de dame-van-boven brengt me terug in de realiteit. Ze kijkt op haar horloge en begint de raamluiken te sluiten. Ik ga de trap weer af, maak snel in de tuin en op straat nog wat foto’s en begin aan de klim terug naar m’n bussie.
Hier heeft Cézanne dus ook vaak gelopen. Zou hij het net zo warm hebben gehad als ik nu? Zouden ook bij hem de zweetdruppels op zijn voorhoofd gestaan hebben?

Aix-en-Provence: Atelier Paul Cézanne

Geef me een nacht…

Aix-en-Provence ademt Cézanne.
Dat is niet altijd zo geweest. Aix moest lange tijd niets van de kunstenaar met zijn baanbrekende werken hebben, sterker nog: het stadsmuseum weigerde elk werk waar zijn handtekening onder stond. En het nu zo druk bezochte woonhuis en atelier werd ooit gered met Amerikaans geld… Maar dat is nu anders. Door de stad loopt bijvoorbeeld een wandelparcours, dat langs alle plekken voert die met het leven en werken van de beroemde schilder te maken hebben.

Ik ben op weg naar de Mont Sainte-Victoire, een kalksteenmassief dat Cézanne in het laatste deel van zijn leven wel tachtig keer geschilderd heeft. In die schilderijen is goed te zien welke ontwikkeling Cézanne doormaakte. De passie voor deze berg zou hem uiteindelijk fataal worden: tijdens het schilderen bij de berg liep hij een longontsteking op, die hem fataal zou worden.
Ik begrijp goed hoe verliefd Cézanne op dit bergmassief was: het is schitterend. Aan de voet van de berg zie ik -net van de weg af- een prachtig plekje om te lunchen. Ik rem af en draai het veldje op.

Als ik heb gegeten en afgewassen, besluit ik hier te blijven voor de nacht. Deze plek is te mooi om door te rijden: rechts van me de Mont Sainte-Victoire, voor me een glooiend terrein met hier en daar wat bomen en struiken. Verspreid over dat terrein zie ik verderop wat groepjes mensen picknicken. Tegen de avond verdwijnen die picknickende groepjes en sta ik helemaal alleen op deze fantastische plek. Rust en stilte, daar ben ik aan toe na een dagje hectisch Avignon en Aix-en-Provence.

Rust en stilte? Vergeet het maar!
Het is acht uur en al aardedonker als een jeep met zwaailicht ‘mijn’ terreintje komt oprijden. Even denk ik aan politie, maar er gebeurt niets. Het zwaailicht en de koplampen worden gedoofd, de bestuurder stapt uit en gaat aan de rand van het veld staan. Vijf minuten later hoor ik het geluid van een naderende helikopter. De bomen naast me beginnen wild te bewegen en ook m’n bussie staat te schudden als die helikopter op nog geen vijftig meter afstand van mijn fourgonnette landt. Ik ga naar buiten en zie de man uit de jeep in de helikopter stappen. Die stijgt op en verdwijnt. Waarschijnlijk een controle op eventuele bosbranden, denk ik en ik stap mijn behaaglijke bussie weer in, want buiten is het inmiddels behoorlijk afgekoeld.
Ik hoor die helikopter wel rondcirkelen, maar schenk er verder geen aandacht aan. Tot m’n bussie weer begint te schudden en ik voor de tweede keer die avond ‘buren’ krijg. Uit de helikopter stappen vier mensen in korte broeken en t-shirts. De helikopter stijgt weer op en het viertal komt naar mij toe (uiteraard sta ik inmiddels weer buiten!). Of ik misschien een beetje water heb, vraagt de man van het gezelschap, bibberend van de kou. Ook de twee volwassen meiden en een meisje van een jaar of veertien staan rillend bij m’n bussie. Kou of emotie? Ik houd het op beide, want -terwijl ze gulzig van het water drinken- krijg ik hortend en stotend hun verhaal te horen. Ze waren vanmiddag op de Saint-Victoire gaan wandelen, waren op de berg verdwaald, overvallen door het donker en hadden anderhalf uur in een grot geschuild. Ze hadden met hun mobiel de helikopter-hulpdienst gealarmeerd en die had ze met een lijn van de berg geplukt.

Drie jassen en een fleece heb ik bij me. Ik haal ze uit de kast en deel ze uit. Het wordt druk in m’n bussie als ik ze uitnodig even binnen op temperatuur te komen. Ik maak koffie. Ik geef ze wat te snoepen. En ik vraag waarom die helikopter weer is vertrokken. Ze vertellen met een gezelschap van acht te zijn en de andere vier worden nu opgehaald. Als ook het tweede kwartet veilig is geland en de groep herenigd is, worden er handen geschud, word ik gekust en mille fois bedankt voor mijn hulp. Ze vertrekken met de jeep en op mijn overnachtingsplek keert na anderhalf uur de rust terug. Ik ben weer alleen. Benieuwd of er nog meer gebeurt vannacht…

De tel kwijt #1

Viereneenhalf jaar heb ik dat bussie inmiddels. En hoeveel keer zou mijn schuifdeur in die jaren zijn uitgedeukt en gespoten? Ik weet het niet meer. Ben de tel kwijt.
Zeventienhonderdvijfenzestig kilometer heb ik deze reis schadevrij gereden. Tot vanmorgen in Brignoles. Balen! Vreselijk balen!

Maar laat ik bij het begin beginnen.
Claire-mijn-Garminnetje staat op de kortste route. Leuk, maar dat houdt ook in dat zij regelmatig een grote bocht in de weg wil afsnijden (is vierhonderd meter korter, nietwaar?). Om die reden stuurt ze me door Brignoles heen. Leuk stadje, maar de straatjes in het centrum zijn allemaal eenrichtingverkeer en worden gaandeweg smaller en smaller. Op een bepaald punt kan ik de bocht niet maken. Drie, vier keer steek ik voor- en achteruit, maar met geen mogelijkheid krijg ik m’n bussie de hoek om. En dan komt me ook nog een auto achterop rijden. De chauffeur stapt uit en legt mij in goed Engels uit, dat ik absoluut niet de hoek om moet gaan. De straatjes verderop worden alleen maar nog smaller. Hij biedt aan me uit het centrum te loodsen. Hij rijdt zijn eigen auto achteruit tot waar de straat wat breder is en komt terug naar m’n bussie.
Eerst zal ik uit deze nauwe bocht moeten komen. De man geeft aanwijzingen naast en achter m’n bussie. Stukkie terug. Ho! Stukkie naar links. Stop! Ik houd de man, mijn achteruitrijdcamera en mijn buitenspiegels goed in de gaten en kruip -vooruit, achteruit- centimeter voor centimeter uit deze benarde positie. Stukkie nog, stukkie nog. Ho! Jawel, maar deze Ho! is ook boem. Nou ja, boem: zachtjes tikt mijn deur tegen de gevel van het huis. Merdre!

Als ik uiteindelijk weer recht op het kruispuntje sta, legt de man me uit dat ik rechtdoor moet rijden, bij het kerkplein moet draaien en dan terug naar deze kruising moet komen. Hij zal hier op me wachten.
‘Maar rechtdoor is alleen voor voetgangers’, zeg ik.
‘Ik weet het, maar het is de enige manier om hier uit te komen. Doe het nou maar.’
De kerkdienst staat op het punt te beginnen en met een verontschuldigend gezicht en je m’excuse, je m’excuse prevelend, maak ik een rondje op het (voetgangers)kerkplein tussen de kerkgangers door. Terug op de kruising gebaart mijn ‘hulpverlener’ dat ik mijn knipperlichten aan moet zetten: we gaan namelijk tegen de verplichte rijrichting in het centrum weer uit. ‘You have no choice’, voegt-ie eraan toe. Hij loopt op een drafje voor me uit, de schat, houdt links en rechts auto’s tegen en loodst me keurig terug naar een punt waar ik zelf (nou ja, Claire) de weg weer weet. Ik bedank hem hartelijk. ‘Geen dank, geen dank’, is zijn antwoord, ‘dat kan toch iedereen overkomen?’ We schudden handen en hij holt terug naar zijn eigen (verkeerd) geparkeerde auto.

Dat kan toch iedereen overkomen?
Nou, dat dacht ik niet! Dat kan alleen mij maar overkomen om voor de zoveelste keer schade aan mijn deur te rijden. Kwaad ben ik, vreselijk kwaad. Kwaad op Claire die me door dat soort steegjes laat rijden. Kwaad op de man die te laat riep dat ik moest stoppen. Onzin natuurlijk: Claire is maar een computertje, dat doet wat ik haar opdraag en die meer dan hulpvaardige man treft natuurlijk geen enkele blaam. Nee, als ik mijn kwaadheid ergens op moet richten, is het wel op mezelf.

Zodra ik buiten Brignoles een P zie, stop ik om de schade op te nemen. Het valt mee: de deur en de stootlijst zijn wat ontzet en er zitten een paar lelijke, diepe krassen in de lak. Ik heb het erger meegemaakt.*)
Maar eenmaal weer en route blijft de gebeurtenis door mijn gedachten spelen. Zit ik me ineens te ergeren aan een auto voor me, die 60 kilometer per uur rijdt, terwijl je hier 90 mag. Denk ik mokkerig ‘nou en?’ als ik de eerste wegaanduiding naar St. Tropez zie. Haal ik onverschillig mijn schouders op als ik in een dorpje een leuk marktje zie.
Dat duurt een kwartier. Dan gooi ik het roer om en spreek mezelf streng en bestraffend toe. ‘Zeg eh… Frits. Kijk eens om je heen? Zie je niet hoe schitterend het landschap is? En die prachtige strakke blauwe lucht, wat vind je daarvan? Nog een half uurtje, dan ben je aan de Middellandse Zee! Heb je weer eens een deuk gereden? Tsja, dom, dikke pech. Maar de wereld vergaat niet. Het is maar blik en kunststof hoor!’ Ik zet ook het andere portierraam wagenwijd open, zodat de wind lekker door mijn cabine en mijn hoofd waait. Ik schud eens flink m’n kop. Zo, klaar. Over!
(Maar wat zal het thuisfront weer meewarig lachen en wat zal het schadebedrijf weer blij zijn dat ik op pad ben geweest…).

*) Verwacht hier geen verwijzing naar eerdere verhalen; de lijst zou te lang worden (…)

De tel kwijt #2

Over hoeveel rotondes ben ik inmiddels gereden? Ik schat 324.835.
En voor hoeveel verkeerslichten heb ik stil gestaan? 38.673?
En hoeveel venijnige verkeersdrempels in de vele 30 kilometerzones heb ik voorzichtig genomen? Ik denk 63.394.
Ik heb eigenlijk geen flauw idee. Ben de tel kwijt.

Overgeslagen #4

Tsja, en weer het nodige overgeslagen de afgelopen dagen. Gemist? Ik weet het niet. Een kathedraaltje of museum meer of minder, ik kan er niet mee zitten. En bovendien, staat daar niet het nodige tegenover, dat ik misschien juist gemist zou hebben als ik een kasteel of zo wel bezocht zou hebben? Thierry Dubois, postbode Cheval, Max Manent en een helikopter naast m’n bussie? Het blijven keuzes…

Arras-sur-Rhone: Chateau Serves
Valence: Centre Patrimoine
Donzère: Défilé de Donzère
Pierrelatte: La Garde-Adhémar
Orange: Théatre Antique
Courthézon: Cellier des Princes
Saint-Andiol: Jean Moulin
Orgon: Musée Automobiles Provence
Vernègues: Château Bas
Saint-Cannat: giraf Zarafa
Aix-en-Provence: Musée Granet
Saint-Maxime-la-Sainte Baume: basiliek
Tourves
La Celle: Abdij
Les Arcs-sur-Argens: Château Sainte-Rosaline

Ultiem jeugdsentiment

In 1961 trokken mijn ouders voor het eerst met het gezin op een buitenlandse vakantie naar camping Les Tournels, vlakbij Ramatuelle. Dat ligt zo dicht bij de Route Nationale 7, dat ik thuis al had besloten, die route voor eventjes ontrouw te worden en een klein omweggetje te maken. Natuurlijk had ik niet gedacht, dat de camping nog net zo zou zijn als vroeger, maar wat ik bij aankomst zie, overtreft mijn stoutste verwachtingen.

Stond er ooit aan de ingang van het terrein een klein, gelig gesausd huisje, dat dienst deed als kantoor, nu word ik ontvangen aan een balie waar vier medewerkers de gasten in het computersysteem invoeren.
Was de eigenaar/beheerder vroeger een vriendelijke, gebrekkig Nederlands sprekende man, nu word ik te woord gestaan door een (Nederlands) meisje in een Vacance Soleil outfit.
Mocht je zelf -drieënvijftig jaar geleden- een mooi plekje zoeken op het niet afgezette terrein, nu kan ik kiezen uit een plaats zonder of met stroom en zonder of met ‘eigen’ water (alle waar naar zijn geld overigens) op de aan alle kanten met een groot hek afgesloten camping. Ik krijg plaats AR51 toegewezen. Ik verwacht al uitleg te krijgen hoe ik die plek kan vinden tussen die 898 staanplaatsen op dit 20 hectare grote terrein, maar dat is de bedoeling niet.
‘Rijdt u maar door de slagboom naar binnen en zet uw camper hier voor het kantoor’, zegt het Vacance-Soleiltje, ‘u wordt dan keurig naar uw plek gebracht.’
Vijf ‘golfkarretjes’ staan er bij de receptie en een ervan brengt me naar AR51. Onderweg kijk ik mijn ogen uit. Zelf spreken ze niet over een camping, de mensen van de Yellow-keten, maar noemen het een vakantiedorp. En ze hebben 62 van die dorpen in Frankrijk, Spanje en Portugal, allemaal vijf sterren.

Als ik mijn plekje in orde heb gemaakt (jammer dat ik op een plaats-met-stroom twee kabels aan elkaar moet koppelen om de stroomkast te bereiken…), ga ik het immense terrein verkennen. Op de fiets uiteraard! Twintig hectare, wat dacht je wat!

Het vakantiedorp is voor het grootste deel een terrassencamping. Prima, maar drie meter links van me staat een caravan, die letterlijk op me neerkijkt als ik binnen aan tafel zit. En achter me idem dito: moet ik iets uit het kastje boven mijn bed pakken, dan kijken de achterburen even op van hun boek. Tot nu toe heb ik niet zo gek veel op campings gestaan en dan zocht ik meestal een solo-plekje achteraf op een afstandje van eventuele medekampeerders. Hoefde ik ’s avonds ook niet alle rollo’s dicht te doen. Lekker vrij. Hier gaat alles potdicht vanwege mijn behoefte aan privacy. Maar niet zeuren: ik heb zelf bewust voor deze camping gekozen.

Aan werkelijk niks is hier trouwens gebrek, alles is er: een restaurant (ook voor snacks, pizza’s en afhaalmaaltijden), een kiosk met crêpes en ijsjes, een cocktailbar, een enorm buitenzwembad (met bar uiteraard), een volleybalterrein, een basketbalveld, jeu-de-boules banen, tennisbanen, tafeltennistafels, een speeltuin, een indoor ontspanningszwembad, sauna’s, jacuzzi’s, hamams, een fitnessruimte, een animatieteam en clubs voor baby’s, kids, juniors en teens.

Ach, waar is de tijd gebleven, dat mijn vader ’s avonds na het eten van de open camping het aansluitende perzikenveld inwipte om even later met zijn zakken vol rijpe perziken terug te komen? Na twee dagen kocht-ie in de kampwinkel, waar je ook brood en blokken ijs voor de koelbox kon kopen, daar een speciale korte broek voor met grote zakken. Konden er meer perziken in…
En niks animatieteam. Als je geluk had, streek er op het volleybalveldje een circus neer. Zo’n zesderangs circusje met dito artiesten, slecht licht en slecht geluid. En oh ja, dan was er ook nog…

Genoeg jeugdsentimentele herinneringen.
Van mij mag het allemaal hoor, zo’n vijf-sterren-camping-met-alles-erop-en-eraan. En daar is ook zeker een markt voor, getuige de hoge bezettingsgraad hier. Maar ik heb het gezien, ik heb het ervaren. Not my cup of tea. Bovendien hoor ik meer Nederlands om me heen dan me lief is. Vannacht hier lekker slapen (dat hoop ik tenminste, want de beukennootjes knallen bij ieder zuchtje wind op m’n dak), morgen douchen en wegwezen!

Boeddha in Fréjus

Dat verwacht je toch niet: sta ik zomaar aan de Middellandse Zee oog in oog met het grootste liggende Boeddhabeeld van Europa. Ik ben in Fréjus en dat Boeddhabeeld ligt in de tuin rond de Hông Hiên pagode, aan de rand van de stad.
Jarenlang was Fréjus de doorvoerzone voor soldaten uit de Franse kolonies en overzeese gebiedsdelen, die naar hier gehaald werden om te vechten in de Eerste Wereldoorlog. Om de overgang vanuit de tropen niet al te groot te maken, zaten die soldaten eerst een tijdje in Fréjus, voor ze doorgestuurd werden naar de zompige, koude noordelijke slagvelden.

Als ik mijn twee euro entree heb betaald, mag ik het terrein betreden.
Mijn eerste indruk: overdaad schaadt. Het is allemaal een beetje té. Mooi aangelegd, daar niet van, en keurig onderhouden, maar het had ook wat ingetogener gekund. Op zo’n heilige plek mag je die (oneerbiedige) vergelijking niet maken, maar het is een tikkeltje pretparkerig.
Ach, neem het ze kwalijk. Zou mijn theorie -ter plaatse bedacht- kloppen? Die Vietnamese boeddhistische jongens hadden natuurlijk vreselijke heimwee naar hun landje en steeds weer nieuwe ploegen vers kanonnenvlees verveelden zich en sloofden zich uit om in de loop der jaren dit complex te maken tot wat het nu is: mooi, maar een tikkeltje te veel van het goede.

Fréjus: Hông Hiên pagode

Ferm, fermer, fermé #5

Veel later beroemd geworden kunstenaars hebben in het verleden aan de Côte d’Azur gewoond en gewerkt. Vanwege het prachtige licht in deze streek (zeiden ze), maar kan het zijn dat het heerlijke klimaat daar ook een rol in speelde? Feit is, dat zij niet alleen ‘losse’ schilderijen maakten, maar ook -om aan de kost te komen of uit dankbaarheid voor de bevolking- kerken en kapelletjes versierden. Vandaag maak ik dan ook een rondje kunst.

Dat begint in Fréjus bij de Notre-Dame-de-Jérusalem, waar een kerkje staat dat gedecoreerd is door Jean Cocteau. En dat alle dagen vanaf negen uur geopend is voor het publiek… behalve op lundi. En laat het nou vandaag maandag zijn.

Geen probleem: even verderop in Vallauris is het Musée Picasso… ook al dicht op maandag. Zouden op maandag alle kerken en musea dicht zijn? Op het plein voor het museum staan wat Picasso-achtige beelden. Heb ik nog iets.

Maar geen nood: als ik Picasso wil zien, kan ik ook doorrijden naar het Château Grimaldi in Antibes, waar Picasso een half jaar heeft gewoond en gewerkt. En weer sta ik voor een gesloten deur…

Ik ben bang, dat het niks wordt met mijn maandagse-kunstrondje.
Ik geef het op en rijd niet eens meer naar Biot voor het Musée de Léger, ga niet naar Vence, waar Matisse de Chapel de Rosaire heeft versierd en ook niet naar Cagnes-sur-Mer voor het Renoir Museum. Heb ik dat thuis allemaal uitgezocht en voorbereid, is alles dicht. Strakke plannen weet ik toch te maken…

Op dan maar naar Nice!
Ik geef Claire-mijn-Garminnetje opdracht me naar de Boulevard Tzarevitch te leiden, waar -zo staat er in de reisgids- ‘de Russisch-orthodoxe kathedraal van Sint Nicolaas staat, de grootste in haar soort buiten Rusland, met alles erop en eraan: uivormige koepels, heftige kleuren en een schemerig interieur waarin de iconen glinsteren.’
Het is druk in Nice en ik moet dwars door de stad heen om ‘dit gebouw dat op het Rode Plein niet zou misstaan’ te bereiken om er ter plekke achter te komen, dat de kathedraal gerestaureerd wordt en voor onbepaalde tijd is gesloten…
Topdag!

La corniche moyenne

Het laatste stuk van de Route Nationale 7 is wat wazig: er zijn drie wegen om uiteindelijk in Menton uit te komen. Het zijn de drie Corniches van de Rivièra: de grande corniche volgt min of meer het hooggelegen traject van de oude Romeinse heerweg, de corniche inférieur is de laagst gelegen weg en voert door alle badplaatsen. Ik kies (lekker Hollands) voor de gulden middenweg, de corniche moyenne.

Maar eerst wacht me nog een schitterende route door het Massif de L’Estérel tussen Saint Raphaël en La Napoule. Vierendertig kilometer inspannend, maar schitterend bochtenwerk, waarbij ik op sommige stukken dicht langs de Middellandse Zee rijd. Jammer genoeg is het ’s morgens nog erg mistig, dus ‘zo blauw, zo blauw’ is die zee vandaag (nog) niet. Maar wat een prachtige rit: ik zit op mijn stoel te wippen van de mooiigheid en slaak kreten van bewondering.

En wat een tegenstelling als ik eenmaal ‘mijn’ corniche oprijd. Toegegeven, de mist is opgetrokken en de Middellandse Zee is inderdaad blauw, maar daarmee heb ik het wel gehad. Alle badplaatsen heb ik gezien, dus ook dat enorme lint van torenhoge hotels, restaurants, souvenirwinkels, bars, disco’s en terrasjes. Ik rijd het ene plaatsje uit en meteen het andere in. Zie ik verschillen? Nauwelijks. Aan de plaatsnaambordjes zie ik dat ik door een andere gemeente rijd, aan de bebouwing en uitstraling niet.
Ik zal niet ontkennen dat het wat heeft om op eigen wielen door die wereldberoemde plaatsen te rijden: Cannes, Golfe-Juan, Antibes, Villeneuf-Loubet, Nice, Villefranche-sur-Mer, St-Jean-Cap-Ferrat, Beaulieu-sur-Mer, Èze en Roquebrune-Cap-Martin. En die plaatsnamen heb ik niet later opgezocht, maar op m’n gemak rijdend kunnen opschrijven, zo langzaam ging het door het drukke verkeer en zo vaak moest ik stilstaan voor een verkeerslicht, een overstekende ober, wandelstokkende senioren op het zebrapad, motorrijders die zigzaggend tussen de auto’s doorglipten, agenten die het verkeer regelden, motorrijders die zigzaggend tussen de auto’s doorglipten, gehelmde fietsers die geen meter aan de kant wilden, motorrijders die zigzaggend tussen de auto’s doorglipten, werkmannen die een gat in de weg repareerden, motorrijders die zigzaggend tussen de auto’s doorglipten en bijvoorbeeld motorrijders die zigzaggend tussen de auto’s doorglipten.

Ik stop even voor een kop koffie op een breed stuk strand.
Achter mij staan wat campers, waaronder een Hollander. Ik wandel erheen voor een praatje. ‘Goeiemorgen mijnheer’, zegt de man vanuit zijn luie kampeerstoel, ‘we staan hier heerlijk. U komt ook overnachten?’
‘Eh, volgens mij staan er overal borden, dat het hier verboden te parkeren is voor campers en voertuigen zwaarder dan twee ton. En er is een wegsleepregeling. Geldt dat allemaal niet dan?’, is mijn wedervraag.
‘We staan hier al drie dagen, beste man. De politie komt regelmatig voorbij, maar die laat ons met rust. Vanmorgen zijn we even van onze plek weg geweest om verderop water te tanken en het toilet te legen. Kijk, daar net door die bocht is een kerkhof en daarnaast is een camperplaats. Maar die staat helemaal vol en daar moet je ook betalen. Doen wij dus niet. We tanken water en rijden dan weer vlug terug naar dit plekje. Dus als u wilt, kunt u hier gerust overnachten hoor.’
‘Ik denk er nog even over na. Misschien verderop’, antwoord ik huichelachtig, want geen haar op mijn hoofd piekert erover hier te blijven. Ik wens het echtpaar nog een fijn verblijf en loop terug naar m’n bussie. Mijn koud geworden koffie gooi ik op het grind. Ik start, zet de airco vol aan en rijd de weg weer op. Hoever is het nog naar Menton?

En was het nou alles bij elkaar een mooie rit? Beslist.
Maar net als bij veel van mijn vorige reizen heb ik dat ‘toeristenlint’ na een poosje wel gezien. Dan hoeft het voor mij niet meer. Mag ik het binnenland weer in? Mag ik de ongerepte natuur weer bewonderen? Maar ik maak het af. Natuurlijk maak ik het af. Nog maar veertien kilometer naar Menton. Ik ruik de stal!

La grand’ finale!

Twaalf dagen ben ik onderweg en ik heb mijn einddoel bereikt: Menton!
1990 kilometer zijn onder de wielen van ma fourgonnette doorgerold: Menton!
Ik herhaal het nog maar een keer: de reis is belangrijker dan de bestemming, maar toch: Menton!
Hier -aan de Frans-Italiaanse grens- eindigt de Route Nationale 7, duizend kilometer van Parijs. Daar, op het plein voor de Notre Dame bij point zéro stond het eerste RN7-paaltje, hier het laatste. Of -zo je wilt- het eerste op weg naar Parijs als je vanuit Italië Frankrijk binnenrijdt natuurlijk.

Op de grensovergang bij het niet meer in gebruik zijnde douanegebouw staat een groep campers. Ik zet m’n bussie ertussen. Schuin tegenover me, aan de overkant van de weg, staat-ie dan: de eerste/laatste aanduiding van de Route Nationale 7.
‘Monsieur, voulez-vous prenez un photo de moi?’

En hier blijf ik slapen. Natuurlijk!
Voor me raast het verkeer vanuit Italië Frankrijk in, achter me rijdt een constante sliert auto’s (en motoren…) Frankrijk uit. We staan zij aan zij, die idioten in campers die hier zo nodig moeten overnachten. Ergerde ik me gisteren nog aan het gebrek aan privacy op die bomvolle terassencamping, hier op deze plek neem ik dat graag voor lief. Maar ja -had ik dat al geschreven?- dit is Menton!
What a difference a day makes, twentyfour little hours.
En vanaf morgen dus terug naar huis, maar doucement, doucement…

Overgeslagen #5

Nu Menton is bereikt en ik aan het einde ben van de Route Nationale 7, de laatste opsomming van ‘gemiste kansen’:

Le Muy: Le Musée de la Liberation
Fréjus: L’Amphitheatre Romain
Vallauris: Musée de Picasso
Antibes: Musée Picasso Antibes
Biot: Museum van Léger
Vence: Chapel du Rosaire
Cagnes-sur-Mer: Renoir Museum
Villefranche-sur-Mer: Chapelle Saint Pierre
Beaulieu-sur-Mer: villa Kérylos

Napoleon achterna #1

Ik ga natuurlijk niet die hele Route Nationale 7 opnieuw terug naar Parijs rijden. Een goeie veertig kilometer terug, richting Cannes begint de Route Napoléon en die zal me een stuk noordwaarts voeren.

Even wat geschiedenis.
Na zijn nederlaag in Rusland in 1812 en de Slag bij Leipzig in 1814 valt Napoléon Bonaparte uit de gratie en wordt de keizer verbannen naar het kleine eilandje Elba. Tien maanden later besluit hij terug te keren naar de politiek in Frankrijk en ontsnapt. Met enkele aanhangers landt hij op 1 maart 1815 in Golfe Juan. Omdat hij vijanden heeft in het Rhônedal besluit hij om door de Alpen te trekken naar Grenoble en zo verder naar Lyon en Paris. Hij volgt een slingerweg die de Golfe (bij Cannes) met Grenoble verbindt via Grasse, Digne en Gap. Dat lukt hem zo goed dat hij zes dagen later zegevierend Parijs binnentrekt.

Vandaag de dag vormt de Route Napoléon de weg die Napoléon heeft afgelegd van de Middellandse zeekust tot Grenoble. De sporen die Napoleon op zijn tocht achter heeft gelaten zijn vooral verhalen die al generaties lang worden doorgegeven. De route is gelegen in een mooi gedeelte van de Provence en voert langs vele mooie dorpen en kleine stadjes.

Luchtig dagje

Tweeënveertig kilometer moet ik dezelfde weg terug die ik gisteren richting Menton heb gereden. Precies dezelfde weg is het niet, want ik probeer nu de grand carniche te volgen. Ik doe er dik anderhalf uur over, want ook op deze weg is het druk. Op dit vroege ochtenduur is er nog geen toeristenverkeer, maar wel oponthoud dat met die toeristen te maken heeft. Overal staan touringcars voor de hotels dubbel geparkeerd in afwachting van de groep die waarschijnlijk nog aan het ontbijt zit: ‘Dames en heren, goedemorgen. Allemaal goed geslapen? Fijn dat u allemaal op tijd bent voor het ontbijt, ja jij ook Henk, want we hebben een drukke dag voor de boeg. Om tien uur -de bus staat al te wachten- verzamelen wij in de hal voor een heerlijke excursiedag…’. Ook heb ik last van de talloze bestelauto’s die het linnengoed in de hotels verzorgen.

En dan moet Nice nog even ‘genomen’ worden.
Nice is without doubt nice, maar niet ’s morgens om negen uur. Wat een drukte, wat een oponthoud! Maar wel de gelegenheid de stad op m’n gemak in me op te nemen. Tijd zat in die woon-werkverkeer-file.
Wat ben ik blij (want dat toeristengedoe zat) als ik op een gegeven moment noordwaarts kan afslaan en de weg kan nemen naar Grasse. Veel maakt het niet uit. Het is weliswaar wat rustiger op de weg, maar het blijft erg toeristisch. Het hoeft voor mij niet meer (of had ik dat al gezegd?)

In de veronderstelling dat het verzet zich in de stad Grasse heeft geconcentreerd, trekt Napoleon om de stad heen via het Place du Jeu de Ballon, dat op grote hoogte ligt. Hij komt om vijf uur ’s ochtends op dit plateau aan en is verrast daar de inwoners van Grasse aan te treffen, die ondanks het vroege uur hun keizer komen groeten. Ze hebben voor hem viooltjes meegebracht en voor zijn soldaten wijn.

Grasse staat in Frankrijk en daarbuiten bekend als het centrum van de parfum. Met busladingen vol komen de toeristen naar één van de drie grote parfumhuizen: Fragonard, Molinard en Calimard. Alle drie hebben ze een museum (met winkel uiteraard), bij alle drie worden rondleidingen gegeven en bij Molinard kun je zelfs een les volgen in het maken van je eigen parfum onder leiding van een echte Neus.

Drie keer rijd ik -ondanks Claire-mijn-Garminnetje- verkeerd in dit volgens de reisgids ‘prachtige kleine stadje, met vele steil op- en aflopende straatjes en uiteraard veel bloemen’. Ik heb het al behoorlijk warm (en niet alleen van het verkeerd rijden) als ik het parkeerterrein van Molinard oprijd. Na drie trappen omhoog meld ik me even later in la musée et boutique. Natuurlijk snap ik dat ze voor één persoon geen rondleiding gaan geven, maar -had ik gelezen- je kon het museum ook op eigen houtje bekijken.
Tsja, wat zal ik zeggen? Dat museum kan me niet boeien: drie etalagepoppen in ouwe kleren, lange rijen boekenkasten (met mappen vol recepten?) en vitrines met flesjes en karafjes uit vervlogen jaren.
‘En de productie? Is daar nog wat van te zien?’, vraag ik aan de gastvrouw.
‘De productie van parfums is hier niet, mijnheer. In dit gebouw maken we alleen nog zeep, maar die toegang is interdit, want te gevaarlijk.’

Ik loop nog even de boutique in.
Alsof ik bij de Bijenkorf  in de parfumerie-afdeling ben dus. Mooi ingericht hoor, mooi uitgestald ook al die flesjes, karafjes en zeepjes, mooie bijbehorende ‘Bijenkorfverkoopsters’, maar niks voor mij. Ligt beslist aan mij hoor, want het ziet er -zoals gezegd- allemaal keurigjes uit. Met een krap half uur heb ik het bekeken en daal ik de drie trappen weer af naar m’n bussie. En weer rijd ik twee keer verkeerd om Grasse uit te komen en de Route Napoléon op te pakken…

Grasse: parfumhuis Molinard

Het loopt al tegen twaalven en ik heb net besloten eerst maar een hapje te gaan eten als ik langs de weg een bordje zie dat naar een camping verwijst. Ik rem af en draai het terrein op. Ik heb geen zin meer vandaag.
Twee bellen zitten er naast de deur van de gesloten reception. Op geen van beide wordt gereageerd. Ik dwaal rond over de camping op zoek naar een levende ziel. Het is duidelijk een weekend-camping, met veel huisjes en vaste stacaravans, waar zo midden in de week nauwelijks iemand aanwezig is.
Een oude vrouw zit op haar veranda voor haar huisje in het zonnetje te breien. Op al mijn vragen kijkt ze me glazig-angstig aan en antwoordt beverig ‘Oui..’ Ik bedank haar en loop door.

Bijna achteraan zie ik een man in zijn stacaravan klussen. Of ik al aangebeld heb, vraagt-ie. Ik antwoord, dat er niemand bij de receptie is. Op zijn pantoffels loopt-ie met me mee over de camping. ‘Ach, weet u’, zegt-ie halverwege de receptie, ‘zoekt u eigenlijk zelf maar een plekje om te overnachten. De beheerder komt vanmiddag of vanavond wel even langs fietsen om af te rekenen.’

Wat een heerlijke plek, zo half in de schaduw, heb ik hier!
Ik sta bijna met mijn achterkant tegen de toegang tot het sanitairgebouw geparkeerd. Jammer wel van de zoveelste aanval van vliegende prikbeesten, maar je kunt niet alles hebben.
Ik veeg het stof uit m’n bussie, vul mijn tank met vers drinkwater, leeg mijn toiletcassette en span een lange waslijn, waar even later de handdoeken, mijn kleren en het beddengoed hangen te wapperen. Om te luchten uiteraard, dat lijkt me meer dan voldoende, want om die spulletjes nou te wassen, vind ik meteen weer zo overdreven… Met een uurtje ben ik daarmee klaar. Ik maak een kop koffie en eet een boterhammetje.
Hier ben ik helemaal aan toe. Hier houd ik een lekker ontspannen tuttelmiddagje. Straks heel, heel lang douchen*) en dan op het fietsje naar het twee kilometer verderop gelegen dorpje, waar -vertelde de pantoffelman- restaurantjes zijn. Ik ga eerst nog maar eens kijken of er bij de receptie -hier honderdvijftig meter vandaan- al iemand op de bel reageert. Lijkt me voor het moment wel weer genoeg actie.

*)
Dat douchen kwam er niet meer van.
‘Doe ik dan morgenochtend wel’, dacht ik.
Mooi niet!
De doucheruimte is koud en de wind blaast er doorheen. De vloer ligt bezaaid met herfstbladeren. Het is nog best frisjes ’s morgens (zag ik de thermometer in m’n bussie net nog geen zes graden aangeven?). In de loop van de ochtend wordt het al gauw een stuk behaaglijker en kan de korte broek weer aan, maar nu is het Spartaans koud, zo in m’n niksie in die doucheruimte. Maar het ergste is, dat er geen druppel water uit die douche komt. Ik probeer ze -tegen beter weten in- allemaal, ook die bij de dames, maar niks. Ik ga terug naar m’n bussie en ‘douche’ daar dan maar met vochtige babydoekjes (nog uit Oekraïne, kun je nagaan hoe lang die lekker fris en vochtig blijven…).

Als ik een uurtje later de camping afrijd, loopt daar net de beheerster. Ik stop en zeg haar door mijn open raampje, dat de douches het niet doen.
‘Klopt’, is haar antwoord, ‘maar daarom gaf ik u gisteren dan ook 10% korting.’ Geen zin in discussie knik ik begrijpend en krijg het nog uit mijn strot haar een bon journée te wensen. ‘Bitch!’, denk ik ondertussen, ‘had dat dan even gezegd. Had ik daar vanmorgen niet met kippenvel in dat tochtige hok gestaan!’

Geheugenverlies?

Stom. Had ik moeten weten. De Fransen eten laat en in het dorpje waar ik heen ben gefietst, serveren de restaurantjes hun diner pas vanaf zeven uur. Het is half zeven. Veel is er niet te beleven in dat dorp en een half uur op een kop koffie zitten, spreekt me ook niet aan. Ik ontdek een Italiaans afhaal-eettentje, dat al wel open is.
Ze hebben keus uit veel gerechten: pizza’s natuurlijk (maar daar heb ik geen zin in), lasagne, spaghetti en gnocchi, maar ook bijvoorbeeld tandoori chicken en chicken massala. Op een leitje bij het buffet staat dat de poule roti avec herbes vandaag in de aanbieding is. Met aardappeltjes. ‘Hè lekker’, denk ik, ‘ Surinaamse roti. Da’s weer eens wat anders.’
Ik bestel en reken meteen af. De man pakt een grote zak -aan de binnenkant bekleed met een laagje plastic om het eten warm te houden- prikt een kip aan een vork en laat die in de zak glijden. Zak-met-kip gaan even in de magnetron, evenals het bakje aardappeltjes.
Een hele kip? Ach maar natuurlijk, waar zit ik met m’n verstand? Laat mijn geheugen me in de steek? Poule roti is Frans voor gebraden kip. Hoe verzin ik het te denken dat het een Surinaams gerecht zou zijn? Dom, dom, driewerf dom!

Met de ‘avondmaaltijd’ in mijn rugzak fiets ik terug naar de camping.
De kip is heerlijk, daar niet van, maar veel te veel natuurlijk. Ik eet de poten en vleugeltjes op (die vind ik toch al het lekkerst) en de stukken borstvlees snijd ik in blokjes, samen met wat aardappeltjes. Heb ik een kip-aardappelsalade met kruiden. Misschien morgen wel lekker.
Kip roti! Hoe kom ik er bij?

De boom staat er nog!

Na zijn stop op het plateau de Roquevignon op de vroege ochtend van 2 maart komen Napoleon en zijn manschappen rond 17:00 uur bij Saint Vallier de They aan. Hij stopt op het Place de l’Apie, waar hij even uitrust, want de weg wordt moeilijker en steiler.
Henry Houssaye schrijft in 1815: ‘De keizer ging ook te voet met een stok in de hand en hij viel verscheidene malen.’
Een soldaat zei: ‘De man van het zwaard moet geen verstuiking oplopen, maar veeleer moet hij weer de man van Parijs worden’.

En ja hoor: op de Place de l’Apie staat een monument ter nagedachtenis aan het ‘historische’ feit, dat Napoleon hier even heeft stilgestaan en ook de boom, waartegen hij heeft geleund is er nog…

Een Spar is er ook, vlak ernaast. Prima, want ik moet nodig wat boodschappen hebben. Ik zal er maar niet van uitgaan, dat het gemeentebestuur van Saint Vallier mettertijd ook een monument voor mijn korte bezoek aan de supermarkt zal oprichten, daar waar ik even op de kassa heb geleund. Misschien een beetje te veel eer voor zo’n eenvoudige Hollandse toerist met zijn fourgonnette…

Schokkend nieuws

Nog diezelfde dag, 2 maart 1815, arriveert Napoleon met zijn manschappen in Escragnolles. Daar wordt hij ontvangen door de abt van Escragnolles, die zich laat vergezellen door de moeder van de in 1798 op het slagveld in Egypte gesneuvelde generaal Mireur. Na een kort onderhoud vertrekt de keizer weer om nog voor het vallen van de duisternis Logis du Pin te kunnen bereiken.

Het huis waar Napoleon zijn ontmoeting met de abt had, is tegenwoordig een auberge. Hoe langzaam ik ook door Escragnolles rijd en hoe ik ook zoekend links en rechts kijk, ik kan dat huis niet ontdekken. Ik zie twee mannen lopen, zet m’n bussie aan de kant en stap op het tweetal af. ‘Heren, goedemorgen’, begin ik, ‘ik rijd de Route Napoléon en hier ergens moet dat huis zijn waar hij…
Het gezicht van de oudste van de twee betrekt en hij onderbreekt me: ‘Napoleon? U zoekt Napoleon? Ik ben bang dat u dan net te laat bent, want die is overleden!’
Ik schiet in de lach en hij geeft me een joviale klap op mijn schouder.
‘U zoekt het huis, hè? Snap ik wel. Kijk, da’s een klein stukje verderop a droite. Veel plezier en een goede reis verder!’

Adembenemend rondje

Als je de Route Napoléon rijdt, moet je bij Logis du Pin beslist even van die route afwijken voor een rondje van zo’n krappe tweehonderd kilometer door de bergen, had ik thuis al bij mijn voorbereidingen ontdekt. En ook mensen die ik onderweg sprak, gaven me hetzelfde advies. En wat is het terecht, dit ommetje! Excuses aan Napoleon, maar dit had ik niet willen missen.
De rivier Verdon heeft hier namelijk een canyon uitgeschuurd in het kalksteenplateau van de Haute Provence, zo indrukwekkend mooi, dat de Fransen het de Grand Canyon du Verdon hebben genoemd. Een verwijzing naar de Amerikaanse naamgenoot? Misschien. Deze kloof is echter veel kleiner, maar heeft daarentegen wel meer begroeiing dan zijn Amerikaanse grote broer.
Hoe dan ook: het is onbeschrijflijk mooi. Wat geniet ik van de rust en de ruige natuur. Met een slakkengangetje rijd ik over de bergweggetjes. Het weinige verkeer dat er is, rijdt net zo rustig en stopt -net als ik- regelmatig om foto’s te maken.

Mijn eerste fotostop is het beroemde Balcon de Mescla. Het is koud en ik waai zowat uit mijn fleece, maar ik kan wel zo’n tweehonderdvijftig meter naar beneden in de kloof kijken. En verderop -op de Corniche Sublime– wordt de afgrond wel achthonderd meter diep. Ik kan niet wachten…
Wat een wereld van verschil met de drukte van de Côte d’Azur, waar ik een paar dagen geleden nog was. Hier geniet ik zo veel meer van! Ik weet, dat sommige ‘thuisfronten’ het jammer vinden dat ik de nodige highlights onderweg heb overgeslagen. Gemiste kansen? Ongetwijfeld hebben ze gelijk, maar het zijn keuzes. En als ik heel eerlijk ben, doet dit me meer dan -om maar een voorbeeld te noemen- le Théatre Antique d’Orange. Schitterend, maar ik reed er voorbij. Hier doe ik het voor. Hier ben ik voor op reis. Overrompelende natuur, smalle bergweggetjes, lieflijke dorpjes waar ik doorheen tuf (en maar meteen een hapje eet).

Ik stop bijtijds vandaag. Hier wil ik niet alleen even stil staan voor foto’s, hier wil ik ook overnachten. Campings genoeg in deze omgeving. Camperplaatsen ook. Maar dat zoek ik niet. Vlak voor de brug over het stuwmeer zie ik links een parkeerplaats. Aan het eind daarvan is een ingang naar een groot en ruig recreatieterrein. Jammer genoeg is die ingang met grote rotskeien afgesloten, maar één zo’n kei is opzij geschoven, waardoor er een doorgangetje is ontstaan. Ik stap uit om met mijn timmermansoog (…) te meten of ik er door kan. Het zal er om houden. Centimetertje voor centimetertje rijd ik tussen de blokken door het terrein op.
Er is verder op het hele uitgestrekte terrein geen levende ziel te bekennen. Ik rijd een paar honderd meter verder en parkeer. Voor me de uitlopers van de Grand Canyon, naast en achter me het stuwmeer van de Verdon. Bijna lyrisch stel ik vast, dat ik mijn plekje voor de nacht heb gevonden: dit is zo geweldig, met stip absoluut de mooiste overnachtingsplek tot nu toe van mijn hele reis. Is dit wat ze bedoelen met ‘als God in Frankrijk’?*)

*) Maar natuurlijk wel lekker mijn boiler, de koelkast en de 220V-omvormer aan. Allemaal leuk en aardig, maar ik ga me niet behelpen…

Terug naar het spoor

Door mijn rondje Gorges de Verdon heb ik de plaatsen Castellane en Barrème gemist. Napoleon trekt in 1815 wel door deze steden:

Napoleon neemt vanaf Escragnolles de weg naar Castellane. Na een korte pauze bij Logis du Pin bereikt hij Castellane tussen tien en twaalf uur ’s middags. De autoriteiten zijn te verrast om verzet te organiseren. Het eerste contact met de bevolking is gemengd: niemand wil de rangen van de kleine garde versterken, die tijdens haar tocht geleidelijk aan is gegroeid. Napoleon gebruikt de lunch met een vriend van hem, de onderprefect Francoul. Om hem te bedanken voor zijn toewijding belooft Napoleon hem tot prefect van Digne te benoemen.
Van Castellane via Barrème naar Digne is de route zwaar. De keizer verlaat Barrème op zaterdag 4 maart vroeg in de ochtend. Het neemt zich voor Digne te bereiken via de alpentoppen.
Na de zware tocht over de Col de Chaudon (1989 m), waar de garde over niet meer dan een geitenpaadje moet gaan, rust hij in Clape. Het verhaal gaat dat een herbergier hem twintig franc vraagt voor twee gekookte eieren.
‘Zijn eieren soms schaars hier?’ ‘Nee, maar keizers wel.’

Ik verlaat mijn ultieme overnachtingsplek en rijd om het stuwmeer heen.
In Digne-les-Bains pik ik de Route Napoléon weer op.

Na de lichte maaltijd in Clape, daalt Napoleon af naar Digne, hoofdstad van de streek, waar hij rond het middaguur arriveert en een korte pauze neemt voor de thermale baden en de eigenaar hem een beker melk aanbiedt. Om drie uur ’s middags vertrekt hij weer uit Digne in de richting van Sisteron, waar hij wil aankomen vóór de royalisten, teneinde een hinderlaag daar te vermijden.
Na een korte stop in Volonne, komt de keizer op zondag 5 maart in Sisteron aan. Hij is aangenaam verrast ontvangen te worden door de burgemeester van de stad, M. Gombert en de onderprefect en niet -zoals hij vreesde- door de royalisten. Hij eet in de Auberge du Bras en gaat om drie uur weer verder richting Gap.
Napoleon en zijn troepen trekken op zondag 5 maart rond negen uur ’s avonds Gap binnen onder steeds enthousiaster wordende toejuichingen. Zich wendend tot generaal Bertrand, die hem vergezeld, zegt Napoleon: ‘Eindelijk, nu zijn we echt in Frankrijk.’
De dag erna, maandag 6 maart rond half drie, verlaat Napoleon deze stad die hem zo’n hartelijke ontvangst heeft bereid. Hij laat het departement Hautes Alpes de som van 50.000 francs na en geeft de stad een Corsicaans vaandel. Enkele dagen later zetten enkele honderden Marsilianen een strafexpeditie op tegen Gap die mislukt. Een tweede wordt voorbereid in de dagen erna, waarbij zo’n 2000 Marsilianen betrokken zijn. Deze wordt eveneens door de Gapençais afgeslagen.

Boum, boum, tique!

Het zit me toch niet lekker, die ontwrichte deur en die krassen.
Als ik dan ook een Peugeotgarage zie, zet ik m’n bussie voor de werkplaats. De monteur bekijkt mijn schade, aait even met zijn hand over het plaatwerk, knikt en begint dan de bandeau porte laterale los te wrikken. Hij knipt een paar kunststof bevestigingspluggen kapot, zodat de gaten in de carrosserie vrijkomen. Hij mompelt wat in onverstaanbaar Frans, loopt de werkplaats in en komt terug met een stuk haaks omgebogen staal. Dat zet hij in een van de gaten, wrikt wat, geeft een paar tikken op het plaatwerk, wrikt nog eens, nog een paar klappen en… klaar is Kees! Tot mijn opluchting is het deukje verdwenen. Boem, boem, tik. Hoe simpel kan het zijn?
Als de monteur de bandeau weer terugplaatst, wijst hij me erop, dat twee bevestigingspunten aan de binnenkant kapot zijn. Daarom leek het erger dan het was. Hij raadt me aan in Holland een nieuwe te kopen. Hij haalt een handje gebruikte pluggen uit zijn zak, zoekt er de juiste tussenuit en na nog een paar keer ‘boem, boem, tik’ is het zaakje voor elkaar.
Toch zo lekker bezig, wijs ik hem ook op de paar krassen in de lak en vraag of die er uit gepoetst kunnen worden.
‘Non, non, peinture’, is het antwoord dat ik al verwachtte.
Nou ja, ik zie wel. Zo erg is die schade nou ook weer niet en ik ben al blij, dat die wijkende bandeau weer in orde is. Was toch een minder fraai gezicht.

De juffrouw bij de balie is langer bezig met het maken van de estimation, dan de monteur werk had. NET à payer (EUR) 18,90 staat er op de factuur. En -leuk detail- daaronder in kleine lettertjes: (1 Euro=6.55957 FRF) soit 123,98 francs. Mooi toch? Ben ik voor 124 ouderwetse francs (bijna) van mijn schade af.

Poids lourds

Wat ik tegenwoordig aan troep niet allemaal meesleep in dat bussie van me als ik eens een paar weekjes op vakantie ga! Nu heb ik best wel aardig wat opbergruimte, maar toch…
Maar ik heb de oplossing gevonden.
Kostte een paar centen, het manoeuvreert wat lastiger in de vele haarspeldbochten, maar ik kan tenminste nu wel al mijn spulletjes met gemak kwijt!

Kasteelovernachting

Ik tuttel over de D57L op weg naar het stuwmeer van Sautet en passeer het buurtschap Delesguières als ik links van me de restanten van een kasteel zie. Ik sla af. Claire-mijn-Garminnetje geeft nu alleen nog maar aan dat ik op ‘weg’ zit. Hoezo landelijk?
Het poortje dat toegang geeft tot het kasteel is -hoe zal ik het zeggen?- wat aan de krappe kant. Voor de zekerheid stap ik uit, klap mijn buitenspiegels in en probeer in te schatten of m’n bussie door dat poortje kan. Als ik nog sta te dubben, komt er van de andere kant, waar ook zo’n poortje is, een bestelbusje aangereden.*)
De man stopt (hij zal wel moeten, want ik versper de doorgang) en komt op me af. Met gemak kan ik door dat poortje heen, beweert-ie, maar als ik het niet vertrouw, zal hij me wel aanwijzingen geven. Natuurlijk heeft-ie gelijk en even later staan we samen naast elkaar in het gras voor het kasteel geparkeerd. Het wordt gerestaureerd, er staat een hek omheen en je mag het niet betreden.
‘Maar eh… mag ik hier wel parkeren?’, vraag ik, ‘en ook blijven slapen?’
‘Geen enkel probleem’, zegt-ie, ‘als u daar bij de muur gaat staan, staat u uit de wind en uit het zicht. En dan nog: politie hebben we hier niet, dus…’
Dus?
Dat wordt overnachten. Geen kasteel, toch een kasteel.
Nadat-ie nog even zijn hart gelucht heeft over de huidige president die niet deugt (leuk: u komt uit Holland en zo heet onze president ook) en zijn mening heeft gegeven over Poetin, die dan weer wel straight is (…), krijg ik een hand en wenst hij me een bonne nuit au chateau. Komt helemaal goed, denk ik. Wie heeft er zo’n slaapplaats?

Château de Lesdiguières

*)
En wat een geluk heb ik, dat dit busje juist nu voorbij komt. Het buurtschap -vertelt de bestuurder me later- heeft honderdvierentachtig inwoners. De rest van de middag en avond komt er welgeteld nog zes keer een auto langs en een groepje van drie wandelaars…

Il fait froid

Het wordt kouder.
’s Avonds moet de kachel aan en vanmorgen heb ik voor het eerst maar weer eens sokken aangetrokken. Mijn warme fleece hangt niet langer in de kast en ’s nachts trek ik een pyjama aan.
Dat is even wennen: een dikke week heb ik met blote voeten op mijn slippers gelopen en wisselde ik halverwege de ochtend mijn lange broek voor een korte. Maar ja, wat verwacht je ook? Het is 23 oktober. Mag het een beetje frisser worden? Bovendien zit ik midden in de Hautes Alpes en berggebieden zijn nu eenmaal kouder. Overdag heb ik niet te klagen: het is droog en het zonnetje schijnt lekker. ‘Gezellig weer’ noemen ze dat in Nederland (en waarschijnlijk is ons landje het enige ter wereld, waar ze het weer ‘gezellig’ noemen).
En wat goed, dat ik op het laatste moment thuis die ouderwetse, warme pantoffels heb meegenomen. Zien er voor geen meter uit, maar lekker! Lichtjes aan, kopje koffie, verse pijp, tijdschriftje en toffeltjes aan m’n voeten. Gezellig! (daar heb je dat oer-Hollandse woord weer).

Hard werken

Nadat Napoleon de Col Bayard in de sneeuw heeft bedwongen, komt hij op maandag 6 maart ’s avonds in Corps aan. Hij logeert in ‘Chez Dumas’. In de vroege ochtend krijgt hij een boodschap van Cambronne die als verkenner vooruit was gegaan en hem informeert dat zijn aanwezigheid aan het front vereist is. Uiteindelijk zullen de bonapartistische voorhoede en de koninklijke troepen elkaar treffen bij La Mure zonder slag te leveren. Napoleon vertrekt daarom op dinsdag 7 maart vroeg in de ochtend om zijn voorhoede bij te staan, want in de nacht van 6 op 7 maart hebben de vijandelijke voorhoedes elkaar -zonder slag te leveren- getroffen bij La Mure.
Eenmaal bij La Mure aangekomen beklimt hij de Eminence de Calvaire, waar hij wordt toegejuicht door de toegestroomde menigte. Daarna trekt hij verder naar Laffrey.
Nog diezelfde dag komen Napoleon en zijn troepen om negen uur ’s avonds aan in Grenoble. De Porte de Bonne is gesloten, maar de soldaten die hem bewaken zijn Napoleon gunstig gezind. Het beleg duurt twee uur. Het republikeinse volk van Grenoble loopt te hoop en zingt: ‘Bon! Bon! Napoleon va entrer dans sa maison’ (Mooi! Mooi! Napoleon komt naar huis)
De poort wordt geopend: Napoleon komt de stad binnen, gedragen door de inwoners tot aan het Hotel des Trois Dauphins. Hij rust ‘lichaam en geest’ gedurende 7, 8 en 9 maart. Hij heeft 324 km afgelegd in zes dagen. Hij vertrekt weer op 9 maart naar Lyon. Op 20 maart gaat hij de Tuillerien binnen in Parijs, zoals hij al had beloofd, twintig dagen geleden in Golfe Juan. Napoleon zegt over deze heldendaad: ‘Tot aan Grenoble was ik een avonturier. In Grenoble was ik een prins.’

Alle bewondering hoor voor die kleine keizer. Ik geef het je te doen, tweehonderd jaar geleden, door de Hautes Alpes trekken. Zelfs ma pauvre fourgonnette heeft het zwaar te verduren en moet hard werken om die cols te nemen. Sommige stukken zijn zo steil, kronkelig en gevaarlijk, dat ik bij de afdaling naar Vizille gevideocontroleerd wordt. Pas als de camera zijn goedkeuring geeft, gaat de slagboom open en mag ik de col afdalen. Gelukkig maar, anders had ik een behoorlijk eindje moeten omrijden.

En steil zijn ze, die cols. Voor ik ’s morgens de weg opga, zorg ik altijd dat m’n bussie helemaal aan kant is: alle kastdeurtjes op slot, koelkast ‘op de knip’ en geen losse spulletjes, die alle kanten op kunnen vliegen tijdens het rijden. Heb ik nog overgehouden uit mijn bootperiode.
Maar ondanks dat, liggen mijn tafel en stoel, die ik tijdens het rijden op het bed leg, heen en weer te rossen, vallen de tijdschriften uit hun bakje, glijdt mijn snoepdoos met chocotoffees van de bijrijdersstoel en loopt mijn pasgevulde watertank een beetje over. Normaal heb ik daar allemaal geen last van, maar ma fourgonnette hangt behoorlijk scheef op al die hellingen.

En dat deed die Napoleon dus in zes dagen. Chapeau! Onderweg sloten steeds meer bonapartisten zich bij de keizer aan. Steeds groter werd de groep die met hem meetrok naar Parijs. Eerlijk gezegd, neem ik meer mijn petje af voor dat voetvolk, dat deze barre tocht maakte, dan voor Napoleon, die het grootste deel van de tocht te paard heeft afgelegd.

Zat ik over na te denken trouwens.
Ik weet niet wat ik zou doen, als Willem Alexander bij mij thuis door de straat zou rijden in zijn dikke bolide en tegen me zou zeggen: ‘Frits, ga je mee? Gaan we met z’n allen naar Amsterdam. Gaan we daar lekker keet schoppen. Sluit je aan! Je krijgt er niks voor betaald en, oh ja, je moet wel lopen.’ Ik denk, nee, weet wel zeker, dat ik zou zeggen: ‘Majesteit, veel plezier daar in de hoofdstad. Maar zonder mij!’

Ferm, fermer, fermé #6

Het zal mij benieuwen!
Bij La Mure aan de Route Napoléon kan een treintocht van dertig kilometer gemaakt worden met de historische spoorlijn naar Saint Georges de Commerce. Deze spoorlijn van La Mure d’Isère (stond er op internet) ‘was ooit de mijnbouwspoorlijn en voert over een prachtig traject, dwars door de bergen, over bruggen en langs ravijnen.’ Maar (stond er op datzelfde internet) ‘Deze spoorlijn is in 2011 tot nader order opgeheven.’

Ik hoef er geen meter voor om te rijden, het stationnetje ligt langs de weg. De informatie op internet is nog steeds actueel: bij de Chemin de fer de la Mure is het uitgestorven, het aankondigingsbordje van eventuele tentoonstellingen is jaren niet gebruikt en op de rails staat een treintje weg te roesten. Zoals gezegd: ik hoefde er niet voor om te rijden en het was het proberen waard. Jammer wel weer.

Boerenweggetje

Ik heb geen zin meer. Lang genoeg gereden voor vandaag.
Ik sla lukraak een klein zijweggetje in en kronkel zo’n kilometer of tien ‘het binnenland’ in op zoek naar een overnachtingsplek. En kijk nou toch waar ik terecht kom. Toegegeven: het is niet in de Grand Canyon, ook niet naast de ruïnes van een kasteel, maar… ook mooi toch?

Voor de (nieuwsgierige) preciezen onder ons:
N 46 06.190 E 05 19.591
Saint-Martin-du-Mont
35 Impasse de la Paysanne
(die straatnaam alleen al, als ik op zoek ben naar een boerenweggetje…)

N’est-ce pas?

Ik zit op een steenworp afstand van Billy-de-Chanceaux (bekend van de boekenkasten) als ik langs de D971 van Dijon naar Troyes een verwijzing zie naar de sources de la Seine. Da’s waar ook, denk ik, ik rijd al een poosje over het Plateau de Langres en heb ik mijn leerlingen vroeger niet geleerd, dat daar de Seine ontspringt? Zodra het veilig kan, keer ik en sla het weggetje in.

Een keurig aangelegde site is het, compleet met wandelpaden en picknicktafels. Ik ben de enige bezoeker, maar lang duurt dat niet, want als ik bij een grot-met-een-beeld sta (de bron?) komt er een corpulent, keurig in het pak gestoken heerschap het terrein opdribbelen. Driftig tikkend met zijn wandelstok komt hij dichterbij en ik zie, dat hij gewapend is met een groene Michelingids. Het blijkt een aimabel mens en hij ontpopt zich als een ware monsieur le professeur, want -bladerend in zijn groene gids- lepelt hij voor mij (de leergierige leerling) allerlei wetenswaardigheden op.
Ik sta inderdaad bij de bron van de Seine, legt hij uit. ‘En dat beeld in de grot, monsieur (hij tikt met zijn wandelstok op het hek en kijkt even in zijn boek), dat beeld stelt Séquana voor, de godin van de rivier, geschonken door eh… (hij spiekt weer even), geschonken door Baron Haussmann. En als ik u nog wat mag vertellen: vroeger, in de tijd van de Galliërs, was dit een heilige plek en deze bron is pas in 1836 ontdekt. Ongelooflijk, n’est-ce pas?
Ik krijg niet eens de tijd te reageren, want hij doceert al weer verder.
‘En als u zich nu omdraait, dan ziet u daar, (hij wijst met zijn aanwijs/wandelstok naar een onmogelijk klein bouwwerkje) daar even verderop, de allereerste brug over de Seine. Leuk, n’est-ce pas? En weet u wat nu het aardige van dit lapje grond is?’
Ik weet het niet en al zou ik het weten, ik gun hem zijn uitleg.
‘Het aardige is’, gaat hij verder, ‘dat het stukje grond waar u en ik nu opstaan van de stad Parijs is. Bij de ontdekking van de bron, had ik al verteld dat dat in 1836 was?, bij die ontdekking dus heeft Napoleon de eh… (een snelle blik in zijn gids) de derde, Napoleon de Derde ja, die heeft deze bron en het stuk land er omheen aan de stad Parijs geschonken. Grappig, n’est-ce pas, dat wij hier nu feitelijk in Parijs zijn!’
We moeten er allebei om grinniken en ik grijp dat moment aan hem te vragen een foto van me te maken. Dan geef ik hem een hand, bedank hem voor zijn uitleg en vertel dat ik nodig verder moet, n’est-ce pas?

En ik ging alleen maar even kijken, denk ik, als ik de motor start.
Nou ja, weer wat geleerd vandaag. Grâce au professeur, n’est-ce pas?

Waar de weg eindigt…

Dwars door het wijngebied van Bourgogne, grotendeels de Route des Grand Crus volgend, word ik Claire-mijn-Garminnetje maar weer eens ontrouw*) en sla een weggetje in. Claire bestraft me onmiddellijk door te melden: ‘Rijdend op weg’, alsof ze wil zeggen: bekijk het dan maar, eigenwijs!

Dat doe ik dan ook.
Het asfaltweggetje wordt na een paar kilometer ongeplaveid. Ik ga langzamer rijden. Als dit weggetje nou eens dood loopt, denk ik, dan heb ik mijn overnachtingsplek voor vandaag gevonden. Het pad wordt smaller en smaller en loopt inderdaad dood. Nou ja, een paar meter verderop wordt het een karrenspoor in het gras. Voor mij is dit doodlopend genoeg.
Ik sta naast een opslagplaats van pierres et marbres. Naast m’n bussie zie ik drie enorme keien, die de ingang naar het terrein versperren. Ik stap uit: het is oorverdovend stil en totaal verlaten. De temperatuur is lekker opgelopen naar zo’n dikke twintig graden en dan zit ik daar zomaar ineens op 25 oktober in m’n korte hemmetje aan de koffie. Incroyable!

Ik sta hier nu al een uurtje of drie en heb nog geen sterveling gezien. Behalve het zoemen van insecten hoor ik af en toe wat schoten van jagers, verderop in het bos. Suizen mijn oren van de stilte? Zou zomaar kunnen.
Trouwens, ik heb Claire toch nog even nodig gehad om me te laten weten waar ik precies ben. Dat ze dat nog steeds doet, zo eigenwijs als ik vaak ben…
N 47 47.715 E 04 31.749, ‘ergens’ tussen de D971 en de D21 in Ampilly-le-Sec, aan de Rue de Saint-Antoine (dat dit pad nog een naam heeft…)

*) Lekker ondankbaar, want wat heeft ze me vandaag weer keurig door het centrum van Beaune en Dijon geleid!

Hoera, wintertijd!

Ik ben een vroege opstaander. Thuis, maar ook in de vakantie.
Rond acht uur heb ik me al gewassen en aangekleed, zijn er al twee kopjes koffie en een ontbijt naar binnen gegaan en heb ik m’n bussie rijklaar gemaakt. Tegen die tijd is het ook licht en dat rijdt toch prettiger in een gebied dat ik niet ken en bovendien: ik reis om wat te zien.
’s Morgens ‘vroeg’ vind ik de mooiste tijd om te rijden. Behalve een enkele medeweggebruiker, waarschijnlijk en route naar zijn werk, heb ik de weg helemaal voor mezelf alleen. Frankrijk moet nog op gang komen. In een dorpje dat ik passeer, is het water uit de pomp op het pleintje het enige dat beweegt. Op de velden staan de koeien tot hun buik in de ochtendnevel. In een ander dorpje laadt de boulanger de verse stokbroden in zijn besteleend en steekt zijn verbaasde hand op als groet naar zo’n vroege toerist. De vrouw van de bar-tabac veegt de herfstbladeren van de stoep. Ik verzin dit niet. Maak het ook niet romantischer dan het is. Dit is wat ik zie. Dit is waarom ik zo geniet van mijn tutteltocht door la douce France!

Dit weekeinde gaat de wintertijd in. De klok wordt een uur teruggezet. Wat geniet ik daarvan! Liep ik tot nu toe ’s morgens regelmatig een beetje te treuzelen tot het tegen achten licht genoeg was om te gaan rijden, nu gaat daar een uur vanaf. Zoals altijd -ik zal het nooit meteen snappen- moet ik het eerst goed tot me laten doordringen en logisch nadenken. Dus als het morgenochtend acht uur is, dan is het eigenlijk… eh… de klok gaat achteruit, dus een uur eerder, dus eh… dan is het eigenlijk zeven uur! Een heel uur winst! Een dag van vijfentwintig uur!

Toen ik vanmorgen wakker werd en op de klok keek, wees die 05:50 aan. Tien voor zes? Nee, (eigenlijk) tien voor zeven!  Met een uurtje is het licht, met een uurtje kan ik rijden! Et voilá, 07:05 (wintertijd): Frits est en route! Formidable!

Terug naar de beschaving

‘Voor één nacht? Met een caravan car? En u bent alleen? Dat kan en u heeft geluk: over vier dagen gaan we de camping sluiten. Er is momenteel geen enkele andere kampeerder, dus u heeft de hele camping voor uzelf. Gaat u straks meteen naar droite, daar hebben we speciale verharde plekjes voor campers en dan staat u ook mooi dichtbij het sanitairgebouw.’
‘En alles werkt, mevrouw? Ik bedoel: de toiletten, de douches, enne… de douches zijn warm?’
‘Natuurlijk, monsieur. Dan krijg ik nu zestien euro van u en wens ik u een aangenaam verblijf. U zult de laatste gast wel zijn van het seizoen. Bonne journée!’

Eigenlijk helemaal niks voor mij, deze camping Val d’Oise in Etreaup, met zijn keurige, door coniferen afgebakende plekjes. Maar wel comfortabel, zo vlakbij het sanitairgebouw, want na een paar dagen ‘wild’ overnacht te hebben, ben ik blij dat deze camping nog open is. Mijn toilet moet nodig geleegd, de vuilwatertank moet geloosd en mijn drinkwatertank is nog niet leeg, maar kan ook wel worden bijgevuld.
Terwijl mijn tank aan het vollopen is, probeer ik toch voor de zekerheid even de douches. ‘Drie keer de knop indrukken’, had de vrouw gezegd, ‘dan pas heeft u warm water.’
Gelukkig, het werkt en dat is maar goed ook, want na vier dagen ‘in de vrije natuur’ moet ik nodig eens uitgebreid onder de douche en mijn haren wassen. Zal ik mezelf morgen dan ook meteen op schone kleren trakteren?

De camping is inderdaad uitgestorven stil. De enige aanwezigen zijn drie rondscharrelende kippen. Als ik even naar het toilet ben geweest en terug kom bij m’n bussie, scharrelen twee van die beesten eigenwijs binnen in ma fourgonnette rond…

Overgeslagen #6?

Ik kom nog even terug op mijn rit over de Route Nationale 7.
Heb ik toch nog meer overgeslagen, dan ik eerder schreef.
Geen opsomming van kerken, kathedralen, kastelen of musea deze keer. Nee, gemiste kansen op allerlei streekproducten. Zoetwaren over het algemeen. Niet echt gemist natuurlijk, maar bewust overgeslagen. Ben ik al niet overgewichtig genoeg?

Dus ben ik in Milly-la-Forêt niet gestopt om de beroemde pepermunt te kopen, liet ik de chasseblue, de luxe bonbons uit Thomery links liggen en kocht ik niet de befaamde praslines in Montargis.
Charitoises zijn zachte karamelstukjes met chocoladesmaak. Ik reed de Confiserie de Prieuré in La Charité-sur-Loire braafjes voorbij. Evenals de patisserie in Pouges-les-Aux, waar ze al sinds vier generaties de vermaarde pougatine maken, een pralinébonbon. En de négus in Nevers, de beroemde bonbon met karamelvulling en een krokante suikerkorst? Gewoon niet gekocht.
En wat te denken van de verité in Lapalisse, de coussins uit Lyon, de chocolades van Valrhona in Tain, de nougat van Montélimar, de calissons uit Aix-en-Provence, de …

Zo zou ik nog wel even kunnen doorgaan; de lijst is bij lange na niet compleet. En dan heb ik het alleen nog maar over zoetigheid gehad.
De wijnen? In de rekken laten liggen. De kazen? Volop gekocht natuurlijk, maar niet als souvenir, gewoon om meteen op te eten.

Ik bedenk me nu pas (lekker handig als ik het land bijna verlaat en tegen de Belgische grens aanzit), dat ik wel het een en ander had kunnen inslaan voor de diverse thuisfronten. Had misschien aardig geweest. Toch een gemiste kans achteraf?
Trouwens: morgen rijd ik België in. Benieuwd of ik de Côte d’Or, waar ik zo gek op ben, daar ook in de schappen kan laten liggen…

Napoleon achterna #2

Evenals Frankrijk kent ook België zijn Route Napoléon.
De weg die Napoleon aflegde van Golfe-Juan naar Grenoble heb ik inmiddels gereden. Voor de tweede keer tijdens deze trip ga ik -alvorens weer op huis aan te gaan- weer in de voetsporen van Napoleon.

Om de slag bij Waterloo te begrijpen, moet men terug gaan naar 1 maart 1815, rond 17 uur, op het strand van Golfe-Juan aan de Middellandse Zee. Daar gaat Napoleon -totaal onverwacht- aan land, na te zijn ontsnapt van het eiland Elba waar hij sinds de Franse veldtocht van 1814 in verplichte ballingschap leefde. Hij ontscheept er samen met een duizendtal manschappen. Drie weken later, op 20 maart ’s avonds, komt hij na een geforceerde mars aan in Parijs. Duizenden veteranen hebben zich intussen bij hem aangesloten. In het licht van toortsen wordt hij op de schouders van een groep officieren in triomf rondgedragen voor een uitzinnige volksmassa.
In Wenen, waar men volop bezig is de kaart van Europa te hertekenen, wordt onmiddellijk gereageerd: Engeland, Pruisen, Oostenrijk en Rusland beslissen elk 150.000 mannen te mobiliseren om op te trekken naar Parijs en hun gemeenschappelijke vijand Bonaparte definitief te verpletteren.
De Franse keizer heeft twee mogelijkheden: ofwel de aanval van de bondgenoten afwachten met het risico dat de burgerbevolking -die hem zopas in triomf heeft rondgedragen- alle noodlottige gevolgen zal ondergaan, ofwel anticiperen op de vijandelijke aanval door eerst de Engelsen de zee in te drijven, vervolgens af te rekenen met de Pruisen en zich daarna bezig te houden met legers die van verder moeten komen. Napoleon kiest de tweede optie.
In de ochtend van 15 juni 1815 overschrijdt Napoleon de Belgische grens bij het stadje Beaumont. Met het gros van zijn troepen, zo’n 120.000 man, haast hij zich naar Charleroi. Hij rekent op zijn snelheid en het verrassingseffect.

Wijsneuzerig kereltje

Op 14 juni 1815 is Napoleon te paard op weg naar Beaumont, waar zijn troepen zich verzamelen. Hij houdt halt in Hestrud om zijn paard te laten drinken. Op de oever van de rivier raakt hij aan de praat met een plaatselijke jonge kerel, Cyprien-Joseph Charlet. Napoleon is nieuwsgierig of de jongeman hem wel herkent. Het kereltje knikt en flapt eruit, met een verbluffende durf: ‘U denkt dat de overwinning nog altijd vast aan uw voeten ligt, maar overwinningen zijn vluchtig en vloeien weg, zoals het water in deze beek. Als ik in uw plaats was, zou ik stilletjes hier blijven, want uw ster zou morgen wel eens kunnen verbleken.’

Wat een irritante wijsneus, die Cyprien-Joseph!
Zo jong en dan al zulke wijze praat tegen zijn keizer!
Of zijn dorpsgenoten later het verhaal flink hebben opgepoetst, vertelt de geschiedenis niet, wel heeft het gemeentebestuur van Hestrud ‘langs de rivier’ (nou ja, er stroomt een watertje…) een stapel stenen laten metselen en daarop een gedenkplaat met een adelaar laten aanbrengen. Hier liet Napoleon dus zijn paard drinken en hier sprak die vermetele jongeman hem aan. Ja, ja.

Ik sta met m’n bussie precies op de grens van Frankrijk en België.
Vijfhonderd meter verderop -na het stukje niemandsland- begint de Route Napoléon Wallonie.
De slagboom staat er nog en van het voormalige douanekantoor is nu een museum gemaakt. Ik drink er een kopje koffie en trek België in.

Mandarine Napoléon

Het is een klein stukje van de Route Napoléon af, maar heeft toch met de keizer te maken. Hij hield wel van een slokje, die l’empereur, en vooral cognac sloeg hij niet af. Hij lengde dat graag aan met mandarijnensap en hier -in de Distillerie de Biercee– stoken ze sinds 1892 de Mandarine Napoléon.

Als ik het gebouw binnen stap, maakt een man zich los van het groepje waaraan hij uitleg staat te geven en komt haastig op me af. Hij stelt zich voor als Pierre en legt me uit, dat de distillerie gesloten is.
‘Maar dat groepje dan?’, vraag ik.
‘Dat is privé‘, zegt Pierre.
‘Dat ben ik ook, dus eh…’
Dus nee, Pierre is niet te vermurwen. Of ik dan wel foto’s mag maken en filmen, vraag ik. Pierre wisselt even wat woorden met het groepje en knikt dan goedkeurend. Op eigen houtje drentel ik binnen en buiten wat rond en schiet mijn plaatjes. Eerlijk gezegd mis ik die uitleg niet.

Mandarine Napoléon dus. De enige distillerie van brandewijn en fruit in België. Export naar meer dan honderd landen. Op de vijftiende plaats van de meest verkochte likeuren ter wereld. Nooit van gehoord…

Ferm, fermer, fermé #7

Op 15 juni 1815, rond 10 uur ’s ochtends, houdt Napoleon halt in de buurt van de kerk van Jamioulx. Pastoor Jénicot herkent de keizer en biedt hem een glas Chambertin aan, want hij weet dat Napoleon een liefhebber is van deze wijn. Ze geraken aan de praat en de keizer is onder de indruk van de intelligentie van de priester. Vooraleer weer voort te reizen haalt hij zijn zakboekje tevoorschijn. Hij overhandigt het aan de priester, vraagt hem om zijn naam en parochie erin te schrijven, en schrijft er daarna zelf bij: ‘Volgende bisschop van Doornik.’ De nederlaag bij Waterloo beslist er uiteraard anders over…

Hij heeft zijn ogen al geruime tijd fermé, deze pastoor Jean-Nicolas Jénicot en hij ligt begraven op het kerkhof achter zijn ‘eigen’ kerk. De hele Route Napoléon is bewegwijzerd met kleine groene bordjes en ik verwacht op dit kerkhof ook wel een aanduiding naar dat graf. Maar nee, ik moet zelf op zoek. Ik begin in het oudste gedeelte van het kerkhof en lees naam na naam. Sommige zijn verweerd en nauwelijks te lezen, andere zijn doorgekrast (…), ook zijn verschillende graven verwaarloosd, maar de naam Jénicot kan ik niet ontdekken.
Vanuit mijn ooghoek zie ik een vrouw de kerk ingaan. Ik ga ook naar binnen, spreek haar aan en vraag waar het graf van de pasteur is.
Jénicot, Jénicot’, doet zij nadenkend.
‘Ja, uit de tijd van Napoleon‘, probeer ik haar te helpen.
‘De naam komt mij wel bekend voor’, zegt zij aarzelend, ‘maar ik zou het zo niet weten. En die moet hier begraven liggen? Misschien kunt u het beter daar beneden bij de curie even vragen, die weten het vast wel.’

De van ouderdom kromgetrokken vrouw van de curie, weet inderdaad waar het graf zich bevindt: ‘Voor de kerk langs, meteen links. In dat rijtje moet het zijn. Ik zou graag met u mee naar boven lopen om het aan te wijzen, maar dat gaat niet zo makkelijk meer met mijn rug, snapt u?’
Ik begrijp het, stap -onderweg terug naar de kerk- nog even een winkel in (‘Jénicot? Nooit van gehoord!’), spreek een moeder-met-dochter op straat aan (‘En dat graf zou hier in ons dorp moeten zijn?’), struin nog twee keer dat hele kerkhof af en vind het dan welletjes.

Volgend jaar is het precies tweehonderd jaar geleden, dat Napoleon hier langs kwam op weg naar de beslissende slag bij Waterloo. Daar gaan ze in België heel veel aandacht aan besteden. Mag de organisatie wel niet vergeten de inwoners van Jamioulx op de hoogte te brengen van ‘hun’ pastoor. Er zal wel meer naar gevraagd gaan worden.

Charlebàh

Op 15 juni 1815 moet het hele leger van Napoleon bij Charleroi de Samber over. De troepenbeweging is goed voorbereid, maar neemt toch bijna een hele dag in beslag. Napoleon houdt het verloop in het oog vanaf het terras van het Cabaret de la Belle-Vue, aan de voet van de ruïnes van de vroegere vesting. Het valt op hoe apathisch nadenkend hij overkomt: de uitspanning krijgt later de bijnaam ‘auberge de la somnolence’ (herberg van de slaperigheid).
Als Napoleon verneemt dat vlakbij een vroegere dragonder van zijn Grande Armée woont, een zekere Joseph Thévernier, laat hij de man ontbieden: de keizer heeft een gids nodig en vraagt hem alles wat hij maar kan vertellen op topografisch vlak. Deze trouwe lijfwacht-in-ruste zal hem bij het ochtendgloren vergezellen naar Fleurus, op weg naar zijn laatste overwinning.

Wat was de rit saai geweest vanaf Dijon tot bijna aan de Franse-Belgische grens: de twee-, soms driebaans weg voerde als een streep door het nauwelijks boeiende landschap en de dorpjes langs die weg waren onaantrekkelijk en eenvormig. Wat had ik dan ook daarna weer genoten van de allerlaatste kilometers op Frans grondgebied, toen Claire-mijn-Garminnetje heerlijke binnendoorweggetjes voor me uitstippelde. Een bon cadeau, waarmee ik dankbaar afscheid nam van Frankrijk.

Ook de eerste tientallen kilometers op Belgisch grondgebied waren nog heerlijk om te rijden, maar wat veranderde dat mooie landschappelijke gebied volledig toen ik Charleroi naderde. Wat een lelijke voorsteden, wat een ander soort mensen. Agressiever in het verkeer, eenvoudiger gekleed en norser als ik eens de weg moest vragen bijvoorbeeld. Ik reed door saaie straten met aaneengeregen kleine, vaak verlopen winkeltjes, hier en daar onderbroken door een splinternieuw pand van bijvoorbeeld Zeeman (ja, ik ben in België!).
Het kan zijn, dat Claire me door de ‘verkeerde’ wijken stuurde en dat mijn beeld van Charleroi vertekend is. Ik kan me niet voorstellen, dat de hele stad zo saai, zo lelijk, zo monotoon ‘armoedig’ is. Ik heb het niet uitgezocht. Was blij, dat ik die stad achter me kon laten.

Tutti cadaveri!

Tutti cadaveri!
Met deze kreet komt op 8 augustus 1956 een Italiaanse reddingswerker vanuit de brandende mijngangen van de Bois du Cazier in Marcinelle, vlakbij Charleroi, weer boven de grond.
Allemaal lijken!
Als gevolg van een menselijke fout grijpt het vuur daar beneden in de mijn razendsnel om zich heen en komen 262 mijnwerkers om het leven, waaronder 136 Italiaanse gastarbeiders en 95 Belgen. Honderden weduwen blijven met hun wezen achter.
Op de plaats waar deze grootste mijnramp uit de Belgische geschiedenis plaats vond, is nu het ‘Industriemuseum’ en de ‘Ruimte 8 augustus 1956’. Ik ben een dag te vroeg (maandag=museum-op-slot-dag, ook in België) en ik besluit op de parkeerplaats ‘voor de deur’ te overnachten. Dus wie wandelt er de volgende dag als eerste en enige bezoeker om negen uur door de grote toegangspoort? Juist!

Wat een indrukwekkend museum!
Niet alleen wordt er (bijna van uur tot uur) verslag gedaan van de mijnramp, ook worden in verschillende gebouwen de arbeidsomstandigheden van de ‘kompels’ uit de doeken gedaan. Schrijnend. Uitgebaat werden ze, die mijnwerkers. Niet de arbeiders waren belangrijk in de jaren na de Tweede Wereldoorlog, maar de steenkool die de na-oorlogse economie weer op gang moest brengen. Ineens begrijp ik de mensen uit Charleroi en omgeving beter en stel mijn negatieve beeld danig bij. Als ik zo’n leven gehad zou hebben en zo had moeten wonen en werken…
Ik heb in de ‘Ruimte 8 augustus 1956’ een indringende film gezien met oude journaalbeelden en interviews met overlevenden. Onafhankelijke ingenieurs legden de oorzaak van de ramp duidelijk bij de toenmalige directie van de mijn.

Als ik na de bezichtiging het terrein verlaat en door de poort naar m’n bussie loop, voel ik me anders dan zo’n krappe twee uur geleden. De filmbeelden van jammerende vrouwen, die zich vertwijfeld aan de spijlen van het hek vastklampten, komen weer terug.
Ik stap in, steek een dikke sigaar op en staar minutenlang naar die poort voor ik start en de Route Napoléon weer oppik.

Ik ben een jaar te vroeg!

In Fleurus aangekomen, installeert Napoleon zich in de Moulin Naveau waar hij de topografie van het terrein bestudeert. Daarna neemt hij zijn intrek in Château de La Paix, waar hij de nacht doorbrengt.

En wat staat er dan nog in Fleurus? Die molen, of althans een gedeelte ervan. En voor die molen een monument dat aangeeft waar de Fleuristen (heten de inwoners zo?) trots op zijn. Daar reed ik overigens tot twee maal toe aan voorbij, zo weinig opvallend is het. Het had net zo goed een reclamebord van de Carrefour kunnen zijn.

Maar goed: in Fleurus wisten de Fransen dus drie keer een veldslag te winnen. Als eerste op 1 juli 1690, toen de Franse troepen onder leiding van maarschalk de Luxembourg een coalitie van nagenoeg de rest van Europa versloegen. Ten tweede de veldslag van 26 juni 1794, toen het leger van de Franse Revolutie de Nederlands-Oostenrijkse coalitie versloeg en tot slot die van 16 juni 1815.
Ik heb het gezien, heb m’n bussie maar weer eens fout geparkeerd en een foto gemaakt…

De slag bij Ligny-Fleurus was allerminst een voetnoot in de geschiedenis. Er werden ongeveer evenveel manschappen ingezet als bij Austerlitz. De troepen van Napoleon voerden slag tegen de Pruisische legers, en het opvallendste kenmerk was de wederzijdse hardnekkige onverzettelijkheid, tot de totale uitputting. Dat verklaart ook het hoge aantal slachtoffers.
De slag bij Ligny leverde Napoleon zijn laatste overwinning op. Dit moet echter gerelativeerd worden. De overwinning was er wel, maar ze was niet totaal. Het Pruisische leger, dat het centraal bijzonder hard te verduren kreeg van de Franse troepen, en dat bijna 20.000 man verloor, kon immers zijn flanken redden en zich ordentelijk terugtrekken naar Waver, en niet naar Namen. Als dat laatste het geval was geweest, zou de rol van dit leger definitief uitgespeeld geweest zijn, wegens te ver van het front. Deze beweging van de Pruisen zou het verdere verloop van de Belgische veldtocht ingrijpend wijzigen. Napoleon was nu verplicht om de troepen van maarschalk Grouchy (30.000 man) in de achtervolging te sturen.

Als ik stop voor la Musée de la Bataille de Ligny krijg ik al zo’n donkerbruin vermoeden. Waarom staan er verder geen auto’s geparkeerd? Waarom is het er zo uitgestorven? Wordt dit weer een gevalletje ferm-fermer-fermé?
Inderdaad. Naast de deur van het museum hangt de mededeling, dat men hier juist niet op maandag, maar op dinsdag en woensdag gesloten is.

Terug bij m’n bussie blijkt er toch nog een tweede auto gestopt te zijn. Nog zo’n domme toerist natuurlijk, die -net als ik- van toeten noch blazen weet.
‘Dag mevrouw, mijnheer. Komt u voor het museum?’, vraag ik als de man zijn portierraam omlaag heeft gedaan, ‘nou dat is gesloten hoor. U kunt zich de moeite van het uitstappen besparen!’
‘Dat weten we’, antwoordt de man in het Vlaams, ‘wij rijden de Route Napoléon om alles te controleren. Ik zit namelijk in de organisatie van de festiviteiten volgend jaar. Tweehonderd jaar geleden, niet waar? Vrijdag heb ik een bijeenkomst met de gidsen die ik dan bijpraat. En u? U komt uit Holland hoor ik. Hoe bent u hier zo terecht gekomen?’
Ik vertel in het kort (soms kan ik dat, heel soms), dat ik de Route Nationale 7 heb gereden, dat ik de Route Napoléon in Frankrijk heb gevolgd en nu de keizer volg op weg naar (zijn) Waterloo. ‘Maar er is veel dicht of nog niet af hier in België’, kan ik niet nalaten er aan toe te voegen.
‘Klopt, maar we zijn hard aan het werk. Maar interessant, dat u deze route nu al rijdt. Wacht, ik geef u mijn kaartje. Mochten u dingen opgevallen zijn of heeft u vragen of opmerkingen, neemt u dan gerust contact met mij op. U heeft -neem ik aan- ook e-post? Dat werkt het makkelijkst.’
‘Zal ik zeker doen, mijnheer eh… (ik kijk snel op zijn kaartje), mijnheer Camerlynck. Veel succes met de voorbereidingen en een goede reis verder.’
‘Zegt u gerust, Leo’, is zijn antwoord, ‘en ook u een goede reis gewenst. Ik verheug me op uw e-post.’

Ik kijk ze na als ze wegrijden en bedenk, dat het toch wel weer lekker was in het Nederlands te kunnen kletsen na zo’n dikke twee weken Frans. En wat houd ik van dat Vlaams! Leo heeft dus e-post (spreek uit: ee-post) en geen e-mail. Wat zijn ze toch heerlijk taalpuriteins, die Vlamingen!

Niet alleen in Ligny werd die 16e juni 1815 slag geleverd: enkele kilometers verderop, bij Quatre-Bras, stond de linkervleugel van het Franse leger tegenover de troepen van Wellington.

Wat zei Leo Camerlinck nou een half uurtje geleden?
‘Er moet nog veel gebeuren en opgeknapt worden. We zijn nog lang niet klaar.’ Dat zal-ie -net als ik- in Quatre-Bras toch ook wel gedacht hebben?

Maar kijk: in datzelfde Quatre-Bras, staat zomaar een herdenkingszuil voor de gesneuvelde Hollandse huzaren in 1815. Die was al in 1996 klaar… (en dat bedoel ik niet chauvinistisch).

Napoleon verlaat zijn kasteel in Fleurus om de Engelsen verder op te jagen, en vestigt zijn laatste hoofdkwartier in de Ferme du Caillou, in Vieux-Genappe. Deze hoeve vatte op de avond van de veldslag vuur.

Die boerderij in Vieux-Genappe is tegenwoordig een Napoleonmuseum. Lijkt me leuk! Eén van Napoleons plooibedden staat er, zijn dodenmasker ligt er en ook zijn er de nodige persoonlijke voorwerpen van de keizer tentoongesteld.

Dat boerderij-museum staat dus helemaal ingepakt in wit plastic.
‘Wegens renovatie gesloten tot december 2014’ staat er op het bord.
Naast het Dernier Quartier is een grindpleintje met uitlegborden, een bankje en een standbeeld(je) van Napoleon. Ook leuk. Toch?

Als ik ben aangekomen bij de Leeuw van Waterloo in Braine-l’Alleud, besluit ik eerst maar een hapje te gaan eten. Bij binnenkomst in restaurant Wellington (je verzint het niet), zie ik Leo en zijn vrouw aan een tafeltje zitten.
‘Heeft u het gezien?’, zegt-ie, als we elkaar de hand hebben geschud, ‘ze hebben Napoleon ingepakt. Tegen de kou waarschijnlijk!’
Ik had het inderdaad gezien. Ook alle bouwwerkzaamheden. De graafmachines. De hijskranen. Het in aanbouw zijnde Memoriaal, dat zesduizend vierkante meter groot moet worden. Allemaal volgend jaar klaar.

Het Panorama is wel geopend. Op dat ronde doek, met een lengte van 110 en een hoogte van 12 meter is de Slag bij Waterloo helemaal te volgen.
Ook de heuvel, met op de top de Leeuw van Waterloo, is te beklimmen. Ik vraag nog beleefd waar de seniorenlift is, maar nee: ik zal die 226 treden, die mij 41 meter hoger brengen, zelf moeten beklimmen. Die klim is steil. Vier keer moet ik onderweg even rusten. Zei ik ‘rusten’? Ik bedoel natuurlijk: vier keer ben ik gestopt om foto’s te maken!
Maar dan sta je ook min of meer oog in oog met dat leeuwenbeeld van ijzer, 28 ton zwaar (ik lees het ook maar op de bordjes). Ook, dat deze heuvel precies op de plek staat waar ‘onze’ prins Willem van Oranje tijdens de Slag bij Waterloo gewond raakte. Rondom de sokkel van de leeuw staan verrekijkers, waarmee je het hele slagveld kan overzien. Ze staan er onberoerd. Iedereen staat, een beetje rillend van de kou daar zo hoog boven, maar wat rond te staren naar dat beroemde slagveld. Waarom zou je trouwens een euro in zo’n kijker stoppen? Het is hartstikke mistig…

Waterloo, het einde

Betekende Waterloo voor Napoleon het einde, voor mij is het dat ook.
Het einde van mijn trip wel te verstaan.
Even in drie weken op en neer naar de Middellandse Zee.
Precies 3309 kilometer heb ik er tot aan Waterloo opzitten.
Nog 190 kilometer, dan ben ik weer thuis.
‘Normaal’ gesproken is op en neer naar Menton een rit van ruim 1800 kilometer. Bijna zo’n zelfde afstand meer (1664 om precies te zijn) heb ik binnendoor gedwarreld. Maar, nog één keer dan: de reis was belangrijker dan de bestemming.

En wat heb ik veel gezien.
En wat heb ik veel ook niet gezien.
Keuzes waren het. Mijn keuzes.
Mijn manier van genieten.

(more or less) Translate »