2014 Camper Elfstedentocht

Elfstedentocht

Uit Wikipedia:
De Elfstedentocht (Fries: Âlvestêdetocht) is een bijna 200 kilometer lange schaatstocht over natuurijs die wordt georganiseerd door de Koninklijke Vereniging De Friesche Elf Steden. Vanwege de afstand en het heroïsche karakter wordt de Elfstedentocht ook wel ‘De Tocht der Tochten’ genoemd.
De Elfstedentocht werd voor het eerst in 1909 gereden en wordt maximaal eenmaal per winter gehouden. De route brengt de deelnemers langs de elf plaatsen die ooit stadsrechten hebben verkregen. In totaal werd de tocht vijftien maal verreden. De recentste tocht vond plaats in 1997.

Ljouwert  0 > Snits  22 > Drylst 26 > Sleat 40 > Warkum 66 > Boalsert 77 > Hylpen 86 > Starum 99 > Harns 116 > Frjentsjer 129 > Dokkum 174 > Ljouwert 199

Zandbak

Op weg naar Friesland rijd ik langs Hoek van Holland om bij Camperbouw Holland een klein timmerklusje te laten verrichten.
‘O ja’, zeg ik tegen Wim als hij m’n bussie de werkplaats wil inrijden, ‘kijk, dat opstapje bij de schuifdeur komt sinds een paar weken nog maar een paar centimeter naar buiten. Ik vermoed, dat er vuil tussen zit.’ ‘Kijken we meteen even naar’, zegt Wim.

Een half uurtje later ligt de hele doos met het schuifmechaniek naast m’n bussie. Ernaast ligt een bijeen geveegde hoop zand en modder. ‘Dat heeft de monteur uit de trommel geveegd’, legt Wim uit. ‘Geen wonder dat het treetje niet meer voor- of achteruit wilde. Waar heb je in vredesnaam gereden?’
Ik moet het antwoord schuldig blijven.
Een verlaat souvenirtje van mijn Rondje Zwarte Zee? *)

*) (her)lees: Twee hoeraatjes voor de boeren!

Wintertijd

Het is weliswaar niet echt winter, met overdag temperaturen rond de tien graden, maar ’s avonds in dat bussie van me is het toch ‘gevoels-kouder’ dan ik dacht. Geen enkel probleem trouwens: shirt aan, fleece erover, warme-pantoffels-van-thuis aan mijn voeten en de kachel lekker laten snorren. Wie doet me wat? Voordeel is, dat de koelkast niet aan hoeft. Scheelt weer gas en elektra.

Nadeel is wel, dat alles ’s morgens een beetje klammig is.
Mijn koffie staat dampend op de ontbijttafel, ik snijd een krentenbolletje doormidden, besmeer het en wil er een schepje bruine basterdsuiker op strooien. Als ik het deksel van het busje haal, staat het lepeltje muurvast in de compacte klont suiker. Ik zet het open busje op z’n kop op tafel, tik een paar keer op de bodem, maar er komt nog geen kruimeltje uit. Nou ja, lekker belangrijk. Heb ik bruine haksuiker…

Fotogeniek

Het Ir. D.F. Woudagemaal in De Lemmer, dat in 1920 door koningin Wilhelmina werd geopend, is het grootste stoomgemaal ter wereld dat nog werkt. Nog steeds zorgt het monumentale gemaal bij hoge waterstanden voor droge voeten in Friesland.

Met nog een stel andere grijze senior-duiven worden we door een gids rondgeleid in deze ‘kathedraal van stoom’. Op het moment dat we de machinehal betreden, pakt een monteur zijn oliekan en poetslap.
‘Ik geloof er niks van’, zeg ik tegen hem, ‘ik geloof er niks van dat die machines uitgerekend nu geolied en gesmeerd moeten worden.’
‘Ach mijnheer’, is zijn antwoord, ‘als ik weer zo’n groep met een gids zie binnenkomen, denk ik: kijk, daar is mijn Kodakmomentje weer…’

De Lemmer: Ir. D.F. Wouda-stoomgemaal

Jeugdsentiment

Dik veertig jaar geleden lieten Nel en ik onze eerste zeilboot bouwen bij jachtwerf De Merenpoort in Echtenerbrug. Gisterenavond in bed bedacht ik (toch in de buurt) tijdens deze Elfstedentocht een klein ommetje te maken.

Hoe lang is het geleden, dat we daar voor de laatste keer afmeerden met ons Drammertje? *) Vijftien jaar? Maar als ik de splinternieuwe winkel binnen stap, word ik meteen herkend: ‘Wacht even. Frits Mahn toch? Van de Frikkenbrik. Ja, ja. U bent grijs geworden! Vroeger noemden wij u de blanke neger!’
Als ik mijn wenkbrauwen niet begrijpend optrek, wordt me uitgelegd, dat ik ooit van top tot teen pikzwart uit de motorruimte van onze zeilboot kroop, waar ik de lekkende en roetende uitlaat had gerepareerd. Ach, helemaal vergeten.

 

‘En dan die keer, dat je rubberen watertank knapte, omdat je zo stond te kletsen, dat je vergat bij het tanken op te letten en tachtig liter water in je boot had. Ja, dat weten we allemaal nog! Vaar je nog steeds? En ben je alleen? Waar is je vrouw? Alles goed met haar?’
Tsja, dan wordt het even stil. Vandaag in Echtenerbrug. Morgen precies zeven jaar geleden. Ben ik daarom hier? **)

*) Drammer-verhaal lezen? Ga naar: scheepslogboek 2001

**) kijk en lees: fotoboek Nel

Ferskil moat der wêze

Camperplaats bij jachthaven Lemmer Binnen
‘Goeiemiddag mijnheer. U wilt hier een nachtje staan? Dat is dan dertien euro alstublieft.’
‘En wat krijg ik voor die dertien euro?’
‘Eh… een parkeerplek. En er is water, maar dat is nog niet aangesloten. Er zijn stroompalen. En in dat grote gebouw aan het begin van het terrein kunt u het invalidentoilet gebruiken. Daar is ook een douche. De code van het toilet is 2311. Zal ik u bij het wisselgeld meteen wat muntjes van vijftig cent geven?’
‘Muntjes?’
‘Ja. Die heeft u nodig voor de waterautomaat.  Oh nee, die is nog afgesloten. Maar voor de stroomautomaat heeft u ze in ieder geval nodig. En ook de douche werkt op muntjes. Kijk eens: hier heeft u acht muntjes van vijftig. Kunt u voorlopig vooruit…’
Ik heb voldoende drinkwater en ik maak mijn eigen stroom, dus die muntjes gaan mijn portemonnee in.
Als ik een half uurtje later met een kop verse koffie achter mijn laptop zit, zie ik dat de jachthaven wifi heeft. Moet ik wel een voucher kopen in het havenkantoor. En dat is -buiten het seizoen- inmiddels gesloten.

Camperplaats bij camping ’t Séleantsje in Molkwerum
‘Nee mijnheer, de camping is nog gesloten, maar kijk: schuin aan de overkant, honderdvijftig meter hiervandaan is een grote camperplaats. Ga maar even kijken of het u bevalt.’
‘En wat kost dat per nacht?’
‘Normaal tien euro, maar het is nog buiten het seizoen, dus vijf euro per nacht. Er zijn daar ook stroomkasten. Toilet en douche kunt u hier op de camping gebruiken. En tegenover de camperplaats staat een van onze vijf wifi-antennes, dus u heeft daar ook signaal.’
‘Mooi! Maar wat komt er dan nog bij voor al die extra service?’
‘Niets! Ga nou maar kijken of het plekje u bevalt en kom dan straks die vijf euro maar even aanreiken. Waarom kijkt u zo verbaasd?’
‘Ach, ik heb de afgelopen nacht op de camperplaats in Lemmer overnacht, dus…’
‘Tsja, daar noemt u wat. Lemmer…’

Schaatsmuseum

Ik heb helemaal niets met schaatsen. Sterker nog: ik kan het niet eens. Twee keer in mijn leven heb ik een poging gedaan die sport onder de knie te krijgen, maar ik vond er niets aan.
Maar ja, als je dan met je bussie de Elfstedentocht rijdt en als er in één van die elf steden Het Eerste Friese Schaatsmuseum is, dan moet je dat natuurlijk wel besykje. En wat is het leuk! Met een aparte zaal, helemaal gewijd aan de Elfstedentocht.
En een restaurant, waar ze overheerlijke wafels bakken, met warme kersen, slagroom en kaneel. Ga ik toch op mijn manier nog van schaatsen houden.

Hylpen/Hindeloopen: Het Eerste Friese Schaatsmuseum

Hylpen/Hindeloopen

Drie dagen te vroeg

Ik parkeer m’n bussie vlakbij het Marktplein in Workum en loop een klein stukje naar het Noard, waar het beroemde Jopie Huisman Museum is gevestigd. Jopie Huisman: Frieser kan het niet.

Er brandt geen licht. De deur is op slot en er hangt een bordje. Dat is pech: vandaag is het donderdag, zaterdag gaat het museum pas weer open. Mopperend op mezelf (slecht voorbereid, Frits!) loop ik terug naar m’n bussie. Ik besluit dan maar even wat boodschapjes te doen. Ik laat Claire-mijn-Garminnetje een supermarkt zoeken. Ik negeer de Aldi en parkeer voor de Poiesz. Bezoek ik toch nog iets Fries in Workum. Maar ik baal wel.

Herre en Gepke

‘Mmja. Open en open is twee. Kijk, onze camping is wel open, maar als jij met je camper op het terrein gaat staan, kan ik je morgenochtend met de trekker uit de modder sleuren. ’t Is nog veel te dras, hè?’
Herre van camping Heeres in Hieslum (dat verzin je niet zo’n alliteratie) kijkt bedenkelijk naar mijn bussie dat op zijn erf staat geparkeerd. ‘Maar als het voor één nacht is’, mengt zijn vrouw Gepke zich in het gesprek, ‘kun je wel op het beton van het erf blijven staan. Als je dat tenminste niet vervelend vindt, zo vlak naast ons woonhuis. En ik weet niet of je wilt internetten, maar op die plek pik je wel ons signaal op.’
‘En douches en toiletten?’, vraag ik, ‘ik moet echt nodig mijn haar wassen!’
‘Er is een toilet in het gebouw naast je camper. Dat loop ik zo even na en dan kun je dat gebruiken. Maar voor de douche moet je een klein stukje lopen. Honderd meter verderop staan onze vakantiehuisjes. Huisje drie is open, de sleutel zit in de deur en daar kun je dan van de douche gebruik maken.’
Herre staat op, loopt naar de deur en schiet in zijn schoenen. ‘Heb je ook stroom nodig?’, vraagt-ie in de deuropening. ‘Nou echt nodig niet’, antwoord ik, ‘maar als het geen moeite is… Hij stapt naar buiten en ik sta op om met hem mee te lopen. ‘Wacht nog even’, zegt Gepke, ‘dan schrijf ik het wachtwoord van ons netwerk voor je op.’ Als ze me het briefje overhandigt, vraag ik haar wat die overnachting me eigenlijk gaat kosten. ‘Ach, je bent maar alleen toch? Geef maar een klein tientje.’

Als ik bij m’n bussie kom, heeft Herre daar al zijn eigen kabelhaspel voor me klaargezet. Ik maak m’n hotel-op-wielen overnachtingsklaar (zet dat fietsje maar in de stal, Frits, want het gaat regenen) en zit een kwartier later met een dampende kop koffie binnen aan tafel. Op het erf van een boerderij aan een doodlopende weg in een buurtschap waar ik nog nooit van gehoord heb. Achter me loeien de koeien in de stal. Naast m’n bussie scharrelen wat kippen. Als ik uit m’n raam kijk, zie ik een hoge heg vol kwetterende mussen. Net boven de heg uit kan ik het woonhuis zien. Gepke staat in de keuken. Ze zwaait naar me.

De volgende morgen kom ik vanzelfsprekend niet weg zonder eerst in de woonkeuken koffie te hebben gedronken. En natuurlijk kan ik mijn toiletcassette nog even legen. En natuurlijk kan ik drinkwater tanken. ‘Eerst nog maar een kop koffie’, zegt Herre, ‘dan pak ik daarna mijn slang even voor je.’ ‘Je moet nog maar eens terugkomen als het zomer is’, zegt Gepke, ‘dan is alles hier zo mooi groen.’
Je zou het bijna doen. Al was het alleen maar voor die twee hartelijke, hulpvaardige mensen.

Frysk?

Ik heb weinig moeite met de Friese taal. Ik spreek het niet (nou ja, een paar woordjes), maar verstaan doe ik de mensen wel. En de krant lezen, lukt ook aardig. Maar soms…

Wachtend op mijn lunch, pak ik de Leeuwarder Courant van de bar. Ik zie de ‘Gurbe-van-de-dag’. Ik lees. Ik herlees. Ik kan er geen chocola van maken.

Terug in m’n bussie toch maar even gegoogled: had ik (dirty mind) toch een heel ander idee van dat piksjitten.

Het werpspel piksjitten wordt gespeeld in Haulerwijk in Friesland. Het paaltje “de pik” (heel vroeger “buut” genoemd) met daarop penningen staat op ca 25 meter van de meet. Met een stalen kogel wordt op de pik geworpen. Wordt de pik geraakt, dan worden de afgevallen penningen, die met de witte zijde boven liggen op de pik teruggelegd. Penningen die met de rode zijde boven liggen mogen door de speler worden behouden. Men mag elkaar bij de pik wegspelen. Heb je al enige penningen, dan moet je die afstaan aan degene die jouw bal weet te raken. Degene die als laatste niet meer kan worden geraakt en dus alle munten heeft, is de winnaar.
Wanneer het piksjitten op het ijs wordt gespeeld, gebruikt men als pik een halve baksteen, die rechtop wordt gezet. De meet wordt dan met een hele baksteen aangegeven. Op het ijs worden, in plaats van ballen, platte stenen als werpmateriaal gebruikt.

Makkum

(more or less) Translate »