2014 Camper België

België eerder

In 2001 maakten Nel en Frits een vaartocht door België. Klik op de foto om naar het scheepslogboek te gaan.

N 51 05.925 E 3 29.572

Wat is het toch heerlijk, dat ik met m’n bussie steeds meer selfsupporting ben. Sinds de aanschaf van mijn daglichtpaneel en omvormer kan ik gaan en vooral nog meer staan waar ik wil.

Langs het Kanaal Gent-Brugge loopt een smal weggetje. Aan dat weggetje is één camperplek. En daar sta ik. Het is klein en ik moet een paar keer steken om dat bussie van me tussen de twee bomen te parkeren, maar dan heb ik ook een schitterende plek. Jawel, het is natuurlijk een vorm van bermtoerisme, maar wat komt hier voorbij? Anderhalve auto en de nodige recreatiefietsers en wandelaars. Ik klik mijn buitentafel in het keukenblok, zet mijn stoel ‘voor de deur’, maak een kop koffie en stop een verse pijp.

Bellem heet het dorpje hier, hemelsbreed zo’n zeventien kilometer van Gent. In de buurt liggen plaatsjes als Kruiskerke, Poeke, Latenhulle en Poesele (gekend bij een ieder toch?).

Gek eigenlijk. Thuis heb ik een tuin aan het water, vele malen groter dan dit plekje hier, en daar ben ik met geen stok naar buiten te krijgen. Maar eenmaal met m’n bussie op stap, zit ik hier de hele middag langs het kanaal te genieten.

Twee meeuwen landen verontwaardigd krijsend vlak voor me in het water. Bijen gonzen zoemend van bloem naar bloem. Regelmatig vaart er een plezierbootje voorbij. Met een brede armzwaai groeten ze die behaarde landrot in zijn stoeltje voor zijn bussie. Een senioren-echtpaar knikt me in het voorbijfietsen vriendelijk toe.
Ik maak nog een kop koffie en zet mijn stoel wat schuiner achterover.
Als ik die koffie even later wil opdrinken, is die ijskoud.
Heb ik zo lang geslapen? Heerlijk!

Station Ramskapelle

De Eerste Wereldoorlog van 1914 tot 1918 wordt door onze zuiderburen De Grooten Oorlog genoemd. Talloze monumenten, herdenkingsplaatsen en restanten van bouwwerken houden de herinnering aan deze oorlog levend. Honderd jaar geleden begon de Eerste Wereldoorlog en vanwege dat feit heeft de Belgische regering het jaar 2014 uitgeroepen tot speciaal herdenkingsjaar.

Ik rijd de IJzerfrontroute tussen Nieuwpoort en Diksmuide.
Half oktober 1914 besluit Koning Albert I hier een oude krijgstechniek uit deze streek toe te passen door de sluizen van de IJzer en de Noordvaart open te zetten, waardoor een breed overstromingsgebied ontstaat. Tegelijkertijd geeft hij het leger opdracht zich in te graven achter de spoorweg Nieuwpoort-Diksmuide. Het plan lukt: het Duitse leger loopt vast in de modder en de Belgen houden tot eind september 1918 in de stellingen stand.

Het stationnetje van Ramskapelle wordt in de oorlog als observatiepost gebruikt. Hier en in de directe omgeving wordt stevig lijf-aan-lijf gevochten. Bij de restanten van het stationnetje staat een gedenkplaat die het hier gelegerde 14de linieregiment eert. Het monumentje met de drie halve militairen herinnert aan de kerstbestanden van 1914 die aan het front plaatsvonden.

Jammer nou #1

Hebben ze zo’n fraaie beeldengroep, daar bij het voormalige station in Ramskapelle. En dan is er echt helemaal niemand die even die neus kan schoonmaken?

Observatietoren Pervijze

Het plaatsje Pervijze lag op of heel dicht bij de wisselende frontlijn. De oude observatietoren (die inmiddels al behoorlijk uit het lood staat) is een van de weinige gebouwen die het oorlogsgeweld heeft overleefd. En waarom zou je -na de toren bekeken te hebben- daar niet ‘voor de deur’ met je bussie overnachten?

Het dorp Pervijze kreeg internationale bekendheid door twee Rode Kruisverpleegsters, Mairi Chisholm en Elsie Knocker, de ‘angels of Flanders Field’, die hier een kelder ombouwden tot verbandpost. Het zijn twee vrijgevochten vrouwen die met motoren en auto’s de frontlinie doortrokken om gewonde soldaten te helpen en zich er niets van aantrokken, dat het Belgische leger liever geen vrouwen dicht bij het front wilde.

De twee mannen werden in de post binnengebracht, te ver heen om nog iets voor te kunnen doen, ze hadden zware hoofdwonden, de meest schokerende van alle wonden, hun hersenen puilden uit.
Mairi zegt: “Ze waren onmiddellijk dood en we droegen hen naar buiten in de achtertuin; de hele tijd regende het granaten. We hielpen om hun kleren te doorzoeken, de arme stakkers. Eén van hen, een jongen van negentien, was maar twee dagen in de loopgraven geweest. Terwijl ik zijn zakken van zijn overjas aan het doorzoeken was, vond ik er plots de hersenen van een van de andere mannen, waarschijnlijk in de jaszak geblazen door de ontploffing. Een heel curieus incident”.

Uit: The Cellar house of Pervyze (1915)

Duidelijk zo?

Gezien bij de jachthaven van Veurne.
Oei, wat is onze Roy -eigenaar van een kampeerbus- kwaad op de havenmeester. Daar is geen woord Frans bij.
Maar -hoe boos je ook bent- wel altijd beleefd blijven.
Dus sluit Roy zijn boodschap af met een keurig ‘Dank u’.

OL-Vrouwehoekje Stuivekenskerke

Het Onze Lieve Vrouwekerkje heet in de Grooten Oorlog Oud-Stuivekenskerke. Bij de onderwaterzetting vormt dit dorp een eilandje dat een kilometer voor de eerste Belgische linie ligt. De grote klokkentoren is belangrijk als vooruit geschoven uitkijkpost.
Zestien maanden lang is militair en Franciscaner monnik Edouard Martial Lekeux hier observator van dienst. Men noemt hem zelfs de burgemeester van ‘Oud Stu’.
“Tussen hen en ons: de wildernis, bezaaid met enkele honderden kadavers in ontbinding. Vanop mijn uitkijkpost tel ik er vijfhonderd met het blote oog. Op een kilometer van ons: de IJzer.
(…)
Geen enkele bescherming: geen enkele loopgraaf, geen prikkeldraad. We bezetten een ruïne. Daar bovenop is het moreel schabouwelijk van de arme duivels wiens rol het is om te creperen en te incasseren en de jonge recruten die hier net met klappende tanden hun vuurdoop hebben ondergaan.”

Uit:Le Patelin de Notre Dame Edouard Martial Lekeux 1927

Dodengang Diksmuide

De Dodengang is een loopgravenstelsel langs de IJzer bij Diksmuide, waar de Belgische troepen vier jaar lang stand hielden tegen de vijand. Op deze plek lagen de Duitsers het dichtst bij de Belgische frontlijn, tot vijftig meter van elkaar.
Op de plek van de voormalige Dodengang staat nu een museum en zijn de loopgraven te bezichtigen. Zandzakken zijn er niet meer. Het loopgravenstelsel is voor een klein deel gereconstrueerd met betonnen ‘zandzakken’. Keurigjes allemaal. Heel netjes. Zo anders ook dan het er in 1914-1918 moet hebben uitgezien.

“Dan verschijnen boven de Duitse borstwering een paar handen en als de eigenaar ervan vaststelt dat de Belgische piotten niet schieten, verstout hij zich zijn hoofd te tonen, maar dan echt één van die Moffenkoppen. Vervolgens steekt ook een piot zijn hoofd uit, dan twee Duitsers en twee piotten. Uiteindelijk bekijken een twintigtal oorlogvoerenden elkaar met nieuwsgierige blikken. Die Moffen zijn oude venten.
(…)
De piotten en de Moffen gooien uitgelaten met graszoden, keien en met aarde gevulde conservenblikken naar elkaar. Zo wordt op zeventien meter van elkaar een moderne oorlog gevoerd. Op een plek waar de bodem van bloed doordrenkt is, spelen de vijanden als grote kinderen.”

Uit:Deckers’ dagboek, oorlogsnotities 1914-1919 René Deckers 1999

IJzertoren Diksmuide

De IJzertoren werd in 1930 opgericht als symbool van de IJzerstrijd met het ‘Nooit Meer Oorlog’ als leuze, maar ook AVV-VVK (Alles Voor Vlaanderen – Vlaanderen Voor Kristus). Ter herinnering aan verhalen van tijdens de oorlog waarin officieren voornamelijk Franstalig zouden zijn geweest en Vlamingen die onwetend de loopgraven werden ingestuurd.
In 1946 wordt de IJzertoren opgeblazen met dynamiet, waarschijnlijk omwille van een Vlaamsgezinde collaboratie in de Tweede Wereldoorlog.
De toren wordt opnieuw gebouwd en ingehuldigd in 1965.

Maart 1915
“Het is een plezier om ’s nachts de wacht te zijn aan de IJzer. Op een 40-tal meter van ons staat er een bloemmolen waar de Duitsers inzitten. Zij roepen van tijd tot tijd dat wij niet mogen schieten. En als wij hen antwoorden dan beginnen we tegen elkaar te roepen en elkaar uit te maken dat het een plezier is om te horen. Ze roepen tegen ons: Gij hebt wel een koning, maar hij heeft geen woning. En wij antwoorden dan: Gij hebt wel een keizer, maar hij kan niet over de IJzer! We vragen hen soms hoe ver ze nog van Parijs zijn, en dan zit het er op en zij willen niet meer antwoorden! En zo gaan de dagen rap voorbij.”

Uit: De oorlogsbrieven van oud-strijder Eduard Schelfhout

Menenpoort Ieper

Onvoorstelbaar.
Sinds 11 november 1928 wordt iedere avond om acht uur (geen dag uitgezonderd) de last post geblazen in de Menenpoort van Ieper. Dit als teken van dankbaarheid aan de strijders voor de vrijheid en onafhankelijkheid van België.|
De Menenpoort is gebouwd na de Eerste Wereldoorlog. Tijdens die Grooten Oorlog was hier de weg waarover velen naar het front zijn gemarcheerd om nooit meer terug te keren. Meer dan 100.000 militairen hebben geen graf. Hiervan staan er 54.896 vermeld op de muren van de Menenpoort.

Ik was hier eerder in 2001.
Toen stonden er twee, drie rijtjes belangstellenden.
Als ik nu bij de poort aankom, is er geen doorkomen aan. Van de ceremonie is niet veel te zien. ‘Komt door de honderdjarige herdenking’, zegt de man naast me fluisterend, ‘volgend jaar is het weer rustiger.’