2012 Camper Italië

Opschieten

‘Ga je naar Italië? Ga dan door Oostenrijk. Pak de Fernpass en daarna de Brenner. Neem vooral niet de route door Zwitserland. Je wilt toch opschieten? Veel te veel oponthoud als je door Zwitserland gaat. Je staat uren in de file bij de Gotthard.’
Voor mijn vertrek kreeg ik van diverse kanten dit reisadvies. En wie ben ik om dat in de wind te slaan? Door Oostenrijk dus.

Maar konden die thuisblijvers weten, dat de Italianen aan hun kant van de Brennerpas met wegwerkzaamheden bezig zijn? Konden zij weten, dat ik op dat stuk van de snelle route een behoorlijk oponthoud had? Twee uur en tweeëntwintig minuten op het hoogtepunt…

Parkeerplek

‘Eigenlijk’, had de eigenaar van campeggio T’Asteria tegen dochter gezegd, ‘eigenlijk heb ik geen speciale plaatsen voor campers. Maar als je vader dat wil, kan hij wel op de parkeerplaats staan. En heeft-ie ook elektriciteit nodig? Geen probleem: als zijn snoer lang genoeg is, kan hij stroom halen uit het toiletgebouw.’
Natuurlijk heeft vader geen probleem met de parkeerplaats. Wel zo makkelijk: vlakbij de bar, het zwembad en het toiletgebouw. En er komt nog eens iemand langs gedurende de dag (en je blijft groeten, want allemaal Hollanders en Vlamingen). Maar niks klimmen van en naar je tent en wat een uitzicht!
En stroom? Voor dat elektrische fietsje bijvoorbeeld? Dichter bij de bron kan niet…

Traditie

Eigenlijk hangt alles aan elkaar van tradities bij zo’n kopje-koffie-bij-de-kinderen-in-de-vakantie. Want natuurlijk worden er de eerste dag dat opa op de camping is aangekomen Hollandse pannenkoeken gebakken. En of het nou 35 graden is, maakt niet uit, sommige tradities kunnen niet stuk.

En bij het eerste gezamenlijke ontbijt komen de kleintjes De Ruijter uit het bussie van opa tevoorschijn. Ha lekker, hagelslag!

pizza-avond op campeggio T’Asteria

Kusje met gevolgen

‘Opa, heb je wel je vaarbewijs bij je? Vandaag rijden we naar de kust, daar huren we een bootje en dan gaan we lekker de zee op.’ Over tradities gesproken. Nu is dat vaarbewijs van opa al een paar jaar verlopen, maar dat mag de pret niet drukken. Zwemspullen mee, factor 50 in de tas, de opblaas-Hema-worsten achterin en op naar zee. Heerlijk, die airco op vol vermogen in de auto!

Tien kilometer voor de kust staan we bij een rotonde te wachten tot we kunnen invoegen als vijf lichamen met een schokje vooruit schieten. Bonk! De achter ons staande auto zit even te suffen en geeft ons een bumperkusje. Hè ja, daar zaten we op te wachten: een aanrijdinkje in eigen land is al vervelend, maar in het buitenland, wat een gedoe. Hopelijk spreekt de bestuurder een beetje Engels, dat zou het allemaal wat eenvoudiger maken bij het afhandelen van de formaliteiten. We hebben pech: de man spreekt alleen Italiaans en begint aan Gertjan nerveus en omstandig uit te leggen wat er is gebeurd. ‘Hebben wij eigenlijk onze autopapieren wel bij ons’, hoor ik Gertjan aan Saskia vragen, het antwoord eigenlijk al wetend. ‘Nee, die liggen op de camping. Daar hadden we het nog over, weet je nog, of we die mee zouden nemen. Nou ja, we zien wel…’
De bekende schadeformulieren komen tevoorschijn, maar bij het invullen van de gegevens van de tegenpartij komen we er achter, dat de man een verlopen verzekeringspolis bij zich heeft. Uiteraard is hij wel correct verzekerd, maakt hij duidelijk, maar het nieuwe papier ligt thuis. We worden een tikkeltje wantrouwend. Even verderop staan twee agenten en we besluiten die er even bij te roepen om de ingevulde gegevens op het schadeformulier te controleren. Jurgen en Karlijn buigen zich in de auto over een videospelletje.

Dat vindt de tegenpartij niet leuk als Saskia met oom agent komt aanwandelen. Hij wordt nog nerveuzer als de agent zich over het schadeformulier buigt en ter controle naar zijn rijbewijs vraagt. Dat blijkt verlopen op 24 juli. En het is vandaag de 28e…
De houding van de agent verandert onmiddellijk. Was hij tot nu toe uiterst vriendelijk en behulpzaam, nu recht hij zijn rug, zet zijn pet wat vaster op zijn hoofd en straalt autoriteit uit.
De Italiaanse bestuurder -toch al niet groot- krimpt een paar centimeter. Hij begint omstandig en bijna smekend aan de agent uit te leggen hoe de vork aan de steel zit (althans dat vermoeden we, want verstaan doen we het niet), maar de agent is onvermurwbaar, zeker als hij ook nog het verlopen verzekeringsbewijs ziet. Een bekeuring voor het rijden zonder rijbewijs kan hij de man niet geven, want (legt hij ons uit): ‘Ik heb hem als voetganger aangetroffen en niet als bestuurder, maar ik heb te weinig bevoegdheid om dit te regelen, dus ik ga mijn collega’s oproepen.’ Dat is nu ook weer niet de bedoeling, geeft Gertjan aan, denkend aan zijn eigen officiële papieren die op de camping liggen. Als het schadeformulier maar in orde is en ondertekend, is het voor hem afgedaan. Maar de agent is vastberaden. Met zijn portofoon roept hij collega’s op, Saskia besluit met de kinderen een ijsje te gaan eten en opa regelt in het restaurant waar we voor staan koffie voor het hele gezelschap.

Na een half uur (…) draait een politieauto met zwaailicht de straat in. De uitstappende agenten zijn helemaal ‘echt’: hoge zwarte laarzen-met-veters, revolvers in de holster en meteen gebarend dat er geen foto’s mogen worden gemaakt. Ze nemen hun taak serieus: alle formaliteiten moeten over, een nieuw schadeformulier wordt aan de hand van de papieren helemaal opnieuw ingevuld, Gertjan en de Italiaanse bestuurder moeten een blaastest doen en er wordt druk getelefoneerd. Hoe Gertjan het voor elkaar heeft gekregen zich hier uit te redden, zonder officiële papieren is me niet duidelijk. Hij wappert interessant met wat vage papieren van de leasemaatschappij, maakt er een verhaal bij, waarmee hij de agenten overtuigd, dat dit de gegevens zijn waar ze om vragen en ‘begrijpt’ als het hem zo uitkomt de vraag van de agent niet. Het wordt allemaal geaccepteerd en als alles achter de rug is, worden er handen geschud en kunnen we vertrekken.

Een bootje huren aan zee zal krap worden, want alles bij elkaar heeft deze bumperkusoperatie ons twee uur oponthoud opgeleverd (en een mooi verhaal…).

Koortsthermometer

En, hoe is het weer eigenlijk daar op campeggio T’Asteria in Italië?
Prima: overwegend een strakke blauwe hemel, volop zon en temperaturen van dik dertig graden. Gelukkig waait er een verkoelend windje, maar je moet niet teveel doen, want dan breekt het zweet je uit.

En in dat bussie van je?
Een beetje uit te houden?
Och…

Markt

Markt in San Benedetto del Tronto
(inwisselbaar voor ieder ander kustplaatsje langs de Adriatische kust)

Gezellie

Camping Village Assisi is internationaal ingesteld: goed Engelssprekend personeel bij de receptie en informatiebladen in vele talen, waaronder het Nederlands. Naast de informatie over de bus naar Assisi, de openingstijden van het zwembad, de restaurants, de weekmarkten en wifi internet ook onderstaande tekst.
Hè, op deze manier gepresenteerd, zou je bijna zin krijgen naar de mis te gaan:

Dom

Assisi (inderdaad van Franciscus die er ook begraven ligt), Assisi dus, is de best bewaarde Middeleeuwse stad van Italië (zeggen ze zelf tenminste). Is misschien waar, maar hun parkeerbeleid is helemaal van de 21e eeuw: garages (waar ik met m’n bussie niet in kan), parkeerterreinen-met-slagboom (waar ik met m’n bussie niet op mag) en touringcarterreinen (waar ik met m’n bussie geweigerd wordt). Nergens in het stadje kan ik m’n bussie kwijt. Na wat rondtoeren vind ik net buiten de bebouwde kom een parkeerhaven. Blij met de gevonden plek, pak ik snel mijn fototoestel, sluit de bus af en loop naar het stadje.

Het is nog vroeg (kwart voor acht om precies te zijn), maar op die manier hoop ik de ergste drukte en de hitte voor te zijn. En ik ben de enige niet die er zo over denkt: de terrasjes en winkels gaan nog maar net open, maar er loopt al menige medetoerist door Assisi.

Dat lopen naar het stadje valt eigenlijk best tegen. De warmte ook. Na een kilometer klimmen (…) loopt het zweet al langs mijn rug. Dom! Ik had mijn fietsje natuurlijk moeten pakken, maar ik heb geen zin nu weer terug naar m’n bussie te gaan. En dan: zo ver zal het toch niet meer zijn? Maar ik moet om het hele stadje heen (had ik toch die andere weg moeten nemen?) en ik zie al die tijd Assisi boven me fraai op de heuvel liggen. Ik bedenk ook puffend, dat ik in mijn blijdschap om de gevonden parkeerplaats mijn bril en -belangrijker- mijn portemonnee niet heb meegenomen. Kan ik niet eens een flesje water of een kop koffie kopen. Dom!
Na zo’n vijf kwartier heb ik Assisi doorkruist. Aan het einde van de straat zie ik een stadspoort. Benieuwd waar ik mijn wandeling heb beëindigd, ga ik door die poort en… zie vierhonderd meter verderop m’n bussie staan! Toch dat andere weggetje moeten nemen! Moe en bezweet open ik mijn inmiddels alweer behoorlijk warm geworden bussie. Ik start, zet de airco in de hoogste stand en rijd zo snel mogelijk de bergen in. Bij de eerste de beste parkeermogelijkheid in de schaduw stop ik. Heerlijk toch, zo’n huis op wielen. Ik was me, fris me op, haal een schoon shirt uit het kastje, maak een kop koffie en steek een verse pijp op. Een half uurtje later vertrek ik richting Siena. *)

*)
Thuisgekomen vertel ik het doorgezweten Assisiverhaal aan overbuurvriend. ‘Je was in Assisi? En je hebt drie kwartier tegen die heuvel op lopen puffen? Maar dan heb je die grote parkeerplaats net buiten de stad onderaan de heuvel gemist. Prima parkeren daar en het mooie is, dat daar een lift is, waarmee je midden in het centrum terecht komt…’

ASSISI

Ook in Siena worden de campers naar buiten het centrum gedirigeerd. Maar ik heb geleerd van mijn ‘wandelprestatie’ in Assisi. Dat zal me vandaag geen tweede keer overkomen: op de fiets dus! Het is inmiddels even na twaalven en nog voor ik mijn fiets en spullen heb gepakt, vertoont ook mijn tweede schone shirt al vochtplekjes…
Tussen de stroom wandelende toeristen laveer ik langs de bezienswaardigheden. Ideaal. Maar relaxed fietsen of niet, als ik weer terug bij m’n bussie ben, krijg ik m’n shirt maar met moeite van mijn natte rug gestroopt. Snel starten maar weer en de airco laten blazen!

SIENNA

Om drie uur meld ik me bij de receptie van Camping Michelangelo in Florence. Een echte stadscamping: rijen en rijen kampeerders, zo dicht op elkaar geprakt, dat mijn luifel niet eens uit kan. En het blijft heet. Als ik weer wat op temperatuur ben (…), besluit ik de stad nog even in te gaan en daar gelijk een hapje te eten. De bus naar het centrum stopt pal voor de camping, dus niks lopen of fietsen. Ik ben de enige niet die met de bus mee wil: bomvol is-ie en iedereen heeft het warm en is in de weer met doekjes of waaiert zichzelf wat koelte toe.

Terug op de camping gaat m’n derde shirt die dag de was in. Ik mag wel uitkijken. Als dit zo doorgaat, haal ik het niet met mijn schone kleren. Moet ik nog wassen. Maar dit gaat zo niet door, neem ik me voor. Achteraf gezien, ben ik toch wel een tikkeltje dom bezig geweest. Wie haalt het nu in zijn hoofd om op één snikhete dag drie steden te bezoeken in temperaturen die oplopen tot tegen de veertig graden? Ik voel me vies. Ben moe. Ben ook cultuurmoe. En hittemoe. Vind het wel lekker om buiten te leven, maar snak naar ieder stukje schaduw, ieder zuchtje wind.
M’n bussie wil niet meer afkoelen. Ik heb dagen geleden de boiler al uitgezet, omdat het water warm uit de tank komt (maar goed dat ik het alleen gekookt gebruik voor een kop koffie en om me te wassen). De koelkast heeft sinds vanmiddag de grootst mogelijke moeite de spulletjes koud te houden: in het kuipje boter zitten kleine smeltplasjes en de kaas komt er zwetend uit. Hij zal toch niet kapot zijn? Komt fijn uit met deze hitte. Mijn kleding komt heet uit de kastjes. Alsof je bij de Chinees zo’n lapje krijgt na de maaltijd. Maar lekker wel, zo’n warme, schone onderbroek ’s morgens.

In de bus naar het centrum raakte ik vanmiddag in gesprek met een puffend Hollands echtpaar. ‘Mijnheer’, zeiden ze, ‘we hebben Florence bekeken. Morgen vertrekken we en over een paar dagen zitten we hoog in de Alpen. Achttien graden is het daar. En misschien af en toe een klein buitje regen.’ Ze keken er bijna verlekkerd bij.

FLORENCE

(more or less) Translate »