2012 Camper Italië

Opschieten?

‘Ga je naar Italië? Ga dan door Oostenrijk. Pak de Fernpass en daarna de Brenner. Neem vooral niet de route door Zwitserland. Je wilt toch opschieten? Veel te veel oponthoud als je door Zwitserland gaat. Je staat uren in de file bij de Gotthard.’
Voor mijn vertrek kreeg ik van diverse kanten dit reisadvies. En wie ben ik om dat in de wind te slaan? Door Oostenrijk dus.

Maar konden die thuisblijvers weten, dat de Italianen aan hun kant van de Brennerpas met wegwerkzaamheden bezig zijn? Konden zij weten, dat ik op dat stuk van de snelle route een behoorlijk oponthoud had? Twee uur en tweeëntwintig minuten op het hoogtepunt…

Traditie

Eigenlijk hangt alles aan elkaar van tradities bij zo’n kopje-koffie-bij-de-kinderen-in-de-vakantie. Want natuurlijk worden er de eerste dag dat opa op de camping is aangekomen Hollandse pannenkoeken gebakken. En of het nou 35 graden is, maakt niet uit, sommige tradities kunnen niet stuk.

En bij het eerste gezamenlijke ontbijt komen de kleintjes De Ruijter uit het bussie van opa tevoorschijn. Ha lekker, hagelslag!

pizza-avond op campeggio T’Asteria

Parkeerplek

‘Eigenlijk’, had de eigenaar van campeggio T’Asteria tegen dochter gezegd, ‘eigenlijk heb ik geen speciale plaatsen voor campers. Maar als je vader dat wil, kan hij wel op de parkeerplaats staan. En heeft-ie ook elektriciteit nodig? Geen probleem: als zijn snoer lang genoeg is, kan hij stroom halen uit het toiletgebouw.’
Natuurlijk heeft vader geen probleem met de parkeerplaats. Wel zo makkelijk: vlakbij de bar, het zwembad en het toiletgebouw. En er komt nog eens iemand langs gedurende de dag (en je blijft groeten, want allemaal Hollanders en Vlamingen). Maar niks klimmen van en naar je tent en wat een uitzicht!
En stroom? Voor dat elektrische fietsje bijvoorbeeld? Dichter bij de bron kan niet…

Kusje met gevolgen

‘Opa, heb je wel je vaarbewijs bij je? Vandaag rijden we naar de kust, daar huren we een bootje en dan gaan we lekker de zee op.’ Over tradities gesproken. Nu is dat vaarbewijs van opa al een paar jaar verlopen, maar dat mag de pret niet drukken. Zwemspullen mee, factor 50 in de tas, de opblaas-Hema-worsten achterin en op naar zee. Heerlijk, die airco op vol vermogen in de auto!

Tien kilometer voor de kust staan we bij een rotonde te wachten tot we kunnen invoegen als vijf lichamen met een schokje vooruit schieten. Bonk! De achter ons staande auto zit even te suffen en geeft ons een bumperkusje. Hè ja, daar zaten we op te wachten: een aanrijdinkje in eigen land is al vervelend, maar in het buitenland, wat een gedoe. Hopelijk spreekt de bestuurder een beetje Engels, dat zou het allemaal wat eenvoudiger maken bij het afhandelen van de formaliteiten. We hebben pech: de man spreekt alleen Italiaans en begint aan Gertjan nerveus en omstandig uit te leggen wat er is gebeurd. ‘Hebben wij eigenlijk onze autopapieren wel bij ons’, hoor ik Gertjan aan Saskia vragen, het antwoord eigenlijk al wetend. ‘Nee, die liggen op de camping. Daar hadden we het nog over, weet je nog, of we die mee zouden nemen. Nou ja, we zien wel…’
De bekende schadeformulieren komen tevoorschijn, maar bij het invullen van de gegevens van de tegenpartij komen we er achter, dat de man een verlopen verzekeringspolis bij zich heeft. Uiteraard is hij wel correct verzekerd, maakt hij duidelijk, maar het nieuwe papier ligt thuis. We worden een tikkeltje wantrouwend. Even verderop staan twee agenten en we besluiten die er even bij te roepen om de ingevulde gegevens op het schadeformulier te controleren. Jurgen en Karlijn buigen zich in de auto over een videospelletje.

Dat vindt de tegenpartij niet leuk als Saskia met oom agent komt aanwandelen. Hij wordt nog nerveuzer als de agent zich over het schadeformulier buigt en ter controle naar zijn rijbewijs vraagt. Dat blijkt verlopen op 24 juli. En het is vandaag de 28e…
De houding van de agent verandert onmiddellijk. Was hij tot nu toe uiterst vriendelijk en behulpzaam, nu recht hij zijn rug, zet zijn pet wat vaster op zijn hoofd en straalt autoriteit uit.
De Italiaanse bestuurder -toch al niet groot- krimpt een paar centimeter. Hij begint omstandig en bijna smekend aan de agent uit te leggen hoe de vork aan de steel zit (althans dat vermoeden we, want verstaan doen we het niet), maar de agent is onvermurwbaar, zeker als hij ook nog het verlopen verzekeringsbewijs ziet. Een bekeuring voor het rijden zonder rijbewijs kan hij de man niet geven, want (legt hij ons uit): ‘Ik heb hem als voetganger aangetroffen en niet als bestuurder, maar ik heb te weinig bevoegdheid om dit te regelen, dus ik ga mijn collega’s oproepen.’ Dat is nu ook weer niet de bedoeling, geeft Gertjan aan, denkend aan zijn eigen officiële papieren die op de camping liggen. Als het schadeformulier maar in orde is en ondertekend, is het voor hem afgedaan. Maar de agent is vastberaden. Met zijn portofoon roept hij collega’s op, Saskia besluit met de kinderen een ijsje te gaan eten en opa regelt in het restaurant waar we voor staan koffie voor het hele gezelschap.

Na een half uur (…) draait een politieauto met zwaailicht de straat in. De uitstappende agenten zijn helemaal ‘echt’: hoge zwarte laarzen-met-veters, revolvers in de holster en meteen gebarend dat er geen foto’s mogen worden gemaakt. Ze nemen hun taak serieus: alle formaliteiten moeten over, een nieuw schadeformulier wordt aan de hand van de papieren helemaal opnieuw ingevuld, Gertjan en de Italiaanse bestuurder moeten een blaastest doen en er wordt druk getelefoneerd. Hoe Gertjan het voor elkaar heeft gekregen zich hier uit te redden, zonder officiële papieren is me niet duidelijk. Hij wappert interessant met wat vage papieren van de leasemaatschappij, maakt er een verhaal bij, waarmee hij de agenten overtuigd, dat dit de gegevens zijn waar ze om vragen en ‘begrijpt’ als het hem zo uitkomt de vraag van de agent niet. Het wordt allemaal geaccepteerd en als alles achter de rug is, worden er handen geschud en kunnen we vertrekken.

Een bootje huren aan zee zal krap worden, want alles bij elkaar heeft deze bumperkusoperatie ons twee uur oponthoud opgeleverd (en een mooi verhaal…).

Koortsthermometer

En, hoe is het weer eigenlijk daar op campeggio T’Asteria in Italië?
Prima: overwegend een strakke blauwe hemel, volop zon en temperaturen van dik dertig graden. Gelukkig waait er een verkoelend windje, maar je moet niet teveel doen, want dan breekt het zweet je uit.

En in dat bussie van je?
Een beetje uit te houden?
Och…

Strandplezier

Gezellie

Camping Village Assisi is internationaal ingesteld: goed Engelssprekend personeel bij de receptie en informatiebladen in vele talen, waaronder het Nederlands. Naast de informatie over de bus naar Assisi, de openingstijden van het zwembad, de restaurants, de weekmarkten en wifi internet ook onderstaande tekst.
Hè, op deze manier gepresenteerd, zou je bijna zin krijgen naar de mis te gaan:

Markt

Markt in San Benedetto del Tronto
(inwisselbaar voor ieder ander kustplaatsje langs de Adriatische kust)

Dom

Assisi (inderdaad van Franciscus die er ook begraven ligt), Assisi dus, is de best bewaarde Middeleeuwse stad van Italië (zeggen ze zelf tenminste). Is misschien waar, maar hun parkeerbeleid is helemaal van de 21e eeuw: garages (waar ik met m’n bussie niet in kan), parkeerterreinen-met-slagboom (waar ik met m’n bussie niet op mag) en touringcarterreinen (waar ik met m’n bussie geweigerd wordt). Nergens in het stadje kan ik m’n bussie kwijt. Na wat rondtoeren vind ik net buiten de bebouwde kom een parkeerhaven. Blij met de gevonden plek, pak ik snel mijn fototoestel, sluit de bus af en loop naar het stadje.

Het is nog vroeg (kwart voor acht om precies te zijn), maar op die manier hoop ik de ergste drukte en de hitte voor te zijn. En ik ben de enige niet die er zo over denkt: de terrasjes en winkels gaan nog maar net open, maar er loopt al menige medetoerist door Assisi.

Dat lopen naar het stadje valt eigenlijk best tegen. De warmte ook. Na een kilometer klimmen (…) loopt het zweet al langs mijn rug. Dom! Ik had mijn fietsje natuurlijk moeten pakken, maar ik heb geen zin nu weer terug naar m’n bussie te gaan. En dan: zo ver zal het toch niet meer zijn? Maar ik moet om het hele stadje heen (had ik toch die andere weg moeten nemen?) en ik zie al die tijd Assisi boven me fraai op de heuvel liggen. Ik bedenk ook puffend, dat ik in mijn blijdschap om de gevonden parkeerplaats mijn bril en -belangrijker- mijn portemonnee niet heb meegenomen. Kan ik niet eens een flesje water of een kop koffie kopen. Dom!
Na zo’n vijf kwartier heb ik Assisi doorkruist. Aan het einde van de straat zie ik een stadspoort. Benieuwd waar ik mijn wandeling heb beëindigd, ga ik door die poort en… zie vierhonderd meter verderop m’n bussie staan! Toch dat andere weggetje moeten nemen! Moe en bezweet open ik mijn inmiddels alweer behoorlijk warm geworden bussie. Ik start, zet de airco in de hoogste stand en rijd zo snel mogelijk de bergen in. Bij de eerste de beste parkeermogelijkheid in de schaduw stop ik. Heerlijk toch, zo’n huis op wielen. Ik was me, fris me op, haal een schoon shirt uit het kastje, maak een kop koffie en steek een verse pijp op. Een half uurtje later vertrek ik richting Siena. *)

*)
Thuisgekomen vertel ik het doorgezweten Assisiverhaal aan overbuurvriend. ‘Je was in Assisi? En je hebt drie kwartier tegen die heuvel op lopen puffen? Maar dan heb je die grote parkeerplaats net buiten de stad onderaan de heuvel gemist. Prima parkeren daar en het mooie is, dat daar een lift is, waarmee je midden in het centrum terecht komt…’

ASSISI

Ook in Siena worden de campers naar buiten het centrum gedirigeerd. Maar ik heb geleerd van mijn ‘wandelprestatie’ in Assisi. Dat zal me vandaag geen tweede keer overkomen. Op de fiets dus! Het is inmiddels even na twaalven en nog voor ik mijn fiets en spullen heb gepakt, vertoont ook mijn tweede schone shirt van vandaag al vochtplekjes…
Tussen de stroom wandelende toeristen laveer ik langs de bezienswaardigheden. Ideaal. Maar relaxed fietsen of niet, als ik weer terug bij m’n bussie ben, krijg ik m’n shirt maar met moeite van mijn natte rug gestroopt. Snel starten maar weer en de airco laten blazen!

SIENNA

Om drie uur meld ik me bij de receptie van Camping Michelangelo in Florence. Een echte stadscamping: rijen en rijen kampeerders, zo dicht op elkaar geprakt, dat mijn luifel niet eens uit kan. En het blijft heet. Als ik weer wat op temperatuur ben, besluit ik de stad nog even in te gaan en daar gelijk een hapje te eten. De bus naar het centrum stopt pal voor de camping, dus niks lopen of fietsen. Ik ben de enige niet die met de bus mee wil: bomvol is-ie en iedereen heeft het warm en is in de weer met doekjes of waaiert zichzelf wat koelte toe.

Terug op de camping gaat m’n derde shirt die dag de was in. Ik mag wel uitkijken. Als dit zo doorgaat, haal ik het niet met mijn schone kleren. Moet ik nog wassen. Maar dit gaat zo niet door, neem ik me voor. Achteraf gezien, ben ik toch wel een tikkeltje dom bezig geweest. Wie haalt het nu in zijn hoofd om op één snikhete dag drie steden te bezoeken in temperaturen die oplopen tot tegen de veertig graden? Ik voel me vies. Ben moe. Ben ook cultuurmoe. En hittemoe. Vind het wel lekker om buiten te leven, maar snak naar ieder stukje schaduw, ieder zuchtje wind.
M’n bussie wil niet meer afkoelen. Ik heb dagen geleden de boiler al uitgezet, omdat het water warm uit de tank komt (maar goed dat ik het alleen gekookt gebruik voor een kop koffie en om me te wassen). De koelkast heeft sinds vanmiddag de grootst mogelijke moeite de spulletjes koud te houden: in het kuipje boter zitten kleine smeltplasjes en de kaas komt er zwetend uit. Hij zal toch niet kapot zijn? Komt fijn uit met deze hitte. Mijn kleding komt heet uit de kastjes. Alsof je bij de Chinees zo’n lapje krijgt na de maaltijd. Maar lekker wel, zo’n warme, schone onderbroek ’s morgens.

In de bus naar het centrum raakte ik vanmiddag in gesprek met een puffend Hollands echtpaar. ‘Mijnheer’, zeiden ze, ‘we hebben Florence bekeken. Morgen vertrekken we en over een paar dagen zitten we hoog in de Alpen. Achttien graden is het daar. En misschien af en toe een klein buitje regen.’ Ze keken er bijna verlekkerd bij.

FLORENCE

Drie keer Dom

Na-apen

Is vriendin een paar weken geleden in Florence, laat ze zich in het Hard Rock Café op de troon en op de foto zetten. Ben ik een maand later in die stad, denk ik: wat zij kan, kan ik ook:

Twee werelden #1

Als ik opsta, zit de zon nog achter de bomen. Ik ruim op, ontbijt en neem een verfrissende douche. Even later meld ik me bij de receptie van Camping Michelangelo om uit te checken en af te rekenen. Voor me staat een Engelsman driftig zijn beklag te doen: dat de plekken hier op de camping zo klein en in de felle zon zijn, dat het zo stoffig is en dat de disco (van de buren) tot vannacht half drie dreunde en dat daarna de discogangers zich luidruchtig over de camping verspreidden. Ik had het ook allemaal gehoord en als ik me net zo moe en plakkerig had gevoeld als gisteren had ik zeker een duit in het zakje gedaan. Maar ik voel me weer ‘fris en fruitig’, dus als de Engelsman vindt, dat hij at least zijn money back wil, schiet ik de receptioniste te hulp: ‘It’s a city-campsite. What do you expect? Get used to it…’

Ik heb het al eerder en vaker geschreven, maar wat geniet ik iedere keer toch weer van Claire-mijn-Garminnetje. Zeker op momenten als vanmorgen. Om me heen toeterende, links en rechts inhalende auto’s en bromvliegbrommende, irritante scooters, maar geen probleem: Claire loodst me feilloos door de ochtendspits van Florence naar buiten de stad. En eenmaal ‘op weg naar het noorden’ (lekker vaag), zit ik na een uurtje weer in de bergen. Ik geniet.

Ik heb geen zin vandaag veel kilometers te maken. Tegen twaalven houd ik het voor gezien en laat me door bordjes naar de omgeving van Cutigliano leiden, waar hoog in de bergen Campeggio Nevesole ligt. Wat een rust na de stadscamping van Florence. Heel veel blokhutachtige onderkomens (het is hier een wintersportgebied) die nauwelijks bezet zijn. Heel veel overjarige senioren, een enkel gezinnetje uitgezonderd. In het blokhutje achter me zit een bejaard echtpaar. Zij is niet helemaal bij (helemaal niet bij?) en loopt de hele middag te ginnegappen en haar tong naar me uit te steken.

Om me te melden, parkeer ik m’n bussie vlak bij de receptie/restaurant in de schaduw tussen twee blokhutjes. Geen mannetje op een scooter die me naar mijn plekje begeleidt zoals in Florence. ‘Als u het daar naar uw zin heeft, blijft u maar lekker staan.’ Dat doe ik dan ook, maak een kop koffie en eet mijn boterhammetjes. Kijk, de koelkast doet het ook weer, probleem opgelost.
Ik maak er een heerlijke, luie middag van. Ik draai een wasje (toch maar) en strijk. De kaartspelende senioren op het terras stoten elkaar aan en wijzen op die grijze Hollander die naast zijn busje in de weer is om op zijn kampeertafeltje-met-badlaken z’n shirtjes met een strijkijzer te bewerken, maar dat deert me niet. Ik werk mijn website bij, doe wat kleine klusjes en drink een glas birra op het terras. ’s Avonds eet ik uitgebreid en heerlijk in het restaurant-voor-de-deur, waar ik bij mijn menukeuze wordt geholpen door Paulina en Alfredo uit Florence met wie ik later bij hun blokhutje een fles wijn soldaat maak. Terug in m’n bussie is dat inmiddels lekker ‘afgekoeld’ (25 graden, wat een verademing!) en ik ga bijtijds naar bed. Mijn accu is weer volledig opgeladen!

Kusje zonder gevolgen

Rijdend door een meer dan smal straatje in een meer dan klein dorpje komt een bestelbusje achteruit zijn oprit af. Toegegeven: naar links en rechts heeft de man slecht zicht. Ook toegegeven: wie verwacht er nu een camper in dit onmogelijke straatje? De chauffeur heeft me beslist niet gezien. Remt-ie? Ik kan niet uitwijken en toeter, maar te laat. Ik hoor aan mijn achterkant zachtjes ‘tok’. ‘Kan nooit veel zijn’, bedenk ik me als ik doorrijd. ‘Jammer wel, want tot nu toe is het allemaal goed gegaan.’
Als ik een half uurtje later stop voor een kop koffie, inspecteer ik mijn zijkant nauwkeurig. Ik kan niets ontdekken, hoe goed ik ook kijk. ‘Zie ik dan waarschijnlijk thuis wel als ik m’n bussie goed schoonmaak. Koffie…’

Twee werelden #2

Vlakbij de Ponte Vecchio in Florence bestel ik een kuipje gelati. Een schep chocola, een schep tiramisu, een schep mars, lepeltje erin: tien euro alstublieft.

De volgende dag stop ik voor een kop koffie op het terras in een dorpje, waarvan ik de naam ben vergeten, zo’n tachtig kilometer noordelijk van Florence. Ik bestel een cappuccino en kies uit de vitrine een mij onbekend stuk zoet gebak. ‘Kan ik meteen afrekenen?’ ‘Natuurlijk mijnheer, dat is dan precies twee euro.’

Code

‘Ik wil even internetten en zie dat uw camping een netwerk heeft. Mag ik de code alstublieft?’
‘Natuurlijk, momentje, die heb ik hier. Het is OQAxbKopZQ94o0dWs0cEAx7M’
‘Eh… heeft u voor mij een pen en een papiertje?’

Eetmomentje

Reizend van overnachting naar overnachting maak ik er een gewoonte van onderweg tussen de middag buiten de deur warm te eten, zodat ik ’s avonds op de camping kan volstaan met een simpel boterhammetje.
In de buurt van Parma (van de hertog en de kaas?) zie ik de een na de andere McDonald’s langs de weg. Drie keer weet ik me te beheersen, dan draai ik de parkeerplaats op.
Ik bestel het Classic Menu en neem het mee naar m’n bussie (dat dan weer wel). Als ik het doosje met de hamburger open doe, ben ik verrast geen rond, laf, klef broodje aan te treffen, maar een rechthoekig Italiaansachtig wit broodje. Dacht dat de McDonald’s over de hele wereld hetzelfde was. Nee dus. Leermomentje. De volgende verassing komt als ik een eerste hap neem en Parmezaanse kaas proef. Maakt die hamburger ineens een stuk lekkerder.

Gelukkig

Wat een schitterende tocht door de Dolomieten!
Wat ben ik blij dat ik voor mijn ‘terugreis’ ervoor gekozen heb Zwitserland te vermijden en helemaal door Frankrijk terug naar huis te gaan. Ik zit letterlijk te wippen op mijn stoel van de mooiigheid om me heen, weet niet waar ik als eerste moet kijken en slaak bewonderende, Italiaans klinkende kreten. Ik zing Droomland in een eigen, Italiaanse versie. Ik geniet van de vele kleine dorpjes onderweg en de verspreid in de bergen liggende huizen. ‘Hier te wonen’, denk ik, ‘wat moeten die mensen gelukkig zijn!’

Het zit niet mee een plek te vinden om te overnachten. Ik rijd door de Povlakte: veel agrarische bedrijven en veel kleine industrie. Niet bepaald een gebied om leuk vakantie te vieren. Campings zijn er dan ook niet, hotels zijn dun gezaaid.
Ik heb geen zin meer en wil stoppen, maar noch langs de weg, noch via Claire-mijn-Garminnetje is er een camping in de buurt te vinden. Het loopt al tegen zessen en ik besluit dan maar een hotel te zoeken. Zul je altijd zien: een uurtje geleden nog aardig wat hotels gezien, en nu…

Als ik een bordje zie dat naar Agriturismus verwijst, draai ik de stoffige zijweg in.
Voor een monumentale hoeve met poort parkeer ik m’n bussie en stap de binnenplaats op. Niemand te ontdekken.
Ik loop in de namiddaghitte naar de gebouwen. Uitgestorven. Er komt ook geen mens naar buiten, terwijl er -ik tel er in de gauwigheid een stuk of zes- woest blaffende honden om me heen lopen.
Ik zie een geopende deur, stap naar binnen (een drietal honden volgt me), maar ook hier geen sterveling. Ik roep dat er ‘volk’ is, ik roep dat er ‘goed volk’ is, maar er komt geen reactie. Onverrichter zake loop ik terug naar m’n bussie. Ik ben nog geen vijfhonderd meter op weg als mijn benen overal beginnen te prikken en jeuken. Ben ik al in niet zo’n beste bui, dat het me niet wil lukken een overnachtingsplek te vinden, zal het me niet gebeuren, dat ik daar op die boerderij ook nog eens besprongen ben door een horde hondenvlooien…

Tevreden

‘Ik weet het niet hoor. Ik weet nou niet of dat handjevol mensen dat geen last heeft van de crisis en centen zat, of die mensen nou nog wel echt tevreden zijn.’ De vrouw naast me op de camping gaat er eens goed voor zitten en vervolgt: ‘Kijk, neem nou Peter en mij. Niks te klagen hoor, we zijn tevreden. We zouden het wel wat ruimer willen hebben, natuurlijk, wie wil dat niet? Maar of we dan nog tevreden zijn? Ik bedoel: we zijn tevreden met onze auto, we zijn tevreden met onze vouwwagen en we zijn tevreden, dat we hier lekker drie weekjes op de camping kunnen staan. En in het najaar willen we een cruise gaan maken. Daar sparen we voor. En als dat door kan gaan, zijn we weer tevreden, is het niet waar Peter?’
‘Dik tevreden’, antwoordt haar man en draait een vers shaggie.

Leermomentje #1

Hoe lang heb ik dat bussie inmiddels?
En hoeveel keer zal ik al getankt hebben?
En hoe vaak vond het vervelend, dat die tankdop met sleutelbos erbij bungelde en als het wat waaide tegen m’n bussie rammelde?

Gaat zo’n Italiaanse pompbediende in een of ander dorpje mijn tank volgooien, hangt-ie de tankdop keurig netjes aan een haakje aan de binnenkant van het deksel.
Ik bedoel maar: hoe lang heb ik dat bussie nou al?

Klonterig

Als de twee flesjes koffiemelk-van-thuis op zijn, ga ik over op de creamerstaafjes. Voor ik de ‘poeder’ uit de verpakking krijg, moet ik die eerst even stevig tussen mijn handen rollen. Ach ja, het is ook wel erg warm geweest de afgelopen dagen.

Doe normaal, Claire!

Ik ben en blijf meer dan tevreden over Claire-mijn-Garminnetje, maar vandaag vertoont ze kuren. De weg naar het hoogste punt van de Kleine Sint Bernhardpas heeft nauwelijks afslagen of het moeten onbeduidende grindweggetjes zijn. Talloze keren geeft Claire me bij een haarspeldbocht (geen afslag te zien) de nadrukkelijke aanwijzing ‘scherp links af te slaan’. Ik zou niet weten, lieve Claire, wat ik anders moet.
Op de display van mijn Garmin zie ik m’n bussie rijden over een duidelijk aangegeven route. En toch zeurt Claire regelmatig: ‘Herberekening’ of ‘Ga alstublieft naar de gemarkeerde route’.
Last van de warmte? Last van de hoogte? Of is dit Alpennavigatie?

’t Is ook nooit goed

CALDO
Als ik ’s morgens om acht uur van de camping vertrek, wijst een temperatuurpaal langs de weg al 24 graden aan. Ik snak naar een verfrissend buitje regen!

FREDDO
Als ik tussen de middag hoog in de Alpen mijn boterhammetje eet, zit ik een beetje ongemakkelijk rillerig in mijn korte broek en shirt met korte mouwen. Koud hoor.

Leermomentje #2

Heerlijk is dat, met m’n bussie op de camping aankomen.
Plaatsje oprijden, handrem aantrekken, motor uit, elektra aansluiten, koelkast op 220, waterkokertje aanzetten, tafeltje pakken, stoel erbij, alle ramen wagenwijd open en binnen tien minuten zit ik met een kop verse koffie buiten. En met wat geluk komt er even later een medekampeerder die in de hitte een hele tent moet opzetten, da’s helemaal genieten!.
Maar het duurt altijd vrij lang tot ik een beetje ben afgekoeld, zo in mijn stoeltje naast het bussie. En dat heeft niet te maken met de inspanning van ‘kamp maken’, want die is er nauwelijks. Dat heeft ook niet te maken met de hete koffie, want die drink ik nog niet. Pas na zo’n half uurtje krijg ik het echt behaaglijk. Ik snap er niks van. Ik zit toch in de schaduw en er waait nog een lekker windje ook.

Tot vandaag dus. Ik lig lekker onderuit in mijn stoel met mijn armen hangend langs de leuning. Voel ik een warme luchtstroom van onder m’n bussie vandaan komen. Verrek! Maar natuurlijk! De hele dag heeft dat motortje op volle toeren gedraaid en ik ga dan relaxed pal naast de uitlaat zitten!

Smalletjes

Er stond toch alleen maar een bord aan het begin van dit weggetje dat het verboden was voor vrachtauto’s? Heb niks gezien over campers…

Onweer?

Gelukkig. Ongelukkig.
Gebruikelijk. Ongebruikelijk.
Gewoon. Ongewoon.
Weer. Onweer?
Voor mij niet. Vandaag is onweer voor mij geen on-weer.

Wat ging het de hele nacht tekeer: felle flitsen, rommelende donderslagen en striemende regen. Toen het vanmorgen licht werd, was het nog bezig.
Maar on-weer?
Welnee. De boel is weer eens lekker opgefrist, het stof van de afgelopen dagen is van m’n bussie gespoeld en de temperatuur is gedaald naar voor mij prettiger waarden. Ik haal mijn lange broek weer uit de kast (hè, lekker temperatuurtje in dat kledingkastje, prettig warm aan je kont…) en zet m’n pet op. Jammer alleen, dat ik daarna in de regen dat elektrasnoer sta op te rollen, maar ja, je kunt niet alles hebben. En ach, na twee uurtjes rijden is het weer droog en een half uurtje later schijnt de zon alweer.

Minpuntjes

Op de DN1508 in Frankrijk geldt een maximumsnelheid van 90 km/u. Maar bij iedere zijweg, bij iedere kruising moet je pakweg zo’n vijfhonderd meter even 70 rijden. Dat doe ik vier keer, dat doe ik vijf keer, maar het is zondagmorgen vroeg en er is nauwelijks tot geen verkeer op de weg, dus die zesde keer…
Onmiddellijk floept er een matrixbord aan met mijn gemeten snelheid (82) en daaronder de tekst: ‘-4 points’. Het lijkt het Eurovisie Songfestival wel: ‘La Hollande, – quatre points’.
Benieuwd of die vier minpunten straks thuis nog gevolgen hebben voor mijn financiële eindklassement in de vorm van de mij bekende envelop van het Justitieel Incassobureau.

Ho ho ho!

Rijdend door een van de vele kleine Franse dorpjes zie ik vanuit mijn ooghoek in een flits de Franse variant van Malle Pietje*): een uitdragerij vol merkwaardige troep en curiosa. Ik denk niet lang na, keer mijn bus en parkeer even later voor de deur.
Pierre le Drôle stapt naar buiten. ‘Bonjour, monsieur.’
‘Bonjour monsieur. Voulez vous prener une photo de moi s’il vous plait?’
Hij kijkt me verbaasd aan. Maar als ik door mijn haren woel en langs mijn baard strijk en hem bovendien vertel dat ik vaak voor de Kerstman word uitgemaakt, lacht hij begrijpend.

Tsja.
Zo’n kans laat je toch niet liggen?
Daar stop je toch even voor?
Gefundenes Fressen, zeggen ze in Duitsland.

*)
Voor de jonge lezertjes: Malle Pietje (rechts op de foto) was een voddenman in de kinderserie Swiebertje van 1955 tot 1975 (en nu ben je nog niet wijzer…)

Grandmère Simone

Natuurlijk weet ik ook wel dat een Auberge à la ferme een soort herberg is. Ik kijk inmiddels al een poosje uit naar een camping of een ‘wilde’ plek om te overnachten, maar zonder resultaat.
Als ik in het plaatsje Larçon (wie kent het niet?) het bordje Bienvenue à la ferme zie staan, parkeer ik voor de deur en stap naar binnen.

 

Grandmère Simone veegt de handen aan haar schort af en heet me welkom.
Of ik hier kan slapen, is mijn vraag. Dat blijkt geen enkel probleem. Ze hebben vier kamers en die zijn allemaal vrij. Ik wijs op m’n bussie en leg uit, dat ik mijn eigen ‘kamer’ bij me heb.
‘Wilt u ook hier eten vanavond?’, vraagt grandmère, ‘eigenlijk zijn we op zondag gesloten, maar er komen toch twee vrienden op bezoek, dus een derde kan er nog wel bij’.
‘Maar natuurlijk, madame, het ruikt nu al verrukkelijk!’ (ik had de konijnen buiten al in de hokken zien zitten, dus wie weet). Met hulp van de wat woordjes Engels sprekende kleindochter komen we overeen, dat ik naast de boerderij mag parkeren, stroom kan pakken via het keukenraam-op-een-kiertje en dat ik ’s avonds om acht uur bij de maaltijd wordt verwacht.

Met een kwartiertje ben ik geïnstalleerd. Geen plek, toch een plek en als ik het standpunt en de uitsnede van de foto’s slim bepaal, ziet het er nog landelijk en idyllisch uit ook. Zou je niet zeggen, dat je naast de gastank op een boerenerf staat.
Het landelijk-idyllische wordt een tikkeltje teniet gedaan door de zwerm vliegen die binnen de kortste keren bezit neemt van mijn bussie. Bij het neerzetten van mijn stoel en tafeltje word ik al drie keer door een daas gestoken en pas als ik met koffie en een pijp zit te genieten van de landelijke stilte, kom ik erachter, dat er regelmatig trekkers en zware vrachtauto’s met graan voorbij komen over het landweggetje vol kuilen. De hond van de Auberge komt ook nog even kwispelend kennismaken, maar één ‘kssst’ is genoeg om hem weg te sturen. Voor hij wegloopt, licht-ie nog even snel zijn achterpoot en zet een geurvlag tegen m’n achterwiel. Maar verder: prima plek toch? Wie heeft dat?

Nee, konijn komt er die avond niet op tafel. Wel een ‘eenvoudige, doch voedzame maaltijd’ (zou Marten Toonder gezegd hebben) met zelfgemaakte, van lillend vet aan elkaar plakkende varkenstong en ‘viande de tête’. En onaangemaakte kouwe krieltjes en rode bietjes. Het hele gezelschap (grandmère Simone, haar dochter en man en de twee vrienden) doopt regelmatig hun vork in een grote pot mosterd om het eten wat smaak te geven. Alsof ik niet anders gewend ben, doe ik braaf mee, ook met de glazen Bourgogne, die constant worden bijgevuld. Ik doe ook maar net of ik niet merk, dat mijn armen aan het vettige tafelzeil blijven plakken en laat me voor een tweede keer door mijn ‘tafeldame’ Yvette opscheppen van de aardappelomelet.
Maar wat is het gezellig en wat zijn ze vriendelijk en gastvrij. Het merendeel van hun gesprekken kan ik met geen mogelijkheid volgen met mijn paar zinnetjes school-Frans, maar dat doet er niet toe. En wat hebben ze een lol soms om die Hollanders met hun rare taaltje. Die als ze een stel ‘vaches‘ in de wei zien staan, die beesten ‘koeien’ noemen. Koeien! De hele tafel ligt dubbel van het lachen. Monsieur Fréderique (dat ben ik dus) weet zeker niet wat ‘koeien’ in het Frans betekent? Ze proberen het me uit te leggen, maar ik snap het niet. Dan gaat schoonzoon staan, grijpt met zijn ene hand zijn ballen vast, schudt er eens lekker aan, steekt met zijn andere hand twee vingers op en roept: ‘Koeien! Koeien!’. Da’s lachen…

De volgende morgen neem ik hartelijk afscheid van Simone. Ik betaal haar € 15 voor de overnachting plus ‘diner’, in de keuken trek ik tussen de rommelige potten en pannen door mijn stekker los en gooi die door het raam naar buiten. Als ik even later mijn elektrasnoer oprol, komt de Auberge-chien ook nog even afscheid nemen door een tweede geurvlag tegen mijn andere achterwiel te zetten. Ach, het regent een beetje, dat spoelt er wel af.

Mon général

Zie ik een richtingaanwijzer naar Colombey les deux Églises. Denk ik: ‘Colombey, Colombey? Dat was toch iets met Charles de Gaulle?’ Het plaatsje ligt niet echt op mijn route, maar ik neem de afslag, onderwijl piekerend of De Gaulle daar nu geboren is of begraven.
Beide dus en even buiten Colombey ligt het gigantische Mémorial Charles de Gaulle, waarvan het torenhoge dubbele kruis bovenop de heuvel al van verre zichtbaar is.
Ik betaal mijn entree, krijg een Engelstalige koptelefoongids en dwaal over de tentoonstelling. Imposant. Schitterend. Leerzaam. Een bedevaartsoord. Maar tegelijkertijd een mega persoonsverheerlijking, heel chauvinistisch, heel pompeus, zoals ‘mon général‘ tijdens zijn leven ook was. Maar beslist de moeite waard er even zo’n veertig kilometer voor om te rijden.

Mooi ontwerp

Kom ik aan bij Frank, Andrea en de kleinkinderen in Cadzand, oogst mijn nieuwe vouwfiets direct bewondering. En wat is de eerste actie van ‘mijnheer-de-ontwerper-Frank’, die zelf o.a. ook met een project vouwfiets bezig is? Onmiddellijk na de begroeting pakt-ie razendsnel zijn fototoestel:

Cum (photo)shot

Nietsvermoedend wandelend door het Zeeuwsvlaanderse Sluis tot twee maal toe een auto voorbij zien komen met een wel heel potent kenteken:

Cadzand

‘Veilig achterop, bij vader op de fiets’, zong Paul van Vliet in  een ver verleden. Veilig, jawel, maar ook een tikkeltje vermoeiend.

Gezellig flaneren en een hapje eten in grensgemeente Sluis, voormalig pornoparadijs voor veel Belgen. En Nina en Mara, vol bewondering voor de etalage van een seksshop, omdat ze daar van die mooie poppen zien…

Route

Bijna viereneenhalfduizend kilometer draaiden deze trip onder de wielen van het bussie door. Heen van huis naar Montelparo de snelste weg over de Autobahnen en Autostrada’s. Terug tolwegen en autosnelwegen vermijdend binnendoor kronkelend via Frankrijk weer terug naar huis.

En het bussie heeft zich wederom prima bewezen. Op een paar kleine dingetjes na (losgetrild schroefje, loskomend gelijmd haakje vanwege de hitte) geen enkel technisch of motorisch probleem.

Even zestien dagen er tussenuit.
‘Op de koffie’ geweest bij de kinderen en kleinkinderen, schitterende tocht gemaakt, wat wil een mens nog meer? *)

*) Nou, ik kan nog wel een paar tripjes bedenken. Heb nog wel het een en ander op mijn verlanglijstje staan. Komt allemaal nog.

(more or less) Translate »