2012 Camper Ruhrgebied

eBook

Dit reisverhaal is ook te downloaden als eBook.
Klik op de afbeelding om naar de downloadpagina te gaan.

Was ist die Route der Industriekultur?

Hochöfen, Gasometer und Fördertürme haben über Jahrzehnte das Gesicht des Ruhrgebiets geprägt. Heute sind sie wichtige Zeugen der 150-jährigen industriellen Vergangenheit des Reviers, aber auch des sich vollziehenden Strukturwandels zur “Metropole Ruhr”.
Die ehemaligen Produktionsstätten sind keine Orte wehmütiger Erinnerung, sondern haben sich längst zu “lebendigen” industriekulturellen Räumen und attraktiven Veranstaltungsorten mit touristischer Anziehungskraft entwickelt.
Die “Route der Industriekultur” erschließt auf einem 400 Kilometer langen Straßenrundkurs das industriekulturelle Erbe des Ruhrgebiets. Zum Kernnetz der ausgeschilderten Straßenroute zählen 25 Ankerpunkte sowie 16 Panoramen der Industrielandschaft und die 13 schönsten Siedlungen verschiedener Epochen.

Umweltzone

Heb ik me in het verleden toch staan cleanen en poetsen om al die stickers en striping van m’n bussie te halen, moet er -om in de steden van het Ruhrgebied te mogen rondrijden- een Umweltsticker op m’n voorruit zitten.
Geen probleem: bij de TUV bestel je voor € 17,50 zo’n Aufkleber.

 

Spreekbeurt

Op weg naar het Ruhrgebied een gezellige stop gemaakt in Doorn, waar de Afdeling Midden van de Nederlandse Kampeerauto Club haar jaarvergadering hield. Op uitnodiging van het bestuur was ik daar de ‘verstrooiende’ noot met een gesproken column voor zo’n 160 aanwezige leden.

 

Glückpilz?

Natuurlijk is er voor mijn bussie nog wel een overnachtingsplekje vrij op Campingplatz-Minigolfanlage-Gartenwirtschaft-Kinderspielplatz Bej Wolters in Rheurdt-Neufeld. Maar omdat die Wiesen zo drassig zijn, kan ik maar het beste op het asfalt blijven, vindt de eigenaar.
Voor het toiletgebouw dus, met de stroomkabel door het openstaande raam. En met uitzicht op de afvalcontainers. Maar ja, wat wil je voor € 8,50, inclusief stroom?

‘En u bent een Glückpilz‘, vertrouwt de eigenaresse van de camping me toe op mijn vraag of er iets zum Abendessen is, ‘want vanavond organiseren we hier ons Oktoberfest. Er is eten, er is bier, het wordt reuze gezellig en het begint om zes uur. Wilt u gelijk met de betaling van uw overnachting ook consumptiebonnen kopen?’

En wat is het al reuze gezellig als ik tegen zevenen de ‘feestelijk’ versierde ruimte binnenstap. In de gauwigheid zie ik hier en daar wat Lederhosen en hoedjes met veren. Alle gasten zijn in opperbeste stemming, stampen met hun bierpullen op tafel het ritme mee van de uit de luidsprekers denderende Marmor, Stein und Eisen, haken gezellig in en deinen heen en weer bij Rosamunde en lopen af en aan naar de tap in de partytent buiten.

Helmuth, de man naast me aan tafel, begint me met waterige oogjes meer dan omstandig uit de doeken te doen, dat zijn vrouw bij hem is weggelopen (wanneer precies kan hij zich niet meer herinneren) en dat ze toen het hele huis heeft leeg geklaut. De televisie, de video, de vaatwasser, alles weg, Fritz!  Ik hoor -voor zover de luidsprekers en het gezang van de gasten dat toelaat- zijn verhaal aan, knik af en toe op goed geluk begrijpend of trek een bezorgd gezicht. Als ik van Helmuth een foto heb gemaakt, begint hij me spontaan toe te zingen. Iets in de trant van Schatzie, schenk mir ein Bild. De rest van de tafel valt spontaan in. Als Helmuth me vraagt de gemaakte foto naar hem op te sturen, voel ik daar eigenlijk niets voor, maar als hij blijft aandringen en een beetje bozig wordt, geef ik hem -om van het gezeur af te zijn- een bierviltje en een pen om zijn adres op te schrijven. Minutenlang staart hij naar dat viltje, waarschijnlijk zijn hersenen pijnigend waar hij ook alweer woont. Dan schuift hij het naar mij terug en gaat nog een pul bier halen.

Ik eet ondertussen een lauwwarme Weisswurst mit Senf und Brezel, drink een pul bier en ga terug naar mijn bussie. Nog knap, dat ik het anderhalf uur tussen dat dorpsfeest heb uitgehouden. Maar de eigenaresse had gelijk: wat een geluksvogel ben ik toch, dat ik dit op mijn allereerste avond in Duitsland al mee mag maken…

De maat genomen


Er hangt een briefje boven ‘mannenpot’ in de sanitaire ruimte.
Hebben mannen dan zo weinig zelfkennis?

Hollandse zuinigheid

Bij de eerste bezienswaardigheid van de vele die ik van plan ben te bezoeken, zie ik bij de kassa een folder van de Ruhr Topcard. Voor € 47,50 koop je een soort creditcard die toegang geeft tot veel attracties in het Ruhrgebied.
Zuinig als ik ben (…) maak ik een rekensommetje, tel alle afzonderlijke entreeprijzen van mijn geplande Ankerpunkte bij elkaar op en kom tot de conclusie dat ik op die manier € 91,00 zou uitgeven. Dat scheelt nogal. Snel aangeschaft dus die Ruhr Topcard.
Ik bedoel maar: van dat verschil kan ik twee tot drie keer uit eten…

Duisburg: Museum der Deutschen Binnenschifffahrt

Leermomentje

Bij de camping is een kleine Imbiss. Ze hebben er Einzeltöpfe. Nu kan ik me aardig redden in het Duits, maar een Einzeltopf zegt me op dit moment even niets. Een tikkeltje ongeduldig legt de vrouw me uit, dat ze er twee hebben: een met Grünkohl und Kartoffeln en een met Karotten, Zwiebeln und Kartoffeln. En nog gaat er geen lichtje bij me branden, dus ik bestel de Karotten Einzeltopf mit Bratwurst. Lekker Duits, daar hou’ ik van!
Als het bord even later voor mijn neus wordt gezet, krijg ik een vermoeden. Bij de eerste hap wordt dat vermoeden bevestigd. Verrek: Einzeltopf mit Karotten is dus gewoon hutspot van peen en uien. Een mens (ik althans) is nooit te oud om te leren…

Warum ist es am Rhein Ruhr so schön?

Zeg ‘Ruhrgebied’ en veel Hollanders denken aan een grauw landschap met rokende fabrieksschoorstenen en zware industrie. Nu niet bepaald een streek waar je met je camper je vakantie zou willen doorbrengen. Dacht ik dus ook, maar ik stel mijn vooroordeel al snel bij: natuurlijk is er best nog wel industrie, maar ook en vooral veel groen.


Ruhetag

Maandag is in Duitsland Ruhetag.
Alle musea en Industriepunkte zijn gesloten.
Kan geen kwaad, zo’n dagje pas op de plaats.
Zeker niet als je die rustdag doorbrengt in de buurt van Essen met uitzicht op de schitterende Baldeneysee, waar de plezierbootjes de hele dag voorbij varen en waarvandaan het op de fiets een kwartiertje (elektrisch) rijden is naar Werden voor wat boodschapjes en een hapje eten.


Een brug te ver

Op weg naar het Eisenbahnmuseum in Bochum voert Claire-mijn-Garminnetje me binnendoor over de mooiste weggetjes. Krap anderhalve kilometer voor het museum stuit ik op een brug. De brug zelf is breed genoeg voor m’n bussie, maar de toerit wordt versmald door twee grote blokken beton. Twee meter en tien centimeter is die doorgang. Ik stop. Mijn bussie is toch twee meter breed? Voor de zekerheid kijk ik even op mijn spiekbriefje met busmaten, dat in de cabine ligt. Klopt: twee meter. Vijf centimeter over dus aan weerszijden. Tsja, Claire heeft gelijk me hierlangs te sturen, maar ik durf de gok niet te nemen.
Ik had vanmorgen bij mijn vertrek al zo mijn twijfels of ik dit treintjesmuseum zou bezoeken. Dit bruggetje geeft de doorslag: niet doen dus. De weg links van het bruggetje is een fietspad, de weg naar rechts loopt dood. Met moeite keer ik m’n bussie en geef Claire de opdracht naar de volgende bezienswaardigheid te rijden. Dan maar geen treintjes bekijken. Dat doe ik desnoods in Utrecht nog wel een keer.

Huiswerk

Inmiddels al geruime tijd geen actief schoolmeester meer, sla ik vanmorgen bij een kop koffie in het restaurant de plaatselijke krant open en zie deze kop. Blij dat ik niet meer werk en met m’n bussie rondtrek en met dit soort discussies niks meer te maken heb!


Hattingen: Industriemuseum Henrichshütte

Centimeterwerk

Vlak voor mijn vertrek naar het Ruhrgebied heb ik een nieuwe achteruitrijdcamera laten monteren. Stukken beter dan de vorige: scherper beeldscherm en veel, veel nauwkeuriger. Dat parkeert tenminste lekker strak in…

Helm op #1

Frits-met-helm en mijnwerkersjas?
Verplicht in het Industriemuseum Zeche Nachtigall in Witten.

39 graden

Genieten hoor, zo lekker weg in oktober. Niet druk bij de bezienswaardigheden. weinig medetoeristen en al helemaal nauwelijks Hollanders. Wat een verschil met mijn zomertrip naar Italië. Niet alleen wat drukte betreft, maar ook qua temperatuur. Was het in Italië soms niet te harden van de hitte in m’n bussie, dat is nu wel anders. Als ik ’s morgens opsta, wijst de binnenthermometer net 4 graden aan. Dat scheelt 39 graden met afgelopen zomer.
Overdag is het prima te doen, want ik bof tot nu toe met het weer: droog met af en toe een zonnetje. Met een T-shirt en een fleece aan is een jas niet eens nodig. Maar ’s avonds wordt het vroeg donker en daalt de temperatuur snel, zodat de kachel aan moet. En slapen? Gaat best: ik trek het dikke dekbed tot aan mijn neus op, maar het duurt even voor ik het onder die koud-klamme lappen echt behaaglijk heb. Ga dan ook (lekker fris) met m’n sokken aan naar bed, die ik halverwege de nacht uittrap. En ik slaap een beetje gekromd, want als ik me uitstrek en met mijn voeten tegen de wand kom, trekt de kou langs mijn benen omhoog. Tsja, dat bussie van me is nu eenmaal niet geïsoleerd…

Arnheim?

Op het 42 ha grote terrein van het Freilichtmuseum in Hagen staan talloze typisch Sauerlandse gebouwen, die op diverse locaties in de wijde omgeving zijn afgebroken en hier steen voor steen weer zijn opgebouwd. In veel van die gebouwtjes wordt informatie gegeven over oude ambachten en zijn er demonstraties. Komt bekend voor, nietwaar? Klopt. Het Freilichtmuseum is dus gewoon het Openluchtmuseum in Arnhem, maar dan op z’n Duits.

Maar ik heb het allemaal bekeken. Heb het hele terrein afgesjokt. Heuvel op, heuvel af (dat is dan wel weer een verschil met het vlakke Arnhem). Ben bij de smid geweest, bij de touwslager, de bakker, de papiermaker, noem alles en iedereen maar op. Druk is het er niet: af en toe kom ik een klasje schoolkinderen tegen en een enkel gezinnetje.

Samen met een vader en zijn twee dochters bekijk ik de demonstratie in de smederij. Het kan de jongste dochter (ik schat haar een jaar of tien) allemaal niet zo boeien. Het duurt haar ook allemaal veel te lang, dat uitgebreide verhaal van de smid bij het smeden van een fretboortje. Ongedurig wipt ze van de ene voet op de andere en laat haar ogen door de ruimte dwalen.
Eindelijk, eindelijk (ze zucht) toont de smid zijn eindproduct en sluit zijn verhaal af met: ‘Heeft iemand nog vragen?’.
Dochterlief is meteen weer bij de les, trekt haar vader aan de arm en stelt luid en duidelijk de voor haar op dat moment enig belangrijke vraag: ‘Papa, wanneer gaan we nou endlich essen?’ De smid moet er om glimlachen, maar echt van harte gaat het niet.

Freilichtmuseum: Landesmuseum für Handwerk und Technik

Hagen: Villa Hohenhof

Joseph

Er lopen in het Freilichtmuseum meer gastvrouwen-met-naambordje rond dan bezoekers. En allemaal even vriendelijk. Allemaal even behulpzaam. Of ik het naar mijn zin heb, vraagt een van hen als ik weer eens zo’n huisje-met-demonstratie verlaat. Ik zeg het allemaal prachtig te vinden, maar voeg eraan toe dat het spijtig is, dat alle uitleg alleen in het Duits is. Ik kan me er wel mee redden, daar niet van, maar in andere musea hebben ze vaak een handig boekje in het Nederlands of in het Engels. ‘U spreekt Engels?’, vraagt ze. ‘Beter dan Duits’, is mijn antwoord. Had ik het maar niet gezegd! Met een ‘Warten Sie hier bitte ein Moment‘ loopt ze weg om even later terug te keren met een man in haar kielzog.
‘Dit is Joseph Hoolachan. Hij is Ier en kan u prima helpen. Viel Vergnügen!’
Joseph stelt zich voor, is blij dat-ie me kan helpen en troont me onmiddellijk mee naar de nabijgelegen zinkwalserij. Eerlijk gezegd wilde ik die overslaan, want echt boeiend leek me dat niet, maar ik heb geen schijn van kans bij Joseph. Binnen krijg ik een meer dan uitgebreid verhaal over het proces van het zinkwalsen, doorspekt met opmerkingen, dat het vroeger allemaal fucking beter was, dat er geen fucking vakhandwerkslieden meer zijn, dat de maatschappij naar de fucking kloten gaat en dat hij een fucking roepende in de woestijn is.
Voorzichtig probeer ik me stapje voor stapje in de richting van de uitgang van de walserij te bewegen. Joseph volgt me weliswaar, maar houdt me iedere keer weer staande. Dat hij in zijn jonge jaren door India heeft gezworven en wat hij daar allemaal heeft uitgevreten, dat-ie sinds drie jaar hier in het museum werkt, maar z’n wilde haren maar niet kwijt kan raken.
Zo beleefd als maar mogelijk is, probeer ik van deze Ierse spraakwaterval af te komen. Dat gaat slechts met moeite, want ik moet beslist nog even met Joseph mee naar zijn eigen werkplaats. ‘Ik ben een week of wat ziek geweest’, vertelt hij onderweg. ‘Kwam ik vanmorgen hier in het museum, dacht ik ineens: fuck, ik hoef hier helemaal niet te zijn, ik heb nog vrij. Beetje in de war, weet je. Gaat nooit meer over denk ik. Tsja, India hè, blijf je toch merken.’ Ondertussen zijn we bij zijn werkplaats aangekomen. Van een roestig spijkertje trekt hij een papiertje van de wand en geeft dat aan mij. ‘Kijk, ik ben ook kunstenaar. Ik schilder. Psychedelisch, jij snapt dat, maar verder begrijpt niemand het. Zelfs mijn eigen kinderen niet. Dit is van een tentoonstelling van twee jaar geleden. M’n website staat er ook op. Kun je nog eens kijken als je weer thuis bent. En dan nog wat.’
Hij wijst op de ketting die om zijn hals hangt. Die bestaat uit een verzameling ijzeren veertjes in verschillende maten.
‘Heb ik allemaal zelf gesmeed, want ik ben ook nog smid, weet je. En hier (hij peutert een klein veertje van die rinkelende bos los en geeft dat bijna plechtig aan mij), deze is voor jou. Omdat jij me begrijpt. Het is de veer van de Phoenix. Now you can fly again, now you’re free again. Like in the old days.‘ Wat kan ik anders dan hem stevig de hand drukken en hem bedanken. ‘En nu ga ik het vuur uitmaken en naar huis’, besluit Joseph abrupt ons gesprek, ‘want je weet: eigenlijk ben ik hier niet. Eigenlijk ben ik thuis. Eigenlijk, Frits, heb je de ghost van Joseph vandaag ontmoet.’
Als ik later op de dag richting de uitgang van het museum loop, zie ik Joseph vanaf een zijweggetje naderen. Hij heeft mij niet in de gaten en ik (heel flauw) verschuil me achter een huisje tot hij voorbij en uit het zicht is. Eén ontmoeting met een geest vind ik voor vandaag wel weer genoeg.

Stroomvreter?

‘Dat is dan € 15,50’, zegt de vrouw-op-leeftijd bij de Anmeldung, ‘inclusief € 3,50 voor het stroomgebruik. En voor de douche kunt u muntjes kopen.’ Nu is dit al de ‘duurste’ overnachting tot nu toe (ik betaalde de afgelopen dagen tussen de € 8,50 en € 12,00), maar drie-en-een-halve euro voor een nachtje stroom heb ik nog niet eerder meegemaakt.

Dat het ook anders kan, ervoer ik een paar dagen geleden aan de Baldeneysee, waar de stroom op basis van werkelijk gebruik wordt betaald. Twee overnachtingen had ik daar. Gebruikte die twee dagen mijn koelkastje, laadde mijn telefoon en mijn fietsaccu op, gebruikte alle lampjes in m’n bussie, maakte koffie met de elektrische waterkoker en werkte m’n website bij op m’n laptop. Bij het afrekenen, werd keurig de meterstand opgenomen, waarna een bedrag van € 0,30 op de rekening werd bijgeteld.

‘En hoe laat vertrekt u morgen weer? Want ziet u, in deze periode ben ik niet altijd hier op de camping. Daarom hebt u me ook moeten anrufen toen u hier vanmiddag aankwam. En morgenochtend moet ik naar de Zahnartz dus ben ik er zeker niet. U vertrekt voor de middag, zegt u? Dan breng ik u geen borg van € 5,00 voor de sleutel van het toiletgebouw in rekening. Als u vertrekt, gooit u einfach de sleutel in de Briefkasten hier naast de deur. Niet vergeten alstublieft. Nou ja, maakt niet uit, ik heb uw telefoonnummer, dus ik kan u bereiken… En wilt u muntjes voor de douche?’ Ik voel even aan mijn haar. Voor ik kan antwoorden, heeft de vrouw al voor me besloten. ‘Uw haar hoeft niet gewassen. Geen muntjes dus. Prima. Zoals ik net al zei: dat is dan € 15,50.’
Ik pak mijn portemonnee en wil gepast betalen. Jammer genoeg kom ik met mijn kleingeld maar tot € 15,40. Ik leg het geld op het bureau en kijk de vrouw vragend aan. Ze trekt een wenkbrauw op. ‘U komt tien cent te kort’, is haar oordeel, ‘ja, ja, tien cent hier, tien cent daar en voor je het weet is het een euro. Maar ik kan wel wisselen hoor.’ Ik betaal en verlaat zonder bonnetje haar kantoor.

Als ik de volgende morgen letterlijk voor dag en dauw wakker word, moet ik nodig voor een meer dan grote boodschap naar de wc. Ik schiet in mijn fleece en schoenen en open huiverig de deur van m’n bussie. Aardedonker. Nergens op de camping een lichtje te bespeuren. Nergens een lantaarntje. Ik sta op nog geen tweehonderd meter van het toiletgebouw, maar ook daar brandt geen licht. Kan ik voor m’n drie-en-een-halve euro nog met een zaklamp over die camping strompelen ook! *)

Campingplatz Ruhrtalblick – Drupplingsen
(weinig Blick am Ruhr vanaf mijn plek, maar dat deert me niet)

En zo donker was het er ’s nachts…
(genomen vanaf dezelfde plek: waar is m’n bussie?)


*) De eerlijkheid gebiedt me te zeggen, dat de verlichting van het toiletgebouw aanfloepte toen ik bij de deur aankwam. Dat dan weer wel.

Regeln? Regeln!

Ach natuurlijk: regels en afspraken moeten er zijn, dat heb je op iedere camping, maar op deze Campingplatz hangen wel bovenmatig veel bordjes met regeltjes en waarschuwingen. Kan gebeuren. Tot zover niks bijzonders.

Bij het weggetje naar de kampeerplekjes hangt een sigarettenautomaat (nog nooit eerder op een camping gezien trouwens). En ook daar -klein weliswaar- links onderaan een blauw waarschuwingsbordje waarop ik Achtung! zie staan. ‘Kijk’, denk ik dan, ‘ze zijn in ieder geval consequent’.
Ik vind het weliswaar behoorlijk betuttelend, dat ze zelfs bij de deur van het Anmelden-Buro een geel bordje ophangen dat je verzoekt (?) je voeten te vegen, maar een waarschuwing dat roken slecht is voor de gezondheid ontbreekt dan ook niet. Dichterbij gekomen, zie ik dat ik me vergis. Niks waarschuwing tegen het roken. Ik lees: Achtung! Bekleben und plakatieren verboten! Ik had het kunnen weten…

Geen bier, toch plezier

Als ik op weg ben naar de Lindenbrauerei in Unna stel ik voor de zoveelste keer vast hoe mooi en groen het Ruhrgebied eigenlijk is. Maar dit terzijde.
In de voormalige brouwerij uit 1859 is sinds 2001 het Zentrum für internationale Lichtkunst gehuisvest. Omdat alle bezienswaardigheden van de Route van het Industrieel Erfgoed van dinsdag t/m zondag vanaf tien uur geopend zijn, kijk ik niet eens meer in mijn boekje en ga om half tien op pad. Even na tienen kom ik bij de brouwerij aan die midden in het centrum van Unna blijkt te liggen. De parkeerplaatsen in de omgeving zijn allemaal voorbehouden aan omwonenden, mits die in het bezit zijn van een Bewohnersausweis (ik weet, het slaat nergens op, maar zo’n woord geeft mij altijd de kriebels; ik spreek het dan ook afgebeten uit en dat maakt het nog grimmiger). Maar ook dit terzijde.

Het kost nogal wat moeite in het drukke centrum een parkeerplaats te vinden, maar na zo’n half uurtje rondtoeren, ontdek ik nog een vrij plaatsje waar ik mijn bussie kan inprikken. Het is nog een tien minuten lopen naar de brouwerij, maar op het adres aangekomen, kan ik het gebouw niet vinden. Als ik een ouder echtpaar aanschiet, wijzen ze -verbaasd over mijn vraag- naar het pand waar ik voor sta: een hypermodern kunstcentrum. Als ik verwonderd reageer, leggen ze me uit, dat alleen de kelders van de voormalige brouwerij nog in originele staat zijn en dat daar inderdaad de Lichtkunsttentoonstelling is. Ik stap naar binnen en nog geen minuut later weer naar buiten. Scheisse! De tentoonstelling blijkt dagelijks geopend te zijn vanaf half twee. Ik heb geen zin daarop te wachten en ga terug naar mijn geparkeerde bussie. Onderweg zie ik een ezel voor een winkel staan. Ezel. Zo voel ik me dus ook. Dom om voor de zekerheid niet even in mijn boekje naar de openingstijden te kijken!

Geluk bij een ongeluk rijd ik na enige tijd stomtoevallig langs een enorme Toys Я Us. Dat komt mooi uit, want ik wil tijdens dit tripje nog een verjaardagscadeautje kopen voor mijn kleindochter Mara. Van zoon Frank heb ik een mailtje ontvangen met daarin een cadeautip: het Jumbospel Poepie Knor (…). Geen idee wat het inhoudt.
Ik voel me toch lichtelijk opgelaten, als ik bij de infobalie naar het spel Scheisse Knor von Jumbo informeer. ???? Knor Scheisse dan? ??? Piggy Shit? Bereidwillig tikken ze het een en ander in op hun computer, maar Poepie Knor, nee, dat hebben ze niet. Wel -en dat zult u bedoelen, mijnheer- het spel Schweine Schwarte. Wacht, ik pak het even voor u.
De doos lijkt niet op het plaatje, dat ik op internet gezien heb. ’t Is waarschijnlijk dan ook niet wat zoon Frank bedoelde, maar ik vind het te leuk om te laten liggen. Ga er voor het gemak maar van uit met de Duitse variant van het spel te maken te hebben en koop het. Kom ik hoogstwaarschijnlijk met het foute cadeau aan. Nou ja, krijgt ze Poepie Knor wel van Sinterklaas…

Sauerland

Zo’n camping wil je toch dagelijks vinden? Op zo’n plek wil je toch altijd staan?
De Industriekulturroute wipt hier net even over het randje van het Ruhrgebied en voert me het Sauerland in.
Wist niet eens van het bestaan van de Möhnesee af, maar ik sta er toch maar!

Helm op #2

Bah: na een krappe week droog en zonnig weer word ik vanmorgen wakker van het getik van de regen op het dak van m’n bussie. En niet zo’n beetje. Mijn oorspronkelijke plan om vandaag een rondvaart over de Möhnesee te maken, laat ik varen (…). Tijdens het ontbijt snuffel ik in een van de brochures en besluit naar de voormalige Grube Ramsbeck te rijden waar een Besucherbergwerk is. Ik bedoel maar: waar kun je beter verblijven op zo’n regenachtige dag dan droog onder de grond?

Bij het uitdelen van de mijnwerkersjassen en helmen (daar gaan we weer), kijkt de gids even naar mijn postuur en pakt dan resoluut een maat 60 uit het rek. ‘Zestig?’, reageer ik verbaasd en onthutst. Ik weet dat ik de laatste jaren plaatselijk fors angewachsen ben, maar maatje zestig? Waarschijnlijk om me wat op te beuren, antwoordt de gids: ‘Doch, doch‘, u heeft immers een dikke jas aan…’

 

Ramsbeck: Besucherbergwerk

Snelle douche

Irritant, zo’n douche op de camping die met muntjes werkt. Sta je wat langer op een Campingplatz dan weet je na een paar keer douchen wel hoe lang je warm water hebt, maar als je -zoals ik- één, hooguit twee nachten ergens overnacht, is het een gok.
Dus sta ik vanmorgen weer gehaast mijn haar te wassen en uit te spoelen, slinger supersnel een washandje-met-doucheschuim over mijn lijf, bang dat de douchetijd verstreken is en ik me ingezeept en wel moet afspoelen met koud water. Een ontspannen, warme douche is er niet bij. Het ergste is nog als je lekker onder die hete straal staat en het warme water zonder waarschuwing abrupt stopt. Zoals gezegd: irritant!

Eigen land eerst #1

Allemaal leuk en aardig hoor, dat rondreizen door Duitsland en je past je natuurlijk met je gedrag en eetgewoonten aan. Vooral dat laatste bevalt me prima. ’s Lands wijs, ’s lands eer, nietwaar? Ik laat het graag allemaal over me heen komen.

Maar is de van thuis meegenomen boter op en heb je nieuwe nodig, dan koop je toch geen Rama of Planta? Als Frau Antje ook in het schap staat?
Echt Lecker. Echt von Frau Antje staat er op de verpakking.
Maar ook waar het gemaakt wordt: FrieslandCampina Butter.
Gewoon Campina Botergoud dus. Lecker!

Eigen land eerst #2

Moet ik daar maar niet met m’n bussie gaan staan voor een kop koffie.
Eerlijk is eerlijk: zij waren er eerder, dus terecht dat ze even nieuwsgierig naar die indringer komen kijken.

Goddelijk kamperen

Veel verenigingen en instellingen plakken na een bezoek aan een camping of camperplaats een sticker bij de Anmeldung.
Deze had ik nog niet eerder gezien:

Ik vraag me serieus af hoe wezenlijk anders de christelijke medekampeerders met hun camper rondtrekken, zodat ze een aparte club hebben opgericht. En hoe kamperen de Joden dan? En de moslims? De boeddhisten? Typisch gevalletje van negentiende eeuws hokjesdenken, lijkt me.

Fleckenberg: Besteckfabrik Hesse

Mobil Kamp

Dat is wel even andere Kuche: na een week op campings te hebben gestaan, besluit ik in Dortmund op het Mobil Kamp te overnachten. Deze camperplaats is -als de meeste andere- een grote plaat beton, in dit geval aan de rand van het Revierpark Wischlingen. Niks op aan te merken, maar geen vergelijking met eerder bezochte campings (moet ik dan ook eigenlijk niet doen). Voor € 8 per nacht is er een stroomzuil, kun je drinkwater tanken, je vuilwater en je toiletcassette legen en krijg je een sleutel voor de toiletten. Douchen kan tegen overleg van je overnachtingsbonnetje en betaling van € 1 in het naastgelegen zwembad.

Maar het komt allemaal een beetje umheimisch over. Veel campers wekken de indruk dat ze hier een vaste plaats hebben. Heel veel mannen alleen, die hier een eigen plekje hebben ingericht met hun auto ‘naast de deur’. Waarschijnlijk gescheiden kerels die van hun vrouw af zijn en nu hier bivakkeren, denk ik dan voor het gemak maar *).
Mijn buurman links stapt ’s morgens om kwart voor zes in zijn auto, buurman rechts vertrekt een uurtje later en ’s avonds komen ze terug. ’s Middags rijdt een motor het terrein op, die bij de camper tegenover me zijn vuilwatertanks leegt en dan weer vertrekt. Regelmatig rijden er auto’s het terrein op en af die even wat bij een camper rommelen en dan weer weggaan. In een hoek van het terrein bij de Anmeldung staat de beheerder, die van zijn plek een rommelige uitdragerij heeft gemaakt.

Maar een ideale plek om van hieruit de fiets te pakken. Claire-mijn-Garminnetje gaat in de fietsmodus en brengt me feilloos naar de Hansa Kokerei die een paar kilometer hiervandaan is. Het is koud. Had ik maar handschoenen meegenomen, bedenk ik me, daar had ik meer aan gehad dan aan dat kampeertafeltje en die stoel, want die zijn m’n bussie nog niet uit geweest en liggen eigenlijk alleen maar in de weg.

Dortmund: Kokerei Hansa

Na de Kokerei trakteer ik mezelf op Alt Hattinger Blutwurst (gut angebraten mit karamellisierten Äpfel und ‘Himmel und Erde’) en besluit daarna maar meteen door te fietsen naar de Zeche Zollern.

Dortmund: Zeche Zollern Schloss der Arbeit

Terug naar ‘huis’ wordt het nog spannend.
Claire-mijn-Garminnetje piept benauwd dat haar batterijtje bijna leeg is en m’n fietscomputertje heeft nog maar één accustreepje. Zal me niet gebeuren, dat ik zelf de weg terug moet vinden en op eigen kracht moet fietsen!
Met haar laatste krachten brengt Claire me naar het Mobil Kamp en als ik mijn fietscomputertje daar uitzet, zie ik dat ik er inmiddels een krappe honderd kilometer op heb zitten. Wie had gedacht, dat zo’n e-bike me zo zou bevallen?

*) Te snel geoordeeld over die mannen-alleen: het blijken monteurs te zijn die hier de hele week werken en in het weekeinde naar vrouw en kinderen gaan.

Weet wat je hebt…

Bij toeval gevonden in het bestuurdersportiervak: handschoenen!
Tsja, je moet natuurlijk wel weten wat je allemaal bij je hebt…
In ieder geval heb ik vanaf nu geen kouwe handen meer als ik ga fietsen. En hoef ik die plastic werk-wegwerp-handschoentjes niet meer aan. Zat ik toch lichtelijk mee voor penis op de fiets..

Waltrop: Schiffshebewerk Henrichenburg

Hab’ ich das ja alles?

Voor ik van huis ga, sluit ik een dag voor vertrek m’n bussie op de 220 aan. Kan mijn koelkast alvast koud worden. Vreemd was deze keer dat het controleledje op het instrumentenpaneel niet oplichtte. Kreeg ik geen stroom in de bus? Als ik een stopcontact doormeet (ja,ja) blijkt er wel prik op te staan. Vervelend dat het ledje niets aangeeft, want dat is wel zo makkelijk om op de overnachtingplaats snel te controleren of de stroom goed is aangesloten. Ik los het op door een kindernachtlampje mee te nemen. Zie ik toch snel of ik stroom binnen heb en eigenlijk ook wel handig en gezellig ’s nachts in m’n bussie. En dat ledje? Ach, daar moeten ze bij Buscamper maar eens naar kijken…

De eerste dagen on-the-move valt het me op, dat na een overnachting de huishoudaccu wat aan de lage kant staat. Vreemd, want ik heb op alle campings voortdurend aan de stroompaal gehangen en dan moet die accu automatisch worden bijgeladen. Is nooit anders geweest en gaf tot nu toe nooit problemen. Ik besluit voor de zekerheid het instructieboekje er op na te slaan. Natuurlijk (…) ligt dat boekje helemaal achterin de cabinekast (waarom zou ik het bij de hand houden?). Het klopt wat ik dacht: ‘Als de camper op de 230-V-voorziening is aangesloten, laadt het elektroblok de woonruimteaccu. Daartoe dient de accu-scheidingsregelaar in de stand Batterie-Ein te staan.’ Om alles uit te sluiten, kijk ik naar de stand van de schakelaar op het elektroblok. Klopt ook. Staat op Ein. Ik zet -weet ook niet waarom- die schakelaar uit en weer aan. Zo, meer kan ik er niet aan doen. Kijken of het nu beter gaat. Anders thuis maar even bij Buscamper langs…

Als ik een sopje warm water wil maken voor de afwas hoor ik het pompje wel zoemen, maar er komt geen druppel warm water uit de kraan. Gek hoor, want de boiler staat al anderhalve dag aan op deze plek waar ik Ruhetag houd. De boiler zal toch niet leeg zijn? Dat is-ie wel, sterker nog: vanonder mijn bussie loopt een constant straaltje water dat inmiddels een flinke plas heeft gevormd. Juist ja, weer wat geleerd: bij het omschakelen van de accu-scheidingsregelaar wordt de vorstbeveiliging van de boiler automatisch uitgeschakeld, zodat die leeg loopt. Maar omdat ik die boiler op warmwatervraag heb staan, wordt het vat ook meteen weer gevuld uit de drinkwatertank. En loopt weer leeg. En wordt weer gevuld. En… Met een snelle greep onder het bed zet ik de vorstbeveiliging weer in de juiste stand, zodat het leeglopen stopt. Ik kijk naar het niveau van de drinkwatertank. Half leeg. En ik heb gisteren nog getankt. Jammer, zestig liter water over het beton. Morgen voor ik vertrek maar weer even bijtanken…

Het is tien uur ’s avonds. Ondanks mijn dikke fleece en warme pantoffels krijg ik het koud. Ik zet de thermostaat van de verwarming wat hoger, maar er komt geen warme lucht uit de openingen. Het zal toch niet zijn dat… Ik draai de pit van het kooktoestel open, hoor niks suizen, houd er -tegen beter weten in- nog een lucifer bij, maar er gebeurt niks. Ja hoor: de gasfles is leeg. En verdraaid, dat gebeurt nu altijd ’s avonds. Dus de jas aan en naar buiten. Het terrein is niet verlicht, maar gelukkig heb ik een 220 buitenlamp. Ik hang de lamp aan het deurtje van het ‘gashok’ en begin dat uit te ruimen. Ik weet ook wel, dat die ruimte feitelijk alleen bestemd is voor twee gasflessen, maar ja, hoe gaat dat in de praktijk? Dus: drie flessen toiletvloeistof (nog een voorraadje voor mijn Rondje Zwarte Zee) én een pot ontkalker én een pot vochtige doekjes én een stapeltje plastic handschoentjes én een plastic zak met lappen én een plastic zak met olie-bijvul-slangetjes én twee losse trechtertjes én een maatbekertje voor de toiletvloeistof én een paar laarzen later is die ruimte leeg en kan ik beginnen met het omwisselen van de gasflessen.
Bij het lospeuteren van het eerste sjorbandje stoot ik tegen de buitenlamp die op het beton klettert. Daar kan het gloeilampje niet tegen (morgen maar een nieuwe kopen) en ik sta in het pikkedonker achter m’n bussie. Ik pak mijn zaklantaarntje en ga verder met mijn klusje. Omdat die gasflessen op de centimeter passen, moet het bed omhoog om ze eruit te krijgen. Met veel gewurm krijg ik de lege fles naar buiten, koppel hem af, haal de volle fles naar buiten en sluit die aan. Ik rommel de aangesloten fles weer in het hokje en controleer -voor ik alles weer inricht- of de gaspit van het kooktoestel het doet. Prima, ik kan verder. Als ik met de lege fles in mijn handen sta om die terug in het hok te zetten, herinner ik me, dat die er eigenlijk eerst in had gemoeten. Geen probleem: volle fles er weer uit, lege fles achterin zetten, volle fles weer terug op zijn plek, ach, je hebt nog eens wat om handen nietwaar? Voor de zekerheid controleer ik maar weer even de gastoevoer bij het kooktoestel. Wat nou weer? Geen gas? Ik loop weer naar achteren, rommel wat aan de slang en druk -je weet maar nooit- op een knopje dat op de drukregelaar zit. Ik hoor een klikje, controleer bij het kooktoestel of ik een vlammetje heb en jawel: opgelost. Nog een geluk dat ik zo technisch ben…

Bij het inruimen van het gashok zie ik dat de wekkerradio bij mijn bed uit is. Heb ik natuurlijk met al dat gasgerommel per ongeluk tegen de schakelaar gestoten. Nou ja, als dat het ergste is: ik zet de schakelaar om en de display van de radio knippert weer. Niet vergeten straks de tijd weer in te stellen. Eerst dit gasklusje afmaken.

Als ik m’n bussie instap, staat de kachel weer te snorren en wordt het al behaaglijk warm. ‘Lekker’, denk ik. ‘Koffie. Dat heb ik wel verdiend!’ Maar -gek hoor- het waterkokertje geeft geen enkele sjoege. Mijn zaklantaarntje ligt nog bij de hand en daarmee stap ik weer naar buiten om bij de stroompaal-met-munten vast te stellen, dat ik nog voldoende tegoed heb. Ik rommel wat aan de stekker, maar zonder resultaat. Ik ga naar mijn buurcamper en vraag door een smal kiertje van de deur (anders vliegt zijn papegaai weg) of hij wel stroom heeft. Ja dus. Met het zaklantaarntje in mijn mond (lampje aan de buitenkant, wel zo handig) maak ik bij de stroompaal het zekeringenkastje open. Niks aan de hand, alles staat goed. Maar wacht eens even, denk ik dan: zekering? Dan moet mijn eigen zekering in m’n bussie er uit liggen. Is natuurlijk kortsluiting geweest bij het kapot vallen van die buitenlamp. Maar ja, waar zit die zekering?

Voor de tweede keer vandaag pak ik het instructieboekje er maar weer bij: ‘de 220V zekeringschakelaar bevindt zich in de kledingkast. Geen probleem: kledingkast leeghalen, zien dat het beschermkapje met zes kruiskopjes vast zit, met het zaklantaarntje weer naar buiten, bed omhoog, schroevendraaiertje pakken en het kapje verwijderen. Ik zie een printplaatje met allerlei vrolijk gekleurde dingetjes, maar een zekeringschakelaar, ho maar. Dan niet! Dekseltje terug monteren, kleding terughangen en nog maar eens in het instructieboekje bladeren. Ik word er niet wijzer van, maar besluit voor de volledigheid ook nog even bij het elektra onder mijn bed te kijken. En jawel: daar zit de schakelaar. Handig zo’n duidelijk instructieboekje! Als ik hem omzet, heb ik weer 220 op mijn stopcontacten. Rest me alleen nog het gereedschap op te bergen voor ik aan mijn welverdiende kop koffie begin. Om mezelf te trakteren voor deze succesvolle acties neem ik er een lekkere Lebkuche bij. Ach, zo’n avondje: het houdt je van de straat en ik ben een uurtje lekker bezig geweest. Als ik niet lang daarna mijn bed induik, zie ik dat de wekkerradio nog knippert. Da’s waar ook, die zou ik nog gelijk zetten…

Midden in de nacht moet ik naar de wc. Voor ik het licht aandoe, zie ik in het donker een rood lampje oplichten. Een volle cassette! Nou ja, morgenochtend maar legen. Heb ik gelukkig nog wat om handen…

Ik ben vroeg wakker. Het is nog donker en ik doe het licht aan. Wat nou weer? Op het bedieningspaneel begint een rood ledje te knipperen. Goed dat ik gisterenavond het instructieboek heb gelezen, want nu weet ik wat dat betekent: ‘Als de accuspanning van de woonruimteaccu onder de 10,5 V daalt, schakelt de accubewaking alle 12-V-verbruikers uit.’ Gek. Werkt dat automatisch opladen als ik aan de stroompaal hang toch niet. Maar wel fijn en veilig zo’n beveiliging: om half zeven gaan de lampjes in m’n bussie uit. En mijn 220 lamp is gisterenavond gesneuveld. Kaarsjes of waxinelichtjes heb ik niet bij me. Voortaan toch maar weer meenemen. Maar gezellig wel: een beschuitje eten bij het licht van een zaklantaarntje. Ik mag hopen, dat het batterijtje nog vol genoeg is…

Om me bij dat zaklampschijnsel ook nog te wassen en aan te kleden, gaat me te ver. Bovendien: ook de waterpompjes werken op 12 V, dus water heb ik niet eens. Ik kruip terug in bed en wacht doezelend tot het buiten licht is.

Voor noodgevallen heb ik een pakje vochtige wegwerpwashandjes bij me. Dit lijkt me zo’n noodgeval. Ik ‘was’ me, poets m’n tanden met Spa appel-perzik, kleed me aan en leeg de volle toiletcassette. Bij het drinkwatertanken schiet de slang uit de vulopening en sproeit vanaf mijn lies een pijp van mijn broek kleddernat. Scheisse! Heb ik net vanmorgen een schone broek aangetrokken!

Ze staan er niet bij stil hoor, het thuisfront. Die denken dat het allemaal zo lekker en comfortabel is met een bussie op stap te gaan met alles erop en eraan. Is het ook. Maar dan moet alles het wel doen. Of moet je misschien geen Frits heten en anders reageren en handelen dan ik de afgelopen vierentwintig uur heb gedaan?

Koude douche

Heerlijk! Bij het Freizeitpark Dülmener See in (je raadt het al) Dülmen hebben ze douches zonder muntjes.
Ik besluit het er eens lekker van te nemen. Het is weliswaar prachtig herfstweer met schitterende herfstkleuren, maar ’s morgens best wel frisjes. Ik kijk dan ook uit naar een lange, lekkere warme douche. Goed voor de stramme botten.

De douche is inderdaad heerlijk, maar als ik net mijn haar heb ingezeept, wordt het water alsmaar kouder en kouder tot er geen straaltje warm meer uit de douchekop komt. Dat wordt een huiverig vluggertje.
Weer aangekleed en buiten kijk ik voor de zekerheid nog even op de bordjes aan de deur: vanaf zeven uur geopend. Dan mag je toch om half negen wel warm water verwachten?

Topdag!

Chemiebaukasten der Superlative
Auf der Route der Industriekultur ist der Chemiepark Marl der einzige noch aktive Ankerpunkt. Im Informations-Zentrum lässt sich auf zwei Etagen Chemie multimedial erleben und anfassen. Öffnungszeiten: Di bis So 10-18 Uhr.

Nu had ik al zo mijn twijfels of ik dit ankerpunt in Marl wel zou aandoen, want een Informations-Zentrum over chemie, ik weet het niet. Boeit me niet zo. En een blik op das Werkgelände mit gigantischen Anlagen? Ik ga in Nederland toch ook niet met m’n bussie naar het Botlekgebied om dat uitgebreid te bekijken?

Het is woensdag.
In tegenstelling tot wat in de folder staat, is het Informations-Zentrum potdicht. Ik loop nog even naar de poort van het terrein, maak een foto en start weer snel m’n bussie. Chemiepark. Doei!

Nee, dan de Zeche Ewald in Herten!
Dat belooft tenminste weer wat. En nog gratis toegankelijk ook.
Dat het gratis is, begrijp ik al snel als ik over het terrein heb rondgereden op zoek naar een ingang. Die is er namelijk niet. Wel een verzameling vervallen gebouwen zonder enige uitleg. Er wordt hier en daar druk gebouwd, er heeft zich in de onmiddellijke omtrek wat nieuwe schone industrie gevestigd, maar van de oude mijn is niet veel meer over dan een trieste verzameling bouwvallen.
Om nog wat te maken van deze tweede ‘topper’ van vandaag, parkeer ik m’n bussie midden op het terrein en zet hem (haar?) uitgebreid op de foto. Als ik daarna het terrein afrijd, zie ik bij de uitrit een soort wegrestaurant. Na de voortreffelijke en uitgebreide Balkanmaaltijd van gisteren van chevapchichi en raznjici, weggespoeld met een karafje rode Plavac en afgesloten met Palatschinken ga ik bij Restaurant Ewald voor de eenvoudige dagschotel: Grünkohl mit Mettwurst. Auch lecker!

Herten: Zeche Ewald

Julia

Het is prachtig herfstweer. Ik laat Claire-mijn-Garminnetje uitrekenen hoe ver het op de fiets is vanaf de camping naar het Deutsches Bergbau-Museum in Bochum. Tweeëntwintig kilometer. De accu van mijn fiets heeft een actieradius van dertig kilometer. Goed te doen dus. Maar dan moet ik die accu in het museum wel opladen, anders kom ik niet ‘elektrisch’ terug op de camping. Lijkt me geen probleem. Dan laad ik daar ook meteen voor de zekerheid Claire-mijn-Garminnetje op. Strak plan!

Een actieradius van dertig kilometer. Jawel, maar dan gaan ze wel uit van de meest ideale omstandigheden: vlakke wegen, geen tegenwind en traphulp op de middelste stand. Maar de omstandigheden hier zijn anders, want als ik mijn fiets op slot zet bij het museum is de accu bijna leeg.
Bij de info zet ik mijn accu op de balie. De vrouw aan de andere kant werpt er een verbaasde blik op.
‘Goedemorgen’, begin ik, ‘waar kan ik deze accu opladen terwijl ik uw museum bezoek?’ Nooit vragen of het misschien, eventueel mogelijk is, maar er voor het gemak van uitgaan, dat zoiets kan, is in mijn praktijk altijd de beste manier gebleken. Maar deze keer werkt dat bluffen dus niet. ‘Opladen?’ De vrouw trekt een wenkbrauw op. ‘Opladen? Dat kan hier niet. Sterker nog, het is vanwege de verzekering verboden andere apparaten dan die van het museum hier aan te sluiten.’ Met een zwaar teleurgesteld gezicht en een bijbehorende diepe, zielige zucht zijg ik op een stoel neer. (Inderdaad: neerzijgen. Het dramatisch effect is veel groter dan gewoon gaan zitten…). En het werkt, want een collega die het gesprek gevolgd heeft, komt van achter de balie vandaan en neemt me apart.
‘Klopt hoor’, zegt ze, ‘dat mogen we inderdaad niet doen. Zijn ze ook heel streng in. Maar eh… weet u, loop maar even met me mee naar mijn kantoortje.’ Vrolijk babbelend volg ik haar door wat gangen tot we haar werkplek hebben bereikt.
‘Waar komt u vandaan?’ vraagt ze me onderweg, ‘Nederland? En helemaal op de fiets? Kijk dit is mijn kantoor. Geef die lader maar, dan zet ik hem uit het zicht op de grond. U wilt uw Garmin ook opladen? Nou vooruit, geef maar hier. Zet ik die er wel naast. Enne… mondje dicht hoor. Tegen niemand zeggen, want als ze er achter komen, word ik ontslagen!’ Ze kijkt me even aan en besluit dan: ‘Nou ja, ook geen probleem. Kom ik toch gezellig bij u in Holland wonen? Neem ik mijn man mee, mijn dochtertje van negen en onze hond!’ Ik grinnik maar wat. Ben veel te blij, dat deze vrouw me wil helpen. ‘En als u klaar bent met uw bezoek vraag dan bij de infobalie naar mij. Ik heet Julia. Julia Bull. Kom, ik breng u terug naar de tentoonstelling.’

Ik hoef niet eens naar Julia te vragen, want als ik uitgekeken ben, loop ik haar stomtoevallig tegen het lijf. In haar kantoortje blijkt de fietsaccu nog niet helemaal volgeladen, maar ik bedank haar recht herzlich (mag ik je kussen en een foto van je maken?) en stap opgewekt naar buiten.

Niet helemaal volgeladen. Dat merk ik als vijf kilometer voor de camping de accu leeg is. Nou ja zeg, vijf kilometer. Kippeneindje! Maar eh… wat is dat fietsje eigenlijk zwaar. En wat zijn die wieltjes klein. En dat zadel begin ik ook steeds meer te voelen. En waaide het op de heenweg nou ook zo? En wat gaat het hier ineens steil omhoog. Nou ja, allemaal goed voor de conditie, zullen we maar zeggen. Oh nee, da’s waar ook: die heb ik niet…

Bochum: Deutsches Bergbau-Museum

Weltkulturerbe

Ik heb inmiddels na zo’n dag of veertien aardig wat Ruhrkultur in de vorm van musea en bezienswaardigheden achter de rug.
Voor morgen staat de Weltkulturerbe Zollverein in Essen op mijn ‘programma’. Ik heb zo mijn bedenkingen: ‘Tsja, weer zo’n mijn. Zal ik dat eigenlijk nog wel doen? Ik heb er al de nodige gezien.’
Ik sla mijn voorbereiding er nog even op na:

Weltkulturerbe Zollverein: der Eiffelturm des Ruhrgebietes
Das Wahrzeichen des alten und neuen Ruhrgebietes: Welterbe Zeche und Kokerei Zollverein. Die Zentralschachtanlage Zollverein XII galt bis zu ihrer Stilllegung 1986 nicht nur als modernste, sondern auch als “schönste Zeche der Welt”. Zusammen mit der Kokerei Zollverein und der Gründungsschachtanlage 1/2/8 gehört sie heute zu den Welterbestätten der Menschheit. Wo früher täglich 12.000 Tonnen Kohle gefördert, aufbereitet und weiter zu Koks veredelt wurden, befindet sich heute ein moderner, lebendiger Standort für Kultur und Design.

‘Toch maar doen’, denk ik dan, ‘als het niks is of meer van hetzelfde ben ik zo weer weg.’
Maar wat ben ik blij, dat ik toch naar die Weltkulturerbe ben gereden! Normaal gesproken ben ik behoorlijk sceptisch en achterdochtig als het om ronkende teksten in folders gaat, maar hier laat ik alle scepsis varen. Geen woord teveel gezegd. Wat een ervaring! Dit slaat echt alles wat ik tot nu toe gezien heb. In één woord schitterend! Nou vooruit, in twee woorden: adembenemend indrukwekkend. En dat zeg ik niet snel.

Allemaal leuk en aardig. Allemaal reuze interessant, maar naast de Kultureinnahme mag de inwendige mens natuurlijk niet vergeten worden. En da’s nou een gelukkie: bij alle bezienswaardigheden waar ik kwam, was een restaurantje, zo ook hier. En als het toch vijfentwintig graden is (19 oktober, jawel) dan kun je net zo goed na die warme lunch op de parkeerplaats van datzelfde Ruhrmuseum je website even bijwerken voor je weer verder gaat.

Pluk de dag

Helemaal mijn idee: Carpe Diem.
Pluk de dag. Sta ik helemaal achter.
Maar zo extreem als het bordje in de etalage van zo’n dat-is-lachen-humor-winkeltje hoeft het voor mij nou ook weer niet…

Ontwerp met stip

Fabelhaft! Wunderschön!
Was ik al diep onder de indruk van het Ruhrmuseum in Essen, het op dezelfde locatie gevestigde Red Dot Design Museum overtreft dit wat mij betreft ruimschoots. Wat een idee om het oude ketelhuis van de mijn zoveel mogelijk intact te laten en daartussen hedendaags design te exposeren. Wunderbar!
Ik stuur ter plekke een sms naar zoon-de-ontwerper Frank. Hij kent het museum niet, maar het lijkt hem Affentittengeil schön. Tsja, dat soort Duits behoort nu net even niet tot mijn dagelijkse spraakgebruik. Generatiekloof?

En wat waren ze in dat museum vriendelijk dat ik even van hun netwerk gebruik mocht maken, zodat ik (eindelijk) mijn website kon uploaden…

Tok?

Was me overdag nog niet opgevallen, maar als ik in bed lig, schrik ik regelmatig van een harde ‘tok’ op het dak van m’n bussie.
Tok? En steeds als de wind een beetje opsteekt.
Tok? Aber natürlich: ze hebben me vanmiddag een plekje toegewezen onder een kastanjeboom.
En het is herfst.
Tok!

Dom, dommer

Laat me nou eens afwijken van die industriële cultuurbezoekjes en ook een keer een kerk van binnen bekijken. De Dom in het centrum van Essen bijvoorbeeld, geroemd in de folders vanwege de prachtige verzameling Frühmittelalter Kirchenschätzen.
In het centrum vraag ik de weg naar die Dom aan twee toch wel schrander uitziende jonge meiden.
‘De Dom?’, zegt de ene, ‘wat is dat?’
Als ik uitleg dat het een kerk is, gaat de ander een licht op.
‘Oh, de Dom! Maar die staat toch in Keulen?’
Ik ga er maar niet op in, bedank de meiden en laat me door iemand anders wel de juiste weg wijzen.

Het is inderdaad prachtig wat er in die Domschatz te zien in. Jammer genoeg mogen er geen foto’s worden genomen, zelfs niet zonder flits. Normaal gesproken overtreed ik dat verbod regelmatig, maar ik loop helemaal alleen door de expositieruimten en overal zie ik beveiligingscamera’s hangen. Besser nicht…

Essen: Domschatz und Innerstadt

Maar nu ik toch op zaterdag (…) in het centrum van Essen ben, kan ik net zo goed de winkelstraten op en neer lopen.
Ik heb een ‘stadslijstje’ met wat boodschapjes. Op dit moment niet absoluut nodig, maar met een Karstadt, een Kaufhof en een Hema ben je wel gek als je dat lijstje niet even afwerkt.
Een van die dingen op dat lijstje is een nachtlampje, dat ik gebruik om op de camping te controleren of ik 220 in mijn bussie heb. Kom ik hier gisteren aan op Stadtcamping Essen-Werden, sluit ik de stroom aan, kijk ik naar m’n ‘controle-nachtlampje’: geen stroom. Prik ik m’n stekker in de andere aansluiting: nog geen stroom. Ik loop naar de receptie en vertel dat mijn stroompaal het niet doet. Ze sturen een mannetje, dat even verderop de grote schakelkast opent, er niks van begrijpt (‘Moet in orde zijn’) en me aanraadt mijn stroomkabel dan maar rechtstreeks in de kast aan te sluiten. Natuurlijk (…) is mijn kabel te kort, maar geen nood. Heb ik niet ooit een extra lange (verleng)kabel gekocht? Als die is uitgerold en aangesloten, blijk ik nog steeds geen stroom binnen te krijgen, want dat nachtlampje blijft uit. ‘Aber es läuft doch!‘, roept de man geërgerd vanaf de meterkast. Ik loop naar hem toe en hij wijst me op ‘mijn’ ronddraaiende metertje. Ik ga terug naar m’n bussie, zet de waterkoker aan en inderdaad: stroom. Blijkt dat kinder- en kleinkindernachtlampje kapot te zijn. Best wel snel eigenlijk na -pak weg- twintig jaar gebruik! Ik leg het de man maar niet uit. Ik voel me al opgelaten genoeg, zeker als ik naar zijn geïrriteerde gezicht kijk…

Het kost nog moeite om in mijn beste Duits uit te leggen dat ik op zoek ben naar ‘zo’n lampje, dat je ’s nachts in een kinderkamer rechtstreeks in het stopcontact steekt’. ‘Sie meinen ein Nachtlicht?‘, zegt de verkoper bij de Saturn (spreek uit: Satoern), ‘so etwas?’ Hoe simpel kan het zijn?

Onbevlekt ontvangen

Nu eens niet Maria, die onbevlekt is ontvangen, maar Jezus zelf.
Om de Heilige Zoon te behoeden beklad te worden door duivenpoepjes hebben ze listige draadjes gespannen:

Herfstblaadjes

Eigen schuld, dikke bult. Had ik maar niet, samen met een handjevol andere enthousiastelingen, het allereerste ritje van die dag met de nostalgische RuhrtalBahn moeten maken.

Het is zondagmorgen 8:40 uur als het treintje zich –pünktlich volgens schema- vanaf het Eisenbahnmuseum in Bochum in beweging zet. Ik zit op het eerste bankje voorin, vlak achter de machinist. Het eerste kwartier gaat alles goed, maar dan begint de Zugführer nerveus aan de knoppen van zijn bedieningspaneel te morrelen. Het treintje mindert steeds meer vaart en komt uiteindelijk volledig tot stilstand, ergens tussen twee stationnetjes.
De machinist probeert van alles en de trein zet zich weliswaar weer langzaam in beweging, maar komt niet op toeren. Terwijl we met een slakkengangetje vooruit komen, belt de machinist om hulp en legt uit wat er aan de hand is. Met de mouw van zijn kraakheldere blauwe overhemd veegt hij steeds vaker over zijn bezwete gezicht.

‘Aussteigen bitte’, wordt er tegen ons gezegd als we bij een perronnetje in-the-middle-of-nowhere zijn gestopt, ‘we hebben wat problemen en dat kan even duren, dus stapt u uit alstublieft.’ Als ik het perron opstap, ruik ik een nare brandlucht. Er voegt zich een opgeroepen gele BundesBahn-hes bij de machinist en samen kijken ze onder de trein, tikken hier en daar ergens op, morrelen wat, maar als ze daarna proberen de motor op toeren te krijgen, heeft dat geen resultaat. Binnen in de trein gaan nu luiken open en wordt alles gecontroleerd. Er wordt getelefoneerd, er wordt druk overlegd en er wordt gezucht. Het overhemd van de machinist is inmiddels doorgezweten. Met een schouderophalen verzoekt hij ons in te stappen. Voor we ons weer in beweging zetten, geeft hij uitleg: ‘Het is eigenlijk al te laat in het seizoen, dames en heren. Vandaag rijden we dan ook onze laatste ritten, maar zo’n eerste rit is in dit jaargetijde te vroeg. Er ligt nogal wat blad op de rails en door de dauw van het vroege uur gaan de wielen slippen. Dat is de brandlucht die u rook. Niet gevaarlijk dus, maakt u zich geen zorgen. Ik probeer het Hauptbahnhof in Hagen te bereiken. Als u wilt kunt u achterin gratis koffie of thee bekommen.’

Na zo’n minuut of tien met een sukkelgangetje gereden te hebben, krijgt onze trein weer vaart. De machinist leunt ontspannen achterover. Maar door de vertraging moet de trein in Hagen meteen rechtsomkeert maken. Tijd om even in de stad te spazieren is er helaas niet. ‘Gut‘, bedenk ik me als we aan de terugreis beginnen, ‘ik dacht dat alleen de NS in Nederland last heeft van herfstblaadjes. Valt me een beetje tegen van die Duitsers…’

Eenmaal terug op het station van het Eisenbahnmuseum in Bochum bekijk ik daar toch de tentoongestelde treinen nog maar even. Had ik nog op m’n programma staan, maar werd toen tegen gehouden door een te smalle brug.

Frits und Fritz

Als ik naar buiten stap, stopt een oudere fietser naast m’n bussie. Wijzend op mijn bord achterop vraagt hij: ‘Zo Fritz, en in welke film heeft u dan wel gespeeld?’. Ik leg hem uit, dat Frits-on-the-move niets met film te maken heeft, maar betekent dat ik unterwegs ben.
‘Leuk’, is zijn reactie, ‘ja en weet u waarom ik bij uw Wohnmobil stopte? Ik heet ook Fritz. Toevallig niet? Unterwegs dus, ja, ja. En waar bent u dan allemaal geweest en hoe bevalt het u?’. Ik leg hem uit dat ik de Industriële Cultuurroute van het Ruhrgebied volg en voeg eraan toe, dat ik de streek zo schitterend vind, zo anders dan ik het me thuis had voorgesteld.
‘Allemaal de schuld van de pers’, foetert de man, ‘als ze ergens ook maar een Scheissloch hebben ontdekt, blazen ze dat enorm op en stellen ze ons in een kwaad daglicht.’ Ik trek een neutraal gezicht.
‘Nee, het is waar’, vervolgt de man, ‘en niet alleen de pers hoor. Iedereen staat met zijn oordeel klaar. Neem mij nou.’ Hij wijst op zijn blote voeten die in open sandalen zijn gestoken. ‘Kijk, ik loop altijd, zomer en winter, op blote voeten. Trek ik sokken aan, dan heb ik last van zweetvoeten. Dus zolang mijn tenen niet van mijn voeten frieren, zie je mij niet met sokken aan. Maar de mensen vinden dat gek. Lachen me er om uit. Blöder Unsinn! Iedereen moet toch zelf weten hoe hij zich kleedt en -belangrijker nog- hoe hij denkt?’
‘U heeft gelijk’, begin ik, maar de man onderbreekt me.
‘Hier, ik zal u wat laten zien.’ Hij haalt zijn portemonnee tevoorschijn, peutert er een zwart-wit kopie van een fotootje uit en geeft dat aan mij. ‘Bekijkt u dat nou eens goed. U herkent vast en zeker één persoon op deze foto.’
Ik hoef niet lang te kijken: ik zie een bruidspaar op stoelen zitten. Hij is gekleed in een nazi-uniform met een hakenkruisband om zijn arm. Erachter staat een jongetje in korte broek en overhemd en ook zo’n hakenkruisband. En tussen de toeschouwers, prominent op de eerste rij, staat Adolf Hitler.
‘Die bruidegom’, legt de man uit, ‘is mijn oom. Hij was Gauleiter van Nordrhein Westfalen toen hij trouwde. En dat jongetje, dat ben ik. Ik mocht de bloemen strooien.’ ‘Maar daar, vooraan op de eerste rij, dat is toch Hitler?’
Bestimmt‘, zegt de man trots, ‘Gauleiter was een belangrijke functie in het Derde Rijk en bij zo’n bruiloft was de Führer zeker aanwezig. Ach ja, mijn oom. Is aan het eind van de Krieg nog tragisch gestorven. Heeft zichzelf met een handgranaat het leven benomen toen duidelijk werd dat de zaak verloren was.’
‘Net goed’, denk ik. Ik ben niet haatdragend, maar hier zit ik niet op te wachten. Geen zin om met de man in discussie te gaan, heb ik plotseling wichtige dingen in m’n bussie te doen. Met een schöne Abend noch stapt de man op zijn fiets en rijdt weg. Schöne Abend noch, jawel! Ik krijg het niet over mijn lippen ebenfalls te zeggen…

Fietsdag

Het Tetraeder (spreek uit: tetra-eder en niet zoals ik al veertien dagen zeg: tet-rieder, maar dat is mijn wis-onkunde), het Tetraeder dus, is een uit drie gelijkzijdige driehoeken opgetrokken zestig meter hoge staalconstructiepiramide op de voormalige Zeche Prosper in Bottrop-Batenbrock. En die piramide staat bovendien nog eens op een Halde die vijfenzestig meter hoog is. Te beklimmen via een trap met 350 Stufen.

Als ik bij de Halde aankom is er volop parkeergelegenheid, maar allemaal afgesloten met een hoogtebalk. Ik moet met m’n bussie een stukje doorrijden. Het is halverwege de ochtend en al dik twintig graden. Honderdvijfentwintig meter boven me zie ik de top van de piramide tussen de bomen glinsteren. Dat wordt zweten. Maar ik wil het zien, dus ik haal diep adem en begin aan de klim. Behalve de steile trap is er gelukkig ook een pad dat zich in Serpetinen den Berg hinaufzieht. Ik besluit (zwak) dat pad te nemen. Na een paar minuten kom ik bij een tweesprong en weet niet welke kant ik op moet. Gelukkig komt er een hondjes-uitlaat-mijnheer aan. ‘U kunt links, dat gaat wat steiler omhoog, maar de meeste mensen gaan hier rechts. Na die bocht daar wordt het pad namelijk asfalt en dat loopt een stuk makkelijker.’
Hoor ik dat goed? Asfalt? En staat er niet op vijf minuten terug een fiets met een volgeladen accu in m’n bussie? Ik maak rechtsomkeert en (zwak, zwak) bestijg even later nog net niet fluitend de Halde. Met het motortje in standje vijf passeer ik zwoegende en puffende wandelaars. Sommigen kijken wat meewarig naar die elektrische fietser die niet sportief genoeg is naar boven te wandern. Interesseert me niks. Ik neem de laatste bocht en kijk mijn ogen uit: die zon, die nevel en toch nog dat stukje Ruhrgebied zoals ik het vroeger op school geleerd heb.

Veel van de door mij bezochte Industrie Cultuur bezienswaardigheden waren tot nu toe ingericht als museum of gerestaureerd. In Duisburg hebben ze dat met de voormalige Meidericher Eisenhütte totaal anders aangepakt. Het tweehonderd hectare grote Gelände is herschapen in een schitterend aangelegd Landschaftspark waar de voormalige ertsbunkers, de Gasometer, de hoogoven en vele andere gebouwen gewoon zijn blijven staan. Prachtig. De natuur neemt weer bezit van het grauwe industrieterrein. Overal zie ik flanerende mensen, de terrasjes zitten gezellig vol. Het park is dag en nacht geopend, vrij toegankelijk en ’s avonds schitterend verlicht. Ook dat is dus het Ruhrgebied.

Dwars door het park loopt een bewegwijzerd fietspad.
Het is schitterend weer, dus voor de tweede keer vandaag komt het fietsje uit de bus en trap (…) ik in een krap uurtje het terrein rond.

Aan het eind van de middag kom ik terecht op Campingplatz Jürgen Kurten in Düsseldorf. ‘Kijk’, zegt buurman Franz die hier voor zijn werk zes maanden in zijn caravan bivakkeert, ‘kijk, op het eind van het veld, achter die rij bomen, loopt de Rijn. En aan de overkant daarvan ligt het vliegveld. Als je een steen pakt, kun je hem vanaf hier op de startbaan gooien!’
Zwaar overdreven natuurlijk van die Franz. Zal wel meevallen toch met dat vliegveld? Mooi niet. Als ik ’s avonds aan de koffie zit, hoor ik een vrijwel constant gebrul van vliegtuigmotoren en staat m’n bussie te wackeln als zo’n vlieg-tuig laag over komt. Jammer dan. Het is maar voor één nachtje. Morgen ben ik hier weer weg.

Visontbijt

Ik heb onderweg tussen de middag warm gegeten, dus haal ik voor ’s avonds bij de Lidl-lohnt-sich een lekkere moot gerookte peperzalmfilet en een paar verse broodjes. Na de maaltijd prop ik de verpakking van de zalm voor de zekerheid nog eens in het broodzakje voor ik het in de afvalzak van m’n bussie stop. ‘Gòh’, denk ik, ‘wat heeft een man-alleen nog veel afval. Die zak is alweer bijna vol. Niet vergeten hem morgenochtend weg te gooien voor ik vertrek.’

Als ik de volgende morgen gedoucht heb en fris gewassen m’n bussie weer instap, komt me een doordringende vislucht tegemoet, niet te geloven! Mijn roggeboterhammetje met suiker smaakt naar vis, mijn koffie smaakt naar vis. Ik pak het afvalzakje op en zet het buiten. Mijn tweede boterhammetje smaakt al een stuk minder vissig.

Ein kleines Kompliment

Er staan nog twee bezienswaardigheden op mijn programma, maar beide zijn sinds een paar dagen gesloten. Het is eind oktober en het seizoen zit erop. Noodgedwongen ben ik daardoor aan het einde van mijn Rondje Ruhrgebied gekomen. Terug in Duisburg waar ik zeventien dagen geleden ben begonnen.
Het cirkeltje had zich niet fraaier kunnen sluiten, want de Hafenrundfahrt die ik hier nog wil maken, begint bij het Binnenschifffahrtmuseum, mijn allereerste bezienswaardigheid van deze trip. Om er zeker van te zijn, dat die rondvaart nog wel door gaat, stap ik het museum binnen om navraag te doen. De jonge vrouw bij de balie herkent me nog van dik twee weken eerder. Ze vraagt hoe het Ruhrgebied bevallen is, stelt me gerust wat het doorgaan van de rondvaart betreft en eindigt haar verhaal met de opmerking: ‘Übrigens. Ihr Deutsch hat sich in zwei Wochen bestimmt gebessert!’ ‘Kuck eins an’, denk ik dan, ‘das tut ein alter Mann gut, nicht wahr…’

Duisburg: Ruhrorter Hafenrundfahrt

Kampplatz am Ruhr

Is er een mooiere laatste overnachting denkbaar om de Route der Industriekultur af te sluiten dan op de camperplaats tegenover het Binnenschifffahrtmuseum in Duisburg?
Vier plaatsen zijn er bij de watersportvereniging.
In hun clubhuis mag je gebruik maken van de toiletten en de douche.
En -kan het fraaier?- gelegen aan de Ruhr (nou ja, aan een zijhaven: de Ruhr zelf loopt achter de brug).

Vier plaatsen? Schreef ik nou: vier plaatsen?
Als ik ’s avonds terug kom van een hapje buiten de deur heeft zich een buscamper tussen mij en mijn buurman gewurmd. Waar plek is voor vier, zal hij gedacht hebben, is ook plek voor vijf.
Klopt. Maar zijn instaptreetje kan niet uit, want dan komt het tegen de mijne aan. Op de parkeerplaats van Ikea heb ik meer ruimte…

Ruhrroute

(more or less) Translate »