2012 Cuba

Video & foto’s

Frits maakte ook een filmpje over deze reis.
Klik op het kaartje om naar de videopagina te gaan.

© foto’s: Frits Mahn & Nelly Fiolet & Dorrit Spronck

John Lennon

In de ogen van Fidel Castro waren The Beatles het symbool van de ‘imperialistische ideologie’ en dus ‘vijanden van de revolutie’. Hun muziek mocht in het communistische Cuba dan ook niet ten gehore worden gebracht. Maar de tijden veranderden. In 1966 maakte Castro een zwaai van 180 graden en verbrak de ban op de muziek van The Beatles. Sterker nog: in 2000 -het twintigste herdenkingsjaar van de moord op John Lennon– werd in Havana in de wijk Vedado het Parque Menocal, waar Lennon ooit op een bankje even had uitgerust, omgedoopt tot Parque John Lennon. Bij diezelfde gelegenheid werd ook een bronzen beeld van Lennon onthuld, nota bene in het bijzijn van Fidel Castro, die daarbij te kennen gaf het spijtig te vinden, dat hij Lennon nooit ontmoet had. ‘Hij droomde over zijn idealen, net als ik’, verklaarde Castro.

De bril van het standbeeld was echt, maar geen lang leven beschoren. Nadat souvenirjagers en fans meerdere malen dit brilletje hadden gestolen, werd er een heuse standbeeldwachter aangesteld, die een oogje in het zeil houdt. Als de mensen er om vragen (en wat geld geven uiteraard), diept-ie een brilletje op uit de borstzak van zijn overhemd en plaatst dat even op het bronzen hoofd van Lennon. En wat doen alle toeristen? Natuurlijk…

Havana: stadsrondrit per koets

Moederdag

Het enige graf op de begraafplaats Colón waarbij bloemen zijn geplaatst is dat van de 24-jarige Amelia Goyri de la Hoz, die in 1901 met haar baby in het kraambed stierf. Volgens de gebruiken van die tijd werd deze Amelia samen met haar kind begraven, waarbij de baby op de buik van de moeder werd gelegd.
Toen in 1914 de echtgenoot overleed en bij zijn vrouw moest worden bijgezet, ontdekte men bij het openen van de kist dat de lichamen van moeder en kind onaangetast waren en dat de baby niet langer op de buik van de moeder lag, maar op haar borst. Dit werd verklaard als een wonder en sinds die tijd groeide het graf uit tot het symbool van moederlijke liefde. De tombe van deze beschermvrouwe van zwangere vrouwen en pasgeborenen is een pelgrimsoord voor aanstaande moeders.
Het ritueel wil dat vrouwen het graf vanaf de rechter voorzijde benaderen, daar bloemen plaatsen, om de zegen vragen en vervolgens een rondje om het graf maken. Vanaf de linker achterzijde moet men daarna achterwaarts lopen opdat -wil de bede verhoord worden- het beeld van moeder en kind nooit de rug toegekeerd mag worden.

Oh ja, die opening van het graf en de ontdekking van het omhoog gekropen kind was op een tweede zondag in mei. ‘En zo’, besluit de gids haar verhaal, ‘zijn jullie aan moederdag gekomen…’

Hoteldecoratie?

Hotel Victoria in Havana stamt nog uit het koloniale tijdperk van Cuba en is, hoe zal ik het netjes zeggen, behoorlijk shabby. In de gang voor mijn kamerdeur staat een stofzuiger. Zo’n stofzuiger staat op ieder van de vier verdiepingen in de gang. Maar aan de vloerbedekking van mijn kamer is te zien dat het al heel lang geleden is dat dit apparaat in mijn kamer is geweest. Hetzelfde geldt voor een stofdoek: ik kan mijn naam op de bovenkant van de televisie schrijven. Doe ik dan ook.

Zo’n stofzuiger in de gang: is dat decoratief, net als de trolley met schone handdoeken die even verderop staat of zou zo’n ding werkelijk wel eens van zijn plek komen?
Maar wel iedere dag die veredelde paardendeken op mijn bed keurig in een half rondje geplisseerd en een schone handdoek als zwaan gevouwen daar bovenop. Dat dan weer wel.

‘Geeft u het kamermeisje per nacht een fooi van 1 peso‘, heeft de gids ons geadviseerd.
Tsja, hoe schoonmakerig zou ik zelf zijn voor tachtig eurocent…

Spooktrein

We rijden op de belangrijkste weg van Cuba van het westelijke Pinar del Rio naar het aan de oostkust gelegen Ciego de Avila. En voor de zoveelste keer moet onze bus verplicht stoppen voor een onbewaakte spoorwegovergang.

Een bijna zinloze actie, want volgens onze gids rijdt er al sinds jaren nog maar om de dag één trein op Cuba en dan nog zo onregelmatig en met zoveel vertragingen dat de Cubanen niet eens de moeite meer nemen naar het station te gaan.
Treinen opgeheven, maar het stopverbod niet.
En weer stopt onze bus. En weer trekt hij langzaam op.
Kansloos.

Manaca Iznaga
voormalige slavenhoeve, thans museum met Slaventoren

Oldtimers

Nergens ter wereld zie je zo veel Amerikaanse oldtimers als op Cuba. Alleen al in Havana rijden er nog 100.000 rond. Logisch, want van 1940 tot 1958 kochten veel Cubanen hun auto in de Verenigde Staten. Na de revolutie van 1959 bepaalde Fidel Castro dat deze auto’s in het land moesten blijven, omdat ze ‘onderdeel van het nationale erfgoed’ waren. Cubanen mogen vanaf dat jaar alleen auto’s kopen en verkopen die voor de revolutie van 1959 op het eiland waren. Die oldtimers worden zo lang mogelijk rijdend gehouden, maar origineel zijn ze allang niet meer. Voor de meeste auto’s, vertelde een reisgenoot me, zijn de onderdelen voor de motoren moeilijk leverbaar op Cuba en ze rijden op 1,6 liter motoren van bijvoorbeeld Hyundai. Naast de vele oldtimers valt het me op, dat er ook heel veel Lada’s rondrijden, een erfenis uit het tijdperk van de samenwerking met de Sovjet-Unie.

Het ziet er allemaal mooi uit, die oude glorie in het verkeer, maar als je beter kijkt, zouden er maar weinig exemplaren door de APK komen: onderdelen zijn met tape of ijzerdraadjes aan elkaar vastgemaakt, de bekleding is aan alle kanten versleten en kapot, portieren hebben verschillende kleuren of zijn met de kwast overgeschilderd. Maar de Cubaan die zijn auto dertig jaar lang goed heeft onderhouden, heeft een goudmijn in handen: de auto’s doen dienst als taxi en de toeristen (ons gezelschap niet uitgezonderd) zijn er dol op.

‘Waarom zie ik hier zoveel verschillende kleuren kentekenplaten?’, vraag ik onze gids.
‘De kleur van de kentekenplaat geeft de eigenaar aan’, zegt ze. ‘Gele nummerplaten zijn eigendom van particulieren (meestal de oudste Amerikaanse modellen of oude Russische auto’s), blauwe nummerplaten zijn eigendom van de overheid (oudere modellen uit het Sovjettijdperk, afgedankte bussen uit westerse landen, maar ook moderne Chinese touringbussen voor de toeristen), terracotta nummerplaten worden verhuurd aan toeristen en zijn over het algemeen nieuwe modellen met airconditioning en zwarte en groene platen zijn eigendom van het leger. Snap je?’
Ja hoor, ik snap het en zal proberen het te onthouden.

Cuba is natuurlijk niet alleen het land van de oldtimers, maar is ook beroemd om zijn sigaren. Dus bezoekt de groep een sigarenmakerij en een winkel:

Nieuwe tijden

Na de Canadezen, de Duitsers, de Engelsen en de Italianen bezoeken de Hollanders steeds vaker Cuba. En de kamermeisjes gaan met hun tijd mee:

Wegwerkzaamheden

Wat zijn de meeste wegen in Cuba slecht onderhouden. Door de vele gaten en scheuren in de weg, samen met de meer dan stugge vering van de bus word ik behoorlijk heen en weer geschud tijdens de vaak lange ritten. Pijn in mijn lendenen houd ik er aan over. Maar gelukkig wordt er wel wat aan gedaan, want ik zie ze langs de weg met herstelwerkzaamheden bezig. Zal tijd worden, denk ik.

Mooi niet dus. Want onze gids pakt haar microfoon en legt uit, dat dit boeren zijn die hier de rijst over de weg uitspreiden om op het warme asfalt te laten drogen. Kijk ik toch voortaan met andere ogen naar dat pak rijst in het schap bij Albert Heijn.

Warm asfalt dus. Inderdaad. Het is winter hier in Cuba, maar de temperatuur kruipt iedere dag met gemak dik boven de dertig graden. Op dagen dat het ’s morgens nog wat frisjes is (zo’n graadje of 25) loopt gids Gladys te rillen en trekt een jasje aan.

Het schiet niet op

Over heel Cuba, van west naar oost, loopt de hoofdweg Carretera Central. Daarnaast zijn er nog twee hoofdwegen in het westelijk deel rond Havana, maar daarmee heb je het wel gehad en rijden we voor het merendeel over landweggetjes. Dat gaat weliswaar langzaam met zo’n grote bus, maar dan zie je wel wat.

Van die hoofdwegen moet je je ook weer niet teveel voorstellen: ze zijn overwegend tweebaans, maar wel beter onderhouden dan de overige wegen.
Opschieten is er niet bij, want zelfs op die hoofdwegen rijden paard-en-wagens, fietsers, koetsjes en ruiters. Meer dan regelmatig tuft onze bus achter zo’n koetsje tot het veilig is om in te halen. Herhaaldelijk moet onze chauffeur afremmen en toeteren om koeien, kippen, varkens, geiten en honden te ontwijken. Dit alles tot afgrijzen van enkele vrouwelijke reisgenoten, die opgewonden kreetjes slaken en de handen voor hun ogen slaan als er weer eens een kip de weg oversteekt.

Dino’s in Cuba?

Naar een idee van Celia Sánchez Manduley, de ex-levenspartner van Fidel, schilderde een team onder leiding van Leovigildo González Morillo in 1961 een ‘monsterlijke’ rotsschildering op de rotswand van de Mogote dos Hermanas, nabij Vinales. Het laat de evolutie zien van amoebe tot mens. Op dringend verzoek van Fidel werden er ook dinosaurussen geschilderd, hoewel deze nooit op Cuba hebben geleefd.

Berusting?

Als we een bushalte passeren, wijst gids Gladys ons op de vele wachtende Cubanen bij het hokje. ‘Drie keer per dag komt de bus’, vertelt ze, ‘maar die is dan meestal zo vol, dat niet alle wachtenden mee kunnen. Vaak staan de mensen uren bij de halte in de hoop mee te kunnen. Sinds particulier initiatief voorzichtig wordt toegestaan in ons land zie je steeds vaker omgebouwde vrachtwagens die geschikt zijn gemaakt voor personenvervoer.’ ‘Gelukkig’, besluit ze haar verhaal. ‘kent Cuba voor automobilisten de verplichting lifters mee te nemen. Controleurs bij de halte zien erop toe dat deze overheidsmaatregel wordt nageleefd.’

Mooi allemaal, maar ik zie slechts de vele mensen bij de halte en nauwelijks auto’s die stoppen om lifters mee te nemen. Op mijn vraag aan de gids of die Cubanen niet geïrriteerd raken als ze voor de zoveelste keer zo’n luxe, voor twee derde gevulde toeristenbus voorbij zien rijden met airco en gekoelde flesjes water, is haar antwoord ontkennend: ‘Nee hoor, dat zijn ze gewend.’
Dat gaat er bij mij niet in. Ammehoela, denk ik dan. Propagandapraat!

Onderbroekenlol

In Hotel Colon in Camaguey krijg ik kamer 106 toegewezen. Zoals in meer hotels een kamer die in schrille tegenstelling staat tot de eerste indruk die je van het hotel krijgt als je de lobby binnen stapt. Buiten de kamer een prachtige ambiance, eenmaal binnen: klein, sober, vochtvlekken in de plafonds, stukjes uit de wasbak en één handdoek (met wat overredingskracht krijg ik bij de receptie nog een tweede). Maar goed, het is maar voor één nacht, dus wat zal ik zeuren.

Als ik ’s morgens om zeven uur de luikjes van mijn kamerraam open doe, kijk ik uit op de ontbijtzaal, waar op dit vroege uur een enkele gast zijn gebakken eitje wegspoelt met een kop koffie. Lijkt me een goede start van de ochtend: koffie op mijn kamer. Even halen.

Ik schiet snel een onderbroek en een shirt aan en stap ongewassen, ongekamd en op blote voeten mijn kamer uit. Even snel heen en weer. Moet kunnen. Wat zal het zijn? Nog geen twintig meter. Maar nog voor ik drie passen op de patio heb gezet op weg naar de koffiemachine hoor ik achter me een droge klik en valt mijn kamerdeur in het slot. Natuurlijk (…) ligt mijn sleutel nog binnen.

Mijn shirt zo ver mogelijk over mijn onderbroek getrokken, meld ik me bij de receptie en leg uit, dat ik mezelf heb buiten gesloten. Geen probleem: iemand van het personeel loopt met me mee om mijn deur te openen. Vanaf de patio wordt hier en daar bevreemd vanaf de omelet opgekeken naar die Hollander met zijn strak naar beneden getrokken shirt.

Overigens blijk ik een bijzondere kamer te hebben. Getuige een plaquette naast mijn kamerdeur sliep hier ooit de beroemde Cubaanse acteur Rene de la Cruz (wie kent hem niet?). Vandaar die foto’s binnen aan de muur. En zijn geest is hier nog steeds (zegt het bord) en zal een rustgevende, helende werking op me hebben. De komende dagen maar eens kijken wat ik daar van merk.

In plaats van spiegeltjes en kralen

‘Sabon? Sabon?’
Hoe vaak ben ik op straat al niet aangesproken met deze vraag terwijl de vrouw me smeekvragend aankijkt en over haar onderarm wrijft. Of ik zeep voor haar heb.
Het gaat allemaal best wel goed hoor in Cuba (zegt onze staatsgids) maar je breekt bijna je nek over de bedelaars. Dus neem ik van alle hotelkamers de overgebleven zeepjes mee om ze op straat uit te delen. Ruilden wij Hollanders vroeger in de koloniën spiegeltjes en kraaltjes voor goud en specerijen, nu maken we de Cubanen dolgelukkig met een stukje hotelzeep.

Een paar uur later voel ik me behoorlijk opgelaten als ik deelneem aan een excursie met fietstaxi’s. Opgelaten omdat ik als rijke westerling door de stoffige armoede wordt gereden, rondgetrapt door een jongeman die regelmatig met een groezelig, groen lapje het zweet van zijn voorhoofd wist. Onderweg hangt hij een triest verhaal op over zijn karige inkomsten, het feit dat hij gescheiden is, voor zijn twee kinderen moet zorgen en als ‘kostwinner’ de zorg heeft voor de hele familie.
Aangrijpend. Maar ondertussen zit ik wel de hele rit tegen de boven zijn broekband uitstekende Levi-onderbroek aan te kijken en haalt hij al fietsend regelmatig een mobieltje te voorschijn om daarmee te bellen. Geef ik nou fooi of niet?

Bijnamen erbij

Nu heb ik in de loop der jaren al een aardige verzameling bijnamen gekregen: Sinterklaas, Kerstman, kabouter Plop, Einstein en Karl Marx zijn de meest voor de hand liggende. Sinds mijn verblijf op Cuba zijn daar inmiddels een paar namen bijgekomen.
Binnen het reisgezelschap word ik viejo loco (gekke ouwe) genoemd, met uitzondering van één vrouwelijke deelneemster die me herhaaldelijk met Piet (?) aanspreekt.

In Havana word ik op straat -zeker als ik met een pijp in mijn mond loop- regelmatig ‘herkend’ en aangesproken als Ernest Hemingway, de schrijver die de laatste jaren van zijn leven op Cuba woonde. En sinds gisterenavond in de bar met een stel Zwitsers ben ik ook nog eens de Altgroßvater van Heidi und Peter…


Peso doble

De peso is de munteenheid van Cuba. Om het simpel te houden (…) bestaat die peso in twee varianten: voor de Cubanen zelf en de nationale handel is er de peso nacional (de CUP) en voor internationale transacties de peso convertible cubano (de CUC). Die ‘kukkies’, zoals ze door sommige leden van onze groep worden genoemd, zijn voor toeristen het gangbare betaalmiddel.

peso nacional (CUP)

Na de communistische revolutie stelden de Verenigde Staten een handelsembargo in tegen Cuba en vriend Fidel reageerde met de dedollarisering: Amerikaanse dollars worden op het eiland niet meer aanvaard. Je kunt ze nog wel wisselen bij de officiële wisselkantoren (cadeca’s), maar er wordt 10% extra belasting gerekend.
Sommigen zijn van mening, dat Fidel een pact met de duivel heeft gesloten door de CUC in te voeren voor de toeristen uit de door hem zo verafschuwde kapitalistische wereld. Maar als diezelfde toeristen massaal naar het eiland komen, wil zelfs een communistisch systeem wel een (behoorlijk) graantje meepikken van die ontwikkeling: de ‘toeristen-peso’ is twintig tot vijfentwintig keer zo duur als de peso nacional van de Cubanen zelf. Wij betalen dus vier tot vijf keer zoveel voor dezelfde goederen en diensten als de Cubanen.

peso convertible cubano (CUC)

Ik heb er geen bezwaar tegen zolang dat verschil maar ten goede komt van de hele Cubaanse bevolking, maar daar heb ik zo mijn twijfels over. Waarom word ik op straat regelmatig aangesproken om mijn CUC’s te wisselen tegen CUP’s? Waarom willen die Cubanen zo graag ‘mijn’ pesos hebben? Omdat ze ook wel eens in winkels willen kopen waar je alleen met CUC’s kunt betalen, maar waar wel alles te koop is, in tegenstelling tot hun eigen (staats)winkeltjes? Maandelijks krijgen de Cubanen van regeringswege een bonnenboekje voor de aanschaf van hun eerste levensbehoeften. Vergelijk het maar met ons ‘voedsel-op-de-bon’ uit oorlogstijd. Maar als die maandbonnen net toereikend zijn voor een dag of veertien, wat doe je dan? De Cubanen die werken in de toeristensector kunnen wel aan CUC’s komen, hebben het dan ook beter. Maar de rest van de bevolking is arm. Een tweedeling? Een tweedeling in een maatschappij die uitgaat van het gelijkheidsprincipe? Allemaal mooi geregeld hoor, gratis gezondheidszorg, gratis onderwijs, maar ik zie te veel armoe om me heen. Zie te veel krottige huisjes. Word te veel aangesproken door bedelaars. Cuba is voor mij het bewijs, dat het communistische systeem -hoe goed ook in theorie en oorsprong- jammerlijk faalt in de dagelijkse praktijk.

Geportretteerd #1

Heilige koe

Lunch of diner, het maakt niet uit, bijna altijd bestaat het voorgerecht uit een pluk gesneden witte kool, wat tomaatjes en komkommer. Het hoofdgerecht is overwegend rijst met zwarte bonen en een keuze uit vis, kip of varkensvlees. Slechts een heel enkele keer staat er rundvlees op het menu.
‘Dat komt’, zegt onze gids, ‘omdat het in Cuba verboden is koeien te slachten, want die leveren melk voor onze kinderen. Slacht een Cubaan toch clandestien een rund en komt de regering daar achter dan kan de illegale slachter voor tien tot vijftien jaar in de gevangenis belanden.’

Waar is Fidel?

‘Waarom zie ik door heel Cuba overal afbeeldingen van Che Ernesto Guevara en nergens van Fidel Castro?’, vraag ik aan gids Gladys.
‘Omdat het verboden is afbeeldingen te maken van staatslieden die nog in leven zijn’, is haar antwoord.
‘Maar Fidel is toch al maanden dood?’, doe ik verbaasd.
De blik en de oprechte verontwaardiging waarmee ze me aankijkt…

 

(Ten tijde van mijn rondreis was Fidel Castro al maanden niet in het openbaar verschenen. Hardnekkige geruchten deden de ronde, dat hij overleden was.)

Je wordt ouder papa…

‘Vandaag’, zei gids Gladys een paar dagen geleden, ‘maken wij een wandeltocht van drie kilometer in de Sierra del Escambray. Onderweg stoppen we bij een waterval waar u kunt zwemmen. De wandeling is niet zwaar en voor iedereen goed te doen.’
Goed te doen? Heuveltje op, heuveltje af over gladde stenen, me vasthoudend aan door vele zweterige toeristenhanden vettig geworden leuninkjes, via glibberige keien riviertjes over en dat alles bij een temperatuur van rond de dertig graden? Kapot was ik na die drie kilometer. Totaal doorgezweten en volledig uitgeteld.

‘Morgenochtend rijden we naar het hoogste punt van de Alto Naranjo op 950 meter. Daarvandaan wandelen we naar de grot in de bergen, het voormalige hoofdkwartier van het rebellenleger van Fidel Castro ten tijde van de guerrillaoorlog tegen de dictatuur van Batista.’

Ik had er over gelezen in de reisbeschrijving. Had ook gezien, dat er gesproken werd over een zware wandeling en daarom ook mijn wandelschoenen in de koffer gestopt. Maar toen Gladys de groep waarschuwde dat de wandeling drie keer zo zwaar zou zijn als die naar de waterval, toen ze ons dringend aanraadde stevige wandelschoenen aan te trekken en voldoende water en suikers mee te nemen voor onderweg, zonk de moed mij in de schoenen. Hoe graag ik die grot ook wilde bezoeken, mijn ervaring met de ‘niet zware’ wandeling van een paar dagen geleden, deed me besluiten af te zien van deze excursie. Jammer, maar je moet niet verder springen dan je stok lang is. Samen met tien andere groepsgenoten bleef ik achter op het punt vanwaar de rest van de groep aan de wandeling begon. Geen stap gezet en toch een forse stap genomen, want vanaf vandaag hoor ik dus bij die groep reislustige senioren die het fysiek allemaal niet meer aan kan. Confronterend.

Sandy’s nazorg

Op 25 oktober 2012 raasde orkaan Sandy over de oostelijke provincies Santiago de Cuba en Holguin. Als we met onze bus de getroffen provincie verlaten, moeten we bij de grensovergang naar de naastgelegen provincie stoppen en allemaal de bus verlaten. In een rijtje schuifelen we langs een afdakje waar een verpleegster staat. We moeten onze handen ophouden boven een afwasteiltje en krijgen uit twee plastic flessen wat vloeistof gegoten. Ondertussen wordt onze bus ‘gestoomd’. Na deze procedure mogen we weer instappen en onze weg vervolgen.
Veilig idee dat we twee maanden na de ramp nu gedesinfecteerd door de rest van Cuba rijden. Je kunt kritiek hebben op Raoul, maar aan hem zal het niet liggen.

Basilica de Nuestra Seňora de la Caridad del Cobre

Pech onderweg

Zo goed kunnen die uit China geïmporteerde bussen niet zijn of er kan wel een controlelampje gaan branden. Het koelwaterniveau in dit geval. Geen probleem: even water halen bij de lokale bevolking, bijvullen en we kunnen weer verder.

Santiago de Cuba

Lekker puh!

‘Sir! Sir! Would you like to take a picture of us?’
Natuurlijk wil sir dat wel. Hij gaat door de knieën en richt zijn camera op de twee meiden.
‘You just wait. We count to three and than you take the picture.’
Nog niks in de gaten drukt sir bij een, twee, drie keurig af.

 

 

Varkensbaai
strand en Monument Playa Giròn


Bye bye wifi

Met veel optimistische speeches werd in februari 2012 de onderzeese glasvezelkabel vanuit Venezuela doorgetrokken naar het Cubaanse Siboney. Deze kabel moest een einde maken aan het internetisolement van Cuba. De snelheid zou verhonderdvoudigd worden en Fidel Castro schreef over de ‘lente van een nieuw cybertijdperk’ voor Cuba. Aan het eind van 2012 spreken de Cubaanse autoriteiten met geen woord meer over deze glasvezelkabel en is het internet in Cuba nog steeds het traagste van het Amerikaanse halfrond.

Behalve supertraag is toegang tot het wereldwijde internet alleen mogelijk via het eigen Cubaanse intranet, een sterk afgeslankt Cubaans netwerk dat wordt gecontroleerd door de staat.
Slechts 15 op de 100 inwoners van Cuba heeft toegang tot dit intranet, 3% van de bevolking heeft de beschikking over internationaal (= niet gecensureerd) toegankelijk internet.
Daarbij komt nog eens dat internetten voor de Cubanen bijna onbetaalbaar is: per uur betalen zij 6 CUC, pakweg 5 euro. De Cubaanse werknemers worden uitbetaald in hun eigen nationale peso (de CUP) en verdienen gemiddeld 415 van die CUP’s per maand. Omgerekend is dat zo’n 16 euro. Om te kunnen internetten moet een Cubaan dus eerst zijn CUP’s zien om te wisselen in CUC’s (waar? hoe?) en kan pas dan voor een derde van zijn maandsalaris een uurtje het gecensureerde internet op. Tsja, zo houd je de bevolking wel wereldvreemd.

Ondanks die kennis van het Cubaanse internetverkeer klap ik aan het eind van iedere reisdag in ieder nieuw hotel gewoontegetrouw mijn laptop open en werk m’n website bij: zet de gemaakte foto’s van die dag er op, schrijf een verhaaltje. Tegen beter weten in stel ik steeds weer bij de receptie de vraag of het hotel over wifi beschikt. Steeds weer is het antwoord ontkennend. Ja, ze hebben wel (traag) internet, maar alleen bij de receptie en mijn laptop daar inpluggen, dat kan en mag niet.
Ik ben nu ruim een week onderweg en geef het op.
Dan maar geen dagelijkse update. Ik wacht wel tot ik weer thuis ben.

Geportretteerd #2

Ochtendbegroetingen

Niks mis mee hoor, zo’n groepsrondreis door Cuba. Leuke mensen, met iedereen een praatje, maar na acht dagen hitte, airco en Cubaanse maaltijden zijn de ochtendbegroetingen bij het ontbijt niet langer doorsnee:

-‘Goeiemorgen Aart! Je hoest klinkt een stuk beter dan gisteren.’
-‘Dag Denise! Hoe is het nou met je keelpijn?’
-‘Môgge Arie! Ben je weer een beetje van de eh.. je weet wel af? Enne… eet je nu weer alles?’
-‘Goeiemorgen Joop! Nog steeds last van de hoge bloeddruk?’
-‘Morgen Thom! Spierpijn nog niet over, zie ik?’
-‘Hallo Suzanne! Heeft het migrainepilletje geholpen?’
-‘Goeiemorgen Ben! Jij blijft ook maar verkouden, hè?’
-‘En Thea, hoe gaat het met je beginnende longontsteking?’
-‘Môgge Frits! Ziet er nog steeds niet best uit zeg, die arm van je.’

Oh ja, had ik dat nog niet gemeld?
Op een van de eerste dagen ben ik op straat onderuit gegaan en heb daarbij een lelijke schuiver langs zo’n venijnig gestuukte muur gemaakt die me schaafwonden op mijn enkel, rug en onderarm bezorgde.

Cienfuegas: Palacio de Valle

Rekensommetje

‘Voor u straks weer naar Nederland vertrekt’, zegt onze gids, ‘kunt u uw peso’s in het hotel of in een cadeca weer omwisselen voor euro’s. Houdt er wel rekening mee dat u nog vijfentwintig peso’s overhoudt. Op het vliegveld moet u namelijk belasting betalen om Cuba weer te mogen verlaten.’

Rekent u even mee?
Jaarlijks bezoeken zo’n slordige twee miljoen toeristen Cuba.
25 peso = € 20
2.000.000 x € 20 = eh…

Plusminus

MIN

«

16 onderbroeken
2 shirts
1 spijkerbroek

PLUS

»

2 dozen Havana’s
1 pakje sigaretten
9 peso

All inclusive

13e en 14e dag
Twee heerlijke vrije dagen in Varadero, gelegen in het noorden van Cuba en de best ontwikkelde badplaats van het eiland. Varadero ligt op het schiereiland Península de Hicacos dat door een ophaalbrug met het vasteland verbonden is. U treft hier een ruim aanbod aan watersportfaciliteiten, een wit zandstrand, een golfbaan en diverse restaurantjes. De stranden van Varadero behoren tot de mooiste ter wereld, dus u kunt hier heerlijk zorgeloos genieten van zon, zee, strand en wuivende palmen! U verblijft in het Hotel Villa Cuba aan de Avenue Las Americas op basis van een all inclusive arrangement.

Geen woord van gelogen hoor in die reisbeschrijving: Varadero is inderdaad de best ontwikkelde badplaats van Cuba. Maar daarmee is dan wel alles gezegd, want meer is het niet. Het ‘dorpje’ bestaat uit een lange straat (First Avenue) met kaarsrechte zijstraatjes die allemaal naar het strand en de hotels leiden. Zestig hotels kent Varadero en allemaal van een hoog turistico-gehalte. En bars. En restaurants. En souvenirwinkeltjes. En nog meer bars. En nog meer restaurants. En nog meer winkeltjes. Het hele schiereiland is één groot toeristencentrum en heeft niets, maar dan ook niets met het echte Cuba te maken. Hier komen vakantiegangers uit de hele wereld (vooral veel Canadezen) die voor een relatief klein bedrag ‘zorgeloos genieten van zon, zee, strand en wuivende palmen’. Geef mijn portie maar aan Fikkie.

Hotel Villa Cuba kan 750 gasten herbergen en op dit moment zijn dat er 700. Bij het inchecken krijg ik een oranje polsbandje en daarmee heb ik recht op ‘alles inclusief’. Met dat polsbandje kan ik kiezen uit het buffetrestaurant Las Dalias, de snackbar/restaurant El Sitio, het internationaal restaurant La Mariposa, het oriëntale restaurant Bamboo, de poolbar El Caribeňo, de lobbybar El Colonial en de panoramabar Extasis. Als je het een beetje slim aanpakt, kun je je vierentwintig uur aan een stuk door onbeperkt volvreten en volgieten met drank. Vreetschuren en slempbarren dus.

Zo zie ik ’s avonds om kwart voor tien een man naar een bank in de lobby waggelen, zijn schoenen uittrekken en languit op de kussens neerploffen. ‘Iets te veel gedronken’, zegt-ie knipogend en met dubbele tong als hij mij verbaasd ziet kijken, ‘even een tukje doen en dan straks weer lekker verder!’

En uiteraard is er ’s morgens, ’s middags en ’s avonds ook entertainment. Gisterenavond was er bijvoorbeeld de luidruchtige verkiezing van de mooiste gast van het hotel. De vijf mannelijke en vrouwelijke kandidaten moesten opdrachten uitvoeren en één daarvan was het doorgeven van een stuk fruit. Zoals wij vroeger bij kinderspelletjes dat deden met een appel tussen het voorhoofd. Hier geen appel, maar een banaan en -je kan er op wachten- niet via het voorhoofd maar met heupwiegende bewegingen tussen de benen. Dat is lachen.

Vanmorgen op First Avenue zie ik tussen alle bars, restaurants en souvenirkraampjes een staatswinkel. Zo’n winkel met een portier bij de deur aan wie je je tas moet afgeven en die je bonnetje en je aankopen controleert als je weer naar buiten gaat. Waar als je er binnenstapt een penetrante lysolgeur je tegemoet komt. Waar de Cubanen artikelen kunnen kopen met hun bonnenboekje. Gasfornuizen, cd’s, sportschoenen, speelgoed, drank, etenswaren, kleding, fietsen, noem het maar op. Een grauwe kraak-noch-smaak inrichting. Artikelen uit de jaren vijftig van de vorige eeuw.
Terwijl ik een praatje maak met de portier verlaat de een na de andere Cubaan met een tas vol boodschappen de winkel. Op weg naar huis ongetwijfeld een van de vele hotels passerend, waar wij westerlingen verblijven. Waar we ons volvreten en volzuipen. Waar we liederlijke bananenspelletjes spelen. Ik wil naar huis!

Reisgezelschap

Zoekplaatje #1

Leuk toch?
Daar staat de complete Cubagroep bij het standbeeld van Che Guevara voor het provinciehuis in Santa Clara. De foto werd gemaakt door de chauffeur, dus alle deelnemers van de groepsreis staan erop.  Maar eh… waar staat Frits eigenlijk?

Niet gevonden? De oplossing komt verderop.

 

Santa Clara, stad van Che Guevara
met het standbeeld voor het provinciehuis, de gedenkplaats van de Tren Blindado en het mausoleum

Allerlei

Nog wat foto’s gevonden.
Zonde om weg te gooien toch?

Eigen haard?

Rillerig in mijn te dunne zomerjasje sta ik op Schiphol te wachten op de shuttlebus die me naar het hotel zal brengen waar mijn auto staat. Het regent en ik heb het koud. Maar wat wil je? Het verschil in temperatuur met Cuba gisteren is vijfentwintig graden. Mag ik het koud hebben?

Na een reis van dik twaalf uur ben ik weer terug in Nederland. Vanwege het tijdsverschil hebben we ‘door de nacht gevlogen’. Ik heb geen oog dicht gedaan tijdens de vlucht, mede door mijn vlieg-buurman, die -ondanks mijn opmerkingen en dringend duwen- niet bereid was ook maar een centimetertje op te schuiven.

Bij het hotel aangekomen leg ik mijn koffer in de auto en besluit eerst me wat op te knappen en te ontbijten. Wat een mooie toiletruimte! Alles is blinkend schoon. Er is zeep. Er is toiletpapier. En de kraan doet het gewoon. Wat een verschil met de afgelopen zestien dagen. Stinkend smerige toiletten waren geen uitzondering. Als er al een deur was, kon die soms niet op slot en moest je hem -zittend op de pot- met je hand dicht houden. Toiletten konden soms niet worden doorgespoeld, simpelweg omdat de knop ontbrak. Voeg ik mijn bijdrage aan de Cubaanse riolering maar toe bovenop die schuimend gele papiermassa die al in de pot lag.
Even later schuifel ik langs het ontbijtbuffet. Ziet er goed uit. Verse, prima koffie. Echt vruchtensap, in plaats van aangelengde ranja. En zo hygiënisch schoon, heerlijk schoon.

Als ik thuis kom, schep ik eerst de post van de mat (er zal eens geen blauwe envelop tussen zitten…) en zoals na iedere reis geniet ik weer van mijn eigen, vertrouwde omgeving. En alles is heel. Alles doet het. Geen verweerde spiegel in de badkamer. Geen kraan die niet dicht te draaien is en de hele nacht blijft doorlopen. Geen plafond met een grillige vocht- en schimmelvlekkenlandkaart. Geen losse kraan die ik een kwartslag kan draaien. Geen douchebak die overloopt, waardoor het water tot in de gang staat. Een toilet dat gewoon door te spoelen is in plaats van een emmer ernaast. En een douche met een harde, stevige straal en constant warm water.

Vechtend tegen mijn jetlag pak ik mijn koffer uit en stop de eerste was in de machine. Ik maak wat te eten (geen black beans with rice alsjeblieft!), ga aan tafel zitten en zet het journaal erbij aan. Geen moment mis ik de drie tot vier mannen met gitaren die mij de afgelopen weken bij alle maaltijden hebben begeleid met hun Guantanamera-varianten en die na afloop met een mandje rond gingen voor een fooi en hun zelfgebrande cd probeerden te verkopen. Op reis gaan is heerlijk. Thuiskomen ook.

Ik ga vroeg naar bed om de gemiste nacht in te halen. Maar vlak voor ik in slaap val, lig ik me alweer te bedenken waar mijn volgende reis heen zal gaan. Dat dan weer wel!

Zojuist dit stukje nog eens doorgelezen.
Komt allemaal wel erg negatief over. Zo is het zeker niet bedoeld. Ik heb een prachtige reis gemaakt. Leuke mensen ontmoet (wat een aardige inwoners hebben Heemstede en Berg en Terblijt), veel gezien, veel meegemaakt. En die opsomming van narigheidjes? Ach, het is overal wel wat. ’s Lands wijs, ’s lands eer nietwaar? Ik ben het wat dat betreft helemaal eens met de opmerking van een reisgenoot: ‘Als je luxe wilt hebben, moet je niet op reis gaan, maar thuis blijven.’

Cuba is een mooi land, de reis volledig waard. Maar, en die mening wordt door het hele reisgezelschap gedeeld: ik heb het gezien en hoef niet nog een keer terug.

Zoekplaatje #2

Frits niet kunnen ontdekken op de groepsfoto bij Zoekplaatje #1?
Was ook wel lastig hoor. Helpt dit pijltje?

En bedankt, mijnheer de fotograaf: staat iedereen er keurig op, wordt Frits (letterlijk) over het hoofd gezien!

Door andere ogen

Email aan het reisgezelschap:

© Ron

Krasse lot- en reisgenoten!
Wees zo vriendelijk even door jullie ongetwijfeld enorme fotobestand van Cuba te snorren naar foto’s waar ik op sta en stuur mij die op, zodat ik ze op mijn website kan zetten. Bij voorbaat dank!

En zo legden sommige reisgenoten Frits in pixeltjes vast:

(more or less) Translate »