2011 Stedentrip Rome

 

Heen

Toegegeven, reizen per vliegtuig is de snelste manier om grotere afstanden te overbruggen, maar alles bij elkaar ben je meer tijd kwijt voor en na de vlucht dan het vliegen zelf. Zo’n kippeneindje naar Rome bijvoorbeeld: als ik de vluchtgegevens krijg thuis gestuurd, ben ik -tegen beter weten in- nog steeds geneigd te denken dat ik in krap twee uurtjes op de plaats van bestemming ben. Maar om van huis naar Schiphol te rijden, om mijn auto te parkeren, om op de luchthaven zelf een beetje rond te lummelen en om te boarden kost me al krap drie uur. En aangekomen in Rome ben ik nog eens eenzelfde drie uur kwijt voor ik me bij de receptie van het hotel kan melden. In twee uurtjes vlieg je van Amsterdam naar Rome. Maar van mijn voordeur tot de balie van het hotel ben ik bijna acht uur verder…

Ik heb een shuttlebus geregeld die mij van het vliegveld naar mijn hotel zal brengen. Samen met zeven andere Rome-gangers zit ik in een te warm busje en krijg een goede eerste indruk van het Romeinse verkeer en het gedrag van de chauffeurs. Zo rond tien uur staat het verkeer muurvast in Rome en onze chauffeur laveert nonchalant van de ene baan naar de andere. Er staat wel belijning op het wegdek, er zijn wel voorsorteervakken, maar daar trekt hij (en alle andere weggebruikers) zich niks van aan. Zijn gordel heeft hij niet om, zijn ene hand ligt losjes op het stuur, met de andere hand zit hij constant mobiel te bellen. Heeft rechts hier geen voorrang? En zijn de regels bij zebrapaden in Italië anders?

Ik heb de pech, dat de andere zeven passagiers als eerste worden afgezet, zodat ik pas na een rit van bijna twee uur (…) voor mijn hotel word afgezet. Maar doordat ik zo vroeg vloog, is het nog voor twaalven en heb ik de hele middag voor een eerste verkenning van Rome. Ik rol mijn koffertje naar de ingang van het hotel. Benieuwd waar ik de komende vijf dagen zal verblijven.

Hotel #1

Hotel d’Este ligt aan de Via Carlo Alberto, letterlijk op een steenworp afstand van het Piazza Maria MaggioreAls ik me bij de drie-sterren-receptie meld, krijg ik kamer 408 toegewezen.
De vriendelijke receptionist wijst me waar de lift is. Het bordje op de liftdeur vermeldt, dat er maar twee personen tegelijk in mogen (veel meer ruimte is er ook niet) en als ik in dat krappe hokje stap, begint het vervaarlijk te wiebelen en te kraken. Door het ruitje van de liftdeur zie ik de met een viltstift op de schachtmuur geschreven etagenummers voorbij trillen.
Als ik de deur van kamer 408 open, komt me een onaangename, muffe geur tegemoet. Ik laat mijn koffer op de gang staan, stap naar binnen en kijk rond. Wat een piepklein kamertje! Ik kan mijn kont nauwelijks keren. Tegen de muur staat een eenpersoonsbed en als ik het licht in de toiletruimte aandoe (badkamer is een te groot woord voor deze ruime kast) zie ik dat de toiletbril stuk is. Een typisch gevalletje van een reiziger-alleen die op de bovenste verdieping in een slaaphokje wordt gepropt. Ik draai me om, pak mijn koffer, wiebelknars met de lift weer naar beneden en meld me bij de receptie.
‘Met alle respect voor uw hotel’, begin ik, ‘maar kamer 408 bevalt me niet. Het stinkt, het is klein en shabby.’
Ik pak mijn boekingspapieren en leg ze op de balie. ‘En bovendien heb ik betaald en gereserveerd voor een tweepersoonskamer. Dus wees zo vriendelijk mij een andere, betere kamer te geven.’
Zonder een woord van discussie wisselt de receptionist mijn sleutel meteen om voor een tweepersoonskamer op de tweede verdieping. Nice try, denk ik, om te proberen mij af te schepen met zo’n mini-kamertje op de bovenste verdieping. Mijn nieuwe kamer moet alleen nog worden schoongemaakt, dus als ik een half uurtje geduld wil hebben? Ik kan natuurlijk wel mijn koffer even op de kamer zetten.

Kamer 209 is inderdaad ruimer, stinkt niet, maar heeft verder hetzelfde meubilair en inrichting als het zolderkamertje. Maar wat wil je: drie sterren. Ik open het koelkastje: geen minibar, wel een vriesgedeelte. Tenminste dat vermoed ik: achter die grote klomp ijs moet wel haast het deurtje zitten. Op het bed geen dekbed, maar zo’n ouderwetse paardendeken en een laken. En niks boxspring, maar een spiraal. En inderdaad: als ik even op de matras ga zitten, piept dat ding. Goed dat ik alleen op reis ben… Maar alle lampjes doen het en over het uitzicht heb ik niks te klagen: ik houd wel van pittoreske binnenplaatsjes en achtergevels met wapperend wasgoed.

Het is rond het middaguur en al 210 C.
Ik pak een shirtje met korte mouwen uit mijn koffer en ga zonder jas naar buiten. Op het eerste het beste terrasje plof ik neer en geniet in het zonnetje van de mensen en het uitzicht op het Piazza.
Het lijkt me een goede start mijn dagen in Rome te beginnen met een heerlijke cafélatte en een stuk tiramisu.
De koffie is lauw en de tiramisu oudbakken. Het kan me op dat moment niet schelen: ik betaal de ober € 15 (…), steek een verse pijp op en geniet. Ik ben in Rome!

Ontmoeting #1

Of ik een foto van hen beiden wil maken.
Mike en Monica from the States zitten naast me op het voorste bankje bovenin het open gedeelte van de hop-on-hop-off-busZe zijn twee dagen geleden met het vliegtuig in Rome aangekomen en stappen morgen aan boord van een cruiseschip, dat hen via een aantal Europese steden uiteindelijk terug zal varen naar Amerika.
Monica geniet van alles wat ze ziet, stoot haar man onophoudelijk aan en wijst hem op al het mooie van Rome. Mike heeft er nauwelijks oog voor: onophoudelijk zit hij te mopperen op de mentaliteit van de Europese chauffeurs en die van Rome in het bijzonder.
‘Let daar toch niet zo op, Mike. Kijk liever om je heen. Geniet! Je komt hier nooit meer.’
‘Ze hebben totaal geen respect’, foetert haar man, ‘kijk nou toch! Ze houden zich niet aan de regels, ze doen maar wat!’

Na verschillende pogingen haar man meer voor de stad dan het verkeer te interesseren, geeft Monica het op. Met een schouderophalen en een blik van verstandhouding naar mij, richt zij haar aandacht op de omgeving.
Nu hij zijn boosheid niet meer op zijn vrouw kan richten, wendt Mike zich tot mij. Met een een brede armbeweging wijst hij naar het krioelende verkeer en concludeert: ‘Forget your euro-crisis! Those drivers here: that’s the real continental plague!

Douche

De badkamer van kamer 209 is niet ruim bemeten.
Dat begint al als je naar binnen wil. De deuropening is zo smal, dat ik er alleen zijdelings doorheen kan.
Dat komt ook door de afsluiting met een vouwdeur, die bij de sponning nogal wat ruimte in neemt.
Als ik de eerste keer op het toilet zit (een beetje schuin, want de pot staat wel erg dicht bij de muur en bovendien hangt er ook nog een handdoekenrek naast), zie ik aan de binnenkant van die vouwdeur een koordje hangen. Ik begrijp de bedoeling en knoop dat vettige vetertje aan de deurknop. Dat scheelt een paar centimeter. Weliswaar moet ik nog steeds zijdelings de badkamer in en uit, maar ik hoef mijn buik minder in te houden (of zegt dit meer over mijn buikomvang dan over de deuropening?).

Douchen is een aparte ervaring.
De douchebak is niet al te groot. Zeg maar gerust: klein. In m’n bussie heb ik meer ruimte. Bovendien wordt die douche afgesloten met zo’n plastic gordijn. En als ik ergens een hekel aan heb!
Dan hangt er in die toch al krappe ruimte ook nog een bovenmaats handdoekenrek.
Douchen op kamer 209 is dan ook een aparte ervaring: ik zie en voel dat koude plastic gordijn steeds dichter naar me toe komen, ik stoot regelmatig mijn kop aan dat handdoekenrek en als ik me omdraai om de shampoo te pakken, stoot ik de kraan dicht. Het stukje zeep dat uit m’n handen glipt, laat ik lekker liggen. Ja, ik ga me daar bukken om het op te rapen!

What’s in the name #1

Nu is mijn naam in het verleden al heel wat keer verkeerd uitgesproken of verbasterd, maar Rosita bakt ze wel erg bruin.
Rosita is medewerkster van het busbedrijf dat mijn vervoer van de luchthaven naar mijn hotel regelt. Als ik haar mijn voucher overhandig, typt ze -met haar vinger bijwijzend- lettertje voor lettertje mijn voor haar moeilijke officiële voornaam over.
Mijn vervoersbewijs komt uit de printer en ik zie tot mijn stomme verbazing, dat ik omgedoopt ben in BRIGITTEA MAHN. Waar die met haar gedachten heeft gezeten…

Ontmoeting #2

‘Maar u bent Hollander. Oh, wat fijn. Ik dacht dat u een Engelsman was. En die taal spreek ik niet, ziet u.’
De vrouw op leeftijd had speurend rondgekeken op het terras, waar ik in de beroemde winkelstraat Via del Corso van een espresso zat te genieten. Met een uitnodigend gebaar had ik op het vrije tafeltje voor me gewezen en daar waren ze neergestreken.
Vlamingen zijn het: bonma Suzanne, haar dochter en haar kleinzoon. Aardige Vlamingen zijn het: binnen de kortste keren word ik uitgenodigd aan hun tafeltje plaats te nemen.
Daar vertelt bonma me dat ze met een grote groep familieleden (vijftien personen, mijnheer) een paar dagen op stap zijn. Nee, verre reizen maakt bonma niet meer met haar zeventig jaar. Ze was onlangs met bonpa nog in Hilvarenbeek geweest (ver genoeg mijnheer) en doen nu een stedentripje Rome. Ze hadden vanmorgen heerlijk gewinkeld en ik moet vooral alle aankopen bewonderen die ze uit hun tassen-met-de-grote-merken halen.
‘Nee mijnheer, bonpa houdt niet van winkelen. Die is vanmorgen naar de barbier gegaan. Haren knippen, mijnheer, lekker scheren, haartjes uit de oren, haartjes uit de neus en de wenkbrauwen bijwerken. Ik kijk er zo naar uit hem straks schoon en fris bij de lunch weer te zien!’
Ze wierp even een doordringende blik op mij. Ik pluk wat aan m’n lange haar en baard en kijk haar vragend aan.
‘Maar nee, mijnheer’, begint ze, mijn gedachten radend, ‘gij zijt schoon genoeg zo u eruit ziet met uwen artistieke hoofd!’
Meent ze dat nou of is ze gewoon beleefd?

Ontbijt

Zo’n eerste ontbijt in het hotel is een mooie gelegenheid de overige gasten te bekijken. Ik ga aan een tafeltje in de hoek van de ontbijtzaal zitten, vanwaar ik op m’n gemak het bonte gezelschap kan overzien. En ze zijn -als op alle reizen- er weer allemaal, de typische reisgenoten.

Bijvoorbeeld het jonge, waarschijnlijk pas getrouwde Spaanse stelletje, dat meer oog voor elkaar heeft dan voor de uitgestalde etenswaren bij het buffet. Zij haalt voor hem nog een kopje koffie, hij maakt haar botertje open en liefdevol steken ze elkaar hapjes in de mond.

Of de twee Italiaanse meisjes, die vanaf hun binnenkomst hun uiterste best doen zo mooi en bevallig mogelijk over te komen bij de andere gasten. Die veel en veel langer dan ik vanmorgen bezig zijn geweest met hun haar, hun make up en hun kleding.

En de veertigers uit Duitsland die zwijgend hun ontbijt naar binnen werken. Zij nog af en toe om zich heen kijkend, hij uitdrukkingloos malend op zijn croissant. Bij wie zich na een kwartiertje een meer dan geproportioneerde vrouw voegt, weer een kwartier later gevolgd door haar echtgenoot, de fris gewassen haren nog nat en in een overhemd waar de vouwen van nieuwigheid nog inzitten. Bij zijn binnenkomst kijkt de malende croissant even op en schenkt hem een blik die het midden houdt tussen ‘goedemorgen’ en ‘weer te laat’.

Een Engelsman alleen, die net als ik in een hoekje gaat zitten, een bakje muesli vult en verder alleen oog heeft voor zijn laptop.

Twee oudere homo’s, overduidelijk al jaren uit de kast en niet te beroerd dat aan iedereen duidelijk te maken.

Het modale Zweedse gezinnetje met drie dochters, waarvan de jongste van een jaar of twaalf zich helemaal overgeeft aan het buffet en heen en weer blijft lopen om weer een bordje te vullen, de middelste (ik schat haar zestien) die alleen maar verveeld en onderuit gezakt voor zich uit zit te kijken en met moeite een bakje yoghurt naar binnen werkt en de oudste in druk en geanimeerd gesprek met haar vader. Moeder doet verwoede maar vergeefse pogingen de dwarse puber te enthousiasmeren.

Twee Franse zestigers, die zo te zien al jaren getrouwd zijn, er in hun woonplaats niet aan zouden denken in het openbaar hun genegenheid voor elkaar te tonen, maar die nu in hun vakantie-euforie niet van elkaar af kunnen blijven.

Ik maak nog een kopje espresso, neem dat mee naar buiten en rook op het terras nog een pijp. Zouden de binnenzittende gasten mij ook zo geobserveerd hebben? En tot welke conclusie zouden ze dan zijn gekomen?

Hotel #2

Met uitzondering van het Roemeense kamermeisje Juana is alle personeel in hotel d’Este Aziatisch. Ik meen dan ook een verklaring te weten voor de naam van het hotel. Immers, is Este niet het Italiaanse woord voor Oosten? Lijkt me voor de hand liggen met al die Chinezen die hier werken.

Ik blijk er helemaal naast te zitten.
Om mijn vermoeden bevestigd te krijgen, vraag ik bij de receptie waar de naam van het hotel vandaan komt.
‘Zes jaar geleden’, zegt de receptionist, ‘is dit hotel overgenomen door nieuwe eigenaren.’
Zie je wel, denk ik voorbarig. Door Chinezen. En toen is die naam natuurlijk…
‘Maar de naam van het hotel is nooit veranderd’, vervolgt de man. ‘Die is al zo oud als het hotel zelf is. Hij verwijst naar het geslacht d’Este, een beroemde Italiaanse familie uit de buurt van Venetië.’
‘Natuurlijk’, doe ik begrijpend, ‘zoiets vermoedde ik al…’

Ontmoeting #3

‘We hebben al heel wat afgereisd in ons leven. En op alle manieren. In luxe hotels, in lodges, in een tent, met een 4×4 en met een camper. Ik heet Jan en dit is mijn vrouw Evelien.’
Als ik vertel in het bezit te zijn van een camper raken zij meer dan geïnteresseerd. Wat voor camper ik dan heb en waar ik allemaal zoal geweest ben. Het stel -zestigers- blijkt druk bezig te zijn zich te oriënteren op de aanschaf van een camper.
‘Om onbetreden wegen mee te bereizen’, zegt Evelien enthousiast. ‘Om onbekende gebieden mee te verkennen, waar nog geen massatoerisme is. En dan niet voor eventjes weg, maar op z’n minst een half jaar. Daar kijken we zo naar uit!’
‘En we zijn eruit hoor’, vult Jan aan. ‘We weten precies wat we willen. Ik heb een eigen zaak, ben nu 63, hoogste tijd om die zaak aan mijn zoon over te doen en te gaan reizen. Maar ja, net nu we een camper op het oog hebben, net nu we met de voorbereidingen van onze eerste grote reis al een eind op weg zijn, wordt die zoon van ons zwaar depressief. Ik blijf dus nog maar even werken…’

Respect

Het is druk in de Sixtijnse kapel in Vaticaanstad. Honderden mensen staan dicht op elkaar gepakt in bewondering om zich heen te kijken. Met zoveel mensen bij elkaar kan het natuurlijk niet helemaal stil zijn. Maar iedereen gedraagt zich respectvol, zoals ook op de bordjes wordt gevraagd.
Maar het zachte geroezemoes is duidelijk niet naar de zin van een van de suppoosten. Regelmatig gaat hij op een verhoging staan en kijkt de menigte bestraffend aan.
‘Sssssst!’, klinkt het dan luid door de kapel.
Hij klapt in zijn handen om de aandacht te krijgen.
‘Sssssst! Silence!‘, roept hij nog harder, ‘show your respect!
Het geroezemoes wordt niet minder. Sterker nog: veel bezoekers werpen een geïrriteerde blik op deze overijverige suppoost.
Naast me staat een Rotterdams stel.
‘Respect’, hoor ik de man tegen zijn vrouw zeggen, ‘laat-ie bij z’n eigen beginnen!’