2010 Camper Italië

Fotoboek

Er is een apart fotoboek met teksten van dit campertripje
Klik hier om naar de fotopagina te gaan

Bussie kwijt

Als vriendin-en-ik met het bussie Verona binnen rijden, laat ik me door Claire-mijn-Garminnetje keurig dwars door de stad naar de beroemde arena leiden. Claire doet dat meer dan keurig, want op een gegeven moment sta ik aan het einde van een smal eenrichtingsstraatje pal voor het grote plein van de arena. Dat immense plein is (uiteraard) een voetgangersgebied. Met geen mogelijkheid kan ik achteruit terug en voor me zie ik drommen flanerende toeristen en diverse busgezelschappen die van een felgekleurd parasolletje uitleg krijgen over de vele bezienswaardigheden. Helemaal aan de overkant van het plein zie ik een politiebusje staan en ik besluit daar naartoe te rijden. Met een kalm gangetje uiteraard; je wilt de wandelaars immers de tijd geven even verschrikt om te kijken en dan plaats te maken…

Als ik stop bij het politiebusje komt de agent druk gebarend op me af. Dat ik hier beslist niet mag rijden en al helemaal niet parkeren! Ik trek m’n meest onschuldige, vertwijfelde gezicht en leg de man uit, dat ik voor het eerst in Verona ben, dat ik totaal de weg ben kwijt geraakt, dat ik zomaar plotseling bij het plein aankwam, dat ik in mijn paniek niet meer wist wat ik moest doen en dat ik -tegen de regels dat snap ik ook wel, maar ik ben zo in de war- naar de agent ben toe gereden om hulp te vragen.
En hulp krijg ik. De agent legt uit waar ik dan wel mag parkeren, maakt een openingetje zodat ik van het plein af kan en wenst me nog een plezierige dag toe.
Maar dan nog. Parkeren bij de blauwe lijnen, heeft de agent gezegd. Maar alle parkeervakken zijn bezet en als ik al een plekje zie, is dat te klein voor m’n bussie.
Dan zie ik een groot aantal toeristenbussen staan en tussen die grote jongens is nog volop plaats. Op het wegdek staat met grote witte letters: BUS.
‘Zijn we een bus of zijn we geen bus?’, vraagt vriendin.
Ik ben het helemaal met haar eens. Het is de eerste keer niet dat ik m’n bussie op een ongeoorloofde plek parkeer. ‘Als we een bekeuring krijgen, hebben we pech’, is mijn reactie als ik de handrem aantrek en uitstap.

Na uitgebreid de bezienswaardigheden van Verona te hebben bekeken, besluiten vriendin-en-ik in de loop van de middag het bussie weer op te zoeken. Met verbazing zien we op de plaats waar we het bussie ’s morgens parkeerden nu een grote Engelse touringcar staan. En pas nu zien we het bord, dat aan duidelijkheid niets te wensen overlaat… Het zal toch niet waar zijn!

Het is maar al te waar.
Drie touringcarchauffeurs staan op hun gemak tegen een muur geleund een praatje met elkaar te maken. Ik stap erop af en leg uit, dat ik m’n bussie kwijt ben.
‘Ah, u bent die Hollander? En u zoekt uw groene busje? Nou, dat is weggesleept hoor. Ik wilde er nog een foto van maken.’
Op mijn vraag waar m’n bussie dan nu is, moeten ze het antwoord schuldig blijven, maar ze wijzen wel de weg naar het politiebureau even verderop.

Als vriendin-en-ik de binnenplaats van het politiebureau oplopen, worden we halverwege tegen gehouden door een agente die boos uit haar hokje komt. Ze spreekt alleen Italiaans en uit haar gebaren maken we op, dat we ons op verboden terrein bevinden. Vriendin-en-ik proberen met gebarentaal duidelijk te maken, dat we een groen campertje zoeken, dat is weggesleept, maar de agente is onvermurwbaar en dirigeert ons vastberaden terug naar de straat. Als we nog een keer proberen uit te leggen waar we voor komen, komt een dikke, briesende commandant-met-krulsnor naar buiten die ons onverbiddelijk weg stuurt. Een toevallig passerende motoragent spreekt gelukkig wel een paar woorden Engels. Vriendin-en-ik leggen de situatie uit en even later krijgen we van de motoragent een briefje met daarop het adres waar het busje heen gesleept is. ‘Ik zou een taxi nemen’, adviseert de agent, ‘want het is in een buitenwijk.’

En kijk: daar staat m’n bussie.
Achter een hek. Tussen bergen oud ijzer en in elkaar gereden voertuigen.
Vriendin-en-ik melden ons in het kantoortje. Nadat ik me heb geïdentificeerd, wordt het hek open gemaakt en mag ik m’n bussie weer meenemen. Uiteraard pas na betaling van € 102,40 voor de sleepkosten. ‘De parkeerbekeuring krijgt u nog thuis gestuurd’, zegt de man van het bergingsbedrijf als hij me de papieren overhandigt…

————–

’s Avond op de camping was ik mijn handen bij het gootsteentje in het bussie.
‘Goh’, zegt vriendin die buiten van het avondzonnetje geniet, ‘er komt een straaltje water onder het bussie vandaan. Het zal toch niet zo zijn dat ze bij het wegslepen de afvalwatertank beschadigd hebben en dat-ie weer lek is.’
De tank blijkt inderdaad lek.


Als ik daarover de volgende morgen het bergingsbedrijf bel, weten ze van niets. ‘Toen we uw camper wegsleepten, was de politie aanwezig en die heeft vastgesteld, dat alles keurig in orde was.’
Geen poot om op te staan. Geen bewijs te leveren.
Ach, ik zie het allemaal wel weer als ik terug ben in Nederland.
Laat er in ieder geval m’n vakantieplezier niet door bederven.

Interessant artikel?

Naast me op het zonovergoten terras is een dame op leeftijd verdiept in een tijdschrift. Vriendin-en-ik bestellen cappuccino en een stuk taart.
Genietend van de koffie, de taart en de aan het terras voorbijtrekkende stroom toeristen werp ik af en toe een blik op de dame naast me.

Als vriendin-en-ik na zo’n drie kwartier afrekenen en het terras verlaten, heeft de grijze dame geen bladzijde omgeslagen van haar tijdschrift. Leest ze de eerste alinea van het artikel wellicht keer op keer opnieuw? En snapt ze maar niet waar het over gaat?

Paradeplaats

‘Kunnen we hier met een camper overnachten?’
‘Graag! Alle weekendkampeerders zijn inmiddels vertrokken, dus er is plaats genoeg. U hebt de keuze uit drie categorieën: het goedkoopste plaatsje is op het grasveld. Inclusief elektriciteit betaalt u daarvoor € 9,– per nacht. Dan hebben we nog plekjes met asfalt, die zijn € 11,– en we hebben ook onze zogenaamde comfortplekken. Voor € 17,– staat u op gras en heeft u stroom en warm water op uw plekje.’
Het had de hele dag behoorlijk geregend en -bang om met m’n bussie weg te zakken in het drassige gras- kies ik voor een plekje met asfalt.

‘Prima. Dan krijg ik dus elf euro van u en voor dat geld heeft u een mooie paradeplaats. U rijdt dit laantje helemaal uit. Pas op voor de verkeersdrempel en na die drempel ziet u rechts het toiletgebouw en links de asfaltplekjes. Kijk zelf maar waar u gaat staan, er is plaats genoeg.’
Gebaseerd op eerdere ervaringen op andere campings, stel ik me het ‘asfaltplekje’ voor als een plaatje asfalt waarop ik m’n bussie kan parkeren met daar omheen gras, struikjes en boompjes.
Maar als vriendin-en-ik na de verkeersdrempel naar links kijken, blijkt de praktijk anders: er zijn geen aparte asfaltplekjes. Wat we wel zien is een enorm parkeerterrein. Hier en daar staat een betonnen bak met wat groen. Langs de kant staan een paar geparkeerde en verlaten campers en caravans.

Als vriendin-en-ik ’s avonds na een uitstekende maaltijd nog even aan de bar van het restaurant zitten, vraag ik of deze locatie altijd al een camping is geweest.
‘Nee’, is het antwoord, ‘tot 1996 was dit een Engels legerkamp. De Britten hadden hier het grootste munitiedepot van heel Europa. Pas na het vertrek van de militairen is dit een camping geworden.’
Vandaar dus.
Vandaar dat enorme ‘parkeerterrein’ waar m’n bussie zielsalleen middenop staat. Dat bedoelden ze bij de receptie dus met een ‘paradeplaats’. Hadden vriendin-en-ik even verkeerd begrepen…

(more or less) Translate »