2009 Rondreis Moskou, Sint Petersburg en Baltische Staten

Do you speak English #3

Als ik op het terrasje een verse pijp opsteek, loopt op dat moment de ober voorbij. Hij blijft staan en vraagt: ‘Do you need an ashtray for… eh… that thing?’

Toiletgedachten

♥ Twintig cent…
‘Gôh’, zegt vriendin als ze terugkomt van het toilet, ‘dat is wel wat anders dan bij ons in Nederland. Kom ik bij het toilet, zit daar een mevrouw en moet ik haar twintig cent betalen. Voor dat geld neemt ze je mee naar een toilet, maakt het eerst schoon met bleekwater, geeft je een rol wc-papier en dan mag je pas naar binnen.

♥ Rugklachten…
Eindelijk na zeven hotels een wc-rolhouder die op de juiste plek en hoogte hangt en niet op een onmogelijke plaats achter je aan de muur of (meegemaakt!) tussen je benen door half onder de pot.

♥ Leermomentje…
Pas op het toilet en na gedane arbeid kom ik erachter, dat je van die grote rol wc-papier in de centrale ruimte wat mee naar binnen had moeten nemen voor eigen gebruik.

♥ Buurman…
Als ik mijn handen sta te wassen, komt er een man aan de wasbak naast me staan, die daar op die plek doodgemoedereerd zijn broek dicht gaat staan maken en z’n gulp dichtknoopt.

♥ Spiegeltje, spiegeltje…
Behalve een penetrante urinelucht hangt er in de openbare toiletruimte ook een plafond van spiegelstroken. Modern vormgegeven, dat wel, maar ook een extra dimensie bij het toiletbezoek. Want behalve de onfrisse geluiden van buurman-rechts is één blik omhoog voldoende om daadwerkelijk te zien wie verantwoordelijk is voor dit toiletconcert.

Hotel Sovietskaya

In oude reisgidsen staat Hotel Sovietskaya nog vermeld als een van de accommodaties in Sint-Petersburg. Maar de tijden in Rusland zijn veranderd en zo’n naam doet het tegenwoordig niet meer. Sovietskaya heet tegenwoordig Hotel Azimut. Het interesseert me eigenlijk bar weinig.
Na een bijna slapeloze nacht in de trein van Moskou naar Sint-Petersburg heb ik alleen maar behoefte aan een goed ontbijt en dito kamer. Het valt niet tegen: Azimut heeft een prachtige lobby, grenzend aan een gezellig restaurantgedeelte. Het ontbijtbuffet is meer dan voortreffelijk en (oh, weelde!) onze nieuwe gids heeft het bij de receptie kunnen regelen, dat we onze kamer al kunnen betrekken.

Die kamer bevindt zich niet in het hoofdgebouw, maar in een zijvleugel. Die kamer bevindt zich niet in hotel Azimut, maar in Sovietskaya. Ik ben weer twintig jaar terug in de tijd.
Als ik de kamer binnenstap, slaat de hitte me tegemoet. Ik kijk op de thermometer aan de muur: 290 C! Ik zoek de bediening van de airco. Die is er niet. Vriendin-en-ik openen snel het enige raam van de kamer.
In die hitte verschuiven we een kastje en wat lampen om de kamer tenminste een beetje beloopbaar te maken. In die hitte zoeken we tevergeefs naar een kluis en een kofferplank. Dan de paspoorten maar in de tas en de koffers aan het voeteneinde.

Ik ben toe aan een verfrissende douche na het nachtje slaaptrein. Als ik de kraan opendraai, komt er bruin water uit. Vandaar dat briefje op het kastje met ‘excuses voor het ongemak’. Als ik de douche aanzet, spuit dat bruinige water alle kanten op, voornamelijk naar de zijkanten tegen het douchegordijn aan.

Een uurtje later meld ik me (opgefrist?) bij de receptie.
Dat het zo heet is in de kamer en of daar iets aan gedaan kan worden? Of ze misschien een fan hebben?
De vriendelijke, goed Engels sprekende dame achter de balie belt meteen huishouding en vertelt me, dat het in orde komt: binnen een kwartiertje zullen ze de ventilator op onze kamer bezorgen.

Als we ’s middags terugkeren na een warm excursiedagje Sint-Petersburg is de temperatuur in de kamer met twee graden gedaald. Een ventilator staat er niet. Ik bel de receptie. ‘Hebben ze die niet neergezet? Ik ga dat meteen voor u regelen!’

Als we ’s avonds naar het restaurant gaan, meld ik bij de receptie, dat we nog steeds geen fan hebben. ‘Excuus, excuus, excuus, gaat u lekker eten. Wij zorgen dat het in orde komt.’
Als we na het eten op onze kamer komen… Ik blijf kalm (…) en bel de receptie. ‘Hebben ze dat nu weer vergeten? Ik stuur direct iemand naar uw kamer.’ Er wordt die avond niet meer op onze deur geklopt en het wordt een kleffe nacht.

Voor we de volgende morgen met de gids Sint-Petersburg intrekken, stap ik nog even naar de receptie.
‘Ah, mister Mahn. Is het nog niet in orde? Wat is uw kamernummer ook alweer? En waar gaat het precies om?’
Ik begin aan hun kennis van het Engels te twijfelen. Vroegen ze me gisteren ook al niet, wijzend op mijn haar, of ik een föhn wilde hebben? Ik vraag een pen en krabbel mijn verzoek op een papiertje.

In de loop van de dag slaat het weer in Sint-Petersburg volledig om.
Het koelt af naar zo’n zestien graden en het regent. Als we aan het einde van de middag onze kamer binnen komen, staat daar een ventilator. Splinternieuw. Het prijskaartje zit er nog aan. Ik pak hem op en zet hem in een hoek. Het koude weer houdt aan en de ventilator is geen minuut gebruikt.

Vooruitgang?

Twintig jaar geleden liep ik onder leiding van een gids met een groep over het Rode Plein. Toen ik me destijds een paar meter van de groep verwijderde om een stukje te filmen, snerpte er onmiddellijk een fluitje en werd ik door een bars kijkende soldaat terug naar de groep verwezen. Twintig jaar later lunch ik met vriendin op een westers aandoend terrasje aan datzelfde Rode Plein…

Twintig jaar geleden bezocht ik het toen grootste warenhuis van Moskou: het Gum. Ik filmde een grauwe mensenmassa in vormeloze jassen en vrouwen met grijze hoofddoeken. Ik zag winkeltjes met nauwelijks artikelen in de schappen. Twintig jaar later kijk ik mijn ogen uit in datzelfde Gum. De smoezelige winkeltjes hebben plaats gemaakt voor hypermoderne boetieks. Overal zie je de grote, westerse merken…

Twintig jaar geleden werd het straatbeeld in Moskou bepaald door Lada’s en Volga’s. Twintig jaar later zie ik de meest dure en westerse automerken door de straten rijden…

Twintig jaar geleden filmde ik schitterende historische gebouwen. Twintig jaar later zijn veel historische gevels ontsierd door grote, westerse reclames en billboards…

Twintig jaar later.
Moskou straalt rijkdom en vooruitgang uit.
Maar is het niet een flinterdunne rijkdom? Een rijkdom voor de happy few?
Heeft het merendeel van de Moskovieten het nu echt beter dan twintig jaar geleden?

Jezus!

Ik loop rond over de beroemde Kruisheuvel bij het plaatsje Šiauliai.
Verbaas me over de enorme hoeveelheid kruizen. Indrukwekkend.
Tot mijn oog valt op een oud, verweerd kruis.
Nooit geweten, dat Jezus zo’n atleet was…

Grootheidswaanzin

Aardig verhaal van onze gids.
Hotel Astoria in Sint-Petersburg was in de Sovjetperiode eigendom van de staat en alleen toegankelijk voor buitenlandse bezoekers en voorname leden van de communistische partij. Toen Hitler eind 1941 het plan opvatte Rusland in te lijven bij zijn grote Germaanse Rijk maakte hij ook al plannen voor de viering van zijn overwinning op Sint-Petersburg.

Er zou een parade komen langs het Winterpaleis en zijn legertroepen zouden hem daarna begeleiden naar het een paar huizenblokken achter de Hermitage gelegen hotel Astoria. In zijn grootheidswaanzin ging Hitler zelfs zo ver, dat hij de receptie in het hotel al had gereserveerd en de uitnodigingen had laten drukken. Na de feestelijkheden zou hij het hotel en de rest van Sint-Petersburg platbranden.
De geschiedenis heeft geleerd, dat het er allemaal niet van gekomen is: na een beleg van negenhonderd dagen trokken de Duitse troepen zich terug.

Fluiten

‘Niet fluiten! Mag niet!’
Onze lerares Duits/gids Galina sist me toe als ik in de hal van een Moskous museum loop te fluiten.
‘Mag je in Rusland niet in het openbaar fluiten?’
‘Niet fluiten!’, herhaalt ze alleen.
Ik haal m’n schouders op en mijn mond verder dicht.

Vier dagen later zit ik in het busje van het station naar ons hotel in Sint-Petersburg. Ik fluit een deuntje en corrigeer mezelf: ‘Oh nee, dat mag niet in Rusland.’ Aan onze Sint-Petersburgse gids vertel ik het verhaal van strenge Galina in Moskou.
‘Zo gek is dat niet van die Galina‘, zegt onze nieuwe gids, ‘binnenshuis fluiten betekent in Rusland, dat je het geld de deur uitfluit.’

Boos

Goedkeurend bekijk ik de uitgestalde etenswaren van het ontbijtbuffet. Ik heb het naar m’n zin en neurie zachtjes voor me uit. Naast me staat een grote, forse man van middelbare leeftijd zijn bord te vullen. Hij heeft grijs, borstelig haar en draagt een colbert dat zijn beste tijd gehad heeft.
‘Good morning!’, zeg ik vriendelijk, ‘ziet er allemaal lekker uit, hè?’
In plaats van me terug te groeten, krijg ik een snauwerige opmerking (in het Litouws?) en maakt hij een boos wegwerpgebaar. Daarna beent hij weg naar zijn tafeltje. Normaal gesproken zou ik mijn schouders ophalen over dergelijk gedrag, maar om de een of andere reden zit het me deze keer niet lekker.
Ik loop op zijn tafeltje af en vraag hem waarom hij zo reageert.
Met een kwaad gezicht begint de man me uit te foeteren. Tenminste, dat neem ik aan. Voor de zoveelste keer deze reis is er een taalbarrière: hij spreekt geen Engels, ik geen Litouws. Als er een serveerster voorbijkomt, vraag ik haar me te helpen. Ik leg uit wat er gebeurd is en dat ik graag wil weten waarom de man zo kwaad doet.
De serveerster wisselt enkele woorden met de hotelgast, krijgt een kleur en vertelt me dan, dat de man zich ergerde aan mijn goede humeur en vooral aan mijn geneurie. Ik ben stomverbaasd, maar steek mijn hand uit naar de man om hem mijn excuus aan te bieden (slaat natuurlijk nergens op, maar soms heb ik zo’n bui). Met een grauw slaat hij mijn hand weg, wijst naar de buitendeur en maakt vechtbewegingen. De serveerster staat er ongelukkig bij.
Ik schiet in de lach over zoveel agressie op de vroege morgen, bedank de serveerster voor haar hulp en loop naar vriendin, die al aan haar koffie-met-croissant zit.
‘Wat had je nou weer?’, vraagt ze als ik grinnikend bij haar aanschuif.
‘Geen idee’, antwoord ik naar waarheid, ‘ik sta net bij het buffet, onschuldig als de bruid, begint me daar een Litouwer…’

Nattigheid

Het regent. En niet zo’n beetje ook. De hele morgen zitten vriendin-en-ik al tegen de zwiepende ruitenwissers aan te kijken. We rijden door Litouwen en zijn op weg naar Kaunas.

Uit de reisgids:
‘In Kaunas moet u zeker een bezoek brengen aan het op een na belangrijkste middeleeuwse gebouw van de stad: al in 1367 stond aan de monding van de Neris in de Memel een burcht met vier torens en negen meter hoge muren.’

Met wat zoeken vinden we de burcht. Die staat bovenop een heuvel. Een steile trap leidt naar de top. In de regen en met de nodige uitpuf-momenten onderweg beklimmen we die trap. Als ik bovenaan ben, kan ik een verwensing nauwelijks onderdrukken. Vlak voor de burcht is een parkeerterrein waar wat auto’s staan.

De burcht ziet er verlaten uit. Logisch, want wie wil op zo’n verregende dag een kasteel bezoeken? Op de gesloten deur hangt een bordje: ‘Drie keer kloppen.’
Vriendin klopt en er gaat een luikje open. Een vriendelijk jongemannengezicht kijkt ons aan en vraagt om het wachtwoord. Het wachtwoord? Ik krijg een onaangenaam vermoeden. Dat vermoeden wordt bevestigd als ieder woord dat je zegt, wordt geaccepteerd en de deur uitnodigend openzwaait.
Het jongemannengezicht is gekleed in historische kledij (zijn we in het Land van Ooit?) en hij troont ons mee naar een rek ridderhessen. Nou ja, ridderhessen. Het zijn een soort grove, juten poncho’s zonder capuchon. Met een gat in het midden waar je hoofd doorheen moet en een soort ridderkruis op de rug. Vriendin laat zich zo’n hes ‘aanmeten’; ik weiger al sinds jaar en dag kleding of attributen aan te trekken waar een heel seizoen andere, ongetwijfeld ongewassen toeristen in hebben lopen zweten…

Eén blik op de troosteloze, verlaten en verregende binnenplaats is voldoende om te zien, dat we helemaal verkeerd zitten. De burcht is veranderd in een kinderspeelparadijs.
Je kunt op een neppaard-met-wieltjes gaan zitten, je kunt stallen bekijken waar niets te zien is, je kunt op de tribune plaats nemen om een riddertoernooi te bekijken (dat vanwege de weinige bezoekers en de regen niet doorgaat), je kunt over de glibberige omgang langs de kantelen wandelen, je kunt in een van de torens het restaurant bezoeken (dat gesloten is) en je kunt in het onvermijdelijke souvenirwinkeltje een aandenken kopen. Een aandenken aan deze ‘historische’ burcht? Vriendin-en-ik hebben geen enkele behoefte.

Met een half uurtje hebben we het allemaal wel bekeken. Leuk voor de kleinkinderen, is onze conclusie. Als de zon schijnt.
We glibberen de steile trap af en rijden zo snel mogelijk weg.
In welk jaar is die reisgids eigenlijk geschreven?

Schoon

Tramlijn 1 naar Kadriorg stopt bij het eindpunt.
Nog voor alle passagiers zijn uitgestapt, komen twee geelgehesde mannen met een bezem naar binnen. Als de tram helemaal leeg is, vegen zij het rijtuig van voor naar achter keurig schoon. Ze stappen uit en gaan weer bij de halte staan. Leunend op hun bezem wachten zij gelaten op de volgende tram.