2009 Rondreis Moskou, Sint Petersburg en Baltische Staten

Smakelijk

♦ Chocolademelk
Vriendin neemt koffie, ik bestel hot chocolate. Het is wel aan de prijs, maar vooruit. De koffie wordt al snel gebracht, maar mijn chocolademelk laat op zich wachten. Verdorie, wat is dat nou? Is toch niet zo’n werk? Cacao in een kop, melk erbij, even roeren en klaar! Als vriendin de koffie al op heeft, brengt de serveerster mij een espresso-klein-kopje. Inwendig begin ik al te sputteren: zo’n klein kopje chocolademelk voor zo’n fors bedrag! Tot ik het kopje oppak. Het donkerbruine spul beweegt nauwelijks. En als ik voorzichtig een lepeltje ervan in mijn mond steek en proef, wordt alles me duidelijk: pure, gesmolten chocola!

♦ Kava su pieno
Bestel je in de Baltische Staten koffie met melk, dan krijg je een bak warme melk met een lichte afdronk van koffie.

♦ Met een rietje
Ontdek ik op de kaart een beer groc. Krijg ik een halve liter heet bier met honing, twee schijfjes citroen en… een rietje.

♦ Dubbel bier…
Staat er in het restaurant zo’n kaartje op tafel. Met een plaatje van een maaltijd en een glas bier ernaast. In het Cyrillisch staat er iets bijgeschreven, maar dat kan ik niet lezen. Krijg ik even later een bord eten geserveerd met twee halve liters bier. Weet ik veel!
Heb dat ene glas maar weggegeven bij een tafeltje met jongelui. Moesten ze lachen.

♦ ’s Lands wijs
Blini is een traditioneel Russisch gerecht. Moet je een keer gegeten hebben. Dan ook maar meteen ‘zeppelins’ erbij besteld. Als de borden worden gebracht kijken vriendin-en-ik elkaar even aan. De zeppelins zijn duidelijk te herkennen aan de vorm. Ik snijd een stukje af en proef. Nou ja, gepaneerde rösti, niks bijzonders. De blini’s zien er onsmakelijk uit: een grijzige, pokdalige bol ter grootte van een flinke aardappel. Als ik die drillerige bal van gestold, lillend spul doormidden snijd, blijkt hij gevuld met een ondefinieerbare, vleesachtige massa. Voorzichtig neem ik een klein hapje. Ik kom er niet achter wat ik eet. Ik houd het op abattoirafval.
Vriendin heeft met afkeer en spanning naar mijn proeverij gekeken.
‘Lekker?’, vraagt ze.
‘Heerlijk!’, zeg ik manhaftig, ‘ziet er niet uit, maar heerlijk!’
Vriendin laat zich overhalen en neemt een muizenhapje.
We roepen de ober, betalen onze maaltijd en laten de borden verder onaangeroerd staan.

Het kleinste koekje-bij-de-koffie

Het grootste bord eten

Boos

Goedkeurend bekijk ik de uitgestalde etenswaren van het ontbijtbuffet. Ik heb het naar m’n zin en neurie zachtjes voor me uit. Naast me staat een grote, forse man van middelbare leeftijd zijn bord te vullen. Hij heeft grijs, borstelig haar en draagt een colbert dat zijn beste tijd gehad heeft.
‘Good morning!’, zeg ik vriendelijk, ‘ziet er allemaal lekker uit, hè?’
In plaats van me terug te groeten, krijg ik een snauwerige opmerking (in het Litouws?) en maakt hij een boos wegwerpgebaar. Daarna beent hij weg naar zijn tafeltje. Normaal gesproken zou ik mijn schouders ophalen over dergelijk gedrag, maar om de een of andere reden zit het me deze keer niet lekker.
Ik loop op zijn tafeltje af en vraag hem waarom hij zo reageert.
Met een kwaad gezicht begint de man me uit te foeteren. Tenminste, dat neem ik aan. Voor de zoveelste keer deze reis is er een taalbarrière: hij spreekt geen Engels, ik geen Litouws. Als er een serveerster voorbijkomt, vraag ik haar me te helpen. Ik leg uit wat er gebeurd is en dat ik graag wil weten waarom de man zo kwaad doet.
De serveerster wisselt enkele woorden met de hotelgast, krijgt een kleur en vertelt me dan, dat de man zich ergerde aan mijn goede humeur en vooral aan mijn geneurie. Ik ben stomverbaasd, maar steek mijn hand uit naar de man om hem mijn excuus aan te bieden (slaat natuurlijk nergens op, maar soms heb ik zo’n bui). Met een grauw slaat hij mijn hand weg, wijst naar de buitendeur en maakt vechtbewegingen. De serveerster staat er ongelukkig bij.
Ik schiet in de lach over zoveel agressie op de vroege morgen, bedank de serveerster voor haar hulp en loop naar vriendin, die al aan haar koffie-met-croissant zit.
‘Wat had je nou weer?’, vraagt ze als ik grinnikend bij haar aanschuif.
‘Geen idee’, antwoord ik naar waarheid, ‘ik sta net bij het buffet, onschuldig als de bruid, begint me daar een Litouwer…’

Do you speak English #3

Als ik op het terrasje een verse pijp opsteek, loopt op dat moment de ober voorbij. Hij blijft staan en vraagt: ‘Do you need an ashtray for… eh… that thing?’

Zeven Hoge Petten

Op de luchthaven van Sint-Petersburg word ik staande gehouden door twee geüniformeerde mannen. Nou, mannen. Melkmuiltjes. Grote jongens waarvan je je afvraagt of hun moeder wel weet dat ze hier bij het vliegveld rondlopen. Hun autoriteit moeten ze hebben van hun uniform, maar vooral van de bovenmaatse hoge ‘sovjetpetten’. Ik kan niet goed inschatten welke functie ze hebben. Politie? Bewaking? Militairen? Ik kan het ze ook niet vragen, want een van de twee praat in het Russisch tegen me, de ander staat er wat meesmuilerig bij te grijnzen.
Op mijn vraag of ze Engels spreken, rits de ene Hoge Pet zijn zwarte, leren jack open, haalt uit de binnenzak een klein boekje, bladert er wat in en leest dan hardop: ‘Please sir, show passport’. De andere Pet vindt dit kennelijk zo grappig, dat hij in een goofy-achtig, hikkend lachje uitbarst.
‘Mijn paspoort? Dat heb ik binnen in de vertrekhal in mijn handbagage. Maar waarom wilt u dat zien?’
‘Please sir, show passport’
‘Jawel, dat snap ik wel, maar waarom wilt u mijn paspoort zien?’
‘Please sir, show passport’
Nadat we dit gesprek vijf keer hebben herhaald, geef ik het op.
‘Luister, jongens’, zeg ik, ‘als je mijn paspoort wil zien, moet je even met me mee lopen. Ik begin het koud te krijgen in mijn shirtje met korte mouwen, dus ik ga naar binnen.’
Ik doe een paar passen in de richting van de vertrekhal. De Hoge-Pet-Met-Het-Boekje grijpt mijn arm om me tegen te houden, de andere Pet begint driftig in zijn mobilofoon te praten. Ik schud me los en ga naar binnen, op een paar meter afstand gevolgd door de twee Petten.

‘Wat heb je nou weer?’, vraagt vriendin als ik bij het tafeltje kom waar we koffie zitten te drinken.
‘Ik weet het niet. Die twee jongetjes daar willen zo nodig mijn paspoort zien. Ik snap ook niet waarom.’
‘Je stond toch buiten te filmen? En je weet toch dat zoiets verboden is op een vliegveld.’
‘Vroeger ja, maar tegenwoordig niet meer. Die mannetjes vervelen zich en vallen mij lastig. Volgens mij hebben ze hier binnen niet eens de bevoegdheid om ook maar iets te mogen doen.’
Intussen heb ik mijn paspoort tevoorschijn gehaald en loop ermee naar de twee Petten, die midden in de drukke vertrekhal zijn blijven staan. Ik laat mijn paspoort zien. Een van de twee Petten wil het van me aannemen, maar dat -pesterig- weiger ik. Op dat moment verschijnen er nog twee uniformen in de hal. Ze zijn ouder, hebben meer strepen en komen naar me toe. Ook de twee nieuw aangekomenen spreken geen woord Engels. Vier Petten om me heen beginnen om beurten om mijn paspoort te vragen.
‘Copy, copy, copy passport’, zegt de oudste van de vier.
‘Oh, een kopietje?’, doe ik begrijpend.
Ik begin plezier in het voorval te krijgen, loop weer naar mijn bagage en haal een kopietje van mijn paspoort tevoorschijn. Met een ‘Alsjeblieft, hier heb je een kopietje’ wil ik het papiertje aan de oudste Pet overhandigen, maar die wuift het weg. Mijn paspoort moet-ie hebben, zodat hij zelf een kopie kan maken. En dat weiger ik treiterig.

Ik zie inmiddels dat het inchecken gaat beginnen. Er vormt zich een rij passagiers en vriendin-en-ik pakken onze bagage en sluiten aan bij de groeiende rij. Op dat moment komt de vijfde Pet de vertrekhal in. Hij begint (in het Russisch) op me in te praten, de vier andere Petten staan om me heen. Als ik het nog steeds niet wil begrijpen, stapt Pet Vijf op de dame af die bij de ingang de paspoorten controleert.
‘Je komt er niet door’, zegt vriendin, ‘kijk maar.’ Ze heeft gelijk. Uit de gebaren en de blikken van Pet Vijf en de douanebeambte begrijp ik dat hij haar duidelijk maakt ‘die kerel met dat lange grijze haar en die baard’ niet toe te laten. Als er nog twee uniformen de vertrekhal binnen komen, die zich aan weerszijden van het toegangspoortje opstellen, besluit ik dat het lang genoeg geduurd heeft.
Omringd door de Hoge Petten wend ik mij tot de rij medepassagiers.
‘Is er iemand die én Russisch én Engels spreekt en die mij kan helpen?’, roep ik. Een echtpaar stapt naar voren. ‘Ze hebben u buiten bezig gezien met uw videocamera’, begint de vrouw, ‘en nu willen ze zien wat u precies gefilmd heeft.’
‘Oh, is dat het?’, doe ik ineens begrijpend, ‘waarom zeggen ze dat niet gewoon?’ Ik pak mijn camera. Twee Petten blijven naast de ingang geposteerd, vier Petten kijken toe hoe ik de video-opname terugspoel. Op het moment, dat ik de opname wil afspelen, voegt zich nog een zevende Pet bij het gezelschap. Hij heeft nog meer strepen en de andere Petten geven hem de ruimte om het beste zicht te hebben op mijn videobeelden.
‘Delete!’, is het enige dat de Hoogste Pet zegt nadat hij de beelden heeft gezien die ik zojuist buiten heb gemaakt. Nietszeggende beelden van een gebouw met sovjetarchitectuur. Ineens toegeeflijk (het inchecken gaat gestaag door) spoel ik de opname terug en film mijn schoenen. Vijf Petten kijken geïnteresseerd toe, zijn kennelijk tevreden, want verdwijnen uit de vertrekhal. Ook de twee Petten bij de paspoortcontrole stappen op. De hulpvaardige vrouw bijt ze een paar venijnige, boze zinnen toe.
Vriendin-en-ik stappen op de vrouw af.
‘Maakt u zich niet boos. Dat doen wij ook niet. Hartelijk dank voor uw hulp. We gaan inchecken. Enne… we hebben altijd de foto’s nog!’ Van een geheugenkaartje in een videocamera heeft kennelijk geen der Zeven Hoge Petten ooit gehoord…

En is die foto nou al die toestanden waard? Welnee. Maar het doodt wel die ellendige wachttijd op een vliegveld.

‘En had je dit twintig jaar geleden ook gedaan?’, vraagt vriendin.
‘Van z’n leven niet! Zou ik toen nooit gedurfd hebben’, antwoord ik uit de grond van mijn hart.

Do you speak English #1

Volgens de reisgids spreekt men in de meeste Russische hotels goed Engels. Is over het algemeen wel zo, maar communiceren ze ook?

Vanwege ons vroege vertrek uit het hotel kunnen we geen gebruik maken van het ontbijtbuffet. Bij de receptie bespreek ik een breakfastbox die we mee zullen krijgen als we uitchecken.

De volgende morgen zijn vriendin-en-ik (natuurlijk) veel te vroeg wakker. Ik bel de receptie en vraag of de ontbijtdozen op de kamer kunnen worden gebracht.
‘Ik ben bang van niet, mijnheer. Er is nog niemand van roomservice aanwezig. Maar u kunt ze wel zelf in het restaurant ophalen als u dat wenst.’ Dat doe ik dan maar.
Als we even later op onze kamer net aan ons ontbijt-uit-de-doos begonnen zijn, wordt er op de deur geklopt. ‘Good morning sir, u wilde de ontbijtdozen op uw kamer hebben? Alstublieft…’

Fluiten

‘Niet fluiten! Mag niet!’
Onze lerares Duits/gids Galina sist me toe als ik in de hal van een Moskous museum loop te fluiten.
‘Mag je in Rusland niet in het openbaar fluiten?’
‘Niet fluiten!’, herhaalt ze alleen.
Ik haal m’n schouders op en mijn mond verder dicht.

Vier dagen later zit ik in het busje van het station naar ons hotel in Sint-Petersburg. Ik fluit een deuntje en corrigeer mezelf: ‘Oh nee, dat mag niet in Rusland.’ Aan onze Sint-Petersburgse gids vertel ik het verhaal van strenge Galina in Moskou.
‘Zo gek is dat niet van die Galina‘, zegt onze nieuwe gids, ‘binnenshuis fluiten betekent in Rusland, dat je het geld de deur uitfluit.’

Witte wijn

Hotel Vega aan de Izmailovskoe Shosse in Moskou is vooral heel groot.
Dat geldt ook voor het restaurant waar we na het beklimmen van een reusachtige trap terecht komen: groot, heel veel tafeltjes, heel veel grote gele lampen aan het plafond, een uitgebreid buffet, een reusachtige spiegelwand, maar ook compleet uitgestorven. Behalve een Duits gezinnetje zijn vriendin-en-ik de enige gasten. Personeel is er niet te bekennen. We kiezen -keuze genoeg- voor een tafeltje bij het raam. Even twijfelen we nog ergens anders te gaan zitten, maar ook op alle andere tafeltjes zitten de gele tafelkleedjes vol vette vlekken.

Bij het buffet hebben we een ruime keus uit veel gerechten. Vlees en vis in alle soorten. Als we ons bord hebben gevuld en aan tafel de eerste happen nemen, komen we tot de voorzichtige conclusie, dat de overeenkomst tussen alle gerechten de mindere kwaliteit en het hoge vetgehalte is.

Na een klein kwartiertje (…) verschijnt er personeel in het restaurant.
Eén van de serveersters (wat is ze nog jong!) komt naar ons tafeltje en vraagt in het Russisch ons kamernummer.
Of ze ook Engels spreekt. Haar a little blijkt wel heel erg little te zijn, want mijn vraag om een fles witte wijn levert slechts een opgetrokken wenkbrauw en niet begrijpende ogen op. Met handen en voeten slagen we erin haar duidelijk te maken wat onze bedoeling is. Na een poosje loopt ze met een begrijpend yes, yes, yes weg in de richting van de keuken aan de andere kant van het restaurant.
Benieuwd of ze het allemaal wel echt begrepen heeft, volgen we haar bewegingen. Na drie minuten verschijnt ze alweer in de deuropening, lacht wat schichtig onze kant op, loopt op een drafje in de richting van de uitgang van het restaurant en gaat de trap af. We halen onze schouders op en vullen nog maar een klein bordje vettigheid. Als we net weer aan tafel zitten, komt ons serveerstertje terug. Ze heeft inderdaad een fles witte wijn bij zich.
In een hoek van het restaurant staan twee collega’s van haar en daar loopt ze naar toe. Met z’n drieën gaan ze in de weer om de fles te ontkurken. Eerst wordt de kurkentrekker van alle kanten bekeken, vervolgens probeert nummer 1 de fles open te krijgen. Als dat niet lukt, neemt nummer 2 de kurkentrekker over en doet verwoede pogingen de kurk uit de fles te krijgen. Regelmatig werpen ze een schichtige blik achterom naar ons tafeltje, waar wij met stijgende verbazing deze operatie volgen.
Het gaat allemaal zo onervaren en klungelig, dat we op het punt staan de helpende hand te bieden als we op dat moment wat gesmoorde vreugdekreetjes horen: de fles is ontkurkt! Helemaal tevreden zijn ze niet met het resultaat, want ze staan wat beteuterd naar de geopende fles te kijken. Ons serveerstertje pakt de fles op. In plaats van naar ons tafeltje te komen om (eindelijk, we zijn bijna klaar met eten) onze glazen te vullen, loopt ze -nerveus naar ons glimlachend- rechtstreeks naar de keuken. Bijna opgelucht komt ze even later weer tevoorschijn, stevent op ons tafeltje af en zet met gepaste trots de fles wijn op tafel.

De fles is inderdaad open, maar helaas is de kurk naar binnen geschoten. Geen probleem voor onze serveerster, want trots wijst ze op het buigrietje (…) dat in de hals is gestoken en waarmee de kurk naar beneden kan worden geduwd. Normaal gesproken zouden we er niet over piekeren een dergelijke wijnmishandeling te accepteren, maar ach, ze zijn zo bezig geweest en ach, ze hebben zo hun best gedaan en ach, ze zijn nog zo jong, dus vooruit maar. Wel maken we haar duidelijk, dat witte wijn gekoeld moet worden gedronken, dus als ze wat ijs heeft? Kijk en dat begrijpt ze meteen, want binnen de kortste keren is ze terug met een dessertbakje met ijsklontjes. Kunnen we die bij de wijn doen. Met handen- en voetenwerk maken we haar duidelijk, dat we een koeler met ijsblokjes bedoelen waar we de fles in kunnen zetten. We beginnen medelijden met haar te krijgen als we haar weer naar de keuken zien lopen, even later het restaurant zien doorkruisen en voor de tweede maal de trap naar beneden zien nemen. Het duurt even (we zijn maar vast aan het dessert begonnen) als ze weer terug komt. Met twee handen omklemt ze een grote kom, een soort pispot-zonder-oor, tot de rand gevuld met ijsblokjes.
We laten het maar zo, bedanken haar vriendelijk en wurmen de wijnfles tussen de blokjes ijs, een ervaring rijker.

Nog één keer verschijnt ons serveerstertje aan tafel.
Of we de wijn apart willen afrekenen: 600 roebel alsjeblieft.
Ach, hebben we voor een krappe veertien euro toch een gratis voorstelling gekregen. En ze krijgt nog een fooitje ook.

Nattigheid

Het regent. En niet zo’n beetje ook. De hele morgen zitten vriendin-en-ik al tegen de zwiepende ruitenwissers aan te kijken. We rijden door Litouwen en zijn op weg naar Kaunas.

Uit de reisgids:
‘In Kaunas moet u zeker een bezoek brengen aan het op een na belangrijkste middeleeuwse gebouw van de stad: al in 1367 stond aan de monding van de Neris in de Memel een burcht met vier torens en negen meter hoge muren.’

Met wat zoeken vinden we de burcht. Die staat bovenop een heuvel. Een steile trap leidt naar de top. In de regen en met de nodige uitpuf-momenten onderweg beklimmen we die trap. Als ik bovenaan ben, kan ik een verwensing nauwelijks onderdrukken. Vlak voor de burcht is een parkeerterrein waar wat auto’s staan.

De burcht ziet er verlaten uit. Logisch, want wie wil op zo’n verregende dag een kasteel bezoeken? Op de gesloten deur hangt een bordje: ‘Drie keer kloppen.’
Vriendin klopt en er gaat een luikje open. Een vriendelijk jongemannengezicht kijkt ons aan en vraagt om het wachtwoord. Het wachtwoord? Ik krijg een onaangenaam vermoeden. Dat vermoeden wordt bevestigd als ieder woord dat je zegt, wordt geaccepteerd en de deur uitnodigend openzwaait.
Het jongemannengezicht is gekleed in historische kledij (zijn we in het Land van Ooit?) en hij troont ons mee naar een rek ridderhessen. Nou ja, ridderhessen. Het zijn een soort grove, juten poncho’s zonder capuchon. Met een gat in het midden waar je hoofd doorheen moet en een soort ridderkruis op de rug. Vriendin laat zich zo’n hes ‘aanmeten’; ik weiger al sinds jaar en dag kleding of attributen aan te trekken waar een heel seizoen andere, ongetwijfeld ongewassen toeristen in hebben lopen zweten…

Eén blik op de troosteloze, verlaten en verregende binnenplaats is voldoende om te zien, dat we helemaal verkeerd zitten. De burcht is veranderd in een kinderspeelparadijs.
Je kunt op een neppaard-met-wieltjes gaan zitten, je kunt stallen bekijken waar niets te zien is, je kunt op de tribune plaats nemen om een riddertoernooi te bekijken (dat vanwege de weinige bezoekers en de regen niet doorgaat), je kunt over de glibberige omgang langs de kantelen wandelen, je kunt in een van de torens het restaurant bezoeken (dat gesloten is) en je kunt in het onvermijdelijke souvenirwinkeltje een aandenken kopen. Een aandenken aan deze ‘historische’ burcht? Vriendin-en-ik hebben geen enkele behoefte.

Met een half uurtje hebben we het allemaal wel bekeken. Leuk voor de kleinkinderen, is onze conclusie. Als de zon schijnt.
We glibberen de steile trap af en rijden zo snel mogelijk weg.
In welk jaar is die reisgids eigenlijk geschreven?

(more or less) Translate »