2009 Camper Frankrijk en Italië

Heeft u dat nou ook? #2

Dat u in Frankrijk en Italië tevergeefs gezocht hebt naar een radiozender die een beetje om aan te horen is?
Dat u op de thuisreis zo blij bent eindelijk weer eens een Hollandse zender te horen in de buurt van de Nederlandse grens? En dat u helemaal het gevoel krijgt weer bijna thuis te zijn als u rond Antwerpen het bord ziet met de afslag Jezus-Eik?

Vervoer op maat

Het gaat goed met de gezondheid van vriendin. Na drie dagen in het ziekenhuis mag ik haar de vierde dag ’s morgens weer op komen halen. Ze krijgt een brief mee voor de huisarts in Nederland en de opdracht zich gedurende de vijf opvolgende dagen in het hotel een injectie te laten toedienen. En over veertien dagen wordt ze nog even terug verwacht in het ziekenhuis voor controle. Dat laatste heeft vriendin maar beleefd afgewimpeld…

Het is warm in de Provence als we daar op bezoek zijn bij dochter-van-vriendin Laura.
Het is warm als we besluiten een bezoek te brengen aan de waterval.
We parkeren de auto en volgen de bordjes die de wandelroute aangeven. Zeshonderd meter tot de waterval, geeft het eerste bordje aan. Als we een kleine tien minuten bergafwaarts het pad hebben gevolgd, wijst een volgend bordje ons de weg. Achthonderd meter, staat er op dat tweede bordje… Dat houdt de moed erin (…) en bovendien realiseren we ons, dat we na een blik op die waterval diezelfde weg weer terug moeten. En dan bergopwaarts. We zien wel.

Het wordt een lome, vermoeiende wandeling.
Als we de waterval gezien hebben en aan de terugtocht beginnen, blijkt de conditie van vriendin toch nog niet honderd procent. Ik maak me zorgen om haar over die bloedhete kilometer bergopwaarts. Op dat moment komen er twee jongens op een brommer de berg afstuiven. Met wappergebaren beduid ik ze te stoppen en leg in m’n beste Frans uit, dat ‘mevrouw daar’ onmogelijk de berg verder kan beklimmen en dat ze ‘mevrouw daar’ een enorm plezier zouden doen als ze haar even naar de parkeerplaats willen brengen. De jongen sputtert wat tegen (hij komt net uit school en is op weg naar huis), maar als ik een dringend beroep doe op zijn hulpvaardigheid en als ook vriend-op-brommer een duit in het zakje doet, is hij bereid om te keren, vriendin achterop te nemen en naar de parkeerplaats te rijden.
Merci, merci mille fois‘, roep ik hem na als hij wegstuift.

Ontmoeting #5

Loop ik met hem door Milaan.
Modestad toch, nietwaar? Vrouwenparadijs.
Zie ik om me heen Gucci, Prada, Vuitton, noem alle grote merken maar op. Duwt-ie me de H&M binnen!’

Laatste avondmaal

Waar voor anderen een bezoek aan het San Siro Stadion in Milaan een absolute must is, zo heb ik dat met het in levende lijve aanschouwen van Il Cenacolo (het Laatste Avondmaal) van Leonardo da Vinci. Het bevindt zich in de refter van het Santa Maria delle Grazie.

Uitgerekend op de dag dat de Italiaanse regering een hittegolfalarm uitvaardigt, sloffen we naar dat klooster. Bij het loket staat een rij toeristen, in de aangrenzende gang zitten, hangen en staan bezoekers te wachten tot ze naar binnen mogen.
Het is kwart voor vier. Onder de wachtenden gaan wat geruchten over lange wachttijden, maar helemaal duidelijk wordt het ons niet. Als we aan de beurt zijn om kaartjes te kopen, informeren we toch maar voor de zekerheid naar die wachttijden.
Er blijkt nog één plaatsje vrij te zijn om tien over vijf en nog meerdere kaartjes voor half zes. Bijna twee uur wachten om langs het Laatste Avondmaal te mogen schuifelen? Daarom stond er in de reisgids: reserveren noodzakelijk.
Het is het niet waard (en bovendien 35 graden). Terug naar het hotel dus, een duik in het zwembad en daarna beneden in het restaurant ons eigen -en zeker niet laatste- avondmaal.

Soms zit het mee… #1

Vanmorgen wordt vriendin wakker met een opgezette, pijnlijke keel. Nu heeft ze al een paar dagen last, slikt ook de nodige medicijnen en pijnstillers, maar zonder resultaat. Daar moet een dokter maar eens naar kijken. Bij de receptie van het hotel vragen we het adres van een Engelssprekende arts. Een plaatselijke arts die ook nog Engels spreekt blijkt onmogelijk (…) en bovendien kan het nog wel een uurtje duren voor men een dokter te pakken kan krijgen. Toegegeven: het is nog maar kwart voor acht, maar als je vergaat van de pijn wil je daar zo snel mogelijk van af. Gelukkig verblijft op dit moment de Australische Olympische roeiploeg in ons hotel, compleet met medische staf en binnen de kortste keren regelt de receptie dat hun dokter even naar de keel van vriendin komt kijken. Zijn conclusie is snel getrokken: ontstoken speekselklieren. Zijn advies is nog sneller gegeven: onmiddellijk naar een ziekenhuis. We krijgen van hem de naam en het adres van het ziekenhuis in Varese (prima hospitaal, heb ik goede ervaringen mee) en tegen tienen parkeer ik het bussie op de invalidenparkeerplaats van het Ospedale di Circolo (nood breekt wet, nietwaar?).

We melden ons bij de receptie van de pronto soccorso.
Nee, de dame spreekt geen Engels, geen Frans en maar een paar woordjes Duits. Met veel pijn, moeite en handen- en voetenwerk krijgen we uitgelegd wat het probleem is. Met nog meer pijn en moeite worden de noodzakelijke gegevens van vriendin overgenomen van haar identiteitskaart.
Of we maar plaats willen nemen in de wachtruimte: als vriendin aan de beurt is, zal haar naam worden afgeroepen. We doden een uurtje (…) de tijd met het bekijken van de andere wachtenden, kijken belangstellend toe hoe een vervaarlijk uitziende bewakingsbeambte, compleet met pistool in holster, verveeld om zich heen kijkt tot we vanaf de receptie horen roepen dat signorina Catharina aan de beurt is.

Signorina Catharina?
Later -uren later- als de gegevens van vriendin voor de vijfde keer moeten worden vermeld bij het vijfde loket (waar voor de vijfde keer alleen maar Italiaans wordt gesproken) komen we erachter, dat men die vier voorafgaande keren de voor- en achternaam van vriendin heeft verwisseld, het adres verkeerd heeft overgenomen en voor het gemak maar heeft aangetekend dat vriendin de Duitse nationaliteit heeft. Op dit moment kunnen we ons er niet druk om maken. Belangrijker is dat we aan de beurt zijn. Eindelijk!

Het pistool-met-holster houdt de deur keurig voor ons open en we belanden… in een lange gang met rijen stoelen waarop de nodige patiënten lijdzaam op hun beurt zitten te wachten. Onze vreugde over het aan de beurt zijn wordt danig getemperd door die rij wachtenden, maar al na een drie kwartier worden we binnengeroepen bij scala-1, waar we (hoera!) een Engelstalige dokter treffen. Vriendin wordt onderzocht, krijgt een spuitje tegen de pijn en de mededeling dat een specialist geconsulteerd moet worden. Of we maar weer plaats willen nemen in de gang. De signorita wordt wel weer geroepen…

Nee, beide specialisten spreken geen Engels, wel een beetje Frans. Knap lastig om dan uit te leggen wat je precies mankeert en voelt, maar met veel gehaspel over en weer komen de dames-specialisten tot de conclusie, dat er bij vriendin sprake is van ontstoken speekselklieren en een kaakontsteking (hebben we dat veel en veel eerder die morgen al niet van de Australische sportarts gehoord?). Er moet bloed worden afgenomen, vriendin krijgt de nodige medicaties voorgeschreven en voor de zekerheid moet er ook nog een echografie worden gemaakt. Of we maar weer even plaats willen nemen in de gang…

Na een krap uurtje wachten mag vriendin weer terug naar de Engelstalige dokter. Ze krijgt een drain en (dat is schrikken) de mededeling, dat het verstandig is in het ziekenhuis te blijven ter observatie en ter controle of de kwaal niet verergert. In afwachting van het maken van de foto’s worden we verzocht maar weer even in de gang plaats te nemen…

Terwijl we weer tussen de andere wachtenden zitten, meldt zich een broeder bij vriendin met de nodige spuiten die hij (zonder handschoenen) bij haar inbrengt. We kijken er niet eens meer van op. Overal om ons heen worden patiënten op die manier geholpen. Het zal allemaal wel zo horen hier in Varese. Even later beduidt een rap Italiaans sprekende verpleegster haar te volgen voor het maken van een foto.

Een aardige jonge dokter verwelkomt ons in zijn ‘donkere kamer’ met de toch niet helemaal geruststellende woorden: ‘Zo, en wat is het probleem?’ Nadat we hem hebben duidelijk gemaakt, dat we dat van hem verwachten te horen, mag vriendin op een tafel gaan liggen, wordt de kamer verduisterd en beginnen er allerlei apparaten te zoemen.

Het is inmiddels half drie geworden als de broeder-van-de-spuiten weer ten tonele komt. Hij vraagt vriendin plaats te nemen op een brancard, sluit een zak en een potje aan op de drain en rijdt haar dan (ach mijnheer, kunt u aan het hoofdeinde even meesturen per favore?) bij de wachtende patiënten vandaan. Op weg naar een kamer? Welnee. Vriendin wordt drie straatjes verder tussen tientallen andere brancards op de gang geparkeerd. Als de broeder zonder verder een woord te zeggen weer wil verdwijnen, kunnen we toch niet nalaten te vragen wat nu precies de bedoeling is. ‘Even hier wachten’, is het enige dat we in gebrekkig Engels te horen krijgen.

Vol verbazing kijken we rond. Overal staan brancards. Overal liggen patiënten. En bij alle brancards zijn zorgzame familieleden aanwezig. Ze halen drinken. Ze halen eten. Ze houden de zakken medicijnen in de gaten en schieten een voorbijkomende broeder aan als de zak bijna leeg is. Ze laten de patiënt in een potje plassen en brengen dat weg. Zijn we in Italië of is dit Timboektoe?

Als het wachten in die gang wat al te lang gaat duren, word ik ongedurig. Ondanks de uitspraak van de buurpatiënt dat in dit ziekenhuis de patiënt vooral patience moet hebben, schiet ik een loslopende broeder aan. ‘U wacht op vervoer naar een kamer? Wie heeft dat verteld? Nou, maar dan vergist u zich. Er zijn helemaal geen kamers vrij. Mevrouw en al deze andere mensen blijven vannacht hier in de gang. Misschien, heel misschien kan mevrouw morgen naar een kamer, maar zeker is dat nog niet. En nee, mevrouw kan zich niet wassen. En nee, mevrouw krijgt geen eten. Dat kunt u zelf kopen in de automaten in de scala di attesa. Daar is koffie, frisdrank, water en sandwiches met kaas en ham. En het is wel zo handig, dat u, mijnheer, vannacht ook hier blijft om mevrouw te verzorgen als dat nodig is…’
Verbluft blijven vriendin-en-ik achter in de gang. De andere patiënten schijnen dit een doodnormale zaak te vinden, vriendin legt zich bij de situatie neer (‘het is niet anders, dan maar slapen in de gang, je doet er niks aan’), maar ik bries van woede. Ik loop een rondje over de afdeling, schiet iedere witte, gele, blauwe en oranje jas aan en doe mijn beklag. Tevergeefs, want het merendeel van het personeel spreekt geen woord buiten de deur en komt niet verder dan dat ik een momento moet wachten. En de enkeling die wel min of meer de Engelse taal machtig is, trekt de simpele conclusie: ‘Als mevrouw geen pijn heeft, is er geen reden tot klagen!’
Ik geef niet op en houd mijn geklaag een dik uur vol. Waarschijnlijk (ik zal het nooit zeker weten) zijn ze mijn drammerige gezeur uiteindelijk zat en krijg ik de mededeling, dat ik klaarblijkelijk ‘een geluksengel op mijn schouder heb’, want ‘we hebben voor mevrouw nog een bed kunnen regelen.’ Eindelijk, eindelijk wordt vriendin de lift ingereden en naar een kamer gebracht. Als zij is geïnstalleerd, kijk ik op mijn horloge: het is inmiddels tegen zessen. Geen slechte score als je hier vanmorgen om tien uur binnen kwam…

Vriendin-en-ik maken snel een lijstje wat ze allemaal nodig heeft en we spreken af dat ik in het hotel (half uurtje hier vandaan) even een hapje ga eten, een tasje voor haar ga vullen en zo snel mogelijk terugkom naar het ziekenhuis.

Als ik m’n bussie instap, slaat de hitte me tegemoet. Het heeft de hele dag in de dik dertig graden brandende zon gestaan (nooit geweten dat tandpasta vloeibaar kan worden…).
Zo snel mogelijk starten dus, rijden en de airco aan. Vergeet het maar! De motor van m’n bussie is met geen mogelijkheid aan de praat te krijgen. En dan kan ik wel met veel bravoure die motorkap open zetten (wat een hitte komt daar trouwens onder vandaan!), maar meer dan een blik op die techniek werpen, zit er bij mij niet in. Talloze voorbijgangers (het is bezoekuur) kijken bij het passeren van m’n bussie meewarig naar die langharige, dikbuikige, zwetende Hollander die daar met een ongelukkig gezicht bij de geopende motorkap staat. Ik probeer verschillende, technisch ogende voorbijgangers aan te klampen, maar ze spreken stuk voor stuk solomento Italiano. Tot een man in zijn auto stopt, me beduidt een momento te wachten en druk begint te telefoneren. Even later verschijnt zijn Engelssprekende zus ten tonele. Met haar als tolk komen we eruit.

Tenminste: de man is zo aardig (mag ik even uw toestel, want mijn tegoed is bijna op) om de Italiaanse wegenwacht te bellen. Met een half uurtje zullen ze ter plekke zijn. Waarom verbaast het me niet, dat dit half uurtje een vol uur wordt?
En al die tijd blijven broer en zus bij mij en m’n bussie.
En al die tijd kijken we gedrieën reikhalzend uit naar de wegenwacht.
En als die uiteindelijk verschijnt, is het probleem in drie tellen opgelost.

‘Kijk’, zegt de monteur (in het Italiaans uiteraard), ‘je hebt twee brandstofpompen. De een zit hier, (hij wijst ergens achterin de motorruimte. Ik zie niks, maar knik begrijpend) en die andere (de monteur trekt me mee naar het portier en slaat op de bestuurdersplaats de mat omhoog) die andere zit hier.’ Onder de mat zie ik een soort deksel. ‘Die ene pomp is hoge druk’, gaat de monteur verder, ‘en de andere lage druk. En wat je nou doet, is het volgende.’ Hij geeft met zijn vuist drie harde klappen op de deksel bij de bestuurdersplek, gaat achter het stuur zitten en… start probleemloos de motor. ‘Zo doe je dat! Niet meer vergeten!’
Daarna wurmt-ie zich uit m’n bussie, loopt naar zijn eigen auto en schrijft een factuur uit. De behulpzame Italiaan die alles met belangstelling is blijven volgen, loopt met hem mee, ziet wat hij opschrijft en begint te protesteren. De monteur haalt zijn schouders op, mompelt iets over een tariffa en overhandigt me een rekening van € 197,–
Omdat ik dat geld niet contant in m’n portemonnee heb, vraag ik de monteur een ogenblik te wachten. Ik ga het ziekenhuis weer in, ‘pin’ bij vriendin tweehonderd euro en geef die aan de monteur. Als hij in zijn zak naar het wisselgeld begint te zoeken, geef ik hem ‘grootmoedig’ drie euro fooi: voor elke klap een euro…

Ach. Je hebt van die dagen.
Soms zit het mee. Soms zit het tegen.

Rek- en strekoefeningen

Over tolpoortjes gesproken.
Op de automaten zitten vier gleuven waar je een ticket uit kunt trekken. Twee onderaan voor de passagiersauto’s, twee bovenaan voor de vrachtwagens. Met m’n 2.65 m hoge bussie word ik door het elektronisch oog steevast ‘gezien’ als vrachtwagen. Het gevolg is, dat mijn ticket uit één van die bovenste gleuven komt. Als ik mijn gordel losmaak en ga staan, kan ik door het portierraam net hoog genoeg reiken om dat biljetje te pakken. Ach, het houdt je lenig…

Soms zit het mee… #7

‘Goedemorgen, mijnheer Mahn. Met Jan-Willem van Tuijl van de Citroëngarage in CulemborgIk heb goed nieuws voor u. Uw camper is vanmorgen terug gegaan naar Buscamper Nederland. We hadden het probleem betrekkelijk snel gevonden. Er zat een massadraad los en die zorgde ervoor, dat bepaalde elektronische componenten niet of verkeerd werden aangestuurd. Tsja, met alles wat u in de vakantie heeft meegemaakt, was de oorzaak dus eigenlijk -sorry dat ik het zo zeg- iets heel lulligs. Kwestie ook van pech, dat u tijdens uw vakantie misschien net bij de ‘verkeerde’ garages bent geweest. Maar alles werkt nu weer. Theo van Buscamper gaat er voor de zekerheid een paar dagen mee op en neer van zijn huis naar zijn werk om alles nog goed uit te testen, maar ik heb er alle vertrouwen in, dat het helemaal in orde is.’

—–

‘Frits, goeiemorgen! Met Theo van Buscamper Nederland. Het ging allemaal goed met je camper, ik ben er twee dagen mee naar huis gereden, maar toen ik vanmorgen bijna in Culemborg was, begon dat versnellingsbak-lampje weer te branden. Ik heb je bus met draaiende motor bij Citroën afgeleverd, zodat ze meteen konden kijken wat eraan schort. Je hoort nog!’

—–

‘Goedemorgen, mijnheer Mahn. Jan-Willem van Tuijl van de Citroëngarage in Culemborg hier. Vervelend hoor van uw camper. Maar we hebben contact opgenomen met een gespecialiseerd bedrijf, dat veel automatische versnellingsbakken inbouwt en die hebben ons geadviseerd de elektronische schakelaar te vervangen die de versnellingsbak aanstuurt. Op dit moment is de monteur daarmee bezig. Daarna gaat uw busje terug naar Theo die er weer uitgebreid mee gaat rijden.’

—–

‘Goeiemorgen Frits, met Theo van Buscamper Nederland. Nou, ik ben drie dagen met je camper op en neer naar huis gereden en alles doet het nu prima. Ik denk dat het probleem nu helemaal opgelost is. Gelukkig maar. Zullen we een afspraak maken wanneer je de bus bij mij komt ophalen?’

—-

Op 20 augustus strandde m’n bussie definitief bij de veerboot aan het Lago Maggiore.
Op 2 oktober melden vriendin-en-ik ons bij Buscamper-Theo om de gerepareerde camper op te halen. Ze leggen net de laatste hand aan de grote schoonmaak.
M’n bussie is van binnen en van buiten meer dan grondig gereinigd. Ook de vakantieschade is opgelost: het kapotte raam in de schuifdeur is vervangen en de loszittende hoek van de achterbumper is weer netjes vast gezet. Als nieuw staat m’n bussie daar showroom-shine te glimmen als bij de aflevering in juli.
Zo ziet Theo het ook als hij bij de koffie-in-het-kantoortje de hoop uitspreekt, dat we de minder fortuinlijke eerste twee maanden achter ons kunnen laten en een herstart maken met deze tweede aflevering.
‘Ik heb de garantieregeling met twee maanden verlengd’, zegt Theo als hij me de sleutels overhandigt, ‘lijkt me niet meer dan logisch. Nog koffie?’
Vriendin-en-ik bedanken vriendelijk.
Ik wil weg. Ik wil m’n bussie weer in.

Als ik tien minuten later de grote weg opdraai, klap ik de armsteunen omlaag. Ik tik de cruisecontrol op 100 km/uur en leg twee handen losjes op het stuur. Een blik op de brandstofmeter leert me dat ze m’n bus hebben afgetankt en tegelijkertijd bedenk ik me, dat Theo helemaal niet heeft gerept over een eventuele rekening of een deel ervan.
Ik zet de radio aan en leun behaaglijk achterover.
Ik geniet weer.
Ik heb m’n bussie terug.
En er gaat geen enkel vervelend lampje knipperen…

Bankpraat

De man op leeftijd zit in de schaduw van een boom te genieten van het uitzicht op het hoogste punt van Belvedère. Met een buon giorno ga ik naast hem op het bankje zitten. Waarschijnlijk omdat ik op dat moment in een huurauto rondrijd met een Italiaans nummerbord, beantwoordt hij mijn groet, vraagt of ik toerist ben en begint -zonder het antwoord af te wachten- in het Italiaans uitgebreid te vertellen over de prachtige omgeving. Het helpt niets als ik hem duidelijk maak, dat ik een Hollander ben en zijn taal niet spreek: hij is niet te stuiten.
Met weidse gebaren wijst hij op de heuvels aan de overkant en kletst honderduit. Ik probeer hem nog een keer duidelijk te maken, dat ik hem niet versta, maar het is aan dovemansoren gericht.
Ik geef het op, neem een belangstellende luisterhouding aan, steek een sigaar op, schud af en toe op goed geluk mijn hoofd of mompel een ‘begrijpend’ si, si.
Zo nu en dan vang ik een bekend (?) woord op en meen ik enig verband in zijn verhaal te kunnen ontdekken. Gaat het misschien over de Tweede Wereldoorlog, over verzetsgroepen in de bergen, over Duitsland, over Zwitserland? Ik knik maar weer eens.

Dan loopt de man naar zijn auto, pakt er iets uit, komt terug naar het bankje en laat me zien wat hij heeft gehaald. In zijn geopende hand ligt een kompas, zo’n minuscuul, blikkerig kermiskompasje. Hij legt het voor het bankje op de grond, wijst op het trillende naaldje en maakt me duidelijk dat daar het noorden is. Dan wijst hij weer naar de heuvels, geeft een duwtje tegen het kompas, wacht tot het naaldje weer stilstaat en kijkt me afwachtend aan.
Ik gok erop, dat ik nu met ontzag voor zijn redenering ‘ja’ moet knikken. Ik gok blijkbaar goed, want de man laat zich achterover op de bank zakken en leunt voldaan tegen de rugleuning. Ik sta op, schud hem de hand en bedank hem voor zijn mooie verhaal.

Twintig minuten op een bankje gezeten.
Twintig minuten een verhaal over me heen gekregen waar ik geen snars van heb begrepen.
Twintig minuten op een vakantie van vier weken.
Da’s toch een hele kleine tijdsinvestering om iemand het gevoel te geven dat er nog naar hem geluisterd wordt?

Prachtig eiland

Isola dei Pescatori en Isola Bella zijn twee van de Borromeïsche eilanden die in het Italiaanse deel van het Lago Maggiore liggen. Vanuit Stresa varen er bootjes naar beide eilanden.

We zijn nog niet uitgestapt of we worden op de parkeerplaats al aangeklampt door zo’n nep-kapitein in wit overhemd en een zogenaamde marinepet op z’n hoofd. Of we van plan zijn naar de eilanden te varen. Toevallig heeft-ie een boot liggen die op punt van afvaren staat. Hij stelt voor eerst Isola dei Pescatori te bezoeken, want op Isola Bella is net een bus vol toeristen aangekomen, dus daar is het nu te druk. We hebben geluk en kunnen nog mee. We spelen zijn ronselspelletje glimlachend mee, betalen tien euro per persoon en laten ons naar Isola dei Pescatori overzetten.

Daar aangekomen komen we erachter dat we toch letterlijk in de boot zijn genomen. Het eiland is langgerekt en bestaat uit  twee straten die evenwijdig aan de kustlijn lopen. Het is er zo overweldigend druk, dat het lijkt alsof er net bussen vol toeristen zijn aangekomen…
Het eilandje is zo smal, dat je -als je door de ene straat loopt- door piepkleine zijstraatjes de straat aan de andere kant van het eiland kunt zien. De linker straat is een aaneenschakeling van allerhande souvenirwinkeltjes vol goedbedoelde rotzooi, ansichtkaarten, hoeden, petten, shirts, tafelkleden en overwegend Duitse kranten en tijdschriften. De rechter straat bestaat langs de hele kustlijn uit restaurantjes en eetkraampjes, met uithangborden en menukaarten in het Italiaans en Duits.

Vriendin-en-ik hebben het al heel snel gezien.
We schuifelen met de massa mee door beide straten, lunchen aan het water (dat dan weer wel) en weten daarna niet hoe snel we weer bij ‘onze’ boot moeten komen die ons naar Isola Bella zal brengen.

Wat een verademing.
Natuurlijk is het daar net zo druk, maar dit eilandje wordt geheel in beslag genomen door een kasteel in barokstijl en een schitterende tuin, die uit tien terrassen bestaat die trapsgewijs zijn opgebouwd. Isola Bella, ooit door graaf Carlo III Borromeo gekocht en door hem naar zijn vrouw Isobella vernoemd (dat is nog eens liefde) doet haar huidige, afgekorte naam eer aan: mooi eiland!

Zuigen

De bezoektijden van het Ospedale di Circolo in Varese zijn van 12:30 tot 13:30 en van 17:30 tot 18:30. Ik ben om 12:25 boven op de afdeling waar vriendin ligt. Er hangt een briefje aan de deur. Ondanks mijn meer dan gebrekkige Italiaans begrijp ik wel, dat je moet wachten tot de deur open gaat. Die deur staat echter wagenwijd open. Voor de zekerheid (weet ik veel in dit ziekenhuis) loop ik naar de balie.
Een medewerker staat iemand te woord en ik wacht op anderhalve meter afstand netjes tot ik aan de beurt ben. Als de vrouw aan de balie is geholpen en wegloopt, doe ik een stap naar voren. De baliemedewerker kijkt me aan, schuift zijn stoel achteruit en loopt weg. Ik loop achter de man aan en houd hem aan het einde van de gang staande.

‘Neem me niet kwalijk, maar u zag mij toch bij de balie staan? Vindt u het zelf ook niet een tikkeltje onbeleefd om dan weg te lopen?’
‘Ik kon niet weten dat u mij nodig had, mijnheer.’
‘Dan weet u dat nu. Hoe streng zijn de regels wat betreft het patiëntenbezoek? Ik weet dat het om half een begint, het is nu drie minuten voor half een, mag ik al naar binnen?’ (wat een pesterige zuiger ben ik toch eigenlijk!)
Als antwoord pakt de medewerker een slordig gekopieerd velletje papier waarop de bezoektijden staan.
‘Ja, beste man, dat heb ik gisteren al gekregen. Die tijden zijn me bekend. Ik wil alleen maar weten of ik door mag lopen.’
‘Bij wie moet u zijn?’
‘Waarom wilt u dat weten? Is dat van belang voor het beantwoorden van mijn simpele vraag?’
‘Dat moet ik nu eenmaal weten.’
‘Lijkt me van niet. Ik herhaal dus mijn vraag: mag ik doorlopen?’
‘Nee, want de bezoektijd begint pas om half een.’
Ik kijk op m’n horloge. ‘Juist ja. Het is nu één minuut voor half een. Ik moet dus vier meter teruglopen naar de deur, daar een minuut wachten en dan mag ik naar binnen?’
‘Ja mijnheer.’

Ik loop terug naar de deur, wacht een minuut en meld me exact om 12:30 bij de balie. De medewerker zit met z’n rug naar me toe iets onduidelijks op een computer te doen. Ik kuch, hij kijkt om en komt naar de balie.
‘Goedemiddag. Daar ben ik weer. Ik zou graag toestemming hebben om een bezoek te brengen aan mevrouw Van den Tempel die hier gisteren is binnengebracht en op kamer 20A ligt.’
‘Aan welke kant ligt mevrouw?’
‘Wat ik u zeg, daar in die vleugel op kamer 20A.’
Hij pakt een lijst.
‘Hoe is de naam?’
‘Van den Tempel. Kamer 20A (ik wijs op de lijst de naam van vriendin aan). Kijk, daar staat het.’
‘Van den Tempel. Klopt. Mevrouw is gisteren binnengekomen.’
‘Heel juist. Enne… krijg ik dan nu toestemming haar een uurtje te bezoeken?’
Si signor‘, zegt de baliemedewerker grootmoedig.

Als ik na een uur weer langs de balie kom, kan ik het niet nalaten (…) de medewerker nog even aan te spreken.
‘Goedemiddag, beste man. Ik heb zojuist een uur een bezoek gebracht aan mevrouw Van den Tempel op kamer 20A. Ik vertrek nu weer. Moet ik dat bij u melden of mag ik zonder uw toestemming weg?’
Mijn Engels gaat hem waarschijnlijk te rap. Hij wendt zich tot een vrouwelijke collega. Gelukkig, zij begrijpt me wel. Ze pakt een kopietje met de bezoektijden en geeft dat aan me. Ik geef het op, pak het briefje aan en loop in de richting van de lift.
Fluitend. Dat dan weer wel.

(more or less) Translate »