2009 Camper Frankrijk en Italië

Fotoboek

Er is een apart fotoboek met teksten van dit campertripje
Klik hier om naar de fotopagina te gaan

Vreemde vakantie

Dochter Saskia en dochter-van-vriendin Laura gaan dit jaar op vakantie naar Zuid-Frankrijk.

Dochter Saskia verblijft op camping l’Anjou in Montesquiou.
Dochter-van-vriendin Laura verblijft in villa Bellavista in de Provence.

Wat ligt er meer voor de hand (…) dan beide kinderen even een bezoekje te brengen?

Jammer, dat dochter Saskia eind juli/begin augustus in Zuid-Frankrijk is en dat dochter-van-vriendin Laura pas vanaf eind augustus vakantie heeft.
Jammer ook, dat dochter Saskia aan de Atlantische kant van Zuid-Frankrijk verblijft en dochter-van-vriendin Laura zo’n krappe zeshonderd kilometer verderop aan de Middellandse zeekust zit. Hadden die twee meiden dat niet even met elkaar kunnen communiceren? In dezelfde periode met vakantie kunnen gaan? Wat dichter bij elkaar kunnen gaan zitten?

Ach, wat zou het ook?
We maken afspraken om in begin augustus eerst een goeie 1350 kilometer naar dochter Saskia af te leggen en daar een paar dagen te verblijven, daarna -pak ‘m beet- 1000 kilometer verderop in het Italiaanse Cassinetta di Biandronno voor veertien dagen een hotel te boeken, dan weer zo’n krappe 500 kilometer terug naar Frankrijk te rijden voor een meerdaags bezoekje aan dochter-van-vriendin Laura om tenslotte eind augustus weer koers naar Nederland te zetten, wat ook weer een ritje van 1350 kilometer is. Prima geregeld toch?

Een week na de definitieve boeking van het Italiaanse hotel koop ik (onverwacht? impulsief?) een kampeerauto. Geen probleem toch? Gaan we gewoon met dat bussie naar Zuid-Frankrijk en Italië op en neer. Beetje vreemd misschien om voor veertien dagen bij een hotel aan te komen en daar je kampeerbus op het parkeerterrein te zetten. Maar daar zal mijnheer-de-hoteldirecteur toch geen bezwaar tegen hebben?

Wereldreiziger?

Heb ik toch al aardig wat afgereisd.
Heb ik in het verleden toch al heel wat keren op tolwegen gereden.
Kom ik bij de eerste-de-beste péage in Frankrijk, stop ik mijn creditcard in die gleuf. Gebeurt er niks. Probeer ik mijn creditcard er weer uit te peuteren, zit dat ding diep in de gleuf en muurvast. Beginnen ze achter me in de rij ongeduldig te toeteren. Kijk ik nog eens goed, zie ik dat ik (uiteraard!) een ticket had moeten pakken.
Druk ik op de grote, groene knop, krijg ik inderdaad een kaartje en gaat de slagboom open. Rijd ik dus maar door, mijn creditcard in het apparaat achterlatend. Parkeer ik zo snel mogelijk na de tolpoortjes aan de kant van de weg.
Loop ik terug naar dat tolpoortje en probeer ik tevergeefs mijn creditcard uit de gleuf te peuteren. Komt er na een hele rij Fransen een auto met een Nederlands kenteken bij het poortje.
Zegt de man in onvervalst Gronings: ‘Heb je problem’n, jong?’
Leg ik hem uit wat voor stomme streek ik heb uitgehaald.
Pakt-ie zo’n uitschuifbaar hobbymes, stapt-ie uit en wrikt mijn creditcard uit het apparaat.
Bedank ik hem hartelijk, zegt-ie: ‘Ach, kan iedereen overkom’n. Goeie reis verder!’
Rijd ik -opgelucht- verder, bedenk ik me hoe dom ik gehandeld heb. Natuurlijk moet je achteraf betalen. Ze kunnen immers niet ruiken wanneer je de péage weer verlaat? Beschouw ik het maar als een leermomentje. Overkomt me geen tweede keer…

Ben ik ruim een week later in Italië.
Sta ik weer voor de slagboom van zo’n tolpoortje bij de autostrada.
Zoek ik het hele apparaat af waar mijn ticket tevoorschijn komt.
Beginnen ze achter me weer te toeteren.
Zie ik, dat ik daar nu juist wél van tevoren moet betalen.
En dan denken ze thuis, dat het alleen maar genieten is tijdens een vakantie. Afzien is het! Maar weten ze veel (hoe naïef ik ben…).

Rek- en strekoefeningen

Over tolpoortjes gesproken.
Op de automaten zitten vier gleuven waar je een ticket uit kunt trekken. Twee onderaan voor de passagiersauto’s, twee bovenaan voor de vrachtwagens. Met m’n 2.65 m hoge bussie word ik door het elektronisch oog steevast ‘gezien’ als vrachtwagen. Het gevolg is, dat mijn ticket uit één van die bovenste gleuven komt. Als ik mijn gordel losmaak en ga staan, kan ik door het portierraam net hoog genoeg reiken om dat biljetje te pakken. Ach, het houdt je lenig.

Ontmoeting #1

Pardon? Wat zegt u? Ik ben namelijk aan één kant doof, weet u, en aan de andere kant hoor ik betrekkelijk weinig.’

Pic du Midi

Uit de reisfolder:

Op de Pic du Midi de Bigorre in de Hautes-Pyrénées, is sinds 1880 een observatorium gevestigd waar het heelal wordt bestudeerd. In het onderzoekscentrum bevindt zich een interactief museum over astronomie. Hier kan men alles te weten komen over de sterren en de planeten, maar ook over de geschiedenis van de Pic du Midi.
De top is met twee kabelbanen bereikbaar.
Vanaf het op 1800 meter gelegen La Mongie gaat men naar Le Taoulet, op 2342 meter, en vervolgens naar de Pic du Midi, op 2877 meter. Vanaf de top heeft men aan alle kanten een uniek uitzicht over de keten van de Pyreneeën.

Helemaal gerust ben ik niet op dit uitstapje.
Dat komt door broer, die ik sprak na de aankoop van m’n bussie.
‘En je hebt een automatische versnellingsbak?’, had-ie gereageerd, ‘nou veel plezier dan maar in de bergen…’
Ik had mijn schouders opgehaald over deze opmerking, maar nu puntje bij paaltje komt en het bussie voor zijn eerste echte bergkrachtproef staat, moet ik weer aan die uitspraak denken.
Samen met schoonzoon stippel ik een route uit en bij Google Earth (wat begin je zonder laptop en internet op een camping?) bekijken we de berg en de ernaartoe leidende weg. Daar zitten behoorlijk wat kronkels in, dat gaat op sommige plaatsen flink steil omhoog en de haarspeldbochten zijn niet te tellen. Arm bussie. Het zal me benieuwen.

Maar wat gedraagt dat stoere campertje zich kranig in de Pyreneeën!
En wat brengt hij ons keurig en zonder mankeren naar de top!
Broer kan gerust zijn: dat bussie-van-me kan letterlijk bergen verzetten. Met een automaat!

Ontmoeting #2

Kijk, dit zijn sigaartjes met vanillesmaak en deze met kersen. Ik rook ze niet omdat ik er zelf zo gek op ben, maar de meeste vrouwtjes in een gezelschap vinden dit lekkerder ruiken, hè?’

In de boot

‘Hoe laat is het?’
We hebben ’s morgens de folder uitgebreid bekeken.
Er zijn twee mogelijkheden om te kanoën. Je kunt begeleid met een groep mee en een tocht van een halve dag maken over de rivier. Vanaf het eindpunt word je dan weer terug gebracht naar de ‘basis’.
Je kunt ook voor een uur (of langer) een kano huren en zelf op de rivier varen. Jammer genoeg (…) is de halve dagtocht al vertrokken, zodat we besluiten met z’n allen voor een uurtje in zo’n wankel bootje te stappen.

‘Hoe laat is het?’
Het is warm. Het is meer dan warm. De verplichte zwemvesten plakken aan je lijf. Er staat geen zuchtje wind. Van enige verkoeling is geen sprake of het moet van het water zijn dat we met onze ongeoefende roeibewegingen in de boot hozen.
En wat zit dat eigenlijk ongemakkelijk op zo’n stukje gemodelleerd plastic dat een zitplaats moet voorstellen. Spierpijn krijg je ervan. En de armbewegingen worden ook steeds trager. Is het uur al om?

‘Hoe laat is het?’
Wat zijn we blij als er een half uur voorbij is. Nee, die mooie watervalletjes bij de bocht in de rivier gaan we niet meer halen. Als we op tijd terug willen zijn, moeten we hier even uitrusten en dan beslist keren.

‘Hoe laat is het?’
Precies tijd om die kano’s de kant weer op te trekken. Precies tijd om droge kleren aan te trekken (lang leve het bussie dat dienst doet als kleedhokje). Precies tijd om vast te stellen, dat het allemaal reuze leuk is geweest, maar dat een uurtje genoeg, meer dan genoeg is.
Volgende keer die halve dagtocht? Dacht het niet.

Lourdes

Ach, hadden we toen geweten wat we later allemaal nog zouden meemaken met dat bussie!
Hadden we bij het bezoek aan Lourdes die camper pal voor de grot van Bernadette Soubirous geparkeerd.
Hadden we daar de allergrootste kaars gekocht en aangestoken.
Hadden we met z’n allen een kruisje geslagen en gebeden om een nieuwe motor.

Plasproblemen

Dochter Saskia voelt er weinig voor zoon Jurgen van zes ’s nachts alleen over de donkere camping naar het toiletgebouw te laten gaan. En om nou zelf met hem over dat onverlichte pad te lopen… Dus zet ze ’s avonds bij de uitgang van de tent een emmer-voor-de-nacht neer.

Als Jurgen ’s nachts wakker wordt en zich bij het bed van zijn moeder meldt met de mededeling dat hij naar de wc moet, herinnert dochter Saskia haar zoon aan die emmer.
Jurgen stommelt slaapdronken wat bij de uitgang van de tent, maar kan de emmer niet vinden. Vanuit haar bed geeft dochter Saskia hem aanwijzingen en hoort tot haar geruststelling, dat zoonlief een ferme plas doet.

Geleerd van de ervaringen van de vorige nacht wijst dochter Saskia haar zoon de volgende avond bij het naar bed gaan ‘voor de zekerheid’ nog even op de noodplas-emmer.
‘Dus als je nou vannacht moet plassen, dan mag je dat in de tent op de emmer doen. En mama leegt die dan morgenochtend wel op de wc. En je weet nu waar die emmer staat, hè?’
Of Jurgen dat weet! Nee, dat hoeft zijn moeder hem nu niet meer uit te leggen. Hij loopt naar de uitgang van de tent en wijst op de jerrycan met drinkwater die naast de plasemmer staat.
‘Heb je daar vannacht in geplast?’, vraagt dochter Saskia ongelovig, ‘niet in die emmer ernaast? Jurgen is heel beslist en wijst nogmaals op de drinkwaterjerrycan. Dochter Saskia maakt in gedachten een opsomming waar ze die dag dat drinkwater voor heeft gebruikt: kopje thee, kleine afwasjes, nog een kopje thee, groenten in gewassen, tanden gepoetst, eten in gekookt…

Tunnelplezier

Ik kan vanaf mijn bestuurdersplaats zonder mijn gordel los te maken precies bij de koelkast om een flesje koud water te pakken…
Ik kan met de ramen wagenwijd open lekker onderuitgezakt m’n blote voeten naar buiten steken…
Ik kan een verse pijp stoppen en naar een radiostation zoeken met file-informatie…
Ik kan op m’n gemak de buur-filisten bekijken…
Ik kan uitgebreid de wegenkaart bestuderen…
Ik kan een vers kopje koffie maken…
Ik kan een schoon shirt uit de kast pakken…
Eigenlijk is zo’n kampeerbus een ideaal vervoermiddel als je twee uur in de rij staat om de Tunnel de Fréjus in te mogen…

Ik sta regelmatig zo lang stil, dat ik de motor uitzet.
Vervelend dan wel, dat ik op zo’n zeshonderd meter voor de tunnelingang na het starten ineens dat lampje op mijn dashboard weer zie oplichten. Datzelfde lampje dat ging branden op de dag dat ik m’n bussie had opgehaald bij Buscamper in Culemborg en vlak bij mijn huis getankt had. Ik was nog geen uur eigenaar van mijn camper en zat toen al in het instructieboekje te bladeren:

Signalering temperatuur of storing automatische versnellingsbak
Indien deze signalering tijdens het rijden knippert of permanent brandt dan duidt dat op een storing of te hoge temperatuur van de automatische versnellingsbak. Stop in zo’n geval en laat de motor stationair draaien (schakelhendel in de stand N of P) tot het lampje dooft. Raadpleeg zo snel mogelijk een CITROËN-dealer.

En mooi dat dat lampje toen niet wilde doven.
Uiteindelijk had ik de motor maar uitgezet, een minuutje gewacht en opnieuw gestart. Het lampje bleef uit en ik kon naar huis rijden, waar ik onmiddellijk Buscamper belde om het probleem voor te leggen. ‘Tsja, Frits, dat weet ik zo even niet’, zei Buscamper-Theo, ‘maar weet je wat? Ik neem meteen contact op met de Citroëngarage en ik bel je zo snel mogelijk terug.’

‘Frits, met Theo van Buscamper. Ik heb even gebeld met Citroën. Zij begrepen het ook niet. Als het lampje uit blijft, is alles weer in orde, zeggen ze daar. Laat mijnheer het de komende tijd goed in de gaten houden. Ga je binnenkort nog ver weg met je camper?’
‘Nou, ik ben van plan over een week voor een maand te vertrekken naar Zuid-Frankrijk en Italië. Daar denk ik toch wel een vierduizend kilometer mee weg te trappen. Dus je begrijpt…’
‘Hou’ het in de gaten Frits. Goeie reis en als er wat is: bellen!’

Bellen, jawel.
Als je in de dubbele file staat voor de Tunnel de Fréjus.
Als je na twee uur wachten eindelijk de tolpoortjes in zicht krijgt.
Ik ben al blij, dat ik u na diverse vruchteloze pogingen die motor weer aan de praat krijg en kan oprijden. Dertien kilometer lang is die tunnel. Als dat lampje nou maar niet weer gaat branden…

Kort door de Italiaanse bocht #1

Overpeinzing in de trein van Varese naar Milaan.
Dat heeft die Berlusconi dan toch maar mooi voor elkaar. Net als bij zijn illustere voorganger en voorbeeld (?) Mussolini rijden de treinen in dit land nog altijd perfect op tijd…

Kort door de Italiaanse bocht #1

Milaan, wat een schitterende stad!
En wat heeft nu de meeste indruk gemaakt?
Niet de Duomo Santa Maria Nascente.
Niet het Santa Maria delle Grazie met het wereldberoemde Laatste Avondmaal van Leonardo da Vinci.
Niet de beroemde Scala met het naastgelegen Teatro alla Scala.
Niet het museum Pinacoteca di Brera.
En ook niet de fameuze winkelpassage.

Allemaal bezocht en allemaal bekeken. Maar niet het meest indrukwekkend. Nee, hier is de absolute toeristische tip voor jeugdsentiment-zoekende 60-plussers!

 

– Ga op het Domplein voor de Duomo staan met je gezicht naar de hoofdingang.
– Draai een kwartslag naar links.
– Loop in de richting van de winkelpassage.
– Stap op de linkerhoek van de ingang van de passage op de ijswinkel af.
– Laat je niet verleiden tot de andere twintig ijssmaken.
– Wijs gedecideerd op de knalroze smaak bubblegum.
– Proef en je bent terug in de tijd: ijs met de enige echte onvervalste smaak van bazooka-kauwgom!

Ontmoeting #3

Ik zei al tegen mijn vrouw: welke idioot gaat er nou met een camper in een hotel zitten…’

Soms zit het mee… #1

Vanmorgen wordt vriendin wakker met een opgezette, pijnlijke keel. Nu heeft ze al een paar dagen last, slikt ook de nodige medicijnen en pijnstillers, maar zonder resultaat. Daar moet een dokter maar eens naar kijken. Bij de receptie van het hotel vragen we het adres van een Engelssprekende arts. Een plaatselijke arts die ook nog Engels spreekt blijkt onmogelijk (…) en bovendien kan het nog wel een uurtje duren voor men een dokter te pakken kan krijgen. Toegegeven: het is nog maar kwart voor acht, maar als je vergaat van de pijn wil je daar zo snel mogelijk van af. Gelukkig verblijft op dit moment de Australische Olympische roeiploeg in ons hotel, compleet met medische staf en binnen de kortste keren regelt de receptie dat hun dokter even naar de keel van vriendin komt kijken. Zijn conclusie is snel getrokken: ontstoken speekselklieren. Zijn advies is nog sneller gegeven: onmiddellijk naar een ziekenhuis. We krijgen van hem de naam en het adres van het ziekenhuis in Varese (prima hospitaal, heb ik goede ervaringen mee) en tegen tienen parkeer ik het bussie op de invalidenparkeerplaats van het Ospedale di Circolo (nood breekt wet, nietwaar?).

We melden ons bij de receptie van de pronto soccorso.
Nee, de dame spreekt geen Engels, geen Frans en maar een paar woordjes Duits. Met veel pijn, moeite en handen- en voetenwerk krijgen we uitgelegd wat het probleem is. Met nog meer pijn en moeite worden de noodzakelijke gegevens van vriendin overgenomen van haar identiteitskaart.
Of we maar plaats willen nemen in de wachtruimte: als vriendin aan de beurt is, zal haar naam worden afgeroepen. We doden een uurtje (…) de tijd met het bekijken van de andere wachtenden, kijken belangstellend toe hoe een vervaarlijk uitziende bewakingsbeambte, compleet met pistool in holster, verveeld om zich heen kijkt tot we vanaf de receptie horen roepen dat signorina Catharina aan de beurt is.

Signorina Catharina?
Later -uren later- als de gegevens van vriendin voor de vijfde keer moeten worden vermeld bij het vijfde loket (waar voor de vijfde keer alleen maar Italiaans wordt gesproken) komen we erachter, dat men die vier voorafgaande keren de voor- en achternaam van vriendin heeft verwisseld, het adres verkeerd heeft overgenomen en voor het gemak maar heeft aangetekend dat vriendin de Duitse nationaliteit heeft. Op dit moment kunnen we ons er niet druk om maken. Belangrijker is dat we aan de beurt zijn. Eindelijk!

Het pistool-met-holster houdt de deur keurig voor ons open en we belanden… in een lange gang met rijen stoelen waarop de nodige patiënten lijdzaam op hun beurt zitten te wachten. Onze vreugde over het aan de beurt zijn wordt danig getemperd door die rij wachtenden, maar al na een drie kwartier worden we binnengeroepen bij scala-1, waar we (hoera!) een Engelstalige dokter treffen. Vriendin wordt onderzocht, krijgt een spuitje tegen de pijn en de mededeling dat een specialist geconsulteerd moet worden. Of we maar weer plaats willen nemen in de gang. De signorita wordt wel weer geroepen…

Nee, beide specialisten spreken geen Engels, wel een beetje Frans. Knap lastig om dan uit te leggen wat je precies mankeert en voelt, maar met veel gehaspel over en weer komen de dames-specialisten tot de conclusie, dat er bij vriendin sprake is van ontstoken speekselklieren en een kaakontsteking (hebben we dat veel en veel eerder die morgen al niet van de Australische sportarts gehoord?). Er moet bloed worden afgenomen, vriendin krijgt de nodige medicaties voorgeschreven en voor de zekerheid moet er ook nog een echografie worden gemaakt. Of we maar weer even plaats willen nemen in de gang…

Na een krap uurtje wachten mag vriendin weer terug naar de Engelstalige dokter. Ze krijgt een drain en (dat is schrikken) de mededeling, dat het verstandig is in het ziekenhuis te blijven ter observatie en ter controle of de kwaal niet verergert. In afwachting van het maken van de foto’s worden we verzocht maar weer even in de gang plaats te nemen…

Terwijl we weer tussen de andere wachtenden zitten, meldt zich een broeder bij vriendin met de nodige spuiten die hij (zonder handschoenen) bij haar inbrengt. We kijken er niet eens meer van op. Overal om ons heen worden patiënten op die manier geholpen. Het zal allemaal wel zo horen hier in Varese. Even later beduidt een rap Italiaans sprekende verpleegster haar te volgen voor het maken van een foto.

Een aardige jonge dokter verwelkomt ons in zijn ‘donkere kamer’ met de toch niet helemaal geruststellende woorden: ‘Zo, en wat is het probleem?’ Nadat we hem hebben duidelijk gemaakt, dat we dat van hem verwachten te horen, mag vriendin op een tafel gaan liggen, wordt de kamer verduisterd en beginnen er allerlei apparaten te zoemen.

Het is inmiddels half drie geworden als de broeder-van-de-spuiten weer ten tonele komt. Hij vraagt vriendin plaats te nemen op een brancard, sluit een zak en een potje aan op de drain en rijdt haar dan (ach mijnheer, kunt u aan het hoofdeinde even meesturen per favore?) bij de wachtende patiënten vandaan. Op weg naar een kamer? Welnee. Vriendin wordt drie straatjes verder tussen tientallen andere brancards op de gang geparkeerd. Als de broeder zonder verder een woord te zeggen weer wil verdwijnen, kunnen we toch niet nalaten te vragen wat nu precies de bedoeling is. ‘Even hier wachten’, is het enige dat we in gebrekkig Engels te horen krijgen.

Vol verbazing kijken we rond. Overal staan brancards. Overal liggen patiënten. En bij alle brancards zijn zorgzame familieleden aanwezig. Ze halen drinken. Ze halen eten. Ze houden de zakken medicijnen in de gaten en schieten een voorbijkomende broeder aan als de zak bijna leeg is. Ze laten de patiënt in een potje plassen en brengen dat weg. Zijn we in Italië of is dit Timboektoe?

Als het wachten in die gang wat al te lang gaat duren, word ik ongedurig. Ondanks de uitspraak van de buurpatiënt dat in dit ziekenhuis de patiënt vooral patience moet hebben, schiet ik een loslopende broeder aan. ‘U wacht op vervoer naar een kamer? Wie heeft dat verteld? Nou, maar dan vergist u zich. Er zijn helemaal geen kamers vrij. Mevrouw en al deze andere mensen blijven vannacht hier in de gang. Misschien, heel misschien kan mevrouw morgen naar een kamer, maar zeker is dat nog niet. En nee, mevrouw kan zich niet wassen. En nee, mevrouw krijgt geen eten. Dat kunt u zelf kopen in de automaten in de scala di attesa. Daar is koffie, frisdrank, water en sandwiches met kaas en ham. En het is wel zo handig, dat u, mijnheer, vannacht ook hier blijft om mevrouw te verzorgen als dat nodig is…’
Verbluft blijven vriendin-en-ik achter in de gang. De andere patiënten schijnen dit een doodnormale zaak te vinden, vriendin legt zich bij de situatie neer (‘het is niet anders, dan maar slapen in de gang, je doet er niks aan’), maar ik bries van woede. Ik loop een rondje over de afdeling, schiet iedere witte, gele, blauwe en oranje jas aan en doe mijn beklag. Tevergeefs, want het merendeel van het personeel spreekt geen woord buiten de deur en komt niet verder dan dat ik een momento moet wachten. En de enkeling die wel min of meer de Engelse taal machtig is, trekt de simpele conclusie: ‘Als mevrouw geen pijn heeft, is er geen reden tot klagen!’
Ik geef niet op en houd mijn geklaag een dik uur vol. Waarschijnlijk (ik zal het nooit zeker weten) zijn ze mijn drammerige gezeur uiteindelijk zat en krijg ik de mededeling, dat ik klaarblijkelijk ‘een geluksengel op mijn schouder heb’, want ‘we hebben voor mevrouw nog een bed kunnen regelen.’ Eindelijk, eindelijk wordt vriendin de lift ingereden en naar een kamer gebracht. Als zij is geïnstalleerd, kijk ik op mijn horloge: het is inmiddels tegen zessen. Geen slechte score als je hier vanmorgen om tien uur binnen kwam…

Vriendin-en-ik maken snel een lijstje wat ze allemaal nodig heeft en we spreken af dat ik in het hotel (half uurtje hier vandaan) even een hapje ga eten, een tasje voor haar ga vullen en zo snel mogelijk terugkom naar het ziekenhuis.

Als ik m’n bussie instap, slaat de hitte me tegemoet. Het heeft de hele dag in de dik dertig graden brandende zon gestaan (nooit geweten dat tandpasta vloeibaar kan worden…).
Zo snel mogelijk starten dus, rijden en de airco aan. Vergeet het maar! De motor van m’n bussie is met geen mogelijkheid aan de praat te krijgen. En dan kan ik wel met veel bravoure die motorkap open zetten (wat een hitte komt daar trouwens onder vandaan!), maar meer dan een blik op die techniek werpen, zit er bij mij niet in. Talloze voorbijgangers (het is bezoekuur) kijken bij het passeren van m’n bussie meewarig naar die langharige, dikbuikige, zwetende Hollander die daar met een ongelukkig gezicht bij de geopende motorkap staat. Ik probeer verschillende, technisch ogende voorbijgangers aan te klampen, maar ze spreken stuk voor stuk solomento Italiano. Tot r een automobilist stopt, die me beduidt een momento te wachten en druk begint te telefoneren. Even later verschijnt zijn Engelssprekende zus ten tonele. Met haar als tolk komen we eruit.

Tenminste: de man is zo aardig (mag ik even uw toestel, want mijn tegoed is bijna op) om de Italiaanse wegenwacht te bellen. Met een half uurtje zullen ze ter plekke zijn. Waarom verbaast het me niet, dat dit half uurtje een vol uur wordt?
En al die tijd blijven broer en zus bij mij en m’n bussie.
En al die tijd kijken we gedrieën reikhalzend uit naar de wegenwacht.
En als die uiteindelijk verschijnt, is het probleem in drie tellen opgelost.

‘Kijk’, zegt de monteur (in het Italiaans uiteraard), ‘je hebt twee brandstofpompen. De een zit hier, (hij wijst ergens achterin de motorruimte. Ik zie niks, maar knik begrijpend) en die andere (de monteur trekt me mee naar het portier en slaat op de bestuurdersplaats de mat omhoog) die andere zit hier.’ Onder de mat zie ik een soort deksel. ‘Die ene pomp is hoge druk’, gaat de monteur verder, ‘en de andere lage druk. En wat je nou doet, is het volgende.’ Hij geeft met zijn vuist drie harde klappen op de deksel bij de bestuurdersplek, gaat achter het stuur zitten en… start probleemloos de motor. ‘Zo doe je dat! Niet meer vergeten!’
Daarna wurmt-ie zich uit m’n bussie, loopt naar zijn eigen auto en schrijft een factuur uit. De behulpzame Italiaan die alles met belangstelling is blijven volgen, loopt met hem mee, ziet wat hij opschrijft en begint te protesteren. De monteur haalt zijn schouders op, mompelt iets over een tariffa en overhandigt me een rekening van € 197,–
Omdat ik dat geld niet contant in m’n portemonnee heb, vraag ik de monteur een ogenblik te wachten. Ik ga het ziekenhuis weer in, ‘pin’ bij vriendin tweehonderd euro en geef die aan de monteur. Als hij in zijn zak naar het wisselgeld begint te zoeken, geef ik hem ‘grootmoedig’ drie euro fooi: voor elke klap een euro…

Ach. Je hebt van die dagen.
Soms zit het mee. Soms zit het tegen.

Zuigen

De bezoektijden van het Ospedale di Circolo in Varese zijn van 12:30 tot 13:30 en van 17:30 tot 18:30. Ik ben om 12:25 boven op de afdeling waar vriendin ligt. Er hangt een briefje aan de deur. Ondanks mijn meer dan gebrekkige Italiaans begrijp ik wel, dat je moet wachten tot de deur open gaat. Die deur staat echter wagenwijd open. Voor de zekerheid (weet ik veel in dit ziekenhuis) loop ik naar de balie.
Een medewerker staat iemand te woord en ik wacht op anderhalve meter afstand netjes tot ik aan de beurt ben. Als de vrouw aan de balie is geholpen en wegloopt, doe ik een stap naar voren. De baliemedewerker kijkt me aan, schuift zijn stoel achteruit en loopt weg. Ik loop achter de man aan en houd hem aan het einde van de gang staande.

‘Neem me niet kwalijk, maar u zag mij toch bij de balie staan? Vindt u het zelf ook niet een tikkeltje onbeleefd om dan weg te lopen?’
‘Ik kon niet weten dat u mij nodig had, mijnheer.’
‘Dan weet u dat nu. Hoe streng zijn de regels wat betreft het patiëntenbezoek? Ik weet dat het om half een begint, het is nu drie minuten voor half een, mag ik al naar binnen?’ (wat een pesterige zuiger ben ik toch eigenlijk!)
Als antwoord pakt de medewerker een slordig gekopieerd velletje papier waarop de bezoektijden staan.
‘Ja, beste man, dat heb ik gisteren al gekregen. Die tijden zijn me bekend. Ik wil alleen maar weten of ik door mag lopen.’
‘Bij wie moet u zijn?’
‘Waarom wilt u dat weten? Is dat van belang voor het beantwoorden van mijn simpele vraag?’
‘Dat moet ik nu eenmaal weten.’
‘Lijkt me van niet. Ik herhaal dus mijn vraag: mag ik doorlopen?’
‘Nee, want de bezoektijd begint pas om half een.’
Ik kijk op m’n horloge. ‘Juist ja. Het is nu één minuut voor half een. Ik moet dus vier meter teruglopen naar de deur, daar een minuut wachten en dan mag ik naar binnen?’
‘Ja mijnheer.’

Ik loop terug naar de deur, wacht een minuut en meld me exact om 12:30 bij de balie. De medewerker zit met z’n rug naar me toe iets onduidelijks op een computer te doen. Ik kuch, hij kijkt om en komt naar de balie.
‘Goedemiddag. Daar ben ik weer. Ik zou graag toestemming hebben om een bezoek te brengen aan mevrouw Van den Tempel die hier gisteren is binnengebracht en op kamer 20A ligt.’
‘Aan welke kant ligt mevrouw?’
‘Wat ik u zeg, daar in die vleugel op kamer 20A.’
Hij pakt een lijst.
‘Hoe is de naam?’
‘Van den Tempel. Kamer 20A (ik wijs op de lijst de naam van vriendin aan). Kijk, daar staat het.’
‘Van den Tempel. Klopt. Mevrouw is gisteren binnengekomen.’
‘Heel juist. Enne… krijg ik dan nu toestemming haar een uurtje te bezoeken?’
Si signor‘, zegt de baliemedewerker grootmoedig.

Als ik na een uur weer langs de balie kom, kan ik het niet nalaten (…) de medewerker nog even aan te spreken.
‘Goedemiddag, beste man. Ik heb zojuist een uur een bezoek gebracht aan mevrouw Van den Tempel op kamer 20A. Ik vertrek nu weer. Moet ik dat bij u melden of mag ik zonder uw toestemming weg?’
Mijn Engels gaat hem waarschijnlijk te rap. Hij wendt zich tot een vrouwelijke collega. Gelukkig, zij begrijpt me wel. Ze pakt een kopietje met de bezoektijden en geeft dat aan me. Ik geef het op, pak het briefje aan en loop in de richting van de lift.
Fluitend. Dat dan weer wel.

Kort door de Italiaanse bocht #2

Italiaans straatbeeld: of een Italiaan rookt, of hij kauwt kauwgom…

Koffiestop

Wat is het genieten met die camper in Italië!
Op zo’n tochtje langs het Comomeer bijvoorbeeld. Rijden over slingerende bergweggetjes. Af en toe de kant in om tegenliggers te laten passeren als de weg te smal is. Even stoppen voor een kop koffie onderweg in een van de vele dorpjes waar we doorheen rijden. Een dorpje waarvan ik nu de naam al niet meer weet.
Neerploffen op een ongemakkelijke stoel aan een wiebelend tafeltje. Een handen- en voetenpraatje maken met de plaatselijke bevolking. Dat is het ware vakantiegevoel. En gek hoor: thuis zou ik er niet aan denken zo aan de straat te gaan zitten.

Sporthotel

Hotel Continental in Biandronno blijkt een uitvalsbasis te zijn voor professionele sporters. De Australische Olympische roeiploeg is er momenteel op trainingskamp. Lig je bij het zwembad, komen die mannen na hun training op het meer van Varese nog even een ontspannen duik nemen. Vriendin en andere Hollandse vrouwen volgen met meer dan normale belangstelling de verrichtingen van die six-pack-sportlijven. Slecht voor mijn dikbuikige, overgewicht-ego…

Ook de Italiaanse Olympische roeiploeg is in het hotel aanwezig. Het team van de Paralympics om precies te zijn. Ik weet wel, dat het een doodnormale zaak is, maar de eerste keer kijk je toch wat vreemd op als je zo’n sporter op de rand van het zwembad ziet zitten, haar onderbeen ziet afschroeven om zich vervolgens in het water te laten glijden…

En ik ga me een keer in de fout!
Loop ik tijdens het avondeten naar het buffet, komen er op dat moment twee mannen de eetzaal binnen. Ze lopen achter elkaar en de achterste heeft zijn voorganger bij de schouders vast. In een opwelling roep ik ‘Gezellig! Polonaise!’, sluit spontaan aan en leg mijn handen bij de achterste van de twee op zijn schouders.
Heb ik een blinde Italiaanse roeier te pakken!
Ik schaam me dood en vervolg met een mille scusa mijn weg naar het buffet…

Leermomentje

Wat een schitterende rit, dwars door de bergen even buiten Varese naar de Santa Maria del Monte. Het is zondagmorgen en we zijn niet de enige bezoekers van dit piepkleine stadje en de kathedraal. Met moeite vind ik een plek om m’n bussie te parkeren.
Vriendin-en-ik drinken koffie op een hooggelegen terras met uitzicht over de bergen.
Vriendin-en-ik beklimmen puffend de heuvel naar het dorpje.
Vriendin-en-ik sluiten ons bezoek af met een heerlijke Italiaanse lunch.

Als ik de sleutel in het contactslot omdraai om m’n bussie te starten, gebeurt er niets. Vervelend, maar ik maak me geen zorgen. De monteur van de Italiaanse wegenwacht heeft me immers op het parkeerterrein van het ziekenhuis de starttruc-met-de-drie-klappen uitgelegd?
Ik sla de mat bij de bestuurderstoel om en geef de vereiste drie klappen op de deksel van de brandstofpomp. Niet helemaal gerust probeer ik weer te starten, maar zonder resultaat. Ik geef nog eens een paar ferme klappen, maar de motor wil niet aanslaan.
Zwetend haal ik de gereedschapskist van onder het bed vandaan en schroef de deksel van de pomp los. Onder de verwijderde deksel zit nog een tweede. Die durf ik met mijn onvoldoende (=geen) kennis van techniek niet los te schroeven. Ik monteer de bovenste deksel weer op zijn plaats en berg mijn gereedschap op. Verwoed sla ik daarna nog maar eens op de deksel. Na twaalf klappen slaat de motor eindelijk aan. Met een pijnlijke pols stuur ik m’n bussie bergafwaarts en rijd terug naar het hotel. Toch maar langs een dealer morgen…

Soms zit het mee… #2

‘Buscamper Nederland. Met Koos.’
‘Goedemorgen, Koos, met Frits Mahn maar weer eens een keer. Vanuit Italië ja. Die startproblemen en dat geintje met de versnellingsbak blijven maar aanhouden. En nu is daar weer iets nieuws bij gekomen: ik krijg zo af en toe ook een waarschuwingslampje van de elektronische startbeveiliging. Ik heb dat opgezocht in het instructieboekje (ja, ik had ook liever in een reisfolder gebladerd) en ik heb begrepen, dat de sleutel dan niet door het systeem wordt herkend of dat er een storing in de werking van het systeem is. Mij zegt het verder niets, maar het instructieboekje geeft aan, dat ik zo snel mogelijk een dealer moet raadplegen.’
‘Vervelend, Frits. Je kunt inderdaad het beste een Citroëngarage opzoeken. Vraag in die garage of ze computer willen uitlezen, de resultaten willen printen en het hele spul willen resetten. Succes ermee en hou’ me op de hoogte!’

Buon giorno. Ik heb wat problemen met mijn camper. Heeft u voor mij het adres van een Citroëngarage?’ De vriendelijke dame bij de hotelreceptie zoekt en vindt een adres van een garage die vandaag wel even tijd heeft. De garagehouder spreekt gelukkig Frans. Of dat een probleem is. Nee? Dan kan ik er vanmiddag om twee uur terecht.

Om vijf voor twee meld ik me bij de piepkleine garage van Buzzi Umberto in het tien kilometer van het hotel gelegen Gavirate. De kennis van de Franse taal beperkt zich bij Umberto tot een woordje of tien, maar in het half Italiaans, half Frans maakt hij me duidelijk, dat ik m’n bussie maar even naar binnen moet rijden, zodat hij hem aan de computer kan koppelen.

Ik kijk bedenkelijk naar de krappe deuropening en maak Umberto duidelijk, dat ik mijn twijfels heb of ik daar wel doorheen kan met mijn hoogte van twee meter vijfenzestig. Umberto is gedecideerd, maar pakt toch een duimstok als ik hem duidelijk maak, dat hij zelf mijn camper dan maar naar binnen moet rijden. Het hoogste punt van het poortje blijkt twee meter en zestig centimeter te zijn… Op aanwijzingen van vriendin en Umberto manoeuvreer ik met klamme handen m’n bussie precies in de deuropening. Centimeterwerk.

Ik val meteen door de technische mand als ik hulpvaardig de motorkap open maak, zodat de garagist mijn camper aan de computer kan hangen. Zit die aansluiting onder het dashboard. Weet ik veel.
Umberto sluit de computer aan op mijn systeem en gebaart me naar het beeldscherm in de garage te komen kijken. Welk busje ik precies heb, is zijn eerste vraag. Ik wissel een snelle blik met vriendin en wijs dan met een weids gebaar naar m’n camper in de deuropening. Daar staat-ie toch? Moet ik hem dat vertellen? Daar heeft hij toch voor doorgeleerd?
Umberto schudt zijn hoofd, klikt een paar keer met de muis en er verschijnen foto’s van vier modellen busjes op het beeldscherm. Of ik maar even wil aanwijzen welke van die vier ik heb. Als ik met een ie-wie-waai-weg-blik naar die foto’s sta te kijken, komt vriendin met het idee mijn kentekenbewijs aan Umberto te geven. Daar kan hij inderdaad mee uit de voeten en hij start het diagnoseprogramma.

Het gaat niet echt van een leien dakje.
Umberto staat lang en bedachtzaam naar de verschillende beeldschermen te staren, start een paar keer het programma weer helemaal opnieuw, haalt een dikke handleiding uit de kast, bladert daarin, kijkt nog eens naar het scherm, mompelt wat, zucht eens diep en komt uiteindelijk na zo’n half uurtje modderen tot de conclusie, dat het derde remlicht kapot is. Zegt de computer(…).
Mijn vertrouwen in de vakkennis van deze goedwillende man is inmiddels tot onder nul gedaald. Indachtig de instructies van Buscamper-Koos verzoek ik Umberto dringend het systeem te resetten. Als dat gedaan is, maken we nog een proefritje, stellen vast dat er geen vervelende lampjes meer branden en betalen Umberto twintig euro.

‘En heb je er nu vertrouwen in?’, vraagt vriendin als we terug rijden naar het hotel. Ik haal m’n schouders op. ‘We zien wel waar het schip strandt. Zullen we eerst maar ergens een terrasje opzoeken? Zo’n garagebezoek maakt dorstig…’

Laatste avondmaal

Waar voor anderen een bezoek aan het San Siro Stadion in Milaan een absolute must is, zo heb ik dat met het in levende lijve aanschouwen van Il Cenacolo (het Laatste Avondmaal) van Leonardo da Vinci. Het bevindt zich in de refter van het Santa Maria delle Grazie.

Uitgerekend op de dag dat de Italiaanse regering een hittegolfalarm uitvaardigt, sloffen we naar dat klooster. Bij het loket staat een rij toeristen, in de aangrenzende gang zitten, hangen en staan bezoekers te wachten tot ze naar binnen mogen.
Het is kwart voor vier. Onder de wachtenden gaan wat geruchten over lange wachttijden, maar helemaal duidelijk wordt het ons niet. Als we aan de beurt zijn om kaartjes te kopen, informeren we toch maar voor de zekerheid naar die wachttijden.
Er blijkt nog één plaatsje vrij te zijn om tien over vijf en nog meerdere kaartjes voor half zes. Bijna twee uur wachten om langs het Laatste Avondmaal te mogen schuifelen? Daarom stond er in de reisgids: reserveren noodzakelijk.
Het is het niet waard (en bovendien 35 graden). Terug naar het hotel dus, een duik in het zwembad en daarna beneden in het restaurant ons eigen -en zeker niet laatste- avondmaal.

Heeft u dat nou ook? #1

Doet u dat nou ook? Dat u de namen van uw reisgenoten (nog) niet kent en dan maar zelf toepasselijke namen bedenkt?
Zo kwam ik deze reis o.a. in contact met: de Brede Scheiding, FC Hoogvliet, Snormans, de Klessies, Il Silenzio, Jamie & Co, Heerlen, de Onassis-vrouw, het Jonge Stel, André Rieu, de sectie Groenlo en Flipje.

Soms zit het mee… #3

‘Koos’, met Frits Mahn, ‘je weet wel, die vier weken geleden bij jullie die buscamper heeft gekocht. Ik ben nog steeds in Italië en heb je al eerder gebeld over de problemen met dat bussie.’
Ik breng Koos van Buscamper Nederland op de hoogte van mijn ervaringen bij de Citroëngarage in Gavirate en vertel hem ook het laatste ‘nieuws’. Dat we gisteren waren terug gekomen van een dagje met de trein naar Milaan en dat toen het bussie weer niet wilde starten. Met veel geduld, wachten en af en toe proberen, was het uiteindelijk wel weer gelukt de motor aan de praat te krijgen, ‘maar je begrijpt, Koos, dat ik het nu wel even gehad heb met die problemen. Omdat ik nog in de garantie bij jullie zit en wil voorkomen, dat ik op eigen houtje dingen onderneem die jullie later niet willen vergoeden, leg ik het probleem maar weer bij jou neer.’
Koos vindt het allemaal (weer) heel vervelend, maar ‘als het even kan, probeer er dan toch mee naar huis te komen. Je camper naar Nederland laten overbrengen, is een hele toestand. Laten we maar meteen een afspraak maken, dat je in de eerste week van september je camper naar ons brengt.’

En wat hadden we vandaag een schitterende, probleemloze tocht gemaakt naar het Lago Maggiore. Niks knipperende lichtjes en niks startproblemen.
En wat hadden we genoten van een boottochtje naar Isola Bella.

En wat waren we (gedeukt vertrouwen) benieuwd of de motor startproblemen zou hebben toen we na uren weer terugkeerden op de parkeerplaats. En wat waren we opgelucht toen dat niet het geval bleek te zijn.

We besluiten niet dezelfde weg terug naar het hotel te nemen, maar iets noordelijker langs het meer te rijden en daar de veerboot naar de overkant te nemen. Tegen half vijf sluit ik met mijn bussie aan bij de rij wachtende auto’s, vriendin stapt vast uit om een kaartje voor de overtocht te kopen en in afwachting van de komst van de veerboot zet ik de motor uit (…).
Als de boot arriveert, start ik…
Als de boot arriveert, start ik…
Als de boot arriveert, start ik…
Om me heen rijden de auto’s de veerboot op. Opgewonden Italiaanse veerdienstmannetjes in blauwe overhemden beginnen driftig naar me te gebaren, dat ik moet oprijden, maar het enige dat ik kan doen, is verontschuldigend mijn armen omhoog steken: mijn bussie is niet aan de praat te krijgen. Verschillende blauwe overhemmetjes beginnen zich ermee te bemoeien, geven (in het Italiaans uiteraard) allerlei adviezen, maar niets helpt. Uiteindelijk word ik door vier van die mannetjes uit de oprijlaan van de boot geduwd. Daar staat mijn bussie dan: onbeweeglijk midden op de weg.

Weer gaan er telefoontjes naar Nederland.
Het eerste is kort: ‘Koos, ik weet dat je er anders over denkt, maar ik ben het nu spuugzat. Je hoeft niet eens te reageren. Ik laat je alleen weten, dat ik op dit moment met m’n bussie bij de veerboot sta aan het Lago Maggiore, dat de motor weer niet wil starten, dat het hier 35 graden is en dat je ervan op de hoogte bent hoe deze mankementen mijn vakantieplezier vergallen. Dag Koos!’

Het tweede telefoontje is wat langer. Bij het internationale hulpnummer van de Bovag zijn ‘alle medewerkers helaas in gesprek’ en krijg ik twintig minuten een ontspannend (…) wachtmuziekje. Maar na het telefoontje gaat het (voor Italiaanse begrippen) allemaal redelijk snel. Binnen drie kwartier verschijnt er een bergingsvoertuig ten tonele, met een half uurtje staat het bussie bovenop dat voertuig en zitten vriendin-en-ik naast de chauffeur in de bloedhete cabine. Een chauffeur die alleen maar Italiaans spreekt, maar die ons duidelijk maakt, dat de camper eigenlijk naar een Citroëngarage moet, dat die garage tot maandag gesloten is wegens vakantie en dat-ie ons nu naar zijn bergingsbedrijf vervoert, ook al omdat inmiddels alle andere garages gesloten zijn.

Na zo’n twintig minuten draaien we het terrein van het bergingsbedrijf in Baveno op. De chauffeur ‘draagt ons over’ aan de bazin en vertrekt. Gelukkig spreekt die vrouw Engels. Nou ja, een woord of twintig. Genoeg om het verhaal van de chauffeur te bevestigen. Na het weekeinde kunnen we bij Citroën terecht en tot die tijd moet het bussie dan maar bij haar blijven. Die mededeling is genoeg om de Bovag hulplijn maar weer te bellen. Ik heb wat moeite om uitgelegd te krijgen, dat we met het bussie in een hotel verblijven, zo’n klein uurtje hier vandaan, dat we absoluut terug naar dat hotel moeten in verband met noodzakelijke injecties voor vriendin en dat we aanstaande zaterdag een dringende, niet te verzetten afspraak hebben in Zuid-Frankrijk (dat we op bezoek gaan bij dochter-van-vriendin die daar dan vakantie houdt, hoeven ze bij de Bovag niet te weten).

Ettelijke telefoontjes over en weer later is alles geregeld.
Vanuit Nederland is een taxi besteld die ons oppikt bij het bergingsbedrijf. Die taxi brengt ons naar Stresa waar een huurauto voor ons klaar staat en daarmee kunnen we naar ons hotel terug. Bovag gaat er morgenochtend alles aan doen het bussie gerepareerd te krijgen, zodat we morgenmiddag, uiterlijk zaterdag weer de weg op kunnen.
‘Maar mijnheer’, voegt Marja-van-Bovag eraan toe, ‘we kunnen niets met zekerheid zeggen. We gaan ons best doen, maar houdt u er ook rekening mee, dat uw camper eventueel naar Nederland moet worden vervoerd.’

Het liep inmiddels tegen achten.
Even na negen uur bereiken we met de huurauto ons hotel. Nog precies op tijd om ons op te frissen en een hapje te eten. Morgen weer een dag.

Bus? Bus!

Soms is het best lastig dat bussie van me te parkeren. Je bent toch wat meer aan de maat dan de gemiddelde personenauto, nietwaar? Een paar keer was ik al zo brutaal geweest mijn camper op zo’n grote, met BUS gemarkeerde touringcarplek neer te zetten tussen de echte grote jongens. Maar je voelt je toch wat opgelaten als je zo’n plek in beslag neemt.

Tot vandaag.
Op een verder bomvolle parkeerplaats zie ik een precies-groot-genoeg gaatje bij de ingang van een hotel. Mijn bussie past er net in en bovendien staan er twee van die rood-witte paaltjes met een ketting in het gras. Perfect! Kan ik mijn illegale parkeerplek meteen markeren.

Moet ik eigenlijk zelf aanschaffen, zulke paaltjes-met-een-ketting en die steeds meenemen als ik weer op reis ga. Komt altijd van pas.

Ontmoeting #5

Loop ik met hem door Milaan.
Modestad toch, nietwaar? Vrouwenparadijs.
Zie ik om me heen Gucci, Prada, Vuitton, noem alle grote merken maar op. Duwt-ie me de H&M binnen!’

Prachtig eiland

Isola dei Pescatori en Isola Bella zijn twee van de Borromeïsche eilanden die in het Italiaanse deel van het Lago Maggiore liggen. Vanuit Stresa varen er bootjes naar beide eilanden.

We zijn nog niet uitgestapt of we worden op de parkeerplaats al aangeklampt door zo’n nep-kapitein in wit overhemd en een zogenaamde marinepet op z’n hoofd. Of we van plan zijn naar de eilanden te varen. Toevallig heeft-ie een boot liggen die op punt van afvaren staat. Hij stelt voor eerst Isola dei Pescatori te bezoeken, want op Isola Bella is net een bus vol toeristen aangekomen, dus daar is het nu te druk. We hebben geluk en kunnen nog mee. We spelen zijn ronselspelletje glimlachend mee, betalen tien euro per persoon en laten ons naar Isola dei Pescatori overzetten.

Daar aangekomen komen we erachter dat we toch letterlijk in de boot zijn genomen. Het eiland is langgerekt en bestaat uit  twee straten die evenwijdig aan de kustlijn lopen. Het is er zo overweldigend druk, dat het lijkt alsof er net bussen vol toeristen zijn aangekomen…
Het eilandje is zo smal, dat je -als je door de ene straat loopt- door piepkleine zijstraatjes de straat aan de andere kant van het eiland kunt zien. De linker straat is een aaneenschakeling van allerhande souvenirwinkeltjes vol goedbedoelde rotzooi, ansichtkaarten, hoeden, petten, shirts, tafelkleden en overwegend Duitse kranten en tijdschriften. De rechter straat bestaat langs de hele kustlijn uit restaurantjes en eetkraampjes, met uithangborden en menukaarten in het Italiaans en Duits.

Vriendin-en-ik hebben het al heel snel gezien.
We schuifelen met de massa mee door beide straten, lunchen aan het water (dat dan weer wel) en weten daarna niet hoe snel we weer bij ‘onze’ boot moeten komen die ons naar Isola Bella zal brengen.

Wat een verademing.
Natuurlijk is het daar net zo druk, maar dit eilandje wordt geheel in beslag genomen door een kasteel in barokstijl en een schitterende tuin, die uit tien terrassen bestaat die trapsgewijs zijn opgebouwd. Isola Bella, ooit door graaf Carlo III Borromeo gekocht en door hem naar zijn vrouw Isobella vernoemd (dat is nog eens liefde) doet haar huidige, afgekorte naam eer aan: mooi eiland!

Raadplaat

Dochter ziet haar man en zoontje samen op een bankje zitten. Ze pakt haar fototoestel en drukt af. Sfeervol vakantieplaatje, toch?

Maar wie zijn dit en wie maakte deze foto?
Dochter Saskia of dochter-van-vriendin Laura?

Ontmoeting #6

De man zit een beetje klagerig te mopperen: ‘Ik heb het altijd warm, maar mijn vrouw heeft daar nooit last van. Integendeel zelfs. En af en toe best vervelend hoor. Stap ik bijvoorbeeld lekker in bed, krijg ik die ijskoude voeten van d’r tegen me aan!’
Draait z’n vrouw zich naar mij toe en zegt zachtjes: ‘Ik krijg van anderen nooit klachten.’

Soms zit het mee… #4

‘Bovag pechhulp, waarmee kan ik u helpen?’
‘Goedemorgen, met Frits Mahn, gestrand in Italië met kenteken 13-Pieter Theodoor Zacharias Karel. Hebben jullie van de garage in Baveno al iets gehoord over mijn camper?’
‘Ogenblikje. 13-Pieter Theodoor Zaandam Karel? Ja, mijn collega heeft een uurtje geleden contact gehad met de garage. Tot nu toe hebben ze niets kunnen vinden. Het is nu kwart voor twaalf dus er zal weinig meer gedaan worden. Om een uur of twee gaan ze verder met uw camper en we hebben afgesproken, dat we zo rond half vier weer zouden bellen. Zodra we wat weten, bellen we u weer.’

We zitten met een cappuccino en een espresso op een terrasje in Luino met een schitterend uitzicht over het Lago Maggiore na een prachtige rit dwars door het natuurgebied van het Parco del Campo dei Fiori. Luino is niet zonder reden als koffiestop gekozen: hiervandaan kunnen we langs het meer een stukje zuidelijk kronkelen om in Laveno de veerboot naar Verbania aan de overkant van het meer te nemen. Vandaar is het nog maar een klein stukje rijden naar Stresa, waar we onze gehuurde Fiat Punto vandaag moeten inleveren. De maximale termijn van vier dagen voor reparatie in het buitenland en de beschikking over een huurauto loopt namelijk vandaag af. Ja, je leert snel als je pech hebt in het buitenland.

Na de lunch in Verbania (een mens moet toch blijven eten, nietwaar?) besluit ik eigenwijs niet te wachten op het telefoontje van de Bovag, maar direct naar de garage in Baveno te rijden om poolshoogte te nemen. Als we tegen vieren de garage binnen stappen, worden we bijna met open armen ontvangen.
‘Ha! U bent de eigenaar van de camper? We hebben het probleem gevonden! Het is de startblokkering van het inbraakalarm. Goed dat u er bent. Heeft u de code?’
Vriendin-en-ik kijken elkaar aan. Startblokkering? Het zal toch niet zo zijn, dat het hele probleem veroorzaakt wordt door een code? Dat we dit oponthoud met het invoeren van een paar cijfertjes… Tegelijkertijd pieker ik me suf over die code. Ik weet van niks. Is mij vier weken geleden bij de koop ook niks over verteld. Met veel gebaren en hulp van de gebrekkig Engels sprekende vriendin van garage-eigenaar Luco maken ze me duidelijk, dat ik in het bezit moet zijn van een soort creditcard met daarop de code. Die heb ik dus niet.
Geen probleem -benieuwd naar de rekening van de mobiele telefoon als ik weer thuiskom- we bellen wel weer even naar Buscamper in Nederland. Aan het eind van de boodschap, dat hun bedrijf op maandag gesloten is, wordt een 06-nummer genoemd voor spoedgevallen. Dit lijkt me een typisch gevalletje spoed. Vijf minuten later heb ik de code doorgekregen en ik overhandig het briefje aan Luco, die ermee in zijn kantoortje verdwijnt om op internet de handleiding uit te printen. Met die handleiding en de code neemt hij plaats op de bestuurdersstoel, verricht een aantal voor mij onduidelijke handelingen en start de motor! Opluchting bij Luco, opluchting ook bij vriendin-en-mij.

Nadat Luco ook nog een Engelstalige handleiding van internet heeft geplukt en mij heeft voorgedaan hoe we de startblokkade kunnen omzeilen om de motor te starten, kunnen we eindelijk weg. Luco is zo vriendelijk het bussie naar het zes kilometer verderop gelegen autoverhuurbedrijf te brengen waar we de Punto moeten inleveren.

We kunnen weg!
Eerst morgen naar dochter-van-vriendin in Zuid-Frankrijk en daar vandaan terug naar Emmen/Goudswaard. Lastig weliswaar met die ongemakkelijke startprocedure die Luco ons heeft uitgelegd, maar daar is overheen te komen. Maar simpel is anders: Het contact aanzetten, het gaspedaal intrappen tot het motorlampje uitgaat, het gaspedaal laten opkomen, tellen tot het motorlampje twee keer heeft geknipperd, het gaspedaal snel intrappen, wachten tot het motorlampje weer uitgaat, het gaspedaal weer op laten komen, wachten tot het lampje weer aangaat, tellen tot dat lampje vijf keer heeft geknipperd, gaspedaal intrappen en dat herhalen tot we op die manier de code 25577 hebben ‘ingetrapt’… ’t Is niet te hopen, dat de motor een keer per ongeluk afslaat. Bij een verkeerslicht bijvoorbeeld…

Luco heeft het bussie keurig neergezet op het parkeerterreintje naast het autoverhuurbedrijf. We nemen afscheid van deze aardige garagist, leveren de huurauto in en ik neem met een zucht van opluchting plaats achter het stuur. Met eenzelfde opluchting krijg ik de motor gestart met de ‘gaspedaaltruc’. Ik manoeuvreer een stukje achteruit, draai een stukje vooruit en als ik het parkeerterrein wil afdraaien, springt het rode lampje van de versnellingsbak weer aan. Het bussie is niet meer voor- of achteruit te krijgen. Daar staan we voor de zoveelste keer: nu midden op de parkeerplaats, vier tot vijf geparkeerde auto’s blokkerend en in een brandende zon die aan het einde van de middag de temperatuur nog steeds laat oplopen tot dik boven de dertig graden.

‘Bovag pechhulp, waarmee kan ik u helpen?’
‘Goedemiddag, met Frits Mahn nog maar weer een keer, nog steeds in Italië met kenteken 13-Pieter Theodoor Zacharias Karel. Nu was ik blij dat mijn camper weer de weg op kon, maar nadat hij zes kilometer heeft gereden, staat hij alweer stil. Wees zo vriendelijk de garage in Baveno voor me te bellen en te vragen of ze hier naartoe willen komen?’

Een kwartiertje later draait Luco de parkeerplaats op. Hij neemt plaats achter het stuur, start de motor en constateert -net als ik- dat de camper alleen maar in de vierde versnelling wil optrekken. Luco stelt voor dat ik op die manier weer terug naar zijn garage ga rijden. Als we daar aankomen (wat is die boulevard dan druk, wat moeten we vaak inhouden en wat kost het dat motortje dan moeite weer op gang te komen) staat Luco al klaar met zijn laptop om de elektronica nog maar eens na te lopen. Iedere keer denkt hij het gevonden te hebben en maakt hij samen met mij een proefritje, maar het uiteindelijke en beste resultaat is, dat we de motor niet hoger dan in de tweede versnelling krijgen. Niet bepaald de ideale versnelling om mee naar huis te rijden.
Luco haalt mismoedig zijn schouders op, brabbelt iets over een defecte brandstofpomp en maakt een gebaar dat die reparatie me een stevige duit zal gaan kosten. Omdat die pomp ook nog besteld moet worden en de leveranciers de gehele maand augustus gesloten zijn, worden de pogingen opgegeven m’n bussie ter plekke te repareren…

‘Bovag pechhulp, waarmee kan ik u helpen?’
‘Goedemiddag, met Frits Mahn weet u nog? Mijn kenteken is nog steeds 13-Pieter Theodoor Zacharias Karel. Ik ben nu definitief gestrand in Baveno en ik heb jullie hulp nodig om mijn camper naar Nederland gerepatrieerd te krijgen…’

‘Travelcare internationale pechulp, wat kan ik voor u doen?’
‘Goedemiddag, met Frits Mahn, kenteken 13-Pieter Theodoor Zacharias Karel. Als het goed is, hebben jullie al een dossier over mijn camper. Die wordt door de Bovag naar Nederland gerepatrieerd en ik vraag jullie vervangend vervoer terug naar huis voor mij te regelen.’

Het is inmiddels half negen geworden als er een taxi stopt bij de garage van Baveno. Vuilniszakken met kleding, kratjes met spulletjes, tasjes met van-alles-en-nog-wat die we in allerijl uit de camper hebben gehaald (niks vergeten? nee, dat is alles) verdwijnen in de kofferbak van de taxi, vriendin en ik schudden voor de zoveelste keer Luco de hand, nemen plaats in de taxi en laten ons voor honderd euro naar ons hotel vervoeren. We sjouwen de spullen naar onze kamer en frissen ons snel wat op. Op weg naar de eetzaal voor het diner melden we bij de receptie, dat we nog maar een nachtje langer blijven…

Bankpraat

De man op leeftijd zit in de schaduw van een boom te genieten van het uitzicht op het hoogste punt van Belvedère. Met een buon giorno ga ik naast hem op het bankje zitten. Waarschijnlijk omdat ik op dat moment in een huurauto rondrijd met een Italiaans nummerbord, beantwoordt hij mijn groet, vraagt of ik toerist ben en begint -zonder het antwoord af te wachten- in het Italiaans uitgebreid te vertellen over de prachtige omgeving. Het helpt niets als ik hem duidelijk maak, dat ik een Hollander ben en zijn taal niet spreek: hij is niet te stuiten.
Met weidse gebaren wijst hij op de heuvels aan de overkant en kletst honderduit. Ik probeer hem nog een keer duidelijk te maken, dat ik hem niet versta, maar het is aan dovemansoren gericht.
Ik geef het op, neem een belangstellende luisterhouding aan, steek een sigaar op, schud af en toe op goed geluk mijn hoofd of mompel een ‘begrijpend’ si, si. Zo nu en dan vang ik een bekend (?) woord op en meen ik enig verband in zijn verhaal te kunnen ontdekken. Gaat het misschien over de Tweede Wereldoorlog, over verzetsgroepen in de bergen, over Duitsland, over Zwitserland? Ik knik maar weer eens.

Dan loopt de man naar zijn auto, pakt er iets uit, komt terug naar het bankje en laat me zien wat hij heeft gehaald. In zijn geopende hand ligt een kompas, zo’n minuscuul, blikkerig kermiskompasje. Hij legt het voor het bankje op de grond, wijst op het trillende naaldje en maakt me duidelijk dat daar het noorden is. Dan wijst hij weer naar de heuvels, geeft een duwtje tegen het kompas, wacht tot het naaldje weer stilstaat en kijkt me afwachtend aan.
Ik gok erop, dat ik nu met ontzag voor zijn redenering ‘ja’ moet knikken. Ik gok blijkbaar goed, want de man laat zich achterover op de bank zakken en leunt voldaan tegen de rugleuning. Ik sta op, schud hem de hand en bedank hem voor zijn mooie verhaal.

Twintig minuten op een bankje gezeten.
Twintig minuten een verhaal over me heen gekregen waar ik geen snars van heb begrepen.
Twintig minuten op een vakantie van vier weken.
Da’s toch een hele kleine tijdsinvestering om iemand het gevoel te geven dat er nog naar hem geluisterd wordt?

Vervoer op maat

Het gaat inmiddels goed met de gezondheid van vriendin. Na drie dagen in het ziekenhuis mocht ik haar de vierde dag ’s morgens weer op komen halen. Ze kreeg een brief mee voor de huisarts in Nederland en de opdracht zich gedurende de vijf opvolgende dagen in het hotel een injectie te laten toedienen. En over veertien dagen werd ze nog even terug verwacht in het ziekenhuis voor controle. Dat laatste heeft vriendin maar beleefd afgewimpeld…

Het is warm in de Provence als we daar op bezoek zijn bij dochter-van-vriendin Laura.
Het is warm als we besluiten een bezoek te brengen aan de waterval.
We parkeren de auto en volgen de bordjes die de wandelroute aangeven. Zeshonderd meter tot de waterval, geeft het eerste bordje aan. Als we een kleine tien minuten bergafwaarts het pad hebben gevolgd, wijst een volgend bordje ons de weg. Achthonderd meter, staat er op dat tweede bordje… Dat houdt de moed er in (…) en bovendien realiseren we ons, dat we na een blik op die waterval diezelfde weg weer terug moeten. En dan bergopwaarts. We zien wel.

Het wordt een lome, vermoeiende wandeling.
Als we de waterval gezien hebben en aan de terugtocht beginnen, blijkt de conditie van vriendin toch nog niet honderd procent. Ik maak me zorgen om haar over die bloedhete kilometer bergopwaarts. Op dat moment komen er twee jongens op een brommer de berg afstuiven. Met wappergebaren beduid ik ze te stoppen en leg in m’n beste Frans uit, dat ‘mevrouw daar’ onmogelijk de berg verder kan beklimmen en dat ze ‘mevrouw daar’ een enorm plezier zouden doen als ze haar even naar de parkeerplaats willen brengen. De jongen sputtert wat tegen (hij komt net uit school en is op weg naar huis), maar als ik een dringend beroep doe op zijn hulpvaardigheid en als ook vriend-op-brommer een duit in het zakje doet, is hij bereid om te keren, vriendin achterop te nemen en naar de parkeerplaats te rijden.
Merci, merci mille fois‘, roep ik hem na als hij wegstuift.

Ontmoeting #7

Da’s lachen als het erover gaat hoeveel kleding je eigenlijk mee moet nemen als je op vakantie gaat. Die van de onderbroek binnenstebuiten keren en hem twee keer dragen, kende ik al. Nieuw was voor mij de opmerking van een medereizigster: ‘Wij nemen altijd een gummetje mee…’

Soms zit het mee… #5

08:30
‘Goedemorgen, Bovag pechhulp, met Marja. Ik bel u toch niet wakker?’
‘Welnee, Marja. Fijn weer wat van je te horen!’
‘Ik lees net uw dossier. Wat heeft u nou weer?’
Als ik Marja op de hoogte heb gebracht van de laatste ontwikkelingen, komt ze meteen in actie.
‘Wat vervelend voor jullie. Ik ga meteen alles in het werk stellen om de repat van uw camper te regelen. Ik bel u zo snel mogelijk terug.’

08:45
‘Goedemorgen, ANWB alarmcentrale. Ik heb goed nieuws voor u. We hebben een auto voor u kunnen regelen, waarmee u via Frankrijk (daar had u toch een afspraak?) terug naar huis kunt. We hebben een Ford C Max voor u gereserveerd bij Hertz tot en met 31 augustus. Uiterlijk op die datum moet u de auto weer inleveren aan het Weena in Rotterdam. Het vervelende nieuws is, dat u die auto zelf voor twaalf uur vandaag moet ophalen op vliegveld Malpensa bij Milaan en dat de huurkosten waarschijnlijk uw vergoeding enigszins zullen overschrijden, want door de one-way-fee komt de huur op € 733,– euro en u hebt recht op honderd euro per dag…’

09:10
‘Goedemorgen, Bovag pechhulp, met Marja weer. De repat is geregeld hoor. Uw camper wordt vanuit Nederland opgehaald en naar Buscamper in Culemborg gebracht. Houdt u er wel rekening mee, dat dit wel tien tot veertien dagen kan duren. Ik zal de garage in Baveno bellen en alles uitleggen. Heeft u al iets gehoord over uw eigen transport?’

10:00
Bon giorno. Kunt u voor mij een taxi bestellen naar Malpensa? Rond een uur of elf graag.’

11:00
‘U wilt naar Malpensa? Geen bagage? Stapt u in, alstublieft.’
Na zo’n tien minuten in de taxi stoot vriendin mij aan.
‘Volgens mij zit die chauffeur te dommelen. Moet je kijken: z’n hand onder z’n hoofd, z’n ogen vallen steeds dicht en hij zit te knikkebollen.’
Door iedere keer overbodige vragen te stellen of iets te vertellen, houden we de chauffeur wakker, maar we zijn blij als we bij Malpensa worden afgezet. We betalen onze vijftig euro (mag ik een bonnetje voor de verzekering?) en stappen de luchthaven binnen.

11:40
Bij de balie van Hertz is het druk. Er is net een vliegtuig uit Israel geland en er staat een lange rij keppeltjes tot buiten het kantoor. We sluiten geduldig aan. Hebben we haast?

11:59
‘Goedemorgen. Als het goed is, staat er een auto voor ons klaar, die vanuit Nederland geregeld is.’
En ach, wat krijgen we te doen met de vriendelijke medewerkster achter de balie, die steeds meer begint te zuchten, steeds vertwijfelder naar haar beeldscherm kijkt, steeds nerveuzer allerlei papieren invult, uiteindelijk op een andere computer helemaal overnieuw begint en als het daar ook niet lukt ons overdraagt aan een andere collega. We wisselen geduldig van plaats aan de balie. Hebben we haast?

12:45
‘Hallo, mijnheer. Volgens dit papier moet onze auto op nummer 445 staan. Daar staat weliswaar een Ford C Max, maar het kenteken klopt niet en in plaats van zilvergrijs is deze auto zwart.’
Momento!’

Hallo! Gaat u ons nog helpen?’
De medewerker van Hertz loopt mee naar plek 445, stelt vast dat daar inderdaad een verkeerde auto staat, loopt zonder iets te zeggen weg en brengt een paar minuten later de juiste auto. Dat we daarna twee keer het parkeerterrein van het vliegveld rond rijden omdat we het bordje uscita missen, kan ons niet meer deren. We hebben een auto. We zijn weer mobiel!

13:00
Merda! Kijk nou. Moet ik in Rotterdam die auto met een volle tank weer inleveren, staat-ie nu al op driekwart.’
Ik haal m’n schouders op. ‘Zullen we eerst daar op dat terrasje maar even koffie drinken?’

14:20
‘Hallo, Luca. Daar zijn we weer. We komen nog even alle sleutels van de camper brengen en hier heb je ook het kentekenbewijs en de groene kaart. Hebben ze je vanuit Nederland al gebeld en is alles geregeld?’

16:30
‘Weet je’, zeg ik tegen vriendin, ‘om in de sfeer van deze vakantie te blijven, zou het nu het toppunt zijn als deze huurauto het onderweg zou begeven.’ ‘Of dat-ie helemaal leeg gestolen wordt’, doet vriendin er nog een schepje bovenop…

Heeft u dat nou ook? #2

Dat u in Frankrijk en Italië tevergeefs gezocht hebt naar een radiozender die een beetje om aan te horen is? Dat u op de thuisreis zo blij bent eindelijk weer eens een Hollandse zender te horen in de buurt van de Nederlandse grens? En dat u helemaal het gevoel krijgt weer bijna thuis te zijn als u rond Antwerpen het bord ziet met de afslag Jezus-Eik?

Soms zit het mee… #6

Buscamper Nederland heeft twee vestigingen. Eén in het Limburgse Lomm en één in Culemborg waar ik m’n bussie heb gekocht. Toen ik vanuit Italië de repatriëring van mijn camper regelde, was er wat misverstand over de locatie waar het bussie heen moest. Uiteindelijk werd afgesproken, dat de bestemming de Citroëngarage in Culemborg zou zijn.

—–

Ik bel maar eens naar Culemborg om te informeren of mijn camper daar is aangekomen. Per slot van rekening is de termijn die er staat voor een repatriëring al met een week overschreden. Omdat m’n bussie nog steeds niet is gearriveerd, bel ik de Bovag. Is dat even toevallig? Vandaag wordt de camper afgeleverd.
Voor de zekerheid vraag ik nog even naar de bestemming. Het antwoord stelt me gerust: Buscamper Nederland in Culemborg. De volgende dag krijg ik een telefoontje van Buscamper-Koos met de mededeling, dat m’n bussie bij hem in Limburg is aangekomen…

Vijf dagen later (…) belt Buscamper-Theo met de mededeling, dat de Citroëngarage in Culemborg de reservesleutel van mijn camper nodig heeft. Of ik die even wil opsturen. Omdat ik benieuwd ben hoe m’n campertje de reis heeft doorstaan, maar ook omdat ik nog allerlei spulletjes uit het bussie wil halen (de vuile was om maar wat te noemen), spreek ik met Theo af de volgende dag tegen half elf bij hem langs te komen.

Best gezellig hoor, koffie drinken met Buscamper-Theo en het relaas van de vakantie-met-hindernissen nog eens vertellen, maar na een half uurtje begint het toch te kriebelen en wil ik naar m’n bussie. ‘Vraag in de garage naar Jan-Willem, die weet er alles van’, roept Theo me na als ik het pand verlaat.

Jan-Willem blijkt een geschikte kerel, wil ook de reservesleutel wel van me aanpakken, maar als ik vraag waar m’n camper staat, trekt hij zijn wenkbrauw op. ‘Uw camper? U bedoelt toch die groene met kenteken 13-PT-ZK? Die is hier helemaal nog niet. Die moet nog steeds uit Limburg hierheen komen…’

Theo is stomverbaasd als ik na vijf minuten weer bij hem terug ben. Hij begrijpt er niks van. Ik ook niet. Ik heb geen zin in een woordenwisseling, zelfs geen zin meer in een gesprek, geef Theo m’n reservesleutel en loop naar buiten. Mijn routeplanner geeft aan, dat het een goed uurtje rijden is naar Lomm. Ik start (deze auto doet het!) en ga op weg.

Buscamper-Koos begroet me meer dan hartelijk.
‘Zo, Frits, jij dacht: ik ga de koffie van Culemborg eens vergelijken met die in Lomm!’ Ik heb geen behoefte aan een koetjes-kalfjes-gesprek. Ik wil mijn bus zien en uitladen! Dat is volgens Koos ‘een beetje een probleem, want weet je Frits, je camper is hier helemaal niet meer. Die is eergisteren op transport naar Culemborg gegaan.’
Ik reageer verbijsterd: drie dagen onderweg voor een ritje van pakweg anderhalf uur? En waar is mijn camper dan nu? Tsja, daar moet Koos het antwoord op schuldig blijven, maar hij gaat direct de transporteur bellen…

‘Zo gek, Frits, maar jouw camper is eerst hier in de buurt naar een ander bedrijf gebracht. Daar hebben ze hem de volgende dag weer opgehaald en weer naar een volgend adres vervoerd. Daar heeft een ander bedrijf hem weer opgehaald en die chauffeur heeft hem mee naar huis genomen. Ja, het schijnt allemaal goedkoper te zijn als ze het op deze manier doen. Ze willen vrachtjes combineren, hè? Snappen doe ik het niet.’ Ik ook niet. Wil het niet eens snappen. Wil alleen weten waar m’n bussie nu uithangt. Koos gaat weer bellen.
Het resultaat is, dat ze vanuit de centrale van het vervoersbedrijf gaan proberen de chauffeur te pakken te krijgen. Zodra ze wat weten, bellen ze terug…

Als er na een half uurtje nog niet is terug gebeld en ik inmiddels alle auto’s in de showroom meer dan uitgebreid heb bekeken, besluit ik eerst maar even in het dorp wat boodschappen te gaan doen. Als ik terug kom, staat Koos al op me te wachten. Hij heeft goed nieuws. De chauffeur is met m’n camper onderweg naar Culemborg en is daar -als er geen files zijn- om kwart voor vijf…

Volgens mijn routeplanner zal ik om 16:48 weer terug in Culemborg zijn. Maar het is druk op de weg. Ik beland in files en draai uiteindelijk om kwart over vijf de parkeerplaats van de Citroëngarage op. Als ik de werkplaats binnenstap, staat daar tot mijn grote opluchting m’n groene 13-PT-ZK. Een aardige monteur hoort mijn verhaal aan, heeft begrip voor mijn situatie en adviseert me mijn auto naast de camper te rijden en rustig de tijd te nemen om alles uit te laden.

Als ik met een volgepakte auto (wat zat er nog veel in dat bussie!) het terrein van de garage afrijd, zegt mijn stoel ‘knap’. Knap? De stoel wankelt een stukje naar rechts. Na de bocht komt-ie met een zwikje weer in zijn rechte stand. Terwijl ik zwik-zwakkend in die stoel naar huis rijd, bedenk ik me, dat er waarschijnlijk een boutje is losgeraakt. Kleinigheidje. Zal wel simpel op te lossen zijn.

Hoewel? Simpel?
Wat was ik de eerste drie weken na de vakantie-met-hindernissen blij weer in mijn oude, vertrouwde auto te stappen. En wat vond ik het toen vervelend dat de climate control van het ene op het andere moment niet meer werkte. Zal wel een zekering zijn of een relais had ik mezelf toen moed ingesproken. Tegen beter weten in, want uiteindelijk moest er een hele nieuwe radiator in.
En dan nu die stoel weer.
Komt waarschijnlijk door alles wat ik heb meegemaakt met dat bussie, maar dit zal natuurlijk ook wel niet zo simpel zijn, dat er een moertje kan worden aangedraaid. Doemdenkerig bedenk ik me dat er waarschijnlijk een hele nieuwe slede in moet.

Ach, heb ik het tijdens deze vakantie al niet eerder en vaker gezegd?
Never a dull moment…

Soms zit het mee… #7

‘Goedemorgen, mijnheer Mahn. Met Jan-Willem van Tuijl van de Citroëngarage in CulemborgIk heb goed nieuws voor u. Uw camper is vanmorgen terug gegaan naar Buscamper Nederland. We hadden het probleem betrekkelijk snel gevonden. Er zat een massadraad los en die zorgde ervoor, dat bepaalde elektronische componenten niet of verkeerd werden aangestuurd. Tsja, met alles wat u in de vakantie heeft meegemaakt, was de oorzaak dus eigenlijk -sorry dat ik het zo zeg- iets heel lulligs. Kwestie ook van pech, dat u tijdens uw vakantie misschien net bij de ‘verkeerde’ garages bent geweest. Maar alles werkt nu weer. Theo van Buscamper gaat er voor de zekerheid een paar dagen mee op en neer van zijn huis naar zijn werk om alles nog goed uit te testen, maar ik heb er alle vertrouwen in, dat het helemaal in orde is.’

—–

‘Frits, goeiemorgen! Met Theo van Buscamper Nederland. Het ging allemaal goed met je camper, ik ben er twee dagen mee naar huis gereden, maar toen ik vanmorgen bijna in Culemborg was, begon dat versnellingsbak-lampje weer te branden. Ik heb je bus met draaiende motor bij Citroën afgeleverd, zodat ze meteen konden kijken wat eraan schort. Je hoort nog!’

—–

‘Goedemorgen, mijnheer Mahn. Jan-Willem van Tuijl van de Citroëngarage in Culemborg hier. Vervelend hoor van uw camper. Maar we hebben contact opgenomen met een gespecialiseerd bedrijf, dat veel automatische versnellingsbakken inbouwt en die hebben ons geadviseerd de elektronische schakelaar te vervangen die de versnellingsbak aanstuurt. Op dit moment is de monteur daarmee bezig. Daarna gaat uw busje terug naar Theo die er weer uitgebreid mee gaat rijden.’

—–

‘Goeiemorgen Frits, met Theo van Buscamper Nederland. Nou, ik ben drie dagen met je camper op en neer naar huis gereden en alles doet het nu prima. Ik denk dat het probleem nu helemaal opgelost is. Gelukkig maar. Zullen we een afspraak maken wanneer je de bus bij mij komt ophalen?’

—-

Op 20 augustus strandde m’n bussie definitief bij de veerboot aan het Lago Maggiore.
Op 2 oktober melden vriendin-en-ik ons bij Buscamper-Theo om de gerepareerde camper op te halen. Ze leggen net de laatste hand aan de grote schoonmaak.
M’n bussie is van binnen en van buiten meer dan grondig gereinigd. Ook de vakantieschade is opgelost: het kapotte raam in de schuifdeur is vervangen en de loszittende hoek van de achterbumper is weer netjes vast gezet. Als nieuw staat m’n bussie daar showroom-shine te glimmen als bij de aflevering in juli.
Zo ziet Theo het ook als hij bij de koffie-in-het-kantoortje de hoop uitspreekt, dat we de minder fortuinlijke eerste twee maanden achter ons kunnen laten en een herstart maken met deze tweede aflevering.
‘Ik heb de garantieregeling met twee maanden verlengd’, zegt Theo als hij me de sleutels overhandigt, ‘lijkt me niet meer dan logisch. Nog koffie?’
Vriendin-en-ik bedanken vriendelijk.
Ik wil weg. Ik wil m’n bussie weer in.

Als ik tien minuten later de grote weg opdraai, klap ik de armsteunen omlaag. Ik tik de cruisecontrol op 100 km/uur en leg twee handen losjes op het stuur. Een blik op de brandstofmeter leert me dat ze m’n bus hebben afgetankt en tegelijkertijd bedenk ik me, dat Theo helemaal niet heeft gerept over een eventuele rekening of een deel ervan.
Ik zet de radio aan en leun behaaglijk achterover.
Ik geniet weer.
Ik heb m’n bussie terug.
En er gaat geen enkel vervelend lampje knipperen…

Fotoboek

Er is een apart fotoboek van dit campertripje
Klik hier om  naar de fotopagina te gaan

(more or less) Translate »