2008 Camper Schotland

Video & eBook

Frits maakte twee videofilms over deze reis.
Klik hier om naar de videopagina te gaan.

De verhalen van Frits in Schotland zijn ook in boekvorm verschenen.
Klik hier om naar de boekenpagina te gaan.

Veel… en groot

Allemachtig, wat een troep!
En dat moet allemaal die gehuurde camper in!
Ik kijk er heel erg naar uit om vier weken door Schotland te trekken, maar wat voorbereidingen betreft kun je beter je koffer pakken en op het vliegtuig stappen.
En iedere keer komt er weer wat bij.
En iedere keer bedenk ik nog iets wat in die camper moet.
Het is mooi zo. Wat ik nu nog vergeten ben, koop ik onderweg wel.

En wat is dat busje ineens veel en veel groter nu hij (zij?) hier op mijn garagepad staat. Bij het verhuurbedrijf leek het kleiner en handzamer. En daar ga ik straks mee over die éénbaans kronkelige binnendoorweggetjes?

Welgeteld 1170 kilometer stond er op de teller toen ik het ophaalde.
Hageltje-nieuw dus. Ik ben de eerste die ermee op pad gaat.
‘Doe je er voorzichtig mee?’, zei de verhuurder.

Relaxed!

Onderweg naar de veerdienst in IJmuiden.
Het is rustig op de weg. De ‘vrachtwagenarmsteunen’ aan weerszijden van mijn stoel zijn naar beneden geklapt, de radio staat aan, twee handen liggen losjes op het stuur en de cruisecontrol is ingeschakeld. De check-in bij de ferry is om 16:30, de routeplanner geeft een aankomst aan van 16:31 uur. Exact op dat tijdstip sluit ik aan in de rij bij de twee andere Nederlandse campers die ook naar Newcastle moeten. Wat een ontspannen begin van vier weken Schotland.

Ervaring

Als laatste ben ik aan boord van de ferry gereden en parkeer op aanwijzingen van het personeel netjes achteraan de rij. Toch wel opgelucht trek ik de handrem aan en zet de motor uit. Zo, mijn eerste echte manoeuvre zit erop en is goed gelukt. Toch wel een beetje spannend met zo’n splinternieuw busje. Alles moet nog even wennen.

Als ik mijn spullen bij elkaar grabbel die mee moeten naar mijn hut komt een vriendelijke gele hes naar me toe, met de vraag of ik nog even een stukje backwards wil rijden en in een andere lane wil parkeren, omdat er last minute nog een vrachtwagen moet aansluiten. De lichten van die grote jongen komen al aardig dichterbij.
Doen we dus even. Laat me niet kennen, met zo’n camper, waarmee ik tot nu toe zo’n tweehonderd kilometer (autoweg)ervaring heb…

Gespreksstof

Opgevangen aan de bar van de veerboot.
Jongen: ‘Waarom wil je niet met me neuken? Vind je me niet aardig?’
Meisje: ‘Natuurlijk vind ik je aardig. Ik vind mijn hond ook aardig, maar daarom neuk ik hem nog niet…’

Uitgesproken bij het diner aan boord in het Seven Seas Restaurant.
Traveling alone?
Business or pleasure?
Mind if I join you?

Douane

Aangekomen in Newcastle worden de campers in een aparte lane gezet.
Een vriendelijke beambte meldt zich bij mijn openstaande raampje. Of hij mijn paspoort even mag zien. En of ik uit wil stappen, zodat hij de camper kan controleren op de aanwezigheid van illegale personen.
Alle deuren moeten open, alle ruimtes moeten open, tot de kastdeurtjes, de koelkast, de kist met gasflessen en de opbergruimte onder de vloer toe (net groot genoeg voor twee literpakken sap).
‘Ach mijnheer’, geeft de douanier als antwoord als ik wat lacherig doe over het zoeken naar mensen op deze onmogelijke plaatsen, ‘weet u, we hebben ze zelfs gevonden tussen de bekleding van de passagiersstoel…’

Relaxed?

Na de douanecontrole rijd ik de terminal af, de ochtendspits van Newcastle in. Ik wil zo snel mogelijk de stad uit. Dat is dan ook meteen de vuurdoop in het links rijden. Het is weer even wennen en ik moet me goed concentreren, met name op rotondes, waar het links rijden het meest onnatuurlijk aandoet.
Het gaat allemaal goed tot de negende rotonde (ik heb ze geteld…). Zoekend naar de juiste voorsorteer-lane (ik moet rechtsaf), ga ik compleet in de fout en rijd rechtsaf de rotonde op. Nee dus! Ik ben in Engeland en om daar rechtsaf te slaan, moet je (linksom) driekwart rond (volgt u het nog?). Veel getoeter, veel arm- en handgebaren en veel knipperende lichten wijzen mij op mijn fout.
Met een rode kop van schaamte en zweet op m’n rug draai ik midden op de rotonde de juiste (linker)kant op en vervolg mijn weg.
Bloody tourist!

Kofi Annan

Op een P gestopt en koffie gedronken bij Annan
Het moet niet gekker worden met die woordspelingen.

 

Kofi Atta Annan was een diplomaat afkomstig uit Ghana.
Hij was van 1997 tot en met 2006 de zevende secretaris-generaal van de Verenigde Naties.

Voorbereiding

Voor mijn vertrek stond ik thuis te dubben over de aantallen serviesgoed en bestek. Van alles twee of was één genoeg?
‘Ach’, dacht ik, ‘laat ik maar twee stuks van alles meenemen.
Het eet geen brood.’

Mijn allereerste dag in Schotland.
Mijn allereerste stop in Schotland.
Mijn allereerste kop koffie in Schotland.
Bij het afdrogen breekt het oor van de mok…

Stuck in the mud

Aan het eind van de eerste dag in Dalbeattie een camping ontdekt, grenzend aan de speelplaats van een primary school (…).
Aardige mevrouw vertelt me dat ik overal kan gaan staan (er zijn welgeteld nog twee andere kampeerders op het hele terrein). Verspreid over het fraaie grasveld liggen betonnen platen waar je je camper kunt parkeren. Prima toch? In mijn eigenwijzigheid denk ik het busje naast zo’n plaat te parkeren, zodat ik een mooi schoon in- en uitstapje heb. Het grasveld blijkt echter boterzacht te zijn en binnen een paar tellen werk ik mijn voorwielen tot aan de bumper in de grond! M’n busje wil geen inch meer voor- of achteruit! Met het schaamrood op mijn kaken meld ik me weer bij de vrouw van de camping, die haar man gaat halen. Samen met hem en twee andere kampeerders zijn we een dik half uur in de weer met een schop en planken en na veel ‘gemodder’ krijgen we m’n camper weer los.
Heet zoiets niet een leermomentje? Zal mij benieuwen of ik er ook echt iets van heb opgestoken…

De volgende morgen zit ik aan het ontbijt.
De eigenaar van de camping loopt voorbij met een volle vuilniszak.
Het gaat langzaam en hij loopt moeilijk.

Voor ik vertrek, knoop ik nog een praatje met hem aan.
‘Ik zag u voorbijkomen vanmorgen. U loopt zo moeilijk. Last van het uitgraven van mijn camper gisteren?’
Hij kijkt me van opzij aan.
‘Nee hoor, gewoon artritis. Heb ik al jaren. Heeft niks te maken met het graafwerk van gisteren’
Het zal allemaal wel. Toch voel ik me bezwaard als ik de motor start en met een brede armzwaai afscheid van hem neem.

FRAGMENT UIT DE SCHOTLAND-FILM
(bekijk de hele video op: Frits filmt)

Twee kwartiertjes

Zodra je onder je warme dekbed vandaan komt, valt de kou van de camper over je heen. De handdoeken van gisteren zijn nog net zo nat als de dag ervoor. De schone kleren die je uit de kast haalt, zijn koud en klam. Geen probleem: ik zet de kachel aan en binnen een kwartiertje is het behaaglijk warm.

Het grasveld is kletsnat. Rondom m’n camper is het een blubberzooi. Ik verzamel moed om door het natte gras en de ochtendkou naar het tochtige sanitairgebouw te lopen. Hoe goed ik mijn voeten ook veeg, als ik wil vertrekken, is de vloer en de cabine van de camper binnen een kwartiertje net zo’n blubberzooi als buiten.

Later op de dag in the middle of nowhere gestopt voor de lunch en meteen die klamme lappen even te drogen gehangen.

Kopstoot

Hoeveel keer heb ik inmiddels m’n kop al gestoten aan dat handige opbergvak boven de cabine als ik vanuit het ‘woongedeelte’ naar de stuurstoel stap?

Bonkebonk

Het duurde een halve dag voor ik erachter kwam waar dat doffe gebonk tijdens het rijden vandaan kwam. Alles in de kastjes en kratten staat toch vast en is rammelvrij opgeborgen? Blijkt het de drinkwatertank te zijn, waarin het water heen en weer klotst…

Herinnering

Manoeuvrerend door het linkse Engelse verkeer moet ik vaak aan Nel denken, die me in het verleden bij onze autovakanties regelmatig toevertrouwde: ‘Ik ben blij dat jij rijdt. Moet er niet aan denken dat ik dat zou moeten doen.’

Niet alleen die opmerking herinnert me aan haar.
Ik bedenk me ook hoe prachtig ze dit allemaal gevonden zou hebben, gek als ze was op binnendoorweggetjes, mooie natuur, fraaie omgeving en koffie-pauze-plekjes onderweg.

Sixty pence makes the difference

Overnachtte ik gisteren voor tien pounds in Dalbeattie, vandaag in Maybole moet ik £ 9,40 betalen.
Stond ik gisteren op een zompig grasveld met betonnen platen en een tochtige, koude, eenvoudige sanitairruimte met drie toiletten en een douche, vandaag zijn alle overnachtingsplaatsen ruim en voorzien van gravel. Het sanitair is luxueus: groot, kraakhelder en… verwarmd. Er klinkt zelfs muziek. Toegegeven: het heeft nog maar weinig met kamperen te maken, maar voor sixty-pence-less geniet ik er toch van, vooral omdat het stormt en regent en de temperatuur blijft steken op acht graden.

Het schiet niet op

Ik heb thuis aardig wat tijd gestoken in de voorbereiding van deze reis: boekjes gelezen, informatie op internet gezocht en aan de hand daarvan een route door Schotland uitgestippeld. Na twee dagen pas ik het al aan. Wat is het hier schitterend! Wat is er veel te zien! Wat stop ik vaak onderweg!
Het schiet niet op dus.
Geen enkel probleem. Heb ik met zo’n camper-zonder-reserveringen-en-verplichtingen niet de vrijheid van mijn plannen af te wijken? Om te gaan en staan waar ik wil? Wat nou opschieten? Dat moest ik m’n hele leven al.

Stormy weather #1

Ben inmiddels aangeland in de kuststrook van de Ierse Zee. Het stormt behoorlijk en de camper staat te schudden op z’n grondvesten. Zeg je dat trouwens zo bij een kampeerbus? Of staat-ie gewoon te schudden op z’n wielen?
Anyway. Zal me benieuwen of ik net zo rustig slaap als de nacht ervoor.

Stormy weather #2

Helemaal geen last gehad van de storm vannacht.
Wel wakker geworden van een vreemd, brommend geluid.
Het kwam onder m’n bed vandaan en het leek alsof een apparaat verwoede pogingen deed aan te slaan. Het enige dat ik me kan voorstellen, is dat het de boiler is. Zou dat geluid normaal zijn? Heb het nog niet eerder gehoord.
Lag me daar midden in de nacht druk over te maken. Ik bedoel, alles leuk en aardig, maar alles ‘aan boord’ moet het wel gewoon doen.
Heb eigenlijk helemaal geen zin het uit te zoeken, laat staan iets te repareren. Ben net blij dat ik inmiddels weet hoe alle knopjes in die camper werken en hoe ik alles moet aan- en uitschakelen. En dan zo’n raar gebrom. Irritant. Draai me om en ga verder slapen.

Eigenwijze Britten

Wat een gedoe eigenlijk in dat Schotland.
Ze rijden links, de afstanden langs de weg staan in miles, het is nog 300 yards naar de volgende parkeerplaats, bewegwijzering wordt tweetalig aangegeven (Gaellic en Engels) en betalen doe je niet met vertrouwde euro’s maar met Schotse pounds.

Heb ook af en toe moeite de mensen hier te verstaan. Ze zijn meer dan aardig en doen hun best, maar nu en dan is het moeilijk communiceren. Moet vaak vragen of ze langzamer willen praten of iets willen herhalen. Of ligt het aan mijn Engels?

Zo was ik gisterenavond in Maybole gaan eten.
Tien minuten lopen, was me gezegd.
Klopte precies. De afstand van de camping naar het dorp was ongeveer een mile, maar die mile was wel de hele weg downhill. Toen ik volgegeten aan de terugweg begon, zag ik letterlijk tegen die mile uphill op. Al snel ging de hitchhike-duim omhoog en binnen de kortste keren had ik een lift die me terug naar de camping bracht.
Waar ik vandaan kwam, vroeg de chauffeur me.
Toen ik vertelde, dat ik uit Holland kwam, zei-ie: ‘Dat bedoel ik niet. U bent op doorreis, toch, en u komt nu uit Holland. Maar waar wóónt u dan?’

Navigatie #1

Wat moet ik vaak terugdenken aan eerdere autovakanties toen we nog met zo’n onhandige wegenkaart op schoot zaten om de weg te zoeken. Leve m’n Garmin! Dankzij het voorbereidende werk thuis (242 waypoints en 13 routes) rijd ik probleemloos over de mooiste Schotse binnenwegen, zie ik de leukste dingen en word ik kriskras door het centrum van ieder plaatsje geloodst.
Het computergestuurde stemmetje kan alleen die Engelse namen niet aan. Standaard spreekt ‘ze’ consequent over een <street> in plaats van <striet> en wat ze af en toe van de andere namen maakt… Ze doet maar, zolang ze me de weg maar wijst (en daar mankeert het niet aan).

Smart

Handig hoor, met een camper onderweg.
Maar sta je eenmaal op een camping, dan pak je dat bussie niet zo snel weer op om even een hapje te gaan eten bijvoorbeeld.
Geen probleem. Veel camperaars nemen (vouw)fietsen mee.
De laatste tijd zie je ook steeds vaker elektrische fietsjes of brommertjes achterop.

Maar het kan ‘smarter’.
Wachtend op de veerboot naar Arran ontdek ik in de rij deze combinatie.

All alone?

De camping staat vol met stacaravans.
Allemaal verlaten en afgesloten.
Op de deur van the office hangt een briefje:

Sorry there is no-one here.
Please pitch and we will see you later.

Ik laat het enorme grasveld links liggen, want ik durf het niet aan voor de tweede keer binnen een paar dagen stuck-in-the-mud te raken en parkeer op een verhard stuk grond naast het toiletgebouw. Niet bepaald het leukste plekje van de camping, maar in ieder geval met een stevige ondergrond.

Een uurtje later verschijnt de eigenaresse van de camping. Natuurlijk kan ik wat haar betreft op dit plekje blijven staan. En natuurlijk vind ze het goed dat ik mijn stroomkabel al heb aangesloten.
Ze kijkt me aan en de camper rond en trekt haar conclusie: ‘Just for the night? And all alone, are you? Gimme a fiver…’

Bah!

Vanmorgen maar eens een douche genomen.
Zei Nel tijdens vroegere vakanties niet regelmatig: ‘Je bent een vieze, oude man…’

Kamperen?

Camping oprijden. Handrem aan. Motor uit. Stroom aansluiten.
Want tsja: de laptop gaat aan, de telefoon moet nodig opgeladen, de video-accu kan wel wat stroom gebruiken, de koelkast kan op 220 en de elektrische waterkoker is ook wel handiger dan een pannetje op het gas.
Waar is de tijd gebleven (zo’n krappe veertig jaar geleden) dat ik kampeerde in een kruiptentje en kookte op een éénpits Campingaz-stelletje?

Lovely lady

Ik zit nog te ontbijten als er een autootje stopt bij de launderette waarnaast ik overnacht heb. Er stapt een elderly grey lady uit die naar m’n camper toekomt. ‘Bent u de man die een internetverbinding zoekt? Waarom?’ Als ik haar uitleg dat ik een weblog heb en die wil bijwerken om het thuisfront op de hoogte te brengen van mijn reiservaringen, is het haar duidelijk. ‘Pak je laptop maar en stap in. Ik heb internet in mijn stacaravan en dat mag je wel gebruiken.’ Ik laat de ontbijtboel de ontbijtboel, pak mijn laptop en stap bij haar in de auto.

Als ik haar overbemeten stacaravan binnenstap, verontschuldigt ze zich voor de mess. ‘Ik ben laat vanmorgen en het schiet niet op. Ik moet nog afwassen, mijn bed nog opmaken, douchen en ik heb om elf uur een lunchafspraak.’ Ze besluit haar verhaal met de Engelse klassieker: ‘Shall I put the kettle on? Do you fancy a nice cup of tea?’

Terwijl ik mijn laptop aanzet, rommelt ze wat in de keuken en kletst intussen honderd uit. Over haar medicijnen die ze nog moet innemen (waarbij ik het hele verhaal te horen krijg over haar bypassoperatie), over de trouwfoto van haar zoon en schoondochter op het kastje (she’s Asian and gorgeous), over haar man die op dit moment in Noorwegen aan het werk is en over hoe lang ze hier al staat (veertig jaar…).
Intussen vindt mijn laptop uiteraard een wireless netwerk (dat had ik gisterenavond al ontdekt en dat blijkt dus deze dame te zijn). Om verbinding te maken, heb ik een toegangssleutel nodig. Ze stopt met afdrogen en begint in allerlei mappen en boekjes te zoeken. We proberen verschillende wachtwoorden, maar geen van de combinaties blijkt te werken.
‘Weet je wat we doen?’, besluit ze, ‘je kunt gewoon mijn telefoonverbinding gebruiken.’ Ze trekt resoluut de vaste verbinding uit haar eigen laptop. Bingo! Ik heb internet! Jammer, dat mijn lady niet langer tijd heeft. Jammer, dat ze nou het juiste wachtwoord niet bij de hand heeft, want dan zou ik wat haar betreft in mijn eigen van kunnen internetten. Maar ja, het bed moet nog opgemaakt en die afspraak, hè? En ze moet ook haar was nog uit de machine halen. Ik pak m’n laptop weer in, ze trekt nog snel haar bed glad en brengt me terug naar mijn camper, waar mijn koffie inmiddels steenkoud is geworden. ‘Ik zal nog even bellen voor dat wachtwoord’, zegt ze als we uitstappen, ‘ik haal even mijn was uit de machine en dan kom ik terug.’

Nog voor ik een mok verse koffie heb gemaakt, stopt haar autootje alweer naast mijn camper. ‘Ik heb gebeld, maar ze kunnen me niet helpen. Maar weet je: in Brodick is een internetcafé. Daar kun je terecht. Sorry dat ik je niet van dienst kon zijn. Maar ik moet me nu haasten, want ik ben al veel te laat voor die lunchafspraak. Geniet van je verdere vakantie!’

Op een drafje loopt ze terug naar haar auto, start en rijdt weg.
Ik schenk koffie in en ga verder met mijn ontbijt, me ondertussen bedenkend aan hoeveel onbekende mensen ik thuis het wachtwoord zou geven van mijn eigen beveiligde netwerk.

Wegwezen!

Ik raak aan de praat met de enige andere camperaars die hier overnacht hebben. Ze staan op het punt te vertrekken. Hij gaat nog even z’n koffer-met-stront legen, zij staat met geld in haar handen om af te rekenen voor de overnachting. In ons gesprek komt ze er achter, dat ik een fiver heb betaald. Ze is verontwaardigd, want zij moeten £ 12,50 betalen!
Als haar man terugkomt (‘Ze hebben niet eens een stortplaats voor je chemische toilet! Ik heb het maar in de wc gegooid.’), beklaagt ze zich bij hem over dat ongehoorde prijsverschil. Elkaar in de rede vallend, geven ze af op de slechte faciliteiten van deze camping en op het feit, dat er niemand aanwezig is om af te rekenen. ‘Ze zou hier om negen uur zijn. Het is nu half elf. We willen weg!’
Ze kijken elkaar aan. Dan grist hij resoluut het geld uit haar handen en stopt het terug in zijn portemonnee. Zij kijkt me schuldbewust aan. Ze stappen in, wensen me nog een fijne vakantie toe en rijden zwaaiend de camping af.

Excellent choice

Als ik stop bij het tankstation kijkt de man bewonderend naar m’n camper. Terwijl hij mijn bussie volgooit met diesel roept hij zijn vrouw naar buiten. Samen proberen ze door de ruitjes naar binnen te kijken. ‘Als je wilt..’, begin ik. Ze hebben aan een half woord genoeg en binnen de kortste keren maak ik de deur open en bewonderen ze ook het interieur van mijn camper.
Eenmaal aan de praat, vraag ik waar ik hier in de buurt kan internetten. Dat blijkt heel simpel: een paar kilometer verderop is hotel Kildoran. ‘Ga naar de bar, zeg dat je wilt internetten en alles komt in orde’, zegt de pomphouder.

Hotel Kildoran ligt beneden aan de kust. Via een onmogelijk smal weggetje bereik ik de parkeerplaats en meld me -zoals uitgelegd- aan de bar. Internet? Maar natuurlijk! Geen gast van het hotel? Geen probleem! Wat het kost? Niets natuurlijk! Onze aansluiting is toch wireless, het kost ons niets extra, dus zoek maar een plekje om te werken met je laptop en ga je gang zolang als nodig is.

Ik bestel een large white coffee, nestel me in een hoekje van het zitje-bij-de-haard en werk m’n weblog bij. Als ik klaar ben (toch ook maar even mijn mail bekeken, vakantie of niet) en mijn laptop afsluit, besluit ik hier ook maar te lunchen. Als ik mijn bestelling opgeef, krijg ik van de waitress de tweede Engelse klassieker die dag: ‘Excellent choice, sir!’ (voor fish and chips notabene…).

Heb ik dat!

Stap ik uit, mis ik de treeplank en glij’ naar buiten. Met m’n broekriem blijf ik achter de handrem hangen. Mijn gewicht is meer dan de handle aan kan. Hij buigt naar buiten en trekt een scheur in het kunststof omhulsel. Shit! Splinternieuw bussie. Zal me m’n borgsom wel kosten.

Wilde nacht bij Corrie

Of er hier in de buurt een camping is, vraag ik aan de man met overgewicht, die net met zijn hondje een wandeling over het strand heeft gemaakt en nu -licht hijgend van de klim over de gladde stenen naar boven- naast mijn camper staat. ‘Een camping?’, hij trekt de hond naar zich toe die tegen me op wil springen, ‘een camping? Niet dat ik weet. Maar ik zie ze wel eens staan bij de townhall een stukje terug. Je moet het gezien hebben toen je er voorbij reed.’

Dat had ik inderdaad.
Vanuit mijn ooghoek had ik het gemeentehuisje links van de weg zien staan. Het liep al tegen vijven en bij het passeren, had ik al bedacht, dat dit mogelijk een geschikte plek zou kunnen zijn om eventueel te overnachten als er geen camping in de buurt zou zijn.
De opmerking van de man is voldoende om de knoop door te hakken. Ik draai mijn busje en rijd zo’n achthonderd meter terug. Op het parkeerplaatsje zet ik mijn camper neer voor de nacht. Rechts van me het gebouwtje van de townhall, links uitzicht over het spiegelgladde water van de Firth of Clyde met het vasteland nevelig in de verte. Daartussen de tweebaansweg. Welke camperaar gaat in vredesnaam op zo’n plek staan? Bermtoerisme!

Tutteldag

Niks bijzonders gedaan vandaag en toch de hele dag ‘bezig’ (het lijkt wel of ik thuis ben).
Laat vertrokken vanmorgen vanwege de lovely lady en de wanbetalers. Weblog bijgewerkt en geluncht in het Kildoran Hotel. En welgeteld 67 kilometer gereden.
Voor een groot deel heeft dat ook te maken met de wegen die ik uitkies. Ze zijn smal en vol potholes die ik zoveel mogelijk probeer te ontwijken (dit busje krijgt op z’n maiden trip toch al het nodige te verduren). Dacht ik dat de wegen op het mainland smal, bochtig en slecht waren, de eilandweggetjes van Arran doen er nog een schepje bovenop. Mijn snelheid komt hooguit op 60 km/uur, zo heel af en toe rijd ik in de vierde versnelling, maar overwegend schakel ik tussen de tweede en derde. En als je dan net een beetje op gang bent, is er weer een tegemoetkomende vrachtwagen of bus. Dat betekent (weer) uitwijken, (weer) de berm induiken en (weer) een dankbaar handje krijgen opgestoken voor de medewerking.
Lastig? Vervelend?
Absoluut niet, ik geniet. Kies niet voor niets dit soort weggetjes, al is er op dit eiland weinig keuze.
En wat is Arran prachtig. Wat is Arran schitterend!
In de folders wordt het eiland aangeprezen als ‘Schotland in het klein’ en daar is geen woord van gelogen. Het is ruig, stil en weids. Die stilte zal in het hoogseizoen wel verdwenen zijn, want het stikt hier van de cottages, B&B’s en hotels.
Tutteldag dus vandaag, maar genoten.
En ach, de rest van dit eiland ligt er morgen ook nog…

Vier agenten

Mijn eerste bestemming voor vandaag is Lochranza.
Daarvandaan vertrekt namelijk de ferry naar Claonaig, maar -belangrijker- daar bevindt zich ook de enige whiskydistilleerderij van het eiland: de Isle of Arran Distillery.

Al om half tien draai ik mijn camper het parkeerterrein van het bezoekerscentrum op. Je kunt maar op tijd zijn, nietwaar? Dat bezoekerscentrum gaat pas om tien uur open en de eerste rondleiding is om half elf. Eerst maar koffie dus met een Hollandse kanjerstroopwafel (leve zo’n alles-bij-de-hand-camper).

Zo vroeg in het seizoen, zo vroeg op de dag, ben ik om half elf de enige bezoeker.
Geen enkel probleem voor gids Ian: ik krijg een persoonlijke rondleiding enne.. of ik ouder ben dan 65, want dan krijg ik korting (…). Ian blijkt een prima gids: hij vertelt zijn verhaal zonder veel omhaal of breedsprakigheid. We hebben het eigenlijk veel meer over onze gezamenlijke voorkeur voor het ‘levenswater’ en ik maak ook kennis met de ‘mannen op de werkvloer’. Dat betekent: handjes schudden, vertellen waar je vandaan komt, uitleggen waarom je de distilleerderij bezoekt en merken, smaken en geuren uitwisselen. Iedere ketel, iedere schuif gaat voor me open en als Gordon -de voorman- in mij een medegenieter denkt te herkennen, trekt hij me met een samenzweerderige knipoog aan de mouw van mijn trui mee ‘naar achter’ waar hij zijn kantoortje heeft. Uit de onderste la van zijn bureau diept hij een flesje op, voorzien van een handgeschreven etiket. Van het aanrecht pakt hij een noser en giet daarin een stevige scheut uit zijn flesje. ‘Als je zo van whisky houdt, proef dit dan eens’, zegt-ie, terwijl hij me het glas aanreikt. Ik laat de whisky in het glas ronddraaien, nose voorzichtig en neem een slokje. Het is elf uur ’s ochtends en ik drink een Arran Single Malt die nog de hele dag in mijn mond zal blijven ‘nasmaken’. Goedkeurend kijkt Gordon toe hoe ik sta te genieten. ‘Elf jaar oud’, zegt-ie trots, ‘en 56% alcohol…’

Aan het eind van de rondleiding is er natuurlijk de onvermijdelijke bar en winkel. Ian trekt de deur naar de winkel achter ons dicht, want hij staat erop dat wij samen de verschillen ervaren tussen een single malt die gerijpt is op sherry-, cognac- of bourbonvaten. We hebben het reuze gezellig tot iemand zijn hoofd om de deur steekt om Ian te melden, dat de volgende rondleiding al had moeten beginnen en dat er bezoekers op hem staan te wachten. Nog nooit van mijn leven ben ik ’s morgens voor twaalven al zo stevig aan de whisky geweest en als we ons door de winkel haasten, heb ik nog een laatste vraag aan Ian: ‘Hoe streng is de alcoholcontrole hier? Ik moet nog naar de ferry‘.
‘Maak je geen zorgen’, is zijn antwoord, ‘de ferry is hier vijf minuten vandaan en controle? Ach, in deze tijd van het jaar zijn er welgeteld vier agenten in dienst op het hele eiland…’

Op de parkeerplaats rook ik nog een sigaartje en besluit toch maar eerst te lunchen in het restaurant van het Visitors Centre voor ik weer op pad ga. Ik bestel een Arran omelette with chips. Gelukkig ligt er ook een half doormidden gesneden tomaatje en een friemeltje sla op mijn bord, zodat ik voor vandaag mijn vitamientjes weer binnen heb.

Birthday Boy

Over drie dagen is zoon Frank jarig. Laat ik die jongen een kaart sturen…
‘Als u de kaart vandaag nog op de post doet, is hij zeker binnen een week in Nederland’, zegt de man achter het loket.
‘Binnen een wéék? Via airmail?’ ‘Zeker, sir, binnen een week. Via airmail…’

Boggy

‘Een camping?’. De man die uit de loods naar buiten is gekomen, steekt eerst op zijn gemak een sigaret op. Het is drie uur en ik heb geen zin nog veel langer achter het stuur te zitten.
‘Een camping? Je hebt de keuze uit twee. Je kunt hiervandaan een klein stukje terugrijden, linksaf de A83 op, bij de rotonde in Lochgilphead naar links, over de brug en dan ligt de camping meteen links. Midden in de stad. Ik schat zo’n 8 miles vanaf hier.’
‘En die andere camping?’, vraag ik. ‘Dan moet je deze single track road blijven volgen. Die rijd je bijna helemaal af en dan vlak voor het eind, bij Loch Fyne, ga je naar rechts. Daar is een mooie, rustige camping, middenin de natuur. Het is -pakweg- zo’n twintig miles hiervandaan. Half uurtje rijden dus.’

Ik had juist een behoorlijk stuk single track road achter de rug. Dat was me goed bevallen en die A83 en de stadscamping trekken me al helemaal niet, dus besluit ik de camping op te zoeken aan de oever van het loch.

In vergelijking met het vorige stuk van mijn route, is deze single track nog veel mooier: grote stukken voeren vlak langs het water, dan weer rijd ik door beboste gebieden en steeds die bergen op de achtergrond. Regelmatig moet ik even inhouden op een passing point om een tegenligger gelegenheid te geven te passeren.
Zowat halverwege sta ik plotseling oog-in-oog (bumper-by-bumper) met een bestelautootje en een dikke vrachtwagen. En natuurlijk overkomt me dat precies tussen twee passing points in. En natuurlijk is dat uitgerekend op een stuk weg met aan weerszijden muurtjes van gestapelde stenen met van die venijnige, uitstekende scherpe punten, waardoorheen takken met doornen steken. De bijrijder van het bestelbusje springt meteen uit de auto, komt naar me toe en begint zich te verontschuldigen: ‘Kijk, onze twee busjes kunnen nog wel langs elkaar, maar die vrachtwagen achter me, dat gaat niet lukken. Het is voor hem ook moeilijker om achteruit te gaan, dus als u zo vriendelijk wilt zijn?’ Natuurlijk wil ik dat wel, maar ik ben blij dat ik inmiddels aan de breedte en lengte van mijn camper gewend ben en al wat ervaring heb met achteruit manoeuvreren. ‘I will guide you‘, stelt de man me gerust en hij geeft me aanwijzingen hoe ik achteruit moet rijden: ‘Left! Left! Left. Straight on! Easy! Stop, stop, stop!’ Ik zie het muurtje steeds dichter langs m’n camper gaan en moet mijn linker buitenspiegel inklappen om de stenen niet te raken. De takken met doornen schrapen langs de zijkant. Centimeter voor centimeter kan de vrachtwagen langs me heen kruipen, nadat we allebei onze spiegels hebben ingeklapt. Met een zwaai, een grijns en een klap op de claxon vervolgen we ieder onze weg…

Na een krappe drie kwartier sla ik rechtsaf het pad naar de camping op. De beheerder stapt met een bezorgd gezicht zijn kantoortje uit. Of ik wil overnachten? ‘Nee, ik kom een koppie thee bij je drinken, nou goed?’, zeg ik in gedachten, maar hardop geef ik als antwoord, dat ik een plekje zoek voor m’n camper. ‘En hoe zwaar is die bus?’, vraagt de beheerder. Hij wacht het antwoord niet eens af.
‘Denk niet dat het gaat lukken. Weet je, het is nog zo vroeg in het seizoen (waar had ik dat eerder gehoord?) en de grond is door de vele regen van de laatste tijd nog heel erg boggy. Ben bang dat je erin wegzakt (waar had ik dat eerder meegemaakt?) en er niet meer uitkomt, want je hebt ook al geen dubbele wielen achter (???)’.
Wat ik ook probeer om toch ‘ergens op het terrein’, desnoods naast het toiletgebouw, te mogen staan, de man is niet te vermurwen. Ik geef het op. Dan maar naar die stadscamping.

De twenty-miles-same-single-track-road-back is beduidend minder leuk en minder mooi. Als ik na een uur (er was ook nog een opstopping onderweg) de loods weer passeer waar ik eerder die middag de weg heb gevraagd, staat dezelfde man weer buiten een sigaretje te roken. Als ik toeter en naar hem zwaai, steekt hij aarzelend zijn arm in de lucht en kijkt me verbaasd na.
En inderdaad, zoals het ‘sigaretje’ me al had uitgelegd, sta ik in minder dan een kwartier bij de stadscamping, waar het verkeer voorbijraast, maar wel met plekken met gravel. Ik zie voornamelijk onbewoonde stacaravans en rijd naar een rustig plekje in een hoekje van het terrein.

Als je op vakantie bent, vergeet je de dagen. Ik heb me niet gerealiseerd, dat het vandaag vrijdag is, het begin van het weekeinde.
Daar kom ik al snel achter. Als ik aan de koffie zit, komt de een na de andere volgepakte auto het terrein oprijden. Er stappen even zovele modale gezinnetjes uit met grote honden en kleine kinderen. Sommige van de kinderen zijn waarschijnlijk zo uit school geplukt, want ze lopen nog in hun uniformpjes. Tijd om zich te verkleden, gunnen ze zich niet. Vreemd gezicht om kinderen met overhemd en stropdas om je camper heen te zien voetballen en steppen.

En alle gezinnen blijken elkaar te kennen. Hartelijke begroetingen over en weer. En steelse blikken naar die ‘vreemdeling’ die daar in z’n motorhome achter z’n laptop zit. Een klein kereltje-met-helm stopt met z’n fiets naast de openstaande deur van m’n camper. Wat ik aan het doen ben, vraagt-ie.
‘Ik schrijf een verhaaltje’, antwoord ik naar waarheid.
‘Waarover?’
‘Over jou.’
Hij kijkt me even onderzoekend aan, haalt dan zijn schouders op en gaat er vandoor. Het gravel schiet onder zijn achterband vandaan.

Niet te filmen #1

Ook zo fijn: op de tegenwoordige campings hangt wc-papier op de toiletten.
Hoef je tenminste niet met zo’n rol film onder je arm de hele camping over…

Links-rechts

Binnen een paar uur ben je wel gewend aan het links rijden in Schotland. Maar als voetganger?
Na een week sta ik nog steeds naar de verkeerde kant te kijken als ik wil oversteken (en schrik me dan telkens rot als er ineens een auto van de andere kant komt aanrijden…).

Fully booked

‘Uw naam staat helemaal niet op mijn lijst.’
De geel-gehesde man van de ferry-terminal in Kennacraig loopt met zijn pen de lijst van passagiers na. ‘Heeft u wel geboekt?’
‘Natuurlijk heb ik geboekt. Ik heb hier mijn tickets voor de overtocht naar Islay. Die heb ik in Ardrossan al gekocht.’
De gele hes bekijkt mijn ticket, loopt nog een keer zijn lijst langs, mompelt iets onverstaanbaars en vraagt me dan met hem mee te gaan naar the office.
Behulpzame Catherine achter de balie is verontwaardigd, dat ze me in Ardrossan niet hebben verteld, dat ik voor de overtocht een reservering had moeten maken en legt me geduldig uit dat de boot van 13:00 uur fully booked is.
‘Geen probleem’, is mijn reactie. ‘Hoe laat gaat de volgende? Ik heb vakantie, dus alle tijd!’
‘Die tijd zult u nodig hebben, mijnheer. De volgende afvaart is om zes uur, maar ook die is helemaal volgeboekt. De paasvakantie is vandaag begonnen, dus het is heel druk.’
Ik slik maar in, dat Pasen al een paar weken geleden was (rare lui, die Britten…). Catherine werpt even een blik naar buiten waar mijn camper staat geparkeerd.
‘Wat ik voor u kan doen’, vervolgt ze, ‘is u onder voorbehoud boeken. Als er dan nog een gaatje is, kunt u mee.’
‘Met de ferry van één uur?’
‘Of die van zes uur. Of morgen. Of…’
‘Weet je, Catherine‘, onderbreek ik haar, ‘ik voel dat dit mijn lucky day is. Er is vast straks nog wel plaats voor dat campertje van me.’

Als ik het kantoor verlaat, knoop ik een praatje aan met een wachtende vrachtwagenchauffeur. Hij is niet bepaald blij en van zijn verhaal word ik ook minder vrolijk. ‘Het is een gekkenhuis met die vakantie’, zegt-ie. ‘Ik sta hier al vanaf gisterenmiddag. Heb hier op de parkeerplaats geslapen en kan nu eindelijk pas mee.’

Anderhalf uur later blijkt het inderdaad mijn lucky day te zijn. Zodra de ferry is aangemeerd en het boarden begint, schiet ik hier en daar een van de vele gele hessen aan die het verkeer op de boot regelen. Na een babbeltje met de chief-hes mag ik als allerlaatste de ferry oprijden en krijg ik een plekje vlak voor het grote luik. Als ik mijn spullen bij elkaar graai en mijn busje uitstap, krijg ik een applausje van de gezamenlijke hessen. ‘You’re lucky, mate’, zegt een van hen, ‘de meesten hier aan boord hebben al een maand geleden gereserveerd…’

Bobby Ketting

Aan boord van de ferry naar Islay schuif ik met mijn lunch aan bij een echtpaar op leeftijd. We raken in gesprek. Over hun en mijn plannen op het eiland, over hun en mijn kinderen en over ons werk. Ik maak er tegenwoordig een sport van de mensen te laten raden naar mijn beroep. De man tegenover me kijkt me even aan.
‘Je beroep?’, zegt hij nadenkend, ‘als je geen schrijver bent, dan zit je wel in het onderwijs.’ Als ik verbaasd beaam dat hij gelijk heeft wat het onderwijs betreft, glimlacht hij even. ‘Niet zo moeilijk hoor’, zegt-ie, ‘mijn vrouw was vroeger ook lerares. Ik ruik jullie soort op afstand…’
‘En mocht je op Islay problemen krijgen of iets nodig hebben’, vervolgt hij, ‘zoek me gerust op. Iedereen kent me. Vraag maar naar Bobby MacChain. Makkelijk te onthouden, want denk maar een wc!’ Terwijl hij dat zegt, maakt hij het gebaar alsof hij aan een ketting van de stortbak trekt. ‘En je bent van plan naar de camping bij Port Ellen te gaan? Mag ik je een advies geven? Niet doen! Veel te druk. Ga liever naar Port Charlotte, als je tenminste van een camping houdt die midden in de natuur ligt.’
Ik beloof zijn advies op te volgen en laat me bij aankomst op Islay naar Port Charlotte navigeren.

Van midden-in-de-natuur hebben Bobby en ik toch een andere voorstelling. Port Charlotte heeft een splinternieuwe camping. Zo nieuw, dat water en elektriciteit nog niet zijn aangesloten. En wederom zo boggy, dat ik op de parkeerplaats moet blijven staan.

Wel pal aan zee, maar het stormt en niet zo’n beetje ook. De golven hebben witte koppen en mijn busje staat te schudden.

Maar de mensen hier zijn vriendelijk, meer dan vriendelijk.
In het hagelnieuwe restaurant mag ik (net als bij vorige gelegenheden) gratis van hun internet gebruik maken. Er wordt een tafeltje voor me in de buurt van een stopcontact geschoven en als ik mijn laptop aansluit, komt de eigenaar naar me toe. ‘Ons wachtwoord is 4340696004. Schrijf dat even op. Als je je camper dan straks voor de deur zet, kun je eventueel nog verder internetten als we gesloten zijn.’

Oceaandepressie

Om vijf uur wakker geworden van de kou. De regen striemt op het dak van de camper. Het busje staat te schudden in de bulderende storm, die met een kracht 8 (in vlagen 9) vanaf de Atlantische Oceaan over het eiland raast. Diep onder mijn dekbed gedoken, wacht ik tot het een beetje licht is. Zonder me te wassen, schiet ik in mijn koude, klamme kleren, start de motor en parkeer in de luwte van het campinggebouw.

Er zijn nog drie andere kampeerders op de camping. Ik ontmoet ze in het sanitairgebouw. Sneu verhaal eigenlijk.
Het zijn veertigers en fanatieke bergbeklimmers. Dit weekeinde hadden ze uitgetrokken om op Jura twee bergen te beklimmen. Toen ze hier vrijdagavond aankwamen (na een rit van 200 miles vanuit Perth), bleek de pont naar Jura niet te varen vanwege de harde storm. Noodgedwongen hebben ze toen op deze camping hun kruiptentjes opgezet. Eén van die twee tentjes is in de nacht van vrijdag op zaterdag omgewaaid en is onherstelbaar kapot. Omdat de pont naar Jura (tien minuten overtocht) nog steeds uit de vaart is, moesten ze ook hun tweede nacht hier doorbrengen. ‘Hij’, zegt de man met de bril terwijl hij op zijn vriend wijst die zijn tanden staat te poetsen, ‘hij heeft in het tentje geslapen, hij daar heeft in onze auto overnacht en ik heb hier binnen geslapen. In de douche. Op de grond.’
Hij kijkt even naar buiten. ‘U heeft geluk, met zo’n camper’, zegt-ie zonder een spoortje afgunst, maar: ‘We keep on smiling! En er mag dan een beetje wind staan’, vervolgt hij met een twinkeling in z’n ogen, ‘het is gelukkig niet koud!’

Toen ik tien minuten geleden de motor van mijn camper startte, wees de buitentemperatuurmeter 20 C aan.
‘We gaan inpakken en terug naar huis. Jammer van die bergen. Maar we komen nog wel een keer terug. Fijne vakantie nog!’ Ze pakken hun bagage bij elkaar en lopen gekromd tegen de wind naar hun auto.

Ik zet de verwarming in mijn camper aan, maak een kop koffie en neem daarna een lange, hete douche in het behaaglijk verwarmde sanitairgebouw. Als ik daarna aan het ontbijt zit, gaan mijn gedachten toch even uit naar mijn grote, fijne, stevige, ruime, centraal verwarmde huis in Nederland. En toch. Toch sta ik bij het afwassen van de ontbijtboel te fluiten.

Eindpunt van de wereld #1

‘Als u toch hier bent’, zegt de waitress, ‘moet u beslist even doorrijden over de single track road naar Porthaven. Dat is het uiterste puntje van het eiland aan de Atlantische Oceaan. Het is daar prachtig. Het eindpunt van de wereld!’
‘Kan niet’, zeg ik, ‘het eindpunt van de wereld? Daar woon ik zelf.’

Boerenwijsheid

Ik moet toch stoppen voor een trekker die het verkeer tegenhoudt omdat er koeien over de weg lopen, dus kan ik net zo goed even de weg vragen naar de camping bij Port Ellen. In het stadje zelf had men mij de juiste richting opgestuurd ‘en daar moest ik maar even verder vragen’. Volgens de boer op de trekker is het hiervandaan eenvoudig te vinden: ‘Aan het eind van deze weg linksaf slaan, de eerste weg rechts nemen en die helemaal uitrijden tot je vlakbij de zee bent. Sla vooral nergens af, maar blijf rechtdoor gaan. Kan niet missen!’

Ik volg zijn raad op, beland op steeds smallere weggetjes en sta uiteindelijk aan de kust. Het laatste stuk weg is niet geasfalteerd en eindigt bij een boerderij. Ik twijfel of ik wel goed zit, maar er staat duidelijk een bord Campsite Kyntra. Verder is alles uitgestorven: geen tent, geen caravan, geen camper, geen mens.
Als ik beter rondkijk, zie ik even verderop toch een auto staan met twee mensen erin. Het blijkt een ouder echtpaar te zijn. Keurige Britten, met een keurige thermosfles en een krantje op schoot om daarin keurig de schilletjes van hun mandarijntje te verpakken. Nee, zij zijn ook niet bekend hier, hebben alleen maar een heerlijk stuk gewandeld, zijn lekker uitgewaaid en nu aan de lunch. ‘Maar’, zegt de vrouw behulpzaam, ‘even verderop heb ik wel een bord zien staan met ‘alleen toegang voor bezoekers van Kyntra‘ erop, dus waarschijnlijk moet u daar zijn.’
Ik stap weer in mijn busje en rijd de aangegeven kant op. De weg wordt een pad. Het pad verandert in twee diepe sporen vol regenwater en blubber. Als ik -ploegend door die geulen- een bocht omkom, zie ik 150 meter voor me een dicht hek. Omdat ik toch al angstig ben (weer) in de modder vast te lopen, draai ik m’n busje op een stuk grasveld dat er wel stevig genoeg uitziet. Terwijl ik voor- en achteruit manoeuvreer om te keren, doe ik inwendig een schietgebedje: ‘Laat me hier niet wegzakken! Laat me hier niet vastlopen! Niet op deze plek in the middle of nowhere! Eén keer is voldoende geweest!’ Met meer geluk dan wijsheid krijg ik mijn camper gekeerd. Ik stap uit en blubber naar het hek toe. Er hangt een bord aan, dat uitlegt dat op deze plek een wandeling van vier uur langs de ruige kust begint, met een handgeschreven papiertje erop gespijkerd, dat ik moet oppassen voor loslopende koeien die pas gekalfd hebben en daardoor agressief kunnen zijn. Geen camping dus. Heeft die boer me toch de verkeerde kant op gestuurd? Of ben ik fout gereden?

Als ik met m’n camper ben terug geglibberd naar de boerderij, beduiden de ‘mandarijntjes’ me even te stoppen. Ze hebben op de kaart gekeken en gezien dat er inderdaad op deze plek een camping staat aangegeven. Snappen doen zij het ook niet.
Ik besluit het voor gezien te houden, start mijn busje en rijd terug naar Port Ellen. Normaal gesproken zou ik dat plaatsje weer hebben verlaten, maar ik ben speciaal naar hier gereden voor een bezoek aan de distilleerderij van Lagavullin, die even buiten Port Ellen is gevestigd.

Onderweg terug naar Port Ellen loopt een man met een hond langs de weg. De camping? Nou, maar dan ga ik toch echt de verkeerde kant op, hoor! ‘De camping is inderdaad bij die boerderij waar u net vandaan komt’. verzekert de man me. ‘Op de binnenplaats zijn douches en toiletten, dus ga maar gerust terug!’
Makkelijk gezegd. Op deze single track road is het onmogelijk te keren. Dat doe ik bij de eerstvolgende afslag om daarna weer koers te zetten naar de ‘camping’. Halverwege staat ineens dezelfde boer die me de allereerste keer de weg heeft gewezen met z’n trekker in de berm. Hoe is die hier in vredesnaam terecht gekomen? Ik besluit mijn hersens er niet over te pijnigen en stop naast zijn trekker.
‘Weet u wel zeker dat ik op de goede weg zit naar de camping?’
‘Natuurlijk’, antwoordt hij, ‘je zit helemaal goed. Dat je er nog steeds naar op zoek bent! Aan het eind van deze weg is een boerderij en dat is het.’ ‘Maar daar kom ik net vandaan en daar is helemaal niemand te bekennen!’ ‘Wacht eens even, nu je het zegt, dat klopt. Er is inderdaad niemand, want ze zijn gisteren op vakantie gegaan! Maar je kunt er gewoon gaan staan hoor. Alleen alles is dicht, hè? Maar je bent een man. Je kunt toch wel één nacht zonder douche of wc?’
Ik onderdruk een (Engelse) verwensing, bedank hem en zet weer koers naar de afgelegen boerderij. Het mandarijnenechtpaar doet inmiddels een middagdutje in hun auto. Ik parkeer voor de boerderij en besluit hier dan maar ‘wild’ te kamperen.

Tijdens de lunch begint de plek waar ik terecht ben gekomen me steeds minder te bevallen. Als ik dan toch noodgedwongen wild moet kamperen, wat doe ik dan in vredesnaam hier? Het stormt nog steeds, ik sta zowat aan zee, het is er uitgestorven en troosteloos. Als er dan toch geen camping is, weet ik wel een betere plek om te overnachten.
Een normaal mens zou nu naar Port Ellen zijn gereden, zijn camper voor het eerste-de-beste hotel hebben geparkeerd en in een warm bad zijn gedoken. Eerlijk gezegd speel ik even met die gedachte, maar ik rijd door het plaatsje heen en sta een half uur later beschut op de parkeerplaats van de Lagavullin Distillery.

Had ik dat maar meteen gedaan in plaats van dik twee uur rond- en heen-en-weer te rijden op zoek naar een niet-bestaande camping. Dan had ik ook maar 30 kilometer afgelegd in plaats van de 85 die ik nu heb rondgetoerd.

Het is vandaag zondag en er zijn geen rondleidingen. De distilleerderij is wel in bedrijf en als ik mijn raampje open zou zetten, zou ik de Lagavulindampen op kunnen snuiven. Dat open raampje zit er vanmiddag niet in, want het stormt nog steeds, af en toe valt er een flinke bui regen en komt er ook sneeuw naar beneden. De temperatuur is inmiddels opgelopen naar acht graden.
Het doet er niet toe. Ik sta hier nu en ga niet meer weg.
Morgenochtend om half tien is de eerste rondleiding.
Lagavulin here I come!

Feest der herkenning

Gisteren op de Isle of Islay drinkwater getankt. Vanmorgen bij de ontbijtkoffie op de parkeerplaats van Lagavullin het feest der herkenning.
Wauw! Het drinkwater hier heeft dezelfde ‘turf-jodium-afdronk’ als mijn favoriete whisky (wel een stuk goedkoper…).
Kan ook zijn, dat ik het verkeerde water heb getankt. Er hingen twee slanghaspels. De eigenaar van de camping had nog uitgelegd waar de gele en de groene slang voor dienden, maar ik kon zijn Scottish-English niet goed volgen. Heb maar geknikt en de volgende ochtend die groene slang gepakt. Leek me wel een veilige kleur.
Anyway. In mijn medicijnbakje zit een doosje diarree-remmers…

Flauw excuus

7 april.
Zoon Frank is vandaag jarig.
Heb hem vanmorgen gefeliciteerd en mezelf na de rondleiding in de distillery getrakteerd door voor £ 170,– aan whisky in te slaan…

Praten we nog?

Ik kom het restaurant binnen dat bij de camping hoort.
Er zijn drie andere gasten, die ieder met een laptop voor hun neus zitten.
Ik klap mijn eigen laptop open en begin mijn blog bij te werken.
Komt er na een half uurtje een man binnen.
Hij kijkt rond, ziet al die drukke tiepjes met hun laptop, stapt op me af (why me?) en zegt: ‘Hallo, ik heet Steve. Zitten jullie hier nou met z’n vieren naar elkaar te mailen, in plaats van met elkaar te praten?’

Geloven we nog?

Als ik klaar ben met het bijwerken van mijn weblog, schuif ik met een ‘zin in een echt babbeltje?’ aan bij het tafeltje van Steve en zijn vrouw Sharon. Hun gisteren zes jaar geworden roodharige zoontje Bryan verbergt zich verlegen half achter zijn moeder. Hij fluistert wat in haar oor en zij schiet in de lach. Als ik vraag wat haar zoontje zei, antwoordt ze: ‘Bryan zegt, dat je op Santa lijkt…’ (waar heb ik dat eerder gehoord?).
Ik zet meteen m’n bril op het puntje van mijn neus, leg twee handen op m’n buik en schal ‘Ho, ho, ho!’ door het restaurant.
De ‘laptoppers’ aan de tafeltjes om ons heen kijken even op en kleine Bryan kruipt nog iets dichter tegen zijn moeder aan.
‘Je hoeft niet bang te zijn, Bryan‘, hoor ik mezelf zeggen, ‘kom maar even bij de kerstman.’
Bryan laat zijn moeder los, komt verlegen naar me toe en kruipt bij me op schoot als ik uitnodigend twee armen naar hem uitsteek.
‘En vertel eens, Bryan‘, zeg ik met een diepe stem, ‘ben jij het hele jaar braaf geweest?’
Hij knikt bedremmeld van ja.
‘En wat zou je graag van de kerstman willen hebben? Heb je een lijstje?’
Als ik Bryan serieus zie nadenken, besluit ik dat de act lang genoeg heeft geduurd.
‘Ik maak maar een grapje hoor, Bryan. Natuurlijk ben ik de kerstman niet. Het is april! Ik ben op vakantie net als jullie. Ik kampeer hier. Met een busje. Ik kom gewoon uit Nederland. Just kidding!
Hij laat zich van mijn schoot glijden en gaat verder spelen met de grote kist lego. Af en toe werpt hij nog een steelse blik op me.

Nadat ik met zijn ouders nog gezellig een kop koffie heb gedronken, nemen we afscheid van elkaar.
Terwijl zijn moeder hem in zijn jas wurmt en hem een warme muts opzet, blijft Bryan naar me kijken. Bij de uitgang van het restaurant draait hij zich nog even om en zwaait naar me.

Ik zit nog na te denken over dit voorval als zijn moeder weer snel het restaurant binnenwipt.
Ze komt naar mijn tafeltje toe en zegt: ‘Prachtig! Bryan gelooft er niks van dat je uit Nederland komt. In de auto zegt-ie net, dat hij aan opa en oma gaat vertellen, dat hij de kerstman op vakantie heeft gezien. En straks terug op school, nou ja, je begrijpt… Ik heb nog een verzoekje: zou je zo vriendelijk willen zijn even in de deuropening te gaan staan en naar ons zwaaien als we zo meteen van de parkeerplaats wegrijden?’

En ach, wat doe je dan?
Kleine moeite toch om zo’n little guy gelukkig te maken?

Milieubewust?

Ik ben de enige gast hier en heb het sanitairgebouw helemaal voor mezelf alleen.
Ik sta op een eco-camping. Alle bouwmaterialen zijn verantwoord en op energiebesparende maatregelen is niet beknibbeld. Zo wordt alle stroom geleverd door een eigen windmolen en een grote hoeveelheid zonnepanelen op het dak.
Gelukkig maar, dat ze hun stroom op die manier opwekken, want het is toch verrassend hoe snel je die na-het-douchen-even-snel-uitgepoedelde-onderbroek droog ‘föhnt’ onder zo’n automatische handendroger op het toilet…

Eindpunt van de wereld #2

Nog niet eerder in deze vakantie op zo’n kleine pont gestaan (die ferryman blijft maar met zijn hand wuiven, dat ik nog verder moet opschuiven; het is centimeterwerk). Nog niet eerder in deze vakantie zulke slechte, smalle en kronkelige wegen bereden (nauwelijks tijd om rond te kijken, het weggetje vraagt alle aandacht).
Maar dit is dan ook het eiland Jura: hemelsbreed nog geen vijftig kilometer lang, één dorpje, twee buurtschappen, wat verdwaalde boerderijen, één hotel, één distilleerderij (uiteraard), één winkel en één weg. In die ene winkel in dat ene dorpje sla ik even wat brood en fruit in voor ik verder ga op die ene weg. Want dat is het doel van mijn bezoek aan dit eiland: die enige weg op Jura loopt nog dood ook en precies daar, waar de weg ophoudt (en dus ook de wereld), precies daar wil ik staan en overnachten.

Na verloop van tijd ben ik helemaal alleen op de weg (een wat groot woord voor het lintje asfalt dat zich door de ruigte van Jura slingert). Ik rijd regelmatig over wildroosters, moet hekken openen en sluiten om door te kunnen gaan en word op een zeker moment door een bord gewaarschuwd, dat ik mijn eindpunt bijna bereikt heb: over drie miles eindigt de weg. Er is daar een piepklein parkeerplaatsje en als ik kom aanrijden, kijkt een stel koeien verstoord op. Welke idioot komt hier hun rust verstoren? Nou, ik dus! Ik parkeer achteruit en de koebeesten gaan onwillig een paar pasjes opzij. Ik stap uit (net niet in een enorme, verse vlaai) en kijk om me heen. Het is overweldigend: ruige heuvels met hier en daar wat koeien, in de verste verte geen huis te bekennen (het laatste huis heb ik een half uurtje geleden achter me gelaten) en vooral stilte, een oorverdovende stilte.

Onder de indruk maak ik een kop koffie en zit te genieten van deze prachtige omgeving als er een auto komt aanrijden.
Een auto? Welke idioot…
Het blijken vier ‘idioten’ te zijn. Ze zwaaien enthousiast naar me en ik groet wat afstandelijk terug. Verdorie! Ik wilde hier helemaal alleen zijn. Wat hebben die lui met hun Audi cabrio hier nu te zoeken? En wat zitten ze overdreven vriendelijk naar me te doen. Ben ik soms een bezienswaardigheid? Als ze hun cabriokapjes van hun hoofd doen, zie ik waar hun enthousiasme vandaan komt: het is het oudere echtpaar dat ik ontmoet heb op de veerboot naar Islay! Bobby MacChain, denk maar aan de wc! Dat wordt hartelijk handen schudden, kennis maken met hun twee dochters en er (hilariteit) maar niet over uitkunnen, dat wij elkaar nog eens zouden ontmoeten en dan nog uitgerekend op een plek als deze.

Bobby en zijn twee volwassen dochters zijn naar dit punt gekomen om te kamperen. Niet hier op het parkeerplaatsje, maar zeven miles verderop, waar -volgens Bobby– het echte eindpunt van de wereld is. Zijn vrouw is minder sportief en rijdt terug naar het hotel op het eiland, overnacht daar en pikt ze morgen op deze plek weer op. Uit de kofferbak worden grote rugzakken opgediept, ze eten nog een sandwich, Bobby bietst wat Dutch coffee bij me (‘completely forgotten, Frits, heb je ook thee?’), ze kussen moeder gedag en gaan op stap naar hun baai om daar te vissen en te overnachten. Ik heb bewondering voor Bobby: met z’n zeventig jaar sjort hij een rugzak om, pakt twee wandelstokken en gaat op pad.

Niet lang daarna sluit ik m’n busje af en begin ook het pad te volgen. Op weg naar Barnhill, het huis waar de beroemdste eilandbewoner van Jura, George Orwell, hier in 1948 zijn boek ‘1984’ schreef. Een tweede reden waarom ik uitgerekend hier ben aangeland. Dat huis wil ik met eigen ogen gezien hebben. Toegegeven, de wandeling erheen boezemt me wat ontzag in. Zes kilometer heen en zes kilometer terug, alleen maar om het voormalige huis van George Orwell te zien? Maar ik laat me niet kennen.
En natuurlijk valt het tegen, deze wandeling. Niet gewend aan wandelen (je zou me wat dat betreft lui kunnen noemen) volg ik het pad, waarbij iedere voetstap die je zet ongelijk is aan de vorige. Ruwe stenen met scherpe kantjes vormen de ‘bestrating’ en in de lage gedeelten staat het vol modder. Voorzichtig over de hopen koeienstront heenstappend, klauter ik heuvel op en heuvel af. Zes kilometer. En dan nog terug ook.
Natuurlijk heb ik de verkeerde schoenen aan met de verkeerde, te dunne zolen. Natuurlijk heb ik er niet aan gedacht een flesje water mee te nemen voor onderweg. En dat lichtgewicht camerastatief lijkt ook steeds zwaarder te worden. Achter iedere heuveltop verwacht ik Barnhill te zien, maar pas na anderhalf uur strompelen komt het huis in zicht.
En wat had ik nu graag geschreven, dat alle inspanningen de moeite waard waren, maar Barnhill is een boerderij, zoals er zoveel in Schotland zijn. Ik had net zo goed een van de vorige dagen onderweg kunnen stoppen en een willekeurige hoeve kunnen filmen. Geen bordje, geen uitleg, gewoon een huis (prachtig gelegen, dat wel), waar dus ooit George Orwell

Ik heb m’n plaatjes geschoten en ben teruggelopen naar m’n camper.
Er staan inmiddels nog twee auto’s geparkeerd. De inzittenden was ik onderweg tegengekomen. Van die sportieve types met bergschoenen, stokken en rugzakken. Met zo’n kloeke, onverschrokken, natuurvorsende, heldere blik in hun ogen. Bepakt en bezakt, maar stram rechtop lopend, die me in het voorbijgaan vriendelijk groeten, maar tegelijkertijd een wat meewarige blik werpen op die oudere kerel, die daar met een videocamera en statief loopt te zeulen. Ze zijn eveneens op weg naar Bobby’s place om daar hun tentjes op te zetten. Zij liever dan ik!

Doodmoe kom ik bij m’n bussie aan. Ik ben kapot. Mijn schoenen (één paar, waarom zou ik er meer meenemen?) zien er niet uit, mijn shirt is doorgezweten, mijn broekspijpen zitten onder de strontspetters. Ik zet de verwarming van mijn camper op de hoogste stand en drink achter elkaar twee flesjes water leeg. Eerst maar even zitten en daarna wat te eten maken. Het wordt erwtensoep. Uit een pak. Als ik de soep heb opgewarmd, ben ik nog te lui, te beroerd en te moe om een bord te pakken. Ik lepel de soep zo uit het pannetje naar binnen.

Vanavond ga ik vroeg naar bed en morgen (neem ik me voor) verzet ik geen poot meer dan nodig.
Ga lekker achter het stuurwiel van mijn bussie zitten. Kilometertjes maken…

Laatste krentenbol

Negen dagen ben ik nu onderweg en vanmorgen bij het ontbijt heb ik de laatste twee krentenbollen opgegeten. Krentenbollen, wel te verstaan, van mijn favoriete supermarkt die vroeger op de kleintjes placht te letten. Hollandse krentenbollen dus. Nu ik erover nadenk: ik eet en drink eigenlijk niet anders. Sapjes, flesjes, koek, snoep, koffie, melk, boter, zoet en hartig broodbeleg, beschuit, ontbijtkoek, you name it, alles nog uit Nederland. En -niet te vergeten- natuurlijk ook m’n potje-bruine-suiker-van-thuis! Moet daar iedere keer dat ik het gebruik een schepje uithakken… (hoezo, klam in die camper?)
Het enige dat ik vers koop zijn broodjes en fruit en voor de rest: al Hollands wat de pot schaft. Frits-de-reiziger is lekker op stap in Schotland! Alsof-ie zijn etenswaren van huis niet kan missen. Niets is minder waar, maar wel zo gemakkelijk. En bovendien: ik haal mijn ‘schade’ wel in bij de vele lunches en dagelijkse dinners in restaurants en pubs!

Oh deer!

‘Allemaal goed en wel’, zei ik gisteren tegen Bobby, ‘in alle boekjes staat dat Jura bekend is om zijn herten, maar ik heb er nog niet een gezien!’ ‘Dat ligt aan het tijdstip’, antwoordde hij. ‘Je overnacht hier? Wacht dan morgenochtend maar eens af…’ En hij kreeg gelijk.

Onvoorstelbaar, dat je ’s morgens je ogen open doet en op nog geen vijf meter van je camper een roedel herten ziet staan!
Ik krijg plotseling haast, wil geen minuut langer in mijn bed blijven liggen, schiet in mijn kleren, geef mezelf een ‘poezenwasje’, ontbijt haastig en start om tien over zeven (…) de motor. Ik kom ogen tekort: waar ik kijk, zie ik herten die met grote sprongen hoger de heuvels in verdwijnen bij nadering van mijn busje. Sommige blijven tot het laatste moment midden op de weg staan voor zij zich schichtig uit de voeten maken. Een geweldige ervaring.

Het is lastig mijn aandacht te verdelen tussen de mij omringende herten en de weg.
Niks relaxed lean back in de bestuurdersstoel, maar ingespannen voorover, bijna op het stuur, proberen de ergste potholes in de weg te ontwijken en de camper midden op de weg te houden. Vooral in de vele en smalle bochten was het ‘randje rijden’. Hoewel mijn camper beslist niet tot de grootste behoort, heb ik met m’n zes meter moeite ‘op het rechte pad te blijven’. Regelmatig voel ik in bochten de achterwielen rondblubberen in de berm en hoewel ik de heuvels schitterend vind, voel ik er niet veel voor met m’n bussie van diezelfde heuvels af te rollen of -de andere kant op- richting zee te glijden. Dan maar rustig aan (zoals iedereen hier). Dan maar anderhalf uur doen over een afstand van 46 kilometer. Maar hebben we haast?

Bij de welgeteld drie huizen die ik in de eerste drie kwartier passeer, staan vuilcontainers buiten aan de weg.
‘Zeker vuilnisbakkendag’, is mijn gedachte, ‘gelukkig ben ik lekker vroeg op pad, zodat ik daar geen last van heb.’
Nog geen vijf minuten later sta ik tegenover een grote vuilniswagen. Voor de zoveelste keer: rustig achteruit rijden en een passing place insteken, mijn tegenligger laten passeren en een vriendelijke hand opgestoken krijgen.

Plannen

‘My only plan is not having a plan’.
Hoe vaak heb ik dat zinnetje al gebruikt als mensen mij vroegen wat ik allemaal nog wilde doen in Schotland? In tegenstelling tot mijn uitgebreide voorbereiding thuis, laat ik veel van die plannen voor wat ze zijn en laat ik me leiden door het moment.

Zo ook vandaag.
Tegen negen uur kom ik aan bij de terminal van Askaig, waar ik het eiland Islay weer wil verlaten. Ik heb een ticket voor de overtocht naar Kennacraig op het mainland. Die afvaart blijkt vanmiddag om kwart over drie te zijn en de overtocht duurt twee uur.
‘Maar’, zegt de vriendelijke man in het kantoortje, ‘als u naar het mainland wilt, kunt u ook de boot van tien uur nemen. Die gaat niet naar Kennacraig, maar naar Oban, een stuk noordelijker. Die overtocht duurt vier uur.’
Omdat ik toch al van plan was vanuit Kennacraig naar Oban te rijden, laat ik mijn oorspronkelijke plan onmiddellijk varen. Ik ruil (zonder bijbetaling…) mijn ticket om en scheep in voor Orban. Vier uur aan boord, wel zo relaxed eigenlijk. Ze serveren een prima lunch, je kunt er je laptop inpluggen en de reisverhalen bijwerken en wie weet kan ik nog even m’n ogen dichtdoen, vanwege die extreem vroege start vanmorgen.

Mislukt

Hoeveel mensen heb ik inmiddels al ontmoet en gesproken?
En altijd even aardig, vriendelijk en hulpvaardig.
Maar er zijn uitzonderingen.

Aan boord van de veerboot was me een tafeltje gewezen, waar een stopcontact is en waar ik met m’n laptop kan werken. Nadat ik alles heb uitgepakt, merk ik dat mijn adapter nog in de camper ligt. Ik kijk om me heen. Er is maar een persoon in de ruimte aanwezig. Nors kijkt hij voor zich uit, af en toe een afkeurende blik op mij werpend. Hij heeft stug, strak achterover gekamd, grijs haar. Op zijn iets te forse, rood opgezwollen neus staat een bril met een dik montuur. Zijn handen liggen onverzettelijk op z’n wandelstok die tussen zijn knieën staat geklemd. Niet bepaald iemand om spontaan op af te stappen.
‘Neem me niet kwalijk’, begin ik vriendelijk, ‘bent u van plan hier nog even te blijven zitten? Ik heb iets in mijn auto vergeten en dat wil ik snel pakken. Kunt u in die tussentijd een oogje op m’n spullen houden?’
Hij verroert geen vin, kijkt me ook niet aan, maar blijft nors voor zich uitkijken. Omklemt alleen zijn wandelstok wat steviger. ‘Dat is het stomste wat je kunt doen. Je spullen onbeheerd achterlaten. Voor je het weet, is het gestolen. Je moet de mensen niet vertrouwen!’
‘Dat zegt mijn moeder ook altijd’, doe ik een poging het ijs te breken, ‘maar, please, het is maar voor even. Anders moet ik alles weer inpakken en heen en weer sjouwen.’
‘Je doet maar’, is alles wat-ie zegt.
Zo snel mogelijk haal ik mijn adapter. Het cardeck is al afgesloten, maar een aardige ferryman wil voor mij de deur nog wel even openmaken, hoewel dat ‘tijdens de vaart streng verboden is’.

Als ik een uurtje later klaar ben met m’n verhalen en alles weer heb ingepakt, spreek ik bij het verlaten van de ruimte de man nog een keer aan. Hij is noch van plaats, noch van houding veranderd. Ook zijn gezicht heeft nog steeds diezelfde norse uitdrukking.
‘Zo’, begin ik -tegen beter weten in en overdreven opgewekt- ‘ik ben klaar. Ik ga nu eerst beneden lekker lunchen en daarna buiten een sigaartje roken.’
In plaats van stuurs recht voor zich uit te kijken, draait hij nu zijn hoofd naar het raam.
‘Je doet maar!’, mompelt hij, van mij afgewend strak naar buiten kijkend, ‘je doet maar! En dan een sigaartje. Verbaast me niks. Ik rook je al van een afstand.’

Tegen de tijd dat we afmeren in Oban zit ik op een bank met m’n ogen halfdicht wat te dommelen.
Ik zie de man opstaan, zijn krantje in zijn zak stoppen en mijn richting opkomen. Ik sluit snel mijn ogen.
In het voorbijgaan geeft-ie met z’n wandelstok een ferme tik tegen mijn bank.
‘Zit je nog te slapen ook’, bijt-ie me toe, ‘dat bedoel ik nou….’

FRAGMENT UIT DE SCHOTLAND-FILM
(bekijk de hele video op: Frits filmt)

Mooie vrouwen?

\Bij aankomst in Orban staan twee mannen op het voordek met verrekijkers de omgeving af te turen.
‘Kijk, daar’, hoor ik er een zeggen, ‘dat is een mooie jonge dame!’
De andere man richt zijn kijker in de aangegeven richting, maakt ook een foto, haalt daarna een notitieboekje uit zijn tas en krabbelt er iets in.
Ik kijk ook die kant op, maar kan absoluut geen lovely young lady ontdekken. Wel scheren er vogels over het water.
‘Vogelaars waarschijnlijk’, schat ik de mannen in.
Als dit zich een paar keer herhaalt, wint mijn nieuwsgierigheid het van mijn beleefdheid.
Als de man weer iets in zijn boekje noteert, stap ik op hem af en vraag hem wat zij aan het doen zijn.
‘Wij verzamelen schepen. Daar maken we aantekeningen van en de mooiste zetten we ook op de foto.’
‘Maar ik meende zojuist iets op te vangen over een mooie, jonge dame’, zeg ik, niet helemaal overtuigd.
Hij glimlacht. ‘Daar bedoelen wij een mooi, nieuw schip mee. Wat dacht u dan?’
Ik houd wijselijk mijn mond, maar waarschijnlijk staat het ongeloof nog op m’n gezicht te lezen.
Hij pakt zijn boekje, bladert naar de laatste bladzijde en laat het me zien: ‘Ziet u wel? Datum, naam van de haven, soort schip en naam van het schip.’

Fish and chips

Ik bestel fish and chips. Als mijn bord gebracht wordt, vraagt de serveerster welke saus ik erbij wil en somt op waaruit ik allemaal kan kiezen. ‘Heeft u geen mayonaise?’, vraag ik haar. Nee, dat hebben ze niet, wel tartar sauce, da’s bijna hetzelfde’. Als ze me twee zakjes saus brengt, kan ze het niet laten een opmerking te maken: ‘Dat gaat u toch niet over uw chips gooien, wel?’. Ik bevestig dat ik dat inderdaad van plan ben en voeg de daad bij het woord. Met een vies gezicht kijkt ze naar de klodder slasaus die op mijn patat ligt. ‘Bah!’, zegt ze walgend, ‘jullie Hollanders zijn allemaal hetzelfde. Weten niet hoe ze chips moeten eten. Op chips hoort niets, helemaal niets en zeker geen tartar sauce!
Ze draait zich om, loopt naar de bar en begint daar onderdrukt met een andere waitress te kletsen. Haar collega kijkt mijn kant op, ook al met zo’n gezicht vol walging.

Bloody shit #1

Ik heb voor deze reis de videocamera geleend van mijn broer. Zo af en toe bekijk ik wat ik tot nu gefilmd heb. Ziet er redelijk uit. Jammer alleen dat ik bij sommige opnamen te beroerd ben geweest even het statief te gebruiken. Jammer ook dat ik het geluid niet kan beluisteren via de camera.
‘Vind ik echt een minpuntje van dit apparaat’, denk ik dan, ‘moet ik in de gaten houden als ik zelf een camera koop.’
Als ik een tweede bandje in de camera heb gestopt en daarvan de eerste opnamen bekijk, blijk ik plotseling wel geluid te horen! Zit er waarschijnlijk zo’n knopje op die camera, waarmee je de microfoon kunt in- en uitschakelen. Heb ik dat knopje in mijn onkunde natuurlijk per ongeluk aangeraakt bij het wisselen van de nieuwe tape, zodat nu pas de microfoon aan staat!
Bloody shit!
Heb nu letterlijk zestig minuten ‘stomme’ film!
En ik hoor het mijn broer al zeggen als ik weer thuis ben: ‘Maar we hebben het toch over de microfoon gehad? Dat heb ik je toch uitgelegd? En ik heb je toch ook de handleiding meegegeven? En waarom heb je dan voor je vertrok niet even een stukje proeffilm gemaakt? En dan nog wat: ik had je toch ook mijn statief geleend? Heb je dat thuis gelaten?’
Bloody shit!
En hij heeft nog gelijk ook.

Schoon

Hebt u dat nou ook?
Dat je in een sanitaire ruimte wilt douchen en dan eerst alle deuren opent om te kijken welke douche het schoonst/minst vuil is? (Wat overigens in nog sterkere mate geldt voor de toiletten) En dat je bij gebrek aan voldoende haakjes (er zijn er nooit genoeg) in diezelfde doucheruimte iets moet overwinnen om je kleren dan maar over het muurtje te hangen, omdat je het idee hebt dat ze dat randje nooit schoonmaken?

Vanmorgen een schone spijkerbroek klaargelegd om na het douchen aan te trekken. Het regent en de camping is een grote blubberzooi. Zonde van zo’n schone broek. Snel weer in het kastje terug gestopt. Later!

Getting older

Gisteren de hele camper overhoop gehaald op zoek naar mijn adapter.
Bij het opbergen gedacht: ‘Ik leg hem nu hier. Op dit vaste plekje. Hoef ik er nooit meer naar te zoeken.’
Vanmorgen drie kwartier lang alle kastjes, deurtjes, laatjes en luikjes open gehad op zoek naar dat handige, vaste plekje waar ik die adapter ook al weer had neergelegd…

Bloody shit #2

Balen, zwaar balen toen ik laatst mijn gemaakte video-opnamen terug keek. Een heel bandje zonder geluid opgenomen!
Of je leest de handleiding: ‘Om bij het afspelen het volume van de luidspreker te regelen dient u de motorzoomregelaar naar + te duwen om het volume te verhogen.’
Wat ben ik toch een….

Een brutaal mens…

Goedemorgen’, meld ik me aan de bar van het restaurant, ‘kan ik hier de lunch gebruiken?’
Natuurlijk is dat geen enkel probleem. De eigenaresse van de zaak kijkt me zelfs een beetje vreemd aan. Geen wonder ook: wie stelt er nu zo’n vraag als het restaurant vol zit met lunchende dagjesmensen?
Maar’, vervolg ik, ‘belangrijker nog: kan ik hier ook mijn laptop inpluggen en van het internet gebruik maken?’
Bij deze vraag twijfelt de vrouw: ‘Eerlijk gezegd hebben we zo’n verzoek nog nooit eerder meegemaakt. Ik weet eigenlijk niet of dat wel kan? Is dat gebruikelijk? En moet ik u daarvoor iets rekenen?’
Maar mevrouw’, reageer ik, ‘dan feliciteer ik u van harte! Want dit is voor u en uw restaurant een historische dag! Voor het eerst van uw leven heeft u een bezoeker die, voordat hij de lunch bij u gebruikt, even gaat internetten. Wat betalen betreft: in alle voorgaande restaurants en hotels was dat niet de gewoonte. Maar… u heeft hier toch wel een draadloos netwerk, hoop ik?’
Ja, ik geloof van wel, maar…’
Prima! Zegt u me dan bij welk tafeltje ik een stopcontact kan vinden, dan installeer ik me daar. Ik ga even mijn spulletjes pakken en wilt u dan ondertussen een lekkere mug white coffee voor me maken? Ik ben zo terug!’
Verbouwereerd wijst de vrouw me een tafeltje en tien minuten later heb ik contact met hun (onbeveiligde) draadloze netwerk en kan ik mijn blog bijwerken.

Als dank laat ik de keuze van de lunch helemaal aan haar over (voor wat hoort wat, nietwaar?). Met de kaart voor mijn neus, vraag ik haar me raad te geven voor een echte, originele Schotse lunch. En dan adviseert ze (de schat) niet eens het duurste van de kaart, maar stelt haggis met baked potatoe voor. En lekker!

Behaaglijk

Ik heb binnen- en buitenschoentjes meegenomen (ja, ja).
Ik bevind me in de Highlands, sta bijna tegen de sneeuwgrens aan en zet -als ik mijn camper heb geparkeerd voor de nacht- snel de verwarming op de hoogste stand. Mijn ‘binnenschoentjes’ (gewoon een paar van die goedkope linnen bootschoentjes), die nog klam zijn van de voorgaande nacht, zet ik elk voor een uitstroomopening van de verwarming. Vijf minuten blazen en dan… lekker!

Recept #1

Tot nu toe gebruik ik mijn lunch en avondeten zo veel mogelijk ‘buiten de deur’. Bevalt me prima. Het eten is over het algemeen goed en redelijk betaalbaar. Ook alweer zo’n change of plans. Bij het inruimen van de camper thuis had ik m’n snijplank, m’n vleesmes en zelfs een juslepel meegenomen… Da’s lachen! Moet er (nog) niet aan denken in dat kleine keukenhoekje, op dat kleine gaspitje, met dat kleine aanrechtje een heuse maaltijd te bereiden.

Omdat de lunch bij voorkeur (dus altijd) warm is, hoeft er bij een avondmaaltijd niet zo uitgebreid gekokkereld te worden als ik aan het einde van de dag besluit wild te kamperen, zoals vandaag, ‘ergens’ langs de B8074 aan de River Orchy. Geen restaurant in de buurt. sterker nog: geen bewoonde wereld in de buurt. Geen nood. Je doet een graai in de koelkast, gooit een en ander in de pan en ziedaar:

Eggs from the Highlands

Ingrediënten

– 3 vrije inloopeieren (AH)
– 2 eetlepels Bertolli vloeibaar
– 1 eetlepel Gulpener Limburgse mosterd
– 2 eetlepels Heinz sandwichspread naturel
– 2 white rolls (bij voorkeur een paar dagen oud)
– gezouten smeerbare roomboter (AH)
– ketchup (AH)

Bereiding

– verhit de vloeibare boter in de koekenpan
– breek de eieren en bak ze al roerend bijna gaar
– voeg de mosterd en de sandwichspread toe en verhit het geheel
– snijd de white rolls doormidden en besmeer beide helften dik met roomboter
– verdeel het eiermengsel over de halve broodjes
– naar smaak aftoppen met ketchup

En, ongelogen: heerlijk!
De afwas doen we al net zo eenvoudig: alle vuile vaat nemen we mee naar het snelstromende riviertje, waar we de boel omspoelen (scheelt weer water uit de tank). Voor we met de gespoelde vaat terugkeren naar de camper, doen we eerst nog een bruisende plas in hetzelfde riviertje (het is raadzaam het spoelen van de vaat en het plassen in de beschreven volgorde te doen…).
Terug in de camper maken we een klein, heet sopje en wassen nu echt af. Als we klaar zijn, dweilen we met datzelfde sopje ook nog even de vloer. Klaar is Kees: gegeten en alles weer schoon.
Morgen maar weer buiten de deur…

Dit verhaaltje gebruikte ik voor een van mijn columns in het blad Kampeerauto van de NKC.
Na publicatie reageerde een boze lezer met de volgende ingezonden brief:

Geachte redactie,
Ik lees Kampeerauto altijd met veel belangstelling, maar de laatste keer heb ik mij vreselijk geërgerd aan de camperkolom van Frits. Hij doet de vuile vaat in een snelstromend riviertje en plast er later ook nog in! Door met name de olie in de vuile vaat maakt hij veel dierenleven dood. De oppervlaktespanning verandert en schaatsenrijders en schrijvertjes verdrinken, doordat ze door de oppervlakte zakken. Vuil water moet je in de camper opslaan en op de daarvoor bestemde plaatsen lozen.

Recept #2

Een echte Schotse specialiteit?’, de waitress hoeft niet lang na te denken. ‘Ik raad u haggis aan.’
Voor wie het thuis ook wil klaarmaken, hierbij het recept.

De delicatesse haggis is het Schotse nationale gerecht.
In een oud kookboek wordt beschreven hoe haggis bereid dient te worden: men neemt de maag van een schaap, wast die grondig en keert hem daarna binnenstebuiten. Na hem gekookt te hebben in water het vel met een scherp mes schoonschrapen en daarna vullen met fijngehakt schapenhart, lever, luchtpijp en longen, vermengd met schapenbloed. Van de luchtpijp moet een deel bewaard blijven. Op smaak brengen met wat zout en veel peper.
Kook de gevulde maag gedurende vier uur in ruim water. De luchtpijp hangt men hierbij over de rand van de pan om ‘onzuiverheden af te voeren’.

Vertaald uit: Scottish Folklore by Isobel E. Williams, Chambers 1991

Recept #3

Nu we toch zo bezig zijn over lekker eten: vanmiddag gevraagd wat black pudding nu eigenlijk is. Op de naam afgaand, zou je denken met een toetje te maken te hebben, maar dat lijkt me onwaarschijnlijk, want ik sta bij een snackkraampje.

Black pudding?‘, zegt de man naast me, nog voor de vrouw van de kraam kan antwoorden, ‘black pudding! Heerlijk! Ik heb het vanmorgen nog op bij m’n ontbijt. Moet je zeker proeven.’
‘Maar wat is het dan?’, probeer ik.
‘Ja, wat is het? Het is heerlijk! Neem het nou maar!’
‘Verras me dan maar’, zeg ik tegen de ‘kraamvrouw’, ‘één black pudding.
‘Bacon erbij? Ei erbij?’
Ik kijk naar de man naast me. Hij knikt.
De vrouw legt een plak bacon op de bakplaat, breekt er een ei naast en pakt tenslotte de black puddingDie is bijna zwart en iets kleiner, maar wel dikker dan onze hamburger. Ze legt die zwarte lap bij de bacon en het ei.
‘Is dat een eh… black pudding?‘, vraag ik de man naast me, ‘wel erg donker, hè?’
‘Komt van al dat bloed natuurlijk’, antwoordt hij, ‘maar dat maakt hem nu juist zo lekker!’

Tien minuten later loop ik terug naar m’n camper met m’n broodje black pudding. Ik neem een eerste hap. De man heeft gelijk: het is heerlijk! Toch nog maar eens opzoeken wat er nu precies inzit. Misschien ook beter van niet.

Niet te filmen #2

Letterlijk en figuurlijk één van de hoogtepunten tot nu toe: de Highlands.
Adembenemend mooi, niet te beschrijven (laat ik dan ook aan de reisgidsen over).
Ik slaak hardop kreten van bewondering na zowat iedere bocht.
Ik blijf stoppen en met de camera m’n bussie uitspringen om het allemaal vast te leggen (zul je zien, dat het thuis maar een fractie weergeeft van de werkelijke grootsheid).

Praatstoel

‘Weet u, eigenlijk ben ik helemaal de eigenaar van deze camping niet.’
Ik had me gemeld in the office om mijn overnachting te regelen in Dunvegan op het eiland SkyeArchie had zich voorgesteld en uitnodigend op een houten stoel gewezen. Hij had duidelijk zin in een praatje.
‘De eigenaar van deze camping is de postbode hier in dit plaatsje. Maar hij is ook boer en dit is de tijd dat de schapen aan het lammeren zijn. Daar heeft-ie het heel druk mee. Kan eigenlijk niet van zijn boerderij weg, dus doe ik hem een plezier, bezorg de post en let een beetje op z’n camping. Ik ben al een poosje met pensioen, ik was politieagent hier, en zo’n camping runnen in het voorjaar is niet zoveel werk. Doe ik graag en dan kan ik vanuit mijn kantoortje ook meteen de eb en de vloed in de gaten houden.’
‘De eb en de vloed?’, doe ik verwonderd.
‘Ja, dat het allemaal op tijd gebeurt. En dat het elkaar netjes afwisselt. Anders zou het een zooitje worden, toch?’
Voor ik kan antwoorden, gaat Archie al verder.
‘U komt uit Nederland? Daar ben ik wel eens geweest. In Rotterdam. Ja, dat had ik bijna niet overleefd, want ik ben daar -veertig jaar geleden alweer- bij het oversteken van de straat bijna door een taxi aangereden. Ik keek naar de verkeerde kant, snapt u? En u? Hoe bevalt u het links rijden in Schotland? Lastig zeker?’
‘Och’, begin ik, ‘het is in het begin…’
‘Waar je hier op het eiland voor moet uitkijken zijn de schapen’, kletst Archie verder, ‘die steken zomaar de weg over! En een schaap op Skye, dat weet u toch, is een dier met een kop, een staart en twee paar ongelijke poten.’
Ik hoef alleen m’n wenkbrauwen maar te fronsen.
‘Ja, ik zie u verbaasd kijken: twee paar ongelijke poten. De twee aan de ene kant zijn langer dan die aan de andere kant. En nu weet u natuurlijk niet hoe dat komt, want u komt uit Nederland. En Nederland is een vlak land. Maar hier grazen de schapen op de heuvels. En om nou niet om te vallen, hebben ze dus ongelijke poten! En dan weet u waarschijnlijk ook niet hoe je zo’n schaap moet vangen. Dat is al heel simpel: dat doen wij met z’n tweeën. Jullie in Nederland rennen natuurlijk achter zo’n schaap aan. Wij niet. De een blijft beneden aan de heuvel staan, de ander loopt naar het schaap toe en draait het gewoon om. Dan komen die korte pootjes aan de verkeerde kant. Rolt dat schaap gewoon van de heuvel!’
Ik lach beleefd en complimenteer Archie met zijn prachtige uitspraak van het Engels.
‘Dat heb ik op school moeten leren. Ik ben geboren en getogen op dit eiland. Woon hier drie kilometer vandaan en thuis spraken we alleen maar Gaellic. Ik kende geen woord Engels. Maar toen ik naar school ging, mocht je daar alleen Engels spreken. Gaellic was verboden. Erg was dat in het begin. Moest ik naar de wc. Maar ik wist niet hoe ik dat moest zeggen. Ja, in het Gaellic, maar dat wilde de juf niet verstaan. Heb meteen die allereerste schooldag al in mijn broek geplast en er nog voor op m’n kop gekregen van die juf ook!’
Archie moet even op adem komen en ik grijp de gelegenheid aan hem te vragen waar je hier in de buurt een decent meal kan krijgen.
‘Dan kan ik u The Old School Restaurant aanbevelen. Prima eten. Heb ik al menige kampeerder naar toe gestuurd en nooit klachten gehad. Is hier drie minuten vandaan. Is vroeger een school geweest. En tsja, als u wat verder loopt (hij wijst in de verte), dat grijs-beige gebouw daar (ik deed maar of ik het zag) dat is een hotel. Prima restaurant, maar.. wel behoorlijk duur.’
Ik heb allang besloten naar The Old School Restaurant te gaan (alleen al om de naam), betaal mijn acht pounds overnachting en week me los van Archie. ‘Prettig met u kennis gemaakt te hebben’, zegt hij in de deuropening, ‘altijd gezellig, kampeerders die behoefte hebben aan een praatje…’

Uitzicht

Wat heb ik een geweldige plek: ik heb m’n camper zo geparkeerd dat ik uitzicht heb op het schitterende Loch Dunvegan met in de verte het eiland Harris. ’s Avonds geniet ik van de ondergaande zon die de heuvels rondom in een purperen gloed zet (ik hou’ wel van een cliché op z’n tijd).

Maar als ik de volgende morgen wakker word, is dat hele loch niet meer te zien: ijs op alle ramen! Heb ik bij mijn voorbereiding zo goed nagedacht over wat ik voor vier weken allemaal mee moet nemen. Maar een ijskrabber, nee, daar heb ik niet bij stil gestaan…

Douchegordijn

Op veel Schotse campings wordt de douche niet afgesloten met een deur, maar hangt er een plastic gordijn (gelukkig niet met zo’n alleraardigst bloemetjesmotief). Zo’n gordijn hangt er in mijn camper trouwens ook (ik vertik het dan ook in m’n bussie te douchen).
Kan iemand me uitleggen waarom zo’n stom, koud gordijn altijd tegen je lijf aanwappert en nooit eens de andere kant op waait?
Er is vast een logische, natuurkundige verklaring voor, maar doe geen moeite. Ik wil het eigenlijk helemaal niet weten.
Erger me rillend kapot aan zo’n gordijn.
Verboden moeten ze worden. Wereldwijd.
Lijkt me niet zo moeilijk daar een strenge wet op los te laten met harde sancties…

Dag-collega-dag

Ik had de man met zijn fototoestel al in de weer gezien toen ik naar de douche liep.
Een half uurtje later (ik sta net een schone broek aan te trekken) staat-ie bij m’n camper.
‘Goeiemorgen. Ook Hollander toch? Ik zag u net bezig met uw videocamera. Er zitten daar verderop een stel otters. Ben al dagen in de weer om ze op de foto te krijgen. Misschien dat u…?’
Eerlijk gezegd, interesseren die otters me geen klap, ik wil net gaan ontbijten, maar uit beleefdheid (zo’n man bedoelt het goed) pak ik de camera op en lopen we, zachtjes pratend om de dieren niet te verjagen, in de richting van de ‘otterplek’. Niks meer te ontdekken natuurlijk…
We raken aan de praat. Deze dertiger ontpopt zich als een wandelaar en enthousiast fotograaf, die al jaren op Skye komt en het eiland op z’n duimpje kent.
‘Ik zat in het onderwijs, weet u, maar na een paar jaar had ik dat wel gezien. Ik reis nu rond met dat busje daar. Ben gek op de mythen van Schotland en probeer alle plekjes uit die verhalen te bezoeken. Ik heb een laptop bij me en daar schrijf ik mijn belevenissen op. Over zo’n beetje alles wat ik meemaak onderweg. En u?’
‘Och’, begin ik…

En dan de vrouw in de camper, in de sneeuw bovenop de top van de Bealach na Ba Pass (Pas van de Koeien), aan wie ik vraag of ze een stukje video van me wil opnemen. Op 2053 feet hoogte heb ik een praatje met een lerares Engels…

Van haar

Van huis heb ik de bak-met-handdoeken-ooit-van-de-boot in de camper meegenomen.
Als ik een setje schone pak en ophang, zie ik op een van die handdoeken een lange, blonde haar van Nel.
Schiet helemaal vol. Sta te janken als een klein kind.
Bij alle plezier dat ik tijdens deze vakantie heb, realiseer ik me weer eens pijnlijk hoe onrechtvaardig het allemaal is…

Zaterdagavond

‘Zit daar niet zo alleen. Kom bij ons zitten!’
De man die me aanspreekt hoort bij een gezelschap van twee echtparen. Hij heeft net een nieuw rondje drinken gehaald en zet (ongevraagd) voor mij een pint Guiness op hun tafel. Op aanraden van een medekampeerder was ik in deze pub downhill beland. En ik moest -had-ie eraan toegevoegd- vooral de scallops proberen, want die waren daar voortreffelijk. Hij had gelijk: ik had zitten smullen van m’n jacobsschelpen en mijn maaltijd weggespoeld met een Guiness. M’n glas stond nog halfvol op mijn tafeltje, toen ik van het gezelschap naast me een nieuwe kreeg aangeboden.

‘Wij dachten dat u een local was’, reageren ze verbaasd, als ik vertel uit Nederland te komen, ‘vanwege de ruige baard en die haircut. Nederland dus? Mooi land. Ik heb daar -lang geleden- een paar jaar gewerkt. In Vlissingen. Bij de marine. Dan kent u misschien Henk Timmers wel. Dat was een collega van me. Aardige kerel!’
Ik doe maar geen poging uit te leggen, dat niet alle Nederlanders elkaar kennen (vreemde voorstelling van ons landje hebben veel buitenlanders toch). In plaats daarvan bied ik het gezelschap wat te drinken aan. We hadden inmiddels de bierfase achter ons gelaten en bij de bar haal ik twee G&T’s voor de vrouwen en drie drams (Maccallan had de man nadrukkelijk gezegd). Er wordt geproost op de kennismaking, op Schotland, op het mooie weer, op de vakantie, kortom de nodige drams worden naar binnen geslagen. Geen probleem, want het gezelschap is een weekendje-uit, de pub is tevens hotel, dus zij hoeven alleen de trap maar op naar hun kamer.

Het is zaterdagavond en stampvol in de pub. Tegen tienen komt er ook nog live music van Schotse traditionals en dat verhoogt de inname van drams alleen maar. Dubbele uiteraard en met een snelheid die ik nauwelijks kan bijhouden. Ga ik even naar de loo, kom ik terug, hebben beide mannen hun glas alweer leeg, zijn ze inmiddels aan hun volgende begonnen en staat er naast mijn nog halfvolle glas alweer een nieuwe. Beide vrouwen beginnen bezorgde blikken te werpen op hun echtgenoten en ik besluit het voor gezien te houden. Meer dan hartelijk nemen we afscheid van elkaar (wat ben ik toch een aardige kerel en wat is het toch gezellig en wat is het toch jammer dat ik nu al wegga).

Buiten adem ik eerst een paar keer diep de nachtlucht in, begin aan de beklimming van de heuvel terug naar de camping en duik meteen mijn bed in. Voor het eerst tijdens deze vakantie val ik in slaap zonder eerst nog een stukje te lezen.

Vreemde eend

De weinige medekampeerders op de doorgaans stille campings in deze streek zijn stuk voor stuk sportieve mensen. Ze slapen in onmogelijk kleine kruiptentjes, zijn ’s morgens om half acht al vertrekklaar, sjorren hun rugzak om en trekken de heuvels in. Of het zijn groepjes stoere motorrijders, ook al in van die kleine tentjes. Of ze bewonen zo’n trekkershut, opgebouwd van ruw houten planken. Allemaal very basic.
Als ik dan met m’n camper-met-alles-erop-en-eraan zo’n campsite kom oprijden, de stroomkabel uitrol, met m’n elektrische waterkoker een kop koffie maak en daarna m’n laptop openklap, kijken ze elkaar even aan. ‘Dat is geen kamperen meer’, zie ik ze denken, terwijl ze een stuk plastic op het natte gras voor hun tentje leggen om daarop te kunnen zitten. Hun kinderen komen al spelend steeds dichter bij mijn busje en werpen steelse blikken op die vreemde Hollander.

Zo vroeg in het seizoen zijn sommige campings wel open, maar een beheerder is soms niet aanwezig.
Geen probleem: je zoekt een plaatsje, sluit elektra aan, maakt gebruik van de sanitaire ruimtes (douches gratis), vult je drinkwatertank en vertrekt de volgende morgen weer.
Naast de deur van het kantoortje hangt een zogenaamde honesty box. Ik heb onderweg kleine envelopjes gekocht. Daar schrijf je je kenteken op wanneer je overnacht hebt. Je stopt het verschuldigde overnachtingsgeld in het envelopje, deponeert dat in de ‘brievenbus’ en je vertrekt…

Foei #1

De lounge van het restaurant is een ruimte met een piano, twee versleten banken en in een hoekje een tafel met een computer en een printer. Aan de muren hangen de wat treurige olieverfprestaties van een lokale kunstenaar. ‘Internet-toegang beschikbaar’ had er buiten op het bordje gestaan. Dat klopt: als ik een pound in de black box stop, kan ik mijn gang gaan, had de vrouw achter de bar gezegd.
Of het een draadloos netwerk is, vraag ik haar. Ze haalt haar schouders op, zegt dat ze van computers geen verstand heeft en dat ze er vandaag helemaal alleen voor staat, maar als ik problemen heb wel even iemand voor me wil bellen. Ik antwoord haar geen moeite te doen (ze heeft het al zo druk), zeg zo’n drie kwartier nodig te hebben en daarna te willen lunchen.

Mijn verhalen voor mijn weblog maak ik niet on line, maar dagelijks op de laptop in de camper. Hetzelfde doe ik met de foto’s. Als ik dan ergens onderweg een internetaansluiting heb, staat alles binnen de kortste keren op m’n blog. Vervelend dan ook, dat ik in dit restaurant alleen maar op hun computer kan internetten. Moet ik eerst de documentjes en de foto’s vanaf mijn laptop op een USB-stick kopiëren. Omslachtig!
Ik zet mijn eigen computer aan, pak m’n aantekeningen erbij en wil beginnen met kopiëren, als mijn laptop de mededeling geeft een draadloos netwerk te hebben gevonden. Onbeveiligd. In de andere hoek van de lounge staat de computer voor de gasten van het restaurant. Met de one-pound-black-box… Ik besluit mijn blog bij te werken op m’n eigen laptop.

Met een klein uurtje ben ik klaar, ruim mijn spullen op en ga terug naar de bar. Waarschijnlijk is de vrouw mijn aanwezigheid helemaal vergeten, want als ze me ziet binnenkomen, slaat ze haar hand voor haar mond.
‘U wilde lunchen, hè? Wat jammer nou. De keuken sluit om twee uur.’
Ik kijk op m’n horloge en zie dat het tien over twee is.
De vrouw put zich uit in verontschuldigingen, maar ik stel haar gerust.
‘Ik ben hier met een camper. Ik maak zelf wel even een lunch.’
‘Is het allemaal gelukt met internet?’, vraagt ze.
‘Prima hoor! Dank u wel en tot ziens!’

Op de parkeerplaats van het restaurant maak ik wat broodjes klaar.
Terwijl ik zit te eten, bedenk ik me hoe ‘trots’ ik was geweest om voor niks gebruik te maken van het draadloze netwerk van het restaurant.
Had ik toch maar eventjes een pound uitgespaard! Reken uit je winst: één euro en twintig cent. Ik steek toch wel raar in elkaar: nog diezelfde ochtend had ik bij het vertrek van een ‘onbeheerde’ camping £ 6,50 in de honesty box gestopt…

Foei #2

Zondagmiddag.
Nauwelijks verkeer op de weg.
Langs de Atlantische kust ligt voor me een lang, recht stuk tweebaansweg.
In de verste verte geen tegenligger te bekennen.
Achter me ook geen verkeer.
Na twee weken links ga ik ‘stoer’ een halve minuut op de rechter rijstrook rijden…

Foei #3

De camping in Scouri is keurig netjes. De plaatsen zijn wondermooi.
Zoals op iedere camping zijn er regels, maar hier in Scouri hangt het vol met briefjes. Briefjes met vermanende, soms ‘grappig’ bedoelde teksten, maar ondertussen wordt je wel duidelijk gemaakt hoe je je als gast dient te gedragen. Bij binnenkomst van de toiletruimte bijvoorbeeld wordt je uitdrukkelijk te verstaan gegeven, dat ‘voorbij dit punt’ geen heet water getapt mag worden om mee te nemen naar je plekje om de vaat te wassen. Een ander briefje wijst je erop ‘de deuren zachtjes te sluiten en vooral goed dicht te trekken’. En bij de (gescheiden) afvalbak voor plastic flessen, wordt je vriendelijk verzocht ‘de flessen plat in te leveren of op z’n minst de doppen eraf te halen.’

Maar het mooist is het levensgrote welkomstbord dat naast de deur van het kantoor hangt. Leuk, leuk, leuk en alles op rijm. Het vers loopt voor geen meter en het rijm is krom. Veel daarvan gaat verloren bij de vertaling. Een vertaling die ik zo letterlijk mogelijk heb gemaakt, zonder verfraaiing of verbetering (wie ben ik…).

Welkom op onze camping
Dames, heren, meisjes en jongens
Maar denk eraan dat na elf uur ’s avonds
We helemaal geen geluid willen horen!

Het gras rondom je tent is groen
En een lust voor het oog
Verhuis dus iedere zeven dagen
Want anders gaat het gras eronder dood!

En als het nat is neem dan moeite
Om te stoppen met graven van geulen
Van het bouwen van muren is mijn rug gebogen
Leg de stenen dus niet rond je tent.

De snelheid op de camping is 5 miles per uur
Bij snelheden daarboven verzuurt de relatie
Als de regen naar beneden komt en de lucht grijs is
Laat je wielen dan niet het gras openrijten

Tenslotte iets over de beste vriend van de mens
Die hoort aan de lijn
Helaas, wij hebben geen ‘honden uitloop’
Dus wandelingetjes graag op een ander veld.

En als je van je verblijf hebt genoten
Boek dan voor 12 uur voor nog een dag

Fijntjes, nietwaar?
Om één couplet van dit vers meer kracht te geven, hangt er naast het bord een schilderij in kleurpotlood. Ingelijst en wel en in de loop der jaren een tikkeltje flets geworden. Met moeite kan ik het jaartal lezen: 2000. De tekening laat een boze boer op zijn erf zien, die naar een passerende toerist-met-loslopende-hond met opgeheven, gebalde vuist schreeuwt: ‘Hé! Jij daar! Laat je hond niet tegen mijn hek pissen!’.

Een stukje bij mij vandaan staat een Engelse camper.
Ze hebben een hond, zo groot heb ik nog nooit een hond gezien.
Z’n kop komt op gelijke hoogte met het middel van de eigenaar.
Die boer mag wel uitkijken…

Hellingproef

‘U bent niet bang? Ga dan hier aan het randje staan en geniet van de zee!’ Natuurlijk ben ik niet bang. Ik ben een man, geen wally!

Ik parkeer mijn camper met de neus vooruit pal voor dat belachelijk lage, houten hekje dat de ‘afscheiding’ vormt tussen de camperplaats en de steil naar beneden lopende klif.
Perfecte plek! Recht vooruit de Atlantische Oceaan, bijna loodrecht onder me de rotsen waar de golven op stuk slaan.

Het camperplaatsje zelf loopt wat schuin af naar beneden. Dat merk ik aan mijn koffie die niet mooi ‘waterpas’ in mijn mok staat (daarom hebben die andere ervaren camperaars van die handige oprijblokken onder hun voorwielen…).
Bang? Welnee (nooit toegeven hoor!), maar ik ben de volgende morgen toch wel blij dat ik ooit bij m’n rijlessen de hellingproef heb moeten leren en beslist opgelucht als m’n busje zich -zonder naar voren te rollen- in zijn achteruit in beweging zet.

Hollands keerpunt

Net m’n voorraad onderbroeken geteld.
Hoef niet meer te wassen…

Grote boodschap, kleine ergernis

Op het toilet hangt weer eens een grote, ronde trommel met daarin zo’n enorme rol toiletpapier.
Niks mis mee als dat wc-papier niet zo flinterdun zou zijn. Scheurt al af als je er naar wijst.
Zal wel aan mij liggen hoor, maar dan sta ik weer met m’n broek op m’n hielen in zo’n tochtig hok in een onmogelijke houding van onder uit in die trommel te peuteren op zoek naar dat naar binnen geschoten einde van de rol.

Dunnet Head

‘Nee, John ‘O Groats is niet het meest noordelijke punt van Schotland, mijnheer!’
De vrouw in het tourist office pakt een kaart en wijst gedecideerd op Dunnet Head. ‘In Dunnet de borden volgen en vijf miles naar de kust rijden. Daar staat de vuurtoren en is ook een viewpoint. En meer is er niet.’
Meer hoeft er ook niet te zijn. Prima plek toch? Wie zou er niet willen overnachten?

FRAGMENT UIT DE SCHOTLAND-FILM
(bekijk de hele video op: Frits filmt)

Halverwege

Terugkijkend op twee weken Schotland kan ik tot geen andere conclusie komen, dat mijn trip aardig overeenkomt met wat ik thuis gepland had. In grote lijnen weliswaar, want een aantal van mijn plannetjes heb ik bijgesteld of laten vervallen. En eigenlijk was ook dat weer de opzet van deze reis. Ik heb weliswaar verschillende routes uitgestippeld en ruwweg volg ik die wel, maar ik wijk ook naar hartenlust van mijn plannen af. Dat kan komen door toevalligheden: ‘Wat staat er nou op dat bord? Leuk. Even kijken…’ Dat kan zijn door gesprekken met de plaatselijke bevolking of medekampeerders: ‘Nu je hier toch bent… Dat kan ook ingegeven worden door foldermateriaal in een restaurant of toeristenkantoor.

Waar ik met name niet aan toekom zijn alle dingen-die-je-beslist-gezien-moet-hebben, waarvan ik met behulp van boekjes, gidsen en internet thuis een respectabele lijst had gemaakt. Zo heb ik in de afgelopen veertien dagen welgeteld één kasteel van binnen gezien. Beroemde visitors centres laat ik fluitend links liggen. Toeristische hoogtepunten? Het zal wel.

Ik start tot nu toe iedere dag de motor en rijd weer de nodige kilometers. En ook dat is betrekkelijk: ruim 2300 kilometer heb ik er nu opzitten. Wat is dat nou gemiddeld per dag? (Wedden dat sommige lezertjes nu snel een rekensommetje maken?). Natuurlijk heeft dat geringe aantal kilometers alles te maken met het soort wegen dat ik berijd. Ik heb het al minder naar mijn zin als ik -zoals vandaag bijvoorbeeld- een poosje de A9 moet volgen. A-wegen met maar één cijfertoevoeging zijn eigenlijk ‘uit den boze’, want breed en dus saai. Het wordt pas leuk als mijn routeplanner bijvoorbeeld de B8104 aangeeft, want hoe meer cijfers hoe landelijker. Helemaal in mijn nopjes ben ik als mijn metalige Garmin-dame meldt: ‘Over 700 meter links afslaan naar Weg.’

Als ik m’n weblog nalees, moet ik een beetje glimlachen om de verhalen die ik in het begin over de single track roads schreef. Wat was ik daarvan onder de indruk! Nog steeds, want het blijven prachtige wegen, maar druk kan ik me er niet meer om maken. Alles went nietwaar? Net als de plaatselijke bevolking ‘scheur’ ook ik nu af en toe met een gangetje van zo’n 90 km/uur over die tracks. Dat heeft er ook mee te maken, dat ik me in een ander gebied bevind: de wegen zijn rechter (ik heb de bergen achter me gelaten), dus beter te overzien en ook de bestrating is beter. Een tegenligger zie je al van verre aankomen. En daarbij komt, dat die Schotten zulke inschikkelijke en rustige mensen zijn in het verkeer. Geen enkele moeite om even op elkaar te wachten bij een passing place. Maar ook in de stadjes niks agressie. Ik heb ‘de vinger’ nog niet gezien. Heerlijk! Zal waarschijnlijk wel anders worden als ik in meer stedelijke gebieden terecht kom.

En dan die schapen op en langs de weg. Oh, wat was ik daar in het begin vol van. Schakelde terug, remde af bij ieder stukje zuiver scheerwol in de berm. Dat is ook al over. De ervaring heeft me inmiddels geleerd, dat die stomme beesten letterlijk nergens van opkijken, hoeveel auto’s er ook langs komen. En mocht er een verschrikt wegspringen, dan is het altijd van de weg af, het land in (zul je natuurlijk zien, dat ik in de komende twee weken nou net dat ene debiele ADHD-schaap tref dat met z’n domme kop de verkeerde kant opspringt en op mijn bus knalt).

Ik maak dus geen kilometers, maar daar maal ik niet om. Haast heb ik mijn hele leven al gehad. Plannen maken moest ik altijd al. En doelstellingen? Ik hoef ze niet te halen. Ik toer (min of meer dus volgens plan) lekker rond, geniet van het land, stop voor een lunch, een kop koffie, bekijk een plaatsje (en het doet er niet toe welk) en ontmoet vooral en overal mensen. Kletsen. Praten. Ouwehoeren! En morgen? ‘Zo’n beetje die kant op…’

Het is dat ik regelmatig stroom nodig heb (…), anders reed ik ook alle campings voorbij. Overnachten in-het-wild is voor mij het einde! Vraag me niet waarom (want ik kan het toch niet verklaren), maar ik voel me nooit bedreigd, ben nooit gespannen op zulke ‘wilde’ plekken. Maar campingbezoek blijft af en toe nodig. Behalve de eerder genoemde ‘oplaadstroom’, het innemen van drinkwater, het lozen van de vuilwatertank en de koffer-met-stront, zal ik toch ook regelmatig moeten douchen, want die douche in de camper… daar kom ik later nog wel op terug. De campings bevallen me goed en hebben over het algemeen goede faciliteiten. Ik betaal tussen de vijf en vijftien pounds per overnachting. Of campings me ook in het hoogseizoen zo goed zullen bevallen, staat nog te bezien. Nu zijn er hooguit drie (vijf als het druk is) andere gasten, die net als ik op hun privacy zijn gesteld. De beheerders van de meeste campings zijn eigenlijk nog druk in de weer hun campsite op orde te brengen voor het echte seizoen. ‘Zoek maar een mooi plekje uit’, is meestal het advies als ik voor een nachtje arriveer met m’n bus.

Mijn bus.
Prima, en net groot genoeg. Ik moet er niet aan denken in deze camper met twee personen te moeten leven (daar moet ik natuurlijk juist wel aan denken, maar dat is een ander verhaal…). Nee, voor een man-alleen is dit prima geschikt, zoals gezegd: net groot genoeg. Natuurlijk moet je niks uit je handen laten vallen in die ‘natte cel’, want dan stoot je je aan alle kanten als je het moet oprapen. Natuurlijk heb ik meteen de eerste dag dat stomme douchegordijn hoog opgeknoopt. Natuurlijk moet je je tussen de twee voorstoelen doorwurmen als je vanuit het ‘leefgedeelte’ iets moet pakken uit het dashboardkastje. Natuurlijk moet je altijd zijdelings naar je bed lopen en natuurlijk is dat keukenblokje beslist aan de krappe kant als je echt wilt koken en afwassen. Of kan ik slecht improviseren? Ik erger me er in ieder geval niet aan, want er staat tegenover dat dit busje in het verkeer prima afmetingen heeft. Afmetingen die me in staat stellen de eerder geroemde weggetjes te berijden. Afmetingen ook die het in stadjes en dorpjes makkelijk maken te manoeuvreren en te parkeren. Maar wat mis ik bij dat laatste een achteruitrijd-camera of op z’n minst van die handige parkeersensoren. Ik doe nu wel of ik het busje ‘beter in mijn vingers heb’, maar soms is het meer geluk dan wijsheid. Parkeer ik achteruit in, stap ik uit, staat er ineens een boom op vijf centimeter van mijn achterdeuren…
Behalve die parkeeruitbreiding, betrap ik me er op, dat ik ’s avonds in bed stiekem lig rond te kijken en bedenk wat ik anders en beter zou willen. Het belangrijkste: ik zou rechtop in bed willen zitten (wel zo lekker bij het lezen). Maar ik zou vooral meer selfsupporting willen zijn, zodat ik minder afhankelijk ben van campings. Mijn eigen 220V bijvoorbeeld. In gedachten lig ik ‘mijn’ busje dan al in te richten. Terug in Nederland moet iedereen me maar flink tegengas geven om niet tot een (onverantwoorde?) aanschaf van een eigen camper over te gaan…

Nederland.
Nu ik het opschrijf, ben ik even terug in de realiteit.
Ik leef en denk de afgelopen twee weken totaal anders.
Als ik ’s morgens de motor start, geeft de display de dag en de datum aan.
‘Gôh, is het vandaag alweer woensdag?’, denk ik dan.
Ik heb nog geen krant gekocht (en dat voor mij!); ik weet ook niet wat er in de wereld gebeurt.
Af en toe heb ik de radio aanstaan, maar ik luister niet echt. Zo nu en dan vang ik flarden van het nieuws op (Schots, natuurlijk, want uiteraard heb ik wel BBC Scotland opstaan), maar het gaat voor een groot deel langs me heen. Het is een heel klein wereldje waarin ik leef. ’s Avonds verwerk ik mijn ‘belevenissen’ op m’n laptop, bekijk waar ik de volgende dag heenga en lees daar het een en ander over. Ik verveel me geen moment, geniet enorm en heb het gevoel of ik al tijden weg ben. En ik doe eigenlijk helemaal niks. Vreemde gewaarwording. Heb ik nog niet eerder in deze mate meegemaakt.

Op de helft dus.
Nog krap veertien dagen te gaan.
Hoor net van het ‘thuisfront’, dat mijn dochter naar China gaat.
Leuk voor haar (en eerder dan ik…).
Meteen als ik thuis kom, krijg ik een weekje de kleinkinderen te logeren.
Wel even wat anders dan dit losse, ik-zie-wel-wat-de-dag-brengt-vrijbuiterleventje dat ik nu leid, maar wel heel leuk!
‘Anders’, zou Nel gezegd hebben…

Gas

Daar had ik vroeger op onze boot al zo’n bloedhekel aan: op het meest ongelegen moment is het gas op!
Sta ik net te koken (een wel erg groot woord voor wat ik aan het doen ben…), dooft de pit. Het begint al donker te worden op deze ‘wilde’ en totaal onverlichte plek en ik voel er niets voor zonder warm eten, maar vooral zonder verwarming de koude avond in te gaan.

En -net als destijds aan boord- sta ik weer te prutsen met die gasflessen die maar net in dat kastje passen en waar ik dus niet goed bij kan. Net als aan boord zit de sluiting van de trekbandjes natuurlijk uitgerekend aan de achterkant (handig losmaken!). Ik zoek tevergeefs naar een passende steeksleutel in de van-alles-wat-voor-onderweg-krat die het verhuurbedrijf heeft meegegeven. Nog een geluk dat ik thuis er aan dacht mijn gereedschapskist van de boot mee te nemen. Ooit kocht ik speciaal voor de gasaansluiting een passende steeksleutel.

Natuurlijk (?) staat die gereedschapskist helemaal achterin de ‘garage’ van m’n camper. Alles eruit dus wat ervoor in de weg staat, sleutel opdiepen, aansluiting omzetten en weer klooien om die flessen terug in dat kastje te krijgen. Als ik in de schemering sta te tobben om die verrekte trekbandjes weer vast te maken, voel ik me -voor het eerst in veertien dagen- kwaad worden…

Toch wel snel eigenlijk, dat ik er in twee weken een volle fles gas van 12,6 kg doorheen heb gejaagd. Maar ook wel te verklaren: ’s avonds koelt het snel af en ’s morgens schommelt de temperatuur net boven het vriespunt. De verwarming wordt dus veel gebruikt. Nog een geluk, dat de koelkast nauwelijks aanslaat. Dat ik die eigenlijk nog aan heb op standje 1.

Niet te vreten

Voor nood, als ik geen boodschappen heb kunnen doen of er geen pub in de buurt is, heb ik een aantal kant-en-klaar-altijd-makkelijk maaltijden meegenomen.
Dit is zo’n ‘nooddag’ en ik diep uit mijn voorraad een zakje Knorr Orienty Nasi op. Toen ik het kocht, had ik alleen oog gehad voor de bereiding: de inhoud van het zakje in 400 ml kokend water strooien, roerend weer aan de kook brengen en nog vijf minuten laten nagaren. Makkelijk toch?
Terwijl ik wacht tot het water kookt, lees ik op de verpakking wat er eigenlijk in deze maaltijd zit (had ik ook in de winkel kunnen doen…): rijst dus en maar liefst 8% groenten. Verder sojasaus en specerijen. En smaakversterkers. En kleurstoffen.

Niet te vreten! Zelfs niet met een inderhaast gebakken eitje en een blikje opgewarmde, in stukjes gesneden knakworstjes erbij. Voldoende voor 1 à 2 personen staat er op de verpakking. Dat klopt. Het is voldoende, ruim voldoende zelfs. Aan de helft heb ik genoeg. Zin om de rest voor morgen te bewaren, heb ik niet…

Niet te vertalen #1

Ik overnacht bij de vuurtoren van Dunnet Head.
Om half acht ’s avonds komt er een bestelbusje aangereden.
Het rijdt het vuurtorencomplex op.
In het voorbijgaan lees ik op de zijkant de naam van de firma: Clear View

Slimme Frits?

Dat gedoe met die miles!
De hele dag zit ik afstanden, maar vooral ‘flitsbepaalde’ snelheidsbeperkingen om te rekenen van miles naar kilometers.
Na dik veertien dagen bedenk ik me dat ik mijn navigatiecomputer eenvoudig op miles kan instellen.
Wat een gemak! En wat slim van me…

De wet van Murphy

16 april 2008, 5:35 uur.
De houten picknicktafels op de camping zijn wit uitgeslagen. De voorruit van mijn camper is bedekt met een laagje ijs. Als ik koffie wil maken om de kou uit mijn lijf te verdrijven, komt er geen water uit de kraan. Bevroren leidingen? Is deze camper niet uitgerust met een winterpakket? De kachel vertoont kuren. Wil niet direct aanslaan. Kan gas bevriezen? Vaag herinner ik me een artikel over de verschillen tussen butaan en propaan.

Ik ben nog zo opgevoed, dat je ’s nachts geen kachel stookt en slaapt met het raam op een kiertje. Doe ik in de camper dus ook. Moet ik daar maar niet van afstappen? Ben ik misschien ook niet meer zo onmogelijk vroeg wakker, met een ijskoude neus-met-druppel die als enig lichaamsdeel vanonder m’n dekbed uitkomt…

De kachel is inmiddels aangeslagen en ik besluit eerst maar een hete douche te nemen.
Het bevroren gras knispert onder mijn voeten als ik rillend in mijn pyjamabroek naar het sanitairgebouw loop. Prima faciliteiten: de hele ruimte is verwarmd , maar vanwege het vroege tijdstip nog niet helemaal op temperatuur. De douches zijn ruim bemeten. Er zijn voldoende haakjes en er hangt zelfs een klerenhanger. Jammer van dat eeuwige gordijn, maar dat schuif ik opzij en prop het in de wasbak. Ik trek mijn kleren uit en druk op de knop om de douche in gebruik te stellen. De temperatuurregelaar zet ik in de hoogste stand. Buiten het gebouw hoor ik een diep brommend geluid, dat even aanhoudt en dan weer afslaat. Ik voel aan de waterstraal: ijskoud. Nogmaals druk ik de knop in. Weer dat brommende geluid. Weer afslaan. Nog steeds koud water. Zeker vijf minuten sta ik op die knop te hensen. Ik begin het steeds kouder te krijgen als ik daar zo in m’n nakie sta te modderen en overweeg al desnoods mijn kleren maar weer aan te trekken en het douchen over te slaan, als het brommende geluid aanhoudt en het water eindelijk warm begint te worden. ‘Kan gas bevriezen?’, vraag ik me voor de tweede keer die ochtend af.

Als ik terug kom in de camper is die inmiddels behaaglijk warm geworden. Ik probeer de waterkraan. Nog steeds geen druppel.
Ik controleer de inhoud van de watertank. De ledjes geven 25% aan. Vreemd. Gisterenavond heb ik nog gekeken of ik hier water moest tanken en toen stond de meter op 75%. Omdat ik zo’n iemand ben die ervan uitgaat, dat problemen zich wel vanzelf oplossen, besluit ik eerst maar eens op m’n gemak te ontbijten. Ik maak koffie met bronwater uit een flesje en zit om tien over zeven al aan tafel (het lijkt wel of ik naar m’n werk moet). Als ik de eerste hap neem van mijn beschuitje met vruchtenhagel (ik blijf dat in gedachten heel eigenwijs nog steeds ‘muisjes’ noemen, wat mijnheer De Ruyter ook bedenkt), als ik die eerste hap neem, brokkelt mijn beschuit uit elkaar en vallen de stukken op m’n bord. Wordt het zo’n dag?

Onder het eten denk ik nog eens na over het ‘waterprobleem’. Ineens schiet me te binnen, dat me bij de uitleg van het verhuurbedrijf iets was verteld over vorst en een veiligheidsventiel. Kwam de temperatuur op een kritiek punt, had de man gezegd, dan trad dat ventiel in werking en liepen de watertank en de boiler leeg. ‘Lastig hoor’, had-ie eraan toegevoegd, ‘dus als je slim bent, borg je dat ventiel thuis even voor je vertrekt. Met een knijper of zo’. Ik had het vreemd gevonden, maar ben een leek, dus zijn advies opgevolgd. ‘Misschien’, bedenk ik me, terwijl ik nog een plakje ontbijtkoek smeer, ‘is dat knijpertje er bij het hossebossen van m’n busje wel afgesprongen. Is de hele boel dus leeggelopen. Ik heb vannacht ook helemaal die boiler niet aan horen slaan. Vandaar’. Ik bedenk me ook waar dat ventiel zit: helemaal links achterin op een lastig bereikbaar plekje van de ‘garage’. Ik voel er weinig voor die hele garage in de matineuze vrieskou leeg te halen. Dat had ik twee dagen ervoor al gedaan bij het zoeken naar een passende steeksleutel en je moet de dingen niet overdrijven. Ik neem de laatste slok koffie. Eerst maar even afwassen en dan water tanken. Zul je zien: lost het probleem zichzelf op…

Voor ik van mijn plekje wegrijd, controleer ik (gewoontegetrouw) of ik ‘rijvaardig’ ben: koelkast op 12V en op slot, alle luiken en kastjes dicht en de losse spulletjes opgeborgen. Voorzichtig rijd ik weg naar het punt waar ik drinkwater kan tappen. Na zo’n meter of twintig hoor ik ‘plok!’. Plok? Ik kijk in mijn buitenspiegel en zie dat alleen de stekker van de 220V nog in de aansluiting van mijn bus steekt. Het losgerukte snoer ligt in het gras. Da’s waar ook: die had ik nog los moeten koppelen…

Ene Martin is zeer behulpzaam bij het watertanken. Hij rolt de slang voor me uit, draait de kraan open en blijft netjes wachten tot ik ‘stop’ roep. Een collega van hem die net komt aanlopen, kijkt bevreemd naar mijn camper. ‘U weet dat er water lekt?’, vraagt-ie aan me. Samen kijken we onder de bus. Het zojuist getapte drinkwater komt er net zo hard weer uitgestroomd. ‘Dus toch dat veiligheidsventiel’, denk ik. Dus toch die achterdeuren open. Dus toch die hele garage leeghalen. Dus toch naar dat onmogelijke hoekje achterin gekropen en… niks kunnen zien. Als ik weer buiten m’n bus sta en een ongelukkig gezicht trek, kruipt Martin naar binnen. Hij rommelt wat, hij friemelt wat en het lekken houdt op. Wat die loshangende knijper aan dat veiligheidsventiel te betekenen heeft, vraagt-ie me. Ik leg hem het verhaal van de verhuurder uit. ‘Ik zou hem er maar af laten’, zegt-ie schouderophalend, ‘daar heb ik nou nog nooit van gehoord en zo’n veiligheid zit er niet voor niets!’ Voor de tweede keer die ochtend vul ik de watertank. Nadat de lucht uit de leidingen is gesputterd werkt alles weer naar behoren. Bij het inruimen van de ‘garage’ zet ik de gereedschapskist vooraan… Om alle risico’s van nog meer tegenslagen te beperken, besluit ik (ik ben toch leuk bezig) ook maar meteen mijn chemisch toilet en de vuilwatertank te legen. Kan daar tenminste niks mee fout gaan.

16 april 2008, 9:40 uur.
Ik kan vertrekken! Geen slecht tijdstip als je bedenkt, dat ik om half zes al in de weer was.
Maar het blijft zo’n ochtend. Dus rijd ik (stom!) ondanks mijn navigatiesysteem bij het verlaten van de camping de verkeerde kant op. ‘Herbereking. Maak een U-bocht indien mogelijk’ blijft mijn Garminnetje maar tegen me zeggen tot ik gehoor geef aan haar irritante herhaling.
En als ik de A9 opdraai en nog geen mile heb gereden, komt me in vliegende vaart op mijn weghelft een brandweerauto tegemoet met gillende sirene. Nog maar op het laatste nippertje kan ik met een ruk aan het stuur een P inschieten en hem ontwijken. Op de P haal ik even diep adem. Kwart voor tien en al zoveel meegemaakt!

Ik ben op weg naar Culloden Moor dat op een half uurtje afstand van de camping ligt. Deze herdenkingsplaats van de laatste battle van de onafhankelijke Schotten tegen de Engelsen is onlangs voor een slordige 9,8 miljoen pounds totaal gerenoveerd en vanaf kerstmis weer open voor het publiek. Dat wil ik beslist gezien hebben!
Bij aankomst word ik door een gele hes naar een parkeerplek verwezen, trek een dagticket van vijf pounds uit de automaat en wandel naar de ingang. Ik zie opvallend veel keurige kostuums van deftige dames en heren om me heen en ook de nodige sophistocated Schotten in kilts. Bij de ingang staat een bordje: vanwege de herdenkingsdag van de veldslag (vandaag dus), gekoppeld aan de officiële opening van het nieuwe gebouw is Culloden Moor tot drie uur voor het publiek gesloten…

Als een dag zo begint en de ‘tegenslagen’ zich zo opstapelen, moet je eigenlijk wijzer zijn en verder niets meer ondernemen, zit ik te bedenken terwijl ik op de parkeerplaats het kapotte elektrasnoer repareer (nog een geluk dat ik wat reservestekkers heb meegenomen, want van de oorspronkelijke stekker is weinig over). Niks meer ondernemen dus? Ik denk er serieus aan zo snel mogelijk een camping op te zoeken, maar besluit toch door te rijden naar mijn tweede reisdoel van vandaag: Fort George.

En zie je wel? Alles gaat prima. Om half twee draai ik de (gratis) parkeerplaats op. Of ik mag filmen, vraag ik als ik een kaartje koop. En ook dat is toegestaan. Toch nog een happy end van deze dag!
Ik heb te vroeg gejuicht. Kon ook eigenlijk niet volgens mijnheer Murphy. Want als ik een paar stukjes heb gefilmd, knippert in de zoeker de tekst ‘tape end’. Bandje vol! Mijn tweede bandje. Hoeveel had ik er ook alweer meegenomen? Twee leek me ruim voldoende…

FRAGMENT UIT DE SCHOTLAND-FILM
(bekijk de hele video op: Frits filmt)

Mega!

Dacht ik bij de diverse Morrisons al in enorme winkels te zijn geweest, de filialen van Tesco overtreffen alles!
Te vergelijken met bijvoorbeeld de Mammouth in Frankrijk, maar dan nog een tikkeltje groter.
De dorpsjongen kijkt zijn ogen uit. Geopend: 24 uur, zeven dagen per week.
Het aanbod aan artikelen is overweldigend en bij de kassa moet je zoeken naar een caissière.
Het overgrote deel van de klanten scant zelf de boodschappen, heeft een klantenpas, pint daarmee en loopt tevreden (want niet duur en snel geholpen) naar de auto op de immense parkeerplaats.

Plek 9

‘U wilt één overnachting?’
Pat loodst me haar kantoortje in en pakt een formulier. ‘Dat is dan zeventien pounds‘. Zeventien pond? Zoveel heb ik nog niet eerder betaald. En zo bijzonder ziet deze camping er nu ook weer niet uit. ‘Maar och’, bedenk ik me, ‘ik zit in een ander deel van het land, dus de prijzen zullen hier wel hoger liggen.’ Maar het is niet alleen de prijs waarmee deze camping zich onderscheidt van alle voorgaande.

Pat is inmiddels druk bezig allerlei ‘belangrijke’ gegevens te noteren. ‘Wat is het kenteken van uw camper? Wat is uw naam? En wilt u dan zelf hier even uw volledige adres noteren?’ Allemaal zaken die me nog niet eerder waren gevraagd.
‘Zo’, gaat Pat kordaat verder, ‘dan krijg ik nu nog tien pounds van u als borg voor de sleutel van het toiletgebouw. Die krijgt u natuurlijk morgen terug als u weer vertrekt. En dan loop ik even met u mee naar buiten om u een plaatsje toe te wijzen.’
Borg voor een sleutel van een toiletgebouw? Toiletgebouwen waren tot nu toe altijd en overal gewoon open. En een plaatsje toewijzen? ‘Leuk, dat je er bent. Zoek maar een fijn plaatsje uit hoor. Plek zat!’, was meestal de begroeting op andere campings. Zo niet bij Pat. Met stevige stappen loopt ze voor me uit naar een stukje gravel. Ik ben de enige doortrekkende gast, er zijn zeven vrije plekken, maar Pat kijkt even speurend rond en wijst dan gedecideerd naar een van die lege plaatsen: ‘Number nine. Dat is uw plaatsje voor de nacht! En loopt u dan nu weer even mee terug naar mijn kantoortje, dan krijgt u daar de sleutel en legt mijn man u uit hoe alles werkt.’

Haar man blijkt een goedmoedige lobbes. ‘Neill‘, begint zijn vrouw tegen hem, ‘ik heb mijnheer hier plek 9 gegeven. Leg jij hem de rest uit?’ Ze overhandigt me een sleutel en ik loop met Neill mee, die in de richting van het toiletgebouw sloft. Hij blijft bij een deur staan. Wijst op een bordje: ‘Nou, kijk, dit is dus voor de heren’. Ik kijk. Het is duidelijk. Met grote letters geeft het bord aan dat deze ruimte bestemd is voor male, hommes en Herren. ‘En dit is het slot. Voor uw sleutel.’ Ja, ik ben niet gek! Begrijp ook wel waar een sleutel voor dient. Als Neill geen aanstalten maakt verder te gaan en we daar samen al een tijdje ongemakkelijk voor die dichte deur staan, krijg ik een ingeving. Het zal toch niet zo zijn dat… Ik kijk Neill aan die me bemoedigend toeknikt. ‘Wil je dat ik de sleutel in het slot steek en de deur openmaak?’, vraag ik verwonderd. Neill knikt alleen maar. En in plaats van te steigeren en hem te vragen of hij soms het idee heeft met een randdebiel te maken te hebben, stop ik braaf -onder de goedkeurende blik van Neill– de sleutel in het slot en doe de deur een stukje open. Neill is tevreden en we lopen verder.
‘En wat zit hier dan achter?’, kan ik (gemeen…) niet nalaten te vragen als we een deur passeren met het bordje female, dame en Damen. ‘Da’s voor de dames, hè’, legt Neill uit. ‘En die hebben natuurlijk een andere sleutel’, begrijp ik. Voor Neill er erg in heeft, open ik snel de damesdeur met mijn ‘herensleutel’. Dat valt me nou een beetje tegen’, kan ik (nog gemener…) niet nalaten te zeggen, ‘dezelfde sleutel. Vervelend. Dus als ik lekker sta te douchen kan er zomaar een female bij mij naar binnen stappen? Bah!’ Neill haast zich me uit te leggen, dat ik daar niet bang voor hoef te zijn (ik ben toch de enige passant) en kijkt tersluiks naar zijn vrouw die het kantoortje is uitgekomen en vorsend in onze richting kijkt. In haar tuintje gaat ze een beetje in de weer met bloembakken…

Haastig ineens neemt Neill me mee naar plek 9, laat me zien waar het stroompaaltje staat (jòh…) en legt me uit hoe ik het best kan inparkeren. Ik mag zelf kiezen of ik links of rechts van het paaltje ga staan… Mijn camper staat nog geen vijftig meter verderop. ‘Stap maar in’, zegt Neill, ‘en rijd maar achteruit, dan geef ik wel aanwijzingen’
‘Wat gaat mijnheer doen, Neill‘, roept Pat vanachter haar bloembakken.
‘Hij rijdt even een klein stukje achteruit, dear, om bij z’n plekje te komen.’
‘Maar we hebben hier toch eenrichtingverkeer, Neill. Als mijnheer achteruit rijdt en er komt iemand aan, dan hebben we problemen.’
Nu zijn er welgeteld drie mensen op de camping: het beheerdersechtpaar en ik. Zelfs op de weg die langs de camping loopt, heb ik na mijn aankomst nog geen auto voorbij zien komen.
‘Maar ik sta hier toch’, probeert Neill nog zwakjes, ‘er komt helemaal geen verkeer aan en ik let wel even op’
‘Verkeer? Wat dacht je van voetgangers, Neill? Als mijnheer die aanrijdt?’
Ik krijg medelijden met Neill, hak de knoop door en stap in mijn busje. ‘Ik rijd wel even een rondje over de camping, hoor’, zeg ik door het open raampje tegen Pat, ‘geen enkele moeite!’

Ik maak m’n rondje over de uitgestorven camping en keer bij plek 9 terug. Pat heeft zich inmiddels bij haar man gevoegd en samen kijken ze toe hoe ik mijn busje op het gravel parkeer. Als ik uitstap, kan ik een brede grijns niet verbergen.
‘Waarom lacht u zo?’, vraagt Pat me.
‘Omdat het hier zo keurig is. Zo netjes. Zo met regeltjes’, antwoord ik naar waarheid.
‘Ja, daar zijn wij hier erg op gesteld en dat willen we ook graag zou houden, nietwaar Neill?’
Neill kijkt me even aan, maar geeft geen antwoord. Dat wordt ook niet van hem verwacht.
‘Kom Neill, we hebben nog meer te doen! Mijnheer, ik wens u een prettige overnachting!’ Pat draait zich om en beent in de richting van het kantoortje. Neill werpt een nieuwsgierige blik in mijn busje.
‘Mooie camper hebt u…’, begint hij.
Pat draait zich om. ‘Neill?’
Neill kijkt me aan, mompelt ‘goedenavond’ en sloft richting kantoor…

Klote!

Om vooral het met zorg gekoesterde grasveld van Pat en Neill niet te beschadigen, steek ik ’s morgens bij m’n vertrek heen en weer op het stukje gravel. Bij dat gepiel raak ik de paal met de elektriciteitsaansluiting. Neill komt meteen druk gebarend zijn huis uit. Pat gluurt in haar ochtendjas door een spleetje van de gordijnen.
Ik overzie de schade. Kijk naar de paal. Kijk naar mijn splinternieuwe bus: een dikke deuk en de nodige diepe krassen.
Voel me opgelaten. Voel me rot. Kan wel janken.

Ik blijf me ‘katterig’ voelen ook als ik eenmaal op weg ben.
Vind ineens de route niet meer leuk. Interesseer me niks voor plaatsjes waar ik doorheen rijd.
Zit eigenlijk alleen mezelf maar uit te kafferen en heel erg in de weg.

Vlak voor Aberdeen, parkeer ik bij een hotel voor de lunch.
Op aanraden laat ik mijn camper daar staan en neem de bus naar de stad. Heb van die hele stad alleen Union Street gezien, een winkelstraat van een mile, die ik op- en neergelopen heb. Ik zag bordjes die verwezen naar allerlei bezienswaardigheden, maar het kon me niet boeien.

Terug bij het hotel besluit ik impulsief een kamer te nemen en mijn camper te laten voor wat hij is. Laat me lekker verwennen, met alles erop en eraan.
Zeer ruime kamer met bank, zitje, werktafel en kingsize bed, badkamer met douche en bad (en een wc die je gewoon kunt doortrekken…), thee en koffie op de kamer, televisie aan het voeteneind. Ruim vijf keer zo duur als de camping bij Pat en Neill. Interesseert me niks. Heb ook het dure all-you-can-eat ontbijt erbij genomen. En ga straks ook uitgebreid dineren.

Mijn katterige gevoel wordt er niet minder van…

Aardig #1

In het restaurant bestel ik een kop koffie. Of ik ook kan internetten?
De jongeman achter de bar kijkt bedenkelijk. ‘In het hotel hiernaast -die deur door- wel, maar ik ben bang dat het signaal hier te zwak is.’
Als hij me de koffie komt brengen, stellen we samen vast, dat ik geen bereik heb. ‘Ik ga wel even in het hotel informeren’, zeg ik, ‘ben zo terug.’ De informatie in het hotelgedeelte is nogal uitgebreid en het duurt allemaal langer dan ik had ingeschat.

Terug in het restaurant zie ik dat mijn koffie van m’n tafeltje is verdwenen. Als ik aan de bar vraag of iemand mijn kopje soms heeft afgeruimd, krijg ik als antwoord: ‘U bleef zo lang weg, dat uw koffie stond koud te worden. Ik maak meteen een verse voor u!’ En als ik even later ga afrekenen: ‘Dat is dan één koffie. Eén pound veertig alstublieft.’

Bus heen

‘Union Street, please.’
De chauffeur van de bus wijst vanachter zijn plexiglazen scherm op een gleuf waar ik £ 1,80 moet ingooien, waarna er een ticket wordt geprint. Ik stop een muntstuk van twee pond in het apparaat, pak m’n ticket en wacht op het rinkelende geluid van mijn wisselgeld. Dat komt niet. De chauffeur sluit de deur achter me en trekt op.
Ik plof neer en vraag aan de man naast me hoe dat zit met wisselgeld. ‘Dat krijg je niet’, zegt-ie, ‘je moet gepast betalen. En doe je dat niet, dan is de rest voor de company…’

Bus terug

Als ik instap, is de bus al redelijk gevuld met passagiers. Ik loop naar achteren, maar kom niet ver.
Er staat iemand op, die mij met een vriendelijk gebaar zijn plaats aanbiedt. Ik zie het bordje boven de stoel: ‘Bestemd voor oudere personen’. Als ik vriendelijk en beleefd (gekrenkt?) weiger en even later achterin zit, moet ik denken aan een tekst van Peter Koelewijn:

Je wordt ouder, papa, geef het maar toe
Je wilt nog wel, maar bent sneller moe

Je wordt ouder, papa!

Tsja…

Doorstart

Ik heb niet voor niets in het hotel gekozen voor het all-you-can-eat ontbijt. Als de waitress mij een tafeltje heeft toegewezen en met pen en papier klaar staat om mijn bestelling op te nemen, ga ik er helemaal voor. Kom maar op!
Hoe mijnheer zijn ei wil? Nou, doet u maar scrambled.
En hoeveel worstjes? Vier! Bacon? Drie plakken! Tomaten? Natuurlijk! Champignons? Toe maar! Bonen in tomatensaus? Zeker! En of mijnheer bij dat alles dan ook nog pap wenst? Wat dacht u!
Terwijl mijn bestelling wordt klaar gemaakt, hap ik -staande bij het buffet- alvast een muffin weg, overzie goedkeurend de rest van het ontbijt, schenk koffie en sap in en rooster een boterhammetje. That’s life!

Nog voor achten stap ik in m’n camper, die ik een nacht ontrouw ben geweest en voeg me bij de ochtendspits van Aberdeen. De man aan de bar gisterenavond heeft gelijk: als je in een vreemde stad bent, kun je inderdaad het beste tijdens het spitsuur rijden. Het verkeer schuift dan maar langzaam de stad in en ik heb alle tijd situaties op m’n gemak te overzien. Bovendien houden die Schotten zich keurig aan de regels. Rijden precies de maximumsnelheid van 30 miles per uur. Zijn ze zulke heren in het verkeer of ligt het aan de vele camera’s? Mijn Garmin-lady waarschuwt me namelijk onophoudelijk voor flitspalen.

Na twee dagen langs de noordwestkust te hebben gereden, besluit ik die route voor gezien te houden. Het is mij te saai, de wegen zijn me te druk, er is de nodige industrie en de bevolking is ook wat stugger. Als ik na drie kwartier Aberdeen achter me laat, sla ik linksaf een binnenweggetje in. In de verte doemen de heuvels op, voorbodes van het Highland waarnaar ik weer op weg ben (maar nu vanaf de oostkant). Het wordt al snel stiller op de weg en het landschap ruiger. Als ik weer schapen in de berm zie, moet ik even glimlachen. Nooit gedacht dat ik nog eens een schaap zou missen.

Ik klap m’n armsteunen naar beneden en leun relaxed achterover.
Met een gangetje van zo’n 40, 50 miles rijd ik op de heuvels af.
Langzaam verdwijnt mijn elektra-paaltje-schade-depressie naar de achtergrond.
Frits is back! Scotland, here I come again!

Niet te vertalen #2

Veel te veel koffie en sap gedronken bij het ontbijt, zit ik al snel te wippen op m’n bestuurdersstoel met een op klappen staande blaas.
Ik kan niet zomaar even langs de kant stoppen, want daar is de weg te smal voor. Er is ook geen parkeerplaats te bekennen. En dat duurt al kilometers! Wanhopig gil ik keihard door m’n bussie: ‘I need a P!’

Pubmeal

Strathyre is één straat lang, die je in vijftien minuten op en neer hebt gelopen. Het telt zo’n zestig huizen, één hotel, één school, één winkel (die heel toepasselijk de ‘dorpswinkel’ heet) en drie pubs. Als ik de pub binnenkom voor m’n barmeal, gaan precies op dat moment de lichten uit en wordt er door de kok een bordje binnengedragen met een punt chocoladetaart en twee brandende kaarsjes. Zingend wordt het bordje naar een ronde tafel gebracht, waar jarige Callum zit, een roodharig jongetje-met-overgewicht, dat vandaag negen jaar is geworden en hier met zijn ouders en opa en oma zijn verjaardag viert.

Ik neem plaats aan de bar, bestel een Guiness en kijk de pub rond. Er zijn vijf tafeltjes. Behalve het verjaardagsgezelschap zijn alle overige tafels leeg. Drie krukken van me vandaan zit een zwijgzame man, die even heeft opgekeken en naar me geknikt heeft toen ik plaats nam. In de hoek staat een poolbiljart. De lamp erboven is bekleed met versleten en verkleurde stof met langs de rand franjes. Tegen een zuil middenin de zaak staat een speelautomaat die niet is aangesloten. In een andere hoek staat een jukebox. Er is een open haard. Erboven hangt een grote, verweerde spiegel met een plastic gouden rand. Als ik mijn maaltijd besteld heb, ga ik in een hoekje aan het tafeltje zitten naast de open haard.

Er komt een man binnen. Zonder iets te zeggen neemt hij plaats aan een tafeltje in het midden van de pub. Hij ziet er niet vrolijk uit. Dat verandert niet als even later een vrouw binnen komt, die tegenover hem gaat zitten. Zonder iets tegen elkaar te zeggen, bestuderen ze de menukaart.

Als de deur weer opengaat, komt er een jong stel binnen. De manier waarop ze naar elkaar kijken, elkaar aanraken en met elkaar praten, laat aan duidelijkheid niets te wensen over: smoorverliefd. Ze bestellen ieder een Guiness en gaan poolen. Hij loopt naar de jukebox en maakt zijn keuze. Als er geen geluid uit het apparaat komt, roept hij de eigenaresse erbij. Ze friemelt wat aan de achterkant en even later klinkt Grease door de zaak. Het meisje bij het biljart werpt hem een warme, dankbare blik toe. De jukebox heeft zijn beste tijd gehad; hoge tonen zijn allang niet meer te horen en na Grease bassen ook Ray Charles en Santana door de zaak. Als de jukebox laat weten dat ‘video de radiowereld vermoordde’ begint het barmeisje enthousiast op het ritme mee te bewegen.

Bij het verjaardagsgezelschap verhaalt oma intussen uitgebreid wanneer en waaraan al haar familieleden zijn overleden. Haar man luistert plichtsgetrouw, haar dochter (met dikke jas aan en een ijsmuts op haar hoofd) kijkt even naar mij en slaat -wat een gezeur!- haar ogen ten hemel. De schoonzoon zit er wat ongemakkelijk bij. Hij valt op in dit gezelschap met zijn houthakkershemd met korte mouwen, zijn uitbundige, rond uitstaande haardos en z’n grote, zwarte, ruige baard. Hij neemt nauwelijks deel aan het gesprek, glimlacht alleen af en toe flauwtjes als er iets tegen hem wordt gezegd. Onder hun tafel ligt de hond van opa en oma te soezen.

Als mijn haggis wordt gebracht, richt de tot nu toe suffe hond z’n kop op, snuift wat, staat op en wil mijn richting uitlopen. Met een korte ruk aan zijn halsband houdt oma hem tegen. Gehoorzaam gaat hij weer onder tafel liggen tot het gezelschap klaar is met eten.
Opa gaat afrekenen bij de bar, dochter gaat naar buiten voor een sigaret (vandaar die jas en muts) en oma en schoonzoon blijven alleen aan tafel achter. Oma krijgt plotseling oog voor haar hondje en gaat heel druk tegen het dier zitten praten. Schoonzoon kijkt nog ongemakkelijker en gaat een beetje met de steentjes lego zitten schuiven die op een kist achter zijn stoel liggen. Als dochter weer binnenkomt, gaat zij naar de zwijgzame man aan de bar. Niet lang daarna is zij in druk gesprek met hem verwikkeld. Van zijn zwijgzaamheid is niet veel meer over.
Opa staat nog steeds af te rekenen en een babbeltje te maken en oma gaat met haar hondje naar hem toe.
Schoonzoon blijft alleen aan het tafeltje achter. Niemand neemt notie van hem. Als het gesprek van de dochter met de man aan de bar steeds luider wordt en haar klaterende lach door de pub schalt, kijken opa en oma even om naar de schoonzoon. Die geeuwt, pakt het magische tekenbord (een van de cadeautjes van Callum) en begint er een beetje op te krassen.

Ik heb mijn dessert op en loop naar de bar om af te rekenen.
Als ik de pub verlaat, kom ik langs het tafeltje van de twee zwijgzame mensen. Ze hebben al die tijd nog geen woord met elkaar gewisseld en zijn nog steeds -ieder voor zich- druk in de menukaart verdiept…

Kerstinkopen?

In de Main Street van Callander zie ik tussen de vele souvenirwinkels een etalage met erboven het opschrift: De Notenkraker Kerstwinkel. Als ik ongelovig naar binnen stap, zie ik daar inderdaad een gigantische uitstalling van kerstartikelen. Ik begin een praatje met de eigenaar en vertel hem over mijn verbazing in april een winkel vol kerstartikelen aan te treffen.
‘Ach mijnheer’, legt hij uit. ‘we zijn het hele jaar door open en eerlijk gezegd zijn wij de best lopende winkel van heel Callander. We hebben aan klandizie niet te klagen: de plaatselijke bevolking koopt hier, maar nog veel meer mensen van buiten. Ze komen zelfs vanuit Ierland naar hier voor hun kerstinkopen. Vanaf zo’n week of zestien voor kerst zou ik geen tijd hebben voor een praatje met u, want dan staan de klanten tot buiten toe!’
‘Het zou niet bij mij opkomen een dergelijke winkel te openen’, reageer ik, nog steeds verbaasd.
‘Ik zal het u nog sterker vertellen’, is zijn antwoord, ‘over drie weken openen wij onze tweede winkel, een paar miles verderop. En die wordt nog vijf keer zo groot als deze…’

Niet te vertalen #3

Vreemd uithangbord.
Dialect?
Nee hoor, heel simpel: de eigenaar heet Mhor…

Rob Roy

Rob Roy MacGregor is de Robin Hood van Schotland.
Een nationale held en aan hem is dan ook een visitors centre gewijd, waar volgens de borden ‘op een levendige manier het verhaal van deze strijder van het volk wordt verteld’. Ik parkeer m’n bus en stap naar binnen.
Ik ben de enige bezoeker.
In de ruime hal van de voormalige kerk zie ik alleen maar een bonte uitstalling van souvenirs. Er dribbelt een Schots ruitje op me af. Als ik haar vraag waar ik moet zijn voor Rob Roy, wijst ze naar een deur en verkoopt me voor £ 1,50 een toegangskaartje. Ze loopt voor me uit, doet de deur open en laat me een filmzaaltje binnen.
‘Natuurlijk’, denk ik, ‘eerst een inleidend filmpje en dan de rest.’ Helemaal alleen in dat zaaltje ga ik midden op de achterste rij zitten. De lichten gaan uit en ik word getrakteerd op een mix van film- en diabeelden die het levensverhaal van Rob Roy vertellen. Dat duurt twintig minuten. Daarna wordt me op het scherm dringend aangeraden te blijven zitten, want er komt nog meer. Wat volgt is een tien minuten durende film van de plaatselijke VVV, die me opwekt allerlei (commerciële) evenementen te bezoeken.
De lichten gaan weer aan en ik verlaat het filmzaaltje, benieuwd naar de rest van de tentoonstelling. Als ik vraag waar ik heen moet, wordt met een weids gebaar naar de souvenirwinkel verwezen.
‘Maar eh… ik kom voor Rob Roy‘, zeg ik nog eens ter verduidelijking.
‘Ja klopt’, is het antwoord, ‘dat heeft u net gezien!’
‘En dat was het?’
‘Ja, dat was het!’
Doe ik eens iets cultureels…

Lang geleden

Na drie weken rijd ik het laatste stukje van Stirling naar Edinburgh voor het eerst tijdens deze rondreis op een motorway.
Na drie weken rijd ik weer eens 120 km/uur op deze M9.
Na drie weken staat de versnelling geruime tijd in z’n zes.
Na drie weken gaat de cruisecontrol aan.
Dat duurt precies vijfenveertig minuten.
Wat zal dat motortje van m’n bus genoten hebben…

Navigatie #2

Mijn navigatiecomputer staat geprogrammeerd op de stadscamping van Edinburgh.
Dwars door het drukke zaterdagmiddagverkeer loodst mijn Garminnetje me feilloos door het gewoel van de hoofdstad van Schotland. ‘Bestemming bereikt aan linkerzijde’ meldt ze me na zo’n twintig minuten rotondes, verkeerslichten en afslagen, waar ik steeds tijdig kon voorsorteren. Hoe lang rijd ik nu al met zo’n wonderdoosje? En ik blijf me verbazen…

Kleinkind

Vanmorgen mijn kleindochter Karlijn aan de telefoon gehad.
Heerlijk haar weer te horen…

Maaltijdobservatie

In het restaurant zit ik recht tegenover een stel dertigers met een kind van een jaar of zeven. Ik kijk m’n ogen uit:

– hij wil niet meer eten en schuift met veel misbaar z’n bord van zich af
– om beurten beginnen vader en moeder hem hapjes te voeren
– hij doet zijn mond wagenwijd open tot het hapje vlakbij is en klapt dan zijn mond stijf dicht
– als het hapje weggaat, gilt hij dat-ie een hapje wil
– hij heeft het heel warm en gebruikt de wijnkaart als waaier
– hij laat zich van zijn stoel glijden en gaat onder tafel liggen
– hij loopt rondjes om de tafel van zijn ouders
– hij pakt de hand van zijn moeder en slaat die in haar gezicht
– hij gaat op de stoel staan en kijkt rond
– hij gaat op zijn buik op een kruk liggen en maakt zwembewegingen
– hij loopt naar de speelautomaat en begint op alle knoppen te slaan
– hij gaat naar de wc
– hij ligt op de grond te rollen, zodat de obers over hem heen moeten stappen
– hij slaat de hond van een der gasten op zijn kop
– hij grist de sleutels van tafel, loopt naar de open haard en maakt een weggooibeweging
– hij gilt dat hij chocoladetaart als toetje wil
– hij bouwt met de wijnkaart een dakje over het peper- en zoutstel
– hij kijkt verbaasd naar zijn toetje als dat gebracht wordt
– hij gebruikt de wijnkaart als vliegtuigje en gooit dat door de zaak heen
– hij raakt zijn toetje niet aan
– hij gaat naar de buitendeur en zet die wagenwijd open
– hij gaat verontwaardigd naar zijn ouders als de ober de buitendeur weer sluit
– hij gaat naar de buitendeur en zwaait hem voortdurend open en dicht
– hij gaat klagen bij zijn ouders dat de ober er iets van zegt
– hij hangt over de tafel en zegt dat-ie moe is
– hij slaat met de wijnkaart op de tafel en op zijn moeder
– hij weigert zijn jas aan te trekken als vader en moeder gaan afrekenen
– hij loopt zonder jas naar buiten

En hoe reageerden vader en moeder al die tijd?
Vader werkt -zonder op of om te kijken- zijn maaltijd naar binnen, moeder kijkt af en toe vertederd naar haar zoontje…

Vroeg naar bed

Ik kan op de camping niet anders dan een internetkaart voor vierentwintig uur kopen. Nadat ik mijn weblog heb bijgewerkt, ga ik lekker vroeg naar bed. Met de laptop, jawel.
Lekker naar het Nederlandse journaal kijken.
En jawel hoor, daarna nog even Paul de Leeuw.
Het lijkt wel of ik thuis ben…

Ochtendgymnastiek

De stadscamping van Edinburgh is prima.
Je wordt hartelijk ontvangen, alles wordt goed uitgelegd, je krijgt een plattegrond van de camping en een Nederlandstalig boekje over Edinburgh. Alle voorzieningen zijn aanwezig en goed in orde. En -belangrijk tijdens deze koude dagen- de douches zijn verwarmd!

Als ik ’s morgens de doucheruimte binnen kom, is die huiverig koud. Wat nou, verwarmd? Dan ontdek ik schuin boven ieder douchehokje een elektrische verwarming en een bewegingsmelder. ‘Slim’, denk ik, ‘dat houdt de energiekosten binnen de perken.’
Als ik de douche instap en de melder passeer, hoor ik een klikje. Tevreden begin ik me uit te kleden en kijk naar de verwarming.
Je zou verwachten dat die lekker begint te gloeien, maar nee, hij blijft zo dood als een pier. Ik loop de douche uit, ga weer naar binnen, hoor weer een klikje, maar aangaan, ho maar. Ik wapper met m’n handen heen en weer voor die melder, ik spring ernaar omhoog, ik zwaai met m’n handdoek, ik bal dreigend m’n vuist naar dat ding, maar hij blijft uit en het douchehokje koud.
Een supersnelle douche dan maar weer. Zo Spartaans ben ik nu ook weer niet bij net twee graden boven nul…

Hallo Frits!

Voor het achterruitje van mijn camper hangt een groot, knaloranje papier.
‘Frits (from Holland) on the move’ staat er met vette letters op geschreven.
Handig in het (stads)verkeer (weet diegene achter me waar-ie aan toe is).

Maar ook leuk voor de persoonlijke aanspraak, overal waar ik stop:
‘Goeiemorgen, Frits!’
‘Ver van huis, Frits!’
‘Leuke camper, Frits!’

Kattenbak

Cattle grid
Hoeveel van die waarschuwingsbordjes ben ik inmiddels gepasseerd?
Hoeveel wildroosters ben ik inmiddels overgeribbeld?
Niet meer te tellen.
En -stom hoor- iedere keer moet ik bij zo’n verkeersbord weer aan een kattenbak denken…

Scott’s view

Uit de reisgids:

Scott’s View is het befaamde uitzicht over de Tweed en de Eildon Hills, waar de schrijver Sir Walter Scott zo van genoot.
De paarden die zijn lijkwagen trokken, stopten hier spontaan toen de stoet op weg was naar Dryburgh Abbey, de rustiek gelegen ruïne van een 12e eeuws premonstratenzer klooster, waar de populaire 19e eeuwse schrijver temidden van vervallen muren en bogen begraven ligt.

Sir Walter Scott had het bij het rechte eind met dit uitzichtpunt.

Ik besluit tot dezelfde actie als die lijkwagen eeuwen geleden en stop.
Scott’s View, wat een prachtige plek voor de laatste overnachtingen op Schots grondgebied!

Hollandse zuinigheid

Bij de meeste bezienswaardigheden waarvoor betaald moet worden, is er wel een speciaal lager tarief. Vaak is het niet duidelijk voor wie die korting precies bestemd is, maar als ik erom vraag -en dat doe ik dus, heel Hollands, gewoon altijd- kom ik vaak in aanmerking voor een reductie.

‘Een kaartje, alstublieft, met korting graag.’
‘Waarom korting, mijnheer?’
‘Ik ben oud, grijs en kom uit Nederland.’
Vanuit het kantoortje roept een onzichtbare stem: ‘Als-ie uit Nederland komt, Allan, laat hem dan maar dubbel betalen!’
Ik schiet in de lach en vraag waarom ik een dubbele entreeprijs zou moeten betalen.
De man komt zijn kantoortje uit, lacht naar me en zegt: ‘Omdat jullie beter kunnen voetballen! Vooruit, geef de man maar korting, Allan…’

Mopperende senioren

‘Het is helemaal niks hier!’.
De senior Australiër, die met zijn camper op het plein staat geparkeerd, trekt de rits van zijn jas wat hoger op en slaat zijn kraag omhoog. ‘Helemaal niks!’, herhaalt hij en zijn vrouw die erbij komt staan, beaamt dat.
‘We zijn altijd vroeg op, nietwaar. Dat brengt de leeftijd mee, maar dat snapt u wel. Maar kijk nou: het is al half negen en dat kasteel daar gaat pas om tien uur open!’ ‘En de winkels pas om negen uur!’, vult de vrouw verontwaardigd aan.
‘Nee, het is helemaal niks hier’, zegt de man voor de derde keer, ‘we gaan maar in de camper zitten. Wachten tot het tien uur is. En koffie drinken…’ ‘Misschien kun je even naar huis bellen’, oppert zijn vrouw als ze de camper instappen.
‘Tsja’, reageert de man, ‘als ze al uit bed zijn tenminste…’

Aardig #2

‘Heeft u op deze camping de mogelijkheid te kunnen internetten?’, vraag ik aan de vrouw van de receptie.
‘Nee, dat hebben we niet. Maar ik hoor wel eens van kampeerders dat ze een signaal van iemand opvangen.’

Als ik mijn laptop aanzet, krijg ik inderdaad de melding dat er een draadloos netwerk is gevonden. Ik loop weer naar de receptie.
‘Ik heb een netwerk gevonden. Bent u misschien yellow22?’
‘Dat zou kunnen hoor’, zegt de vrouw, ‘mijn man weet daar alles van, ik niet. Hij is net bezig de toiletruimten schoon te maken, maar als hij klaar is, stuur ik hem wel even bij u langs.’
Even later staat er een man naast mijn bus.
‘U wilde internetten? En u pikt op deze plek mijn netwerk op? Zal ik even mijn code voor u intypen?’
Hij stapt bij me naar binnen, maakt met mijn laptop verbinding en verdwijnt weer. ‘Kijk maar hoe lang je nodig hebt, het maakt mij niet uit.’

Privacy

Heette een toilet in vroeger tijden niet ‘het gemak’?
Ik zit absoluut niet meer op m’n gemak als de wc naast me wordt bezet, een broek ruisend omlaag gaat en ik de drollen van mijn buurman-op-50-centimeter-afstand in de pot hoor plonzen, begeleid door nat-pruttelende bijgeluiden. En als hij er ook nog bij begint te kreun-persen…

Minder dan 50 centimeter is de afstand tussen de cabins aan boord van de ferrySlechts een dun wandje scheidt de afzonderlijke hutten.
Als ik net op bed lig, komt het echtpaar naast me hun hut binnen. Ook zij gaan naar bed, om preciezer te zijn: ze gaan met elkaar naar bed.
Ik heb ze niet gezien, ik heb ze niet gesproken, maar het zijn overduidelijk Engelsen: ‘Yes, yes, yes, oh, yes, oh yes,oooooooooh……YESSSSS!’

Haar #1

Bij het ontbijtbuffet op de veerboot terug naar Nederland passeer ik met m’n goed gevulde bordje*) het tafeltje van een mij tot op dat moment totaal onbekend ouder echtpaar. De vrouw pakt in het voorbijgaan mijn arm, houdt me staande en vraagt in onvervalst Amsterdams: ‘Luister eens, jongen, jij bent een Hollander, hè?’. Als ik bevestigend antwoord, gaat ze door: ‘Dat dacht ik al aan het liedje te horen, dat je loopt te fluiten. Weet je, wat zou ik graag effe door je mooie krullen willen graaien!’.
Ach, en dan ben ik ook de beroerdste niet. Ik buig me naar haar voorover en ze woelt met twee handen door m’n haar.
‘Mooie kop met haar heb je’, zegt ze, ‘en weet je, schat, ik ben kapster en het is jammer dat ik m’n schaar niet bij me heb, want ik zou zo graag effe die dooie punten van je willen bijknippen!’ Ik krijg geen tijd om te reageren, want ze gaat meteen door: ‘Je bent alleen hier op de boot, hè? (haar man schuift al een stoel bij) Nou, weet je, kom dan lekker bij ons je bordje leeg eten, want alleen is maar alleen, vind je niet, en je lijkt me wel een gezellige kerel…’.

*) roerei, bacon, gebakken aardappelen, worstjes, gebakken tomaat en witte bonen in tomatensaus

Haar #2

Als ik de ferry afrijd, moet ik stoppen bij de douanecontrole.
Er staat een vriendelijke vrouw naast mijn raampje, die -nauwelijks verstaanbaar- om m’n paspoort vraagt. Ze blijft vriendelijk, herhaalt haar vraag, maar ze praat zo zachtjes, dat ik blij ben dat ze met haar handen een gebaar maakt van een boekje open doen. Ik knik dat ik het begrijp en pak uit mijn tas m’n paspoort, ondertussen medelijden krijgend met die vrouw. ‘Heeft waarschijnlijk iets aan haar keel of stembanden’, denk ik, ‘ook zielig als je dan moet werken!’ Als ik haar m’n paspoort wil geven, kom ik er achter, dat mijn raampje nog dicht is… Vandaar! Ik put me uit in verontschuldigingen.

Ze bladert in mijn paspoort, kijkt van mij nog eens naar mijn pas, vergelijkt de foto van een paar jaar geleden en vraagt dan of ik haar even recht in het gezicht wil kijken. Blijkbaar is ze nu tevreden, want ik krijg mijn pas terug, maar niet zonder een waarschuwing-met-een-glimlach: ‘Als u nog eens van vakantie terug komt, ga dan eerst in Engeland even naar de kapper, want een volgende keer komt u zo Nederland niet meer binnen! Goeie reis.’

Eind goed…

Niet dat ik mijn vakantieplezier negatief laat beïnvloeden door de weersomstandigheden, maar het is toch wat wrang als ik -uitgerekend op mijn allerlaatste dag- voor het eerst in drie-en-een-halve week ’s morgens bij het opstaan de kachel niet hoef aan te zetten en de deur van mijn bus wagenwijd kan open schuiven om het zonnetje binnen te laten…

… al goed

Het is al net zo als bij alle andere vakanties: zo’n laatste dag, als je weet dat het afgelopen is, wil ik ineens alleen maar zo snel mogelijk thuis zijn. Zo’n laatste dag rommel je wat, je drentelt wat heen en weer, je let voor het eerst weer op de tijd en je wilt je voor-al niet haas-ten.
Zonder het te willen, begin ik ook weer aan thuis te denken.
Hoe zal de tuin erbij liggen? Is er niet ingebroken? Zal ik eerst een bonte of een witte was draaien? Zou er ‘vervelende’ post zijn? En in gedachten maak ik alvast een boodschappenlijstje. Back to normal. Kon ik maar met m’n vingers knippen en in een flits thuis voor de deur staan…

Ondanks het getalm waartoe ik mezelf gedwongen heb, sta ik natuurlijk om elf uur al bij de ferry terminal. De check-in begint om half drie. Alle tijd om de Quay Outlet te bezoeken, die hier vijf minuten lopen vandaan is.
Ik stap bij Costa naar binnen, pak van de leestafel een krant (…) en plof neer in een gerieflijke fauteuil. Ik drink er mijn laatste large white coffee en eet m’n laatste chocolate muffin. Van mijn (bijna) laatste Schotse geld koop ik voor £ 50,– twee spijkerbroeken en een paar schoenen. Want ons blijft zuunig, nietwaar? (hoor wie het zegt…)

Terug in de camper maak ik nog één keer een kop koffie en eet de laatste twee Morrisson white rollsAls ik net klaar ben met opruimen, begint de check-in. Eenmaal aan boord geniet ik meteen alweer van mijn hut, de sfeer, de mensen en het uitgebreide diner.
Ik bedenk me, dat het heel relaxed is om je vakantie op deze manier af te sluiten. Nog één nachtje in een vreemd bed.
Holland, I’m back again!

FRAGMENT UIT DE SCHOTLAND-FILM
(bekijk de hele video op: Frits filmt)

(more or less) Translate »