2007 Colombia en Mexico

eBook

Dit reisverhaal is ook te downloaden als eBook.
Klik hier om naar de downloadpagina te gaan.

Nectarine en een goeie sigaar

‘Het Santuario de Monserate. Als u maar een paar dagen in Bogotá verblijft, moet u dat beslist gezien hebben!’
De overijverige receptioniste van het hotel pakt al een foldertje voor me, slaat het voor me open en vertelt, dat dit voormalige klooster net even buiten Bogotá op een heuvel ligt, dat het een prachtig complex is en dat ik vanaf zo’n dikke drieduizend meter hoogte una espléndida panorámica over de stad zal hebben.
Ik ben al snel overtuigd, laat haar meteen een taxi bellen en geef in mijn beste Spaans de bestemming door aan de chauffeur: Santuario de Monserate!
Halverwege de taxirit betrekt de hemel en binnen de kortste keren breekt er een enorm onweer los. De ruitenwissers kunnen het vele hemelwater nauwelijks verwerken en door de beslagen raampjes zie ik het water in kleine, woeste beekjes naar beneden stromen.
Als we bij het Santuario aankomen, onweert het nog steeds. Aan de overkant van de weg staat een groepje toeristen onder grote paraplu’s. Toen ik het hotel verliet, had ik niet op zulk slecht weer gerekend en ik moet dan ook enige moed verzamelen voor ik in mijn shirt met korte mouwen uit de taxi stap om de straat over te steken. Het gaat al mis als ik uitstap: naast de taxi is een diepe kuil in de weg, waarin ik tot mijn kuiten verdwijn. Soppend in doorweekte schoenen, met druipende broekspijpen en m’n tas boven mijn hoofd, steek ik zo snel mogelijk over.

Het groepje toeristen begroet me vriendelijk. Met handen- en voetentaal maken ze me duidelijk dat ik een kaartje moet kopen voor de kabelbaan en achteraan moet aansluiten.
In de gondel van de kabelbaan ga ik in een hoekje staan en kijk het gezelschap eens rond. Ik ben duidelijk terecht gekomen tussen een uitje van gezellige Colombiaanse gezinnen, die zich door het slechte weer niet van de wijs laten brengen en besloten hebben er een heerlijk dagje-uit van te maken. De vrouwen sjouwen met grote tassen snoep, fruit en sapjes. Al tijdens het ritje met de kabelbaan gaan die tassen open, komen er plastic bekertjes tevoorschijn en wordt er uit een pak Nectarine voor iedereen ingeschonken. Gezellig!
Ook ik word met belangstelling gade geslagen en al snel komt de vraag waar ik vandaan kom. Mijn ‘Olanda‘ wordt door het hele gezinnetjesgezelschap herhaald: ‘Olanda! Dat is ver weg! Nou, maar wij komen allemaal uit Colombia hoor!’. Dat was me inmiddels al duidelijk geworden…
Als we uitstappen, regent het nog steeds. Helemaal achteraan het gezelschap beklim ik de glibberige keitjes die naar het klooster leiden. Bij de ingang staan de gezinnetjes me op te wachten. Het pak Nectarine gaat weer rond en met een uitnodigend gebaar wordt mij ook een bekertje drinken aangeboden. Als ik het bekertje aanpak, valt het me op, dat er maar een klein beetje sap in zit. Valt me wat tegen van die aanvankelijk zo gast-vrije Colombianen, maar ach, een gegeven paard nietwaar?
Ik heb dorst en klok de inhoud in één teug naar binnen. Het gezelschap reageert enthousiast met een luid ‘Olanda!’ Verbaasd kijk ik naar het pak Nectarine. Dat is lekker! Terwijl ik nog nageniet van het drankje, wordt mijn bekertje alweer gevuld. Met een opgewekt ‘Olanda!’ gaat ook deze inhoud naar binnen. Omdat ik toch wel nieuwsgierig ben geworden wat ze me te drinken hebben gegeven, vraag ik of ik het pak sap eens mag bekijken. Dan wordt me duidelijk waarom ik het zo lekker vind: wat ik heb aangezien voor Nectarine, blijkt Aguardiente Nectar te zijn met een alcoholpercentage van 29%…
We nemen lacherig afscheid van elkaar. De gezinnetjes duiken het eerste het beste restaurantje in en ik begin wat rond te lopen over het verregende complex. Het is een trieste aanblik: waar je kijkt, zie je verkleumde toeristen bij de souvenirwinkeltjes schuilen en ook van het beloofde espléndida panorámica is weinig te zien.

Ik sta te schuilen onder een druipend afdakje en heb net een dikke Havanna opgestoken, als de Colombiaanse gezinnetjes me zien staan. Nog vrolijker dan een half uurtje ervoor komen ze naar me toe, terwijl moeder de bekertjes alweer uit haar tas opdiept en vader ‘Nectarine’ uit het (onuitputtelijke) pak begint in te schenken. En natuurlijk moet ‘Olanda!’ weer gezellig meedoen…
De beide vaders van het gezelschap kijken nieuwsgierig naar mijn inmiddels half opgerookte sigaar. ‘Olanda?’, vraagt de man-van-de-drank belangstellend, terwijl hij een gebaar maakt dat hij zoiets wel eens wil proeven. Een beetje verbouwereerd en ongelovig bied ik hem mijn sigaar aan, waar hij gretig een trekje van neemt. Daarna gaat diezelfde sigaar naar de andere vader van het gezelschap, die er ook aan begint te sabbelen. Met het zoveelste ‘Olanda!’ krijg ik mijn half opgerookte sigaar terug. Ik diep mijn blik sigaren uit mijn tas op en bied beide mannen er een aan. Die bergen ze netjes op, schenken nog een laatste Nectarine voor zichzelf in (‘Olanda‘ slaat hun aanbod beleefd af), waarna het hele gezelschap vrolijk verder gaat.

Ik heb het eigenlijk allemaal wel gezien daar bovenop die heuvel.
Ik neem afscheid van de Nectarientjes en met mijn sigarenpeuk tussen mijn vingers glibber ik terug naar de kabelbaan. Buiten het zicht van de Colombiaanse gezinnetjes mik ik die natte peuk onderweg in een afvalbak. Beneden steek ik mijn hand op voor een taxi. Als ik instap, breekt de zon voorzichtig door.

Woordenboekje #1

Citaat uit de Lonely Planet:

‘Het belangrijkste wat u kunt doen voordat u afreist naar Colombia is uw Spaans oppoetsen. Er zijn maar weinig mensen in het land die Engels spreken. Zelfs bij de hotelreceptie of door gidsen wordt vrijwel alleen Spaans gesproken. Neem een woordenboekje mee en leer wat eenvoudige zinnetjes uit uw hoofd.’

Zo’n handig Wat & Hoe-boekje heb ik niet bij me. Het zou me waarschijnlijk wel een eindje op weg geholpen hebben. Maar zo’n boekje bevat nou weer net niet de zinnetjes die ik dagelijks nodig heb. In de praktijk mis je toch altijd de zinnen die je echt helpen om te ‘overleven’ in deze landen. Gedurende mijn verblijf heb ik een verzameling aangelegd van uitdrukkingen waar ik écht wat aan heb.

Eerste behoeften

Mag je hier roken?
¿Se permite fumar aquí?

Heeft u voor mij een asbak?
¿Tiene usted un cenicero para mí?

Waar is hier het toilet?
¿Dónde está aqui los servicios?

In de taxi

Wilt u de meter aanzetten alstublieft?
¿Por favor quiere usted encender el metro?

Volgens mij rijdt u rondjes.
En mi opinión usted corre en círculos.

Weet u nou echt de weg niet?
¿No sabe usted realmente la dirección verdadera?

Weet u zeker dat dit de kortste weg naar mijn hotel is?
¿Es usted seguro esto es el camino más corto a mi hotel?

In het restaurant

Weet u zeker dat dit koffie is?
¿Es usted seguro esto es café?

Dank u, ik lust geen wormen.
Gracias, no mi gusto de gusanos.

Nee, ik wil alleen koffie en niets te eten.
No, quiero solo café y nada que comer.

Nee, ik wil echt niets eten!
¡No, quiero realmente nada que comer!

Heus, ik hoef niets te eten!!
¡¡Verdad, no quiero nada que comer!!

Voor de vierde keer: ik wil alleen koffie!!!
¡¡¡El cuarto vez: quiero solo un café!!!

Als u nu nog één keer vraagt of ik iets wil eten…
Si usted me pide una más vez o quiero algo comer…

Op straat

Nee, ik wil mijn schoenen niet laten poetsen!
¡No, no quiero limpiar mis zapatos!

Nee, ik wil geen souvenir kopen!
¡No, no quiero comprar un recuerdo!

Nee, ik wil niet eten in uw restaurant!
¡No, no quiero comer en su restaurante!

Nee, ik wil geen ‘lovely lady’!
¡No, no quiero a ‘señora encantadora’!

Nee, ik hoef geen taxi!
¡No, no necesito un taxi!

Nee, ik ben uw vriend niet!
¡No, no soy su amigo!

Nee, ik wil geen bloemen kopen!
¡No, no quiero comprar flores!

Welke kerk is dat nou weer?
¿Qué iglesia es ésa otra vez?

Is dat geweer geladen?
¿Es cargado eso fusil?

Sodemieter op!
¡Cogida apagado!

Conversatie

Nee, wij lopen niet allemaal in klederdracht.
No, no andamos todos los trajes regionales.

Nee, ik woon niet in een molen.
No, no vivo en un molino.

Nee, wij hebben geen bergen in Nederland.
No, no tenemos montañas en Holanda.

Nee, ik heb geen tulpen in mijn tuin.
No, no tengo tulipanes en mi jardín.

Twee uur in Bogotá

Ik wil een dagje Bogotá verkennen en informeer bij de receptie van het hotel naar de mogelijkheden voor een dag een taxi te huren met een chauffeur die de stad goed kent én (belangrijk!) goed Engels spreekt. Met behulp van mijn reisgids had ik zelf al de nodige bezienswaardigheden uitgezocht, die ik wil bezoeken.
‘Geen enkel probleem’, wordt mij te kennen gegeven. ‘Dat wilt u morgen doen? En de chauffeur moet hier om tien uur zijn? Dat regelen we voor u.’

8:45
‘Goeiemorgen. Kunt u zich nog herinneren dat ik u gisteren gevraagd heb voor vandaag een taxi voor mij te regelen? We hadden om tien uur afgesproken, maar ik ben wat vroeger klaar. Wilt u proberen of de chauffeur hier misschien al om half tien kan zijn?’ ‘Geen probleem, mijnheer. Ik ga daar meteen naar informeren. U zit in het restaurant? Over tien minuten laat ik het u weten.’

9:25
‘Goeiemorgen. Daar ben ik weer. U zou mij binnen tien minuten laten weten of de chauffeur hier een half uurtje eerder kon komen, weet u nog? Ik heb zitten wachten in het restaurant, maar…’ ‘Sorry, sorry, mijnheer. We zijn al die tijd druk voor u bezig, maar het lukt niet om zo snel een Engelssprekende taxichauffeur te vinden.’ ‘Maar, eh…, dat zouden jullie toch gisteravond al voor me regelen? Mijn enige vraag was of hij wat vroeger kon komen.’ ‘Gisteren was het zondag, mijnheer, dus u begrijpt. Maar we doen ons best iemand voor u te vinden. Gaat u nog even hier in de lobby zitten. Zodra we meer weten, laat ik u roepen.’

9:35
‘Mijnheer! Mijnheer! We hebben iemand voor u gevonden! Hij is hier over vijf minuten.’

9:50
‘Goeiemorgen. Kent u mij nog? Een kwartier geleden beloofde u mij binnen vijf minuten een chauffeur. Ik zit maar te wachten… ‘Ogenblikje mijnheer. Ik zal nog eens bellen.’
(…)
‘Hij heeft wat vertraging in het verkeer, mijnheer, maar over een paar minuten is hij beslist hier!’ ‘Prima. Dank u wel. Ik loop weer naar het restaurant en neem nog een kop koffie. Stuurt u de chauffeur naar mij toe?’

10:20
‘Mister Mahn? Good morning. Ik ben de chauffeur. Sorry voor de vertraging, maar ik had problemen met mijn busje.’ ‘Busje? Gaan we op stap met een busje? Maar ik had een taxi besteld.’ ‘Nee, ik heb een busje. Kijk daar staat het, dat zwarte, waar nu net die twee dames uitstappen. We moeten nog even geduld hebben, want mijn collega is onderweg met een ander busje vanwege die pech. Maar als dat er is, kunnen we vertrekken: de twee dames en u. Dan halen we nog even twee andere mensen op en dan gaan we de stad in.’ ‘Ja maar, ik wil helemaal niet met twee dames en nog twee anderen in een busje en dan alle bezienswaardigheden langs rijden. Ik heb mijn eigen plan en had om een taxi gevraagd.’ ‘Nee, ik heb een busje.’ ‘Nou, dan wordt u vriendelijk bedankt, maar dat was de afspraak niet. Nogmaals dank, tot ziens en veel plezier met uw busje!’

10:25
‘Goeiemorgen. Daar zijn we weer.’ ‘Ah, mijnheer Mahn. ’t Is allemaal toch nog goed gekomen, hè? Ik heb de chauffeur naar u toegestuurd. Heeft u hem niet gezien?’ ‘Zeker heb ik hem gezien. En zijn busje. En twee dikke dames. En dat was niet de afspraak. Dus, dankjewel voor je inspanningen, maar ik heb hem weggestuurd.’ ‘Oh, u wilt een particuliere chauffeur? Dan ga ik dat meteen voor u regelen. En als die chauffeur nou geen Engels spreekt?’
(!!!!!!)
‘Sorry, sorry! Ok, ik regel dat voor u! Ik ga nu meteen bellen.’
(…)
‘U heeft geluk. Ik heb iemand voor u gevonden. Hij spreekt Engels en is hier over een paar minuten.’ ‘Dank je. Ik zit weer in het restaurant. Laat me maar roepen als hij er is.’

10:45
‘Goeiemorgen! U had toch een Engelssprekende chauffeur gevonden die de hele dag met mij op stap ging? Twintig minuten geleden zei u dat hij hier met een paar minuten zou zijn.’ ‘Sorry, sorry, ik weet ook niet wat er aan de hand is. Ik snap niet waar hij blijft.’ ‘Maar ik ben nu precies twee uur bezig om een taxi te regelen. Vind je dat zelf ook niet wat lang?’ ‘Sorry, sorry, maar ik doe mijn uiterste best voor u, dat moet u geloven.’ ‘Ongetwijfeld, maar weet je, Marcela, het hoeft niet meer. Laat maar. Kun je voor mij een gewone taxi bellen? Dan ga ik wel op eigen houtje de stad in.’ ‘Natuurlijk mijnheer. Gaat u even zitten. Die taxi is er met een paar minuten.’

Marcela belt een taxi voor me en kijkt me ongelukkig aan.
‘You must hate me’, verzucht ze.
‘Welnee, Marcela’, doe ik goeiig, ‘zulke dingen kunnen gebeuren. Bedankt voor al je moeite. Mag ik een foto van je maken ter herinnering?’
Ze poseert voor de foto als een -hoe zeg je dat in het Spaans?- een boer met kiespijn.

Naïef

‘¿Se permite fumar aquí?’, vraag ik aan de ober, gewend als ik inmiddels ben aan de rookverboden in de restaurants en de vele keren dat ik met mijn nicotineverslaving naar een tafeltje op het buitenterras werd verwezen. ‘Ningún problema, signor’, is het vriendelijke, maar enigszins verbaasde antwoord.

Vanuit mijn ooghoek zie ik dat het restaurant goed bezet is en hoewel het ‘geen enkel probleem’ is, besluit ik toch maar de vele gasten binnen niet lastig te vallen met mijn sigarenwalm en neem plaats aan een tafeltje buiten. Pas als ik de menukaart krijg en een betere blik naar binnen werp, merk ik dat op alle drukbezette tafeltjes overal waterpijpen staan en het hele restaurant blauw staat van een zoetig ruikende rook…

Achterdochtige Hollanders?

‘We hebben gisteravond in de Zona Rosa gegeten en willen vanavond downtown een hapje eten. Kunt u ons een tip geven waar we heen kunnen en een taxi voor ons bestellen?’ De receptioniste van het hotel adviseert ons naar La Candelaria te gaan, waar we volop bars, restaurants en winkels zullen vinden.

‘Do you speak English?’, vragen we -tegen beter weten in- aan de chauffeur. ‘Solamente Espagñol, sir!’ Gelukkig hebben we een plattegrond bij ons van Bogotá en een kaartje van het hotel. We wijzen op de plattegrond de wijk Candelaria aan, hebben het over restaurants en bars en maken daarbij de bekende eet- en drinkgebaren. ‘Si, si! Candelaria’, begrijpt de chauffeur. Hij zet de meter aan en begint te rijden.
We leunen behaaglijk achterover en verheugen ons op een etentje in het centrum van de stad, maar na zo’n twintig minuten kijken we elkaar bezorgd aan. De wijk waarin we rijden bestaat uit steeds smallere straten, er lopen nauwelijks mensen buiten en al zeker geen toeristen en op de hoek van iedere zijstraat zien we groepjes zwaar bewapende militairen staan. De taxi stopt. ‘Hier is het’, maakt de chauffeur ons duidelijk.
We hebben geen enkele behoefte in deze buurt uit te stappen en wijzen de chauffeur er nogmaals op dat we naar een straat met restaurants willen. We maken weer drinkbewegingen, doen alsof we happen eten in onze mond stoppen en wrijven over onze buik. Restaurant! Da’s toch een internationaal woord en dat moet een taxichauffeur in een wereldstad toch begrijpen? Dat doet-ie ook: ‘Si, si! Restaurant!’
Hij toert wat in de wijk rond (in deze straat zijn we toch al geweest?) en stopt op een plek die nog naargeestiger is dan de vorige: een totaal verlaten en spaarzaam verlicht plein. Trots wijst de chauffeur naar buiten: ‘Restaurant! Aqui!’ We kijken in de richting waarin hij wijst en zien inderdaad een restaurant, maar ook deze buurt trekt ons niet.
De chauffeur haalt zijn schouders op en begint weer te rijden. We turen naar buiten, waar het inmiddels donker is geworden en als we uiteindelijk na vele rondjes een brede straat zien met veel verlichting, veel winkeltjes en veel mensen laten we de chauffeur stoppen en stappen uit.

Het naambordje geeft aan dat we ons op de Avenue Fernando Mazuera bevinden en inderdaad: hier zijn volop winkeltjes, hier zijn volop eetgelegenheden. Maar die winkeltjes en ‘restaurantjes’ zien er in onze ogen zo armoedig, verwaarloosd en smerig uit, dat we geen behoefte hebben er binnen te stappen. ‘Zal verderop wel gezelliger worden’, houd ik de moed erin, ‘ik zie daar wel een pinautomaat. Laat ik eerst maar even geld opnemen.’ Met een dikke portemonnee Colombiaanse pesos vervolgen we onze zoektocht naar een hapje eten.
Steeds vaker maken zich mensen los van de muur waartegen ze nonchalant geleund staan om op ons toe te stappen en hun ‘diensten’ aan te bieden of te bedelen. Steeds vaker lopen ze een eindje met ons op. Steeds vaker wordt hun houding indringender en agressiever. Steeds vaker houd ik mijn tas-met-portemonnee-met-veel-geld steviger tegen me aangeklemd. We beginnen ons nu werkelijk onbehaaglijk te voelen. Waar zijn al die agenten nou die we eerder op de avond hebben gezien? Als aan het eind van de straat ook het aantal eettentjes vermindert, besluiten we het voor gezien te houden. We lopen naar de stoeprand en houden een taxi aan.

Natuurlijk spreekt ook deze chauffeur solamente Espagñol en we houden het kaartje van het hotel tegen de ruit die tussen de voor- en achterbank is geplaatst. ‘Hotel Morrison!’, roepen we. We houden de stadsplattegrond ook tegen de ruit en wijzen de Zona Rosa aan.
‘Si, si! Zona Rosa’, begrijpt de chauffeur, ‘norte!’
‘Niks norte! Zona Rosa!’, proberen we nog, maar de chauffeur meldt aan de centrale zijn ritje en zijn bestemming en begint al te rijden. ‘Het zal wel aan ons Spaans liggen’, stellen we elkaar gerust, ‘het komt allemaal wel goed.’ Maar ondertussen kijken we speurend de donkere stad in. Dit is toch een heel andere route dan op de heenweg? We herkennen niets. We worden pas echt ongerust als de chauffeur de drukte van de stad verlaat en een afslag neemt, die ons naar de buitenwijken in de heuvels rondom Bogotá voert.
We bonzen weer op de ruit, roepen nogmaals en steeds luider ‘Zona Rosa’ en wijzen verwoed op de stadsplattegrond. De chauffeur knikt begrijpend: ‘Si, si! Norte!’
We zijn inmiddels terecht gekomen in een stille, armoedige buitenwijk en de chauffeur heeft moeite de vele kuilen in de weg te ontwijken. Af en toe komt ons nog een auto tegemoet en de straten zijn uitgestorven. De taxi begint steeds langzamer te rijden en de chauffeur kijkt zoekend om zich heen. In mijn hoofd spelen zich allerlei doemscenario’s af. Geeft de Nederlandse regering niet voor niets een negatief reisadvies af voor Colombia? En heb ik voor mijn vertrek niet allerlei verhalen gelezen over berovingen? En heeft die chauffeur zich eigenlijk wel bij de centrale gemeld, zoals wij dachten of heeft-ie zijn kameraden getipt, dat-ie twee gringo’s in zijn taxi heeft en is hij nu op weg naar een verlaten punt waar hij zijn taxi zal stoppen? En heb ik niet net veel geld opgenomen? De raampjes achterin beginnen te beslaan. Verwoed veeg ik ze schoon om op z’n minst te kunnen zien waar ik beroofd zal worden…

Steeds meer kijkt de chauffeur zoekend rond, steeds langzamer rijdt de taxi door de inmiddels weer wat drukker geworden straten en ja hoor, zie je wel, hij stopt! Maar in plaats dat er vanuit het donker vier lugubere Colombianen met messen op ons af springen, roept de chauffeur een verkoper bij een stalletje naar zich toe om de weg te vragen naar ons hotel…
Vijf minuten later zitten we in een restaurant in Zona Rosa beiden achter een grote cerveza en kunnen we lachen om ons ‘avontuur’. We vragen ons af of de Colombiaanse taxichauffeurs nu inderdaad zo onwetend zijn of dat we op z’n Hollands gezegd ‘bedonderd’ zijn. En dan nog: beide taxiritjes hebben ons welgeteld € 4,– gekost…
Terug in het hotel brengen we de receptioniste verslag uit van onze ervaringen met beide taxi’s. ‘Bad luck’, is haar nuchtere reactie.

Oh ja…
Vertelt GJ dit hele taxiverhaal de volgende dag op zijn werk aan een Colombiaanse collega. Is haar reactie: ‘Hebben jullie met z’n tweeën op de Avenue Fernando Mazuera gelopen? Gisteravond? En hebben jullie daar gewoon je hand opgestoken en een wildvreemde taxi aangeroepen? Wil je dat alsjeblieft nooit, nooit meer doen.’

Schat…

‘Schat, zet jij de vuilnis even buiten?’
‘Waarom moet ik dat altijd doen?’
‘Omdat ik al zoveel andere dingen doe in huis.
Hè, doe nou niet zo moeilijk!’
‘Ja hoor, je kunt het dak op…’

Mail aan mijn dochter

Hoi kind!

(…) Ik ben benieuwd of jullie vandaag meer hebben gezien dan alleen het hippe uitgaanscentrum waar je midden in blijkt te zitten…  En of het heel anders is dan andere landen. (…)

Hallo zeg!
Natuurlijk zien we meer dan alleen het uitgaanscentrum! Wat dacht je! Zijn we in Bogotá of niet? Neem nou vanmorgen bijvoorbeeld.
Tijdens het ontbijt hebben we de definitieve keuze gemaakt voor een van de citytrips-by-foot: Usaquén histórico, cultural y de compras. Omdat we vermoeden dat jouw Spaans niet kan tippen aan onze beheersing van die taal: Historical and cultural Usaquén, a place to go shopping… Met de kaart en het toeristenboekje erbij vanmorgen extra informatie gevraagd aan de enige receptionist in dit hotel die een beetje Engels spreekt.

De start van de tour ligt slechts op een twintig minuten lopen van het hotel (goed te doen dus) en de tour zelf zou wel een uurtje of vier in beslag nemen (…).  Tsja. Het is toch een andere cultuur (leer mij ze kennen, zegt GJ dan), want zonder ook maar één keer verkeerd te hebben gelopen, bereiken we pas tegen half twaalf het eerste punt van onze citytrip-by-foot na dik drie kwartier stevig doorstappen door een buurt waar we beiden nu niet bepaald van ondersteboven raakten. De wandeling was dermate ‘enerverend’, dat we al halverwege het strakke plan opvatten ons terug met een taxi te laten vervoeren. Maar de wandelinspanningen waren het meer dan waard: we stonden voor de ingang van het Hacienda Santa Bárbara Centro Comercial, waar we met nauwelijks verholen ‘enthousiasme’ naar binnen stapten. Het eerste dat ons opviel, was de uitgestorvenheid van het geheel. Hier en daar was een eenzame persoon te bekennen en veel winkels waren nog dicht. Navraag bij een tweetal aan een tafeltje gezeten studentes (ha, heerlijk Engels!) leerde ons, dat het pas na enen gezellig wordt. Eerst maar koffie dan…

Verderop in de tour was ‘the traditional Flea Market, gathering together the best city artisans. Rich deserts and typical wafers may be tasted here. Open on Sundays.’ Als we weer thuis zijn gaan GJ en ik beslist eens op een zaterdag naar de Afrikaandermarkt in Rotterdam. Lijkt ons net zo leuk als deze vlooienmarkt. Fijn dat we in Bogotá zijn, zie je nog eens wat anders… Toch allemaal wel erg Zuidamerikaans en mede geslaagd omdat GJ ‘ergens op die markt’ een heel fijn, prima bij jou passend cadeautje op de kop wist te tikken. Leuk! Spannend!

Via het kerkhof (Hollandse afwijking) en nog wat leuke straatjes met leuke winkeltjes teruggekeerd bij Santa Bárbara. Het was inmiddels drukker geworden en het oogde dan ook gezelliger dan aan het eind van de morgen tijdens ons eerste bezoek. Tsja. Santa Bárbara is dus eigenlijk een enorme, vijf verdiepingen tellende mall, met schoenenstraten, kledingstraten, enz. En dan nog niet eens ook maar één computerwinkel! Mode, mode, mode, terwijl wij op zoek waren naar een modem, modem, modem (o.i.d., want dichterlijke vrijheid, ook zo’n kreet). Als we weer thuis zijn, gaan GJ en ik beslist een keer naar Capelsebrug en daarvandaan lopend naar het Alexandrium. Lijkt ons leuk!
We hadden het snel gezien en besloten een taxi terug naar het hotel te nemen. Volgende keer (leermomentje) nemen we ook een briefje van het hotel mee waar het adres opstaat, want hoe zeg je ook alweer 84 in het Spaans? En sprak de chauffeur misschien nog een andere taal? Nou nee. Hij wist niet precies waar het hotel was, collega-over-de-radio kon hem niet wijzer maken, een blik op onze stadsplattegrond hielp hem ook niet en uiteindelijk hebben wij hem zelf de weg maar gewezen (die GJ heeft trouwens een perfect oriëntatievermogen en richtinggevoel!). Tegen drie uur (best wel moe) waren we terug in het hotel. Tijd voor het bekijken van de onderweg gemaakte foto’s, het beantwoorden van de mail en een kleine verkwikkende ‘nap’. Je begrijpt: niet dat we nou echt slapen of zo, we geven onze ogen gewoon even de broodnodige rust…

Aan het einde van de middag pakken we straks een taxi downtown, slenteren daar wat rond, eten wat, slenteren nog wat rond, drinken wat, slenteren daar weer wat rond, enz.  Je merkt: het is afzien zo’n reis. Daar staan jullie in Holland waarschijnlijk niet bij stil!

Morgenochtend ga ik me in ieder geval verdiepen in het aanbod van citytours, maar dan georganiseerd en begeleid door een gids. Zul je in Colombia zijn geweest en alleen veel gewandeld hebben, een mall hebben bezocht en over een vlooienmarkt hebben geslenterd!
Dat is dus exact de reiservaring van GJ, die alleen vandaag zijn dagje pleasure in Bogotá beleefde en morgenochtend om acht uur wordt opgehaald om te gaan werken. Ach, verschil moet er wezen…

Tot slot: hoe bevalt het zo samen? Prima hoor!
We kunnen het goed met elkaar vinden (maar dat wisten we al) en natuurlijk houd je rekening met elkaar, zeker als je (schoonzoon-schoonvader-relatie) samen een hotelkamer deelt.
‘Had jij op korte termijn nog bepaalde plannen in deze ruimte?’, vraagt GJ dan met de deurknop al in zijn handen.
‘Je gaat zeker uitgebreid zitten beren?’, is mijn terechte veronderstelling.
GJ zit al…

Adios!
Frits

Zangtalent

Meezingend met de hotelmuziek bij de receptie krijg ik bewonderende blikken van de receptionist en twee vrouwelijke gasten, die mij complimenteren met m’n gezang.
‘Yes’, zeg ik bescheiden, ‘I’m the greatest and most famous singer in Holland!’
Ik wacht even en voeg er dan aan toe: ‘I’m also the greatest liar in Holland…’

Hi teacher!

¿Solamente Espagñol?’
Ik had het kunnen weten. De man bij de kassa kijkt me niet-begrijpend aan. Ik sta bij de ingang van het Quinta de Bolivar, het huis waar Simón Bolivar in 1820 heeft gewoond en dat sinds 1922 als museum is ingericht. Ik wijs op de koptelefoons die aan haakjes bij de kassa hangen en maak duidelijk, dat ik er een wil hebben om rondgeleid te worden.
‘Solamente Espagñol…’
Ik loop het woonhuis in en vraag de looproute aan één van de suppoosten.
‘Solamente Espagñol…’
Ik blijf stilstaan bij één van de kamers en lees de uitleg op het bord naast de deur.
‘Solamente Espagñol…’
Ik bewonder de overige kamers, de tuin, de gedenkplaats en slenter terug naar de uitgang.

Op dat moment stopt er een bus met uitgelaten schoolkinderen die door de leerkrachten keurig in een rijtje naast de kassa worden opgesteld. ‘Hi kids!’, roep ik in een opwelling, ‘say: Hi to the teacher!’
Tot mijn stomme verbazing beantwoordt de hele groep kinderen me met een enthousiast ‘Hi teacher!’
Ik begin een praatje met een van de leerkrachten en kom erachter, dat deze groep kinderen op vierdaagse schoolreis is en vandaag een rondleiding krijgt in de Quinta.
‘Hoe komt het dat deze kinderen zo goed Engels spreken?’, vraag ik de leerkracht.
‘Dit is een tweetalige school. Deze kinderen krijgen les in het Spaans en het Engels.’
‘En jullie gaan nu aan een rondleiding beginnen? Met een gids?’
Ik ruik mijn kans nog iets op te steken in dit museum en wandel tussen de giebelende leerlingen voor de tweede keer die ochtend richting ingang. Daar wordt de groep opgevangen door een gids, die ons meeneemt naar het monument van Bolivar. De gids stelt zich voor de groep op, kijkt de kring rond en begint: ‘Hola, muchachos y muchachas. Bienvenida en esta casa Quinta de Bolivar.’
Het is me die ochtend niet gegund: solamente Espagñol…

Later op de dag bezoek ik het schitterende goudmuseum, het Museo del Oro.
Het wordt een kort bezoek, want bij de ingang van het museum word ik verwelkomd door een groot bord, waarop (ook in het Engels…) staat te lezen dat men momenteel met een grote renovatie bezig is en zich verontschuldigt voor de overlast. Slechts een derde deel van het gebouw is nog opengesteld voor de bezoekers. ‘Ach mijnheer’, zegt de vrouw achter de balie, ‘komt u na de zomer van 2008 nog eens terug, dan is de renovatie achter de rug…’

Terug in mijn hotel bestel ik een kop koffie en een clubsandwich.
De clubsandwich ziet er prima uit: een driedubbel belegde witte boterham met ham, spek, kaas, ei en kip. Gretig neem ik een eerste, grote hap. Heerlijk! Jammer dat het wittebrood mierzoet is en dat de patat wit, slap en te kort gebakken is.
Buena comida! Eet smakelijk! Ik heb beslist mijn dag niet…