2007 Colombia en Mexico

Souvenir

Nog iets typisch Méxicaans meegenomen als aandenken aan deze geweldige reis?
Zeker wel…

Moet kunnen…

Nog voor de ontbijtdrukte zit ik ’s morgens vroeg in de lounge bij het restaurant van mijn hotel voor een nicotinestoot. Ik ben de enige gast.
De lounge bestaat uit symmetrisch geplaatste zithoeken, die van elkaar zijn gescheiden door houten wandjes. In het midden staat een vleugel, waar iedere avond de huispianist zijn best doet het optreden van de zangeres één verdieping lager te overstemmen met zijn spel. Ter weerszijden van de vleugel staan twee grote bakken met zilverwit, fijn grind en waterplanten.

Met veel gestommel komen twee ventjes van een jaar of negen uit de lift. Ze hebben ieder een paar metalen speelgoedautootjes bij zich en beginnen met die autootjes over de houten wandjes te rijden. Dat gaat niet onopgemerkt, want de jongetjes maken er harde motor- en remgeluiden bij. Bovendien zijn de houten wandjes opgebouwd uit deeltjes met een groef ertussen, wat de autogeluiden alleen nog maar ratelender en ‘echter’ maakt. Uit zijn hokje naast de toiletten zie ik de schoonmaker om een hoekje gluren. Dezelfde schoonmaker die iedere morgen ongevraagd en zonder mij aan te kijken met een beleefd knikje een cenicero voor mij neerzet, zodat ik de as van mijn pijp kwijt kan. Dezelfde schoonmaker ook wiens bezigheden er de hele dag uit bestaan de houten wandjes af te stoffen (ik zie geen stof), vervolgens met een rolveger de vloer aan te vegen (ik zie geen kruimels) om tenslotte de glazen scheidingswand van de lift af te zemen (ik zie geen vette vingers). Is-ie daarmee klaar, dan begint hij weer van voren af aan: stoffen, vegen, zemen…

De twee jongetjes hebben genoeg van hun spelletje en ontdekken de piano in het midden van de lounge. Ze gaan ieder aan een kant van de piano staan en gooien nu met een grote boog de autootjes naar elkaar over. In het begin gaat het nog niet zo goed. Ze kunnen nog niet zo precies mikken en regelmatig valt er zo’n metalen karretje bovenop de piano. Maar gaandeweg lukt het beter en komen de autootjes in de bakken met grind terecht. Nog leuker wordt het als de autootjes niet in het grind, maar met een plons in de bak met waterplanten terecht komen. Iedere keer als dat gebeurt, gaat er een triomfantelijk gegil op. De schoonmaker sluit geluidloos de deur en trekt zich terug in zijn hok.
Ik kijk met stijgende verbazing naar het gedrag van de twee jongetjes. Als ook het overgooien hen begint te vervelen, klauteren zij met z’n tweeën in de bak met grind en beginnen verwoed van dat grind een berg te maken. Net als in de zandbak op school leggen zij ook nog wegen aan. De waterplanten moeten het verduren als zij er blaadjes afrukken die op de berg als boompjes worden geplant. Als alles naar hun zin is, racen zij met de autootjes door de bak.
Vanuit het restaurant komen twee obers ‘nonchalant’ de lounge ingeslenterd. Zij slaan het gedrag van de twee kinderen gade. De jongetjes kijken even op en gaan dan verder met hun spel. De obers blijven aan de rand van de lounge staan en zijn duidelijk in tweestrijd. Van hun gezichten is af te lezen, dat zij absoluut geen begrip kunnen opbrengen voor dit kindergedrag in ‘hun’ vijf-sterren-hotel. Ze grijpen niet in. Blijven met samengeknepen lippen en billen in een hoekje van de lounge staan.

Ik sta op om een kop koffie voor mezelf in te schenken.
Als ik terug kom uit het restaurant zijn beide jongetjes verdwenen. Op het moment dat ik zijn hok passeer, komt de schoonmaker tevoorschijn. De man, die het nog niet eerder gepast vond mij aan te kijken, wisselt nu een blik van verstandhouding met me, sloft naar de plantenbakken en begint de troep op te ruimen…

Veilige landen?

México -en in sterkere mate Colombia- hebben de naam onveilige landen te zijn. Is dat zo?
Net als in iedere grote wereldstad moet je als toerist op je tellen passen. Moet je -een gewaarschuwd mens telt voor twee- geen domme dingen doen.
Feit is, dat het straatbeeld wordt bepaald door overal aanwezige agenten, militairen en particuliere bewakers. Met name de Colombiaanse regering doet er alles aan de toerist een gerust idee te geven om van het imago ‘onveilig land’ af te komen.
Feit is ook, dat ik woonwijken heb bezocht, waarvan de taxichauffeur me aanraadde om ‘hier vooral niet uit te stappen’, omdat hij er zelf ook niet over piekerde deze wijken ’s avonds in het donker te doorkruisen.

Dus: veilige landen?
Onderstaande tekst komt uit de gastenbrochure van Hotel Morrison in Bogotá:

VEILIGHEID

GEACHTE GAST
Om uw aanwezigheid in het hotel te waarborgen, raadt onze veiligheidsafdeling u het volgende aan:
Houd altijd uw kamerdeur van binnenuit op slot en maak hierbij gebruik van de veiligheidsketting.
Weiger ieder pakketje dat u wordt aangeboden, als u daar  niet om gevraagd heeft.
Stelt u onze veiligheidsafdeling ervan op de hoogte als dergelijke pakketjes u worden aangeboden.
Ontvangt u bezoekers op uw kamer tussen 7:00 uur en 23:00 uur dan dient u deze bezoekers van tevoren bij de receptie te melden en te registreren. Tussen 23:00 uur en 7:00 uur is bezoek op uw kamer niet toegestaan. Vermijd het bezoek van vreemden op uw kamer.
Geef de naam van uw hotel en uw kamernummer niet af aan vreemden.
Verlaat u het hotel, weiger dan gesprekken met mensen die u aanspreken om voor u een rondleiding te regelen. Weiger ook gesprekken met mensen die zich voordoen als politie-agenten of iets dergelijks en die om uw reisdocumenten vragen. Als dergelijke mensen aandringen, neem hen dan mee het hotel in en toon uw documenten alleen in aanwezigheid van ons Hoofd Beveiliging.
Vermijd om alleen op stap te gaan in de stad. Reis en verblijf alleen in goed verlichte en drukbevolkte wijken. Laat uw kostbaarheden, uw digitale camera of video in de kluis van het hotel achter. Neem slechts zoveel geld mee op straat als u denkt nodig te hebben.
Wissel geen geld op straat.
Maak alleen gebruik van veilige hoteltaxi’s als u de stad bezoekt.

ONTHOUD: uw veiligheid is onderdeel van onze dienstverlening

Naïef

‘¿Se permite fumar aquí?’, vraag ik aan de ober, gewend als ik inmiddels ben aan de rookverboden in de restaurants en de vele keren dat ik met mijn nicotineverslaving naar een tafeltje op het buitenterras werd verwezen. ‘Ningún problema, signor’, is het vriendelijke, maar enigszins verbaasde antwoord.

Vanuit mijn ooghoek zie ik dat het restaurant goed bezet is en hoewel het ‘geen enkel probleem’ is, besluit ik toch maar de vele gasten binnen niet lastig te vallen met mijn sigarenwalm en neem plaats aan een tafeltje buiten. Pas als ik de menukaart krijg en een betere blik naar binnen werp, merk ik dat op alle drukbezette tafeltjes overal waterpijpen staan en het hele restaurant blauw staat van een zoetig ruikende rook…

Woordenboekje #3

‘Waarom spreken jullie geen Engels?’, vraag ik -licht verwijtend- aan mijn tafelgenote. Ze kijkt me even aan.
‘Waarom spreken jullie eigenlijk geen Spaans?’
Ik zit met m’n mond vol tanden en kan niet anders dan haar gelijk geven.

Maar hoe leg je dan uit, dat je getrouwd bent?
Dat je vrouw is overleden? Dat je twee kinderen hebt?
Dat die kinderen getrouwd zijn? Dat je twee kleinkinderen hebt? Dat het derde kleinkind op komst is?

Simpel. Je vraagt de ober een pen en een stukje papier.
En je begint te tekenen…

Woordenboekje #2

Tijdens de vlucht van Bogotá naar México-City reikt de stewardess een Declaración de Equipaje y Titulos Representativos de Dinero-Viajeros uit. Of ik dat maar even wil invullen. Tevergeefs probeer ik te begrijpen wat me allemaal gevraagd wordt. Gelukkig spreekt de Colombiaanse naast me een paar woordjes Engels…

Achterdochtige Hollanders?

‘We hebben gisteravond in de Zona Rosa gegeten en willen vanavond downtown een hapje eten. Kunt u ons een tip geven waar we heen kunnen en een taxi voor ons bestellen?’ De receptioniste van het hotel adviseert ons naar La Candelaria te gaan, waar we volop bars, restaurants en winkels zullen vinden.

‘Do you speak English?’, vragen we -tegen beter weten in- aan de chauffeur. ‘Solamente Espagñol, sir!’ Gelukkig hebben we een plattegrond bij ons van Bogotá en een kaartje van het hotel. We wijzen op de plattegrond de wijk Candelaria aan, hebben het over restaurants en bars en maken daarbij de bekende eet- en drinkgebaren. ‘Si, si! Candelaria’, begrijpt de chauffeur. Hij zet de meter aan en begint te rijden.
We leunen behaaglijk achterover en verheugen ons op een etentje in het centrum van de stad, maar na zo’n twintig minuten kijken we elkaar bezorgd aan. De wijk waarin we rijden bestaat uit steeds smallere straten, er lopen nauwelijks mensen buiten en al zeker geen toeristen en op de hoek van iedere zijstraat zien we groepjes zwaar bewapende militairen staan. De taxi stopt. ‘Hier is het’, maakt de chauffeur ons duidelijk.
We hebben geen enkele behoefte in deze buurt uit te stappen en wijzen de chauffeur er nogmaals op dat we naar een straat met restaurants willen. We maken weer drinkbewegingen, doen alsof we happen eten in onze mond stoppen en wrijven over onze buik. Restaurant! Da’s toch een internationaal woord en dat moet een taxichauffeur in een wereldstad toch begrijpen? Dat doet-ie ook: ‘Si, si! Restaurant!’
Hij toert wat in de wijk rond (in deze straat zijn we toch al geweest?) en stopt op een plek die nog naargeestiger is dan de vorige: een totaal verlaten en spaarzaam verlicht plein. Trots wijst de chauffeur naar buiten: ‘Restaurant! Aqui!’ We kijken in de richting waarin hij wijst en zien inderdaad een restaurant, maar ook deze buurt trekt ons niet.
De chauffeur haalt zijn schouders op en begint weer te rijden. We turen naar buiten, waar het inmiddels donker is geworden en als we uiteindelijk na vele rondjes een brede straat zien met veel verlichting, veel winkeltjes en veel mensen laten we de chauffeur stoppen en stappen uit.

Het naambordje geeft aan dat we ons op de Avenue Fernando Mazuera bevinden en inderdaad: hier zijn volop winkeltjes, hier zijn volop eetgelegenheden. Maar die winkeltjes en ‘restaurantjes’ zien er in onze ogen zo armoedig, verwaarloosd en smerig uit, dat we geen behoefte hebben er binnen te stappen. ‘Zal verderop wel gezelliger worden’, houd ik de moed erin, ‘ik zie daar wel een pinautomaat. Laat ik eerst maar even geld opnemen.’ Met een dikke portemonnee Colombiaanse pesos vervolgen we onze zoektocht naar een hapje eten.
Steeds vaker maken zich mensen los van de muur waartegen ze nonchalant geleund staan om op ons toe te stappen en hun ‘diensten’ aan te bieden of te bedelen. Steeds vaker lopen ze een eindje met ons op. Steeds vaker wordt hun houding indringender en agressiever. Steeds vaker houd ik mijn tas-met-portemonnee-met-veel-geld steviger tegen me aangeklemd. We beginnen ons nu werkelijk onbehaaglijk te voelen. Waar zijn al die agenten nou die we eerder op de avond hebben gezien? Als aan het eind van de straat ook het aantal eettentjes vermindert, besluiten we het voor gezien te houden. We lopen naar de stoeprand en houden een taxi aan.

Natuurlijk spreekt ook deze chauffeur solamente Espagñol en we houden het kaartje van het hotel tegen de ruit die tussen de voor- en achterbank is geplaatst. ‘Hotel Morrison!’, roepen we. We houden de stadsplattegrond ook tegen de ruit en wijzen de Zona Rosa aan.
‘Si, si! Zona Rosa’, begrijpt de chauffeur, ‘norte!’
‘Niks norte! Zona Rosa!’, proberen we nog, maar de chauffeur meldt aan de centrale zijn ritje en zijn bestemming en begint al te rijden. ‘Het zal wel aan ons Spaans liggen’, stellen we elkaar gerust, ‘het komt allemaal wel goed.’ Maar ondertussen kijken we speurend de donkere stad in. Dit is toch een heel andere route dan op de heenweg? We herkennen niets. We worden pas echt ongerust als de chauffeur de drukte van de stad verlaat en een afslag neemt, die ons naar de buitenwijken in de heuvels rondom Bogotá voert.
We bonzen weer op de ruit, roepen nogmaals en steeds luider ‘Zona Rosa’ en wijzen verwoed op de stadsplattegrond. De chauffeur knikt begrijpend: ‘Si, si! Norte!’
We zijn inmiddels terecht gekomen in een stille, armoedige buitenwijk en de chauffeur heeft moeite de vele kuilen in de weg te ontwijken. Af en toe komt ons nog een auto tegemoet en de straten zijn uitgestorven. De taxi begint steeds langzamer te rijden en de chauffeur kijkt zoekend om zich heen. In mijn hoofd spelen zich allerlei doemscenario’s af. Geeft de Nederlandse regering niet voor niets een negatief reisadvies af voor Colombia? En heb ik voor mijn vertrek niet allerlei verhalen gelezen over berovingen? En heeft die chauffeur zich eigenlijk wel bij de centrale gemeld, zoals wij dachten of heeft-ie zijn kameraden getipt, dat-ie twee gringo’s in zijn taxi heeft en is hij nu op weg naar een verlaten punt waar hij zijn taxi zal stoppen? En heb ik niet net veel geld opgenomen? De raampjes achterin beginnen te beslaan. Verwoed veeg ik ze schoon om op z’n minst te kunnen zien waar ik beroofd zal worden…

Steeds meer kijkt de chauffeur zoekend rond, steeds langzamer rijdt de taxi door de inmiddels weer wat drukker geworden straten en ja hoor, zie je wel, hij stopt! Maar in plaats dat er vanuit het donker vier lugubere Colombianen met messen op ons af springen, roept de chauffeur een verkoper bij een stalletje naar zich toe om de weg te vragen naar ons hotel…
Vijf minuten later zitten we in een restaurant in Zona Rosa beiden achter een grote cerveza en kunnen we lachen om ons ‘avontuur’. We vragen ons af of de Colombiaanse taxichauffeurs nu inderdaad zo onwetend zijn of dat we op z’n Hollands gezegd ‘bedonderd’ zijn. En dan nog: beide taxiritjes hebben ons welgeteld € 4,– gekost…
Terug in het hotel brengen we de receptioniste verslag uit van onze ervaringen met beide taxi’s. ‘Bad luck’, is haar nuchtere reactie.

Oh ja…
Vertelt GJ dit hele taxiverhaal de volgende dag op zijn werk aan een Colombiaanse collega. Is haar reactie: ‘Hebben jullie met z’n tweeën op de Avenue Fernando Mazuera gelopen? Gisteravond? En hebben jullie daar gewoon je hand opgestoken en een wildvreemde taxi aangeroepen? Wil je dat alsjeblieft nooit, nooit meer doen.’

Flikflooien

Tijdens mijn terugvlucht van México-City naar Schiphol word ik midden in de nacht wakker voor een seniorenplas. De lichten zijn uit, alle raampjes gesloten en om mij heen is iedereen in een diepe slaap. Zo geluidloos mogelijk maak ik gebruik van het toilet.
Ik heb dorst en loop in de richting van de pantry om de stewardess een flesje water te vragen. Het blauwe gordijn van de pantry is dicht op een smalle kier na. Dichterbij gekomen zie ik door die kier heen de stewardess liefkozend, knuffelend en kusjes gevend met één van de passagiers in de weer. Als ik bij het gordijn ben aangekomen, geef ik eerst een stevige roffel op het schot ernaast. Ik hoor wat beweging, wat geritsel, wacht nog even en schuif dan het gordijn opzij.
Glimlachend kijkt de stewardess me aan. Wat er van mijn dienst is en of ik misschien trek heb in een kop koffie, want ‘ik heb net vers gezet’. De man tegenover haar in dat kleine hokje kijkt even snel van de vrouw naar mij en fixeert zijn blik dan belangstellend op een kastdeurtje tegenover hem. De stewardess schenkt een kop koffie voor me in, presenteert er een koekje bij en we raken aan de praat. In het gesprek kom ik erachter dat de aanwezige man een KLM-piloot is (‘schrikt u niet: niet dé piloot van dit vliegtuig..’) en als passagier meevliegt op deze vlucht. Als ik mijn koffie op heb, ga ik terug naar mijn stoel. Voor ik weer in slaap sukkel, gaan er allerlei gedachten door mijn hoofd.
Zie je wel, het is dus waar! Al die verhalen! Net als in die doktersromannetjes, waar de bloedmooie verpleegster altijd verliefd wordt op de getrouwde chirurg. En bij luchtvaartmaatschappijen gaat het dus al net zo! Hebben natuurlijk stilletjes gewacht tot alle passagiers in slaap waren gevallen! En zitten verdorie gewoon midden in de nacht met elkaar te flikflooien achter een dun gordijntje. Komt-ie straks thuis bij zijn eigen vrouw, vraagt ze hoe de vlucht was en liegt zo’n huichelaar er natuurlijk met een stalen gezicht op los! En dan zij! Zou ze ook getrouwd zijn of zit ze gewoon ordinair achter zo’n piloot aan?

Als ik ’s morgens wakker wordt, kijk ik om me heen. Ik ontdek dat ‘de piloot’ schuin achter me zit. Hij ziet me kijken en knipoogt. Naast hem wordt een jongetje van een jaar of tien wakker, dat met een nog slaperig stemmetje vraagt: ‘Zijn we er bijna papa?’ Papa! De ploert is ook nog eens met zijn zoontje op reis! Het kind moest eens weten…
De stewardess loopt inmiddels door het middenpad en begint hier en daar een passagier voorzichtig wakker te maken voor het ontbijt. Als ze bij mij is aangekomen, informeert ze of ik na de koffie nog heb kunnen slapen. ‘Ja, ja’, denk ik, ‘daar zul je wel benieuwd naar zijn, slettebak!’. Voor ik haar kan antwoorden, word ik onderbroken door een kinderstem schuin achter me: ‘Mama! Ik ben al wakker hoor!’. Vertederd werpt de stewardess een blik naar het kind. Bij mij stijgt het bloed naar m’n hoofd. Nog niet helemaal gerust, wil ik absolute zekerheid.
‘Eh… die piloot. Is dat uw eigen piloot? En dat kind. Is dat uw zoontje?’
‘Ja’, antwoordt ze stralend, ‘leuk hè? Hij vliegt voor het eerst van zijn leven met zijn vader en moeder mee. Maar waarom vraagt u dat?’
Ik kan niets anders uitbrengen dan een gemompeld: ‘O, zo maar…’

Slaapverwekkend?

‘Zal ik terug rijden?’
Ik heb voor een dag een taxi-met-Engelstalige-chauffeur gehuurd en we staan aan de rand van de krater van de Nevada de Toluca. De rit naar deze vulkaan was niet zonder slag of stoot verlopen. ‘Mijn’ chauffeur kent weliswaar México-City op zijn duimpje, maar op een uurtje rijden buiten de stad is hij net zo onbekend als ik. Ik wilde persé deze vulkaan bezoeken en de chauffeur had al aardig wat in de rondte gereden op zoek naar de toegangsweg tot de Nevada. Diverse keren was hij gestopt en had aan collega-chauffeurs de weg moeten vragen, maar uiteindelijk stonden we voor het grote bord met een plattegrond van het natuurgebied. Nu is mijn Spaans niet zo best (…), maar een snelle blik op dat bord leerde me, dat we twintig kilometer de bergen in moesten om bij de krater te komen.

Direct na het bord hield het asfalt op en veranderde de ‘weg’ in een steil omhooglopend breed pad, vol scheuren en diepe kuilen. Het vergde van Francisco behoorlijk wat stuurkunst om zijn taxi om de ergste hobbels en spleten heen te manoeuvreren. Hoger dan zijn tweede versnelling kwam hij niet. Af en toe kwamen we een andere auto tegen (wie trekt in vredesnaam dit gebied in?) en verder maakte het landschap een verlaten indruk.
Halverwege dit traject stond in the middle of nowhere een eenzaam huisje. De weg werd versperd door een slagboom. Er slofte een man naar buiten, die ons nieuwsgierig bekeek. Hij bleek de ‘bewaker’ te zijn van het laatste stukje naar de krater en woonde drie dagen per week in het huisje. Daarna werd hij afgelost door een collega. Aan zijn hele houding kon ik merken, dat hij het maar vreemd vond zo buiten het seizoen (?) nog een auto aan te treffen. Tegen betaling van 40 pesos deed hij de slagboom voor ons open. Francisco en ik kochten ieder nog een flesje (lauw) water, groetten de man vriendelijk en reden onder de slagboom door.

Toen we -na nog eens twaalf kilometer- zigzaggend de krater bereikten, stapten we uit en lieten sprakeloos het landschap op ons inwerken. We klauterden naar beneden, gingen ieder op een steen zitten aan de rand van het kratermeer en keken om ons heen. We zaten op ruim vierduizend meter hoogte en wat we zagen was overweldigend. Zo puur kon de natuur dus zijn…
Francisco en ik keken elkaar aan. Beiden waren we diep onder de indruk van deze plek, van deze oorverdovende, ruige stilte. We spraken niet veel, voelden ons heel klein en nietig.
Ik slenterde naar de rand van het meer, pakte een mooi plat steentje op en liet dat over het water stuiteren. Francisco kwam naast me staan. Als twee schooljongetjes stonden we een poosje een wedstrijdje te houden wiens steentje de meeste stuiters maakte. Ik draaide me om en liep naar de auto.

‘Zal ik terug rijden?’
Mijn vraag aan Francisco is niet eens serieus bedoeld, maar tot mijn verbazing geeft hij mij de autosleuteltjes en stapt doodgemoedereerd aan de ‘verkeerde’ kant van zijn taxi in. Ik start en begin aan de afdaling. Ik rijd nog voorzichtiger dan Francisco op de heenweg. Had hij me niet verteld, dat deze auto zijn enige bron van inkomsten is? En dat hij van de opbrengst van zijn taxiritjes ook zijn moeder, de alimentatie voor zijn ex en het onderhoud van zijn nieuwe vriendin moet betalen? En had hij er ook niet aan toegevoegd, dat hij zijn taxi nog aan het afbetalen is?
Halverwege de rit naar beneden kijk ik opzij naar Francisco.
Hij zit volkomen op zijn gemak naast me. Sterker nog: hij heeft zijn ogen gesloten. Als ik hem aanspreek, geeft hij geen antwoord: mijn chauffeur zit naast me te slapen! Vlak voor we onderaan de berg de asfaltweg weer zouden oprijden, schrikt Francisco wakker.
Hij kijkt om zich heen, verwondert zich erover, dat we alweer beneden zijn, heeft de passage van de slagboom volledig gemist en stelt me voor te blijven sturen tot aan het hotel. Ik voel er weinig voor me met andermans auto in het drukke Méxicaanse verkeer te wagen. ‘En bovendien’, voeg ik eraan toe, ‘is het wel mooi geweest zo. Ik betaal jou 180 pesos per uur, je laat mij jouw werk doen en gaat rustig naast me liggen slapen…’ Francisco kijkt me aan, glimlacht en we wisselen van plaats.

Schat…

‘Schat, zet jij de vuilnis even buiten?’
‘Waarom moet ik dat altijd doen?’
‘Omdat ik al zoveel andere dingen doe in huis.
Hè, doe nou niet zo moeilijk!’
‘Ja hoor, je kunt het dak op…’