2007 Colombia en Mexico

Dit reisverhaal is ook te downloaden als eBook.
Klik hier om naar de downloadpagina te gaan.

Klasse!

‘Wij gaan onze jas toch niet bovenin bij de handbagage stoppen, mijnheer? Dan komen er allemaal kreukels in. Zal ik hem voor u aannemen en even weghangen?’
Ik ben net ingestapt en -voor het eerst van mijn leven- de trap opgegaan die naar de business class leidt. Gewend als ik ben bij eerdere vluchten mijn handbagage meteen in het bagagevak te proppen, word ik hier al meteen vriendelijk terecht gewezen door de stewardess.

Dat is dus het verschil tussen vliegen in de toeristenklasse en business class! Nu waren die verschillen me al opgevallen vanaf het moment dat ik de vertrekhal van Schiphol binnenstapte. Niet gewend aan deze luxe manier van reizen, wilde ik met mijn koffer netjes aansluiten bij het rijtje schuifelende passagiers om in te checken.
Fout! Mijn door de wol geverfde reisgenoot wees me subtiel op het bordje ‘Business Class Only’, waar helemaal geen rijtje stond en waar we zo door konden lopen.
Na de douanecontrole dacht ik in een van de vele restaurantjes nog een kop koffie te gaan drinken voor we aan boord zouden gaan.
Fout! Luchtig wapperend met zijn KLM-card kregen mijn reisgenoot en ik toegang tot de KLM-VIP-launch, waar we konden wegzakken in comfortabele fauteuils. Er was niet alleen koffie, maar ook allerlei andere drankjes. Er stonden zoete en hartige hapjes. Er was soep.

Toen het tijd was om te boarden en we bij de gate waren aangekomen, wilde ik op een van de lange rijen stoeltjes gaan zitten.
Fout! Ook hier weer een bordje ‘Business Class Only’ en toen het boarden eenmaal begon, mochten de business-classers als eerste het vliegtuig in. En dan eenmaal binnen meteen weer in de fout met die jas van me. Om me heen zie ik diverse andere en meer ervaren reizigers netjes hun jas of colbert afgeven. ‘De provinciaal gaat op reis’, schiet het door me heen, terwijl ik (laat ik maar doen alsof dit de gewoonste zaak van de wereld voor me is) ga zitten in mijn stoel. ‘Ga zitten’ is niet het juiste woord. Ik vlei me neer in een meer dan comfortabele stoel, met meer dan comfortabele verstelmogelijkheden en meer dan comfortabele beenruimte.
Ik ben nog volop bezig als een kind-op-schoolreis alle verstelmogelijkheden van die reisfauteuil uit te proberen als de stewardess weer langs komt. Glimlachend kijkt ze even toe hoe ik bezig ben met al die knopjes en onderbreekt me dan vriendelijk: ‘Mag ik u iets te drinken aanbieden, mijnheer Mahn?’.  ‘Mijnheer Mahn!’. Natuurlijk had ze even snel op de passagierslijst gespiekt voor ze me aansprak, maar toch. Alsof het voor mij de gewoonste zaak van de wereld is, neem ik zo nonchalant mogelijk een glas champagne van het blad en zet dat op mijn tafeltje. Let wel: op mijn tafeltje. Dat tafeltje, dat je uit je linker leuning tovert en dus niet zo’n wankel dienblaadje dat bevestigd zit aan de achterkant van de rugleuning van degene die voor je zit, en waarvan je altijd maar moet hopen dat die andere passagier een beetje stil zit, zodat de koffie niet over de rand van je kopje klotst.

Als we zijn opgestegen, pak ik mijn krantje en verdiep me in het laatste nieuws. Heerlijk, zoveel ruimte dat je -zonder je buurman te storen- je krantje breed kunt uitvouwen. Ondertussen komt de stewardess alweer rond met een nieuw drankje. Ik denk al aardig thuis te zijn in dit wereldje en ik vraag een whisky. Blijk ik toch nog niet helemaal gewend. ‘Wilt u een Chivas Regal, een Highland Park of een Jim Beam Bourbon?‘, is haar wedervraag, ‘en heeft u ook al een keuze kunnen maken voor het diner?’.

Voorgerecht
Prosciutto met gegrilde artisjokharten, gegrilde aubergine, mozzarella, een geroosterde tomaat en pesto

Hoofdgerechten
Gegrilde tournedos
In een romige saus met oesters en champignons, met een melange van gesauteerde sperziebonen, prei, bacon en nieuwe aardappels uit de oven
of
Gesauteerde zalm met een visveloutésaus met dragon, een gegrilde sint-jakobsschelp, een puree van spinazie, worteltjes en gemengde wilde rijst
of
Provençaalse kip met polenta, mascarpone en gesauteerde sperziebonen

Dessert
We nodigen u graag uit een keuze te maken uit gebak, kaas of vers fruit van onze dessertwagen.

In between service
Voor uw gemak komen wij kort na de maaltijd bij u langs met flesjes mineraalwater.

Skybreak
U bent ook van harte welkom om tijdens de vlucht onze galley te bezoeken, waar een selectie van snacks en drankjes verkrijgbaar zal zijn.

Ontbijt à la carte
Wij verzoeken u het ontbijt van uw keuze op uw “à la carte breakfast card” aan te geven.


Warme ontbijtgerechten vandaag:
Hartig gerecht:
Omelet met tuinkruiden en chilaquiles -een traditioneel Mexicaans gerecht van gebakken tortillachips, rode salsa en kaas- geserveerd met een varkensworstje, groene saus en zure room.

Zoet gerecht:
Frambozenpannenkoeken met gekaramelliseerde appel en vanillesaus

‘Wilt u uw tafeltje uitklappen?’, vraagt dezelfde stewardess me een uurtje later. Ze loopt rond met een dienblad met warme, vochtige verfrissingsdoekjes en deelt die aan de passagiers uit. Niet lang daarna haalt ze die doekjes weer op en legt een hagelwit tafelkleedje op mijn tafeltje. Terwijl ik zit te genieten van mijn ‘gesauteerde zalm met een visveloutésaus met dragon’ (waarbij ik natuurlijk een glas wijn drink van de wijnkaart…) denk ik aan al die keren, dat ik ‘beneden’ heb gevlogen. Hoe ik daar had zitten tobben om mijn eten op dat piepkleine campingtafeltje kwijt te kunnen. Hoe ik daar met plastic bakjes en plastic kopjes en plastic glazen had zitten modderen. Hoe ik daar bij de eerste de beste keer dat ik mijn plastic mes en vork gebruikte meteen die vork al doormidden had gebroken. Wat een wereld van verschil! ‘Boven’ wordt het eten opgediend in keurig serviesgoed. ‘Boven’ krijg je, in een servetring, een linnen servet, dat zelfs voorzien is van een (KLM-blauw) afgestikt knoopsgaatje om hem netjes aan het knoopje van je overhemd vast te maken (heb ik wat aan met m’n toeristenklasse-gestreepte-vrijetijdsshirtje).

Na het eten begint iedereen zich klaar te maken voor de nacht. Hier en daar is er nog een enkele passagier die een keuze maakt uit de twaalf videokanalen en met half-slaperige ogen naar zijn eigen tv-schermpje ligt te staren, maar de meesten gaan onder zeil. Ook ik zet m’n stoel in de slaapstand, pak mijn KLM-blauwe-plaid en trek die over me heen. Ook ik pak mijn KLM-blauwe-hoofdkussen en prop dat achter mijn hoofd. Ik draai me op m’n zij (…), doe mijn ogen dicht en probeer wat te slapen. De andere passagiers sukkelen de een na de ander in slaap, maar mij wil dat niet lukken. Ik ben te veel onder de indruk van wat ik allemaal heb meegemaakt. Het is ook een bizarre ervaring om met een snelheid van zo’n duizend kilometer per uur op elf kilometer hoogte door de ruimte te suizen, behaaglijk onder m’n plaid, terwijl het buiten tussen de 40 en 60 graden onder het vriespunt is. En dan moet ik gaan slapen? Ik knap wat stevige, onrustige uiltjes.

Toen ik nog op mijn plaats zat, had ik mijn nieuwsgierigheid kunnen bedwingen om niet meteen in het KLM-toilettasje te kijken, maar nu ik in de toiletruimte sta om me wat op te knappen voor het à la carte ontbijt, stal ik de inhoud op de wastafel uit: een tandenborstel, tandpasta, oordopjes, een slaap-blinddoekje, een kammetje, gezichtslotion, lippenbalsem, een paar sokken en een balpen. Ik fris me op, gebruik meer dan overvloedig de in de toiletruimte aanwezige gezichtsreiniger en hand & body lotion, sproei mezelf stevig onder uit het flesje Twilight Body Perfum en loop in een wolk van frisheid terug naar mijn stoel.
De elf uur durende reis zit er bijna op. Nog even ontbijten en ik ben in México. Ik kijk er naar uit. Maar ook al naar de terugreis. Luxe went snel…

México City

Ik ga even zitten op een bankje aan de Paseo de la Reforma om op adem te komen. Niet vanwege de elf uur durende vlucht die me van Schiphol naar México-City bracht. Ook niet vanwege de ruim negenduizend kilometer die ik heb overbrugd. Wel om bij te komen van de enorme, overrompelende overgang.
Nog geen dag geleden stapte ik in mijn kleine, rustige dorpje met nog geen tweeduizend inwoners in mijn auto op weg naar Schiphol. En nu zit ik hier in een wereldstad met 22 miljoen inwoners. Achter me staat het Monumento a la Indepencia, in de volksmond bekend als La Angel. Recht vooruit kijk ik de Avenida Florencia in, het begin van het bekende uitgaanscentrum Zona Rosa. Van dorp naar metropool: kan de overgang groter zijn?

Om me heen een kakofonie van geluiden: toeterend verkeer, dat kris-kras voortdurend van rijstrook wisselt in een poging vooruit te komen in deze chaos. Een ontspannen chaos, dat wel, want als ik wat langer zit, merk ik dat het verkeer zich door de stad wurmt volgens het idee ‘leven en laten leven’. Aangegeven maximum snelheden worden massaal genegeerd. Voorsorteren mag, maar is niet noodzakelijk. Ik zie een wit-rode taxi op de meest rechter rijstrook voor het rode licht wachten. Als het licht op groen springt en de vier banen auto’s zich in beweging zetten, steekt de taxichauffeur luchtigjes zijn arm uit het raampje en wringt zich voor de drie andere stroken langs linksaf de zijstraat in. Op centimeters schuiven de auto’s langs en door elkaar heen, er wordt voortdurend en hard getoeterd, maar iedereen laat hem gaan. Niks agressiviteit: vandaag jij, morgen ik.

Op de rotonde tel ik zeker een tiental verkeersagenten. Ze staan in groepjes van drie tot vier bij elkaar op de stoeprand. Als het verkeerslicht van kleur verandert, stappen zij de weg op en beginnen driftig en doordringend op hun fluitjes te blazen en druk met hun armen te gebaren. Het lijkt of niemand zich er wat van aantrekt. Iedereen gaat schijnbaar zijn eigen gang in deze verkeersmierenhoop.
Op de hoek van de Avenida Florencia staat een agent tegen een paal geleund. Zijn te dikke buik bolt in een smetteloos wit overhemd over zijn uniformbroek en met een al even smetteloos witte zakdoek veegt hij het zweet van zijn voorhoofd. Dan maakt hij zich los van de lantaarnpaal, steekt zijn hand op ten teken dat het verkeer moet stoppen en loopt naar het midden van de kruising. Daar begint hij als een dolle op zijn fluitje te blazen, maakt naar alle kanten allerlei onbegrijpelijke gebaren en zet van vier kanten het verkeer stil. Hij kijkt om zich heen, stopt zijn overhemd wat beter in zijn broek, wandelt -nog steeds op zijn fluitje blazend en druk gebarend- van de kruising af en verdwijnt in een zijstraat. Het verkeer blijft nog even staan en komt dan van vier kanten weer in beweging. Ik moet denken aan die ene politieauto bij ons in het dorp, die -als we geluk hebben- drie keer per week een patrouillerondje rijdt.

Voor mijn bankje langs schuifelt een constante stroom voetgangers voorbij. Ik sta op en laat me met de stroom meevoeren de Zona Rosa in. Het is zaterdagavond en in de uitgaanswijk kun je over de hoofden lopen. Voor ieder restaurant, iedere bar, disco of winkel staan mannen, die me uitnodigen naar binnen te komen. Ik word veelvuldig aangesproken en er wordt me van alles aangeboden in rap en soms gefluisterd Spaans, waarvan ik niets begrijp. Af en toe vang ik tussen al dat Spaans wat Engels op, als ik uitgenodigd word naar de ladies bar te komen. Het is een complete, overrompelende kermis: waar ik kijk, zie ik mensen, mensen en mensen. De ontelbare auto’s rijden stapvoets tussen dat alles door. Af en toe mengt zich een politieauto met zwaailicht tussen dat gekrioel. Via zijn luidspreker geeft hij aanwijzingen. Voor wie? Geen idee, want ook hier trekt niemand zich er wat van aan.
Ik wring me tussen het uitgaanspubliek door en vind na enig zoeken een vrij tafeltje op een terras en bestel een cerveza. Er begint een Mexicaans orkestje te spelen. Aan de overkant treedt een gitarist op. Uit alle winkels en eetgelegenheden klinkt muziek. Van alle kanten klinkt autogetoeter en gefluit van agenten, vermengd met het lachen en praten van het uitgaande publiek.
Ik zit aan de buitenrand van het terras en regelmatig komt er iemand langs die mij zijn koopwaar aanbiedt. Ik heb op dit moment geen behoefte aan bloemen, chocola of een Jezus-aan-het-kruis. Als even later mijn maaltijd wordt geserveerd, komt er een meisje van een jaar of zeven naar het terras gelopen. Haar rok is gescheurd en aan de mouwen van haar smoezelige truitje hangen rafelige draadjes. Een kapper heeft ze al lange tijd niet bezocht en haar lange, zwarte haar hangt in vettige sliertjes rond haar smalle gezichtje. Ze zeult een voor haar veel te grote accordeon met zich mee.
Ze blijft staan, peutert het bandje van de accordeon los en begint te spelen. Ondertussen speurt ze met haar grote, doffe ogen het terras af in de hoop dat iemand haar wat geld zal geven. Haar accordeonspel is vals en niet om aan te horen. Als ze er ook nog -net zo vals- bij gaat zingen, breekt mijn hart. Ik moet denken aan mijn eigen kleindochter, net zo oud, negenduizend kilometer hier vandaan. Het idee, dat die kleine meid ’s avonds laat over straat zou moeten zwerven om zo aan de kost te komen…

México-City: impressie

México-City:  Museo Nacional de Antropologia

Schoon

In de lobby van Hotel Sevilla Palace staan comfortabele zitjes. Bij ieder zitje staat een zuiltje met een asbak. Die asbak is gevuld met een laagje zilverwit zand, waarin met een stempel het logo van het hotel wordt gedrukt. Ik heb een pijp gerookt, klop de as uit in zo’n asbak en loop even weg om een kop koffie te halen.
Als ik nog geen twee minuten later weer bij ‘mijn’ plaatsje terugkom, blijf ik verbaasd staan. Hier zat ik toch niet? In de asbak een onberispelijk schoon laagje zilverzand. In het zand een onberispelijk logo van het hotel.
‘Hier zat ik dus wel’, denk ik als ik nog net een schoonmaker om het hoekje zie verdwijnen.

Naïef

‘¿Se permite fumar aquí?’, vraag ik aan de ober, gewend als ik inmiddels ben aan de rookverboden in de restaurants en de vele keren dat ik met mijn nicotineverslaving naar een tafeltje op het buitenterras werd verwezen. ‘Ningún problema, signor’, is het vriendelijke, maar enigszins verbaasde antwoord.

Vanuit mijn ooghoek zie ik dat het restaurant goed bezet is en hoewel het ‘geen enkel probleem’ is, besluit ik toch maar de vele gasten binnen niet lastig te vallen met mijn sigarenwalm en neem plaats aan een tafeltje buiten. Pas als ik de menukaart krijg en een betere blik naar binnen werp, merk ik dat op alle drukbezette tafeltjes overal waterpijpen staan en het hele restaurant blauw staat van een zoetig ruikende rook…

Slaapverwekkend?

‘Zal ik terug rijden?’
Ik heb voor een dag een taxi-met-Engelstalige-chauffeur gehuurd en we staan aan de rand van de krater van de Nevada de Toluca. De rit naar deze vulkaan was niet zonder slag of stoot verlopen. Mijn chauffeur kent weliswaar México-City op zijn duimpje, maar op een uurtje rijden buiten de stad is hij net zo onbekend als ik. Ik wilde persé deze vulkaan bezoeken en de chauffeur had al aardig wat in de rondte gereden op zoek naar de toegangsweg tot de Nevada. Diverse keren was hij gestopt en had aan collega-chauffeurs de weg moeten vragen, maar uiteindelijk stonden we voor het grote bord met een plattegrond van het natuurgebied. Nu is mijn Spaans niet zo best (…), maar een snelle blik op dat bord leerde me, dat we twintig kilometer de bergen in moesten om bij de krater te komen.

Direct na het bord hield het asfalt op en veranderde de ‘weg’ in een steil omhooglopend breed pad, vol scheuren en diepe kuilen. Het vergde van Francisco behoorlijk wat stuurkunst om zijn taxi om de ergste hobbels en spleten heen te manoeuvreren. Hoger dan de tweede versnelling kwam hij niet. Af en toe kwamen we een andere auto tegen (wie trekt in vredesnaam dit gebied in?) en verder maakte het landschap een verlaten indruk.
Halverwege dit traject stond in the middle of nowhere een eenzaam huisje. De weg werd versperd door een slagboom. Er slofte een man naar buiten, die ons nieuwsgierig bekeek. Hij bleek de ‘bewaker’ te zijn van het laatste stukje naar de krater en woonde drie dagen per week in het huisje. Daarna werd hij afgelost door een collega. Aan zijn hele houding kon ik merken, dat hij het maar vreemd vond zo buiten het seizoen (?) nog een auto aan te treffen. Tegen betaling van 40 pesos deed hij de slagboom voor ons open. Francisco en ik kochten ieder nog een flesje (lauw) water, groetten de man vriendelijk en reden onder de slagboom door.

Toen we -na nog eens twaalf kilometer- zigzaggend de krater bereikten, stapten we uit en lieten sprakeloos het landschap op ons inwerken. We klauterden naar beneden, gingen ieder op een steen zitten aan de rand van het kratermeer en keken om ons heen. We zaten op ruim vierduizend meter hoogte en wat we zagen was overweldigend. Zo puur kon de natuur dus zijn. Francisco en ik keken elkaar aan. Beiden waren we diep onder de indruk van deze plek, van deze oorverdovende, ruige stilte. We spraken niet veel, voelden ons heel klein en nietig.
Ik slenterde naar de rand van het meer, pakte een mooi plat steentje op en liet dat over het water stuiteren. Francisco kwam naast me staan. Als twee schooljongetjes stonden we een poosje een wedstrijdje te houden wiens steentje de meeste stuiters maakte. Ik draaide me om en liep naar de auto.

‘Zal ik terug rijden?’
Mijn vraag aan Francisco is niet eens serieus bedoeld, maar tot mijn verbazing geeft hij mij de autosleuteltjes en stapt doodgemoedereerd aan de ‘verkeerde’ kant van zijn taxi in. Ik start en begin aan de afdaling. Ik rijd nog voorzichtiger dan Francisco op de heenweg. Had hij me niet verteld, dat deze auto zijn enige bron van inkomsten is? En dat hij van de opbrengst van zijn taxiritjes ook zijn moeder, de alimentatie voor zijn ex en het onderhoud van zijn nieuwe vriendin moet betalen? En had hij er ook niet aan toegevoegd, dat hij zijn taxi nog aan het afbetalen is?
Halverwege de rit naar beneden kijk ik opzij naar Francisco.
Hij zit volkomen op zijn gemak naast me. Sterker nog: hij heeft zijn ogen gesloten. Als ik hem aanspreek, geeft hij geen antwoord: mijn chauffeur zit naast me te slapen! Vlak voor we onderaan de berg de asfaltweg weer zouden oprijden, schrikt Francisco wakker.
Hij kijkt om zich heen, verwondert zich erover, dat we alweer beneden zijn, heeft de passage van de slagboom volledig gemist en stelt me voor te blijven sturen tot aan het hotel. Ik voel er weinig voor me met andermans auto in het drukke Méxicaanse verkeer te wagen. ‘En bovendien’, voeg ik eraan toe, ‘is het wel mooi geweest zo. Ik betaal jou 180 pesos per uur, je laat mij jouw werk doen en gaat rustig naast me zitten slapen…’ Francisco kijkt me aan, glimlacht en we wisselen van plaats.

Woordenboekje #1

Citaat uit de Lonely Planet:

‘Het belangrijkste wat u kunt doen voordat u afreist naar Colombia is uw Spaans oppoetsen. Er zijn maar weinig mensen in het land die Engels spreken. Zelfs bij de hotelreceptie of door gidsen wordt vrijwel alleen Spaans gesproken. Neem een woordenboekje mee en leer wat eenvoudige zinnetjes uit uw hoofd.’

Zo’n handig Wat & Hoe-boekje heb ik niet bij me. Het zou me waarschijnlijk wel een eindje op weg geholpen hebben. Maar zo’n boekje bevat nou weer net niet de zinnetjes die ik dagelijks nodig heb. In de praktijk mis je toch altijd de zinnen die je echt helpen om te ‘overleven’ in deze landen. Gedurende mijn verblijf heb ik een verzameling aangelegd van uitdrukkingen waar ik écht wat aan heb.

Eerste behoeften

Mag je hier roken?
¿Se permite fumar aquí?

Heeft u voor mij een asbak?
¿Tiene usted un cenicero para mí?

Waar is hier het toilet?
¿Dónde está aqui los servicios?

In de taxi

Wilt u de meter aanzetten alstublieft?
¿Por favor quiere usted encender el metro?

Volgens mij rijdt u rondjes.
En mi opinión usted corre en círculos.

Weet u nou echt de weg niet?
¿No sabe usted realmente la dirección verdadera?

Weet u zeker dat dit de kortste weg naar mijn hotel is?
¿Es usted seguro esto es el camino más corto a mi hotel?

In het restaurant

Weet u zeker dat dit koffie is?
¿Es usted seguro esto es café?

Dank u, ik lust geen wormen.
Gracias, no mi gusto de gusanos.

Nee, ik wil alleen koffie en niets te eten.
No, quiero solo café y nada que comer.

Nee, ik wil echt niets eten!
¡No, quiero realmente nada que comer!

Heus, ik hoef niets te eten!!
¡¡Verdad, no quiero nada que comer!!

Voor de vierde keer: ik wil alleen koffie!!!
¡¡¡El cuarto vez: quiero solo un café!!!

Als u nu nog één keer vraagt of ik iets wil eten…
Si usted me pide una más vez o quiero algo comer…

Op straat

Nee, ik wil mijn schoenen niet laten poetsen!
¡No, no quiero limpiar mis zapatos!

Nee, ik wil geen souvenir kopen!
¡No, no quiero comprar un recuerdo!

Nee, ik wil niet eten in uw restaurant!
¡No, no quiero comer en su restaurante!

Nee, ik wil geen ‘lovely lady’!
¡No, no quiero a ‘señora encantadora’!

Nee, ik hoef geen taxi!
¡No, no necesito un taxi!

Nee, ik ben uw vriend niet!
¡No, no soy su amigo!

Nee, ik wil geen bloemen kopen!
¡No, no quiero comprar flores!

Welke kerk is dat nou weer?
¿Qué iglesia es ésa otra vez?

Is dat geweer geladen?
¿Es cargado eso fusil?

Sodemieter op!
¡Cogida apagado!

Conversatie

Nee, wij lopen niet allemaal in klederdracht.
No, no andamos todos los trajes regionales.

Nee, ik woon niet in een molen.
No, no vivo en un molino.

Nee, wij hebben geen bergen in Nederland.
No, no tenemos montañas en Holanda.

Nee, ik heb geen tulpen in mijn tuin.
No, no tengo tulipanes en mi jardín.

Nectarine en een goeie sigaar

‘Het Santuario de Monserate. Als u maar een paar dagen in Bogotá verblijft, moet u dat beslist gezien hebben!’
De overijverige receptioniste van het hotel pakt al een foldertje voor me, slaat het voor me open en vertelt, dat dit voormalige klooster net even buiten Bogotá op een heuvel ligt, dat het een prachtig complex is en dat ik vanaf zo’n dikke drieduizend meter hoogte una espléndida panorámica over de stad zal hebben. Ik ben al snel overtuigd, laat haar meteen een taxi bellen en geef in mijn beste Spaans de bestemming door aan de chauffeur: Santuario de Monserate!

Halverwege de taxirit betrekt de hemel en binnen de kortste keren breekt er een enorm onweer los. De ruitenwissers kunnen het vele hemelwater nauwelijks verwerken en door de beslagen raampjes zie ik het water in kleine, woeste beekjes naar beneden stromen.
Als we bij het Santuario aankomen, onweert het nog steeds. Aan de overkant van de weg staat een groepje toeristen onder grote paraplu’s. Toen ik het hotel verliet, had ik niet op zulk slecht weer gerekend en ik moet dan ook enige moed verzamelen voor ik in mijn shirt met korte mouwen uit de taxi stap om de straat over te steken. Het gaat al mis als ik uitstap: naast de taxi is een diepe kuil in de weg, waarin ik tot mijn kuiten verdwijn. Soppend in doorweekte schoenen, met druipende broekspijpen en m’n tas boven mijn hoofd, steek ik zo snel mogelijk over.

Het groepje toeristen begroet me vriendelijk. Met handen- en voetentaal maken ze me duidelijk waar ik een kaartje moet kopen voor de kabelbaan. In de gondel van ga ik in een hoekje staan en kijk het gezelschap eens rond: ik ben duidelijk terecht gekomen tussen een uitje van gezellige Colombiaanse gezinnen, die zich door het slechte weer niet van de wijs laten brengen en besloten hebben er een heerlijk dagje-uit van te maken. De vrouwen sjouwen met grote tassen snoep, fruit en sapjes. Al tijdens het ritje met de kabelbaan gaan die tassen open, komen er plastic bekertjes tevoorschijn en wordt er uit een pak Nectarine voor iedereen ingeschonken. Gezellig!
Ook ik word met belangstelling gade geslagen en al snel komt de vraag waar ik vandaan kom. Mijn ‘Olanda‘ wordt door het hele gezinnetjesgezelschap herhaald: ‘Olanda! Dat is ver weg! Nou, maar wij komen allemaal uit Colombia hoor!’. Dat was me inmiddels al duidelijk geworden.

Als we uitstappen, regent het nog steeds. Helemaal achteraan het gezelschap beklim ik de glibberige keitjes die naar het klooster leiden. Bij de ingang staan de gezinnetjes me op te wachten. Het pak Nectarine gaat weer rond en met een uitnodigend gebaar wordt mij ook een bekertje drinken aangeboden. Als ik het bekertje aanpak, valt het me op, dat er maar een klein beetje sap in zit. Valt me wat tegen van die aanvankelijk zo gastvrije Colombianen, maar ach, een gegeven paard nietwaar?
Ik heb dorst en klok de inhoud in één teug naar binnen. Het gezelschap reageert enthousiast met een luid ‘Olanda!’ Verbaasd kijk ik naar het pak Nectarine. Dat is lekker! Terwijl ik nog nageniet van het drankje, wordt mijn bekertje alweer gevuld. Met een opgewekt ‘Olanda!’ gaat ook deze inhoud naar binnen. Omdat ik toch wel nieuwsgierig ben geworden wat ze me te drinken hebben gegeven, vraag ik of ik het pak sap eens mag bekijken. Dan wordt me duidelijk waarom ik het zo lekker vind: wat ik heb aangezien voor Nectarine, blijkt Aguardiente Nectar te zijn met een alcoholpercentage van 29%…
We nemen lacherig afscheid van elkaar. De gezinnetjes duiken het eerste het beste restaurantje in en ik begin wat rond te lopen over het verregende complex. Het is een trieste aanblik: waar je kijkt, zie je verkleumde toeristen bij de souvenirwinkeltjes schuilen en ook van het beloofde espléndida panorámica is weinig te zien.

Ik sta te schuilen onder een druipend afdakje en heb net een dikke Havanna opgestoken, als de Colombiaanse gezinnetjes me zien staan. Nog vrolijker dan een half uurtje ervoor komen ze naar me toe, terwijl moeder de bekertjes alweer uit haar tas opdiept en vader ‘Nectarine’ uit het (onuitputtelijke) pak begint in te schenken. En natuurlijk moet ‘Olanda!’ weer gezellig meedoen.
De beide vaders van het gezelschap kijken nieuwsgierig naar mijn inmiddels half opgerookte sigaar. ‘Olanda?’, vraagt de man-van-de-drank belangstellend, terwijl hij een gebaar maakt dat hij zoiets wel eens wil proeven. Een beetje verbouwereerd en ongelovig bied ik hem mijn sigaar aan, waar hij gretig een trekje van neemt. Daarna gaat diezelfde sigaar naar de andere vader van het gezelschap, die er ook aan begint te sabbelen. Met het zoveelste ‘Olanda!’ krijg ik mijn half opgerookte sigaar terug. Ik diep mijn blik sigaren uit mijn tas op en bied beide mannen er een aan. Die bergen ze netjes op, schenken nog een laatste Nectarine voor zichzelf in (‘Olanda‘ slaat hun aanbod beleefd af), waarna het hele gezelschap vrolijk verder gaat.

Ik heb het eigenlijk allemaal wel gezien daar bovenop die heuvel.
Ik neem afscheid van de Nectarientjes en met mijn sigarenpeuk tussen mijn vingers glibber ik terug naar de kabelbaan. Buiten het zicht van de Colombiaanse gezinnetjes mik ik die natte peuk onderweg in een afvalbak. Beneden steek ik mijn hand op voor een taxi. Als ik instap, breekt de zon voorzichtig door.

Twee keer flauw

In het business centre van Hotel Morrison in Bogotá staat de gasten een tweetal computers ter beschikking. Ik kan het niet laten wat aanpassingen aan te brengen. Na mijn vertrek is mijn eigen website de startpagina van Internet Explorer…

Het Sevilla Palace Hotel in México-City telt 22 verdiepingen.
Vier liftkooien bewegen zich dag en nacht op en neer.
We stappen uit op ‘onze’ 17e verdieping. Vlak voor we de lift verlaten, roetsen we met onze vingers langs alle knopjes. Daarna hangen we als kwajongens over de balustrade en hebben de grootste lol als we de lift op iedere verdieping even zien stoppen…

Twee uur in Bogotá

Ik wil een dagje Bogotá verkennen en informeer bij de receptie van het hotel naar de mogelijkheden voor een dag een taxi te huren met een chauffeur die de stad goed kent én (belangrijk!) goed Engels spreekt. Met behulp van mijn reisgids had ik zelf al de nodige bezienswaardigheden uitgezocht, die ik wil bezoeken. ‘Geen enkel probleem’, wordt mij te kennen gegeven. ‘Dat wilt u morgen doen? En de chauffeur moet hier om tien uur zijn? Dat regelen we voor u.’

8:45
‘Goeiemorgen. Kunt u zich nog herinneren dat ik u gisteren gevraagd heb voor vandaag een taxi voor mij te regelen? We hadden om tien uur afgesproken, maar ik ben wat vroeger klaar. Wilt u proberen of de chauffeur hier misschien al om half tien kan zijn?’ ‘Geen probleem, mijnheer. Ik ga daar meteen naar informeren. U zit in het restaurant? Over tien minuten laat ik het u weten.’

9:25
‘Goeiemorgen. Daar ben ik weer. U zou mij binnen tien minuten laten weten of de chauffeur hier een half uurtje eerder kon komen, weet u nog? Ik heb zitten wachten in het restaurant, maar…’ ‘Sorry, sorry, mijnheer. We zijn al die tijd druk voor u bezig, maar het lukt niet om zo snel een Engelssprekende taxichauffeur te vinden.’ ‘Maar, eh…, dat zouden jullie toch gisteravond al voor me regelen? Mijn enige vraag was of hij wat vroeger kon komen.’ ‘Gisteren was het zondag, mijnheer, dus u begrijpt. Maar we doen ons best iemand voor u te vinden. Gaat u nog even hier in de lobby zitten. Zodra we meer weten, laat ik u roepen.’

9:35
‘Mijnheer! Mijnheer! We hebben iemand voor u gevonden! Hij is hier over vijf minuten.’

9:50
‘Goeiemorgen. Kent u mij nog? Een kwartier geleden beloofde u mij binnen vijf minuten een chauffeur. Ik zit maar te wachten… ‘Ogenblikje mijnheer. Ik zal nog eens bellen.’
(…)
‘Hij heeft wat vertraging in het verkeer, mijnheer, maar over een paar minuten is hij beslist hier!’ ‘Prima. Dank u wel. Ik loop weer naar het restaurant en neem nog een kop koffie. Stuurt u de chauffeur naar mij toe?’

10:20
Mister Mahn? Good morning. Ik ben de chauffeur. Sorry voor de vertraging, maar ik had problemen met mijn busje.’ ‘Busje? Gaan we op stap met een busje? Maar ik had een taxi besteld.’ ‘Nee, ik heb een busje. Kijk daar staat het, dat zwarte, waar nu net die twee dames uitstappen. We moeten nog even geduld hebben, want mijn collega is onderweg met een ander busje vanwege die pech. Maar als dat er is, kunnen we vertrekken: de twee dames en u. Dan halen we nog even twee andere mensen op en dan gaan we de stad in.’ ‘Ja maar, ik wil helemaal niet met twee dames en nog twee anderen in een busje en dan alle bezienswaardigheden langs rijden. Ik heb mijn eigen plan en had om een taxi gevraagd.’ ‘Nee, ik heb een busje.’ ‘Nou, dan wordt u vriendelijk bedankt, maar dat was de afspraak niet. Nogmaals dank, tot ziens en veel plezier met uw busje!’

10:25
‘Goeiemorgen. Daar zijn we weer.’ ‘Ah, mijnheer Mahn. ’t Is allemaal toch nog goed gekomen, hè? Ik heb de chauffeur naar u toegestuurd. Heeft u hem niet gezien?’ ‘Zeker heb ik hem gezien. En zijn busje. En twee dikke dames. En dat was niet de afspraak. Dus, dankjewel voor je inspanningen, maar ik heb hem weggestuurd.’ ‘Oh, u wilt een particuliere chauffeur? Dan ga ik dat meteen voor u regelen. En als die chauffeur nou geen Engels spreekt?’
(!!!!!!)
‘Sorry, sorry! Ok, ik regel dat voor u! Ik ga nu meteen bellen.’
(…)
‘U heeft geluk. Ik heb iemand voor u gevonden. Hij spreekt Engels en is hier over een paar minuten.’ ‘Dank je. Ik zit weer in het restaurant. Laat me maar roepen als hij er is.’

10:45
‘Goeiemorgen! U had toch een Engelssprekende chauffeur gevonden die de hele dag met mij op stap zou gaan? Twintig minuten geleden zei u dat hij hier met een paar minuten zou zijn.’ ‘Sorry, sorry, ik weet ook niet wat er aan de hand is. Ik snap niet waar hij blijft.’ ‘Maar ik ben nu precies twee uur bezig om een taxi te regelen. Vind je dat zelf ook niet wat lang?’ ‘Sorry, sorry, maar ik doe mijn uiterste best voor u, dat moet u geloven.’ ‘Ongetwijfeld, maar weet je, Marcela, het hoeft niet meer. Laat maar. Kun je voor mij een gewone taxi bellen? Dan ga ik wel op eigen houtje de stad in.’ ‘Natuurlijk mijnheer. Gaat u even zitten. Die taxi is er met een paar minuten.’

Marcela belt een taxi voor me en kijkt me ongelukkig aan.
‘You must hate me’, verzucht ze.
‘Welnee, Marcela‘, doe ik goeiig, ‘zulke dingen kunnen gebeuren. Bedankt voor al je moeite. Mag ik een foto van je maken ter herinnering?’ Ze poseert als een -hoe zeg je dat in het Spaans?- een boer met kiespijn.

Zangtalent

Meezingend met de hotelmuziek bij de receptie krijg ik bewonderende blikken van de receptionist en twee vrouwelijke gasten, die mij complimenteren met m’n gezang.
‘Yes’, zeg ik bescheiden, ‘I’m the greatest and most famous singer in Holland!’
Ik wacht even en voeg er dan aan toe: ‘I’m also the greatest liar in Holland…’

Achterdochtige Hollanders?

‘We hebben gisteravond in de Zona Rosa gegeten en willen vanavond downtown een hapje eten. Kunt u ons een tip geven waar we heen kunnen en een taxi voor ons bestellen?’ De receptioniste van het hotel adviseert ons naar La Candelaria te gaan, waar we volop bars, restaurants en winkels zullen vinden.

‘Do you speak English?’, vragen we -tegen beter weten in- aan de chauffeur. ‘Solamente Espagñol, sir!’
Gelukkig hebben we een plattegrond bij ons van Bogotá. We wijzen op de plattegrond de wijk Candelaria aan, hebben het over restaurants en bars en maken daarbij de bekende eet- en drinkgebaren. ‘Si, si! Candelaria’, begrijpt de chauffeur. Hij zet de meter aan en begint te rijden.
We leunen behaaglijk achterover en verheugen ons op een etentje in het centrum van de stad, maar na zo’n twintig minuten kijken we elkaar bezorgd aan. De wijk waarin we rijden bestaat uit steeds smallere straten, er lopen nauwelijks mensen buiten en al zeker geen toeristen en op de hoek van iedere zijstraat zien we groepjes zwaar bewapende militairen staan. De taxi stopt. ‘Hier is het’, maakt de chauffeur ons duidelijk.
We hebben geen enkele behoefte in deze buurt uit te stappen en wijzen de chauffeur er nogmaals op dat we naar een straat met restaurants willen. We maken weer drinkbewegingen, doen alsof we happen eten in onze mond stoppen en wrijven over onze buik. Restaurant! Da’s toch een internationaal woord en dat moet een taxichauffeur in een wereldstad toch begrijpen? Dat doet-ie ook: ‘Si, si! Restaurant!’
Hij toert wat in de wijk rond (in deze straat zijn we toch al geweest?) en stopt op een plek die nog naargeestiger is dan de vorige: een totaal verlaten en spaarzaam verlicht plein. Trots wijst de chauffeur naar buiten: ‘Restaurant! Aqui!’ We kijken in de richting waarin hij wijst en zien inderdaad een restaurant, maar ook deze buurt trekt ons niet.
De chauffeur haalt zijn schouders op en begint weer te rijden. We turen naar buiten, waar het inmiddels donker is geworden en als we uiteindelijk na vele rondjes een brede straat zien met veel verlichting, veel winkeltjes en veel mensen laten we de chauffeur stoppen en stappen uit.

Het naambordje geeft aan dat we ons op de Avenue Fernando Mazuera bevinden en inderdaad: hier zijn volop winkeltjes, hier zijn volop eetgelegenheden. Maar die winkeltjes en ‘restaurantjes’ zien er in onze ogen zo armoedig, verwaarloosd en smerig uit, dat we geen behoefte hebben er binnen te stappen. ‘Zal verderop wel gezelliger worden’, houd ik de moed erin, ‘ik zie daar wel een pinautomaat. Laat ik eerst maar even geld opnemen.’ Met een dikke portemonnee Colombiaanse pesos vervolgen we onze zoektocht naar een hapje eten.
Steeds vaker maken zich mensen los van de muur waartegen ze nonchalant geleund staan om op ons toe te stappen en hun ‘diensten’ aan te bieden of te bedelen. Steeds vaker lopen ze een eindje met ons op. Steeds vaker wordt hun houding indringender en agressiever. Steeds vaker houd ik mijn tas-met-portemonnee-met-veel-geld steviger tegen me aangeklemd. We beginnen ons nu werkelijk onbehaaglijk te voelen. Waar zijn al die agenten nou die we eerder op de avond hebben gezien? Als aan het eind van de straat ook het aantal eettentjes vermindert, besluiten we het voor gezien te houden. We lopen naar de stoeprand en houden een taxi aan.

Natuurlijk spreekt ook deze chauffeur solamente Espagñol .
‘Hotel Morrison!’, roepen we -harder dan nodig- door de ruit naar de chauffeur voorin. We houden ook de stadsplattegrond tegen de ruit en wijzen de Zona Rosa aan.
‘Si, si! Zona Rosa’, begrijpt de chauffeur, ‘norte!’
‘Niks norte! Zona Rosa!’, proberen we nog, maar de chauffeur meldt aan de centrale zijn ritje en zijn bestemming en begint al te rijden. ‘Het zal wel aan ons Spaans liggen’, stellen we elkaar gerust, ‘het komt allemaal wel goed.’ Maar ondertussen kijken we speurend de donkere stad in. Dit is toch een heel andere route dan op de heenweg? We herkennen niets. We worden pas echt ongerust als de chauffeur de drukte van de stad verlaat en een afslag neemt, die ons naar de buitenwijken in de heuvels rondom Bogotá voert. We bonzen weer op de ruit, roepen nogmaals en steeds luider ‘Zona Rosa’ en wijzen verwoed op de stadsplattegrond. De chauffeur knikt begrijpend: ‘Si, si! Norte!’
We zijn inmiddels terecht gekomen in een stille, armoedige buitenwijk en de chauffeur heeft moeite de vele kuilen in de weg te ontwijken. Af en toe komt ons nog een auto tegemoet en de straten zijn uitgestorven. De taxi begint steeds langzamer te rijden en de chauffeur kijkt zoekend om zich heen. In mijn hoofd spelen zich allerlei doemscenario’s af. Geeft de Nederlandse regering niet voor niets een negatief reisadvies af voor Colombia? En heb ik voor mijn vertrek niet allerlei verhalen gelezen over berovingen? En heeft die chauffeur zich eigenlijk wel bij de centrale gemeld, zoals wij dachten of heeft-ie zijn kameraden getipt, dat-ie twee gringo’s in zijn taxi heeft en is hij nu op weg naar een verlaten punt waar hij zijn taxi zal stoppen? En heb ik niet net veel geld opgenomen? De raampjes achterin beginnen te beslaan. Verwoed veeg ik ze schoon om op z’n minst te kunnen zien waar ik beroofd zal worden.

Steeds vaker kijkt de chauffeur zoekend rond, steeds langzamer rijdt de taxi door de inmiddels weer wat drukker geworden straten en ja hoor, zie je wel, hij stopt! Maar in plaats dat er vanuit het donker vier lugubere Colombianen met messen op ons af springen, roept de chauffeur een verkoper bij een stalletje naar zich toe om de weg te vragen naar ons hotel.
Vijf minuten later zitten we in een restaurant in Zona Rosa beiden achter een grote cerveza en kunnen we lachen om ons ‘avontuur’. We vragen ons af of de Colombiaanse taxichauffeurs nu inderdaad zo onwetend zijn of dat we op z’n Hollands gezegd ‘bedonderd’ zijn. En dan nog: beide taxiritjes hebben ons welgeteld € 4,– gekost.
Terug in het hotel brengen we de receptioniste verslag uit van onze ervaringen met beide taxi’s. ‘Bad luck’, is haar nuchtere reactie.

Oh ja…
Vertelt GJ dit hele taxiverhaal de volgende dag op zijn werk aan een Colombiaanse collega. Is haar reactie: ‘Hebben jullie met z’n tweeën op de Avenue Fernando Mazuera gelopen? Gisteravond? En hebben jullie daar gewoon je hand opgestoken en een wildvreemde taxi aangeroepen? Wil je dat alsjeblieft nooit, nooit meer doen.’

Mail aan mijn dochter

(…) Ik ben benieuwd of jullie vandaag meer hebben gezien dan alleen het hippe uitgaanscentrum waar je midden in blijkt te zitten. En of het heel anders is dan andere landen. (…)

Hoi kind!

Hallo zeg!
Natuurlijk zien we meer dan alleen het uitgaanscentrum! Wat dacht je! Zijn we in Bogotá of niet? Neem nou vanmorgen bijvoorbeeld.
Tijdens het ontbijt hebben we de definitieve keuze gemaakt voor een van de citytrips-by-foot: Usaquén histórico, cultural y de compras. Omdat we vermoeden dat jouw Spaans niet kan tippen aan onze beheersing van die taal: Historical and cultural Usaquén, a place to go shopping… Met de kaart en het toeristenboekje erbij hebben we vanmorgen extra informatie gevraagd aan de enige receptionist in dit hotel die een beetje Engels spreekt.

De start van de tour ligt slechts op een twintig minuten lopen van het hotel (goed te doen dus) en de tour zelf zou wel een uurtje of vier in beslag nemen (…).  Tsja. Het is toch een andere cultuur (leer mij ze kennen, zegt GJ dan), want zonder ook maar één keer verkeerd te hebben gelopen, bereiken we pas tegen half twaalf het eerste punt van onze citytrip-by-foot na dik drie kwartier stevig doorstappen door een buurt waar we beiden nu niet bepaald van ondersteboven raakten. De wandeling was dermate ‘enerverend’, dat we al halverwege het strakke plan opvatten ons terug met een taxi te laten vervoeren. Maar de wandelinspanningen waren het meer dan waard: we stonden voor de ingang van het Hacienda Santa Bárbara Centro Comercial, waar we met nauwelijks verholen ‘enthousiasme’ naar binnen stapten. Het eerste dat ons opviel, was de uitgestorvenheid van het geheel. Hier en daar was een eenzame persoon te bekennen en veel winkels waren nog dicht. Navraag bij een tweetal aan een tafeltje gezeten studentes (ha, heerlijk Engels!) leerde ons, dat het pas na enen gezellig wordt. Eerst maar koffie dan.

Verderop in de tour was ‘the traditional Flea Market, gathering together the best city artisans. Rich deserts and typical wafers may be tasted here. Open on Sundays.’ Als we weer thuis zijn gaan GJ en ik beslist eens op een zaterdag naar de Afrikaandermarkt in Rotterdam. Lijkt ons net zo leuk als deze vlooienmarkt. Fijn dat we in Bogotá zijn, zie je nog eens wat anders… Toch allemaal wel erg Zuidamerikaans en mede geslaagd omdat GJ ‘ergens op die markt’ een heel fijn, prima bij jou passend cadeautje op de kop wist te tikken. Leuk! Spannend!

Via het kerkhof (je kent mijn afwijking) en nog wat leuke straatjes met leuke winkeltjes teruggekeerd bij Santa Bárbara. Het was inmiddels drukker geworden en het oogde dan ook gezelliger dan aan het eind van de morgen tijdens ons eerste bezoek. Tsja. Santa Bárbara is dus eigenlijk een enorme, vijf verdiepingen tellende mall, met schoenenstraten, kledingstraten, enz. En dan nog niet eens ook maar één computerwinkel! Mode, mode, mode, terwijl wij op zoek waren naar een modem, modem, modem (o.i.d., want dichterlijke vrijheid, ook zo’n kreet). Als we weer thuis zijn, gaan GJ en ik beslist een keer naar Capelsebrug en daarvandaan lopend naar het Alexandrium. Lijkt ons leuk!
We hadden het snel gezien en besloten een taxi terug naar het hotel te nemen. Volgende keer (leermomentje) nemen we ook een briefje van het hotel mee waar het adres opstaat, want hoe zeg je ook alweer 84 in het Spaans? En sprak de chauffeur misschien nog een andere taal? Nou nee. Hij wist niet precies waar het hotel was, collega-over-de-radio kon hem niet wijzer maken, een blik op onze stadsplattegrond hielp hem ook niet en uiteindelijk hebben wij hem zelf de weg maar gewezen (die GJ heeft trouwens een perfect oriëntatievermogen en richtinggevoel!). Tegen drie uur (best wel moe) waren we terug in het hotel. Tijd voor het bekijken van de onderweg gemaakte foto’s, het beantwoorden van de mail en een kleine verkwikkende ‘nap’. Je begrijpt: niet dat we nou echt slapen of zo, we geven onze ogen gewoon even de broodnodige rust.

Aan het einde van de middag pakken we straks een taxi downtown, slenteren daar wat rond, eten wat, slenteren nog wat rond, drinken wat, slenteren daar weer wat rond, enz.  Je merkt: het is afzien zo’n reis. Daar staan jullie in Holland waarschijnlijk niet bij stil!

Morgenochtend ga ik me in ieder geval verdiepen in het aanbod van citytours, maar dan georganiseerd en begeleid door een gids. Zul je in Colombia zijn geweest en alleen veel gewandeld hebben, een mall hebben bezocht en over een vlooienmarkt hebben geslenterd!
Dat is dus exact de reiservaring van GJ, die alleen vandaag zijn dagje pleasure in Bogotá beleefde en morgenochtend om acht uur wordt opgehaald om te gaan werken. Ach, verschil moet er wezen.

Tot slot: hoe bevalt het zo samen? Prima hoor!
We kunnen het goed met elkaar vinden (maar dat wisten we al) en natuurlijk houd je rekening met elkaar, zeker als je (schoonzoon-schoonvader-relatie) samen een hotelkamer deelt.
‘Had jij op korte termijn nog bepaalde plannen in deze ruimte?’, vraagt GJ dan met de deurknop al in zijn handen.
‘Je gaat zeker uitgebreid zitten beren?’, is mijn terechte veronderstelling.
GJ zit al…

Adios!
Frits

Woordenboekje #2

‘Waarom spreken jullie geen Engels?’, vraag ik -licht verwijtend- aan mijn tafelgenote. Ze kijkt me even aan. ‘Waarom spreken jullie eigenlijk geen Spaans?’ Ik zit met m’n mond vol tanden en kan niet anders dan haar gelijk geven.

Maar hoe leg je dan uit, dat je getrouwd bent?
Dat je vrouw is overleden? Dat je twee kinderen hebt?
Dat die kinderen getrouwd zijn? Dat je twee kleinkinderen hebt? Dat het derde kleinkind op komst is?
Simpel. Je vraagt de ober een pen en een stukje papier.
En je begint te tekenen…

Schat…

‘Schat, zet jij de vuilnis even buiten?’
‘Waarom moet ik dat altijd doen?’
‘Omdat ik al zoveel andere dingen doe in huis. Hè, doe nou niet zo moeilijk!’
‘Ja hoor, je kunt het dak op…’

Hi teacher!

Ik had het kunnen weten. De man bij de kassa kijkt me niet-begrijpend aan. Ik sta bij de ingang van het Quinta de Bolivar, het huis waar Simón Bolivar in 1820 heeft gewoond en dat sinds 1922 als museum is ingericht. Ik wijs op de koptelefoons die aan haakjes bij de kassa hangen en maak duidelijk, dat ik er een wil hebben om rondgeleid te worden.
Solamente Espagñol…

Ik loop het woonhuis in en vraag de looproute aan één van de suppoosten.
Solamente Espagñol…

Ik blijf stilstaan bij één van de kamers en lees de uitleg op het bord naast de deur.
Solamente Espagñol…

Ik bewonder de overige kamers, de tuin, de gedenkplaats en slenter terug naar de uitgang. Op dat moment stopt er een bus met uitgelaten schoolkinderen die door de leerkrachten keurig in een rijtje naast de kassa worden opgesteld. ‘Hi kids!’, roep ik in een opwelling, ‘say: Hi to the teacher!’ Tot mijn verbazing (solamente espagñol toch?) beantwoordt de hele groep me met een enthousiast ‘Hi teacher!’
Ik begin een praatje met een van de leerkrachten en kom erachter, dat deze groep kinderen op vierdaagse schoolreis is en vandaag een rondleiding krijgt in de Quinta. ‘Hoe komt het dat deze kinderen zo goed Engels spreken?’, vraag ik de leerkracht.
‘Dit is een tweetalige school. Deze kinderen krijgen les in het Spaans en het Engels.’ ‘En jullie gaan nu aan een rondleiding beginnen? Met een gids?’

Ik ruik mijn kans nog iets op te steken in dit museum en wandel tussen de giebelende leerlingen voor de tweede keer die ochtend richting ingang. Daar wordt de groep opgevangen door een gids, die ons meeneemt naar het monument van Bolivar. Hij stelt zich op voor de groep, kijkt de kring rond en begint: ‘Hola, muchachos y muchachas. Bienvenida en esta casa Quinta de Bolivar.’
Het is me die ochtend niet gegund: solamente Espagñol…

Later op de dag bezoek ik het schitterende goudmuseum, het Museo del Oro.
Het wordt een kort bezoek, want bij de ingang van het museum word ik verwelkomd door een groot bord, waarop (ook in het Engels…) staat te lezen dat men momenteel met een grote renovatie bezig is en zich verontschuldigt voor de overlast. Slechts een derde deel van het gebouw is nog opengesteld voor de bezoekers. ‘Ach mijnheer’, zegt de vrouw achter de balie, ‘komt u na de zomer van 2008 nog eens terug, dan is de renovatie achter de rug…’

Terug in mijn hotel bestel ik een kop koffie en een clubsandwich.
De clubsandwich ziet er prima uit: een driedubbel belegde witte boterham met ham, spek, kaas, ei en kip. Gretig neem ik een eerste, grote hap. Heerlijk! Jammer dat het wittebrood mierzoet is en dat de patat wit, slap en te kort gebakken is.
Buena comida! Eet smakelijk! Ik heb beslist mijn dag niet…

Veilige landen?

México -en in sterkere mate Colombia- hebben de naam onveilige landen te zijn. Is dat zo? Net als in iedere grote wereldstad moet je als toerist op je tellen passen. Moet je -een gewaarschuwd mens telt voor twee- geen domme dingen doen.
Feit is, dat het straatbeeld wordt bepaald door overal aanwezige agenten, militairen en particuliere bewakers. Met name de Colombiaanse regering doet er alles aan de toerist een gerust idee te geven om van het imago ‘onveilig land’ af te komen.
Feit is ook, dat ik woonwijken heb bezocht, waarvan de taxichauffeur me aanraadde om ‘hier vooral niet uit te stappen’, omdat hij er zelf ook niet over piekerde deze wijken ’s avonds in het donker te doorkruisen.

Dus: veilige landen?
Onderstaande tekst komt uit de gastenbrochure van Hotel Morrison in Bogotá:

VEILIGHEID

GEACHTE GAST
Om uw aanwezigheid in het hotel te waarborgen, raadt onze veiligheidsafdeling u het volgende aan:

Houd altijd uw kamerdeur van binnenuit op slot en maak hierbij gebruik van de veiligheidsketting.
Weiger ieder pakketje dat u wordt aangeboden, als u daar  niet om gevraagd heeft.
Stelt u onze veiligheidsafdeling ervan op de hoogte als dergelijke pakketjes u worden aangeboden.
Ontvangt u bezoekers op uw kamer tussen 7:00 uur en 23:00 uur dan dient u deze bezoekers van tevoren bij de receptie te melden en te registreren. Tussen 23:00 uur en 7:00 uur is bezoek op uw kamer niet toegestaan. Vermijd het bezoek van vreemden op uw kamer.
Geef de naam van uw hotel en uw kamernummer niet af aan vreemden.
Verlaat u het hotel, weiger dan gesprekken met mensen die u aanspreken om voor u een rondleiding te regelen. Weiger ook gesprekken met mensen die zich voordoen als politie-agenten of iets dergelijks en die om uw reisdocumenten vragen. Als dergelijke mensen aandringen, neem hen dan mee het hotel in en toon uw documenten alleen in aanwezigheid van ons Hoofd Beveiliging.
Vermijd om alleen op stap te gaan in de stad. Reis en verblijf alleen in goed verlichte en drukbevolkte wijken. Laat uw kostbaarheden, uw digitale camera of video in de kluis van het hotel achter. Neem slechts zoveel geld mee op straat als u denkt nodig te hebben.
Wissel geen geld op straat.
Maak alleen gebruik van veilige hoteltaxi’s als u de stad bezoekt.

ONTHOUD: uw veiligheid is onderdeel van onze dienstverlening

Paspoort!

Het heeft nogal wat voeten in aarde als je Colombia weer verlaat en terug vliegt naar México-City. De controle op het vliegveld is streng en grondig: mijn paspoort wordt zeer nauwkeurig bestudeerd, mijn koffer wordt door een witgehandschoende veiligheidsbeambte helemaal ondersteboven gehaald, ik word uitvoerig gefouilleerd, mijn handbagage gaat door de scanner, mijn paspoort wordt nog een keer grondig bekeken en bij de ingang van de boarding room word ik er nog eens uitgepikt voor alweer een controle van mijn handbagage en wordt er een aansteker ingenomen (dat er nog twee aanstekers in diezelfde tas zitten, heeft de ijverige beambte niet gemerkt).

Een tikkeltje beduusd van al deze controles plof ik neer op een van de stoeltjes in de boarding room en kijk op mijn horloge: nog een klein half uurtje en ik kan aan boord. Dan komt er een politieagent aangeslenterd die naast mijn stoel blijft staan en onbewogen op me neerkijkt. Het duurt even voor hij me aanspreekt.

‘Passport!’
(Maar ik heb toch alle controles al gehad? Ik ben gecontroleerd, gecontroleerd en nog eens gecontroleerd!)
‘Waarom?’, vraag ik verbaasd.
‘Passport!’, is het enige antwoord.
‘Waarom?’, probeer ik nog eens.
‘Passport!’
Met een zucht vis ik mijn paspoort uit mijn tas en overhandig dat aan de agent. Hij bladert het door en kijkt me aan.
‘Waar verbleef u in Colombia?’
‘Waarom wilt u dat weten?’
‘Waar gaat u naar toe?’
‘Kijk eens om u heen: op welke vlucht zitten we hier nou te wachten?’
‘Woont u in Nederland?’
‘Wat voor paspoort heeft u nou in uw handen: wat denkt u zelf?’
‘Wat is uw beroep in Nederland?’
??????
‘Wat is uw beroep in Nederland?’
‘Beste man, volgens mij heeft u daar helemaal niets mee te maken. Kijk eens rond: er zitten hier een heleboel andere passagiers. Als u zich nu zo erg verveelt, zoek dan iemand anders uit aan wie u deze stomme vragen kunt stellen, maar val mij niet langer lastig. En dan zou ik nu graag mijn paspoort terug willen hebben.’

De agent kijkt me doordringend aan. Op hetzelfde moment realiseer ik me in welk land ik me bevind en wat de macht van deze ambtenaar is. Ik kan me wel voor mijn kop slaan dat ik zo impulsief en vinnig reageerde. De agent werpt nog een blik in mijn paspoort, slaat het dicht, geeft het aan me terug en wandelt met een gemompeld ‘Thank you’ weer terug naar zijn collega bij de ingang.

Woordenboekje #3

Tijdens de vlucht van Bogotá naar México-City reikt de stewardess een Declaración de Equipaje y Titulos Representativos de Dinero-Viajeros uit. Of ik dat maar even wil invullen. Tevergeefs probeer ik te begrijpen wat me allemaal gevraagd wordt. Gelukkig spreekt de Colombiaanse naast me een paar woordjes Engels…

Moet kunnen…

Nog voor de ontbijtdrukte zit ik ’s morgens vroeg in de lounge bij het restaurant van mijn hotel voor een nicotinestoot. Ik ben de enige gast.
De lounge bestaat uit symmetrisch geplaatste zithoeken, die van elkaar zijn gescheiden door houten wandjes. In het midden staat een vleugel, waar iedere avond de huispianist zijn best doet het optreden van de zangeres één verdieping lager te overstemmen met zijn spel. Ter weerszijden van de vleugel staan twee grote bakken met zilverwit, fijn grind en waterplanten.

Met veel gestommel komen twee ventjes van een jaar of negen uit de lift. Ze hebben ieder een paar metalen speelgoedautootjes bij zich en beginnen met die autootjes over de houten wandjes te rijden. Dat gaat niet onopgemerkt, want de jongetjes maken er harde motor- en remgeluiden bij. Bovendien zijn de houten wandjes opgebouwd uit deeltjes met een groef ertussen, wat de autogeluiden alleen nog maar ratelender en ‘echter’ maakt. Uit zijn hokje naast de toiletten zie ik de schoonmaker om een hoekje gluren. Dezelfde schoonmaker die iedere morgen ongevraagd en zonder mij aan te kijken met een beleefd knikje een cenicero voor mij neerzet, zodat ik de as van mijn pijp kwijt kan. Dezelfde schoonmaker ook wiens bezigheden er de hele dag uit bestaan de houten wandjes af te stoffen (ik zie geen stof), vervolgens met een rolveger de vloer aan te vegen (ik zie geen kruimels) om tenslotte de glazen scheidingswand van de lift af te zemen (ik zie geen vette vingers). Is-ie daarmee klaar, dan begint hij weer van voren af aan: stoffen, vegen, zemen.

De twee jongetjes hebben genoeg van hun spelletje en ontdekken de piano in het midden van de lounge. Ze gaan ieder aan een kant van de piano staan en gooien nu met een grote boog de autootjes naar elkaar over. In het begin lukt dat matig. Ze kunnen nog niet zo precies mikken en regelmatig valt er zo’n metalen karretje bovenop de piano. Maar gaandeweg lukt het beter en komen de autootjes in de bakken met grind terecht. Nog leuker wordt het als de autootjes niet in het grind, maar met een plons in de bak met waterplanten terecht komen. Iedere keer als dat gebeurt, gaat er een triomfantelijk gegil op. De schoonmaker sluit geluidloos de deur en trekt zich terug in zijn hok.
Ik kijk met stijgende verbazing naar het gedrag van de twee jongetjes. Als ook het overgooien hen begint te vervelen, klauteren zij met z’n tweeën in de bak met grind en beginnen verwoed van dat grind een berg te maken. Net als in de zandbak op school leggen zij ook nog wegen aan. De waterplanten moeten het verduren als zij er blaadjes afrukken die op de berg als boompjes worden geplant. Als alles naar hun zin is, racen zij met de autootjes door de bak.
Vanuit het restaurant komen twee obers ‘nonchalant’ de lounge ingeslenterd. Zij slaan het gedrag van de twee kinderen gade. De jongetjes kijken even op en gaan dan verder met hun spel. De obers blijven aan de rand van de lounge staan en zijn duidelijk in tweestrijd. Van hun gezichten is af te lezen, dat zij absoluut geen begrip kunnen opbrengen voor dit kindergedrag in ‘hun’ vijf-sterren-hotel. Ze grijpen niet in. Blijven met samengeknepen lippen en billen in een hoekje van de lounge staan.

Ik sta op om een kop koffie voor mezelf in te schenken.
Als ik terug kom uit het restaurant zijn beide jongetjes verdwenen. Op het moment dat ik zijn hok passeer, komt de schoonmaker tevoorschijn. De man, die het nog niet eerder gepast vond mij aan te kijken, wisselt nu een blik van verstandhouding met me, sloft naar de plantenbakken en begint de troep op te ruimen.

Koud, hè?

Gedurende mijn weekje México heb ik zonder jas in mijn shirt-met-korte-mouwen rondgelopen. Daar was de temperatuur dan ook naar: vijfentwintig graden of meer. Er waren dagen bij, dat het wat koeler was en de temperatuur rond de twintig graden schommelde. Prima uit te houden, zeker in vergelijking met het Hollandse herfstweer aan de andere kant van de oceaan.

Blijkbaar niet voor de Méxicanen zelf.
Stap ik op zo’n twintig-graden-dag in een taxi, dan zijn alle raampjes potdicht en staat de verwarming in zijn hoogste stand te blazen…
En wachtend bij een verkeerslicht word ik spontaan aangesproken door een inwoner van de stad die een rillerig gebaar naar me maakt…
De kinderen op straat zijn van de ene op de andere dag gekleed in warme winterjasjes, hebben een wollen muts op en dragen wanten…
’t Is maar wat je gewend bent.

Reisgezelschap

‘Als u ervoor zorgt, dat u om kwart over negen in de lobby van het hotel bent, komt de gids u daar ophalen’, had de vrouw van het reisbureau gezegd.
Als er om half tien nog niemand is komen opdagen, stap ik naar het kantoor. De vrouw van het reisbureau is in druk gesprek gewikkeld met een man, die de chauffeur/gids van mijn excursie blijkt  te zijn. Misverstandje: het busje staat niet voor, maar achter het hotel geparkeerd… De gids stelt zich voor en loopt voor me uit naar zijn busje.

Hij laat me instappen en ik nestel me op de achterbank. Zelf blijft hij buiten staan, pakt zijn mobiele telefoon en begint een opgewonden gesprek. Na dat gesprek stapt hij in, start en rijdt weg… om vijf minuten later aan de overkant van de straat bij de ingang van een parkeergarage weer te stoppen. De passagiers in onwetendheid achterlatend in het steeds warmer wordende busje, begint hij voor de tweede keer te bellen. Hij ijsbeert voor zijn voertuig heen en weer en zijn gebaren worden steeds driftiger. Als hij het gesprek beëindigd heeft, steekt hij een sigaret op en leunt rokend tegen de neus van zijn busje. De zes passagiers in zijn bus lijkt hij te zijn vergeten en wij vragen ons af wat er aan de hand is en waarom we niet vertrekken.
Na een kwartiertje zien we een ander busje aankomen, dat vlak achter het onze parkeert. Opgelucht opent de gids onze deur en dirigeert ons naar het net aangekomen busje. Hij stapt in en rijdt weg. Het is inmiddels tien uur geworden en de excursie kan beginnen.

Zoals gebruikelijk wordt het gezelschap eerst aan elkaar voorgesteld. Helemaal voorin, naast gids Félix, zit Cissy uit Venezuela. Cissy is getooid met een enorme zonnebril en vindt zelf dat ze er goed uitziet. Ze loopt niet, maar heupwiegt en wil de hele dag overal op de foto worden gezet. ‘Will you take a picture of me?’, vraagt ze dan aan iemand van het gezelschap, waarna ze zich in een standje-fotomodel opstelt en haar iets te volle botox-lippen zich krullen in wat moet doorgaan voor een wulpse glimlach.
Op de bank erachter zit een jong echtpaar, eveneens uit Venezuela. Hij loopt de hele dag als een slaafs, braaf hondje in opperste adoratie achter haar aan. Zij (is dat typisch Venezolaans?) is bijzonder met haar lichaam ingenomen. Net als Cissy draagt ze een enorme zonnebril en is gekleed in een meer dan strak truitje. Haar borsten lijken verwoede pogingen te doen uit dat te krappe truitje te springen. Regelmatig zonderen deze twee mensen zich van de groep af om even samen te genieten van elkaars gezelschap.
Voor mij zitten Anne-Gaëlle uit Frankrijk en Veronica uit Chihuahua, een stad in het noorden van México aan de grens met de Verenigde Staten. De tegenstelling tussen de beide Venezolaanse ‘schonen’ en Anne-Gaëlle had niet groter kunnen zijn. Anne-Gaëlle is een spichtige, net afgestudeerde studente, die de hele dag met haar neus in de Méxicaanse reisgids zit en bij iedere uitleg van de gids vooraan staat en altijd wel een vraag heeft.
Veronica-uit-Chihuahua schat ik in als een dikke dertiger. Dik wat betreft leeftijd en -in vergelijking met de Venezolaanse ‘fotomodellen’- dik waar het haar figuur betreft. Ze draagt een felgeel truitje boven een knalrode broek. Ze heeft grote oorbellen, haar-in-twee-kleuren, draagt goudkleurige sandaaltjes en een bijpassende goudkleurige handtas. We zijn op weg naar de piramiden van de Zon en de Maan en ik vraag me serieus af hoe ze met die schoentjes de piramides kan beklimmen.
Als het mijn beurt is me voor te stellen, blijkt mijn voornaam uitspraakproblemen op te leveren. Veronica stelt voor mij Francisco te noemen of beter nog Pancho, het Spaanse troetelnaampje voor het te lange Francisco. Met een blik van verstandhouding naar de rest van het gezelschap verandert Veronica dat nog in Panchito, een naam die -als ik het goed begrepen heb- aan kleuters wordt gegeven. Voor de rest van de dag heet ik dus Panchito en Panchito heeft het goed in deze groep.
Veronica wordt mijn steun en toeverlaat, want als enige van het gezelschap beheerst zij de Spaanse en de Engelse taal. Dat is vooral handig bij de uitleg van onze gids, want zijn Engels is niet al te best en vooral in het busje bijna onverstaanbaar. Voor zich uitkijkend en druk doende zijn bus door het drukke Méxicaanse verkeer te laveren, geeft hij binnensmonds uitleg in het ‘Engels’. Ik zit op de achterbank en kan hem nauwelijks verstaan. Bovendien maken de Venezolaanse tortelduifjes er een gewoonte van dwars door zijn Engelse uitleg heen een gesprek met elkaar te beginnen. Veronica draait zich dan naar mij om, vraagt of Panchito het allemaal begrepen heeft en legt het allemaal voor mij nog even uit.
En Panchito wordt die dag ook behoorlijk verwend.
Of Panchito geen dorst heeft, want dan krijgt Panchito wel een slokje water. Of Panchito geen honger heeft, want dan diept Anne-Gaëlle wel een verantwoorde mueslireep uit haar tas op of presenteert Veronica me weer een stuk half gesmolten en kleverige Toblerone. Panchito laat het zich allemaal welgevallen…

Op het enorme complex van de piramides van de Zon en de Maan lopen die dag meer handelaartjes rond dan toeristen. Tot vervelens toe word ik aangesproken door allerlei lieden die mij iets te koop aanbieden. Ik ben plotseling iedereens amigo en de handelswaar wordt mij voor ‘spotprijzen’ aangeboden. ‘Voor je tweede vrouw’, wordt er dan vaak aan toegevoegd.
Gids Félix ontpopt zich als ware tussenhandelaar: hij kent bijna alle verkopers, die op hem (en onze groep) afkomen, hem vriendelijk de hand schudden en vervolgens hun koopwaar aanprijzen. En Félix gaat handig te werk, zo handig dat we het soms niet doorhebben. Zo neemt hij ons mee naar een man die een groot cactusblad op de grond heeft liggen. Met een stokje, dat hij in het cactusblad steekt, demonstreert de man hoe je verschillende kleurstoffen uit het blad kan halen. Met die kleurstoffen tekent hij een figuurtje op een stukje papier, dat Félix voor hem ophoudt. Als hij klaar is en de ‘verf’ droog, blijkt het stukje papier een envelop te zijn. Félix laat zien, dat die envelop tien ansichtkaarten van de piramides bevat. ‘De envelop is gratis. Voor de kaarten betalen jullie maar vijftig pesos per stuk’, beëindigt onze gids zijn verhaal.
Of Panchito misschien belangstelling heeft?
Dat heeft Panchito niet en hij dept het zweet van zijn voorhoofd.
Anne-Gaëlle pakt snel haar flesje water, Veronica peutert weer een stukje chocola uit de verpakking…

Poseren

De beroemdste vulkaan van México, de Popocatépetl, kan helaas niet meer bezocht worden vanwege onderzoek, dreigend uitbarstingsgevaar en schadelijke zwaveldampen. Jammer.

Geen probleem voor onze gids tijdens de dagexcursie naar Puebla. Halverwege draait het excursiebusje de parkeerplaats van een benzinestation op. ‘Hier zijn toiletten. Hier kunt u ook eten en drinken kopen’, zegt gids Ramon dan. ‘En als u daar aan het randje van de parkeerplaats gaat staan, kunt u een mooie foto maken met Popo op de achtergrond.’
Dat doen we dan maar…

Puebla: Pyramide Cholula

Eten bij Carmen

‘Hier dan maar?’
We lopen al een tijdje rond in de niet-toeristische wijk van México-City op zoek naar ‘een kop koffie’. Met onze westerse kieskeurigheid hebben we al menig eettentje afgewezen: te smoezelig, te vies, te armoedig. Uiteindelijk blijven we staan voor dit ‘cafetaria’. Een groot gedeelte van de ingang wordt in beslag genomen door een enorme grillkast: in zes rijen draaien daarin de kippen aan het spit rond. De zaak zelf is een grote pijpenla: aan de linkerkant van voor naar achter een lange eetbar, aan de rechterkant tafeltjes en stoeltjes die allemaal druk bezet zijn.

‘Hier dan maar?’
Wat smoezeligheid, viesheid en armoedigheid betreft, onderscheidt deze zaak zich niet van alle andere eetgelegenheden die we eerder hebben afgewezen, maar onze trek in koffie is groter dan onze weerzin en bovendien maakt de man, die bij de ingang de kippengrill bedient, zo’n uitnodigend gebaar, dat we onze reserves opzij zetten.

‘Hier dan maar?’
We gaan aan de lange bar zitten op de oranje plastic stoeltjes die warm en plakkerig aanvoelen. De aanwezige gasten kijken even op naar de twee gringo’s die zijn binnen gekomen. Ik kijk om me heen. De tegels en het houtwerk hebben duidelijk in lange tijd geen sopje gehad. In een hoek draait een ventilator, die ooit wit is geweest, maar nu bedekt is met een bruinig laagje vette aanslag. Hetzelfde geldt voor de elektriciteitsleidingen die langs de muur lopen.
Carmen loopt achter de bar heen en weer om de gasten te bedienen. Ze is van middelbare leeftijd, mist een voortand, is heel vriendelijk en spreekt alleen Spaans. Ze legt twee niet al te frisse placemats voor ons neer, ziet dat die niet schoon genoeg zijn, pakt een groezelige lap van het aanrecht, veegt onze placemats ‘schoon’ en kijkt ons afwachtend aan.
‘Twee koffie.’
‘No eat?’, vraagt Carmen in de twee woorden Engels die zij beheerst.
‘No eat, alleen koffie.’
Carmen zucht, wijst op de vele borden die aan de muur hangen waarop de gerechten staan vermeld en herhaalt: ‘No eat?’. Als we voor de derde keer duidelijk maken, dat we alleen een kop koffie bij haar komen drinken, doet Carmen nog een laatste poging. Ze wijst op de grillkast met kippen: ‘No eat?’. ‘No eat, Carmen. Just coffee!’
Ze haalt haar schouders op en begint koffie voor ons in te schenken. Even later zet ze een kop americano voor me neer.  ‘No eat?’, probeert ze nog maar eens. Ik maak duidelijk dat ik alleen nog melk bij m’n koffie wil. Carmen grijpt achter zich en bonkt een klotsend kannetje melk naast mijn kopje. Dat heeft ze waarschijnlijk al vaker zo gedaan, want de opgedroogde melkdruppels zitten langs de rand van het kannetje gekoekt.

Carmen blijkt een vasthoudende vrouw. Iedere keer als ze met een bestelling voor de andere gasten langs komt, mindert ze in het voorbijgaan even vaart bij onze plek, houdt de borden dampend eten onder onze neus en zegt met een vragend-dwingende blik: ‘No eat?’. Nadat ze dat een keer of vier heeft gedaan, gaan we voor de bijl. We bestellen nog een kop koffie en something to eat. Carmen lacht haar gehavende gebit bloot en neemt onze bestelling op.
Het moet gezegd: even later zitten we te smullen, werkelijk te smullen van wat we besteld hebben! Carmen blijft in het voorbijgaan nog even bij ons staan. Ze ziet ons genieten. ‘Eat good?‘ (spreekt ze toch nog drie woorden Engels…). We kunnen het alleen maar volmondig beamen. Carmen knikt tevreden en loopt alweer naar een andere klant.

Als we afgerekend hebben, wil ik nog even gebruik maken van het toilet. Carmen wijst me dat ik daarvoor achterin de zaak moet zijn. Dat is nog even zoeken, want om dat toilet te bereiken, moet ik door de keuken, waar ze bezig zijn kippen aan een spies te steken. En het toilet zelf, ach, gelukkig hadden we al gegeten…

Méxicaanse wijsheden

Oud Méxicaans gezegde (met dank aan gids Félix):

Als je geld hebt, kun je een hond laten dansen.
Als je geen geld hebt, moet je zelf leren dansen als een hond.

Veel geld,

een beetje werken,

voldoende tequila

LEVE MEXICO!

Flikflooien

Tijdens mijn terugvlucht van México-City naar Schiphol word ik midden in de nacht wakker voor een seniorenplas. De lichten zijn uit, alle raampjes gesloten en om mij heen is iedereen in een diepe slaap. Zo geluidloos mogelijk maak ik gebruik van het toilet.
Ik heb dorst en loop in de richting van de pantry om de stewardess een flesje water te vragen. Het blauwe gordijn van de pantry is dicht op een smalle kier na. Dichterbij gekomen zie ik door die kier heen de stewardess liefkozend, knuffelend en kusjes gevend met één van de passagiers in de weer. Als ik bij het gordijn ben aangekomen, geef ik eerst een stevige roffel op het schot ernaast. Ik hoor wat beweging, wat geritsel, wacht nog even en schuif dan het gordijn opzij.
Glimlachend kijkt de stewardess me aan. Wat er van mijn dienst is en of ik misschien trek heb in een kop koffie, want ‘ik heb net vers gezet’. De man tegenover haar in dat kleine hokje kijkt even snel van de vrouw naar mij en fixeert zijn blik dan belangstellend op een kastdeurtje tegenover hem. De stewardess schenkt een kop koffie voor me in, presenteert er een koekje bij en we raken aan de praat. In het gesprek kom ik erachter dat de aanwezige man een KLM-piloot is (‘schrikt u niet: niet dé piloot van dit vliegtuig..’) en als passagier meevliegt op deze vlucht. Als ik mijn koffie op heb, ga ik terug naar mijn stoel. Voor ik weer in slaap sukkel, gaan er allerlei gedachten door mijn hoofd.
Zie je wel, het is dus waar! Al die verhalen! Net als in die doktersromannetjes, waar de bloedmooie verpleegster altijd verliefd wordt op de getrouwde chirurg. En bij luchtvaartmaatschappijen gaat het dus al net zo! Hebben natuurlijk stilletjes gewacht tot alle passagiers in slaap waren gevallen! En zitten verdorie gewoon midden in de nacht met elkaar te flikflooien achter een dun gordijntje. Komt-ie straks thuis bij zijn eigen vrouw, vraagt ze hoe de vlucht was en liegt zo’n huichelaar er natuurlijk met een stalen gezicht op los! En dan zij! Zou ze ook getrouwd zijn of zit ze gewoon ordinair achter zo’n piloot aan?

Als ik ’s morgens wakker word, kijk ik om me heen. Ik ontdek dat ‘de piloot’ schuin achter me zit. Hij ziet me kijken en knipoogt. Naast hem wordt een jongetje van een jaar of tien wakker, dat met een nog slaperig stemmetje vraagt: ‘Zijn we er bijna papa?’ Papa! De ploert is ook nog eens met zijn zoontje op reis! Het kind moest eens weten…
De stewardess loopt inmiddels door het middenpad en begint hier en daar een passagier voorzichtig wakker te maken voor het ontbijt. Als ze bij mij is aangekomen, informeert ze of ik na de koffie nog heb kunnen slapen. ‘Ja, ja’, denk ik, ‘daar zul je wel benieuwd naar zijn, slettebak!’. Voor ik haar kan antwoorden, word ik onderbroken door een kinderstem schuin achter me: ‘Mama! Ik ben al wakker hoor!’. Vertederd werpt de stewardess een blik naar het kind. Bij mij stijgt het bloed naar m’n hoofd. Nog niet helemaal gerust, wil ik absolute zekerheid.
‘Eh… die piloot. Is dat uw eigen piloot? En dat kind. Is dat uw zoontje?’
‘Ja’, antwoordt ze stralend, ‘leuk hè? Hij vliegt voor het eerst van zijn leven met zijn vader en moeder mee. Maar waarom vraagt u dat?’
Ik kan niets anders uitbrengen dan een gemompeld: ‘O, zo maar…’

Souvenir

Nog iets typisch Méxicaans meegenomen als aandenken aan deze geweldige reis?
Zeker wel…

(more or less) Translate »