2007 Camper Ardennen

Tsja…

Loop ik deze zomer in Italië richting zwembad voor een verfrissende duik. Ligt er een Belgische moeder met haar dochtertje in het water. Sta ik op het randje, klaar om erin te springen, hoor ik het meisje tegen haar moeder zeggen: ‘Kijk, mama, kabouter Plop!’.

Kom ik de receptie binnen van de camping, die wordt gerund door een echtpaar-op-leeftijd. Hoor ik nog net de vrouw tegen haar man fluisteren: ‘Kuck der Mann doch mal. Die Haare! Die Barbe! Ein richtiger Niklaus!’.

Loop ik in een dorpje. Komt me een modaal echtpaar tegemoet: man, vrouw, twee kinderen. Zonder het te kunnen verstaan, zie en voel ik dat ze het over mij hebben.
Dichterbij gekomen, zie ik de moeder een gebaar naar haar zoontje van een jaar of tien maken: ‘Ga dan! Doe dan!’. Huppelt het zoontje op me af, blijft pal voor mijn neus staan, kijkt me met pretoogjes aan en zegt: ‘Bonjour, père Noël!’.

Propere Hollanders

Het is dat er een groot bord Camping Wesertal staat langs de Rue de l’Invasion in Membach, op enkele kilometers van Eupen, anders zou je denken met een oliegroothandel te maken te hebben. Dat is het van oorsprong ook en nog steeds, maar zo’n kleine drie hectare van het bedrijf is ingericht als camping.

Eigenaar van het bedrijf is Jacques Daum, die samen met zijn vrouw Dorethea zorgt dat alles op rolletjes loopt. Afwisselend in het Frans, Duits en Nederlands staan ze je vriendelijk te woord en worden de formaliteiten voor een overnachting geregeld. Met een blik op mijn gehuurde zevenpersoons camper die voor de deur staat, kijkt Jacques me vragend aan: ‘Eén persoon?’. Als ik dat bevestig, kijkt hij me wat verwonderd aan: ‘Zo helemaal alleen in zo een grote motorhome?’. Vermoedelijk kan hij zich daarbij niets voorstellen, maar ook zijn volgende vraag moet ik ontkennend beantwoorden: ‘En ook geen hondje?’.

Als ik aangeef maar één nachtje op zijn camping te willen blijven, komt Jacques achter zijn bureel vandaan en begint uit een rek de een na de andere folder voor me te pakken. Hij maakt me duidelijk dat Membach, dus zijn camping, een uitstekende basis is voor allerlei uitstapjes. Of ik van wandelen houd, want dan heeft hij wel tips voor me. Of ik al eens op het hoogste punt van België ben geweest, want dan legt hij me uit hoe daar te geraken. En dan kan ik ook nog naar een natuurpark, naar grotten, naar een oude leisteenmijn… Bij iedere suggestie legt hij een bijbehorende folder op de groeiende stapel. ‘Zeg dat ik u gestuurd heb en u krijgt korting op de toegangsprijs. En wilt u morgenochtend nog verse broodjes? Heeft u kaas nodig? Melk?’. Ik onderbreek hem vriendelijk, leg uit dat ik in alles voorzien ben, maar Jacques is niet te stuiten. Dat ik vooral gebruik moet maken van het watertrapbekken naast het toiletgebouw. Aangelegd volgens de methode van Kneipp, bloedsomloop stimulerend, zodat ik me weer helemaal ‘fris en monter’ zal voelen. Of ik last heb van spierpijn of wellicht verkouden ben, want dan kan hij me de sauna aanraden. En als ik met een bruine tint wil terugkeren in Holland moet ik zeker even van hun zonnebank gebruik maken. ‘Maar als u eens echt wilt ontspannen, mijnheer, moet u ons ontspanningsei gebruiken. U zweeft dan in 300 liter water, vermengd met 300 kilo zeezout! Alleen uw gezicht blijft buiten het water en u hoort lichte, ontspannende muziek!’ Het kost me moeite op een beleefde manier zijn enthousiasme te temperen en ik spreek mijn waardering uit over zoveel hulpvaardigheid. ‘Eigenbelang, mijnheer’, antwoordt Jacques. ‘Als ik u enthousiast kan maken voor de camping en de prachtige omgeving blijft u misschien wel meer dan één nachtje…’

Waarschijnlijk omdat ik die nacht de enige gast ben, krijg ik vervolgens van het echtpaar een rondleiding over hun camping. Terwijl hij achteloos een papiertje van de grond opraapt en dat in de prullenbak gooit, wijst Jacques me bij de toiletten erop, dat hij het allemaal graag proper en opgeruimd wil houden. Daarom ook hangt aan de binnenkant van iedere toiletdeur een briefje, dat nog eens wijst op het juiste gebruik van de toiletborstel:

‘En hoe werkt dat op uw camping met de douches?’, is mijn vraag, ‘gaat dat met geld of moeten er speciale muntjes in?’.
Jacques wisselt even een blik met zijn vrouw. ‘Geen muntjes, geen geld’, is zijn antwoord. ‘U maakt zo vaak en zo lang als u wilt gebruik van de douche. Morgenochtend, als u af komt rekenen, vertelt u mij hoe vaak u gedoucht heeft, dan bereken ik de kosten en tel dat op bij uw overnachtingsprijs.’ Ik vind het een vreemd systeem en heb er ook nog nooit van gehoord.

Terug in zijn kantoortje krijg ik nog een grote gele vuilniszak en de stapel folders. ‘Bekijkt u dat op uw gemak vanavond in uw motorhome en als u belangstelling heeft, kom dan morgenochtend nog even langs, dan stippelen we samen een mooie route voor u uit.’
Omdat ik geen zin heb te kokkerellen, vraag ik Jacques of de camping ook een restaurant heeft. Dat is er nou net niet, maar ‘als u van Italiaans houdt, kunt voor vier euro vijftig bij mij een pizza bestellen.’ Dat spreekt me wel aan en Jacques neemt me mee naar een zijkamertje waar een manshoge vrieskast staat. Uitnodigend doet hij de deur open. De vrieskast is van onder tot boven volgestouwd met Dr. Oetker diepvriespizza’s. Glimlachend kies ik voor de spinaziepizza, spreek af dat ik die om half zeven wil hebben en word dan naar mijn plekje begeleid. Jacques loopt voor me uit de camping op en ik volg hem stapvoets rijdend in mijn camper. Op zijn aanwijzingen word ik op een keurig plekje met grindtegels gedirigeerd (stukje vooruit nog, ietsje naar links, stop, prima zo!) en is Jacques ook nog zo vriendelijk de stroom voor me aan te sluiten. Met een ‘dan zie ik u om half zeven in het kantoor voor uw pizza’ neemt hij afscheid.

Voor het ‘eten’ loop ik nog even een rondje over de camping.
Zoals veel kampeerplaatsen in deze streek zijn de plekken voornamelijk bevolkt door vaste kampeerders in stacaravans. De tand des tijds heeft inmiddels behoorlijk aan deze onderkomens geknaagd. Veel eigenaren hebben van hun home een castle gemaakt. Waar ik ook kijk, zie ik schuurtjes, voortenten, uitbouwtjes, barbecues, buitenkeukens, satellietschotels, speeltoestellen, toilethokjes, hekjes, tuintjes en bloembakken. Nog net niet in staat van ontbinding, maar wel van een vergane, afgebladderde glorie.

Als ik tegen half zeven mijn wandelingetje eindig in het kantoortje, hoor ik bij binnenkomst het belletje van de magnetron. Jacques haalt mijn pizza uit het apparaat, legt hem keurig op een bord en schuift het geheel in de kartonnen verpakking. ‘Het bord krijg ik morgen wel van u terug. Eet u smakelijk!’

Als ik de volgende morgen klaar ben om te vertrekken, stap ik met het schoongewassen pizzabord het kantoortje binnen om af te rekenen. Jacques somt alles netjes voor me op: ‘Dat is dan één motorhome, één persoon, gebruik van stroom, één pizza enne… heeft u nog gebruik gemaakt van de douche?’.
Het was die nacht vijf graden geweest en ondanks het dikke dekbed had ik het behoorlijk koud gehad. Toen ik opstond, zag ik het douchen al voor me: met mijn tasje toiletspullen door het natte gras naar het toiletgebouw lopen, me in een tochtige, koude doucheruimte uitkleden en in m’n blootje lang aan de mengkraan morrelen tot ik de gewenste temperatuur had. Het trok me niet aan en dan, er zat toch niet voor niks een boiler in die camper? Ik besloot die dag te volstaan met een poezenwasje en het douchen uit te stellen tot ’s avonds.

‘Heeft u nog gebruik gemaakt van de douche?’.
Ik leg Jacques uit dat ik het douchen heb overgeslagen en vertel hem er ook bij waarom. Jacques kijkt me met een twinkel in zijn ogen aan: ‘Jullie Hollanders zijn toch zo’n proper volkje. Maar ook een beetje gierig. Onze douches zijn gewoon gratis. Maar bij de Hollandse gasten vertel ik altijd het verhaal dat ze later per douchebeurt moeten afrekenen. En weet u, mijnheer, geen enkele Hollander doucht hier ooit! Dat is dan € 18,30 totaal en ik wens u een goede reis…’

Uitgestorven

‘Als u toch in deze streek rond reist, moet u beslist een bezoekje brengen aan de watervallen van Coo. De waterpartijen zijn schitterend mooi, er zijn gezellige terrasjes, er is een kermis, kortom: een bezoek aan Coo is genieten!’. Ik besluit de tip van de medekampeerder op te volgen.

Hij heeft geen woord teveel gezegd: mooie watervallen, veel activiteiten, maar dan niet in september. Dan loop je daar midden op de dag als enige toerist in de rondte. Coo is compleet uitgestorven (en dat maakt het toch allemaal erg onwezenlijk).

Na endlich: Schieferstollen

Even buiten het dorpje Recht is na tien jaar restauratie een oude Schieferstollen (leisteenmijn) in ere hersteld. Vanaf mei 2007 is deze mijn opengesteld voor het publiek. Er zijn rondleidingen om elf uur en twee uur. Ik besluit die mijn te bezoeken.
Met de routeplanner heb ik berekend, dat het een uurtje rijden is vanaf de camping waar ik heb overnacht tot de mijn. Rekening houdend met eventueel oponthoud vertrek ik die ochtend om half tien.

Mijn onervarenheid met het rondreizen in een camper breekt me na zo’n drie kwartier rijden behoorlijk op. Ik had rekening gehouden met verkeersdrukte (op binnendoorweggetjes in de Ardennen nota bene, hoe naïef…), ik had rekening gehouden met eventueel verdwalen (met een navigatiesysteem, nog naïever…), maar ik had geen rekening gehouden met de hoogte van een camper.

Natuurlijk had ik bij die laatste afslag het bord met een hoogtebeperking zien staan. Natuurlijk had de verhuurder van de camper een keurig stickertje in de cabine laten aanbrengen. Natuurlijk had ik dat stickertje bekeken: lengte 670, breedte 240, hoogte 310. Maar mijn ‘timmermansoog’ weigerde te geloven, dat mijn tijdelijke huis-op-wielen ook echt 3.10 m hoog zou zijn. ‘Doen ze natuurlijk stevig wat centimeters bij, zodat ze er zeker van zijn dat de huurders geen brokken maken’, dacht ik terwijl ik de richtingaanwijzer aanzette en eigenwijs de weg met hoogtebeperking insloeg.

Een twintig minuten later wordt mijn betweterigheid keihard bestraft. Vlak voor de rotonde waar ik af moet slaan om de laatste paar kilometers naar de mijn af te leggen, hangt een balk over de weg met rood-witte plastic flappen. Ik minder vaart en rijd zo langzaam mogelijk op de flappen af. Met veel geraas slepen ze over mijn camperdak. Had de verhuurder toch gelijk met die hoogte van 3.10 m! Er zit niets anders op dan de rotonde als keerpunt te gebruiken en dezelfde weg terug te nemen. Hardop op mezelf mopperend over zoveel eigenwijsheid, bedenk ik ook dat ik die rondleiding van elf uur niet meer zal halen. Dan maar geen leisteenmijn. Ik stel mijn plannen bij en besluit die dag andere dingen te ondernemen.

Het bezoek aan de mijn blijft toch door mijn gedachten spoken.
De volgende morgen besluit ik nog een poging te doen en naar Recht af te reizen. Zorgvuldiger dan de dag ervoor laat ik het navigatiesysteem de route uitrekenen. Vandaag kan er niets meer fout gaan! Ik start de motor en merk dat er een controlelampje blijft branden. Gespeend van enige kennis omtrent motoren verontrust me dat niet in het minst. Ach, zo’n lampje van de accu, dat gaat waarschijnlijk vanzelf wel weer uit… Maar na een kwartier brandt het lampje nog en na een half uur is het nog niet uit, zodat ik besluit in het eerste de beste plaatsje een garage op te zoeken.
Nu is mijn beheersing van de Franse taal net voldoende om boodschappen te doen en de weg te vragen, maar met het uitleggen van een probleem met de moteur heb ik beslist moeite. Met veel handen- en voetenwerk weet ik de monteur van de garage duidelijk te maken dat er quelque chose met une lampe van de batterie mis is. Of het lampje knippert, informeert de monteur. ‘Mais non! Constant!‘, breng ik hem op de hoogte. Meteen zie ik het gezicht van de monteur betrekken. Hij begint een uitgebreid verhaal over het niet opladen van de accu en ik meen hem iets te horen zeggen over een nieuwe dynamo. Heb ik dat!
Ik moet maar even geduld hebben tot hij een andere klant heeft geholpen en dan zal hij wel even naar mijn problème kijken.
Een kwartiertje later komt hij naar mijn camper, gewapend met een meetkastje en een zaklantaarn. Of ik de motor even wil starten. Hij werpt een blik op het dashboard. Wat hij ziet, bevalt hem duidelijk niet, want hij gebaart dat ik de motor snel moet afzetten. Zijn gezicht wordt nog zorgelijker.
Met zijn zaklantaarn duikt hij onder de motorkap, friemelt wat hier, frunnikt wat daar en richt zich uiteindelijk weer op. Zijn houding is totaal veranderd. Glimlachend begint hij in rap Frans een heel verhaal op te hangen, waar ik niets van begrijp. Het enige dat ik opving is: une petite bête… ‘Een klein beestje?’, doe ik niet-begrijpend.
Hortend en stotend vanwege de taalbarrière komt het verhaal eruit. Kleine beestjes, eekhoorntjes, maar in dit geval waarschijnlijk een steenmartertje, kruipen ’s nachts in de nog warme motorruimte. En zo’n beestje heb ik de afgelopen nacht waarschijnlijk als ongenode gast gehad. Behalve zich te warmen, had het diertje ook aan de bekabeling geknabbeld en was er een breuk ontstaan. Probleem opgelost! Het stukje kabel-met-breuk wordt er tussenuit geknipt, de losse eindjes weer met elkaar verbonden, de motor weer gestart en het acculampje blijft uit. Dat is dan € 9,75, merci beaucoup et bonne route!

Bonne route! Jawel!
Maar als ik wegrijd, geeft mijn navigatiesysteem aan, dat ik om twee minuten over elf bij de leisteenmijn zal aankomen. Op zich geen probleem. Ben ik niet in België? Zo’n gids zal heus niet precies om elf uur met een groep de mijn ingaan en dan nog: als het moet, heb ik zo’n groep natuurlijk razendsnel ingehaald…
Zonder verder oponthoud draai ik inderdaad exact om 11:02 de parkeerplaats van de Schieferstollen op. Een totaal lege parkeerplaats.
Om de mijn zelf te bereiken, moet ik nog een aardig stukje bospad aflopen en enigszins buiten adem open ik de deur van het bezoekerscentrum. In één oogopslag zie ik, dat ik te laat ben. Op een mevrouw achter de balie na is de hele ruimte leeg. Twee keer op weg naar deze mijn en twee keer pech?
‘De rondleiding is zeker al begonnen? Ik ben te laat natuurlijk. En ik heb me nog wel zo gehaast. En gisteren was ik ook al op weg naar hier’, struikel ik over mijn woorden.
De vrouw achter de balie kijkt me wat meewarig aan en antwoordt: ‘Er is helemaal geen rondleiding. Ik heb een half uurtje geleden de gids afgebeld omdat er geen bezoekers zijn…’. Ik plof neer op één van de stoelen die in rijtjes staan opgesteld waar de bezoekers een documentaire over de mijn kunnen bekijken en wis het zweet van mijn voorhoofd.
De vrouw kijkt me aan, schat me in en zegt: ‘Maar als u wilt, mag u wel alleen de mijn in. Zal ik de film eerst starten en ondertussen een lekker kopje koffie voor u maken?’ Verbluft over zoveel gastvrijheid laat ik het me allemaal welgevallen: trek mijn jas uit, bekijk moederziel alleen de documentaire, ondertussen genietend van mijn koffie-met-een-koekje.

Na afloop van de documentaire nodigt de vrouw, die Linda Margreve blijkt te heten, me uit de mijn in te gaan. Of dat wel veilig is, vraag ik bezorgd. Kan ik niet verdwalen? ‘Hab’ kein Angst’, verzekert Linda me, ‘het is een route van achthonderd meter. U loopt de mijngang uit, gaat bij de Y-splitsing rechts, loopt een rondje en komt via diezelfde gang weer bij mij terug. Zullen we dan maar?’

Via een wenteltrap dalen we af naar het begin van de mijngang. Halverwege krijg ik een felgele jas en een helm. Daarna brengt Linda me naar de mijningang, wijst de weg, wenst me veel plezier en gaat terug naar haar balie.
Het is een vreemde gewaarwording zo helemaal in mijn eentje door een verlaten mijn te lopen met alleen de geluiden van tikkend water, dat op mijn helm en jas druppelt. Helemaal gerust ben ik er niet op, maar gelukkig heb ik gezien, dat er onderweg overal camera’s hangen, zodat Linda-boven een oogje in het zeil kan houden.
De route is inderdaad kinderlijk eenvoudig. Zelfs voor mij is het onmogelijk te verdwalen, vooral omdat er nergens een zijgang is! Via geluidspanelen kan je veelvuldig uitleg krijgen en om het allemaal nog echter te maken, sta je regelmatig oog in oog met verouderde etalagepoppen die verstard en slim belicht de vroegere werkzaamheden in de mijn uitbeelden.

Terug bij de balie is Linda zo vriendelijk nog een kopje koffie voor me te maken. Ik reken af (natuurlijk was de koffie gratis…), neem hartelijk afscheid van mijn gastvrouw, klauter het bospad weer omhoog en start op het nog steeds verlaten parkeerterrein de motor van mijn camper. Het lampje van de accu gaat keurig uit…

Frits ziet het licht

Bingo! In een flits zie ik vanuit mijn ooghoek de ideale overnachtingsplek. Ik wil deze probeer-camper-week beslist nog een keer ‘wild’ overnachten. Natuurlijk weet ik, dat ik daarmee in overtreding zou zijn, want vrij kamperen is nu eenmaal verboden in het land waar ik rondtoer. Maar er is zoveel verboden. En er zijn zoveel regels.

Bingo! Speurend naar een geschikte plek valt mijn oog op een lieflijk, klein kerkpleintje in het plaatsje M. (de volledige naam laat ik veiligheidshalve achterwege, want ik wil het plaatselijke politiecorps niet in verlegenheid brengen). Het pleintje beantwoordt helemaal aan mijn verwachtingen: een door bomen omzoomd parkeerplaatsje voor de kerk, met een mooie sierbestrating en ouderwetse straatlantaarns. Er staan wat auto’s geparkeerd van winkelend publiek.
Om de plaatselijke bevolking niet in het harnas te jagen door een dubbele parkeerplek in beslag te nemen, manoeuvreer ik mijn camper helemaal achteraan het pleintje net naast de parkeervakken en vlak voor de kerk. Ik stap uit en bekijk mijn plek-voor-de-nacht. Perfect!

‘En u bezorgt ook aan huis?’
Ik heb een uurtje gewandeld in de prachtige omgeving van M. en ben weer terug in de dorpskern. Daar ontdek ik een restaurant/kwalitaria (!) waar voor de deur een bestelautootje staat geparkeerd. Het loopt tegen etenstijd en ik stap naar binnen. ‘Mag ik de girosschotel maxi en doet u er een lekker koud biertje bij. En u bezorgt ook aan huis? Prima! Ik zit in die camper die voor de kerk staat geparkeerd…’ De jongeman achter de toonbank kijkt me heel even aan, maar verblikt of verbloost niet. Hij noteert mijn bestelling en rekent af.

Het is inmiddels na zessen geworden. Het winkelend publiek is naar huis en het kerkpleintje is helemaal verlaten op mijn camper na. Ik installeer me met mijn onderweg gekochte krant en nog geen half uurtje later draait een bestelautootje het plein op, parkeert naast mijn camper en geeft mijn bestelling af.

Na het eten en de afwas loop ik nog even naar buiten.
Het is inmiddels schemerig geworden en mijn overnachtingsplek wordt met de minuut mooier. De verkeersdrukte is minder, de nostalgische straatlantaarns floepen aan en ‘mijn’ pleintje verandert in een oase van rust en lieflijkheid.
Terwijl ik daar zo stilletjes sta te genieten van dit bijna romantische plekje knalt plotseling een serie enorme schijnwerpers aan, die de kerk (en dus ook mijn zorgvuldig in een hoekje geparkeerde camper) in een verblindend licht plaatst. Die schijnwerpers tussen de bomen had ik even niet gezien toen ik er ’s middags parkeerde. Weg lieflijkheid. Weg romantiek.
Het licht van de schijnwerpers is zo fel, dat ik mijn krantje rustig verder kan uitlezen zonder binnen een lampje aan te doen. Praktisch, dat wel, maar ik realiseer me ook, dat ik op deze manier wel heel erg ‘in de picture’ sta voor passerende voorbijgangers. Om maar niet te denken aan eventueel patrouillerende politie. Die gedachte neemt steeds meer bezit van me en het kost me dan ook moeite later op de avond in slaap te vallen.
Hoor ik daar niet een auto het pleintje oprijden? Schijnen de koplampen door mijn camper? Stopt die auto? Hoor ik daar portierdeuren dichtslaan? Verschillende malen stap ik mijn bed weer uit, sluip door de camper, gluur door het gordijntje, maar iedere keer is het loos alarm. Om twaalf uur doven de schijnwerpers en val ik uiteindelijk in een (onrustige) slaap.

De volgende morgen word ik te vroeg gewekt door voorbijdenderende landbouwtrekkers.
De volgende morgen kruip ik met dikke slaapogen achter het stuur van mijn camper.
De volgende morgen ga ik op weg naar een rustige, spaarzaam verlichte camping.

(Met dank aan de inwoners van M. die mij geen strobreed in de weg legden.)

Camperflitsen
Leermomentje…

Frits heeft dertig jaar pleziervaart achter de rug, dus mag je enige ervaring verwachten in het stormvast inrichten van kastjes.
Ga je voor het eerst in je leven met een gehuurde camper op pad en hobbel je over de (slechte) binnenwegen van de Ardennen, dan kom je er achter dat ook een camper ‘stormvast’ moet zijn ingericht.
Ik dacht onderweg al het een en ander te horen vallen boven het motorgeraas uit, maar wat een ravage als ik bij de eerste stop de kastjes open doe! En wat een troep in de natte cel! Alles op de grond! (het rook er de hele verdere week wel heerlijk fris naar after-shave…)

Oude, vertrouwde duim…

Camping Paola in Marche-en-Famenne is prachtig gelegen hoog in de heuvels even buiten het dorp.
‘Een restaurant?’, antwoordt de beheerster van de camping, ‘dan moet u in het dorp zelf zijn. Een kwartier tot twintig minuten lopen.’
Wat ben ik boos op mezelf dat ik mijn vouwfiets heb thuis gelaten. Heuveltje af gaat prima, maar ik zie al op tegen de terugweg als ik met een volle maag diezelfde heuvel weer moet beklimmen.
Mijn oude, vertrouwde duim heeft me m’n leven lang nog niet in de steek gelaten. Midden in het centrum staat een bordje dat naar camping Paola verwijst. Met mijn ene hand wijzend op dat bordje en met de andere hand de internationale liftersduim omhoog, heb ik al snel geluk. De derde auto stopt, rijdt voor mij een stukje om (pas de problème) en zet me voor de deur van mijn camper af…

Slaapmutsje?

Halverwege mijn camperweek heb ik een afspraak bij vrienden.
Wat is het heerlijk mijn camper-uit-1996 met het daarbij behorende ‘slaapcomfort’ voor hun huis te parkeren en één nacht in een echt (logeer)bed te slapen! Als een roos!
(ik schrijf dat toe aan het goede bed, mijn vrienden houden het op het forse whisky-slaapmutsje…)

Rust

Uit de folder van ecologische 40+ boerencamping ‘De Nieuwe Riet’ in Oud Gastel:
Op ons park richten wij ons op recreanten die de 40 zijn gepasseerd en op zoek zijn naar rust, natuur en ontspanning. Bij ons zult u geen kantine met een gokkast, zwembad, winkel of disco vinden.
De recreanten op ons park zijn mensen die willen onthaasten, wandelen of fietsen en vooral van de natuur en stilte willen genieten.

Spreekt me wel aan als laatste overnachting voor ik weer naar huis ga. Rust, natuur en stilte, het klopt allemaal. Jammer van die trein die om de haverklap voorbij raast.
‘Ach, mijnheer, dat horen wij gewoon niet meer, hè?’